Gemeenteblad van Zuidplas
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Zuidplas | Gemeenteblad 2025, 535805 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Zuidplas | Gemeenteblad 2025, 535805 | beleidsregel |
Beleidsregels studietoeslag Zuidplas 2025
Artikel 2. Structurele medische beperking
Structurele medische beperking: een fysieke en/of psychische beperking die voortkomt uit een in de persoon gelegen ziekte of medisch gebrek die voldoende ernstig is dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen het gebrek en het structureel niet in staat zijn van het verdienen van inkomsten door belanghebbende naast de studie.
Het college vraagt een medisch advies aan bij een door het college aangewezen onafhankelijke deskundige voor de beoordeling of er sprake is van een structurele medische beperking, tenzij:
de belanghebbende middels een dossier of verklaring van een arts of specialist zelf kan aantonen dat recht bestaat op de studietoeslag. Het door de belanghebbende aangetoonde dossier/verklaring mag niet ouder zijn dan 2 jaar, tenzij is vastgesteld dat de medische beperking een duurzaam karakter heeft;
Artikel 7. Nieuw medisch advies bij zicht op verbetering
Wanneer het eerste medisch advies daartoe aanleiding geeft, bepaalt het college dat binnen een bepaalde periode een nieuw medisch advies zal worden opgevraagd om te beoordelen of belanghebbende nog steeds niet in staat is om naast de studie te werken.
Aldus vastgesteld op 2 december 2025
Het college van burgemeester en wethouders,
de secretaris,
M. Burgmans
de burgemeester,
J.F. Weber
De aanleiding voor het opstellen van deze nieuwe beleidsregels is tweeledig. Enerzijds is in de nieuwe beleidsregels een uitgebreide en heldere omschrijving van het begrip structurele medische beperking opgenomen (wat ontbrak in de beleidsregels van 2022), waarbij tevens de duur van de beperking nader is gespecificeerd. Anderzijds is geconstateerd dat artikel 4, lid 4, uit de beleidsregels van 2022 – met betrekking tot inkomsten in de maanden juli en augustus – niet in overeenstemming is met de geldende wet- en regelgeving. Aangezien een actualisatie noodzakelijk was, is van de gelegenheid gebruikgemaakt om deze door te voeren op basis van de modelverordening van de VNG.
Geen bijstand meer, maar toeslag
De studietoeslag is geen bijstand meer. Daarom geldt geen vermogenstoets. Ook de gegevens over de woon- en leefsituatie (gezinssamenstelling) zijn niet van invloed op het recht. Er geldt geen leeftijdsgrens. Het recht is gekoppeld aan het recht op studiefinanciering op grond van de WSF of een tegemoetkoming op grond van de WTOS.
Ontvangst of recht op studiefinanciering WSF of een tegemoetkoming op grond van de WTOS
In artikel 36b lid 3 Participatiewet staat dat een aanvraag kan worden gedaan als de belanghebbende studiefinanciering of WTOS ontvangt. Dit moet als volgt worden gelezen: er bestaat recht op studietoeslag als er recht bestaat op studiefinanciering op grond van de WSF 2000 of een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 4 WTOS. Of er recht bestaat blijkt uit een beschikking van DUO. Voor het moment waarop is voldaan aan de voorwaarden voor studietoeslag is niet de datum van ontvangst van studiefinanciering of WTOS van belang, maar de datum vanaf wanneer het recht bestaat.
Iemand begint op 1 september 2022 met een opleiding, heeft recht op studiefinanciering met ingang van 1 december 2022 en ontvangt deze voor het eerst op 22 december 2022. Dan bestaat er recht op studietoeslag met ingang van 1 december 2022.
Structurele medische beperking
Een belanghebbende moet als rechtstreeks gevolg van een ziekte of gebrek structureel niet in staat zijn naast de studie inkomsten te verdienen. Zie de artikelsgewijze toelichting op artikel 2 voor uitleg wat hiermee wordt bedoeld.
