Warmteprogramma Zwijndrecht

Besluit inzake Warmteprogramma gemeente Zwijndrecht

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zwijndrecht

Gelezen het voorstel inzake Warmteprogramma Zwijndrecht d.d. 11 november 2025

Overwegende dat:

  • het ontwerp omgevingsprogramma gedurende zes weken ter inzage heeft gelegen en er gedurende deze periode twee zienswijzen zijn binnengekomen;

  • de zienswijzen in de bijgevoegde nota zijn beantwoord.

BESLUIT:

Artikel I

Het Warmteprogramma vast te stellen zoals deze in Bijlage A is opgenomen.

Artikel II

Dit besluit treedt in werking op de dag na de bekendmaking van dit besluit.

Aldus vastgesteld in de collegevergadering van 11 november 2025,

De secretaris,

P.W. Croonenberg-Borst

De burgemeester,

L.C.A. Anink

Bijlage A artikel I

Warmteprogramma Zwijndrecht

Voorwoord wethouder

De energietransitie is in volle gang en ook in de gemeente Zwijndrecht zetten we stappen richting een duurzame, aardgasvrij toekomst. Daarbij draait het niet alleen om techniek en beleid, maar vooral om mensen. We doen het samen, stap voor stap, buurt voor buurt.

Dit warmteprogramma beschrijft hoe we de komende jaren toewerken naar betrouwbare, toekomstbestendige warmtevoorzieningen en de aanpak van isolatie. 

Voor een flink aantal woningen en gebouwen is het collectieve warmtenet de meest logische oplossing, maar een oplossing is pas echt goed als de inwoners er ook vertrouwen in hebben. Op het moment van schrijven is in de Tweede Kamer de Wet Collectieve Warmte in behandeling. Een belangrijke wet, die al veel gaat regelen. En dat is nodig, want het warmtenet ontlast het stroomnet ten opzichte van volledig elektrische oplossingen zoals de warmtepomp. Dat is belangrijk voor de gemeente Zwijndrecht, waar het stroomnet al onder druk staat en ruimte nodig is voor woningbouw, ondernemers en duurzame initiatieven Zo kunnen we de schaarste verdelen: warmtenet waar het kan, elektrische oplossingen waar het moet. Met een realistisch financieel perspectief. 

Klinkt logisch, eerlijk en simpel. De praktijk is weerbarstiger, veel weerbarstiger. Inwoners die op het warmtenet zijn of worden aangesloten, moeten kunnen rekenen op duidelijkheid over de kosten, ook op de langere termijn. Ik hoop dat de nieuwe wet straks is aangenomen en hier snel helderheid over komt. 

Het warmtenet is juist voor veel buurten met de kwetsbaarste huishoudens een kans. Huishoudens die kampen met hoge energierekeningen en zelf vrijwel geen mogelijkheden om daar verandering in te brengen. Juist daarom is het extra belangrijk dat die betrouwbare en betaalbare warmte er komt. Met vaart, want deze huishoudens kunnen geen twintig jaar meer wachten. Stilstand is geen optie, dit warmteprogramma zet de stap vooruit.

Jacqueline van Dongen

Samenvatting

Alle gemeenten stellen uiterlijk in 2026 een warmteprogramma op. Het warmteprogramma is een programma onder de Omgevingswet. In dit programma beschrijft Zwijndrecht haar plannen voor de verduurzaming en het aardgasvrij maken van buurten en wijken voor de komende 10 jaar. En daar waar dit bekend is wordt ook het perspectief van de overige buurten of wijken gegeven. Het warmteprogramma is de opvolger van de Transitievisie Warmte die in 2021 is vastgesteld. De warmteprogramma’s voor de gemeenten Alblasserdam, Dordrecht, Hendrik-Ido-Ambacht, Papendrecht, Sliedrecht en Zwijndrecht zijn in een gezamenlijk proces opgesteld. Er is hier nauw samengewerkt met de woningcorporaties, warmtebedrijf HVC en netbeheerder Stedin.

