Beleidsregels gehandicaptenparkeerplaatsen Hardinxveld-Giessendam 2025

 

HET COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN HARDINXVELD-GIESSENDAM,

 

Gelet op het bepaalde in:

artikel 160 van de Gemeentewet;

artikel 1:3 en 4:81 tot en met 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht;

artikel 18 van de Wegenverkeerswet 1994;

het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;

artikel 12 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer;

de Uitvoeringsvoorschriften BABW;

Regeling gehandicaptenparkeerkaart.

 

BESLUIT:

 

de Beleidsregels gehandicaptenparkeerplaatsen Hardinxveld-Giessendam 2025 vast te stellen.

 

 

Artikel 1 Begripsbepalingen

Voor de toepassing van deze beleidsregel wordt verstaan onder:

  • a.

    aanvrager: de natuurlijke of rechtspersoon die verzoekt om voor hem een gedeelte van de openbare weg als gehandicaptenparkeerplaats op kenteken in te richten;

  • b.

    aanvraagformulier: het door het college van Burgemeester en Wethouders vastgestelde aanvraagformulier voor het verkrijgen van een gehandicaptenparkeerplaats op kenteken;

  • c.

    algemene gehandicaptenparkeerplaats: parkeerplaats voorzien van het verkeersbord E6, zoals bedoeld in bijlage 1 van het RVV 1990;

  • d.

    ASVV: de Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom, opgesteld door het CROW;

  • e.

    AWB: de Algemene wet bestuursrecht;

  • f.

    BABW: het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer;

  • g.

    college: het college van Burgemeester en Wethouders van Hardinxveld-Giessendam.

  • h.

    Europese gehandicaptenparkeerkaart bestuurder: gehandicaptenparkeerkaart voor een persoon die zich pleegt te vervoeren met een door hemzelf bestuurd motorvoertuig of gehandicaptenvoertuig. Op de kaart is de aantekening B van bestuurder aanwezig;

  • i.

    Europese gehandicaptenparkeerkaart passagier: gehandicaptenparkeerkaart voor een persoon die voor verplaatsingen per motorvoertuig of gehandicaptenvoertuig is aangewezen op een ander. Op de kaart is de aantekening P van Passagier aanwezig;

  • j.

    gehandicaptenparkeerkaart: parkeerkaart voor personen, die ten gevolge van een aandoening of gebrek een aantoonbare loopbeperking hebben van langdurige aard, waardoor zij – met gebruikelijke loophulpmiddelen – in redelijkheid niet in staat zijn zelfstandig een afstand van meer dan 100 meter aan een stuk te voet te overbruggen;

  • k.

    gehandicaptenparkeerplaats op kenteken: parkeerplaats, voorzien van het verkeersbord E6, zoals bedoeld in bijlage 1 van het RVV 1990 en een onderbord met vermelding van een kenteken dan wel het nummer van een verzekeringsplaatje in het geval een niet-kentekenplichtig motorvoertuig betreft, behorend bij een motorvoertuig of gehandicaptenvoertuig, waarvan de houder in het bezit is van een gehandicaptenparkeerkaart én degene die krachtens artikel 12 BABW de desbetreffende parkeerplaats toegewezen heeft gekregen;

  • l.

    gehandicaptenvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in het RVV 1990;

  • m.

    huisgenoot: iemand met wie de aanvrager een duurzame huishouding voert en die in de Basisregistratie Personen is ingeschreven op hetzelfde adres als aanvrager.

  • n.

    kenteken:

    • kenteken, als bedoeld in artikel 1, onder g., van de Wegenverkeerswet 1994, of

    • merk en/of type van het voertuig en verzekeringssticker of -plaatje, voor zover betrekking hebbend op een gehandicaptenvoertuig;

  • o.

    lopen: de afstand die aanvrager zelfstandig buitenshuis kan afleggen.

  • p.

    motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in het RVV 1990;

  • q.

    parkeergelegenheid op eigen terrein:

    • 1.

      een parkeerplaats op eigen terrein of in een garage waarover de aanvrager kan beschikken op grond van eigendom, huur of ingebruikgeving;

    • 2.

      parkeerplaats(en) welke de aanvrager kan huren of kopen in een garage of op een open perceel grond waarvan in de bouwvergunning of een huur- of koopovereenkomst is vastgelegd dat deze is bedoeld als parkeergelegenheid voor het adres van de aanvrager;

  • r.

    RVV 1990: het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;

  • s.

    verkeersbesluit: een besluit als bedoeld in artikel 15 Wegenverkeerswet 1994, op grond waarvan het bord E6 zoals bedoeld in bijlage 1 van het RVV1990 kan worden geplaatst;

  • t.

    werknemer: iedere persoon die werkzaam is voor een bedrijf, kantoor, onderneming en wat dies meer zij, in welke arbeidsrechtelijke hoedanigheid ook;

  • u.

    Wmo-dossier: het zorgdossier dat bij de gemeente bekend is op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning.

 

Artikel 2 Aanvraag gehandicaptenparkeerplaats

  • 1.

    De aanvraag voor een algemene gehandicaptenparkeerplaats wordt elektronisch of schriftelijk ingediend bij het college.

  • 2.

    De aanvraag voor een gehandicaptenparkeerplaats op kenteken wordt op een door het college beschikbaar te stellen elektronisch of schriftelijk formulier ingediend.