Inkomsten ontvangen uit een stage worden tot een maximumbedrag per maand vrijgelaten (artikel 36b lid 5 Participatiewet). Dit bedrag is vastgelegd bij Algemene Maatregel van Bestuur125, besluit van 23 maart 2022 tot wijziging van het Besluit loonkostensubsidie Participatiewet 2021 in verband met het opnemen van bedragen voor de studietoeslag Participatiewet, hierna te noemen AMvB. De regering vindt het gerechtvaardigd om deze vrijlating toe te staan. Wanneer een stagevergoeding hoger is dan het bij AMvB bepaalde maximale bedrag, wordt deze in mindering gebracht op de studietoeslag.
Stage is vaak een verplicht onderdeel van de opleiding en ook al is het niet verplicht, het draagt wel bij aan het vergroten van de toekomstige kansen op de arbeidsmarkt. Onverplichte stages of niet formeel door de onderwijsinstelling erkende stages vallen dus ook onder de vrijlating. Vereist is alleen dat de stage wel plaatsvindt in het kader van de studie. Zie Tweede kamer, 2019-2020, 35394, nr. 5, p. 8.
Stagevergoeding is hoger dan recht op studietoeslag plus vrijlating
Ontvangt een belanghebbende een zeer hoge stagevergoeding? Dan kan dit ertoe leiden dat het recht op studietoeslag op € 0,- moet worden vastgesteld. Er bestaat formeel wel recht, maar dit recht komt door de hoogte van de stagevergoeding niet tot uitbetaling. Na afloop van de stage kan het recht op studietoeslag wel tot uitbetaling komen. De stagevergoeding wordt dan namelijk niet meer gekort. Voorwaarde is wel dat er niets is veranderd in de situatie van belanghebbende, waardoor nog steeds recht bestaat op studietoeslag.
Inlichtingenplicht en terugvordering
Op grond van artikel 36b lid 4 Participatiewet geldt een aparte inlichtingenplicht voor de studietoeslag. Artikel 17 Participatiewet is niet van toepassing, omdat de studietoeslag geen bijstand is. Als de inlichtingenplicht wordt geschonden en achteraf blijkt dat op basis van onjuiste informatie ten onrechte of tot een te hoog bedrag studietoeslag is verstrekt, dan mag het college overgaan tot terugvordering op grond van artikel 58 lid 2 en artikel 36b lid 4 Participatiewet. Paragraaf 6.4 van de Participatiewet is namelijk in artikel 36b lid 6 Participatiewet van overeenkomstige toepassing verklaard voor de studietoeslag. Het terugvorderen is een bevoegdheid, geen verplichting.
Alleen de artikelen die toelichting nodig hebben, zijn uitgewerkt.
Artikel 2. Structurele medische beperking
Voor het recht op studietoeslag is een voorwaarde dat belanghebbende als rechtstreeks gevolg van ziekte of gebrek structureel niet in staat is om naast de studie inkomen te verwerven. Zie artikel 36b lid 1 Participatiewet. Het college legt in dit artikel vast wat wordt verstaan onder een structurele medische beperking.
Begrip inkomsten kunnen verwerven
Gelet op de toelichting bij artikel 36b Participatiewet wordt hier bedoeld in het geheel geen inkomen te verwerven. Beoordeeld moet worden of een student met een structurele medische beperking al dan niet voldoende kan werken, zonder dat dit ten koste gaat van de studie.
Het college mag geen regels stellen over wanneer een beperking dusdanig is dat iemand naast de studie niet meer kan werken. Dit is een individuele beoordeling die in principe door de medisch adviseur of een specialist wordt gedaan.