Met dit warmteprogramma wordt duidelijkheid en handelingsperspectief geboden aan inwoners, professionele partners, ondernemers en andere gebouweigenaren. Ook draagt dit programma bij aan een zorgvuldige basis voor de uitvoeringsplannen die worden opgesteld om een wijk of buurt aardgasvrij te maken. Daarnaast zorgt dit programma voor een basis om te rapporteren over de plannen van de lokale warmtetransitie en de voortgang daarvan. Het warmteprogramma wordt iedere 5 jaar herijkt met de meest actuele informatie, dit kan ook eerder indien nodig.

Sinds 2021 is er veel gebeurd op het gebied van de warmtetransitie. Allereerst is er in de afgelopen jaren een warmtenet gerealiseerd in de wijken Kort-Ambacht en Walburg. Woningcorporaties Woonkracht10 en Trivire zijn hiervan de startmotor geweest en hebben gezamenlijk zo’n 1000 woningen verduurzaamd en aangesloten op het warmtenet. Daarnaast is er inmiddels een isolatieaanpak waarmee voortvarende de woningvoorraad wordt verduurzaamd. Hoewel er positieve ontwikkelingen zijn, zijn er ook nog steeds obstakels die de warmtetransitie in de weg staan. De warmtetransitie gaat nog niet op het gewenste tempo doordat de afhankelijkheid van subsidies voor de uitrol te groot is, de koppelleidingen van het net niet zijn gesocialiseerd en er een duidelijk handelingsperspectief ontbreekt.

Uitgangspunten voor dit warmteprogramma

De uitgangspunten uit de Transitievisie Warmte zijn als basis gebruikt voor dit warmteprogramma. De warmtetransitie slaagt alleen als het voor iedereen haalbaar en betaalbaar is en als iedereen mee kan doen. Op dit moment is dat nog niet overal het geval, omdat niet alle randvoorwaarden op orde zijn. We pakken de warmtetransitie stap voor stap aan en gaan aan de slag waar dit kan. Daar waar de overstap naar aardgasvrij nog niet haalbaar en betaalbaar is, gaan we op zoek naar tussenstappen. Een belangrijke eerste stap is het toepassen van isolatie en andere vormen van energiebesparing.

Warmte perspectiefkaart

De combinatie van de uitgangspunten, technische en maatschappelijke afwegingen en lokale verrijking hebben geleid tot een warmte perspectiefkaart waar per buurt de beste warmteoptie met bijbehorend tijdspad is aangegeven. Er is zorgvuldig onderzocht welke warmteoptie per buurt de beste keuze is met de kennis van nu. Er is gekeken naar de laagste nationale kosten volgens de Startanalyse van het Planbureau voor de Leefomgeving 2025, naar het perspectief op duurzame bronnen, de impact op de openbare ruimte, koppelkansen en de duurzaamheid van de warmteopties.

Er zijn minder perspectieven dan op de warmte perspectiefkaart in de Transitievisie Warmte. Zo is er nog maar één variatie van de besparingsbuurt, namelijk dat bij de volgende herijking de warmteoptie opnieuw beoordeeld wordt. Eerst was hier ook de variant met een perspectief voor klimaatneutraal gas, vanwege de onzekerheden rondom klimaatneutraal gas wordt dit nu niet meer als eindperspectief gezien. Daarnaast is vanwege (dreigende) netcongestie besloten alle buurten met een all-electric perspectief de einddatum 2050 te geven, in de Transitievisie Warmte werd hier nog het onderscheid gemaakt tussen 2040 en 2050.

De warmte perspectiefkaart is het perspectief van de gemeente en stakeholders op de korte en lange termijn warmtetransitie. Echter staat de gemeente open voor andere initiatieven via het uitnodigingskader. Voor bronnetten en andere kleinschalige duurzame warmteoplossingen bestaat binnen de Drechtsteden het uitnodigingskader. Dit uitnodigingskader nodigt initiatiefnemers uit om met de gemeente in gesprek te gaan voor deze ontwikkelingen. Dit uitnodigingskader geldt voor zowel bewonersinitiatieven (die kunnen opgroeien naar warmtegemeenschappen) als kleinschalige initiatieven die gebruik maken van de uitzonderingspositie in de Wcw. Dit gaat ook om initiatieven die eventueel gebruik willen maken van het toegangsmodel voor derden (nTPA) voor het warmtenet van HVC.

