Integrale Verordening Sociaal Domein Texel 2026

De raad van de gemeente Texel;

 

Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 1 juli 2025

 

Besluit:

  • 1.

    De Integrale verordening Sociaal Domein Texel 2026 vast te stellen en deze in werking te laten treden per 1 januari 2026.

Hoofdstuk 1 Inleiding Verordening Sociaal Domein

 

Deze verordening geeft gemeentelijke regels over de volgende onderwerpen:

• werken

• meedoen in de samenleving

• uitkeringen

• schuldhulpverlening

• gezond en veilig opgroeien

• vervoer naar school

• hulp aan inwoners met een beperking

• wonen in een veilige en gezonde omgeving

1.1 Waarom deze regels?

In Nederland vinden wij het belangrijk dat:

  • u actief mee kunt doen aan het maatschappelijk leven of aan het werk kunt gaan;

  • u in ieder geval een inkomen hebt waarmee u rond kunt komen;

  • u uw financiën op orde hebt;

  • u een huishouden kan voeren en voor uzelf kan zorgen;

  • u een geschikte en schone woonruimte hebt, waarin u zelfstandig en veilig kunt wonen;

  • uw kind gezond en veilig kan opgroeien en veilig naar de school kan gaan die bij hem/haar past.

 

Wij vinden het ook belangrijk dat:

  • mantelzorgers van inwoners goed ondersteund worden.

Wanneer dat tijdelijk of langdurig niet lukt, dan is het onze taak om u zo goed mogelijk te helpen. De wetgever heeft wetten gemaakt om dit te bereiken. Het gaat om de:

  • Participatiewet (PW);

  • Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW);

  • Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ);

  • Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs);

  • Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015);

  • Jeugdwet;

  • Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet voortgezet onderwijs 2020;

  • Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz);

  • Wet Kinderopvang (Wko);

  • Gemeentewet.

De regels in deze verordening zijn nodig om de wettelijke taken uit te voeren. Deze regels vullen de wettelijke regels aan. Het zijn regels op hoofdlijnen. Soms zijn er nog extra regels nodig waarin bepaalde zaken worden uitgewerkt. Burgemeester en wethouders kunnen zulke uitvoeringsregels maken. Die regels staan niet in deze verordening, maar in andere regelingen, zoals beleidsregels. Op verschillende plekken in de verordening zijn wetsartikelen opgenomen. Die artikelen zijn wel iets anders opgeschreven. Dat maakt het beter leesbaar. Zo zijn de hoofdlijnen van het gemeentelijk sociaal domein goed te zien en kan de lezer de samenhang tussen de regels goed ontdekken. De Adviesraad Sociaal Domein Texel heeft over deze regels op 27 mei 2025 een advies gegeven. Dat advies is te vinden in de bijlage bij deze verordening.

1.2 Wat bedoelen we met integraal?

Deze verordening heet een Integrale Verordening Sociaal Domein. Met ‘integraal’ bedoelen we dat we wetten, regels en hulp zo goed mogelijk op elkaar afstemmen. Sommige inwoners hebben met meer dan één probleem tegelijk te maken. Bijvoorbeeld: schulden, geen werk en de zorg voor een ziek familielid.

Door integraal te werken, kijken we naar het hele plaatje: wat is er allemaal aan de hand en hoe kunnen we in samenhang ondersteunen. We zorgen ervoor dat de hulp goed op elkaar aansluit, ook als meerdere wetten tegelijk van toepassing zijn. Zo krijgt u ondersteuning die past bij uw situatie, zonder onnodige herhaling en zonder regels die niet goed op elkaar aansluiten.

1.3 Uitgangspunten

De regels in deze verordening zijn geschreven vanuit een aantal uitgangspunten. Deze regels:

  • 1.

    zijn goed leesbaar;

  • 2.

    zijn afgestemd op elkaar;

  • 3.

    regelen niet meer dan nodig is;

  • 4.

    kunnen goed uitgevoerd worden en zijn voor iedereen duidelijk;

  • 5.

    respecteren de wetten, maar wijken daar soms vanaf als dat nodig is om de doelen van de wetgever te realiseren of belangrijke internationale regels na te komen;

  • 6.

    houden uw en onze administratieve lasten zo laag mogelijk.

1.4 Kernwaarden

Bij het toepassen van de regels uit deze verordening houden wij rekening met de genoemde wetten onder hoofdstuk 1.1. Wij zorgen ervoor dat het effect van een besluit past bij de bedoeling van die wetten. Wij gaan daarbij uit van de volgende 6 kernwaarden:

  • 1.

    U neemt naar vermogen deel aan de samenleving.

  • 2.

    U benut optimaal uw eigen mogelijkheden, talenten en sociaal netwerk (bijvoorbeeld familie, vrienden of het verenigingsleven).

  • 3.

    Wij gaan uit van uw eigen verantwoordelijkheid, wij zorgen dat hulp of ondersteuning hierop aansluit. Dit betekent niet dat wij altijd met een oplossing komen.

  • 4.

    Vrije toegankelijke hulp gaat voor maatwerk.

  • 5.

    Het bieden van maatwerk is de basis van onze dienstverlening. Wanneer meerdere oplossingen passend zijn, wordt gekozen voor de goedkoopst geschikte voorziening.

  • 6.

    Wij stellen in het belang van uw kind de veiligheid in de sociale omgeving voorop.

Deze kernwaarden geven richting aan de uitvoering van de verordening. Het zijn geen regels, maar principes en overtuigingen. Die vormen de basis van de regels. Per hoofdstuk wordt aangegeven welke van deze en andere kernwaarden de regels vormen en welke rol zij spelen. De begrippen die in deze verordening worden gebruikt, worden toegelicht in hoofdstuk 14.

1.5 Artikel en wet

Deze verordening is gebaseerd op de wetten die bij 1.1 zijn genoemd. Die wetten vormen de wettelijke basis voor de artikelen in deze verordening. Maar niet voor alle artikelen geldt dat in iedere wet daarover iets is terug te vinden. Dat verschilt per artikel. Daarom is per artikel aangegeven op welke wetten dat artikel is gebaseerd. Waar in deze verordening ‘Gemeentewet’ als grondslag wordt genoemd, wordt daarmee de algemene regelingsbevoegdheid van de gemeenteraad bedoeld (artikel 121 Gemeentewet). Bij een aantal artikelen wordt ook de ‘Algemene wet bestuursrecht’ (Awb) genoemd. Die verwijzing staat er als er in de Awb specifieke bepalingen zijn die op dat artikel van toepassing zijn. Bijvoorbeeld bij artikel 3.4.8 en 3.4.9 (over subsidies), 8.2 (over geld) en 11.1 t/m 11.3 (over klachten).

 

HOOFDSTUK 2 DE HULPVRAAG

 

Soms lukt het u niet om zelf problemen op te lossen. U kunt ons dan om hulp vragen. Dit hoofdstuk gaat over de manier waarop u aan ons ondersteuning kunt vragen als het gaat om één of meer van de onderwerpen uit deze verordening. Hierin beschrijven wij hoe u een hulpvraag kunt stellen, hoe de hulpverlening in zijn werk gaat en wat wij van u verwachten. Uitgangspunt is dat alle hulpvragen die u heeft in één keer kunnen worden gesteld. Voor bepaalde hulpvragen geldt een bijzondere route. Dit wordt aan het einde van dit hoofdstuk genoemd. Hoe wij omgaan met signalen en hulpvragen van andere personen over inwoners die hulp nodig hebben, wordt hier niet beschreven.

2.1 Sociaal Team

Het Sociaal Team van gemeente Texel helpt u met uw hulpvraag. We maken een afspraak voor een gesprek, brengen met u uw probleem of hulpvraag in kaart en zoeken samen naar oplossingen.

Het Sociaal Team geeft uitvoering aan deze verordening. Zij passen de regels toe en betrekken daarbij de kernwaarden die u in paragraaf 1.3 leest. Het Sociaal Team bestaat uit inhoudelijke professionals op verschillende leefgebieden en is daardoor in staat om u met een ondersteunings-of zorgvraag zo goed mogelijk verder te helpen.

 

KERNWAARDEN

Naast de kernwaarden uit hoofdstuk 1 gelden voor dit hoofdstuk de volgende kernwaarden:

  • Wij helpen u om uw vraag op de juiste plek te stellen.

  • Uw hulpvraag staat centraal.

  • Wij maken hulp makkelijk bereikbaar.

  • Wij onderzoeken uw hulpvraag zorgvuldig.

2.2 Stap 1: melding bij de gemeente

 

2.2.1 Indienen hulpvraag

Als u ondersteuning nodig heeft, dan kunt u zich bij ons melden. U kunt deze melding op de volgende manieren doen:

  • Digitaal via het contactformulier op de website www.texel.nl/contactsociaalteam;

  • Telefonisch via het Sociaal Team: 14 0222;

  • Schriftelijk door een brief te sturen naar: Postbus 200, 1790 AE Den Burg;

  • Per e-mail via gemeente@texel.nl.

2.2.2 Procedure melding

Wij nemen binnen 2 werkdagen contact met u op en nodigen u eventueel uit voor een gesprek met één van onze medewerkers. Wij laten u weten waar en wanneer het gesprek plaatsvindt en waar het gesprek over zal gaan. Ook geven wij u informatie over de mogelijkheid om gratis hulp te krijgen door een onafhankelijk deskundige (cliëntondersteuner).

2.2.3 Gegevens

  • 1.

    Tijdens het gesprek verzamelen wij alle gegevens over uw situatie die nodig zijn om de ondersteuningsvraag helder te krijgen.

  • 2.

    Als tijdens het gesprek, bedoeld in het eerste lid, blijkt dat u een aanvraag voor hulp-op-maat wilt indienen, dan vragen wij u de gegevens die nodig zijn voor de beoordeling van de aanvraag en die wij niet zelf kunnen inzien of verkrijgen, binnen 14 dagen in te leveren.

2.3 Stap 2: gesprek na de melding

 

2.3.1 Uitnodiging voor gesprek

U krijgt een uitnodiging voor een gesprek met één van onze medewerkers. Het gesprek kan telefonisch plaatsvinden als dat voldoende is.

2.3.2 Doel en procedure van het gesprek

  • 1.

    Het doel van het gesprek is om een goed beeld te krijgen van uw hulpvraag, het effect dat u wilt bereiken en uw persoonlijke situatie.

  • 2.

    Als u dat wilt, kunt u iemand (bijvoorbeeld een familielid of een onafhankelijk cliëntondersteuner) vragen om bij het gesprek aanwezig te zijn.

  • 3.

    Bij de start van het gesprek identificeert u zich met een geldig identiteitsbewijs, tenzij de medewerker uw identiteit al eerder heeft vastgesteld. Voor de Jeugdwet is het genoeg het burgerservice nummer te controleren. Dit kan met een document waar dit op staat of met een check in de Basisregistratie Personen.

  • 4.

    Als u een persoonlijk plan hebt gemaakt, dan betrekt de medewerker dit bij het gesprek.

2.3.3 Gesprek en onderzoek

  • 1.

    De medewerker bespreekt de melding met u en onderzoekt als volgt:

    • Stap 1: Wij stellen eerst vast of u inwoner bent van onze gemeente en voldoet aan de criteria voordat u een aanvraag kunt indienen. Dit betekent dat u ingeschreven moet staan in de Basisregistratie Personen (BRP) of gedurende een bepaalde periode in de gemeente aanwezig moet zijn.

    • Stap 2: Bij jeugdhulp stellen wij eerst vast welke gemeente verantwoordelijk is. Hierbij kijken wij naar de gemeente waar de jeugdige vóór de zorg met verblijf stond ingeschreven. Bij jeugdhulp zonder verblijf is de woongemeente van het gezin bepalend.

    • Stap 3: Wij stellen vast wat uw hulpvraag is en welk effect u daarmee wilt bereiken.

    • Stap 4: Wij stellen hierna vast welke problemen, beperkingen of (on)mogelijkheden er precies zijn die belangrijk zijn voor het beoordelen van de hulpvraag.

    • Stap 5: Wij brengen in kaart welke hulp nodig is.

    • Stap 6: Wij onderzoeken wat u zelf kan doen om het probleem op te lossen (eigen kracht), al dan niet met: gebruikelijke hulp, algemeen gebruikelijke voorzieningen, hulp van anderen uit het sociale netwerk of van andere organisaties, of andere voorzieningen.

    • Stap 7: Wij bepalen welke aanvullende hulp wij kunnen geven om het probleem op te lossen en het gewenste effect te bereiken.

  • 2.

    Informatie die de medewerker na het gesprek ontvangt, betrekt de medewerker bij zijn onderzoek.

  • 3.

    Gaat het om Wmo- of Jeugdhulp dan informeert de medewerker u over de mogelijkheid om te kiezen voor hulp in natura of een persoonsgebonden budget (Pgb).

  • 4.

    Gaat het om Wmo-hulp dan informeert de medewerker u over een bijdrage in de kosten.

2.3.4 Verslag

  • 1.

    Binnen 6 weken na het gesprek sturen wij u een verslag van de uitkomsten van het onderzoek.

  • 2.

    Als de medewerker meer informatie nodig heeft voor het verslag, waardoor het verslag niet binnen de hiervoor genoemde termijn kan worden toegestuurd, dan wordt u hierover schriftelijk geïnformeerd.

  • 3.

    Uit het verslag blijkt in ieder geval welk effect u wilt bereiken en hoe dit door inzet van de voorgestelde ondersteuning kan worden gerealiseerd. Daarbij wordt gekeken naar de korte en naar de lange termijn.

  • 4.

    In het verslag staat een voorstel voor hulp-op-maat. U ondertekent het verslag en stuurt dit naar ons op. Wij zien dit verslag dan als een aanvraag.

  • 5.

    Als u het niet eens bent met het verslag dan kunt u dat aangeven en voor gezien ondertekenen.

2.4 Stap 3: Aanvraag

  • 1.

    Na de melding en het gesprek met onze medewerker kunt u een aanvraag indienen volgens de regels die daarvoor gelden. De aanvraag kan schriftelijk of digitaal worden ingediend.

  • 2.

    Als het door u ondertekende verslag, bedoeld in artikel 2.3.4. lid 4, bij ons binnenkomt wordt dit verslag aangemerkt als een aanvraag. Het doel van de aanvraag is te bepalen of wij ondersteuning verlenen en welke vorm die ondersteuning heeft.

  • 3.

    Melding en aanvraag worden op hetzelfde moment gedaan als het gaat om: een uitkering als u 27 jaar of ouder bent, vervoer van kinderen naar school, bijzondere bijstand of een voorziening in het kader van de Jeugdwet. Het gesprek met ons vindt dan plaats nadat de aanvraag is ingediend.

  • 4.

    Wij kunnen besluiten dat er voor bepaalde andere vormen van hulp uw melding en aanvraag op hetzelfde moment worden gedaan. U kunt dan bij de melding direct een aanvraag indienen. U dient een aanvraag in met ons digitale of schriftelijke aanvraagformulier.

2.4.1 Aanvraag voor hulp-op-maat

  • 1.

    Vraagt u hulp-op-maat dan gelden in ieder geval de volgende voorwaarden:

    • a.

      De hulp is noodzakelijk om (één van) de doelen van de in 1.1 genoemde wetten te bereiken.

    • b.

      U heeft geen mogelijkheden om het gewenste effect op eigen kracht te bereiken. U kunt dit effect ook niet bereiken met: gebruikelijke hulp van huisgenoten, hulp vanuit het sociale netwerk of hulp van andere voorzieningen of organisaties, en

    • c.

      De hulp past bij het gewenste effect en uw persoonlijke situatie.

  • 2.

    Voor sommige vormen van hulp zijn er in de wet of in deze verordening extra voorwaarden gesteld.

  • 3.

    De hulp-op-maat is niet duurder dan nodig en duurt niet langer dan nodig. Wij kiezen daarom voor de goedkoopste voorziening die passend is om uw probleem langdurig te verminderen of op te lossen.

  • 4.

    Wij kunnen hulp-op-maat weigeren als u iets (niet) heeft gedaan waardoor u de hulpvraag zelf hebt veroorzaakt en u deze had kunnen voorzien. Wij kunnen hulp-op-maat ook weigeren als u de gevraagde hulp zelf hebt ingeroepen of aangeschaft, tenzij wij daarvoor toestemming hebben gegeven of achteraf de noodzaak nog vastgesteld kan worden. Als die weigering betekent dat u grote problemen zult krijgen (onevenredig nadeel ervaart) dan kunnen wij de hulp-op-maat wel toekennen.

2.4.2 Advisering

Wij zorgen ervoor dat de medewerker die een melding of aanvraag behandelt de deskundigheid heeft die hiervoor nodig is. Als de medewerker die deskundigheid niet heeft, zorgen wij ervoor dat iemand die wel deskundig is een advies uitbrengt. Dit advies (deskundig oordeel) betrekken wij bij de beoordeling van de aanvraag.

2.4.3 Beoordelen aanvraag

  • 1.

    Bij het beoordelen van de aanvraag betrekken wij alle gegevens die van belang zijn. Het gaat onder meer om gegevens over:

    • a.

      uw behoeften;

    • b.

      uw (on)mogelijkheden;

    • c.

      uw persoonlijke situatie;

    • d.

      de mogelijkheden vanuit uw sociale netwerk, andere organisaties en vanuit ons.

  • 2.

    Om te bepalen of wij hulp verlenen volgen wij de stappen zoals vermeld in artikel 2.3.3. lid 1. Als deze onderzoekstappen al voor de aanvraag zijn doorlopen, dan volgt in deze fase het besluit op aanvraag op basis van de uitkomsten van het onderzoek.

  • 3.

    Voor iedere stap geldt, dat wij de deskundigheid inzetten die nodig is om die stap goed te kunnen afronden. Is er bijzondere deskundigheid nodig, dan zetten wij die in. Wij stellen u op de hoogte van welke deskundigheid er op welk moment nodig is en ingezet wordt.

2.4.4 Beslistermijn

  • 1.

    Wij beslissen zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen 8 weken nadat de aanvraag is ontvangen. Gaat het om een aanvraag in het kader van de Wmo, dan beslissen wij binnen 2 weken nadat de aanvraag is ontvangen en in ieder geval binnen 8 weken na de melding.

  • 2.

    De beslistermijn kan schriftelijk worden opgeschoven als u onvoldoende gegevens heef verstrekt. Als wij een besluit niet binnen de vastgestelde termijn kunnen nemen, dan noemen wij een nieuwe termijn waarbinnen het besluit zal worden genomen.

  •  

2.5 Stap 4: Beslissing

 

2.5.1 Inhoud besluit

  • 1.

    Wij nemen een besluit en sturen u deze per brief of digitaal toe. Het doel van dit besluit is, dat u weet of er wel of geen hulp wordt gegeven. Als wij hulp geven dan staat er in het besluit ook of de hulp in natura, in de vorm van een pgb, in geld of op een andere manier wordt gegeven.