  • 3.

    De aanvrager is verplicht bij de aanvraag of als gevolg van een (her)onderzoek de gevraagde bescheiden over te leggen.

  • 4.

    Het college beslist binnen acht weken op een aanvraag voor een gehandicaptenparkeerplaats.

 

Artikel 3 Aanwijzing gehandicaptenparkeerplaats

  • 1.

    Het college kan, krachtens een verkeersbesluit, op eigen initiatief of op een daartoe strekkende aanvraag een gehandicaptenparkeerplaats aanwijzen.

  • 2.

    Algemene gehandicaptenparkeerplaatsen worden doorgaans aangewezen bij openbare voorzieningen die veel publiek trekken, zoals winkelcentra, zalencentrum, gemeentehuis, bibliotheek, begraafplaatsen en andere openbare instellingen die regelmatig worden bezocht door gehandicapten. Ze worden zo dicht mogelijk bij de voorziening waarvoor ze zijn bestemd, aangelegd met zo weinig mogelijk obstakels op de weg naar deze voorziening.

  • 3.

    Gehandicaptenparkeerplaatsen op kenteken worden aangewezen binnen een loopafstand van 100 meter van het woonadres of het werkadres van de aanvrager.

 

Artikel 4 Afwegingskader algemene gehandicaptenparkeerplaats

  • 1.

    Algemene gehandicaptenparkeerplaatsen worden aangewezen bij openbare voorzieningen zoals benoemd in artikel 3, lid 2 en bij kerken, woonzorgvoorzieningen, gezondheidscentrum, sportvoorzieningen en scholen.

  • 2.

    De gemeente hanteert hierbij als richtlijn de richtlijn van het CROW, die aangeeft dat bij publieke voorzieningen 5% van het parkeeraanbod zou moeten bestaan uit algemene gehandicaptenparkeerplaatsen en 2% van het parkeeraanbod op parkeerterreinen en in parkeergarages.

  • 3.

    In woonwijken houdt de gemeente in de berekening van de parkeernorm rekening met een marge van 2% ten behoeve van gehandicaptenparkeren.

  • 4.

    Bij kerken, woonzorgvoorzieningen, gezondheidscentrum, sportvoorzieningen, scholen en overige publieke voorzieningen is ten minste 1 algemene gehandicaptenparkeerplaats aanwezig.

  • 5.

    Bij wooncomplexen (appartementengebouwen) worden uitsluitend algemene gehandicaptenparkeerplaatsen aangewezen.

  • 6.

    Daar waar mogelijk wordt bij kerken, woonzorgvoorzieningen, gezondheidscentrum, sportvoorzieningen, scholen, wooncomplexen en overige publieke voorzieningen de algemene gehandicaptenparkeerplaats op eigen terrein aangelegd.

  • 7.

    Algemene gehandicaptenparkeerplaatsen worden naar behoefte aangelegd. De gemeente vindt het belangrijk om extra voorzieningen aan te bieden zodat gehandicapten zelfstandig aan het maatschappelijke verkeer kunnen deelnemen. Hierbij is sprake van maatwerk. Onder maatwerk wordt verstaan dat daar waar dat mogelijk is, het aantal gehandicaptenparkeerplaatsen wordt afgestemd op het aantal houders van een gehandicaptenparkeerkaart.

 

Artikel 5 Beoordeling gehandicaptenparkeerplaats bij een werkadres

  • 1.

    Een aanvraag om een gehandicaptenparkeerplaats bij een werkadres wordt gedaan door de werkgever.

  • 2.

    De werkgever kan zowel een aanvraag doen voor een algemene gehandicaptenparkeerplaats als een gehandicaptenparkeerplaats op kenteken;

  • 3.

    De aanvraag voor een algemene gehandicaptenparkeerplaats wordt normaal gesproken altijd toegewezen.

  • 4.

    De aanvraag voor een gehandicaptenparkeerplaats op kenteken wordt gedaan namens de werknemer die:

    • a.

      Beschikt over een Europese Gehandicaptenparkeerkaart Bestuurder die na de aanvraag nog minimaal 6 maanden geldig is;

    • b.

      Beschikt over een rijbewijs dat minimaal 6 maanden geldig is na de datum van de aanvraag;

    • c.

      Beschikt over een motorvoertuig dat de werknemer zelf kan besturen.

  • 5.

    De werkgever dient:

    • a.

      Een arbeidscontract of werkgeversverklaring over te leggen waaruit blijkt dat de werknemer werkzaam is op de locatie van het bedrijf waarvoor de gehandicaptenparkeerplaats op kenteken wordt aangevraagd en minimaal 1 keer per week aanwezig is op de bedrijfslocatie van werkgever;

    • b.

      Een uittreksel van de Kamer van Koophandel over te leggen waaruit blijkt dat het bedrijf waar de werknemer werkzaam is, gevestigd is op het adres waarvoor de gehandicaptenparkeerplaats wordt aangevraagd.

  • 6.

    Indien bij het werkadres niet op eigen terrein van de werkgever kan worden geparkeerd, gelden de volgende aanvullende regels:

    • a.

