Beleidsregel brijnlozingen in de bodem Noordoostpolder

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Noordoostpolder,

 

Overwegende dat:

 

  • de gemeente Noordoostpolder streeft naar een duurzame en verantwoorde omgang met de bodem en het grondwater binnen haar grenzen;

  • binnen de gemeente Noordoostpolder het grootste glastuinbouwgebied van de provincie Flevoland is gevestigd. Glastuinbouwbedrijven voor het bereiden van gietwater te maken krijgen met activiteiten zoals het lozen van brijnwater in de bodem, wat een negatieve invloed kan hebben op de grondwa-terkwaliteit

  • overleg heeft plaatsgevonden tussen gemeente Noordoostpolder, Omgevingsdienst Flevoland en Gooi & Vechtstreek, provincie Flevoland, het waterschap Zuiderzeeland en andere betrokken partij-en om te komen tot een gemeenschappelijk beleid voor glastuinbouwgebieden binnen de provincie Flevoland;

  • naar aanleiding van het overleg behoefte bestaat om een beleidsregel vast te stellen met regels ten aanzien van brijnlozingen binnen de gemeente Noordoostpolder;

  • het college van burgemeester en wethouders het bevoegd gezag is om brijnlozingen in de bodem binnen de gemeente toe te staan via het stellen van maatwerkvoorschriften;

Gelet op artikel 4.801 juncto 2.13 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

 

Gelet op artikel 4.81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht;

 

Besluit vast te stellen:

 

de Beleidsregel brijnlozingen in de bodem Noordoostpolder

 

1. Reikwijdte

Deze beleidsregel is van toepassing op het brijnlozingen in de bodem, waarbij het brijn is ontstaan als gevolg van het bereiden van gietwater als bedoeld in paragraaf 4.80 van het Besluit activiteiten leefomgeving door glastuinbouwbedrijven binnen de gemeente Noordoostpolder.

2. Begripsbepalingen

In deze beleidsregel wordt verstaan onder:

 

  • Brijnwater of brijn of concentraat: het residu van omgekeerde osmose, met een hoger gehalte aan zouten dan het oorspronkelijke grondwater.

  • College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Noordoostpolder.

  • Infiltratie: het proces waarbij water door de bodem zakt en de grondwaterlagen bereikt.

  • Lozen: het in de bodem brengen van brijnwater.

  • Maatwerkvoorschrift: een voorschrift zoals bedoeld in artikel 4.5 van de Omgevingswet.

  • OFGV: de directeur van de Omgevingsdienst Flevoland & Gooi en Vechtstreek.

  • Omgekeerde osmose: een waterbehandelingsproces waarbij water onder druk door een membraan wordt gepompt om opgeloste zouten en andere stoffen te verwijderen.

  • Omgevingsplan: het plan zoals bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet

  • Standstill-principe: het principe dat het lozen van stoffen in de bodem of het grondwater niet mag leiden tot verslechtering van de waterkwaliteit ten opzichte van de bestaande situatie, zoals bedoeld in de Grondwaterrichtlijn/Kaderrichtlijn Water.

  • Watervoerend pakket: een bodemlaag die water doorvoert en die doorgaans aan boven- en onder-zijde begrensd is door een slecht doorlatende laag. In de Noordoosterpolder worden verschillende watervoerende pakketten gescheiden door kleilagen. Het eerste watervoerende pakket is het meest ondiep gelegen watervoerende pakket, het tweede watervoerende pakket ligt daaronder enzovoorts. De watervoerende pakketten bestaan allen uit zand en grind. De slecht doorlatende lagen tussen de watervoerende pakketten bestaan uit klei en/of veen.

3.1 Bevoegdheid verlenen maatwerkvoorschrift

  • 1.

    De OFGV kan namens het College, ambtshalve of op verzoek, een maatwerkvoorschrift verlenen voor het uitvoeren van brijnlozingen in de bodem.

  • 2.

    Een maatwerkvoorschrift wordt niet verleend als een redelijk vermoeden bestaat dat niet wordt voldaan aan de voorwaarden uit artikel 3.2 tot en met 3.9 van deze beleidsregel.

  • 3.