  • 2.

    Geven wij de hulp in natura dan wordt in het besluit in ieder geval vastgelegd:

    • a.

      wat de hulp inhoudt en waarvoor de hulp bedoeld is;

    • b.

      wanneer de hulp ingaat en hoelang de hulp duurt;

    • c.

      hoe en door wie de hulp wordt gegeven en;

    • d.

      welke voorwaarden en verplichtingen er voor de hulp gelden.

  • 3.

    Geven wij de hulp in de vorm van een pgb dan wordt in het besluit in ieder geval vastgelegd:

    • a.

      waarvoor het pgb bedoeld is;

    • b.

      hoe hoog het pgb is;

    • c.

      wanneer het pgb ingaat en wanneer het pgb eindigt;

    • d.

      hoe de besteding van het pgb verantwoord wordt; en;

    • e.

      welke voorwaarden en verplichtingen er voor het pgb gelden.

  • 4.

    Geven wij de hulp in de vorm van geld dan wordt in het besluit in ieder geval vastgelegd:

    • a.

      voor welk doel het geld wordt gegeven;

    • b.

      wanneer het geld wordt betaald;

    • c.

      hoe vaak het geld wordt betaald en;

    • d.

      welke voorwaarden en verplichtingen er gelden.

  • 5.

    Wij informeren u in het besluit ook over een eventuele bijdrage in de kosten. Dit noemen wij eigen bijdrage.

  • 6.

    Wij informeren u over de manier waarop bezwaar kan worden gemaakt tegen het besluit (zie ook artikel 11.5).

2.5.2 Verval van recht

Het recht op hulp vervalt als u niet binnen 6 maanden na het besluit begint met het gebruikmaken van de hulp, tenzij dit u niet te verwijten valt. Deze voorwaarde wordt ook in het besluit opgenomen.

 

2.6 Uitzonderingen

 

2.6.1 Jeugdhulp via arts e.a.

  • 1.

    Wij zorgen ervoor dat u jeugdhulp krijgt, als: de huisarts, jeugdarts, medisch specialist, gecertificeerde instelling of jeugdreclassering de jongere doorverwijst naar een jeugdhulpaanbieder.

  • 2.

    Wij maken afspraken met: huisartsen, medisch specialisten, jeugdartsen en zorgverzekeraars over zulke doorverwijzingen.

  • 3.

    Als u daarom vraagt, sturen wij een besluit per brief over de ondersteuning. Dit besluit voldoet aan dezelfde eisen als het besluit op een aanvraag die bij onszelf is ingediend.

2.6.2 Spoedeisende gevallen

In spoedeisende gevallen kunnen wij afwijken van de normale procedure om te zorgen dat u de hulp krijgt die nodig is. Het kan gaan om de volgende (tijdelijke) hulp in afwachting van ons onderzoek:

  • a.

    het bieden van hulp en zorg aan ouders en hun kinderen;

  • b.

    het vragen van een machtiging aan de kinderrechter voor gesloten jeugdhulp;

  • c.

    het bieden van een voorziening voor maatschappelijke ondersteuning;

  • d.

    schuldhulpverlening;

  • e.

    vervoer naar school;

  • f.

    het verstrekken van een voorschot op een uitkering of vanuit de algemene of bijzondere bijstand die nog niet is toegekend.

HOOFDSTUK 3 WERKEN EN MEEDOEN IN DE SAMENLEVING

 

Wij vinden het belangrijk dat u in uw eigen levensonderhoud kunt voorzien. Wij verwachten daarom van u dat als u een uitkering ontvangt en kunt werken, u zelf werk zoekt. Wij willen u daarbij ondersteunen. Welke hulp wij u kunnen geven staat in dit hoofdstuk beschreven. Die hulp noemen we ook wel: een voorziening.

Als u een uitkering ontvangt, dan kunnen wij iets van u terugvragen. Dat wordt een tegenprestatie genoemd. In dit hoofdstuk wordt daar meer over uitgelegd.

Ook vinden wij het belangrijk dat u meedoet in de samenleving. Dat kan via werk, maar ook op andere manieren. Meedoen is niet alleen een verantwoordelijkheid van uzelf of van ons, maar ook van de samenleving (omkijken naar elkaar). In dit hoofdstuk staan de belangrijkste regels voor de hulp die wij kunnen geven om mee te doen in de samenleving. De regels in dit hoofdstuk zijn gebaseerd op de Participatiewet of op de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo).

 

KERNWAARDEN

Naast de kernwaarden uit hoofdstuk 1 gelden voor dit hoofdstuk de volgende kernwaarden:

  • Wij ondersteunen u zo goed mogelijk naar langdurig en passend werk of meedoen in de samenleving.

  • Betaald werk gaat voor onbetaald werk en door ons verstrekte inkomensondersteuning.

  • U bent in de eerste plaats zelf verantwoordelijk dat uw kind naar school gaat.

3.1 Voor wie?

Wij ondersteunen u op weg naar werk als u:

  • a.

    Met een gemeentelijke uitkering niet op eigen kracht en met de hulp van het sociale netwerk, uitzendbureaus en andere organisaties de weg naar werk kunt vinden.

  • b.

    Geen hulp kunt krijgen van andere instanties, zoals UWV, SVB of werkgevers. Per geval beoordelen wij of er hulp wordt gegeven.

  • c.

    Jonger bent dan 27 jaar, geen werk en geen havo-of vwo-diploma of mbo-diploma vanaf niveau 2 hebt. Wij ondersteunen u bij het vinden van een passende opleiding of passend werk, of leiden u naar hulpverlening of zorg.

3.2 Samenwerking

  • 1.

    Wij werken samen met het UWV, regiogemeenten en andere organisaties om u te helpen passend werk te vinden.

  • 2.

    Wij zorgen ervoor dat werkgevers ondersteund worden als zij inwoners die onder onze doelgroep vallen werk willen aanbieden.

3.3 Budget

Wij kunnen per soort voorziening een budgetplafond vaststellen. Een budgetplafond is het maximale bedrag dat wij aan een bepaalde soort voorziening per kalenderjaar kunnen uitgeven. Als dit plafond bereikt is verstrekken wij in dat kalenderjaar zo’n voorziening niet. Voor wettelijke loonkostensubsidie en beschut werk kunnen wij geen budgetplafond vaststellen.

3.4 Voorzieningen - werk

  • 1.

    Wij stemmen de ondersteuning af op uw positie op de arbeidsmarkt. Als u een grote kans op betaald werk hebt, wordt andere ondersteuning ingezet dan als u een kleine kans op betaald werk hebt.

  • 2.

    Wij bieden ondersteuning aan in de vorm van voorzieningen. Het doel daarvan is het vinden of behouden van passend werk.

  • Voorzieningen die in ieder geval kunnen worden ingezet voor mensen met een grote kans op betaald werk zijn:

    • Detacheringsbaan;

    • proefplaatsing

    • scholing’.

  • Voorzieningen die in ieder geval kunnen worden ingezet voor mensen met een kleine kans op betaald werk zijn:

    • werkervaringsplaats;

    • sociale activering;

    • participatieplaats;

    • beschut werk;

    • hulp op de werkplek;

    • loonkostensubsidie;

    • scholing.

  • 3.

    Wij beoordelen per persoon of het zinvol is om een voorziening in te zetten. Als dit het geval is dan beoordelen wij welke voorziening wij inzetten en voor hoe lang. Daarbij kijken wij naar een aantal factoren, zoals uw: omstandigheden, eventuele beperkingen, de zorg voor kinderen, mantelzorg, wettelijke verplichtingen en de beschikbaarheid van voldoende budget.

 

Voorzieningen voor inwoners met een grote kans op betaald werk

3.4.1 Detacheringsbaan

  • 1.

    Wij kunnen u via een andere organisatie laten werken bij een werkgever. Dit heet detachering. Die detachering wordt vastgelegd in een overeenkomst tussen u, ons, de werkgever en de andere organisatie.

  • 2.

    Het doel van een detacheringsbaan is dat u na afloop in dienst komt van de werkgever.

  • 3.

    Een voorwaarde is dat de detacheringsbaan niet leidt tot verdringing van andere werknemers bij dezelfde werkgever en ook niet leidt tot oneerlijke concurrentie met andere organisaties.

3.4.2 Proefplaatsing

  • 1.

    Wij kunnen u bij wijze van proef tijdelijk laten werken bij een werkgever. U houdt wel een uitkering tijdens deze periode.

  • 2.

    Bij het aanbieden van een proefplaatsing betrekken wij uw mogelijkheden, interesses en vaardigheden.

  • 3.

    Het doel van de proefplaatsing is dat de werkgever kan kijken of u geschikt bent voor het werk. Een proefplaatsing wordt uitsluitend ingezet als er gerede twijfels zijn over uw geschiktheid voor het werk.

  • 4.

    Als u geschikt bent voor het werk volgt er een dienstverband. Dit is een voorwaarde bij een proefplaatsing. De duur van het dienstverband hangt af van de duur van de proefplaatsing.

  • 5.

    De proefplaatsing is alleen mogelijk als de werkgever u goed begeleidt tijdens de proefplaatsing. Hierover worden afspraken gemaakt voor de start van een proefplaatsing. Als de proefplaatsing niet wordt omgezet in een dienstverband, moet de werkgever uitleggen wat hij heeft gedaan om u te begeleiden.

  • 6.

    De proefplaatsing duurt maximaal 2 maanden en kan eenmalig met 4 maanden worden verlengd als dat voor de werkgever noodzakelijk is om een goed beeld te krijgen van uw geschiktheid.

 

Voorzieningen voor inwoners met een kleine kans op betaald werk

 

3.4.3 Werkervaringsplaats

  • 1.

    Wij kunnen u een werkervaringsplaats aanbieden met behoud van uitkering.

  • 2.

    Bij het aanbieden van een werkervaringsplaats betrekken wij uw mogelijkheden, interesses en vaardigheden.

  • 3.

    De werkervaringsplaats heeft verschillende doelen:

    • a.

      U doet werkervaring op;

    • b.

      U leert om in dienstverband te functioneren;

    • c.

      U doet werkritme op.

  • 4.

    De werkervaringsplaats is alleen mogelijk als de werkgever u goed begeleidt. De organisatie geeft u kansen om te oefenen en te leren in het werk.

  • 5.

    De werkervaringsplaats wordt vastgelegd in een overeenkomst tussen u, ons en de werkgever. In die overeenkomst worden het doel van de werkervaringsplaats en de begeleiding van u verder uitgewerkt.

  • 6.

    Een voorwaarde is dat het werk niet leidt tot verdringing van andere werknemers bij dezelfde werkgever en ook niet leidt tot oneerlijke concurrentie met andere organisaties.

  • 7.

    De werkervaringsplaats duurt maximaal 6 maanden en kan 1 keer worden verlengd met maximaal 6 maanden.

3.4.4 Sociale activering

  • 1.

    Wij kunnen u, als u er nog niet aan toe bent om te werken, verwijzen naar zinvolle activiteiten die een eerste stap richting betaald werk kunnen zijn. Dit heet sociale activering. Dat kunnen bijvoorbeeld vrijwilligerswerk of activiteiten in een dorpshuis zijn.

  • 2.

    Het doel van sociale activering is om u te helpen weer grip op uw leven te krijgen, sociale contacten op te bouwen en moeilijkheden op weg naar werk te overwinnen.

3.4.5 Participatieplaats

  • 1.

    Wij kunnen u, als u een gemeentelijke uitkering ontvangt, 27 jaar of ouder bent en weinig kans hebt op betaald werk, een participatieplaats aanbieden. De participatieplaats wordt vastgelegd in een overeenkomst tussen u, ons en de werkgever.

  • 2.

    Bij het aanbieden van een participatieplaats betrekken wij uw mogelijkheden, interesses en vaardigheden.

  • 3.

    Het doel van een participatieplaats is om de kans op betaald werk te vergroten. U kunt langdurig met behoud van uitkering op een bepaalde werkplek werken en doet zo werkervaring op. Het moet gaan om werkzaamheden die passend zijn en speciaal voor u zijn bedacht.

  • 4.

    Een voorwaarde is dat het werk niet leidt tot verdringing van andere werknemers bij dezelfde werkgever en ook niet leidt tot oneerlijke concurrentie met andere organisaties.

  • 5.

    Een participatieplaats duurt maximaal 2 jaar. Dit kan 2 keer met 1 jaar worden verlengd als dit uw kansen op werk vergroot. Wij beoordelen dit.

  • 6.

    U kunt na iedere zes maanden een premie ontvangen. Burgemeester en wethouders stellen het bedrag van deze premie vast. Een voorwaarde voor de premie is dat u voldoende hebt meegewerkt aan het vergroten van uw kans op werk. Wij beoordelen dit.

3.4.6 Beschut werk

  • 1.

    Wij bieden u een beschutte werkplek aan als het UWV heeft geadviseerd dat dat nodig is. Dat is zo, als u alleen kunt werken zodra het werk en de werkplek zijn aangepast aan uw mogelijkheden. Daarbij gelden de voorwaarden die in de Participatiewet zijn genoemd. Als u een uitkering ontvangt van het UWV of geen werk hebt, dan kunt u ook in aanmerking komen voor een beschutte werkplek. Dan geldt dit artikel ook.

  • 2.

    Wij zetten ons ervoor in dat het aantal beschutte werkplekken dat wij volgens het Rijk jaarlijks moeten realiseren, gerealiseerd wordt.

  • 3.

    Het doel van beschut werk is om u, als u alleen onder aangepaste omstandigheden kunt werken, een veilige werkplek te bieden.

  • 4.

    Het kan zijn dat u niet meteen een beschutte werkplek kunt krijgen. Dat kan als wij alle beschutte werkplekken voor het kalenderjaar al hebben ingevuld. U komt dan op een wachtlijst. Wel kunnen wij u helpen om u voor te bereiden op een beschutte werkplek. Zolang er in dat volgende jaar nog geen geschikte werkplek voor u beschikbaar is, is het mogelijk dat een andere persoon voorgaat.

  • 5.

    Schoolverlaters van het praktijkonderwijs en het voorgezet speciaal onderwijs hebben voorrang op de wachtlijst.

  • 6.

    Wij bieden de volgende voorzieningen aan zodat u beschut kan werken:

    • a.

      aanpassing van de werkplek of de werkomgeving;

    • b.

      uitsplitsing van taken;

    • c.

      aanpassingen in het werktempo, de arbeidsduur of de werkbegeleiding.

  • 7.

    Wij kunnen u, als u in aanmerking komt voor beschut werk, voorzieningen aanbieden die de stap naar beschut werk makkelijker maken. Het gaat om de volgende voorzieningen:

    • a.

      hulp bij het invullen van de dag;

    • b.

      sociale activering;

    • c.

      scholing en;

    • d.

      schuldhulpverlening.

3.4.7 Persoonlijke ondersteuning bij werk

Interne werkbegeleiding

  • 1.

    Wij kunnen u interne werkbegeleiding aanbieden om u te helpen uw werk goed te doen.

  • 2.

    Hiervoor kunnen wij uw werkgever bijvoorbeeld een training aanbieden voor meer medewerkers, zodat die interne werkbegeleiding voor meerdere inwoners die hulp-op-maat krijgen kunnen bieden.

  • 3.

    Wij spreken met uw werkgever af hoe deze interne werkbegeleiding wordt ingezet en leggen dit vast in een overeenkomst met uw werkgever.

Jobcoaching

  • 1.

    Wij kunnen u een erkende jobcoach aanbieden of de werkgever daarvoor een vergoeding geven als u extra begeleiding nodig hebt om uw werk goed te kunnen doen.

  • 2.

    Wij spreken met de werkgever af hoe de jobcoach wordt ingezet en leggen dit vast in een overeenkomst met de werkgever.

3.4.8 Tijdelijke loonkostensubsidie

  • 1.

    Wij kunnen een werkgever die u in dienst neemt een tijdelijke loonkostensubsidie geven.

  • 2.

    Het doel van deze subsidie is om werkgevers te stimuleren om inwoners met een arbeidsbeperking in dienst te nemen en productieverlies te vergoeden.

  • 3.

    Wij stellen vast of u niet in staat bent het wettelijk minimumloon te verdienen. Om te bepalen hoe productief u op de werkplek zult zijn (welke loonwaarde u hebt), wordt een zogenaamde loonwaardemeting uitgevoerd.

  • 4.

    De tijdelijke loonkostensubsidie is maximaal 50% van de loonkosten en duurt maximaal 6 maanden. Daar komen nog de wettelijke vakantietoeslag en een vergoeding voor werkgeverslasten bij.

  • 5.

    Een voorwaarde is dat het werk niet leidt tot verdringing van andere werknemers bij dezelfde werkgever en ook niet leidt tot oneerlijke concurrentie met andere organisaties.

3.4.9 Wettelijke loonkostensubsidie

  • 1.

    Wij kennen de werkgever een wettelijke loonkostensubsidie toe als u wel kunt werken, maar niet het wettelijk minimumloon kunt verdienen.

  • 2.

    Het doel van deze subsidie is om werkgevers te stimuleren inwoners met een beperking in dienst te nemen en werkgevers een vergoeding te geven voor productieverlies.

  • 3.

    Wij stellen vast of u niet in staat bent het wettelijk minimumloon te verdienen. Om te bepalen hoe productief u op de werkplek zal zijn (welke loonwaarde u hebt) passen we een erkende methode toe.

  • 4.

    De loonkostensubsidie aan de werkgever hangt af van de loonwaarde. De hoogte van de loonkostensubsidie is maximaal 70% van het wettelijk minimumloon. Daar komen nog de wettelijke vakantietoeslag en een vergoeding voor werkgeverslasten bij.

 

Voorzieningen voor alle doelgroepen

3.4.10 Scholing

  • 1.

    Wij kunnen u, als u 27 jaar of ouder bent, scholing aanbieden als die scholing nodig is om de stap naar passend werk te maken en andere organisaties geen passende scholing kunnen aanbieden.

  • 2.

    De scholing moet leiden tot een erkend diploma of certificaat.

  • 3.

    Wij bepalen de vorm en de duur van de scholing. De scholing wordt afgestemd op uw mogelijkheden en positie op de arbeidsmarkt. Wij wegen in de besluitvorming ook mee in hoeverre het beroep waarvoor u wordt opgeleid al dan niet een goed toekomstperspectief heeft.

3.4.11 Nazorg

Wij kunnen u, nadat uw uitkering is beëindigd, 3 maanden ondersteunen en begeleiden door gesprekken met u en/of uw werkgever als dat nodig is om uw werk goed te kunnen doen.

3.4.12 Kinderopvang

  • 1.