Figuur 1. Perspectiefkaart gemeente Zwijndrecht

Aanpak tot en met 2035

We gaan aan de slag met de volgende buurten:

Gekozen oplossing

Buurtnamen

Korte termijn 2025-2035 Warmtenet

  • Bloemenbuurt B(egonia) – C(rocus)

  • Bloemenbuurt H(yacinth) – L(Obelia)

  • Bloemenbuurt M(adelief) – Z(onnenbloem)

  • Corridor-Oost

  • Corridor-West

  • Dichtersbuurt-Midden

  • Dichtersbuurt-West

  • Eem- en Zonnestein

  • Europesebuurt

  • Koloniënbuurt

  • Langeraarstraat en omgeving

  • Ooievaar- en Vinkplein

  • Planetenbuurt

  • Sterrenbeeldenbuurt

  • Staatsliedenbuurt-Zuid

  • Swinhove – De Lus

  • Vogelbuurt-Oost

  • Vogelbuurt-West

  • Voormalig veilingterrein

  • Winkelcentrum Walburg

Korte termijn Besparingsbuurt

  • Bloemenbuurt A(kelei)

  • Componistenbuurt-Zuid

  • Develzijde Nederhoven

  • Hilverbeek en omgeving

  • Hooge Nespolder

  • Kijfhoek

  • Kleine Lindt Polder

  • Moermond-Zuid

  • Officiervliet-West

  • Polder Heerjansdam

Vervolgstappen

Er is een enquête uitgezet onder inwoners om op te halen hoe zij geïnformeerd willen worden bij het vervolg van de warmtetransitie en of en hoe zij willen meedenken over de uitvoeringsplannen. Uit de enquête wordt onderschreven dat de huidige visie op participatie (inwoners uitgebreid betrekken op buurt- of wijkniveau in plaats van op gemeentelijk niveau) de voorkeur heeft. In de uitvoering van het warmteprogramma en de ontwikkeling van de uitvoeringsplannen wordt hier verder vorm aangegeven.

Om de voortgang naar een aardgasvrije gemeente in 2050 te kunnen bijhouden is het belangrijk om te monitoren. Dit zal actief worden gedaan zodat er zorgvuldig kan worden geëvalueerd voor de herijking van het warmteprogramma.

1. Inleiding

In dit hoofdstuk is de context rondom het warmteprogramma geschetst, wat de veranderingen zijn ten opzichte van de Transitievisie Warmte en hoe dit programma tot stand is gekomen.

1.1 Context (landelijk, regionaal, lokaal)

In het Klimaatakkoord zijn afspraken gemaakt over het verduurzamen van de gebouwde omgeving. In 2050 zijn alle Nederlandse gebouwen verduurzaamd, we gebruiken dan geen aardgas meer in onze woningen en bedrijven. De ambitie van het Klimaatakkoord is om in 2030 1,5 miljoen woningen van het aardgas of aardgasvrij-ready te hebben. Ook is afgesproken dat de regierol voor deze warmtetransitie bij de gemeenten ligt. Hoe de gemeenten deze transitie vormgeven, is in de Transitievisie Warmte voor het eerst vastgelegd. Echter ontbrak in 2021 het wettelijk kader om gemeenten ook daadwerkelijk de bevoegdheden te geven die nodig zijn om regie te voeren in de warmtetransitie.

1.1.1 Drechtsteden: regionale samenwerking aan 100% procent aardgasvrij

In de afgelopen jaren is in de Drechtsteden verder gewerkt aan het gezamenlijk groeien naar 100% aardgasvrij, uiterlijk in 2050. Deze belangrijke opgave kan alleen worden gerealiseerd met samenwerking en collectieve inzet van alle partijen op de warmtetransitie. De samenwerking tussen gemeenten, woningcorporaties, HVC, provincie en Stedin loopt al geruime tijd en is geborgd in het Versnellingsprogramma Drechtsteden. We zijn trots op deze basis en de reeds behaalde resultaten in het aardgasvrij maken van de Drechtsteden. We concluderen ook dat de huidige processen en inzet nog niet leidt tot de benodigde snelheid en realisatie van zowel het collectieve spoor, als het individuele spoor van de landelijke en regionale ambitie. De regio Drechtsteden zet hiervoor actief in op lobby richting het Rijk vanuit de gehele samenwerking met partners.