Volgens de Participatiewet moet iemand (medisch) geen inkomsten naast de studie kunnen verwerven. Dit wordt indien nodig met een medisch advies vastgesteld. Voor de rest is er geen inkomenstoets. Dit impliceert dat inkomsten op zichzelf niet relevant zijn voor het recht op studietoeslag. Denk aan alimentatie, giften en inkomsten uit vermogen. Bepalend is of iemand door zijn medische beperking niet in staat is naast de studie inkomen te verwerven.
Werkt iemand wel? Ook al is dat zeer gering. Denk aan een vakantiebaan tijdens de zomer als het studiejaar voorbij is? Dan vervalt het recht op studietoeslag (tijdelijk). Als de vakantiebaan is gestopt, kan een nieuwe aanvraag worden gedaan.
Economische omstandigheden, bijvoorbeeld hoge werkloosheid, spelen bij de bepaling of iemand structureel niet in staat is inkomen te verdienen uitdrukkelijk geen rol.
Medische beperking moet structureel zijn
Het vereiste dat de medische beperking een structureel karakter heeft, betekent dat bij de beoordeling in ieder geval van belang is dat de medische beperking langdurig is en er geen verbetering te verwachten valt binnen een afzienbare termijn.
In lid 1 legt het college vast wat wordt verstaan onder een medische structurele medische beperking.
In lid 2 staat wat wordt gezien als structureel. Voor wat betreft de termijn van 12 maanden is aansluiting gezocht bij de tijdelijke ontheffing van de arbeidsverplichtingen die geldt voor uitkeringen levensonderhoud in de Participatiewet. Ook is aansluiting gezocht bij de onderwijspraktijk, omdat een studiejaar meestal 10 – 12 maanden duurt.
Lid 3 bevat een opsomming van situaties waarbij op zichzelf geen sprake is van een structurele medische beperking. Een gebroken been of een medische ingreep met bijvoorbeeld een hersteltermijn van een half jaar is volgens de regering geen structurele medische beperking. Hieruit kan worden afgeleid dat als de medische beperking langer duurt dan een half jaar er wel sprake kan zijn van een structurele medische beperking. Ook zijn er medische beperkingen die wel structureel zijn, maar niet voldoende ernstig. In dat geval kan iemand naast zijn studie inkomsten verdienen. Denk daarbij bijvoorbeeld aan iemand met een schildklierafwijking die geen last heeft van complicaties of iemand met een milde vorm, enkelvoudige vorm van dyslexie. Zo iemand is goed in staat met deze chronische ziekte/leerstoornis - die wel structureel is - inkomsten uit arbeid te verdienen naast de studie. Natuurlijk moet er altijd in het licht van de omstandigheden van het geval worden gekeken of voldaan is aan de wettelijke vereisten.
Er is in ieder geval geen sprake van een structurele medische beperking bij:
De opsomming is niet limitatief. Een individuele sociale beperking, zoals het verlenen van mantelzorg valt niet onder deze regeling, omdat die niet voortkomt uit een in de persoon gelegen ziekte of medisch gebrek. Ook kan het zo zijn dat iemand met een gebroken been ook een andere medische beperking heeft, waardoor er toch recht op studietoeslag bestaat. Stel nu dat er bij iemand met een gebroken been heftige complicaties optreden, waardoor deze persoon een jaar lang niet in staat is om te werken naast de studie. In dat geval kan worden bekeken of er na een half jaar binnen een periode van 6 maanden geen verbetering valt te verwachten. Zo nee, dan kan dit worden aangemerkt als structureel. Dit is een redelijke termijn, ook gelet op de duur van een studie.
In dit artikel staat hoe een aanvraag moet worden ingediend (lid 1).
Ook is bepaald welke documenten de aanvrager moet verstrekken bij de aanvraag (lid 2). Deze documenten moet de aanvrager verplicht verstrekken mits die documenten van toepassing zijn.