    Wij zorgen ervoor dat er passende kinderopvang beschikbaar is, indien:

    • a.

      u meedoet aan een activiteit die nodig is om dichter bij de arbeidsmarkt te komen of om aan het werk te gaan, en opvang niet mogelijk is binnen uw sociale netwerk;

    • b.

      u een lichamelijke, zintuigelijke, verstandelijke en/of psychische beperking hebt en is vastgesteld dat één of meer van deze beperkingen kinderopvang noodzakelijk maken;

    • c.

      is vastgesteld dat kinderopvang noodzakelijk is voor een goede en gezonde ontwikkeling van uw kind.

  • 2.

    Als u van de Belastingdienst kinderopvangtoeslag ontvangt dan kunt u van ons voor de kosten van kinderopvang die voor uw rekening blijven een bijdrage krijgen. U moet dan voldoen aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      U hebt een gemeentelijke uitkering of een Anw-uitkering en de kinderopvang is nodig om mee te kunnen doen aan een activiteit van ons die u dichter bij werk brengt (een voorziening).

    • b.

      U volgt voltijds HBO-of universitair onderwijs, voortgezet onderwijs of vavo-onderwijs.

    • c.

      De kinderopvang vindt plaats in een geregistreerd kindercentrum of gastouderbureau.

3.4.13 Andere voorzieningen en vergoedingen

  • 1.

    Wij kunnen andere voorzieningen inzetten als dat nodig is om de kans op werk te vergroten.

  • Dit kan bijvoorbeeld zijn:

    • een noodzakelijke intermediaire voorziening als u een visuele of motorische beperking hebt (bijvoorbeeld computervoorzieningen en hulpmiddelen) en/of;

    • werkplekaanpassingen, in de vorm van een meeneembare (zoals bijvoorbeeld aangepaste bureaustoel, toetsenbord, koptelefoon) of niet-meeneembare voorziening (zoals aangepast toilet, entree met automatische deuropener of een traplift), en/of;

    • een vervoersvoorziening om op het werk te komen, zoals aangepaste fiets, een bruikleenauto, kilometervergoeding, rolstoeltaxi, of begeleidingskosten.

  • 2.

    Wij kunnen ondersteuning aanbieden bij een leer- werktraject als:

    • a.

      u 16 of 17 jaar bent en u nog leerplichtig bent, of;

    • b.

      u tussen de 18 en 27 jaar bent en nog geen startkwalificatie hebt behaald.

  • 3.

    Wij kunnen de kosten vergoeden die u moet maken bij deelname aan een voorziening of bij betaald of onbetaald werk.

  • 4.

    Wij kunnen een werkgever een deel van de kosten vergoeden voor het re-integratietraject.

3.5 Tegenprestatie

 

3.5.1 Doel van de tegenprestatie

  • 1.

    Wij kunnen u een tegenprestatie opleggen als u een uitkering ontvangt en wij dit een passende manier vinden om iets terug te doen voor de samenleving.

  • 2.

    Het doel van de tegenprestatie is dat u zich inzet voor de samenleving als reactie op onze inspanningen voor u.

3.5.2 Duur en omvang tegenprestatie

De tegenprestatie die wij van u verwachten duurt maximaal 6 maanden per jaar en maximaal 8 uur per week. Dit is om de volgende redenen:

  • 1.

    De tegenprestatie mag het vinden van betaald werk niet in de weg zitten.

  • 2.

    De tegenprestatie mag niet leiden tot verdringing van werknemers en tot oneerlijke concurrentie.

  • 3.

    Het moet gaan om activiteiten die maatschappelijk nuttig zijn, maar waarvoor geen beloning kan worden gevraagd.

3.5.3 Voorwaarden tegenprestatie

  • 1.

    Bij het opleggen van een tegenprestatie houden wij rekening met al uw persoonlijke omstandigheden, zoals de gezinssituatie, de duur van de werkloosheid, eventuele beperkingen en vrijwilligerswerk.

  • 2.

    Wij leggen geen tegenprestatie op als u mantelzorg verleent en dit niet te combineren is met de tegenprestatie.

  • 3.

    Wij leggen geen tegenprestatie op als u kunt laten zien dat u vrijwilligerswerk doet. Dit werk is vergelijkbaar met een tegenprestatie zoals beschreven in 3.5.1 en 3.5.2.

3.6 Meedoen in de samenleving

Als u vanwege een beperking, een psychisch of psychosociaal probleem hulp nodig hebt om mee te doen in de samenleving (participeren), kunt u op aanvraag hulp-op-maat krijgen. U moet wel aan de voorwaarden van artikel 2.3.2 voldoen. Ook moet de hulp langdurig nodig zijn en een passende bijdrage voor u leveren, zodat u in staat bent om mee te doen in de samenleving en zo lang mogelijk in uw eigen leefomgeving kunt blijven wonen. Wij kunnen in ieder geval de volgende vormen van hulp geven:

3.6.1 Dagbesteding

Wij zorgen ervoor dat als u niet in staat bent de dag goed in te vullen hulp-op-maat kunt krijgen (dagbesteding). De hulp-op-maat houdt in dat u mee kunt doen aan arbeidsmatige, recreatieve of andere groepsactiviteiten onder begeleiding voor een of meer dagdelen per week.

3.6.2 Begeleiding

Wij zorgen ervoor dat als u niet in staat bent de normale dagelijkse activiteiten te doen hulp-op-maat kunt krijgen. De hulp-op-maat houdt in dat u begeleid wordt bij deze activiteiten. Dit betekent dat de begeleider u helpt bij de dagelijkse gang van zaken en op een goede manier met uw omgeving kan omgaan. De begeleider kan ook helpen bij vaak terugkerende activiteiten, zoals het structureren van de dag, het doen van de administratie en het beheren van de financiën. De begeleider neemt deze activiteiten niet volledig over.

3.6.3 Contact met anderen

Wij zorgen ervoor dat als u, vanwege een beperking in uw mobiliteit, onvoldoende mogelijkheden hebt om binnen redelijke grenzen contact met anderen te hebben, hulp-op-maat kunt krijgen. De hulp-op-maat houdt in dat u geholpen wordt bij het vervoer dicht bij huis. Zo kunt u meedoen met recreatieve, maatschappelijke en religieuze activiteiten en zelf de dagelijkse boodschappen doen. Die hulp kan bestaan uit het aanbieden van de mogelijkheid om te reizen met een taxi of het gebruikmaken van een vervoermiddel.

3.6.4 Rolstoel

Wij zorgen ervoor dat als u zich vanwege een beperking langdurig niet kunt verplaatsen in en om de woning een rolstoel kunt krijgen die passend is bij uw situatie.

3.6.5 Sportvoorziening

  • 1.

    U kunt door een beperking niet sporten zonder een aangepaste sportvoorziening. U kunt één keer in de drie jaar in aanmerking komen voor een financiële tegemoetkoming als bijdrage in aanschaf en onderhoud van de sportvoorziening.

  • 2.

    Deze bijdrage bedraagt maximaal € 4.000,-.

3.6.6 Aanpassing of vervanging voorziening

Als hulp-op-maat aangepast of vervangen moet worden dan doen wij dit alleen als de:

  • a.

    normale afschrijvingstermijn is afgelopen, of;

  • b.

    voorziening onbruikbaar is geworden buiten uw schuld om of;

  • c.

    voorziening geen oplossing meer is voor uw hulpvraag.

HOOFDSTUK 4 GEZOND EN VEILIG OPGROEIEN

 

Jongeren in Nederland moeten zo gezond en veilig mogelijk kunnen opgroeien. Dat is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van jongeren, hun ouders en hun netwerk. Als zij daarbij hulp nodig hebben, dan kunnen zij een beroep doen op ondersteuning door ons. Deze hulp wordt zo vroeg mogelijk aangeboden om het beroep op dure gespecialiseerde hulp te verminderen. Daarbij staat het versterken van de eigen kracht van de jongere en van het zorgend en probleemoplossend vermogen van het gezin en de sociale omgeving voorop.

In deze verordening bedoelen we met jongeren: kinderen en jongeren tot 18 jaar, én jongvolwassenen van 18 tot 23 jaar die jeugdhulp kregen toen ze nog geen 18 waren. Als zij deze hulp nog steeds nodig hebben na hun 18e verjaardag, kunnen ze die hulp blijven krijgen. Deze jongeren vallen onder de betekenis van 'jeugdige' zoals beschreven in artikel 1.1 van de Jeugdwet.

 

KERNWAARDEN

Naast de kernwaarden in hoofdstuk 1, gelden voor dit hoofdstuk de volgende kernwaarden:

  • De jongere moet gezond en veilig kunnen opgroeien. U bent als ouder daarvoor verantwoordelijk. Vanaf 18 jaar is de jongere zelf verantwoordelijk.

  • De hulp aan jongeren is zo dichtbij, zo licht en zo kort mogelijk.

4.1 Uitgangspunten bij het bieden van jeugdhulp

  • 1.

    Jongeren tot 18 jaar en hun ouders of verzorgers kunnen hulp krijgen bij problemen met opgroeien of opvoeden. Soms hebben kinderen tijdelijk hulp nodig, soms voor langere tijd. U kunt op aanvraag hulp-op-maat krijgen als u voldoet aan de voorwaarden van artikel 2.3.2.

  • 2.

    De geboden hulp is gericht op het versterken van uw eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen en het sociale netwerk van de cliënt.

  • 3.

    Wij luisteren naar wat u belangrijk vindt bij het kiezen van jeugdhulp.

  • 4.

    Als meerdere vormen van hulp passend zijn, kiezen wij de goedkoopste adequate voorziening.

  • 5.

    In beleidsregels leggen wij vast op welke manier dit hoofdstuk wordt uitgevoerd.

4.2 Preventieve maatregelen

  • 1.

    Wij zorgen ervoor dat jongeren zoveel mogelijk gezond, kansrijk en veilig kunnen opgroeien. Om dat te bereiken helpen wij alle jongeren, hun ouders en hun sociale netwerk in ieder geval met:

    • a.

      het versterken van de opvoed- en opgroeiomgeving, waarin gezinnen, wijken, scholen,kinderopvang en peuterspeelzalen samenwerken en elkaar aanvullen;

    • b.

      informatie, advies en trainingen;

    • c.

      jeugdgezondheidszorg (GGD: consultatiebureau, schoolarts);

    • d.

      activiteiten voor jongeren die hun talenten ontwikkelen via het jongerenwerk;

    • e.

      schoolmaatschappelijk werk;

    • f.

      advies- en meldpunt Veilig Thuis;

    • g.

      opvoedondersteuning, en;

    • h.

      een vertrouwenspersoon en de Kindertelefoon.

  • 2.

    Deze hulp is vrij toegankelijk. U hebt hiervoor geen verwijzing door een huisarts, een medisch specialist of een jeugdarts nodig en ook geen besluit van ons.

  • 3.

    Wij zorgen ervoor dat signalen over zorgen bij opgroei- en opvoedingsproblemen zo vroeg mogelijk worden opgevangen en dat daar ook zo vroeg mogelijk hulp wordt geboden. Waar mogelijk bieden wij jeugdhulp op vrijwillige basis.

4.3 Hulp-op-maat

  • 1.

    Wanneer de hulp uit artikel 4.2 niet voldoende is, kunnen wij hulp-op-maat aanbieden. Deze hulp is niet vrij toegankelijk. U heeft daarvoor een besluit van ons nodig of een verwijzing door een jeugdarts, een huisarts, een medisch specialist, of een Gecertificeerde Instelling. De verlening of afwijzing van hulp-op-maat wordt vastgelegd in de vorm van een beschikking. Wij kunnen in ieder geval de volgende hulp-op-maat aanbieden:

    • a.

      ondersteuning bij het opvoeden en opgroeien in de vorm van persoonlijk advies en specifieke cursussen of trainingen;

    • b.

      jeugdbegeleiding en jeugd- en opvoedhulp door (ambulante) begeleiding;

    • c.

      een plek in een pleeggezin, gezinshuis of verblijf in een instelling, als thuis wonen (tijdelijk) niet mogelijk is;

    • d.

      specialistische jeugdhulp in de vorm van (ambulante) begeleiding, ondersteuning of behandeling;

    • e.

      persoonlijke verzorging;

    • f.

      dagbesteding, dagbehandeling, kortdurend verblijf;

    • g.

      vervoer van de jongere van en naar een plek waar jeugdzorg wordt aangeboden;

    • h.

      basis en specialistische Jeugd GGZ;

    • i.

      (semi-) residentiele zorg;

    • j.

      jeugdbescherming en Jeugdreclassering;

    • k.

      jeugdzorg plus;

    • l.

      crisishulp, of;

    • m.

      hulp bij ernstige dyslexie.

  • 2.

    De Rijksoverheid biedt het Advies-en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling Veilig Thuis. Dit advies-en meldpunt biedt 24 uur per dag 7 dagen per week advies en ondersteuning aan iedereen die direct of indirect is betrokken bij huiselijk geweld en kindermishandeling. Het advies- en meldpunt is te bereiken via telefoonnummer 0800-2000 (gratis) of via www.veiligthuis.nl.

4.4 Overgang van 18- naar 18+ (aanpassing landelijk besluit opnemen)

  • 1.

    Wij zijn er verantwoordelijk voor dat jongeren uit de jeugdhulp ondersteund blijven worden als ze 18 jaar worden. Dat wil zeggen dat wij zorgen voor een plan voor de jongere op alle belangrijke leefgebieden.

  • 2.

    Dit plan besteedt in ieder geval aandacht aan de volgende onderwerpen:

    • a.

      scholing, werk of participatie;

    • b.

      wonen;

    • c.

      inkomen;

    • d.

      zorg en ondersteuning;

    • e.

      vrije tijd;

    • f.

      het netwerk van de jongeren.

  • 3.

    Het is mogelijk dat de jeugdhulp wordt verlengd. Dit kan maximaal tot de dag dat de jongere 23 jaar wordt. Deze verlenging is dan een onderdeel van het plan. Er zijn een aantal voorwaarden voor verlengde jeugdhulp. Deze hulp kan alleen worden ingezet als deze hulp vanaf 18 jaar niet onder een andere wet valt en:

    • a.

      de jongere al voor zijn 18e levensjaar jeugdhulp kreeg en wij voortzetting noodzakelijk vinden;

    • b.

      na beëindiging van de jeugdhulp (die was begonnen voor het 18e levensjaar) wij binnen een half jaar vaststellen dat hervatting van de jeugdhulp noodzakelijk is;

    • c.

      voor de leeftijd van 18 jaar is bepaald dat jeugdhulp noodzakelijk is;

    • d.

      de jeugdhulp wordt ingezet in het kader van een strafrechtelijke beslissing of jeugdreclassering.

  • 4.

    Als sprake is van pleegzorg, dan wordt deze ingezet tot de dag dat de jongere 21 jaar wordt, tenzij de jongere 18 jaar of ouder is en heeft aangegeven op eigen benen te willen staan. De jeugdzorg kan eventueel worden verlengd totdat de jongere 23 jaar wordt.

  • 5.

    Een verblijf in een gezinshuis duurt in principe tot de jongere 21 jaar is, tenzij de jongere dat niet wil, de gezinshuisouders niet instemmen, andere passende hulp beschikbaar en nodig is, of de jongere onder de Wlz valt. Voorwaarde is dat er samen met alle betrokkenen een toekomstperspectief is vastgesteld.

4.5 Afstemming met andere vormen van hulp

Wij zorgen ervoor dat de hulp aansluit bij andere vormen van hulp die aan uw kind of aan u als ouders wordt gegeven. Om dat te bereiken maken wij afspraken met hulpverleners, instellingen, zorgverzekeraars en andere personen of organisaties. Die afspraken gaan over:

  • procedures die gelden bij doorverwijzing naar hulp;

  • communicatie met andere organisaties en ons;

  • afbakening van taken en verantwoordelijkheden;

  • aansluiting tussen vrij toegankelijke hulp en hulp-op-maat.

De afspraken kunnen worden vastgelegd in een plan of in een andere geschikte vorm. Wij stemmen bij het verlenen van jeugdhulp ook af met voorzieningen uit andere wetten, zoals de Wmo of Zvw, om te voorkomen dat voorzieningen dubbel worden ingezet of buiten de reikwijdte van de Jeugdwet vallen.

4.6 Vervoer van de jeugdige

  • 1.

    Het vervoer van en naar de plek waar jeugdhulp wordt geboden hoort bij onze taak. Dit geldt voor hulp binnen en buiten de gemeente. Wij regelen vervoer als een jongere niet zelf kan reizen. Dat kan komen door een medische reden, onveiligheid of omdat de jongere nog niet zelfstandig is.

  • 2.

    Bij dagbesteding en dagbehandeling regelt de hulpaanbieder het vervoer. Dit is onderdeel van de zorg die de jongere krijgt. Bij gesloten jeugdhulp zit het vervoer al in de prijs.

  • 3.

    Voor andere situaties kan een vergoeding worden gegeven. Bijvoorbeeld een vergoeding per kilometer of het openbaar vervoer-tarief. Soms wordt een andere oplossing gezocht, passend bij de situatie.

  • 4.

    Als begeleiding tijdens het vervoer nodig is, worden ook die reiskosten vergoed. Dan krijgt één begeleider ook een vergoeding.

 

HOOFDSTUK 5 WONEN IN EEN VEILIGE EN GEZONDE OMGEVING

 

Inwoners met een beperking en/of met langdurige psychosociale problemen hebben soms hulp nodig om zo lang en zelfstandig mogelijk in hun eigen leefomgeving te kunnen blijven wonen. Wij hebben de taak om deze inwoners te helpen als ze niet in staat zijn om zelf oplossingen te vinden voor knelpunten in hun woning, bij normale dagelijkse activiteiten en in het huishouden. Wij kunnen ook helpen, als inwoners met een beperking niet goed voor zichzelf kunnen zorgen, en als inwoners opvang of beschermd wonen nodig hebben. Ten slotte spelen wij een rol bij het ondersteunen van mantelzorgers. In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen over de hulp die wij aan deze inwoners kunnen geven.

 

KERNWAARDEN

Naast de kernwaarden uit hoofdstuk 1, gelden voor dit hoofdstuk de volgende kernwaarden.

  • U kunt zo lang mogelijk zelfstandig veilig en gezond wonen en leven in uw eigen omgeving.

  • Wij hebben extra zorg voor kwetsbare groepen.

5.1 Uitgangspunten

  • 1.

    Wij zetten ons ervoor in, dat als u een beperking of psychosociale problemen hebt, u zo lang mogelijk zelfstandig kunt wonen, de noodzakelijke dagelijkse activiteiten kunt uitvoeren en uw eigen huishouden kunt voeren. U kunt op aanvraag hulp-op-maat krijgen als u voldoet aan de voorwaarden van artikel 2.3.2. Ook moet die hulp langdurig nodig zijn en een passende bijdrage leveren zodat u zo lang mogelijk in uw eigen leefomgeving kunt blijven wonen.