    Een maatwerkvoorschrift wordt niet verleend als een redelijk vermoeden bestaat dat niet voldaan wordt aan de voorwaarden die voortkomen uit artikel 2.4 van de Beleidsregel omgevingsvergunningsplichtige milieubelastende activiteiten onder de Omgevingswet van gedeputeerde staten van Flevoland (opgenomen in bijlage A).

3.2 Boren van de brijnlozingsbron

  • De start van de boorwerkzaamheden voor de aanleg van de lozingsbron wordt ten minste twee weken van tevoren aan de OFGV gemeld (door een e-mail te sturen naar info@ofgv.nl).

  • De brijnlozingsbron mag alleen geboord worden door een bedrijf dat gecertificeerd is volgens BRL SIKB 2100 voor mechanisch boren en dat werkt volgens SIKB protocol 2101 voor mechanisch boren.

  • Binnen 1 maand na de aanleg van de lozingsbron worden de volgende gegevens aan de OFGV toegezonden:

    • o

      een afschrift van de boorbeschrijvingen conform de eisen in protocol SIKB-2101;

    • o

      de afwerkingsstaat van de bron(nen).

  • Ter vaststelling van de chemische samenstelling van het grondwater in de referentiesituatie wordt het grondwater in het pakket waarin geloosd gaat worden, voorafgaand aan de eerste lozing, door daartoe erkende personen of instellingen bemonsterd en geanalyseerd op de stoffen zoals vermeld in bijlage B. De resultaten worden opgenomen in een rapport. Het analyserapport wordt ten minste 2 weken voorafgaand aan de ingebruikname van de lozingsbron aan de OFGV toegezonden.

3.3 Installatie-eisen

  • De installatie voor het lozen van brijn moet zijn voorzien van een watermeter met een telwerk of een andere inrichting voor het doorlopend registreren van de door de meter stromende hoeveelheid water.

3.4 Registratie en rapportage

  • Degene aan wie een maatwerkvoorschrift is verleend houdt maandelijks de stand van de watermeter bij en dient deze gegevens jaarlijks en op aanvraag beschikbaar te stellen aan de OFGV.

  • Geanonimiseerde gegevens mogen door het College en de OFGV op verzoek voor wetenschappelijke doeleinden beschikbaar worden gesteld aan derden.

3.5 Diepte van de brijnlozing

  • Een brijnlozing < 5m3/uur mag plaatsvinden in het 3e watervoerende pakket wat zich op een diepte bevindt tussen 100 en 130 m onder maaiveld (m-mv.). Bij de plaatsing dient rekening te worden gehouden met andere grondwateronttrekkingen en voldoende zijn om negatieve onderlinge beïnvloeding te voorkomen. Negatieve beïnvloeding treedt op als het geïnfiltreerde brijn, wordt aangetrokken door een nabij gelegen grondwateronttrekking.

  • Een brijnlozing >5 m3/uur is alleen toegestaan in het 4e of 5e watervoerende pakket. Het 4e watervoerende pakket bevindt zich op een diepte tussen 140 en 186 m-mv. Het 5e watervoerende pakket bevindt zich een op diepte tussen 220 en 310 m-m.v.

3.6 Overgangsregeling voor bestaande brijnlozingen in 2 en 3e watervoerende pakket

  • Een bestaande brijnlozing die <5m3/uur loost en ondieper is dan 100 m-mv, mag worden gecontinueerd indien met een berekening of modelberekening is aangetoond dat er geen sprake is van negatieve beïnvloeding van bestaande grondwateronttrekkingen.

  • Een bestaande brijnlozing >5m3/uur die niet in het 4e of 5e watervoerend pakket loost, moet worden gestaakt binnen 7 jaar na inwerking treden van deze beleidsregel.

3.7 Duur van maatwerkvoorschriften

  • De duur van het maatwerkvoorschrift is afhankelijk van ontwikkelingen in teelten, nieuwe technieken of alternatieven in het gebiedsproces en wordt benoemd in het maatwerkvoorschrift.