      Binnen een loopafstand van 100 meter is de parkeerdruk op basis van een in de gemeente gehouden parkeeronderzoek 85% of hoger. Als uit een verklaring van de werkgever blijkt dat de werknemer een kleinere afstand dan 100 meter kan lopen, wordt uitgegaan van de werkelijke loopafstand van werknemer;

    • b.

      Als voor een locatie geen parkeeronderzoek is gehouden of het parkeeronderzoek geeft onvoldoende houvast, dan worden gedurende minimaal 2 weken op verschillende dagen en tijdstippen van de dag parkeertellingen gehouden. Wanneer hieruit blijkt dat de parkeerdruk op het maatgevende (drukste) moment 85% of hoger is, kan een gehandicaptenparkeerplaats op kenteken worden toegewezen;

    • c.

      Het is mogelijk om daadwerkelijk een gehandicaptenparkeerplaats op kenteken in te richten binnen een loopafstand van 100 meter van het werkadres.

  • 7.

    De aanwijzing van een gehandicaptenparkeerplaats mag niet leiden tot:

    • a.

      Een verkeersonveilige situatie;

    • b.

      Belemmering van de doorstroming van het overige verkeer.

 

Artikel 6 Beoordeling aanvraag gehandicaptenparkeerplaats op kenteken bestuurder

  • 1.

    Een aanvraag om een gehandicaptenparkeerplaats op kenteken bestuurder kan worden toegewezen indien wordt voldaan aan alle criteria in dit artikel.

  • 2.

    Aanvrager in de Basisregistratie Personen is ingeschreven op het adres waarvoor de gehandicaptenparkeerplaats wordt aangevraagd.

  • 3.

    De aanvrager heeft de beschikking over een Europese gehandicaptenparkeerkaart bestuurder die na de datum van de aanvraag nog minimaal 6 maanden geldig is.

  • 4.

    De aanvrager is in het bezit van een geldig rijbewijs dat minimaal 6 maanden geldig is na de datum van de aanvraag.

  • 5.

    De aanvrager beschikt over een auto die aanvrager zelf kan besturen.

  • 6.

    De aanvrager beschikt niet over een parkeerplaats op eigen terrein en heeft niet de mogelijkheid die te maken.

  • 7.

    De aanvraag heeft betrekking op een gehandicaptenparkeerplaats op kenteken bij het woonadres van aanvrager.

  • 8.

    Binnen een loopafstand van 100 meter is de parkeerdruk op basis van een in de gemeente gehouden parkeeronderzoek 85% of hoger. Als uit het Wmo-dossier blijkt dat aanvrager een kleinere afstand dan 100 meter kan lopen, wordt uitgegaan van de loopafstand van aanvrager.

  • 9.

    Als voor een locatie geen parkeeronderzoek is gehouden of het parkeeronderzoek geeft onvoldoende houvast, dan worden gedurende minimaal 2 weken op verschillende dagen en tijdstippen van de dag parkeertellingen gehouden. Wanneer hieruit blijkt dat de parkeerdruk op het maatgevende (drukste) moment 85% of hoger is, kan een gehandicaptenparkeerplaats op kenteken worden toegewezen.

  • 10.

    Het is mogelijk om daadwerkelijk een gehandicaptenparkeerplaats op kenteken in te richten binnen een loopafstand van 100 meter van het woonadres.

  • 11.

    De aanwijzing van een gehandicaptenparkeerplaats op kenteken mag niet leiden tot:

    • a.

      Een verkeersonveilige situatie;

    • b.

      Belemmering van de doorstroming van het overige verkeer.

 

Artikel 7 Beoordeling aanvraag gehandicaptenparkeerplaats op kenteken passagier

  • 1.

    Een aanvraag om een gehandicaptenparkeerplaats op kenteken passagier kan worden toegewezen indien wordt voldaan aan alle criteria in dit artikel.

  • 2.

    Aanvrager in de Basisregistratie Personen is ingeschreven op het adres waarvoor de gehandicaptenparkeerplaats wordt aangevraagd.

  • 3.

    Aanvrager heeft de beschikking over een Europese gehandicaptenparkeerkaart passagier die na de datum van de aanvraag nog minimaal 6 maanden geldig is.

  • 4.

    Een huisgenoot van de aanvrager is in het bezit van een geldig rijbewijs dat minimaal 6 maanden geldig is na de datum van de aanvraag.

  • 5.

    Een huisgenoot van de aanvrager beschikt over een auto die hij/zij zelf kan besturen.

  • 6.

    De aanvrager of een huisgenoot beschikt niet over een parkeerplaats op eigen terrein en heeft niet de mogelijkheid die te maken.

  • 7.

    De aanvrager kan uit veiligheidsoverwegingen niet alleen worden gelaten. Dit blijkt uit een verklaring van een onafhankelijke keuringsarts van een door de gemeente in te schakelen indicatieorgaan of onafhankelijke arts.

  • 8.

    De aanvraag heeft betrekking op een gehandicaptenparkeerplaats op kenteken bij het woonadres van aanvrager.

  • 9.

    Binnen een loopafstand van 100 meter is de parkeerdruk op basis van een in de gemeente gehouden parkeeronderzoek 85% of hoger. Als uit het Wmo-dossier blijkt dat aanvrager een kleinere afstand dan 100 meter kan lopen, wordt uitgegaan van de loopafstand van aanvrager.

  • 10.