  • 2.

    In beleidsregels leggen wij vast op welke manier dit hoofdstuk wordt uitgevoerd.

5.2 Zelfstandig en veilig wonen

 

5.2.1 Geschikte woning

  • 1.

    Wij zorgen ervoor dat u hulp-op-maat kunt krijgen als het normale gebruik van uw woning als gevolg van een beperking niet mogelijk is. Hulp-op-maat houdt in dat de woning bereikbaar, toegankelijk en bruikbaar wordt gemaakt. Dit gebeurt door de woonkamer, slaapkamer, keuken, badkamer, berging en de gang(en), hal of overloop in de woning bouwkundig of niet-bouwkundig aan te passen.

  • 2.

    Als de woning niet of alleen tegen zeer hoge kosten aangepast kan worden verwachten wij dat u verhuist naar een geschikte woning als deze beschikbaar is. U kunt dan een geldbedrag krijgen voor de verhuizing en de inrichting van de nieuwe woning.

  • 3.

    Wij geven geen hulp-op-maat in de volgende situaties:

    • a.

      Uw beperkingen zijn het gevolg van de materialen die in de woning zijn gebruikt.

    • b.

      U verblijft in een hotel of pension, een tweede woning, een trekkerswoonwagen, een vakantiewoning, een recreatiewoning, een ADL-clusterwoning of een woonruimte waarvoor u geen huurtoeslag kunt krijgen.

    • c.

      U woont in een woning die specifiek gericht is op een bepaalde groep mensen waartoe u behoort, bijvoorbeeld een seniorencomplex, en de voorziening is bedoeld voor in een gemeenschappelijke ruimte, zoals elektrische deuropeners.

    • d.

      Het gaat om voorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie zonder veel meerkosten meegenomen kunnen worden.

    • e.

      U bent zonder dringende reden verhuisd vanuit een woonruimte waar u geen problemen had bij het normale gebruik van de woning.

    • f.

      U hebt een indicatie voor verhuizing naar een zorginstelling op grond van de Wet langdurige zorg.

    • g.

      U bent verhuisd naar een woning die niet de meest geschikte woning is om uw beperkingen te verminderen of weg te nemen, tenzij wij daar toestemming voor hebben verleend.

  • 4.

    Een woonvoorziening die een eerder verstrekte woonvoorziening vervangt kan alleen worden verstrekt als:

    • a.

      de eerder verstrekte woonvoorziening technisch is afgeschreven;

    • b.

      de eerder verstrekte woonvoorziening verloren is gegaan buiten de schuld van de inwoner om; of als;

    • c.

      de woonvoorziening geen oplossing meer is voor de woonproblemen van de inwoner.

5.2.2 Een schone en leefbare woning

  • 1.

    Wij zorgen ervoor dat u hulp-op-maat kunt krijgen als u als gevolg van een beperking uw woning niet schoon en leefbaar kunt houden.

  • 2.

    De hulp-op-maat (huishoudelijke ondersteuning) zorgt voor het schoonmaken van het huis. Als het nodig is, ondersteunt de hulp ook bij het organiseren van het huishouden. Dat kan advies, instructie of voorlichting zijn. Dat helpt u om het huishouden weer zelfstandig te kunnen uitvoeren.

  • 3.

    Als er in het uw huishouden minderjarige kinderen zijn, dan kan de hulp-op-maat ook bestaan uit het overnemen van de gebruikelijke zorg voor uw kinderen. Deze hulp is vooral bedoeld om de periode tot er andere hulp is te overbruggen.

  • 4.

    De huishoudelijke ondersteuning wordt alleen ingezet voor het schoonhouden van de elementaire woonruimtes. Dit zijn de woonkamer, toilet, badkamer, keuken en de slaapkamers die in gebruik zijn om te slapen door de hoofdbewoners.

5.2.3.Beschermd wonen

  • 1.

    Wij zorgen ervoor dat u hulp-op-maat kunt krijgen in de vorm van beschermd wonen. U moet deze woonvorm nodig hebben als gevolg van psychische of psychosociale problemen. Beschermd wonen kan worden ingezet als dit u helpt om uzelf weer te kunnen handhaven in de samenleving.

  • 2.

    Als u hulp-op-maat in de vorm van beschermd wonen nodig hebt, gelden de regels die zijn vastgelegd in de Verordening maatschappelijke ondersteuning Den Helder 2022 en vastgesteld door de gemeenteraad van Den Helder op 23 december 2022.

5.2.4 Maatschappelijke opvang

  • 1.

    Wij zorgen ervoor dat u hulp-op-maat kunt krijgen in de vorm van tijdelijke (maatschappelijke) opvang. Deze opvang is bedoeld als u de thuissituatie hebt verlaten en u uzelf niet op eigen kracht kan handhaven in de samenleving. Dit als gevolg van psychische of psychosociale problemen of de dreiging van huiselijk geweld.

  • 2.

    Als u hulp-op-maat in de vorm van maatschappelijke opvang nodig hebt, gelden de regels die zijn vastgelegd in de Verordening maatschappelijke ondersteuning Den Helder 2022, zoals vastgesteld door de gemeenteraad van Den Helder op 23 december 2022.

5.3 Mantelzorg

 

5.3.1 Ondersteuning mantelzorger

  • 1.

    Wij zorgen ervoor, dat als u mantelzorg geeft, hulp-op-maat kunt krijgen als u niet meer in staat bent om de mantelzorg vol te houden of om te voorkomen dat u overbelast raakt.

  • 2.

    De hulp-op-maat houdt in dat een professionele hulpverlener de mantelzorg voor een korte periode van u overneemt, of dat een pgb wordt verstrekt dat kan worden ingezet om u tijdelijk te ontlasten.

5.3.2 Mantelzorgwaardering

  • 1.

    Wij waarderen de inzet van mantelzorgers voor inwoners met een beperking. Daarom stellen wij jaarlijks een mantelzorgwaardering vast. De waardering is voor personen die aan inwoners van de gemeente Texel structurele mantelzorg geven. Het doel van de mantelzorgwaardering is om het belang van mantelzorgers voor de samenleving te onderstrepen.

5.3.3 Voorwaarden mantelzorgwaardering

  • 1.

    Een mantelzorgwaardering kan worden aangevraagd als u mantelzorg geeft of ontvangt.

  • 2.

    Als u mantelzorg ontvangt kunt u een aanvraag doen voor meerdere mantelzorgers die u mantelzorg verlenen.

  • 3.

    Er moet voldaan zijn aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      De mantelzorgontvanger woont op Texel.

    • b.

      De mantelzorger zorgt minimaal 8 uur per week en minimaal 3 maanden voor de mantelzorgontvanger.

    • c.

      De mantelzorger geeft geen betaalde hulp aan de inwoner.

  • 4.

    De mantelzorgwaardering kunt u aanvragen bij Stichting Texels Welzijn.

  • 5.

    De mantelzorgwaardering moet worden aangevraagd voor 10 november van elk jaar (Dag van de Mantelzorg).

  • 6.

    Een mantelzorger kan slechts één keer de mantelzorgwaardering ontvangen per kalenderjaar.

HOOFDSTUK 6 VERVOER NAAR SCHOOL (Leerlingenvervoer)

 

Ieder kind heeft recht op onderwijs dat bij zijn talenten en mogelijkheden past en dat aansluit bij de levensovertuiging of godsdienst van de ouders. Soms is de afstand van huis naar school te groot voor het kind of kan het kind vanwege zijn beperking niet zelfstandig naar school reizen. Ouders kunnen dan meestal een beroep doen op leerlingenvervoer. In dit hoofdstuk is geregeld hoe de gemeente ouders ondersteunt bij het vervoer van hun kind naar school.

 

KERNWAARDEN

Naast de kernwaarden uit hoofdstuk 1, gelden voor dit hoofdstuk de volgende kernwaarde:

  • Kinderen hebben recht op onderwijs dat bij hun talenten en mogelijkheden past.

  • Kinderen moeten veilig kunnen reizen naar de school die aansluit bij hun mogelijkheden, levensovertuiging en godsdienst.

  • Wij versterken de zelfredzaamheid van de inwoner.

6.1 Uitgangspunten

U bent als ouder er zelf verantwoordelijk voor dat uw kind naar school gaat. Wij beoordelen op aanvraag of u hulp van ons kunt krijgen bij het vervoer van uw kind naar school. Onze hulp heet een vervoersvoorziening. Het kan gaan om een vergoeding voor reiskosten of om aangepast vervoer dat door ons wordt geregeld, zoals een taxibusje. Het is mogelijk dat u als ouder van uw kinderen op de basisschool een deel van de kosten zelf moet betalen. Dat is de eigen bijdrage.

6.2 Onderzoek

  • 1.

    Wij onderzoeken of u als ouder een vervoersvoorziening kunt krijgen. Als dat zo is gaan wij na welke voorziening er nodig is. Wij onderzoeken dan met welk vervoermiddel het kind kan reizen en welke route naar school de kortste veilige route voor het kind is. Ook onderzoeken wij of er begeleiding nodig is bij het reizen.

  • 2.

    Voor het bepalen van de route naar school maken wij gebruik van de actuele routeplanner van de ANWB. Wij berekenen wat de afstand van de woning of opstapplaats van het kind is tot de dichtstbijzijnde school die bij het kind past en waar plaats is voor het kind.

  • 3.

    Wij kunnen bij het onderzoek het ondersteuningsplan voor het kind betrekken. Dit plan is vastgesteld door het samenwerkingsverband van scholen, na overleg met ons.

  • 4.

    Gaat uw kind naar de basisschool dan onderzoeken wij ook hoe hoog uw inkomen is. Dat is nodig om te bepalen of u een eigen bijdrage moet betalen.

6.3 Voorwaarden

 

6.3.1 Vervoersvoorziening

  • 1.

    Wij verstrekken aan u, als ouder, een vervoersvoorziening als aan de volgende voorwaarde is voldaan:

    • a.

      uw kind op 1 augustus minimaal vier jaar oud is, of minimaal drie jaar is als uw kind doof of slechthorend is en speciaal onderwijs volgt;

    • b.

      uw kind in de gemeente Texel woont;

    • c.

      uw kind naar de basisschool gaat, speciaal of voortgezet onderwijs volgt;

    • d.

      uw kind vanwege een langdurige beperking niet zelfstandig met het OV of met de fiets kan reizen, maar begeleiding of aangepast vervoer nodig heeft.

  • 2.

    Wij verstrekken aan u, als ouder, ook een vervoersvoorziening als:

    • a.

      uw kind minimaal vier jaar oud is;

    • b.

      uw kind naar de basisschool gaat of speciaal onderwijs volgt;

    • c.

      de dichtstbijzijnde school die bij uw kind past en waar plaats is voor uw kind, meer dan zes kilometer van de woning of de opstapplaats van het kind afligt, of;

    • d.

      uw kind naar een school gaat die verder weg is gelegen dan de dichtstbijzijnde passende school, en u in een brief aangeeft dat u ernstige bezwaren hebt tegen die dichterbij gelegen school.

  • 3.

    U krijgt geen vergoeding voor het vervoer van uw kind, als uw kind meereist met een andere ouder die van ons een vergoeding krijgt voor het vervoer van zijn eigen kind.

  • 4.

    Wij verstrekken u een vergoeding voor de reiskosten van een begeleider, als uw kind begeleiding nodig heeft bij het vervoer naar school en u voor dit kind een vervoersvoorziening krijgt.

6.3.2 Bijzondere regeling voor weekend- en vakantievervoer

  • 1.

    Wij verstrekken aan u, als ouder, voor uw kind dat speciaal onderwijs volgt en in een internaat of pleeggezin verblijft, ook een vervoersvoorziening voor:

    • a.

      het weekendvervoer van uw kind van het internaat of pleeggezin naar uw woning en terug, behalve als de weekenden vallen in een schoolvakantie;

    • b.

      het vakantievervoer van uw kind van het internaat of pleeggezin naar uw woning en terug, eenmaal per schoolvakantie van twee dagen of meer. De schoolvakantie moet in de schoolgids van de school worden genoemd.

  • 2.

    De regels uit de andere artikelen van dit hoofdstuk gelden ook voor het weekend- en vakantievervoer, behalve artikel 6.4 lid 2, onderdeel a.

6.4 Vorm en hoogte van de vervoersvoorziening

 

6.4.1 Vervoersvoorziening

  • 1.

    U kunt als ouder gebruikmaken van aangepast vervoer als dat nodig is, maar u kunt er in dat geval ook voor kiezen om uw kind zelf te vervoeren. Dan heeft u recht op een vergoeding die gebaseerd is op de kosten van vervoer met eigen auto. Gaat uw kind naar de basisschool, dan betaalt u de reiskosten soms zelf (zie artikel 6.4.2).

  • 2.

    Aangepast vervoer is nodig in de volgende situaties:

    • a.

      Het kind is met het OV meer dan anderhalf uur onderweg en de reistijd wordt met aangepast vervoer teruggebracht tot 50% van de reistijd met het OV.;

    • b.

      OV naar school ontbreekt en het kind kan niet met de fiets naar school (ook niet met begeleiding).

  • 3.

    Als een begeleider meerdere kinderen begeleidt, dan beperken wij de vergoeding tot de reiskosten van één begeleider.

  • 4.

    De hoogte van onze vergoeding is afhankelijk van de reisafstand naar de dichtstbijzijnde school die bij uw kind past en waar plaats is voor het kind, via de kortste veilige route op basis van de routeplanner van de ANWB.

  • 5.

    Als u, als ouder, recht heeft op andere (gedeeltelijke) vergoedingen voor de reiskosten van het kind, trekken wij deze vergoedingen af van de vergoeding die wij geven. Bij aangepast vervoer brengen wij dan een bedrag bij u in rekening. Dit is de eigen bijdrage.

  • 6.

    Onze vergoeding voor het gebruik van een eigen vervoermiddel wordt berekend op basis van een kilometervergoeding voor dat vervoermiddel, afgeleid van de Reisregeling binnenland.

  • 7.

    Als u, als ouder, meerdere kinderen tegelijk met de auto vervoert, dan verstrekken wij eenmaal de kilometervergoeding voor de auto, afgeleid van de Reisregeling binnenland.

6.4.2 Bijzondere regeling vervoer naar basisschool

  • 1.

    Als uw jaarinkomen in het peiljaar hoger is dan € 31.500,-, dan trekken wij per kind de kosten voor de eerste zes kilometer met het OV af van jullie vergoeding. Het gaat om de kosten voor het gebruik van een OV-chipkaart of een andere OV-betaalmogelijkheid door het kind en een eventuele begeleider. Ook als er geen OV beschikbaar is of als er geen gebruik wordt gemaakt van het OV, trekken wij dit bedrag af van de vergoeding.

  • 2.

    Wij passen de bedragen van de inkomensgrenzen in het eerste en tweede lid, en van de eigen bijdragen in het tweede lid, jaarlijks aan (indexering). Wij volgen daarbij de wijzigingen die de VNG aan ons doorgeeft.

6.5 Ingangsdatum en duur van de vervoersvoorziening

Een vervoersvoorziening gaat in op de door u als ouder aangegeven datum. Deze datum mag niet liggen vóór de datum waarop wij de aanvraag hebben ontvangen. Voor aangepast vervoer geldt dat de vervoersvoorziening zo snel mogelijk na ons het besluit ingaat.

 

HOOFDSTUK 7 INKOMEN EN SCHULDEN

 

Voor inwoners die de dagelijkse kosten niet kunnen betalen hebben wij een financieel vangnet: een maandelijkse bijstandsuitkering. Om deze inwoners en andere inwoners met een laag inkomen extra te ondersteunen kunnen zij bij ons een aantal aanvullende uitkeringen en toeslagen aanvragen. In dit hoofdstuk staan de belangrijkste extra’s. Ook worden er enkele basisregels gegeven voor de hulp die wij kunnen bieden bij een schuldenprobleem.

 

KERNWAARDEN

Naast de kernwaarden uit hoofdstuk 1 gelden voor dit hoofdstuk de volgende kernwaarden:

  • Wij zetten ons in voor het voorkomen van armoede en schulden.

  • Schulden worden snel gesignaleerd, hulp wordt snel ingezet.

  • Iedereen doet mee aan de samenleving.

7.1 Armoedebeleid

Hieronder staat waar wij rekening mee houden bij het maken en uitvoeren van beleid om armoede en schulden in onze gemeente te voorkomen en tegen te gaan.

7.1.1 Wat willen wij voor elkaar krijgen?

  • 1.

    Wij willen dat u, ook als u een laag inkomen en geen goede financiële buffer hebt, uw noodzakelijke bestaanskosten kunt betalen en kunt meedoen aan de samenleving.

  • 2.

    Wij bieden u, als u moeite heeft om rond te komen of schulden heeft, hulp aan bij het op orde krijgen van uw financiën. Het doel van die hulp is, dat u blijvend een gezonde financiële huishouding krijgt.

  • 3.

    Wij werken bij het voorkomen en bestrijden van armoede en schulden zoveel mogelijk samen met andere organisaties. Wij stimuleren voorstellen die zijn gericht op het bestrijden van armoede en het voorkomen van schulden.

  • 4.

    Wij zetten ons ervoor in dat u met een inkomen net boven de welstandsnorm voldoende ondersteund wordt.

  • 5.

    Wij zorgen ervoor dat voorzieningen op een eenvoudige manier opnieuw aangevraagd kunnen worden als ze voor een bepaalde periode zijn verstreken.

7.2 Bijzondere bijstand

Bijzondere bijstand is een belangrijk hulpmiddel voor ons om u financieel te helpen. Hier worden de uitgangspunten beschreven waarmee wij rekening houden als wij de regels over bijzondere bijstand uit de Participatiewet toepassen.

7.2.1 Vangnet

  • 1.

    Wij bieden bijzondere bijstand actief aan als een financieel vangnet als u geen beroep kunt doen op uw eigen mogelijkheden of op andere voorzieningen. Bijzondere bijstand is ervoor bedoeld dat u met een laag inkomen en zonder goede financiële buffer:

    • a.

      extra noodzakelijke uitgaven kunt betalen. Het gaat dan om uitgaven die niet uit het maandelijkse inkomen kunnen worden betaald, en;

    • b.

      u voldoende mogelijkheden heeft om mee te doen aan maatschappelijke activiteiten.

  • 2.

    Bij het beoordelen van een aanvraag voor bijzondere bijstand betrekken wij de kernwaarden en de doelen van het gemeentelijke armoedebeleid.

  • 3.

    Wij maken zo weinig mogelijk gebruik van bijzondere bijstand in de vorm van een lening.

  • 4.

    Wij hebben beleidsregels over bijzondere bijstand. Daarin is geregeld wanneer u in aanmerking komt voor bijzondere bijstand en hoe hoog de bijstand is.