3.8. Monitoring en analyse van brijnwater

  • Indien in de drie jaar voor de ingangsdatum van het maatwerkvoorschrift nog geen monster van het brijn genomen is voor analyse, wordt binnen 3 maanden direct nadat de installatie minimaal 24 uur aaneengesloten heeft gefunctioneerd alsnog een monster van het brijn genomen. Het monsternamepunt bevindt zich na de omgekeerde osmose-installatie en eventuele voorzuiveringen.

  • Een medewerker van een onafhankelijk adviesbureau bemonstert het brijn volgens de meest recente NEN-, NVN- of VPR-normen. Een onafhankelijk en voor de vereiste bepalingen geaccrediteerd laboratorium meet van dit monster, eveneens volgens de meest recente NEN-, NVN- of VPR-normen, de concentraties van de parameters opgenomen in bijlage B.

  • Indien de concentraties van de stoffen in het brijn de in bijlage B genoemde normen overschrijden, vindt er een nadere toetsing plaats door de OFGV om te beoordelen of de lozing niet tot onacceptabele risico’s voor het milieu leidt.

  • Voor een correcte analyse is het uitvoerend laboratorium vooraf door degene aan wie het maat-werkvoorschrift is verleend op de hoogte gebracht van het hoge zoutgehalte van het te analyseren monster.

  • De resultaten van de analyse dienen te worden overlegd aan de OFGV.

  • Met het toezenden van de eerste analysegegevens worden, voor zover nog niet eerder aangeleverd, tevens de volgende gegevens ter goedkeuring aan de OFGV toegezonden:

    • o

      een kaart met de coördinaten per bron, de exacte plaats en de afwerking van bronnen en putten ten opzichte van maaiveld, en

    • o

      de boorverslagen van de boorbedrijven met daarin opgenomen de boorstaat, constructie van infiltratiebron, en

    • o

      een overzicht van de gebruikte voor het doel geschikte watermeters (met een maximale afwijking van 5%) en plaatsen van inbouw.

3.9. Beëindiging van Lozingen

Indien de brijnlozing permanent wordt beëindigd, dient degene aan wie een maatwerkvoorschrift is verleend binnen drie maanden na beëindiging aan de volgende voorwaarden te voldoen:

 

  • Permanente beëindiging van de lozing, evenals de datum van afdichting van de bronnen en peilbuizen, wordt tenminste vier weken voor de beëindiging aan de OFGV gemeld.

  • Na beëindiging van de lozing worden binnen een maand de in artikel 3.4 genoemde gegevens aan de OFGV toegezonden.

  • Dichten van bronnen en peilputten:

    • o

      Alle brijnlozingsbronnen, peilputten en andere bronnen waarlangs het brijn is geloosd, moeten worden gedicht door een boorbedrijf dat gecertificeerd is volgens BRL SIKB 2101 voor mechanisch boren. Afdichting dient plaats te vinden conform de richtlijnen van het protocol 2101 voor het buiten gebruik stellen van een buisconstructie in het boorgat.

  • Rapportage:

    • o

      Binnen vier weken na beëindiging van de lozing dient degene aan wie een maatwerkvoorschrift is verleend een rapport in bij de OFGV over de afsluitende maatregelen en de status van de bronnen.

3.10 Intrekking van maatwerkvoorschriften

  • Het maatwerkvoorschrift kan door de OFGV namens het College worden ingetrokken indien er realistische alternatieven zijn binnen de duur van het maatwerkvoorschrift.

  • Een maatwerkvoorschrift kan worden ingetrokken als niet wordt voldaan aan de voorwaarden uit artikel 3.2 tot en met 3.9 van deze beleidsregel.

  • Een maatwerkvoorschrift kan worden ingetrokken als niet wordt voldaan aan de voorwaarden die zijn opgenomen in bijlage A.

4. Evaluatie en Terugkoppeling

Deze beleidsregel wordt periodiek geëvalueerd op basis van monitoringresultaten en ervaringen uit de praktijk. Indien nodig worden de voorschriften aangepast om effectiviteit en actualiteit te waarborgen. Evaluaties vinden plaats ten minste om de vijf jaar, of eerder indien significante wijzigingen in het beleid of in technologische ontwikkelingen dit vereisen.

5. Slotbepalingen

5.1 Inwerkingtreding

Deze beleidsregel treedt in werking op de dag na de bekendmaking.