    Als voor een locatie geen parkeeronderzoek is gehouden of het parkeeronderzoek geeft onvoldoende houvast, dan worden gedurende minimaal 2 weken op verschillende dagen en tijdstippen van de dag parkeertellingen gehouden. Wanneer hieruit blijkt dat de parkeerdruk op het maatgevende (drukste) moment 85% of hoger is, kan een gehandicaptenparkeerplaats op kenteken worden toegewezen.

  • 11.

    Het is mogelijk om daadwerkelijk een gehandicaptenparkeerplaats op kenteken in te richten binnen een loopafstand van 100 meter van het woonadres.

  • 12.

    De aanwijzing van een gehandicaptenparkeerplaats op kenteken mag niet leiden tot:

    • a.

      Een verkeersonveilige situatie;

    • b.

      Belemmering van de doorstroming van het overige verkeer.

 

Artikel 8 Aanleg gehandicaptenparkeerplaats

  • 1.

    De aanleg van gehandicaptenparkeerplaatsen vindt waar mogelijk plaats binnen de reeds aanwezige parkeervoorzieningen en gaat bij voorkeur niet ten koste van openbaar groen.

  • 2.

    Een gehandicaptenparkeerplaats wordt zoveel mogelijk in overeenstemming met de geldende richtlijnen aangelegd, maar de precieze vormgeving en afmeting is afhankelijk van de situatie ter plaatse.

  • 3.

    Een algemene gehandicaptenparkeerplaats wordt aangelegd door plaatsing van het bord E6, zoals bedoeld in bijlage 1 van het RVV 1990.

  • 4.

    Een gehandicaptenparkeerplaats op kenteken wordt aangelegd door plaatsing van het bord E6, zoals bedoeld in bijlage 1 van het RVV 1990, met daaronder een onderbord waarop het kenteken van het motorvoertuig of gehandicaptenvoertuig.

  • 5.

    Indien een gehandicaptenparkeerplaats wordt aangelegd op een gedeelte van een parkeerstrook of op de rijbaan, wordt met witte belijning een kruis aangebracht om de parkeerplaats te markeren.

  • 6.

    De gehandicaptenparkeerplaats bij een werkadres wordt waar mogelijk op het eigen terrein van werkgever aangelegd, zodat dit niet ten koste gaat van openbare parkeerplaatsen.

  • 7.

    Bij een gehandicaptenparkeerplaats bij een werkadres wordt bij bord E6 van bijlage 2 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een onderbord geplaatst met daarop het kenteken van het voertuig van aanvrager alsmede een tijdvenster conform de werktijden.

  • 8.

    Een gehandicaptenparkeerplaats kan worden aangelegd voordat het verkeersbesluit onherroepelijk is geworden.

 

Artikel 9 Wijziging gehandicaptenparkeerplaats op kenteken

  • 1.

    Indien een aanvrager een voertuig bestuurt met een ander kenteken dan op het onderbord bij de hem toegewezen gehandicaptenparkeerplaats op kenteken is aangebracht, dient de aanvrager een wijziging van het kenteken aan te vragen.

  • 2.

    De wijziging van het kenteken vormt geen aanleiding voor hernieuwde toetsing op de beoordelingscriteria, zoals genoemd in de artikelen 5, 6 en 7.

  • 3.

    De gehandicaptenparkeerplaats op kenteken wordt gewijzigd door het verwijderen van het onderbord met het oude kenteken en het aanbrengen van een onderbord met het nieuwe kenteken.

 

Artikel 10 Verhuizing gehandicaptenparkeerplaats op kenteken

  • 1.

    Indien een aanvrager van een gehandicaptenparkeerplaats op kenteken niet langer woonachtig is op hetzelfde adres als ten tijde van de aanvraag, dient de aanvrager, indien hij van de aan hem toegewezen gehandicaptenparkeerplaats op kenteken gebruik wil blijven maken, een verhuizing van de gehandicaptenparkeerplaats op kenteken aan te vragen.

  • 2.

    De verhuizing van de gehandicaptenparkeerplaats vormt aanleiding voor hernieuwde toetsing op de beoordelingscriteria, zoals genoemd in de artikelen 5, 6 en 7.

  • 3.

    De gehandicaptenparkeerplaats op kenteken wordt verhuisd door middel van het verwijderen van het bord E6, zoals bedoeld in bijlage 1 van het RVV 1990, met het onderbord waarop het kenteken staat vermeld van het motorvoertuig of gehandicaptenvoertuig van de aanvrager op de oude locatie en het aanleggen van de gehandicaptenparkeerplaats op kenteken op de nieuwe locatie, zoals beschreven in artikel 8.

 

Artikel 11 Kosten

  • 1.

    De kosten voor de behandeling van een aanvraag voor een gehandicaptenparkeerplaats op kenteken komen voor rekening van de aanvrager.

  • 2.

    Een bijdrage in de kosten voor een eventuele parkeertelling komen voor rekening van de aanvrager.

  • 3.

    Een bijdrage in de kosten voor een keuring zoals bedoeld in artikel 7 lid 7 komen voor rekening van de aanvrager.

  • 4.

    De kosten voor de aanleg van een toegewezen gehandicaptenparkeerplaats op kenteken komen voor rekening van de aanvrager.

  • 5.