7.3 Studietoeslag

Studenten met een beperking hebben soms extra hulp nodig om een opleiding te volgen. Met een studietoeslag krijgen deze studenten een financiële steun in de rug. Het inkomen uit studiefinanciering wordt dan maandelijks aangevuld wanneer er wordt voldaan aan de gestelde voorwaarden. De regeling over de studietoeslag staat in artikel 36b van de Participatiewet. Meer informatie staat in het besluit loonkostensubsidie en minimumbedragen studietoeslag Participatiewet 2021.

7.4 Individuele inkomenstoeslag

Voor inwoners die al jaren moeten rondkomen van een laag inkomen en geen uitzicht hebben op verbetering van hun inkomen, is de inkomenstoeslag bedoeld. Dat is een extraatje dat jaarlijks kan worden toegekend en waarmee het inkomen wordt aangevuld. Hier is beschreven voor welke inwoners de inkomenstoeslag is bedoeld en welke aanvullende voorwaarden er gelden.

7.4.1 Doelgroep

  • 1.

    De inkomenstoeslag wordt verleend als u 21 jaar of ouder bent, maar jonger dan de AOW-leeftijd en u:

    • a.

      in een ononderbroken periode van 36 maanden een inkomen hebt gehad dat lager is dan 110% van de welstandsnorm;

    • b.

      geen financiële buffer hebt; en

    • c.

      geen uitzicht heeft op inkomensverbetering.

7.4.2 Hoogte van de toeslag

  • 1.

    De inkomenstoeslag is per kalenderjaar:

    • a.

      40% van de norm voor een alleenstaande of alleenstaande ouder bedoeld in artikel 21 sub a van de wet voor een alleenstaande of een alleenstaande ouder;

    • b.

      40% van de norm voor een echtpaar bedoeld in artikel 21 sub b van de wet voor een alleenstaande ouder en gehuwden of samenwonenden.

  • 2.

    Als u gehuwd of samenwonend bent geldt het volgende:

  • als één van de partners geen recht heeft op inkomenstoeslag, krijgt de ander het bedrag voor een alleenstaande of alleenstaande ouder. Het gaat om situaties, waarbij de partner uitgesloten is van de inkomenstoeslag op grond van artikel 11 en 13, eerste lid, van de Participatiewet.

  • 3.

    De gezinssituatie op de aanvraagdatum is bepalend voor de hoogte van de toeslag.

  • 4.

    De inkomenstoeslag wordt eenmalig per 12 maanden uitbetaald.

7.5 Kindpakket

Kinderen vormen een belangrijke én kwetsbare groep waar wij ons verantwoordelijk voor voelen. Wij hebben maatregelen genomen om armoede onder kinderen tegen te gaan en kinderen te helpen mee te doen aan maatschappelijke activiteiten. Deze maatregelen worden het Kindpakket genoemd. Hier zijn de uitgangspunten benoemd die voor het Kindpakket gelden.

7.5.1 Doelgroep

Het Kindpakket is bedoeld voor gezinnen met minderjarige kinderen tot 18 jaar, die geen goede financiële buffer hebben en moeten rondkomen van een inkomen dat lager is dan 120% van de uitkeringsnorm.

7.5.2 Inhoud Kindpakket

Wij stellen de inhoud van het Kindpakket vast.

  • 1.

    Het Kindpakket bestaat uit:

    • a.

      een bijdrage voor sport- of cultuuractiviteiten, zoals bijvoorbeeld: schoolreisjes, museumbezoek, sportactiviteiten en een ouderbijdrage voor OSG-leerlingen;

    • b.

      een bijdrage in de kosten voor de aanschaf van een laptop die nodig is voor het volgen van voortgezet onderwijs (OSG-leerlingen);

    • c.

      een bijdrage in de kosten voor huiswerkondersteuning en andere vormen van hulp rondom school;

    • d.

      een bijdrage in de kosten van zwemlessen voor een A en B-diploma;

  • 2.

    U kunt het Kindpakket zowel digitaal als schriftelijk bij ons aanvragen.

7.6 Bijdrage voor maatschappelijke activiteiten

Om actief deel te kunnen nemen aan de samenleving is het belangrijk dat inwoners meedoen aan maatschappelijke activiteiten. Hieraan zijn meestal kosten verbonden. Inwoners met een laag inkomen kunnen jaarlijks een vergoeding krijgen om te sporten en om mee te doen aan culturele en andere maatschappelijke activiteiten. Ook abonnementen op kranten of tijdschriften kunnen worden vergoed.

7.6.1 Doelgroep

Als u geen goede financiële buffer hebt en een inkomen dat lager is dan 120% van de uitkeringsnorm, dan krijgt u van ons een bijdrage voor de kosten van maatschappelijke activiteiten.

7.6.2 Maatschappelijke activiteiten

De bijdrage is bedoeld voor sportieve, culturele en andere maatschappelijke activiteiten.

7.6.3 Bijdrage

  • 1.

    Wij vergoeden de feitelijke kosten, maar maximaal € 150 per volwassen gezinslid per kalenderjaar. Het bedrag wordt direct uitbetaald. Voor controle moet u de bonnetjes 12 maanden bewaren.

  • 2.

    Wij bekijken elk jaar of de maximale bijdrage verhoogd moet worden. Die verhoging gaat dan in per 1 januari van het jaar erna.

7.7 Collectieve zorgverzekering

  • 1.

    Wij bieden samen met de gecontracteerde zorgverzekeraar een collectieve zorgverzekering voor inwoners met een laag inkomen aan. Die verzekering geeft recht op een lagere premie voor de basisverzekering en de aanvullende verzekeringen.

  • 2.

    De collectieve zorgverzekering is bedoeld voor de inwoner die een laag inkomen en geen goede financiële buffer heeft. U heeft in ieder geval een laag inkomen als u een inkomen hebt dat lager is dan 120% van de uitkeringsnorm.

  • 3.

    Als u meedoet, dan betalen wij voor u maandelijks de aanvullende zorgpremie. U betaalt alleen de basispremie.

7.8 Schuldhulpverlening

Wij hebben de taak om inwoners met schuldproblemen te helpen. Inwoners kunnen daarom ons om hulp vragen bij het vinden van een oplossing voor hun schulden. Hier worden de belangrijkste uitgangspunten genoemd die wij toepassen als inwoners om hulp vragen.

7.8.1 Samenwerking en toegang

  • 1.

    Wij werken samen met andere organisaties om te voorkomen dat u problematische schulden opbouwt.

  • 2.

    Wij zorgen ervoor dat u op een eenvoudige manier om hulp kunt vragen bij het vinden van een oplossing voor schulden.

  • 3.

    Wij informeren u over de hulp die wij kunnen aanbieden en zorgen ervoor dat die hulp ook echt beschikbaar is.

  • 4.

    Wij sluiten geen enkele inwoner bij voorbaat uit van hulp. Een uitzondering op die regel is als u geen geldige verblijfstitel hebt.

7.8.2 Schuldhulpverlening

Wij zorgen ervoor dat de hulp die u kunt krijgen bij het oplossen van schulden, zo snel mogelijk krijgt.

7.8.3 Besluit

  • 1.

    Wij informeren u als u hulp kunt krijgen over de manier waarop de hulp wordt gegeven.

  • 2.

    Wij sturen u als u geen hulp kunt krijgen een brief waarin staat waarom er geen hulp wordt gegeven.

 

HOOFDSTUK 8 DE VORM VAN HULP

 

Als inwoners hulp van ons kunnen krijgen, moeten wij ook bepalen in welke vorm die hulp dan wordt gegeven. Onze hulp kan in de vorm van geld zijn: in ‘natura’: wij zorgen ervoor dat er hulp wordt ingezet of in de vorm van een dienst (bijvoorbeeld huishoudelijke ondersteuning). Het is ook mogelijk dat er een middel wordt gegeven (bijvoorbeeld een rolstoel). In bepaalde gevallen kan de hulp in de vorm van geld worden gegeven (inkomenstoeslag) of als een persoonsgebonden budget, bijvoorbeeld als het gaat om Wmo-hulp of jeugdhulp. In dit hoofdstuk is geregeld op welke manier wij de hulp geven. Ook is geregeld wanneer wij een financiële bijdrage aan u kunnen vragen.

 

KERNWAARDEN

Naast de kernwaarden in hoofdstuk 1 gelden voor dit hoofdstuk de volgende kernwaarden:

  • Wij maken de hulp makkelijk bereikbaar.

  • Wij bieden passende hulp die zo snel mogelijk wordt ingezet.

8.1 Hulp in natura

  • 1.

    Als u hulp van ons krijgt, dan ontvang u deze hulp in natura (een dienst of een middel), tenzij in de wet of in deze verordening anders is bepaald. Gaat het om een middel, dan wordt deze in bruikleen, huur of eigendom verstrekt.

  • 2.

    Wij zien erop toe dat de leverancier van een product de wettelijke bepalingen over de garantie naleeft en u informeert over alles wat van belang is om te weten over de dienst of het middel.

8.2 Hulp in geld

  • 1.

    Als u hulp van ons krijgt, dan ontvang u deze hulp in de vorm van geld als dat in de wet of in deze verordening zo is bepaald. Hulp in de vorm van geld hoeft meestal niet terugbetaald te worden. Alleen als in de wet of in deze verordening anders is bepaald en dit aansluit bij uw persoonlijke situatie, dan moet het geld wel worden terugbetaald.

  • 2.

    Wij zorgen ervoor dat wij de betaling aan u doen binnen 6 weken nadat wij een betalingsbesluit hebben genomen over de betaling.

  • 3.

    De betaling wordt gedaan op het bankrekeningnummer dat u heeft doorgegeven, tenzij het doel van de betaling alleen op een andere manier kan worden bereikt. Dan kunnen wij het geld op een andere manier, in een andere vorm of aan een andere persoon betalen. Bijvoorbeeld een betaling aan een leverancier of een betaling in contant geld, als u geen bankrekening hebt.

  • 4.

    Wij kunnen beslissen om het geld niet te betalen, maar te verrekenen met een bedrag dat u moet terugbetalen (vordering) als dit volgens de wettelijke regels kan. Het moet gaan om een vordering op grond van een van de wetten waarop deze verordening is gebaseerd.

  • 5.

    Wij kunnen een besluit nemen om betalingen te doen zonder dat u daar met een brief over wordt geïnformeerd. Wij stellen u dan op een andere geschikte manier op de hoogte van het betalingsbesluit.

8.3 Persoonsgebonden budget (pgb)

 

8.3.1 Voorwaarden

  • 1.

    In plaats van hulp in natura kunt u een persoonsgebonden budget krijgen als het om Wmo-hulp of jeugdhulp gaat en voldaan is aan de voorwaarden die de Wmo of de Jeugdwet stellen en die in deze paragraaf staan.

  • 2.

    Wij kennen een pgb pas toe als wij vinden dat u (of uw vertegenwoordiger) in staat bent uw belangen voldoende te behartigen. U moet de taken die bij het pgb horen op een verantwoorde manier kunnen uitvoeren.

  • 3.

    Het pgb is bedoeld voor hulp, maar kan niet aan alle kosten die daarmee te maken hebben worden besteed. Het pgb kan niet besteed worden aan:

    • a.

      kosten voor bemiddeling, tussenpersonen of belangenbehartigers;

    • b.

      het voeren van een pgb-administratie;

    • c.

      ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb-administratie en;

    • d.

      kosten voor een feestdagenuitkering aan de hulpverlener(s).

  • 4.

    Wij verstrekken geen pgb in de volgende situaties:

    • a.

      De kosten zijn gemaakt vóórdat de aanvraag is ingediend en het is niet meer na te gaan of die hulp nodig was.

    • b.

      Uit het door u ingediende pgb-plan blijkt niet dat de kwaliteit van de hulp voldoende gewaarborgd is.

  • 5.

    U kunt het pgb niet zelf beheren en de beoogde pgb-beheerder is dezelfde persoon als de beoogde hulpverlener.

8.3.2 Pgb bij hulp door personen uit het sociale netwerk

  • 1.

    De persoon die hulp geeft mag iemand uit uw sociale netwerk zijn als deze persoon voldoet aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      Deze persoon hanteert een tarief dat binnen het minimum-en maximumbedrag valt. Het minimumbedrag is het wettelijk minimumuurloon voor een persoon van 22 jaar of ouder inclusief vakantiebijslag en bij een 36-urige werkweek. Het maximumbedrag is het bedrag dat wij zouden betalen voor hulp die nodig is (hulp in natura-tarief).

    • b.

      Deze persoon heeft met goede argumenten aangegeven dat hij door het geven van de hulp niet overbelast raakt. Ook is deze persoon in staat om kwalitatief goede hulp te bieden en planmatig te werken.

  • 2.

    Hulp door een bloed-of aanverwant in de eerste of tweede graad, wordt altijd als hulp door iemand uit het sociale netwerk gezien.

8.3.3 Hoogte en tarief pgb

  • 1.

    U maakt een plan voor de besteding van het pgb. Dit is het pgb-plan. Hierin staat welke hulp u met het pgb wilt betalen en door wie de hulp wordt gegeven. Wij moeten het plan goedkeuren en zullen daarna het pgb vaststellen.

  • 2.

    Wij baseren de hoogte van het pgb op een offerte voor de aangegeven kosten. In deze offerte moet staan hoe hoog de kosten van de dienst of het middel zijn (kostprijs). Met deze kostprijs moet u veilige, doeltreffende en kwalitatief goede hulp kunnen inkopen.

  • 3.

    De kostprijs mag niet hoger zijn dan wat gebruikelijk is voor die dienst of dat middel. De hoogte van het pgb is gelijk aan de hoogte van de offerte. Er geldt wel een maximumbedrag. Dat is het bedrag dat wij zouden betalen voor de hulp die nodig is (hulp in natura-tarief). Wanneer de offerte hoger is dan dit maximumbedrag vergoeden wij de meerprijs niet.

  • 4.

    Gaat het om een product, dan houden wij bij de hoogte van het pgb rekening met een reële termijn voor de technische afschrijving en met de onderhouds-en verzekeringskosten.

  • 5.

    Als hulp wordt gegeven door iemand uit het sociale netwerk of door een niet-professionele hulpverlener, dan is de hoogte van het pgb minimaal het wettelijk minimumuurloon voor een persoon van 22 jaar of ouder, inclusief vakantiebijslag en bij een 36-urige werkweek. Wij betrekken bij de hoogte van het pgb uw persoonlijke situatie en de werkervaring en deskundigheid van de hulpverlener.

  • 6.

    Wij stellen de hoogte van het pgb voor professionele hulp voor hulp-op-maat (individueel, groep en logeren), persoonlijke verzorging, behandeling (individueel en groep), wonen en gezins- en woonvormen en hulp bij het (zelfstandig) wonen vast. Het pgb-tarief voor professionals bedraagt 75% van het laagst geoffreerde tarief op dienstverleningsniveau binnen de aanbesteding van zorg in natura voor de Wmo en Jeugdwet. Het pgb is toereikend voor de aanschaf van het product of dienst bij minimaal 1 passende aanbieder.

8.3.4 Verantwoording pgb

  • 1.

    Wij kunnen u vragen om duidelijk te maken hoe het pgb is besteed en welke resultaten de hulp voor u heeft gehad. Voor dat verslag kunnen wij een formulier verplicht stellen.

  • 2.

    Als u hulp-op-maat in de vorm van een pgb krijgt, wordt alleen de hulp uitbetaald die feitelijk geleverd is.

8.3.5 Opschorten pgb

Wij kunnen aan de Sociale Verzekeringsbank vragen om de uitbetaling uit het pgb helemaal of gedeeltelijk stop te zetten totdat een besluit is genomen om het pgb weer voort te zetten of in te trekken. Wij kunnen dit doen als:

  • a.

    u onjuiste of onvolledige informatie hebt verstrekt, terwijl het verstrekken van de juiste of volledige informatie zou hebben geleid tot een andere beslissing van ons;

  • b.

    u niet voldoet aan de voorwaarden die bij een pgb horen, of;

  • c.

    u het pgb niet of voor een ander doel hebt gebruikt.

8.4 Wat is een eigen bijdrage

  • 1.

    U betaalt een eigen bijdrage in de kosten van Wmo hulp-op-maat, zolang u gebruikmaakt van de ondersteuning of voor de periode waarvoor een pgb is verstrekt.

  • 2.

    Gaat het om een product, dan betaalt u een bijdrage totdat de kostprijs is betaald. U betaalt de bijdrage per maand aan het Centraal Administratiekantoor (CAK). De hoogte van deze periodieke bijdrage is gelijk aan het bedrag dat maximaal betaald moet worden op grond van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.

  • 3.

    De kostprijs van hulp-op-maat in natura wordt bepaald door een aanbesteding, na consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder.

  • 4.

    Gaat het om de kosten van een woningaanpassing voor een minderjarige inwoner, dan betalen de onderhoudsplichtige ouders de bijdrage. Dat geldt ook voor de ouder tegen wie een vaderschapsactie is ingesteld en de rechter dit verzoek heeft afgewezen (artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek), en voor degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een minderjarige inwoner.

  • 5.

    Wij vragen geen bijdrage voor:

    • a.

      een (douche)rolstoel voor het gebruik in huis en het onderhoud daarvan;

    • b.

      kilometer en- taxivergoeding;

    • c.

      verrijdbare tillift;

    • d.

      verhuiskosten.

 

HOOFDSTUK 9 AFSPRAKEN TUSSEN INWONERS EN GEMEENTE

 

Dit hoofdstuk gaat over de manier waarop wij als gemeente en u als inwoner met elkaar omgaan. Het gaat over de manier waarop wij ons moeten gedragen en wat er van u wordt verwacht. Als u rechten heeft, dan staan daar vaak plichten tegenover. Als u daar onvoldoende rekening mee houdt, dan kunnen wij de uitkering of voorziening beëindigen, terugvorderen of verlagen.

 

KERNWAARDEN

Naast de kernwaarden uit hoofdstuk 1 gelden voor dit hoofdstuk de volgende kernwaarden:

  • De gemeente en inwoner komen afspraken na en stellen zich oplossingsgericht op.

  • De gemeente en de inwoner geven elkaar de informatie die nodig is.

  • De gemeente ziet de inwoner als volwaardig persoon.

9.1 Hoe gaan we met elkaar om?

 

9.1.1 De rol van de gemeente

  • 1.

    Wij zoeken samen met u naar een oplossing voor uw probleem. Samen gaan we daarbij op een respectvolle manier met elkaar om. Wij zorgen voor het volgende:

    • a.

      Voor u is het duidelijk wie er namens ons contact met u onderhoudt. Wij houden het aantal contactpersonen zo beperkt mogelijk.

    • b.

      U heeft, om uw probleem te bespreken, altijd recht op een gesprek met één van onze medewerkers. Dat gesprek kan op het gemeentehuis, bij u thuis of ergens anders plaatsvinden.

    • c.