5.2 Citeertitel

Deze beleidsregel wordt aangehaald als: “Beleidsregel brijnlozingen in de bodem Noordoostpolder”.

aldus vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders in de vergadering van 2 december 2025

De secretaris,

De burgemeester

Bijlage A: Voorwaarden provinciaal beleid

 

Voor het stellen van een maatwerkvoorschrift geldt dat moet zijn voldaan of voldaan zal worden aan de volgende voorwaarden:

 

  • Het te lozen brijn ontstaat bij de ontzouting van ter plaatse onttrokken grondwater zonder chemische toevoegingen.

  • Het lozen van brijn is niet toegestaan in het voor de openbare drinkwatervoorziening expliciet gereserveerde diepe zoete grondwater voor de huidige en toekomstige drinkwaterzones in Zuidelijk Flevoland (grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones), zoals opgenomen in het Omgevingsplan en de Omgevingsverordening.

  • Het lozen van brijn is niet toegestaan in het 1e en 2e watervoerende pakket gegeven de belangen omtrent het gebruik van deze grondwaterpakketten en het standstill-principe.

  • Het lozen van brijn past binnen het standstill-principe uit de Kaderrichtlijn Water en brengt geen nadelige gevolgen of risico’s met zich mee voor drinkwatervoorziening of andere maatschappelijke, ecologische of economische belangen.

  • Het lozen van brijn geschiedt in een watervoerend pakket met ongeveer gelijkwaardige chlorideconcentraties of hogere zoutgehaltes. Met ongeveer gelijkwaardige chlorideconcentraties wordt de algemeen gangbare classificatie voor zoet, brak en zout grondwater bedoeld: zoet grondwater (<150 mg/l), brak grondwater (150 tot 1.000 mg/l); brak/zout grondwater (tussen 1.000 mg/l en 10.000 mg/l), en zout grondwater (>10.000 mg/l). Afwijking in bepaalde mate hiervan is mogelijk indien met modellering wordt aangetoond dat er geen grote veranderingen in de zoutconcentraties in de tijd optreedt als gevolg van de lozingen.

  • Indien ondernemers, aanvullend, grondwater willen gebruiken om over voldoende gietwater te beschikken dan moeten ze aantonen dat:

    • o

      regenwater dat wordt opgevangen vanaf de daken van de kassen optimaal wordt ingezet. Met optimaal wordt, afhankelijk van het gewas, bedoeld een inzetbaarheid van 70% tot 90% conform het Groen Label Glastuinbouw (hoogste ambitieniveau met minimaal aantal m3 opvang per hectare glas).

    • o

      de onttrekking van grondwater toegestaan is en geen nadelige gevolgen heeft voor drinkwatervoorziening en andere maatschappelijke, ecologische of economische belangen.

    • o

      er geen (betaalbare) waterbronnen beschikbaar zijn voor aanvullend gietwater die hoger liggen op de Flevolandse duurzaamheidsladder dan wel in de integrale vergelijking van alle bronnen hoger scoren.

  • De duur van het maatwerkvoorschrift is afhankelijk van ontwikkelingen in teelten, nieuwe technieken of alternatieven in het gebiedsproces.

  • Het maatwerkvoorschrift kan door de OFGV namens het College worden ingetrokken als er realistische alternatieven zijn binnen de gestelde termijn.

  • Voor bestaande bedrijven kan, als lokale, maatschappelijke, technische of financiële ontwikkelingen dat noodzakelijk maken, van de voornoemde uitgangspunten worden afgeweken.

Bijlage B: Analysepakket brijnlozing

 

Stof

norm (µg/l, tenzij anders weergegeven)

Gechloreerde koolwaterstoffen:

1,2-dichloorethaan

<0.1

cis 1,2-dichlooretheen

<0.1

1,2-dichloorpropaan

<0.1

tetrachlooretheen (per)

<0.1

tetrachloormethaan

<0.1

1,1,1-trichloorethaan

<0.1

1,1,2-trichloorethaan

<0.1

trichlooretheen (tri)

<0.1

trichloormethaan (chloroform)