1.1.2 Ambitie regionaal warmtenet

Het warmtenet in Zwijndrecht is onderdeel van het gezamenlijke Drechtsteden warmtenet. De ambitie van dit gezamenlijke warmtenet is om tenminste 60.000 aansluitingen op het warmtenet te realiseren in 2050, dit is exclusief bedrijventerreinen. Anno februari 2025 zijn er in heel de Drechtsteden ruim 12.000 warmtenetaansluitingen gerealiseerd. Daarnaast is in de Regionale Energiestrategie (RES) Drechtsteden opgenomen dat er tenminste een aanvullende 12.000 woningequivalenten (WEQ) aardgasvrij wordt gemaakt voor 2030 door middel van aansluiting op een warmtenet. Liever nog sluiten we voor 2030 tenminste 25.000 WEQ op een warmtenet aan. Deze doelstelling komt bovenop de 7.500 WEQ die toen al reeds was aangesloten. De RES Drechtsteden is vastgesteld in 2021.

Momenteel is er nog veel onduidelijkheid en onzekerheid omtrent de wet- en regelgeving voor de warmtetransitie. Deze wet- en regelgeving is essentieel voor het behalen van onze ambitie. In dit warmteprogramma zijn de randvoorwaarden zoals betaalbaarheid en subsidies opgesteld die nodig zijn om onze ambitie te halen, zie paragraaf 2.4.

1.2 Ambitie van de gemeente

De verplichting is om als gemeente Zwijndrecht in 2050 volledig aardgasvrij te zijn. Samen met de andere Drechtsteden heeft zij de ambitie om de warmtetransitie als geheel te versnellen. In dit warmteprogramma is een perspectiefkaart opgenomen waar de aardgasvrije voorkeursoplossing per buurt is aangegeven, zie hoofdstuk 3. In hoofdstuk 4 wordt vervolgens ingezoomd op de buurten waar de komende 10 jaar mee aan de slag wordt gegaan. Uiterlijk iedere 5 jaar wordt dit warmteprogramma herijkt en de perspectiefkaart en de plannen voor de komende 10 jaar geactualiseerd.

1.3 Doel van dit warmteprogramma

Het warmteprogramma is een programma onder de Omgevingswet. Grote inhoudelijke thema's zoals de warmtetransitie worden onder de Omgevingswet uitgewerkt in een programma, waarmee de gemeente haar taken en bevoegdheden voor het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving concretiseert. In het warmteprogramma beschrijft een gemeente haar plannen voor de verduurzaming van de wijken voor de komende 10 jaar. Het warmteprogramma is de opvolger van de Transitievisie Warmte (TVW) die gemeenten in 2021 hebben vastgesteld.

Het aardgasvrije spoor (individueel of collectief) is voor het eerst vastgelegd in de Transitievisie Warmte van 2021. In dit warmteprogramma zijn deze sporen geactualiseerd en is aangegeven waar we de komende 10 jaar aan de slag gaan.

Daarnaast is het belangrijk om met dit nieuwe warmteprogramma te bereiken dat er:

  • duidelijkheid en handelingsperspectief is voor bewoners, professionele partners, ondernemers en andere gebouweigenaren. Onder andere door het benoemen van buurten of wijken die voor en na 2035 zullen worden aangepakt.

  • een zorgvuldige basis ligt voor de wijk- of buurtgerichte aanpak.

  • gerapporteerd wordt over de plannen van de lokale warmtetransitie en de voortgang daarvan.

Dit warmteprogramma legt een basis voor de wijk- of buurtgerichte aanpak met de kennis van nu, de uiteindelijke aanpak kan afwijken van wat in dit warmteprogramma is opgeschreven. De aardgasvrije oplossingen gepresenteerd in dit warmteprogramma kunnen veranderen. Dit kan bijvoorbeeld komen door het initiatief voor een bronnet van inwoners of door een afweging van criteria die op wijk- en buurtniveau ervoor zorgen dat een ander alternatief beter scoort. Of door toekomstige ontwikkelingen die nu nog niet kunnen worden voorzien, zoals technische innovaties en door veranderend beleid vanuit het Rijk.