      Wij helpen u om uw probleem bij een andere organisatie te bespreken als het bieden van hulp bij dit probleem een taak is voor die organisatie.

    • d.

      Onze website voldoet aan erkende kwaliteitseisen.

    • e.

      Er zijn eenvoudige aanvraagformulieren voor u beschikbaar als u een uitkering of voorziening nodig hebt en die wilt aanvragen. Het is duidelijk voor u waar die aanvraagformulieren verkrijgbaar zijn.

    • f.

      Wij informeren u op een passende manier over procedures die worden gevolgd en zorgen ervoor dat deze procedures zo eenvoudig mogelijk zijn.

    • g.

      Wij respecteren zoveel mogelijk uw privacy.

    • h.

      Wij maken zoveel mogelijk gebruik van gegevens die al bij ons aanwezig zijn en vragen alleen gegevens die nodig zijn voor het beoordelen van de hulpvraag.

    • i.

      Wij wijzen u op beschikbare deskundige hulp.

  • 2.

    Wij reageren op een professionele manier als u gedrag vertoond dat ontoelaatbaar is. Wij zorgen voor het volgende:

    • a.

      U wordt op tijd geïnformeerd over:

      • uw rechten en plichten;

      • wat er van u wordt verwacht;

      • welk gedrag niet deugt;

      • wat de reactie van ons is op gedrag dat niet deugt, en;

      • waarom wij tegen het gedrag optreden

    • b.

      Wij geven u de kans om uw mening te geven vóórdat wij beslissen om op uw gedrag te reageren door een maatregel te nemen.

    • c.

      Onze reactie op ontoelaatbaar gedrag past bij:

      • de ernst van het gedrag;

      • de mate waarin jou dat verweten kan worden, en;

      • uw persoonlijke situatie.

    • d.

      Wij sturen u een brief waarin duidelijk vermeld wat wij gaan doen als reactie op het gedrag, wat dit precies voor u betekent en wat u daartegen kan doen. Wij maken ook duidelijk op welke manier u het gedrag kan aanpassen, zodat de relatie hersteld wordt en wij eventueel de dienstverlening zullen voortzetten (als die is stopgezet).

9.1.2 De rol van de inwoner

  • 1.

    U bent in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor het oplossen van uw probleem. Wij vullen uw mogelijkheden en uw sociale netwerk aan als dat nodig is. U zorgt voor het volgende:

    • a.

      U gaat eerst na welke mogelijkheden uzelf hebt om uw probleem op te lossen.

    • b.

      Als wij hulp verlenen werkt u mee aan de oplossing van uw probleem.

    • c.

      U zorgt ervoor dat onze hulp niet langer duurt dan nodig is.

  • 2.

    U werkt mee zodat snel duidelijk is op welke manier uw probleem zo snel mogelijk kan worden opgelost. Dat betekent het volgende:

    • a.

      U informeert ons zo snel en zo volledig mogelijk over alles wat van belang is voor het beoordelen van de hulpvraag, uw persoonlijke situatie en uw rechten en plichten. Dit geldt ook als de hulp al is toegekend.

    • b.

      Wij ontvangen alle documenten en bewijsstukken die wij nodig hebben zo snel mogelijk van u.

    • c.

      U doet wat nodig is om onze hulp zo kort mogelijk te laten duren.

  • 3.

    U brengt ons zo snel mogelijk op de hoogte van uw beperkingen, als die van belang zijn in het contact met ons.

9.2 Afspraken en verplichtingen over uitkeringen

 

9.2.1 Afstemming op houding en gedrag van de inwoner

  • 1.

    Wij verlagen een uitkering als dat volgens de regels van de wet en deze verordening past bij uw houding of uw gedrag.

  • 2.

    Als wij besluiten tot het verlagen van uw uitkering houden wij rekening met:

    • a.

      de ernst van uw gedrag;

    • b.

      de mate waarin u het gedrag verweten kan worden, en;

    • c.

      uw persoonlijke situatie.

  • 3.

    Voordat uw uitkering wordt verlaagd geven wij u de kans om uw mening te geven. U kunt dat doen via e-mail, met een brief, telefonisch of in een persoonlijk gesprek.

9.2.2 Geen verlaging

Wij verlagen de uitkering niet als:

  • a.

    uw gedrag niet te verwijten is;

  • b.

    als uw gedrag meer dan 1 jaar voor het constateren daarvan door ons heeft plaatsgevonden;

  • c.

    wij daarvoor zeer dringende redenen zien.

9.2.3 Het besluit om de uitkering te verlagen

  • 1.

    Wij sturen u een brief als uw uitkering wordt verlaagd. In die brief staat in ieder geval:

    • a.

      waarom de uitkering is verlaagd;

    • b.

      hoe groot de verlaging is;

    • c.

      wanneer de verlaging ingaat;

    • d.

      hoe lang de verlaging duurt, en;

    • e.

      waarom wij afwijken van de hoofdregels, als dat het geval is.

9.2.4 Ingangsdatum en periode van verlaging

De verlaging gaat in met ingang van de datum van toekenning van de uitkering als het gaat om een nieuwe aanvraag en bij een lopende uitkering op de eerste dag van de kalendermaand die op het besluit volgt. De verlaging duurt 1 of meer maanden. Als de uitkering tijdens die periode wordt beëindigd dan kan de verlaging niet volledig worden uitgevoerd. Wij leggen dan het overgebleven deel van de verlaging alsnog op als u binnen 12 maanden na de beëindiging opnieuw een uitkering gaat ontvangen.

9.2.5 Berekening verlaging

  • 1.

    Uw uitkering wordt verlaagd met een percentage van de uitkeringsnorm. De uitkeringsnorm is de uitkering die u in uw situatie maximaal kunt krijgen. Krijgt u bijstand, dan gaat het om de bijstandsnorm. Krijgt u een IOAW- of IOAZ-uitkering, dan is het de grondslag uit de IOAW of IOAZ. Hieronder staat met welk percentage de uitkeringsnorm verlaagd wordt.

  • 2.

    De verlaging wordt berekend over de uitkeringsnorm die geldt in de maand(en), waarin de verlaging wordt toegepast.

9.2.6 Niet nakomen wettelijke (geüniformeerde) arbeidsverplichtingen

  • 1.

    Wij verlagen uw bijstandsuitkering met 100% van de uitkeringsnorm gedurende 1 maand, als u een verplichting uit artikel 18, vierde lid, aanhef en onderdeel a, b, c, d, e, f, g en h van de Participatiewet niet nakomt. Het gaat om bijzondere verplichtingen in verband met werk.

  • 2.

    De verlaging kan over 2 maanden worden uitgesmeerd. Dit doen wij alleen als er sprake is van bijzondere omstandigheden. De bijstandsuitkering wordt dan 2 maanden achter elkaar met 50% van de uitkeringsnorm verlaagd.

9.2.7A Niet nakomen andere arbeidsverplichtingen (niet geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling)

  • Gedragingen Participatiewet

  • 1.

    We onderscheiden de volgende categorieën gedragingen, waardoor algemeen geaccepteerde arbeid niet wordt verkregen of een verplichting op grond van de artikelen 9, 9a, 17 tweede lid, 55 en 56a van de Participatiewet niet of onvoldoende wordt nagekomen:

    • 1.

      eerste categorie:

      • a.

        het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) of het niet tijdig laten verlengen van de registratie;

      • b.

        het niet of onvoldoende verrichten van een door ons opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet;

      • c.

        het niet nakomen van de in artikel 56a, tweede lid, van de Participatiewet neergelegde verplichting om gedurende een periode van zes maanden, gerekend vanaf de dag waarop het recht op bijstand ontstaat, mee te werken aan het door het college in naam van de belanghebbende verrichten van betalingen uit de toegekende bijstand van huur, gas, water en stroom en de verplichte zorgverzekering.

    • 2.

      tweede categorie:

      • a.

        het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a van de Participatiewet;

      • b.

        het onvoldoende nakomen van verplichtingen als bedoeld in de artikelen 9, eerste lid, of 55 van de Participatiewet, voor zover het gaat om een belanghebbende jonger dan 27 jaar, gedurende vier weken na een melding als bedoeld in artikel 43, vierde en vijfde lid, van de Participatiewet, voor zover deze verplichtingen niet worden genoemd in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet;

      • c.

        het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder, bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet;

      • d.

        het niet verschijnen op de taaltoets waardoor de toets niet kan worden afgenomen of halverwege beëindigen van de toets;

      • e.

        het niet meewerken aan het inleveren van bewijsstukken voor de taaleis, terwijl redelijkerwijs aangenomen kan worden dat de stukken geleverd kunnen worden.

    • 3.

      derde categorie:

      • a.

        het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen in de gemeente van inwoning voor zover dit niet voortvloeit uit een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet.

  • 2.

    Wij verlagen de bijstandsuitkering met:

    • a.

      10% van de uitkeringsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de eerste categorie;

    • b.

      20% van de uitkeringsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de tweede categorie;

    • c.

      100% van de uitkeringsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de derde categorie.

  • 3.

    In afwijking van het tweede lid kunnen wij bij gedragingen van de eerste of tweede categorie een waarschuwing opleggen.

9.2.7B Niet nakomen andere arbeidsverplichtingen (niet- geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling)

Gedraging IOAW en IOAZ

  • 1.

    We onderscheiden de volgende categorieën gedragingen, waardoor algemeen geaccepteerde arbeid niet wordt verkregen of een verplichting op grond van de artikelen 37 en 38 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 37 en 38 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet of onvoldoende wordt nagekomen:

    • 1.

      eerste categorie:

      • a.

        het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) of het niet tijdig laten verlengen van de registratie;

      • b.

        het niet of onvoldoende verrichten van een door ons opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel f, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 37, eerste lid, onderdeel f, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.

    • 2.

      tweede categorie:

      • a.

        het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling;

      • b.

        het niet of onvoldoende gebruik maken van een door ons aangeboden voorziening als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 36, eerste lid, en artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, voor zover dit niet heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening;

      • c.

        het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken de verplichtingen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 38, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.

    • 3.

      derde categorie;

      • a.

        het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen;

      • b.

        het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid;

      • c.

        het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid;

      • d.

        het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, voor zover dit heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening.

  • 2.

    Wij verlagen de IOAW- of IOAZ-uitkering met:

    • a.

      10% van de uitkeringsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de eerste categorie;

    • b.

      20% van de uitkeringsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de tweede categorie;

    • c.

      100% van de uitkeringsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de derde categorie.

  • 3.

    In afwijking van het tweede lid kunnen wij bij gedragingen van de eerste of tweede categorie een waarschuwing opleggen.

9.2.8 Te weinig besef van verantwoordelijkheid

  • 1.

    Een verlaging wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, zoals bedoeld in artikel 18, tweede lid van de Participatiewet, vindt plaats voor een percentage van 100% en gedurende ten hoogste 3 maanden.

  • 2.

    Deze verlaging wordt toegepast in de gevallen dat u:

    • a.

      voorliggende voorzieningen (periodiek inkomen of vermogensbestanddelen) had kunnen benutten voor de kosten van levensonderhoud maar deze verwijtbaar niet (hebt) benut;

    • b.

      voorliggende voorzieningen door eigen toedoen niet kunt benutten;

    • c.

      onverantwoord inteert op vermogen en daarmee langer of voor een hoger bedrag een beroep moet doen op een bijstandsuitkering.

9.2.9 Onacceptabel gedrag

  • 1.

    Wij verlagen uw uitkering als u zich onacceptabel gedraagt tegenover personen en instanties die de Participatiewet, de IOAW en IOAZ uitvoeren. De bijstandsuitkering wordt gedurende 1 maand verlaagd met 100% van de uitkeringsnorm.

  • 2.

    Wij verlagen uw IOAW- of IOAZ-uitkering als u zich onacceptabel gedraagt tegenover personen en instanties die de IOAW of IOAZ uitvoeren, onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van voornoemde wetten. De IOAW- of IOAZ-uitkering wordt gedurende 1 maand verlaagd met 100% van de uitkeringsnorm.

9.2.10 Niet nakomen van andere verplichtingen

  • 1.

    Wij verlagen uw bijstandsuitkering een maand, als u een opgelegde verplichting uit artikel 55 of 57 van de Participatiewet niet of niet voldoende nakomt. Het gaat om een verplichting die hieronder wordt genoemd. De verlaging is:

    • a.

      20% van de uitkeringsnorm, als het gaat om verplichtingen die gericht zijn op het krijgen van werk;

    • b.

      20% van de uitkeringsnorm, als het gaat om een verplichting in verband met bijstand die in een bepaalde vorm (bijvoorbeeld in natura) of voor een specifiek doel wordt verstrekt;

    • c.

      50% van de uitkeringsnorm, als het gaat om een verplichting die is gericht op vermindering van de bijstand;

    • d.

      100% van de uitkeringsnorm, als het gaat om een verplichting die is gericht op beëindiging van de bijstand.

  • 2.

    Wij kunnen besluiten de bijstandsuitkering niet te verlagen, als het de eerste keer is dat u de verplichting uit het eerste lid onder a en b, niet nakomt.

9.2.11 Samenloop van gedragingen

  • 1.

    Gedrag waardoor u meerdere verplichtingen uit deze paragraaf of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet niet nakomt, leidt tot één verlaging. De hoogste verlaging die van toepassing is voor het gedrag geldt dan en ook de duur die bij die verlaging hoort.

  • 2.

    Als sprake is van meerdere gedragingen die ertoe leiden dat één of meer verplichtingen niet worden nagekomen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd. Deze verlagingen worden gelijktijdig of -als dat niet mogelijk is -na elkaar opgelegd.

  • 3.

    Als sprake is van 1 gedraging die schending oplevert van zowel een in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichting als een in artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet genoemde verplichting, wordt geen verlaging opgelegd, voor zover voor die schending een bestuurlijke boete wordt opgelegd.

  • 4.

    Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van zowel een in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichting als een in artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet genoemde verplichting, waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende niet verantwoord is.

9.2.12 Herhaling (recidive)

De duur en hoogte van de verlaging wordt verdubbeld als de uitkering binnen twaalf maanden na de datum van het besluit waarmee de verlaging is opgelegd opnieuw wordt verlaagd.

9.3 Terugvorderen uitkering

 

9.3.1 Terugvordering en incasso

Wij vorderen gemeentelijke uitkeringen terug in de gevallen die in de wet zijn beschreven en doen dat volgens de regels van de wet. Wij vorderen niet terug als terugvordering onaanvaardbare gevolgen voor u heeft.

  • 1.

    Bij een klein bedrag kunnen wij besluiten om dit niet terug te vorderen als dit te veel tijd en geld kost. Wij vorderen een klein bedrag wél terug als er te veel uitkering is betaald, omdat u onvoldoende informatie aan ons hebt gegeven.

  • 2.

    Bij de incasso zorgen wij ervoor dat u een inkomen blijft houden dat past bij uw persoonlijke situatie. Dit inkomen is in ieder geval gelijk aan de beslagvrije voet.

9.4 Beëindigen en terugvorderen voorziening

 

9.4.1 Beëindiging voorziening

  • 1.

    Wij kunnen een voorziening geheel of gedeeltelijk beëindigen als dat in de wet of in deze verordening is aangegeven. De voorziening kan in ieder geval worden beëindigd vanaf het moment dat:

    • a.

      de voorziening niet langer passend of nodig is;

    • b.

      u zich niet houdt aan voorwaarden en verplichtingen die aan de voorziening zijn verbonden;

    • c.

      wij niet langer kunnen beoordelen of u in aanmerking komt voor de voorziening, omdat u onvoldoende of onjuiste informatie geeft, of onvoldoende meewerkt aan een onder onderzoek naar het recht op de voorziening;

    • d.

      de voorziening is verstrekt op grond van onjuiste of onvolledige gegevens

    • e.

      de voorziening voor een ander doel wordt gebruikt dan bedoeld, of;

    • f.

      ons beleid is gewijzigd, en u daarom niet meer in aanmerking komt voor een voorziening. Wij houden dan wel rekening met een redelijke overgangsperiode.

  • 2.

    De voorziening kan met terugwerkende kracht worden beëindigd (ingetrokken). Wij trekken dan het toekenningsbesluit in.

  • 3.

    Wij kunnen een besluit om een pgb toe te kennen intrekken als u het pgb niet binnen 3 maanden na toekenning hebt gebruikt om de voorziening te betalen waarvoor het pgb is bestemd, tenzij:

    • a.

      wij een langere termijn hebben bepaald, of;

    • b.

      u niet te verwijten is dat u het pgb niet binnen de termijn hebt gebruikt.

9.4.2 Terugvordering voorziening

Wij kunnen de voorziening of de waarde daarvan van u terugvorderen. Dat kan vanaf het moment waarop is voldaan aan één of meer van de redenen voor beëindiging die genoemd worden in artikel 9.4.1. Wmo-voorzieningen kunnen alleen worden teruggevorderd als die voorzieningen zijn ingetrokken omdat u onjuiste of onvolledige gegevens aan ons hebt verstrekt.

9.5 Hoe controleert de gemeente of de afspraken worden nagekomen?

 

9.5.1 Controle

  • 1.

    Wij controleren regelmatig of u recht hebt op een uitkering of voorziening en of u de juiste uitkering of voorziening hebt aangevraagd of ontvangt. Wij kunnen daarvoor gebruik maken van:

    • a.

      huisbezoeken: één van onze medewerkers gaat bij u langs en kijkt in en om de woning. Wij kunnen een huisbezoek aankondigen, maar dat hoeft niet;

    • b.

      heimelijke waarnemingen: één van onze medewerkers verzamelt gegevens over u zonder dat u hierover vooraf bent geïnformeerd. Dat verzamelen gebeurt bijvoorbeeld door buurtonderzoek;

    • c.

      bestandsvergelijkingen: wij vergelijken uw gegevens met de gegevens die bekend over u bekend zijn bij andere organisaties, zoals bij UWV, de Belastingdienst en andere gemeenten;

    • d.

      signalen en tips van organisaties of particulieren;

    • e.

      andere passende onderzoeksmethoden.

  • 2.

    De controle van de voorzieningen is ook bedoeld om de kwaliteit van de voorziening te beoordelen en om te kijken of de voorziening op de juiste manier wordt gebruikt.

  • 3.

    Bij de controle van uitkeringen en voorzieningen zorgen wij ervoor dat de regels die horen bij de opsporing van strafbare feiten worden nageleefd.

  • 4.

    Bij beëindiging van de uitkering of voorziening op verzoek van de inwoner onderzoekt de gemeente wat de reden is van de beëindiging. Wij gaan ook na of de uitkering of voorziening tot de einddatum terecht is verstrekt.

9.5.2 Voorkomen van fraude

Wij stellen alles in het werk om fraude te voorkomen (preventie). Daarom informeren wij u op een gepaste manier over rechten en plichten en over de gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van uitkeringen en voorzieningen.