In lid 3 staat dat de aanvrager ook een deskundigenverklaring kan verstrekken. Dit hoeft niet. Maar het kan wel helpen om de medische situatie van belanghebbende inzichtelijk te maken. Het inleveren van een deskundigenverklaring betekent niet automatisch dat een medisch advies voor de beoordeling of recht op studietoeslag bestaat niet meer nodig is. Maar soms kan uit de door aanvrager ingeleverde documenten wel al duidelijk zijn dat er sprake is van een structurele medische beperking. Dan kan een medisch advies door een onafhankelijke deskundige achterwege blijven. De studietoeslag kan dan worden toegekend.
Belanghebbende hoeft niet te laten weten welke medische beperking hij heeft. Onder een bewijs van de structurele medische beperking wordt verstaan een verklaring van een arts of het UWV waaruit dit blijkt. De deskundigenverklaring hoeft nadrukkelijk geen medische gegevens van de belanghebbende te bevatten. Dit zijn bijzondere persoonsgegevens die alleen aan een medische deskundige voor de uitvoering van het medisch advies hoeven te worden gegeven. De verklaring hoeft zich slechts te richten op de vraag of de belanghebbende in staat is een eigen inkomen te verwerven naast een voltijd studie, zonder dat dit ten koste gaat van de tijd die benodigd is om de studie met succes af te ronden.
Artikel 4. Toekennen en uitbetalen
Het verstrekken van een studietoeslag is een gebonden bevoegdheid. Dat betekent dat als een belanghebbende aan de wettelijke voorwaarden voldoet, er recht op studietoeslag bestaat. De Participatiewet voorziet niet in een verbod om met terugwerkende kracht studietoeslag te verlenen. Artikel 44 lid 1 Participatiewet is immers niet van overeenkomstige toepassing verklaard voor de studietoeslag.
Dit betekent dat een belanghebbende recht op studietoeslag heeft tot 5 jaar voorafgaand aan de dag waarop hij zijn aanvraag heeft ingediend. Dat komt omdat financiële aanspraken jegens de overheid op grond van de rechtszekerheid tot een termijn van 5 jaren in rechte afdwingbaar zijn. De terugwerkende kracht kan niet verder gaan dan 1 april 2022, aangezien vanaf die datum de nieuwe regels voor de studietoeslag gelden. Dit is vastgelegd in lid 3.
Het college hoeft niet ambtshalve te onderzoeken of een aanvrager met terugwerkende kracht recht heeft op studietoeslag. Dit hoeft alleen als belanghebbende daarom verzoekt. Dit is neergelegd in lid 2 van dit artikel. De gedachte hierachter is dat het in lijn is met het doel van de regeling om studietoeslag toe te kennen met ingang van de eerste dag van de maand waarin de studietoeslag wordt aangevraagd. Het doel is namelijk het bieden van een steuntje in de rug van mensen met een medische beperking, zodat zij zich op het studeren kunnen focussen. Dit omdat de combinatie met een bijbaan niet mogelijk is. Omdat het college het verlenen van terugwerkende kracht tot 5 jaar aan een aanvrager niet kan weigeren, wordt dit alleen op verzoek toegekend. Overigens moet uit het medisch advies dan wel naar voren komen dat belanghebbende in het verleden (ook) niet in staat was naast de studie te werken en uiteraard ook niet gewerkt heeft.
Artikel 5. Hoogte studietoeslag
Het college heeft in de beleidsregels studietoeslag Zuidplas 2022 ook gekozen voor hogere normbedragen, zijnde 20% van het wettelijk minimum(jeugd)loon.
Bij het vaststellen van het bedrag voor de doelgroep jonger dan 21 jaar kiest de regering voor een lager minimumbedrag voor de studietoeslag dat evenredig is aan de verhouding van het toepasselijke Jeugd-wettelijk minimumloon (WML) ten opzichte van het reguliere WML. De hoogte van de studietoeslag is dus afhankelijk van de leeftijd. Het recht op een hoger bedrag op grond van leeftijd ontstaat op de dag waarop een persoon jarig is. In de AMvB worden de minimumbedragen per maand van de studietoeslag vermeld per leeftijdscategorie. In de AMvB is vastgesteld dat de (minimum)bedragen van de studietoeslag meebewegen met het wettelijk minimumloon.