1.4 Veranderingen ten opzichte van de Transitievisie Warmte

De veranderingen tussen de Transitievisie Warmte en het warmteprogramma volgen uit het juridisch kader en de inhoud.

Juridisch

Juridisch betekent dit dat het warmteprogramma een verplicht programma onder de Omgevingswet is. Dit programma verplicht de gemeente om maatregelen te nemen die ervoor zorgen dat de doelen uit het programma worden gehaald. Die verplichting gold niet voor de Transitievisie Warmte omdat de TVW een beleidsstuk is zonder de bindende verplichtingen van een programma.

Daarnaast krijgt de gemeente uit de toekomstige Wet collectieve warmte (Wcw) en de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw) de instrumenten in handen die noodzakelijk zijn om de warmtetransitie te versnellen. De Wcw geeft de gemeente de bevoegdheid om bestaande gebieden aan te wijzen die van aardgas overstappen naar een collectieve oplossing en om te bepalen wie dat exploiteert. Met de Wgiw krijgt de gemeente de aanwijsbevoegdheid voor het beëindigen van het aardgastransport voor alle oplossingen binnen een bepaalde termijn. In hoofdstuk 4 geven we duidelijkheid over de toepassing van de Wgiw en Wcw in onze gemeente.

Inhoudelijk

In de Transitievisie Warmte werd gesproken over maatschappelijke kosten. In het warmteprogramma is dit aangepast naar nationale kosten. Onder nationale kosten worden alle kosten en baten verstaan die we als samenleving maken voor een bepaalde warmteoptie, ongeacht wie wat betaalt. Niet-financiële en indirecte effecten zoals luchtvervuiling en geluidshinder zijn geen onderdeel van deze nationale kosten. Onder maatschappelijke kosten vallen ook deze indirecte effecten die niet meetbaar zijn. Vandaar dat in dit warmteprogramma wordt gerekend met de nationale kosten.

In de Transitievisie Warmte zijn enkele gebieden voor een warmtenet aangewezen die relatief ver van elkaar vandaan liggen met daartussen geen kansrijk warmtenetgebied. Het is dan erg kostbaar om deze gebieden met elkaar te verbinden. De positionering van de duurzame bron en mogelijke meekoppelkansen zijn dan bepalend voor welke gebieden daadwerkelijk worden aangesloten op het warmtenet. In dit warmteprogramma is voor de perspectiefkaart deze slag gemaakt met de kennis die nu voor handen is.

Er zijn minder perspectieven dan op de perspectiefkaart in de Transitievisie Warmte. Zo is er nog maar één variatie van de besparingsbuurt, namelijk dat bij de volgende herijking de warmteoptie opnieuw beoordeeld wordt. Eerst was hier ook de variant met een perspectief voor klimaatneutraal gas, vanwege de onzekerheden rondom klimaatneutraal gas wordt dit nu niet meer als eindperspectief gezien. Voor een verdere toelichting zie paragraaf 3.1.5. Daarnaast is vanwege (dreigende) netcongestie besloten alle buurten met een all-electric perspectief de einddatum 2050 te geven, in de Transitievisie Warmte werd hier nog het onderscheidt gemaakt tussen 2040 en 2050.

Ten slotte is er in de afgelopen jaren een warmtenet gerealiseerd in de wijken Kort-Ambacht en Walburg. Woningcorporaties Woonkracht10 en Trivire zijn hiervan de startmotor geweest en hebben gezamenlijk zo’n 1000 woningen verduurzaamd en aangesloten op het warmtenet. Ten opzichte van de Transitievisie Warmte is dit een verschil omdat er destijds nog geen warmtenet in Zwijndrecht was. Voor het bepalen van perspectieven voor de buurten is dit gegeven een belangrijke factor geweest. Zo is het logisch om in de omringde buurten van waar nu al een warmtenet ligt de komende tien jaar aan de slag te gaan met verdere uitbreiding.