9.5.3 Beleidsplan handhaving en beleidsverslag

  • 1.

    De gemeenteraad stelt één keer per vier jaar een beleidsplan vast hoe wij fraudebestrijding aanpakken en ervoor zorgen dat u zich zo goed mogelijk aan de regels houdt.

  • 2.

    In het beleidsplan, bedoeld in het eerste lid, staat in ieder geval:

    • a.

      wat wij precies met fraudepreventie bedoelen;

    • b.

      wanneer en hoe wij u informeren over rechten en plichten (voorlichting);

    • c.

      welke onderzoeksmethoden wanneer kunnen worden ingezet, en;

    • d.

      hoe wij samenwerken met andere organisaties om fraude tegen te gaan.

  • 3.

    Wij stellen na afloop van de periode waarvoor het beleidsplan handhaving is bedoeld, een beleidsverslag vast. Daarin beschrijven wij of de gestelde doelen voor dat jaar zijn behaald en de redenen waarom dat wel of niet is gebeurd.

9.5.4 Privacy

  • 1.

    Wij stellen voor onderzoeksmethoden die vaak worden toegepast protocollen op. Het gaat in ieder geval om protocollen voor de inzet van:

    • a.

      Huisbezoeken;

    • b.

      Buurtonderzoeken.

  • De protocollen moeten ervoor zorgen dat er geen ongeoorloofde inbreuk op het privéleven van inwoners plaatsvindt. Wij maken de protocollen openbaar bekend.

  • 2.

    Bij het uitvoeren van onderzoek zorgen wij ervoor dat inbreuk op persoonlijkheidsrechten, zoals op de bescherming van het privéleven, niet verder gaat dan wat noodzakelijk, passend en wettelijk toegestaan is.

9.5.4 Toezichthouders

Wij wijzen één of meer ambtenaren aan die de taak hebben erop toe te zien dat de wetten en de bijbehorende regels worden nageleefd.

 

HOOFDSTUK 10 INSPRAAK EN INWONERSPARTICIPATIE

 

Het beleid dat wij maken en uitvoeren is bedoeld voor de inwoners. Met de ervaringen van de inwoners kan de gemeente haar beleid als het nodig is aanpassen en verbeteren. In dit hoofdstuk is vastgelegd hoe inwoners hun invloed kunnen uitoefenen. Ook is geregeld dat er een Adviesraad Sociaal Domein is en is de taak van deze raad beschreven. Ten slotte is hier ook geregeld op welke manier inwoners met leveranciers, zoals zorgaanbieders, kunnen overleggen over diensten en producten die bedoeld zijn voor de inwoners met een beperking.

 

KERNWAARDEN

Naast de kernwaarden uit hoofdstuk 1, gelden voor dit hoofdstuk de volgende kernwaarden:

  • Wij zien de inwoners als volwaardige partners.

  • Wij betrekken inwoners zo vroeg mogelijk bij het maken van beleid.

  • Wij gaan zorgvuldig, eerlijk en open om met de inwoner.

 

10.1 Inspraak van inwoners

  • 1.

    Wij kiezen ervoor om u inspraak te geven in de onderwerpen die in deze verordening worden geregeld. De regels van de Verordening Participatie en uitdaagrecht Gemeente Texel 2023 zijn daarop van toepassing, maar worden aangevuld met de regels in dit hoofdstuk.

  • U kunt inspraak hebben bij:

    • a.

      plannen voor beleid en regels;

    • b.

      de manier waarop wij beleid en regels uitvoeren;

    • c.

      de manier waarop onze medewerkers met u omgaan (bejegening);

    • d.

      de manier waarop zorgaanbieders en leveranciers hun taken uitvoeren.

  • 2.

    Inspraak houdt ook in het doen van voorstellen voor ander beleid, andere regels of een andere uitvoering.

  • 3.

    Wij kunnen u op de volgende manier inspraak geven:

    • a.

      via de Adviesraad Sociaal Domein Texel;

    • b.

      door u te raadplegen, bijvoorbeeld met enquêtes en bijeenkomsten;

    • c.

      door samen met u een plan te ontwerpen.

  • 4.

    Wij kiezen die vorm van inspraak die past bij het onderwerp en bij de groep die het betreft. Wij bepalen na overleg met de Adviesraad Sociaal Domein Texel welke vorm de inspraak heeft.

10.2 Hulp van de gemeente bij inspraak

Wij zorgen voor goede inspraak en doen dat op de volgende manier:

  • a.

    Het moment waarop inspraak kan worden gegeven, geeft u voldoende mogelijkheid om invloed te hebben op onze plannen over beleid, regels of de uitvoering daarvan.

  • b.

    U wordt deskundig ondersteund, zodat de inspraak volwaardig is.

  • c.

    U kunt deelnemen aan ons overleg over kernwaarden, beleid, regels en de uitvoering daarvan.

  • d.

    U krijgt op tijd en voldoende informatie om goede inbreng te kunnen geven.

10.3 Adviesraad Sociaal Domein Texel

Wij zetten ons ervoor in dat er een Adviesraad Sociaal Domein is die betrokken wordt bij het opstellen- en uitvoering van beleid. De Adviesraad vormt een afspiegeling van de verschillende groepen inwoners voor wie deze verordening iets regelt. Het doel van ons om een Adviesraad Sociaal Domein in te stellen is om jullie inspraak te geven in het beleid, de regels en de uitvoering daarvan. De Adviesraad beoogt door overleg met de doelgroep, meerwaarde te bereiken in de kwaliteit van de dienstverlening en bij de uitvoering van wet en regelgeving.

10.3.1 Samenstelling en werkwijze

  • 1.

    De Adviesraad bestaat uit minimaal 7 en maximaal 11 leden, exclusief de voorzitter.

  • 2.

    De leden zijn inwoners van de gemeente Texel.

  • 3.

    U kunt geen lid zijn van de Adviesraad als:

    • a.

      u lid bent van de gemeenteraad, raadscommissie of het college zoals bedoeld in artikelen 82, 83 of 84 van de Gemeentewet;

    • b.

      u werknemer bent in dienstverband van gemeente Texel;

    • c.

      u werkzaamheden doet waarmee belangenverstrengeling kan plaatsvinden tussen de taken van de Adviesraad en taken van uw werkzaamheden.

  • 4.

    De leden van de Adviesraad hebben verschillende expertise, deskundigheid en visie en affiniteit met cliëntengroepen binnen het sociaal domein.

10.3.2 Voordracht, benoeming en zittingsperiode leden

  • 1.

    De leden van de Adviesraad kunnen kandidaten voordragen.

  • 2.

    De leden van de Adviesraad kiezen uit hun midden een voorzitter, een vice-voorzitter, een penningmeester en een secretaris. De functies van de vice-voorzitter en penningmeester kunnen door één dezelfde persoon worden ingevuld.

  • 3.

    De voorzitter en de leden van de Adviesraad worden door het college benoemd voor een periode van vier jaar. Leden kunnen maximaal twee keer worden herbenoemd.

  • 4.

    Als een lid voor een periode van zes maanden of langer niet aanwezig is of kan zijn om de vergaderingen van de Adviesraad bij te wonen, benoemen wij op voordracht van de Adviesraad een tijdelijke vervanger.

10.3.3 Werkwijze Adviesraad Sociaal Domein Texel

  • 1.

    De Adviesraad vergadert minimaal zes keer per jaar of als dit door ten minste drie leden met opgave van redenen aan de voorzitter wordt gevraagd. Ook het college kunnen om een vergadering verzoeken voor spoedeisende zaken.

  • 2.

    De Adviesraad stelt een agenda op en deelt de uitnodiging en de bijbehorende stukken ten minste zeven dagen voor het houden van de vergadering toe.

  • 3.

    De Adviesraad kan externe deskundigen uitnodigen ter ondersteuning van hun advisering.

  • 4.

    Inwoners kunnen een vergadering van de Adviesraad bijwonen, behalve als er een zwaarwegende reden is om dit niet te doen.

10.3.4 Taken en bevoegdheden adviesraad Sociaal Domein Texel

  • 1.

    De Adviesraad geeft advies over plannen voor nieuw beleid van het college of van de gemeenteraad.

  • 2.

    De Adviesraad kan ongevraagd voorstellen aan ons doen over verandering van beleid, regels of de uitvoering daarvan.

  • 3.

    Wij zorgen ervoor dat een plan voor nieuw beleid bij de Adviesraad ligt, minimaal vier weken voordat het college een besluit wil nemen.

  • 4.

    De Adviesraad bespreekt geen klachten, bezwaarschriften of andere onderwerpen die over individuele personen gaan.

  • 5.

    De Adviesraad kan zelf regels vaststellen over de manier waarop de raad zijn werk doet.

10.3.5 Overleg en contactambtenaar

  • 1.

    Wij wijzen een contactambtenaar aan als aanspreekpunt voor de Adviesraad. De Adviesraad en de contactambtenaar hebben minimaal 2 keer per jaar overleg.

  • 2.

    De contactambtenaar ziet erop toe dat het advies van de Adviesraad wordt meegenomen in onze besluitvorming en dat deze geïnformeerd wordt over wat er met het advies is gedaan.

  • 3.

    Het advies van de Adviesraad wordt door het college overgenomen of gemotiveerd afgewezen.

  • 4.

    Het college van informeert bij de raadsvoorstellen de gemeenteraad over de zienswijze van de Adviesraad op het betreffende raadsvoorstel.

  • 5.

    Tussen de wethouder Sociaal Domein en de Adviesraad vindt minimaal 1 keer per jaar een overleg plaats, waarvoor beide partijen onderwerpen kunnen agenderen.

  • 6.

    Wij evalueren elk jaar ten minste één keer met de Adviesraad hoe de samenwerking gaat. De Adviesraad stuurt na afloop van dit overleg een verslag aan het college.

10.4 BUDGET, VERGOEDING EN VOORZIENING

  • 1.

    Het college stelt een budget vast voor onkosten van de Adviesraad, op basis van een onderbouwde begroting van de Adviesraad. Deze begroting met bijbehorend werkplan wordt uiterlijk 1 september voorafgaand aan het kalenderjaar ingediend.

  • 2.

    De Adviesraad brengt jaarlijks voor 1 april aan het college een verslag uit van de activiteiten en bevindingen over het afgelopen jaar en van de besteding van het budget over dat jaar.

  • 3.

    De leden van de Adviesraad ontvangen een vergoeding per bijgewoonde openbare vergadering van de Adviesraad.

  • 4.

    Wij zorgen ervoor dat de Adviesraad gebruik kan maken van een vergaderruimte en van andere voorzieningen die nodig zijn om de taken goed uit te kunnen voeren.

10.5 INSPRAAK BIJ ZORGAANBIEDERS EN LEVERANCIERS

  • 1.

    Leveranciers zijn verplicht om inwoners die gebruikmaken van hun diensten of producten inspraak te geven en daarover regels te maken. Wij bepalen over welke onderwerpen de inspraak gaat en welke vorm de inspraak heeft.

  • 2.

    Wij controleren of de zorgaanbieder of leverancier zich houdt aan de regels voor inspraak.

 

HOOFDSTUK 11 AANMERKINGEN OP DE UITVOERING

 

Wij proberen het beleid en de regels zo goed mogelijk uit te voeren. Toch is het mogelijk dat u het niet eens bent met onze aanpak. In dit hoofdstuk staan enkele regels over de mogelijkheid om een klacht in te dienen, een vertrouwenspersoon te spreken of bezwaar te maken. Daarbij is aangesloten bij onze Klachtenverordening Texel 2025 en de visie op klachtbehandeling van de Nationale ombudsman.

 

KERNWAARDEN

Naast de kernwaarden uit hoofdstuk 1 gelden voor dit hoofdstuk de volgende kernwaarden:

  • Wij gaan respectvol om met uw mening.

  • Wij zijn betrokken en gaan oplossingsgericht te werk.

  • Wij hebben de procedure om een klacht in te dienen duidelijk omschreven.

 

11.1 Doelen en klacht- en bezwaarprocedure

  • Wij zien een klacht of bezwaar als:

    • a.

      een stimulans om uw hulpvraag nog eens te onderzoeken;

    • b.

      een middel voor u om uw mening kenbaar te maken;

    • c.

      een mogelijkheid om de dienstverlening aan u te verbeteren;

    • d.

      een mogelijkheid om de dienstverlening nog eens toe te lichten;

    • e.

      een manier om een vertrouwensbreuk te herstellen, en;

    • f.

      een middel om fouten bij de uitvoering van wettelijke taken te repareren.

  • 1.

    Als u een klacht of bezwaar hebt ingediend, krijg u de gelegenheid om uw klacht of bezwaar mondeling toe te lichten. Dit gebeurt niet als het voor ons overduidelijk is dat een mondelinge toelichting geen enkele zin heeft.

  • 2.

    Wij zorgen ervoor dat klachten en bezwaren zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen de wettelijke termijnen, worden afgehandeld.

  • 3.

    Wij zorgen ervoor dat u zich gehoord voelt als u een klacht of bezwaar hebt ingediend.

11.2 Klachtenfunctionaris gemeente

  • 1.

    Wij hebben een klachtenfunctionaris. U kunt bij deze medewerker een klacht indienen over:

    • a.

      het gedrag van onze medewerkers en de bejegening van u;

    • b.

      de manier waarop wij meldingen en aanvragen hebben afgehandeld;

    • c.

      de manier waarop wij zelf voorzieningen en diensten hebben uitgevoerd.

  • 2.

    U moet een klacht zo snel mogelijk bij ons indienen. Wij informeren u hoe een klacht kan worden ingediend en hoe de klachtenprocedure verloopt.

11.3 Klachten over andere personen of organisaties

  • 1.

    Als u een klacht hebt over het gedrag van een persoon of organisatie die door ons is ingehuurd, moet u uw klacht eerst indienen bij die persoon of organisatie. Die persoon of organisatie moet een klachtenregeling hebben en deze met ons hebben gedeeld.

  • 2.

    Wij controleren of de klachtenregeling van personen of organisaties die hulp verlenen op grond van een besluit van ons, wordt nageleefd.

  • 3.

    Als u niet tevreden bent over de manier waarop de klacht door de hulpverlenende persoon of organisatie is afgehandeld, kunt u dit bij ons melden.

  • 4.

    Als u geraakt bent door geweld of ander strafbaar gedrag van personen of organisaties die die hulp verlenen op grond van een besluit van ons, kunt u dit bij ons melden. Wij bepalen hoe die melding wordt behandeld.

11.4 Vertrouwenspersoon

  • 1.

    Wij zorgen ervoor dat u voor de hulp die u van ons krijgt, een onafhankelijke vertrouwenspersoon kunt spreken. U kunt bij deze vertrouwenspersoon terecht voor een vertrouwelijk gesprek over bijvoorbeeld ongewenste omgangsvormen, problemen, klachten en vragen in verband met de geboden hulpverlening.

  • 2.

    Voor de Jeugdwet geldt: de vertrouwenspersoon kan u op verzoek ondersteunen bij problemen, klachten en vragen in verband met onze hulpverlening, de jeugdhulpaanbieder, de gecertificeerde instelling jeugdbescherming en jeugdreclassering en het Advies-en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling (Veilig Thuis).

11.5 Bezwaar

  • 1.

    Als wij een besluit nemen, informeren wij u over de manier waarop bezwaar kan worden gemaakt tegen dat besluit.

  • 2.

    Als u het niet eens bent met een besluit dat is genomen op grond van de genoemde wetten en van deze verordening, kan daartegen bezwaar maken volgens de regels die zijn beschreven in de verordening Commissie bezwaarschriften Texel.

  • 3.

    Nadat wij een bezwaarschrift hebben ontvangen, neemt één van onze medewerkers telefonisch contact met u op om het bezwaar te bespreken. De medewerker geeft uitleg over ons besluit en informeert bij u naar argumenten, feiten en omstandigheden die van belang zijn voor de beoordeling van het bezwaar. Dit gesprek is gericht op verbetering van de besluitvorming door ons en kan leiden tot een heroverweging van het besluit.

 

HOOFDSTUK 12 KWALITEIT, INKOOP EN AANBESTEDING

 

De diensten en producten die wij leveren, moeten van goede kwaliteit zijn. Diensten moeten aansluiten bij uw behoefte. Producten moeten degelijk zijn en goed bruikbaar voor u. Wij moeten moet ons bij de inkoop van diensten en producten aan bepaalde regels houden. Dit hoofdstuk gaat over de kwaliteit, de inkoop en de aanbesteding van diensten en producten.

 

KERNWAARDEN

Naast de kernwaarden uit hoofdstuk 1 gelden voor dit hoofdstuk de volgende kernwaarden:

  • Onze diensten en producten zijn kwalitatief goed en passend bij uw behoefte.

  • Wij handelen als professioneel opdrachtgever.

  • Wij werken efficiënt en doelgericht.

  • Wij stemmen de hulp op u af.

 

12.1 Kwaliteit

  • 1.

    Alle diensten en producten die wij in het kader van deze verordening aanbieden moeten van goede kwaliteit zijn, zodat het gewenste effect voor u wordt bereikt.

  • 2.

    Wij zorgen voor een goede prijs-kwaliteitverhouding door:

    • a.

      een vaste prijs te bepalen. Die prijs geldt dan voor inschrijving op een aanbesteding en voor een daaropvolgende overeenkomst met een leverancier;

    • b.

      een reële prijs vast te stellen. Die geldt dan als ondergrens voor een inschrijving en voor een daaropvolgende overeenkomst met een leverancier;

    • c.

      een maatwerktarief per leverancier per product te hanteren dat is gebaseerd op reële kostprijselementen die door de leverancier naar waarheid zijn ingevuld.

  • 3.

    De diensten en producten:

    • a.

      passen bij uw behoefte;

    • b.

      zijn veilig, geschikt en bruikbaar voor u;

    • c.

      voldoen aan normen en eisen die door de beroepsgroep of in het vakgebied algemeen zijn aanvaard;

    • d.

      respecteren uw rechten;

    • e.

      worden afgestemd op andere diensten of producten die aan u worden geleverd;

    • f.

      worden geleverd volgens een bepaalde opzet die op tijd aan u wordt meegedeeld.

12.2 Inkoop en aanbesteding

  • 1.

    Wij zorgen ervoor dat de kwaliteit van de diensten en producten in het kader van deze verordening gegarandeerd is. Bij inkoop en aanbesteding verwachten wij van leveranciers dat zij rekening houden met de voorwaarden uit artikel 12.1 lid 3.

  • 2.

    Bij inkoop en aanbesteding verwachten wij van leveranciers dat zij:

    • a.

      diensten en producten leveren tegen de door hen berekende kostprijs, zonder dat de kwaliteit en de levering in gevaar komen, en;

    • b.

      als zij personeel hebben, dat zij zich als werkgever houden aan de regels van het arbeidsrecht.