    De kosten voor het verwijderen en aanbrengen van het onderbord bij kentekenwijziging komen voor rekening van de aanvrager.

  • 6.

    De kosten voor het verwijderen en aanbrengen van het bord en onderbord bij verhuizing komen voor rekening van de aanvrager.

  • 7.

    De kosten voor het in behandeling nemen van een aanvraag voor een algemene gehandicaptenparkeerplaats op particulier terrein of bij een werkadres komen voor rekening van aanvrager.

  • 8.

    De kosten voor het aanleggen van een algemene gehandicaptenparkeerplaats op particulier terrein of bij een werkadres komen voor rekening van de aanvrager.

  • 9.

    De hoogte van de kosten, zoals bedoeld in artikel 11, lid 1 tot en met 8, worden opgenomen in de gemeentelijke Legesverordening.

 

Artikel 12 Geldigheidstermijn gehandicaptenparkeerplaats

  • 1.

    Wanneer een aanvraag voor een gehandicaptenparkeerplaats op kenteken wordt toegewezen, vindt na vijf jaar een hernieuwde toetsing plaats op de beoordelingscriteria, zoals genoemd in de artikelen 5, 6 en 7.

  • 2.

    De resultaten van deze toetsing kunnen uitwijzen dat het besluit tot toewijzing van de gehandicaptenparkeerplaats op kenteken wordt ingetrokken.

  • 3.

    Eens per 5 jaar wordt getoetst of het aantal aangewezen algemene gehandicaptenparkeerplaatsen bij wooncomplexen nog in overeenstemming is met het aantal houders van een gehandicaptenparkeerkaart.

  • 4.

    De resultaten van deze toetsing kunnen uitwijzen dat het besluit of de besluiten tot aanwijzing van de algemene gehandicaptenparkeerplaats(en) worden ingetrokken.

  • 5.

    De geldigheidstermijn van algemene gehandicaptenparkeerplaatsen en gehandicaptenparkeerplaatsen op kenteken die waren toegekend op de datum van inwerkingtreding van deze beleidsregels, gaat in op de datum van inwerkingtreding van deze beleidsregels.

 

Artikel 13 Intrekking gehandicaptenparkeerplaats op kenteken

  • 1.

    Het college van burgemeester en wethouders heft een gehandicaptenparkeerplaats op kenteken op indien het verkeersbesluit niet onherroepelijk kan worden.

  • 2.

    Het college van burgemeester en wethouders heft een gehandicaptenparkeerplaats op kenteken op indien:

    • a.

      degene voor wie de parkeerplaats is aangewezen, daarom verzoekt;

    • b.

      degene voor wie de parkeerplaats is aangewezen, is verhuisd;

    • c.

      degene voor wie de parkeerplaats is aangewezen, is overleden;

    • d.

      degene voor wie de parkeerplaats is aangewezen, niet meer werkzaam is bij het bedrijf waarbij de parkeerplaats is aangevraagd;

    • e.

      het bedrijf waarbij de parkeerplaats is aangevraagd, is verhuisd of is opgehouden te bestaan;

    • f.

      degene voor wie de parkeerplaats is aangewezen, niet meer beschikt over een geldig rijbewijs;

    • g.

      degene voor wie de parkeerplaats is aangewezen, niet meer beschikt over een geldige Europese Gehandicaptenparkeerkaart Bestuurder;

    • h.

      degene voor wie de parkeerplaats is aangewezen, niet meer beschikt over een geldige Europese Gehandicaptenparkeerkaart Passagier;

    • i.

      degene voor wie de parkeerplaats is aangewezen niet meer de houder is van het voertuig waarvoor de gehandicaptenparkeerplaats is aangevraagd en er geen aanvraag ingediend voor wijziging van het kenteken ten behoeve van een ander voertuig van de houder;

    • j.

      niet (langer) wordt voldaan aan de voorwaarden van deze beleidsregels;

    • k.

      de gehandicaptenparkeerplaats is aangelegd op grond van door de aanvrager verschafte onjuiste gegevens en deze niet zou zijn aangelegd indien de onjuistheid van die gegevens ten tijde van de aanvraag bekend was geweest.

  • 3.

    Het college van burgemeester en wethouders kan een gehandicaptenparkeerplaats opheffen indien:

    • a.

      de parkeerdruk in de directe omgeving lager is dan 85%;

    • b.

      de gehandicaptenparkeerplaats niet wordt gebruikt ten behoeve van degene voor wie de parkeerplaats is aangewezen;

    • c.

      indien zich een wijziging voordoet in de omstandigheden die zich verzet tegen instandhouding van de gehandicaptenparkeerplaats op kenteken.

  • 4.

    De houder van een gehandicaptenparkeerplaats op kenteken is verplicht een wijziging in de omstandigheden waaronder de gehandicaptenparkeerplaats is aangevraagd door te geven.

  • 5.

    Een besluit tot intrekking, zoals bedoeld in de leden 1, 2 en 3 van dit artikel wordt schriftelijk en met redenen omkleed aan de aanvrager kenbaar gemaakt.

  • 6.

    Wanneer een toegewezen gehandicaptenparkeerplaats op kenteken wordt ingetrokken, wordt het bord E6, zoals bedoeld in bijlage 1 van het RVV1990, met het onderbord waarop het kenteken staat vermeld van het motorvoertuig of gehandicaptenvoertuig van de aanvrager, verwijderd.