1.5 Proces warmteprogramma

Bij het opstellen van het warmteprogramma zijn verschillende partijen betrokken. Samen met woningcorporaties Woonkracht 10 en Trivire, netbeheerder Stedin, warmtebedrijf HVC, gemeente ambtenaren en de regio Drechtsteden is dit warmteprogramma in co-creatie opgesteld. Ook is er een enquête uitgezet onder inwoners om op te halen hoe zij geïnformeerd willen worden bij het vervolg van de warmtetransitie en of en hoe zij willen meedenken over de uitvoeringsplannen, zie paragraaf 2.3. Uit de enquête wordt onderschreven dat de huidige visie op participatie (inwoners uitgebreid betrekken op buurt- of wijkniveau in plaats van op gemeentelijk niveau) de voorkeur heeft. In de uitvoering van het warmteprogramma en de ontwikkeling van de uitvoeringsplannen wordt hier verder vorm aangegeven.

Om de plannen in dit warmteprogramma tot uitvoering te brengen zal er een uitvoeringsstrategie worden opgesteld. Om deze uitvoeringsstrategie ook tot uitvoering te kunnen brengen zal er aan voorwaarden voldaan moeten worden. Dit houdt in dat de Wgiw en de Wcw in werking zijn getreden, dat er een definitie is bepaald voor betaalbaarheid en dat de beschikbare warmteoplossingen betaalbaar zijn voor verhuurders, huurders en particulieren.

2. Regie, samenwerking en participatie

In dit hoofdstuk is de invulling van de regierol van de gemeente toegelicht. Ook wordt er ingegaan op de samenwerking met partnerorganisaties en inwonerparticipatie. Het hoofdstuk eindigt met de uitgangspunten, deze punten vormen de basis voor de warmtetransitie van de zes genoemde gemeenten in de Drechtsteden.

2.1 Invulling regierol

Met het opleveren van de Transitievisie Warmte in 2021 heeft de gemeente  haar regierol opgepakt in de warmtetransitie. Hoewel wettelijk (nog) niet is vastgelegd hoe de regierol er precies uitziet, hebben de Drechtsteden gezamenlijk in hun uitgangspunten wel strategisch gekozen voor een visie op deze regierol.

Onze visie:

- We willen voor inwoners en stakeholders helderheid scheppen over de opties voor aardgasvrij en de volgorde van wanneer de buurten of wijken van het gas afgaan. Het realistiche verhaal staat centraal in de aanpak voor het Warmteprogramma.

- We willen tempo blijven maken met de warmtetransitie en vinden het versnellen van de resultaten belangrijk. Ondanks dat de randvoorwaarden nog niet op orde zijn, is stilstand geen optie en houden we vaart in de warmtetransitie. De uitrol van het warmtenet zien we daarbij als belangrijke motor om het elektriciteitsnet te ontlasten en de gehele energietransitie te versnellen.

- We werken in co-creatie met vele stakeholders aan het Warmteprogramma. Deze multi-stakeholderaanpak borgt een zorgvuldige belangenafweging in de gekozen aardgasvrij oplossing per buurt of wijk. De gemeente vervult hierbij een regierol.

- We pakken de warmtetransitie aan in samenhang met ruimtelijke en sociaaleconomische opgaven. We werken hierin samen met partners en andere afdelingen van de gemeente. We streven met deze aanpak naar het beperken van kosten, werk en hinder voor inwoners door opgaven slim te combineren.

- We kiezen voor daadkrachtig sturen om leiding te geven aan deze complexe en maatschappelijke opgave. Dit is de regio waar we het waar kunnen maken, wij zijn er klaar voor en leveren het voorbeeld voor heel Nederland. De regio neemt daarin zijn verantwoordelijkheid en werkt heel goed samen voor het realiseren van de warmtetransitie1. We pakken deze rol ook in de landelijke lobby onder andere op het gebied van betaalbaarheid en subsidieregelingen omdat we relatief veel praktijkervaring hebben met de inzet hiervan.

2.2 Partnersamenwerking

In de Drechtsteden wordt er op veel vlakken met elkaar samengewerkt zoals bijvoorbeeld met deze warmteprogramma’s. Ook zijn er verschillende samenwerkingsovereenkomsten gesloten zoals het Energieakkoord Drechtsteden en het Versnellingsprogramma Drechtsteden 100% aardgasvrij.