Thans wordt de hoogte gebaseerd op grond van het bruto referentieminimummaandloon, zoals deze periodiek gepubliceerd worden in de rekenregels van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Sinds de invoering van het wettelijk minimumuurloon zijn er geen vaste minimum maand-, week- en daglonen meer waardoor het bruto referentieminimummaandloon als uitgangspunt geldt.
Dit betekent dat de hoogte van de studietoeslag ongewijzigd is ten opzichte van de oude beleidsregels. En dat geen overgangsrecht nodig is.
Toepassing van de Participatiewet leidt ertoe dat als een belanghebbende jarig wordt in een maand en dat leidt tot een hogere studietoeslag, de studietoeslag over die maand naar rato wordt berekend. De hoogte bestaat dan uit een percentage vermenigvuldigd met de toeslag voor de leeftijd vóór de verjaardag en een percentage vermenigvuldigd met de toeslag voor de leeftijd sinds de verjaardag.
Het college vraagt indien nodig een medisch advies aan voor de beoordeling of recht bestaat op de studietoeslag. Dit blijkt uit artikel 36b lid 2 Participatiewet. Het staat het college vrij hoe zij tot het medisch advies komt. Het college kan een eigen keuze maken voor een instantie.
Het advies bevat nadrukkelijk geen medische gegevens van belanghebbende. Het heeft alleen betrekking op de vraag of de belanghebbende in staat is een eigen inkomen te verwerven naast een voltijd studie, zonder dat dit ten koste gaat van de tijd die benodigd is om de studie met succes af te ronden. Zie Tweede Kamer 2019-2020, 35394, nr.5, p. 6. Het college moet bij de advisering de zorgvuldigheidsnormen van de Awb in acht nemen. Dit is het algemene kader van afdeling 3.3 Awb en artikel 3:50 Awb.
Artikel 36b lid 2 Participatiewet biedt de mogelijkheid om af te zien van een medisch advies. Het college kan dit doen op grond van bij het college bekende gegevens of door de belanghebbende verstrekte gegevens. Dit kan alleen als op voorhand duidelijk is dat er recht bestaat op een studietoeslag. Want van het afzien van een medisch advies mag niet ten nadele van belanghebbende gebruik worden gemaakt! De aanvrager houdt de mogelijkheid een beroep te doen op een onafhankelijk medisch oordeel. Zie Tweede Kamer 2019-2020, 35394, nr.5, p.7.
In de situatie als genoemd in onderdeel d. wordt geen medisch advies opgevraagd omdat de belanghebbende al werkt naast de studie (behalve als het een stage betreft). In dat geval bestaat er geen recht op de studietoeslag, omdat belanghebbende kennelijk in staat is om te werken naast de studie.
Artikel 7. Nieuw medisch advies bij zicht op verbetering
De duur van de studietoeslag is in principe gelijk aan de duur van de studiefinanciering. Het is verder aan het college om met inachtneming van een onafhankelijk medisch advies vast te stellen voor welke duur de studietoeslag wordt verstrekt en hoe het de controle op rechtmatigheid vormgeeft.
Zo kan het onafhankelijk medisch advies aanleiding vormen voor het college om de duur van de studietoeslag niet af te stemmen op de duur van de opleiding, bijvoorbeeld in geval van een medische ingreep waarbij zicht is op verbetering van de medische situatie van de belanghebbende. Zie Tweede Kamer 2019-2020, 35394 nr. 5, p. 9. In dat geval bepaalt het college dat binnen een bepaalde periode een nieuw medisch advies zal worden gevraagd. Dit om te beoordelen of belanghebbende nog steeds niet in staat is om naast de studie te werken.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-535805.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.