 

Artikel 14 Slotbepaling

  • 1.

    De Beleidsregels voor het toekennen van een invalidenparkeerplaats op kenteken, vastgesteld op 15 november 1995 en voor het laatst gewijzigd op 21 augustus 2001 (betrof een aanpassing van terminologie in gewijzigde wetgeving), wordt ingetrokken.

  • 2.

    Een aanvraag voor de aanleg van een gehandicaptenparkeerplaats gedaan voor de inwerkingtreding van deze beleidsregel wordt in behandeling genomen op grond van de beleidsregel als bedoeld in het eerste lid, tenzij de Beleidsregel gehandicaptenparkeerplaatsen 2025 gunstiger is voor aanvrager.

  • 3.

    Deze beleidsregel treedt in werking op 1 januari 2026.

  • 4.

    Deze beleidsregel wordt aangehaald als Beleidsregel gehandicaptenparkeerplaatsen Hardinxveld-Giessendam 2025.

 

 

 

Aldus vastgesteld in de collegevergadering van 25 november 2025

Burgemeester en wethouders van Hardinxveld-Giessendam,

de secretaris, de burgemeester,

Sonja van der Stel. Dirk Heijkoop.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 2

Als de houder van de Europese Gehandicaptenparkeerkaart niet in staat is om een aanvraag te doen, dan kan een gemachtigde (zoals een huisgenoot of voogd) de aanvraag doen.

 

Artikel 3

Om een gehandicaptenparkeerplaats te kunnen aanwijzen, moet het college een verkeersbesluit nemen, waarin wordt gemotiveerd waarom de gehandicaptenparkeerplaats wordt aangelegd. De volgende wetsartikelen geven aan waarop het verkeersbesluit is gebaseerd. Het zijn artikel 12 van het BABW en met inachtneming van de artikelen 21 tot en met 33 van het BABW, artikel 2 van de Wegenverkeerswet en de bepalingen van de AWB.

In lid 3 gaat het om de 100 meter afstand die op maaiveldniveau moet worden afgelegd vanaf de voordeur van de woning tot aan de parkeerplaats. Bij wooncomplexen wordt niet de voordeur van de individuele woning gebruikt, maar de ingang van het wooncomplex. Dit hoeft niet de hoofdingang te zijn, maar de voor de aanvrager dichtstbijzijnde te gebruiken ingang.

De parkeerplaats wordt bij voorkeur zo dicht mogelijk bij de woning gelegd, 100 meter is een maximum afstand. Indien uit het Wmo-dossier blijkt dat aanvrager een kleinere afstand dan 100 meter kan afleggen, dan wordt uitgegaan van de afstand die aanvrager zelfstandig kan afeggen.

 

Artikel 4 lid 5

Voor de aanwijzing van algemene gehandicaptenparkeerplaatsen had de gemeente nog geen beleidsregels. Met het toevoegen van artikel 4 geven we duidelijkheid in welke situaties we algemene gehandicaptenparkeerplaatsen willen toestaan.

Dit artikel in de beleidsregels sluit aan bij de lijn die in de praktijk al wordt toegepast. We hebben het nu alleen ook opgeschreven. Wat wel nieuw is, is lid 5. Het komt namelijk steeds vaker voor dat bewoners van een woon(zorg)complex een gehandicaptenparkeerplaats op kenteken aanvragen, terwijl er ook algemene gehandicaptenparkeerplaatsen in de nabije omgeving zijn. Hierin schuilt rechtsongelijkheid, omdat mensen die zo slim zijn om een parkeerplaats op kenteken aan te vragen, dan een vaste parkeerplaats in de openbare ruimte krijgen en een andere bewoner in hetzelfde complex die dat niet doet, is aangewezen op de algemene gehandicaptenparkeerplaatsen. Ook zouden bewoners die later een aanvraag indienen, verder van de ingang moeten parkeren. Door bij wooncomplexen uitsluitend algemene gehandicaptenparkeerplaatsen aan te wijzen, kunnen deze plaatsen worden gebruikt door iedereen die beschikt over een gehandicaptenparkeerkaart.

 

Artikel 4 lid 7

Hiermee willen we ervoor zorgen dat er genoeg algemene gehandicaptenparkeerplaatsen bij wooncomplexen zijn, zodat iedereen met een gehandicaptenparkeerplaats doorgaans ruimte heeft om te parkeren. Dit biedt ruimte om het aantal parkeerplaatsen uit te breiden als het aantal houders van een gehandicaptenparkeerkaart toeneemt, maar ook om het aantal algemene gehandicaptenparkeerplaatsen te verminderen, als blijkt dat er minder houders zijn van een gehandicaptenparkeerkaart en de parkeerplaatsen minder worden gebruikt.

 

Artikel 5

Het aanvragen van een gehandicaptenparkeerplaats bij een werkadres is een nieuw onderdeel van de beleidsregel gehandicaptenparkeerplaatsen.