  • 3.

    Wij houden het vaststellen van prijzen rekening met:

    • a.

      het soort dienst of product;

    • b.

      het salaris en andere arbeidsvoorwaarden van de beroepskrachten;

    • c.

      een redelijke toeslag voor overheadkosten;

    • d.

      andere personeelskosten die niet direct met de dienstverlening te maken hebben, zoals kosten voor bijscholing, ziekte en verlof van personeel;

    • e.

      reis-en opleidingskosten;

    • f.

      het jaarlijks aanpassen van de kostprijs in verband met stijging van de kosten;

    • g.

      andere kosten die het gevolg zijn van verplichtingen voor leveranciers, zoals rapportage-en administratieve verplichtingen.

  • 4.

    De leverancier moet aantonen dat bij het bepalen van de kostprijs rekening gehouden is met de factoren uit 12.2.3.

 

HOOFDSTUK 13 VAN OUD NAAR NIEUW

 

In dit hoofdstuk zijn de laatste bepalingen opgenomen. Hier wordt geregeld welke verordeningen vervangen worden door deze verordening en wanneer deze verordening ingaat. Hier is ook opgenomen dat wij bepalingen uit deze verordening kunnen uitwerken of verder invullen, dat met regelmaat beoordeeld wordt of de verordening nog goed werkt, wat de officiële naam is van deze verordening en dat de gemeente van deze verordening kan afwijken als dit echt nodig is.

 

KERNWAARDEN

Naast de kernwaarden uit hoofdstuk 1, gelden voor dit hoofdstuk de volgende kernwaarden:

  • Wij handelen professioneel en nemen u serieus.

  • Wij werken efficiënt en doelgericht.

  • Wij stemmen de hulp af op uw situatie en behoefte.

 

13.1 Onderzoek naar de werking van de verordening

  • 1.

    Wij onderzoeken met een zekere regelmaat of de verordening voldoende bijdraagt aan de doelen die wij willen bereiken. Om dat te kunnen nagaan verzamelen wij systematisch informatie over alles wat van belang is om tot een goede evaluatie te komen. Wij houden ons daarbij aan de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG).

  • 2.

    De gemeenteraad bespreekt een verslag van dit onderzoek en past de verordening aan als dat nodig is.

13.2 Uitvoeringsregels

Wij kunnen uitvoeringsregels maken over de onderwerpen die in deze verordening zijn geregeld. Deze uitvoeringsregels kunnen de vorm hebben van beleidsregels of van een (nadere) regeling. Beleidsregels geven aan hoe wij met een bepaalde bevoegdheid omgaat.

Met een (nadere) regeling worden bepaalde regels van de verordening verder uitgewerkt. De mogelijkheid om deze uitvoeringsregels te maken wordt begrensd door de wet.

13.3 Afwijken van de verordening (Hardheidsclausule)

Wij kunnen afwijken van een bepaling uit deze verordening als toepassing van die bepaling volgens ons een onredelijke uitkomst heeft voor jou of voor een ander die direct bij het besluit betrokken is. Een uitkomst is in ieder geval onredelijk als de doelen van de in 1.1 genoemde wetten of de doelen van deze verordening door het toepassen van de regels juist niet worden gehaald.

13.4 intrekken oude verordeningen

De volgende verordeningen worden ingetrokken op de datum dat deze verordening ingaat:

  • Verordening Jeugdhulp 2016;

  • Verordening individuele studietoeslag en individuele inkomenstoeslag gemeente Texel 2018;

  • Verordening Participatiewet re-integratie en gesubsidieerde arbeid 2018;

  • Verordening maatschappelijke ondersteuning Texel 2019;

  • Verordening beslistermijn schuldhulpverlening gemeente Texel;

  • Afstemmingsverordening Participatiewet, Ioaw, Ioaz Gemeente Texel 2018;

  • Verordening Adviesraad Sociaal Domein 2016;

  • Verordening Leerlingenvervoer 2014 gemeente Texel;

  • Verordening Tegenprestatie Participatiewet;

13.5 Overgangsrecht

  • 1.

    Een periodieke voorziening of uitkering die op grond van een ingetrokken verordening is verstrekt over een periode die doorloopt na 1 januari 2026, blijft onder dezelfde voorwaarden doorlopen, totdat wij een nieuw besluit over die voorziening of uitkering hebben genomen.

  • 2.

    Een aanvraag die u hebt ingediend vóór 1 januari 2026 en waarover wij pas later een besluit nemen, handelen wij af volgens deze verordening. Voor een aanvraag op grond van de Participatiewet, de IOAW en de IOAZ die is ingediend vóór 1 januari 2026 geldt juist dat wij deze afhandelen volgens de ingetrokken verordening, tenzij een besluit volgens deze nieuwe verordening gunstiger voor u uitpakt, dan passen wij deze verordening toe.

  • 3.

    Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van een van de bij 13.4 genoemde ingetrokken verordeningen, passen wij die ingetrokken verordening toe.

13.6 Ingangsdatum en naam

  • 1.

    Deze verordening wordt genoemd: Verordening sociaal domein gemeente Texel 2026.

  • 2.

    Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2026.

 

HOOFDSTUK 14 BEGRIPPEN

 

In deze verordening worden allerlei begrippen gebruikt. Deze begrippen hebben dezelfde betekenis als in de wetten waarop deze verordening is gebaseerd. Waarom deze begrippenlijst?

  • Soms worden bepaalde begrippen in meerdere wetten gebruikt en hebben ze in die wetten een verschillende betekenis. Hier staat wat de betekenis van deze begrippen in deze verordening is.

  • Voor een aantal begrippen geldt dat ze in deze verordening een ruimere betekenis hebben dan in de genoemde wetten, omdat zoveel mogelijk is aangesloten bij het normale, dagelijkse taalgebruik.

  • Ook staan er voor de duidelijkheid ook enkele wettelijke begrippen in de lijst, die in deze verordening wel dezelfde betekenis hebben, maar hier in andere woorden zijn omschreven.

  • Ten slotte worden in deze verordening ook begrippen gebruikt die niet zijn terug te vinden in de wetten. Ook die zijn hier omschreven.

 

Begrip

Omschrijving

Aangepast vervoer

Vervoer met een besloten (school)bus, taxi, treintaxi of bustaxi

Andere voorziening

Een voorziening waarop de inwoner een beroep kan doen voor de hulp die hij nodig heeft, anders dan hulp-op-maat. Het gaat om voorzieningen die buiten de regeling liggen van de aangevraagde voorziening of om voorzieningen die binnen het bereik van die regeling liggen, maar vrij toegankelijk voor de inwoner. Dat kan een andere uitkering zijn, een algemeen gebruikelijke, algemene of collectieve voorziening, of voorzieningen als alimentatie en toeslagen.

AOW-Leeftijd

Leeftijd waarop de AOW-uitkering ingaat.

Arbeidsinschakeling

Aan het werk (kunnen) gaan.

Arbeidsverplichting

De verplichting om mee te werken aan de arbeidsinschakeling of het leveren van een tegenprestatie, als bedoeld in artikel 9 van de Participatiewet, artikel 37 van de IOAW en artikel 37 van de IOAZ.

Basisschool

Basisschool of speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs.

Beperking

De vermindering van mogelijkheden als gevolg van een lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke, psychische of psychosociale handicap, die het functioneren op sociaal of maatschappelijk gebied belemmert. Bij leerlingenvervoer geldt dat de beperking het vervoer naar school belemmert.

Bijstandsnorm

De maximale hoogte van de bijstandsuitkering bedoeld in artikel 5, onderdeel c van de Participatiewet. De hoogte hangt af van de woon-en leefsituatie en de leeftijd van de inwoner.

Bijstandsuitkering

De algemene bijstand voor levensonderhoud, bedoeld in artikel 5, onderdeel b van de Participatiewet. Gaat het om een jongere van 18 tot 21 jaar, dan wordt met bijstandsuitkering bedoeld: de algemene bijstand plus de aanvullende bijzondere bijstand op grond van artikel 12 van de Participatiewet.

College

Het college van burgemeester en wethouders van gemeente Texel.

Dichtstbijzijnde school

School die het dichtst bij de woning of opstapplaats van het kind ligt, gemeten via de kortste route waarlangs het kind veilig kan reizen. Als het kind naar een speciale basisschool gaat, dan is de dichtstbijzijnde school de school de dichtstbijzijnde speciale basisschool in het samenwerkingsverband van de basisschool dat het kind eerst bezocht, of een andere speciale basisschool binnen dit samenwerkingsverband, als het vervoer naar die school voor de gemeente goedkoper is.

Effect

het resultaat of het doel

Eigen vervoermiddel

Een vervoermiddel dat de inwoner zelf bezit of dat hij mag gebruiken. Daaronder valt ook een vervoermiddel dat de gebruiker ter beschikking staat, zoals een deel-, leen-of lease-auto.

Financiële buffer

Vermogen. Een goede financiële buffer is een vermogen op of boven de vermogensgrens bedoeld in artikel 34, lid 3 van de Participatiewet.

Fraude

Het verstrekken van onjuiste en/of onvolledige gegevens, of het verzwijgen of niet (op tijd) verstrekken van gegevens. Het gaat om gegevens die nodig zijn om te bepalen of er recht op een uitkering of een voorziening is, en om de duur en hoogte van die uitkering of voorziening vast te stellen. Als gevolg hiervan wordt een uitkering of voorziening helemaal of gedeeltelijk ten onrechte verstrekt.

Gebruikelijke hulp

De hulp die over het algemeen mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. Voor de Jeugdwet wordt met ouders ook andere opvoeders en verzorgers bedoeld.

Gemeente

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Texel.

Gemeentelijke uitkering

Een financiële tegemoetkoming die wordt verstrekt door de gemeente aan inwoners die onvoldoende inkomen hebben om van te leven.

Gesprek

Gesprek waarin de inwoner zijn hulpvraag, zijn persoonlijke situatie en het effect dat hij wil bereiken bespreekt.

Hulp

Ondersteuning bij de arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 7 van de Participatiewet, artikel 36 van de IOAW en artikel 36 van de IOAZ, bijstand als bedoeld in artikel 7 van de Participatiewet, een uitkering als bedoeld in artikel 5 van de IOAW en artikel 5 van de IOAZ, inkomensondersteuning op grond van artikel 147 van de Gemeentewet, maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo, jeugdhulp als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, schuldhulpverlening als bedoeld in artikel 1 van de Wgs, of een vervoersvoorziening als bedoeld in hoofdstuk 6 (vervoer naar school).

Hulp-op-maat

Een op de inwoner afgestemde voorziening.

Hulpvraag

De behoefte aan ondersteuning die de inwoner bij de melding heeft.

Inkomen

Het inkomen, bedoeld in artikel 32, lid 1 van de Participatiewet. In hoofdstuk 6 (vervoer naar school) wordt onder jaarinkomen verstaan: inkomensgegeven als bedoeld in artikel 21, aanhef en onder e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, in het peiljaar, bedoeld in artikel 4, zevende lid, van de Wet op het primair onderwijs.

Inspraak

Inspraak als bedoeld in artikel 150 van de Gemeentewet. Met inspraak wordt in artikel 3.6 van deze verordening ook bedoeld het recht om invloed uit te oefenen en over iets mee te beslissen.

Inwoner

De persoon die zijn woonplaats heeft binnen de gemeente volgens de regels van het Burgerlijk Wetboek (titel 3, Boek 1 BW) en die daar rechtmatig verblijft. Gaat het om Wmo-hulp, dan betreft het de ingezetene van de gemeente als bedoeld in artikel 1.2.1 van de Wmo en de ingezetene van Nederland die zich bij de gemeente meldt voor maatschappelijke opvang. Gaat het om schuldhulpverlening, dan betreft het degene die in de basisregistratie personen van de gemeente als ingezetene is ingeschreven. Voor de toepassing van de hoofdstukken 9 en 11 wordt onder inwoner ook verstaan: de persoon die hulp van de gemeente heeft gehad maar zijn woonplaats niet meer daar heeft. Onder rechtmatig verblijf wordt verstaan: verblijf dat geen wettelijke belemmering oplevert voor hulp door de gemeente.

Ioaw

Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers.

Ioaz

Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.

Jeugdhulp

Hulp als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet.

Jongere

De minderjarige. Als het gaat om de Jeugdwet: de jeugdige, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet.

Kindpakket

Een pakket van voorzieningen, meestal in natura, dat de gemeente voor gezinnen met een laag inkomen beschikbaar stelt. Het doel van het pakket is te voorkomen dat kinderen die opgroeien in armoede niet mee kunnen doen aan bijvoorbeeld sport, culturele activiteiten of activiteiten van school.

Kunnen/kan-bepaling

Wanneer in de verordening wordt gesproken over wij kunnen, dan is dit een bepaling die ons ruimte geeft voor keuze of hulp op maat toe te passen. Dit zorgt ervoor dat wij flexibel kunnen handelen en kunnen inspelen op individuele behoeften.

Levensonderhoud

De dagelijkse bestaanskosten, zoals kosten voor voeding, kleding, huur, energie, water en (zorg)verzekeringen.

Leverancier

De natuurlijke persoon of rechtspersoon die goederen of diensten levert op grond van een besluit van de gemeente.

Llv

De wetten die regelen dat gemeenten leerlingenvervoer aanbieden: de Wet op het primair onderwijs, de Wet voortgezet onderwijs 2020 en de Wet op de expertisecentra.

Medewerker

De persoon die namens het college van burgemeester en wethouders optreedt.

Ondersteuningsplan

Een plan van aanpak dat de gemeente opstelt, waarin de knelpunten staan die de inwoner in het maatschappelijk leven ervaart, waarin de gewenste hulp wordt geïnventariseerd en de gemeente mogelijke oplossingen aandraagt.

Openbaar vervoer (ov)

Openbaar toegankelijk personenvervoer dat met een vaste route en een vaste dienstregeling rijdt (of vaart).

Opstapplaats

Plaats die is aangewezen door de gemeente, vanaf waar het kind (de leerling) gebruik kan maken van het vervoer naar school.

Ouders

Ouders, voogden of verzorgers van de jongere.

Participatieplaats

Een participatieplaats is een tijdelijke werkplek voor mensen met een bijstandsuitkering, bedoeld om werkervaring op te doen en de kans op een reguliere baan te vergroten. Het is een onbetaalde functie, maar de uitkering blijft doorlopen.

Persoonlijk plan

Een plan van aanpak dat de inwoner opstelt, waarin de knelpunten staan die de inwoner ervaart en de gewenste hulp wordt geïnventariseerd. Gaat het om jeugdhulp, dan wordt hieronder verstaan: een familiegroepsplan.

Persoonlijke situatie

Alle omstandigheden, mogelijkheden en persoonskenmerken van de inwoner die van belang zijn, inclusief de behoefte van de inwoner en de godsdienstige en levensbeschouwelijke overtuiging.

Pgb

Persoonsgebonden budget, een geldbedrag waarmee iemand zelf hulp(middelen) in kan kopen.

Pgb-plan

Een plan van aanpak dat de inwoner opstelt over de hulp die hij nodig heeft en die hij met het pgb wil inkopen. In het plan geeft de inwoner onder andere aan welke hulpverlener op welke manier en op welke momenten de noodzakelijke hulp gaat geven en hoe de kwaliteit en de continuïteit van die hulp gewaarborgd worden.

Professionele hulpverlener

Iemand die beroepsmatig hulp verleent en voldoet aan de eisen die daaraan gesteld zijn.

PW

Participatiewet.

Reistijd

de tijd tussen het moment van het verlaten van de woning en de starttijd van de school volgens de schoolgids. Van deze reistijd mag maximaal 10 minuten worden afgetrokken als het kind gewoonlijk iets voor de start van de school aankomt op school. Voor de terugreis geldt de tijd tussen de eindtijd van de schooldag volgens de schoolgids en de aankomst bij de woning van het kind. Hierbij kan maximaal 10 minuten worden opgeteld voor een eventuele wachttijd voor OV of aangepast vervoer.

Samenwerkingsverband

  • 1.

    voor het primair onderwijs: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 18a lid 2 en 15 van de Wet op het primair onderwijs; of

  • 2.

    voor het voortgezet onderwijs: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 17a lid 2 en 16 van de Wet voortgezet onderwijs 2020.

Samenwonen

Een gezamenlijke huishouding voeren als bedoeld in artikel 3 van de Participatiewet.

School

Basisschool, speciale school voor basisonderwijs, of school waar speciaal of voortgezet onderwijs wordt gegeven.

School die bij het kind past

School voor openbaar of bijzonder onderwijs en die het soort onderwijs geeft dat het kind nodig heeft in verband met zijn talenten en mogelijkheden.

Sociaal netwerk

Huisgenoten of andere personen met wie de inwoner een sociale relatie onderhoudt (inclusief mantelzorgers).

Speciaal onderwijs

Onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra.

Uitkering

De bijstandsuitkering, de IOAW-of de IOAZ-uitkering.

Uitkeringsnorm

De voor de inwoner in zijn situatie maximale hoogte van een uitkering; dit is de bijstandsnorm uit de Participatiewet of de grondslag bedoeld in de IOAW of IOAZ. Gaat het om een jongere van 18 tot 21 jaar, dan wordt met uitkeringsnorm bedoeld: de bijstandsnorm plus de aanvullende bijzondere bijstand op grond van artikel 12 van de Participatiewet.

Vavo-onderwijs: voortgezet algemeen volwassenenonderwijs.

Vergoeding (in het kader van hoofdstuk 6): de bekostiging van reiskosten, bedoeld in artikel 4 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 4 van de Wet op het voortgezet onderwijs en artikel 4 van de Wet op de expertisecentra.

Voortgezet onderwijs

Onderwijs als bedoeld in de Wet Voortgezet Onderwijs 2020.

Vermogen

Totaal aan bezit in geld en goederen; het vermogen als bedoeld in artikel 34 van de Participatiewet.

Voorziening

Hulp in de vorm van een dienst, activiteit, product, pgb, geldbedrag of een combinatie daarvan.

Vrij toegankelijke hulp

Hulp die beschikbaar is zonder verwijzing van een huisarts, medisch specialist, jeugdarts of besluit van de gemeente.

Wet

de Participatiewet, de IOAW, de IOAZ, de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, de Wet maatschappelijke ondersteuning, de Jeugdwet, de Algemene wet bestuursrecht, de Gemeentewet, de Wet op het primair onderwijs, de wet Voortgezet Onderwijs 2020 of de Wet op de expertisecentra.

Wgs

Wet gemeentelijke schuldhulpverlening.

Wko

Wet kinderopvang.

Wmo

Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.

Wmo-hulp

De maatschappelijke ondersteuning, bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo.

Woning

Hoofdverblijf.

 

 

 

Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van 17 september 2025

De griffier, De voorzitter

M. de Porto, M. Pol

Naar boven