<0.1

Bestrijdingsmiddelen: Organische parameters, gehalogeneerd

PCB-28

<0.01

PCB-52

<0.01

PCB-101

<0.01

PCB-118

<0.01

PCB-138

<0.01

PCB-153

<0.01

PCB-180

<0.01

som PCB’s (6)

<0.06

som PCB’s (7)

<0.07

Organochloorbestrijdingsmiddelen

2,4-DDD

<0.01

4,4-DDD

<0.01

2,4-DDE

<0.01

4,4-DDE

<0.01

2,4-DDT

<0.01

4,4-DDT

<0.01

aldrin

<0.01

dieldrin

<0.01

endrin

<0.01

telodrin

<0.01

isodrin

<0.01

heptachloor

<0.01

heptachloorepoxide (cis en trans)

<0.01

alfa-endosulfan

<0.01

alfa, bèta en gamma HCH

<0.01

penta- en hexachloorbenzeen

<0.01

hexachloorethaan

<0.01

hexachloorbutadieen

<0.01

som DDD/DDE/DDT’s

<0.06

som drins

<0.03

som HCH's

<0.05

som OCB’s totaal

< detectielimiet

Metalen - Interventiewaarde gehanteerd als norm

arseen

60

barium

Ongeveer gelijk aan ontvangend grondwater

cadmium

6

chroom

30

koper

75

kwik

0.3

lood

75

nikkel

75

zink

800

Anorganische verbindingen

Chloride

Ongeveer gelijk aan ontvangend grondwater

nitraat

50 mg/l

 

Toelichting

De gemeente Noordoostpolder streeft naar een duurzame en verantwoorde omgang met de bodem en het grondwater binnen haar grenzen. Binnen de gemeente Noordoostpolder is het grootste glastuinbouwgebied van de provincie Flevoland gevestigd: het glastuinbouwgebied Luttelgeest (en Ens). De glastuinbouw gebruikt voor het bewateren van planten meestal regenwater, dat indien nodig wordt aangevuld met grondwater (gietwater). Omdat dit grondwater te zout is om rechtstreeks als gietwater te dienen, wordt het eerst gefilterd. Bij dit proces blijft een geconcentreerdere zoutoplossing over, die men brijn noemt. Brijn is dus het residu van omgekeerde osmose: water met een hoger gehalte aan zouten en andere stoffen die bij de behandeling van het bereide water zijn ontstaan. Het lozen van brijnwater in de bodem kan een negatieve invloed kan hebben op de bodemkwaliteit.

 

Zowel de gemeente, de provincie als het waterschap hebben taken en rollen om beleid te ontwikkelen, te implementeren en te handhaven ten aanzien van glastuinbouwgebieden binnen de provincie. Op verschillende momenten heeft overleg plaatsgevonden tussen gemeente Noordoostpolder, Omgevingsdienst Flevoland en Gooi & Vechtstreek, provincie Flevoland, het waterschap Zuiderzeeland en andere betrokken partijen om te komen tot een gemeenschappelijk beleid voor glastuinbouwgebieden binnen de provincie Flevoland. Een goede gietwatervoorziening is van essentieel belang voor tuinders, maar ook noodzakelijk om de ontwikkeling van kassengebieden en de plattelandskernen mogelijk te maken. In de overleggen zijn deze belangen erkend. Partijen hebben tot doel om een duurzame en toekomstbestendige gietwatervoorziening te kunnen realiseren voor tuinders binnen de provincie, waarbij ook de kwaliteit van de bodem en het grondwater gerespecteerd wordt.

 

Naar aanleiding van de overleggen is behoefte ontstaan om op gemeentelijk niveau een beleidsregel vast te stellen met daarin de voorwaarden waaronder brijnlozingen binnen de gemeente Noordoostpolder via een maatwerkvoorschrift kunnen worden toegestaan. Het college van burgemeester en wethouders is in beginsel het bevoegd gezag om brijnlozingen in de bodem binnen de gemeente toe te staan door middel van het stellen van maatwerkvoorschriften. Dit volgt uit artikel 4.801 juncto 2.13 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

 

Wettelijk kader

 

De Beleidsregel is afgestemd op de landelijke en Europese regelgeving voor water- en bodembeheer. Specifiek is de Beleidsregel opgesteld in overeenstemming met de volgende beleidsdocumenten en wet- en regelgeving:

 

  • Kaderrichtlijn Water (KRW): ter bescherming van de waterkwaliteit en regulering van verontreinigende stoffen in het water.