De gemeente is op grond van artikel 18 van de Wegenverkeerwet 1994 bevoegd om verkeersbesluiten te nemen voor alle wegen die niet in beheer zijn bij het Rijk, de provincie of een waterschap. Dit betekent dat de gemeente ook verkeersbesluiten moet nemen voor verkeersmaatregelen die op particulier terrein worden geplaatst. Daarom wordt ook onderscheid gemaakt voor gehandicaptenparkeren bij een werkadres. Het kan daarbij gaan om de aanvraag van een algemene gehandicaptenparkeerplaats of een gehandicaptenparkeerplaats op kenteken.

 

Artikel 5, lid 6

Als de parkeerdruk 85% is of hoger, betekent dit dat er niet altijd een parkeerplaats vrij is. Verkeer moet bij een hogere parkeerdruk gaan zoeken naar een vrije parkeerplaats. Om te bepalen of de parkeerdruk hoger is dan 85% wordt gebruik gemaakt van het maatgevende moment in het meest recente parkeeronderzoek dat in opdracht van de gemeente Hardinxveld-Giessendam is gehouden (lid 8). Is er voor een locatie geen recent parkeeronderzoek, of het parkeeronderzoek biedt onvoldoende houvast, dan worden tellingen gehouden gedurende minimaal 2 weken op verschillende dagen van de week en op meerdere tijdtippen van de dag. Hieruit blijkt een goed beeld van de parkeerdruk. (lid 9)

Daarbij gelden de volgende spelregels:

  • Het gaat om 100 meter afstand die op maaiveldniveau moet worden afgelegd vanaf de voordeur van het werkadres tot aan de parkeerplaats;

  • als uit een verklaring van de werkgever blijkt dat aanvrager een kleinere afstand dan 100 meter zelfstandig kan afleggen, dan wordt uitgegaan van de parkeerdruk binnen het gebied dat binnen die loopafstand ligt;

  • wanneer binnen 100 meter geen parkeerplaats is gelegen, wordt de parkeerdruk hoger dan 85% verondersteld;

  • er mag worden uitgegaan van het parkeeronderzoek, onder voorwaarde dat de parkeersituatie sinds het parkeeronderzoek niet is gewijzigd door ontwikkelingen binnen 200 meter vanaf het adres waarvoor de parkeerplaats wordt aangevraagd, zoals een wijziging van het parkeerregime, een bouwontwikkeling waardoor de parkeersituatie op straat is veranderd of een wijziging in de verkeerssituatie.

 

Artikel 6 lid 8 en lid 9

Als de parkeerdruk 85% is of hoger, betekent dit dat er niet altijd een parkeerplaats vrij is. Verkeer moet bij een hogere parkeerdruk gaan zoeken naar een vrije parkeerplaats. Om te bepalen of de parkeerdruk hoger is dan 85% wordt gebruik gemaakt van het maatgevende moment in het meest recente parkeeronderzoek dat in opdracht van de gemeente Hardinxveld-Giessendam is gehouden (lid 8). Is er voor een locatie geen recent parkeeronderzoek, of het parkeeronderzoek biedt onvoldoende houvast, dan worden tellingen gehouden gedurende minimaal 2 weken op verschillende dagen van de week en op meerdere tijdtippen van de dag. Hieruit blijkt een goed beeld van de parkeerdruk. (lid 9)

Daarbij gelden de volgende spelregels:

  • Het gaat om 100 meter afstand die op maaiveldniveau moet worden afgelegd vanaf de voordeur van de woning tot aan de parkeerplaats. Bij wooncomplexen wordt niet de voordeur van de individuele woning gebruikt, maar de ingang van het wooncomplex. Dit hoeft niet de hoofdingang te zijn, maar de voor de aanvrager dichtstbijzijnde te gebruiken ingang;

  • als uit het Wmo-dossier blijkt dat aanvrager een kleinere afstand dan 100 meter zelfstandig kan afleggen, dan wordt uitgegaan van de parkeerdruk binnen het gebied dat binnen die loopafstand ligt;

  • wanneer binnen 100 meter geen parkeerplaats is gelegen, wordt de parkeerdruk hoger dan 85% verondersteld;

  • er mag worden uitgegaan van het parkeeronderzoek, onder voorwaarde dat de parkeersituatie sinds het parkeeronderzoek niet is gewijzigd door ontwikkelingen binnen 200 meter vanaf het adres waarvoor de parkeerplaats wordt aangevraagd, zoals een wijziging van het parkeerregime, een bouwontwikkeling waardoor de parkeersituatie op straat is veranderd of een wijziging in de verkeerssituatie.

 

Artikel 7 lid 7

Normaal gesproken kan een gezonde chauffeur van een passagier met een Europese Gehandicaptenparkeerkaart Passagier de passagier vanuit de woning in de auto helpen of vanuit de auto helpen om in de woning te komen. De auto mag daarvoor op de rijbaan worden geparkeerd. Daarna kan de chauffeur de auto parkeren op een reguliere parkeerplaats. De tijd die met het ophalen van de auto en het elders parkeren van de auto is gemoeid, is maximaal 10 minuten. De keuringsarts wordt gevraagd om te toetsen of de passagier deze tijd alleen gelaten kan worden.