Warmteprogramma’s

Zes van de zeven Drechtsteden, te weten Alblasserdam, Dordrecht, Hendrik-Ido-Ambacht, Papendrecht, Sliedrecht en Zwijndrecht hebben in een gezamenlijk regionaal traject gewerkt aan de warmteprogramma’s 2025. Deze zes gemeenten hebben ook gezamenlijk de Transitievisies Warmte in 2021 opgesteld. Door dit gezamenlijke proces wordt optimale afstemming binnen de regio verzekerd.

De Drechtsteden groeien met elkaar naar een 100% aardgasvrije regio in uiterlijk 2050. Deze belangrijke opgave kan alleen worden gerealiseerd met samenwerking en collectieve inzet op de warmtetransitie. De samenwerking tussen gemeenten, woningcorporaties, warmtebedrijf HVC, Provincie Zuid-Holland, Stedin en Nationaal Programma Lokale Warmtetransitie (NPLW) loopt al geruime tijd.

Energieakkoord Drechtsteden

In de regio Drechtsteden werken ruim 35 partners aan het Energieakkoord Drechtsteden. De partners vertegenwoordigen organisaties die elk hun eigen ambities en planning hebben als het gaat om de energietransitie, maar die samen meer kunnen bereiken. Met elkaar zijn we bereid om kennis, mensen en middelen in te zetten om het gebruik van fossiele energiebronnen terug te dringen. De doelstelling in de regio is een betaalbare, betrouwbare, duurzame en rechtvaardige energievoorziening2.

Versnellingsprogramma Drechtsteden 100% aardgasvrij

In het Versnellingsprogramma Drechtsteden 100% aardgasvrij is vastgelegd dat zowel individuele oplossingen als het collectieve spoor in de warmtetransitie versnelling nodig heeft. Anders wordt het doel om in 2050 energieneutraal te zijn niet gehaald. Dit Versnellingsprogramma is ondertekend in januari 2024 door alle gemeenten en woningcorporaties in de regio Drechtsteden, de provincie Zuid-Holland, HVC en Stedin.

Met het Versnellingsprogramma onderstrepen we de urgentie en ambitie om de warmtetransitie in de Drechtsteden op basis van solidariteit en samenwerking tijdig te realiseren. Waarbij we ons nadrukkelijk inzetten om de uitvoering van de warmtetransitie fors te versnellen. Het Versnellingsprogramma beschrijft hoe wij elkaar in deze opgave vasthouden en ons individueel en gezamenlijk inzetten om deze ambitie en versnelling tot stand te brengen. De inzet heeft zowel betrekking op collectieve oplossingen zoals een warmtenet, als op het collectief organiseren van individuele oplossingen zoals warmtepompen.

Een van de afspraken uit het Versnellingsprogramma is dat de gemeenten in 2025 de warmteprogramma’s hebben opgesteld. Dit is eerder dan de wettelijke actualisatietermijn van 31 december 2026. Met deze planning wordt voldaan aan het zo snel mogelijk inzichtelijk maken van de gewenste duidelijkheid waar welke warmteoptie de voorkeur heeft.

Warmtebod

Op initiatief van het Uitvoeringsoverleg Gebouwde Omgeving en het Nationaal Klimaat Platform is in het voorjaar van 2024 een aantal partijen bij elkaar gebracht om te doorgronden waarom de ontwikkeling van warmtenetten stagneert. Deze partijen, genoemd de Warmtealliantie, zijn zich gaan verdiepen in de analyse en het vinden van oplossingen om de ontwikkeling van warmtenetten weer op de rails te krijgen. Dit heeft geleid tot het Warmtebod. In het Warmtebod beschrijft de Warmtealliantie de positieve impact op de warmtemarkt indien aan de juiste randvoorwaarden wordt voldaan. De belangrijkste randvoorwaarden volgens de Warmteallantie zijn:

  • a.

    Beheersing van de betaalbaarheid van het warmtenet.

  • b.

    Meer toegesneden financiering en optimalisering van subsidiesystemen voor warmtenetten.

  • c.

    Snelle duidelijkheid over de marktordening.

Alle Drechtsteden gemeenten hebben zich aangesloten bij deze Warmtealliantie en steunen het Warmtebod. Het op orde krijgen van alle randvoorwaarden zoals omschreven in het Warmtebod zal tijd en aanvullende Rijksmiddelen vragen.