  • Grondwaterrichtlijn (GWR) en bijbehorende guidance documents: voor het beheer en bescherming van grondwater.

  • Omgevingswet (Ow): die een integrale aanpak van de fysieke leefomgeving bevordert.

  • Besluit activiteiten leefomgeving (Bal): dat de basis legt voor milieuregels voor bedrijven en activiteiten.

  • Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl): voor normen en regels die van toepassing zijn op de fysieke leefomgeving, inclusief waterkwaliteit.

  • Omgevingsverordening provincie Flevoland: met specifieke bepalingen over lozings- en maatwerk-voorschriften.

    • o

      Artikel 6.18: betreffende het verbod op lozing van verontreinigende stoffen in grondwater.

    • o

      Artikel 6.19: met betrekking tot maatwerkvoorschriften voor afwijkingen van het verbod op rechtstreekse lozing.

    • o

      Artikel 6.20: betreffende maatwerkvoorschriften voor brijnlozingen.

  • Beleidsregel omgevingsvergunningsplichtige milieubelastende activiteiten onder de Omgevingswet van de provincie Flevoland.

  • Gemeentelijk omgevingsplan en beleidsregels van de Gemeente Noordoostpolder: Met betrekking tot lokale regelgeving en voorschriften.

Provinciaal kader: Omgevingsverordening provincie Flevoland

 

De Kaderrichtlijn Water (KRW) kent in artikel 11, derde lid, onder j een verbod op het rechtstreeks lozen van verontreinigende stoffen in het grondwater. Enkel in een aantal situaties mag op grond van de KRW alsnog een rechtstreekse lozing in het grondwater worden toegestaan. Onder de Omgevingswet is het aan de provincie, als strategisch grondwaterbeheerder, om te zorgen dat er uitvoering gegeven wordt aan de Kaderrichtlijn Water (KRW).

 

De provincie Flevoland heeft, in lijn met het subsidiariteitsbeginsel, in de Omgevingsverordening provincie Flevoland in artikel 6.18 instructieregels voor het omgevingsplan opgenomen zodat het omgevingsplan een rechtstreekse lozing van verontreinigende stoffen in het grondwater niet toestaat. Het omgevingsplan moet bepalen dat bij maatwerkvoorschrift een rechtstreekse lozing van verontreinigende stoffen in het grondwater als bedoeld in artikel 6.18, eerste lid, kan worden toegestaan, indien de lozing is toegestaan op grond van artikel 11, derde lid onder j van de Kaderrichtlijn Water. En op voorwaarde dat de lozing niet verhindert dat de voor dat grondwaterlichaam vastgestelde milieudoelstellingen worden bereikt. Deze mogelijkheid sluit aan bij het Europese Guidance document no. 17 behorende bij de Kaderrichtlijn Water en Grondwaterrichtlijn. Daarin staat beschreven dat het lozen van brijn valt onder een van de uitzonderingssituaties waarin lozing toegestaan kan zijn. De lozing vindt namelijk plaats om technische redenen welke onderdeel zijn van de productie van zoet water uit brak water. Met een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 6.19 kan een rechtstreekse lozing van verontreinigende stoffen afkomstig van brijnwater in het grondwater worden toegestaan. Deze regels zijn terug te vinden in artikel 2.8 en 2.9 van het Omgevingsplan gemeente Noordoostpolder.

 

De provincie heeft voorwaarden gesteld waaronder een maatwerkvoorschrift kan worden verleend in artikel 2.4 van de provinciale Beleidsregel omgevingsvergunningsplichtige milieubelastende activiteiten onder de Omgevingswet. Deze voorwaarden moet de gemeente in acht nemen, op grond van artikel 6.20 van de Omgevingsverordening Flevoland. Deze voorwaarden zijn door de gemeente Noordoostpolder bij het opstellen van deze beleidsregel gebruikt als uitgangspunt voor een nadere gebied specifieke uitwerking voor de glastuinbouwgebieden in de Noordoostpolder.

Naar boven