 

Artikel 7 lid 9 en lid 10

Als de parkeerdruk 85% is of hoger, betekent dit dat er niet altijd een parkeerplaats vrij is. Verkeer moet bij een hogere parkeerdruk gaan zoeken naar een vrije parkeerplaats. Om te bepalen of de parkeerdruk hoger is dan 85% wordt gebruik gemaakt van het maatgevende moment in het meest recente parkeeronderzoek dat in opdracht van de gemeente Hardinxveld-Giessendam is gehouden (lid 9). Is er voor een locatie geen recent parkeeronderzoek, of het parkeeronderzoek biedt onvoldoende houvast, dan worden tellingen gehouden gedurende minimaal 2 weken op verschillende dagen van de week en op meerdere tijdtippen van de dag. Hieruit blijkt een goed beeld van de parkeerdruk. (lid 10)

Daarbij gelden de volgende spelregels:

  • Het gaat om 100 meter afstand die op maaiveldniveau moet worden afgelegd vanaf de voordeur van de woning tot aan de parkeerplaats. Bij wooncomplexen wordt niet de voordeur van de individuele woning gebruikt, maar de ingang van het wooncomplex. Dit hoeft niet de hoofdingang te zijn, maar de voor de aanvrager dichtstbijzijnde te gebruiken ingang;

  • Als uit het Wmo-dossier blijkt dat aanvrager een kleinere afstand dan 100 meter zelfstandig kan afleggen, dan wordt uitgegaan van de parkeerdruk binnen het gebied dat binnen die loopafstand ligt;

  • Wanneer binnen 100 meter geen parkeerplaats is gelegen, wordt de parkeerdruk hoger dan 85% verondersteld;

  • Er mag worden uitgegaan van het parkeeronderzoek, onder voorwaarde dat de parkeersituatie sinds het parkeeronderzoek niet is gewijzigd door ontwikkelingen binnen 200 meter vanaf het adres waarvoor de parkeerplaats wordt aangevraagd, zoals een wijziging van het parkeerregime, een bouwontwikkeling waardoor de parkeersituatie op straat is veranderd of een wijziging in de verkeerssituatie.

 

Artikel 8 lid 1

Het is niet nodig de aanleg van een gehandicaptenparkeerplaats te compenseren door elders een openbare parkeerplaats aan te leggen; het blijft immers een autoparkeerplaats.

 

Artikel 8 lid 2

De aanleg dient zo veel mogelijk in overeenstemming met de geldende richtlijnen van het CROW plaats te vinden, aangezien in deze maatvoering rekening wordt gehouden met extra ruimte aan de zijkant en achterkant om goed in en uit te kunnen stappen. Het CROW geeft als richtlijn de volgende maatvoering:

  • langsparkeerplaats: minimaal 3,5 meter breed en 6 meter lang. Als er achter het voertuig ook in- en uitgestapt moet worden, zoals bij een rolstoel, is een extra lengte van 1,5 meter wenselijk;

  • haaks parkeren: minimale afmeting 3,5 meter breed en 5 meter lang;

  • schuin parkeren: minimale afmeting 3,5 meter breed en 5 meter lang.

 

De precieze vormgeving en afmeting is echter ook afhankelijk van de situatie ter plaatse, zoals bijvoorbeeld de breedte van het trottoir en het type parkeren (langs-, haaks-, of schuin parkeren). Als bestaande parkeervakken langs het trottoir smaller zijn dan 3,5 meter bijvoorbeeld, kan het veel aanpassingen vragen om de gehandicaptenparkeerplaats op kenteken wel minimaal 3,5 meter breed te laten zijn. Het trottoir kan dan gebruikt worden als extra in- en uitstapruimte. In dat geval staat bruikbaarheid voorop.

 

Artikel 8 lid 4

Als de gehandicaptenparkeerplaats op kenteken wordt aangevraagd voor een voertuig zonder kenteken, zal indien mogelijk een onderbord met verduidelijkende tekst (bijvoorbeeld Canta) worden geplaatst. Dit is ook verwoord in artikel 1 sub j (definitie van kenteken).

 

Artikel 8 lid 7

Door bij de parkeerplaats op kenteken een onderbord te plaatsen die de werkdagen en –tijden aangeeft, is de parkeerplaats buiten die momenten door een ieder te gebruiken.

 

Artikel 8 lid 8

De parkeerplaats wordt na het publiceren van het verkeersbesluit aangelegd. Er wordt niet gewacht tot het verkeersbesluit onherroepelijk is geworden. Het voordeel is dat de gehandicapte kan hierdoor snel over zijn parkeervoorziening kan beschikken.

Als er bezwaar en/of beroep wordt ingediend, blijft de parkeerplaats op kenteken gehandhaafd tot er uitspraak is gedaan. Is het bezwaar of beroep gegrond, dan wordt het verkeersbesluit niet onherroepelijk en wordt de parkeerplaats opgeheven. In dat geval wordt op grond van artikel 13, lid 1 de gehandicaptenparkeerplaats op kenteken ingetrokken.

 

Artikel 13 lid 1

Met de zinsnede “indien het verkeersbesluit niet onherroepelijk kan worden” wordt bedoeld dat in een bezwaar-, beroeps- of hoger beroepsprocedure blijkt dat het verkeersbesluit niet in stand kan blijven. Het bezwaar, beroep of hoger beroep wordt met andere woorden gegrond verklaard. In dat geval wordt de reeds aangelegde parkeerplaats opgeheven. Dat houdt in ieder geval in dat bord E6 zoals bedoeld in bijlage 1 van het RVV1990 wordt weggehaald

 

 

Naar boven