2.3 Visie op inwonerparticipatie

De warmtetransitie raakt vroeg of laat iedere inwoner in gemeente Zwijndrecht. Het is een grote en ingrijpende opgave om de gehele bebouwde omgeving aardgasvrij te maken. De warmtetransitie is alleen succesvol als iedereen meedoet en de nodige stappen zet naar een aardgasvrije woning of gebouw.

Regionaal hebben de Drechtsteden een participatieblauwdruk opgesteld om invulling te geven aan het participatietraject voor de warmteprogramma’s. In twee sessies waarbij alle gemeenten, de regio en HVC vertegenwoordigd waren is deze blauwdruk opgesteld, zie bijlage . Vervolgens heeft de gemeente Zwijndrecht deze blauwdruk verder uitgewerkt tot een participatiestrategie. Een onderdeel van deze participatiestrategie is een gemeentelijke landingspagina over het warmteprogramma op het platform duurzaam-drechtsteden.nl, zie voor een verdere toelichting van deze strategie bijlage 3.

Het warmteprogramma is nog een vrij abstract document voor (de meeste) inwoners, omdat hier de plannen voor de komende 10 jaar worden geduid, maar nog niet wordt ingezoomd op buurtniveau. Uit de huidige trajecten in buurten en wijken, weten we inmiddels dat de uitvoeringsplannen meer invloed op de directe leefomgeving van inwoners, bedrijven en organisaties hebben. Voor de meeste inwoners is het daarom relevanter om vanaf buurtniveau actief mee te denken. Er is daarom gekozen om inwoners niet te laten meedenken over de regionale en gemeentebrede keuzes die zijn gemaakt in de warmteprogramma’s, maar om uit te vragen hoe zij bij het vervolg van de warmtetransitie geïnformeerd en betrokken willen worden. En de uitgebreide warmteopties te bespreken in het buurt- of wijkuitvoeringsplan, waar inwoners kunnen meedenken over de verschillende warmteopties. Uiteindelijk bepaalt de woningeigenaar voor welke oplossing hij of zij kiest. Inwoners hadden van 17 februari tot en met 9 maart 2025 de mogelijkheid om dit door middel van een enquête aan te geven.

Uit de enquête kwam naar voren dat de meeste deelnemers op de hoogte willen worden gehouden via e-mail of huis-aan-huisbladen. Jongeren (18-35 jaar) hebben vaker een voorkeur voor communicatie via sociale media. Bijna een kwart van de deelnemers aan het onderzoek geeft aan zeker mee te willen denken over de keuzes die gemaakt worden in een uitvoeringsplan. Veel bewoners zijn bereid om mee te denken over het uitvoeringsplan, mits hun inbreng daadwerkelijk invloed heeft. Er heerst een sterke behoefte aan transparantie en keuzevrijheid, vooral op financieel gebied. Mensen willen niet alleen op de hoogte worden gehouden, maar ook actief kunnen meebeslissen over de kosten en de warmteoplossingen die worden aangeboden. De grootste zorg ligt bij de betaalbaarheid (zie ook paragraaf 2.4): bewoners willen niet verplicht worden tot dure systemen zonder voldoende alternatieven. Daarnaast is er ook behoefte aan betere informatie. Bewoners vragen om duidelijke en toegankelijke uitleg over de verschillende mogelijkheden, kosten en gevolgen, zodat ze goed geïnformeerd kunnen deelnemen aan het proces. Zie bijlage 4 voor alle resultaten van deze enquête.

2.4 Uitgangspunten

De keuzes die in dit warmteprogramma zijn gemaakt zijn gebaseerd op de uitgangspunten die samen met bewoners en professionele partners zijn opgesteld in 2021 voor de Transitievisie Warmte. De zes Drechtsteden die onderdeel zijn van het regionale traject om gezamenlijk tot de warmteprogramma’s te komen hebben samen met hun professionele partners deze uitgangspunten herijkt, wat heeft geleid tot de volgende uitgangspunten:

1. Voortvarend aan de slag met isolatie en andere vormen van energiebesparing

Goede isolatie, ventilatie en de overstap naar elektrisch koken zijn essentieel om onze gebouwde omgeving op een aardgasvrije en duurzame manier te verwarmen. Het aardgasvrij maken van de gebouwde omgeving is een stapsgewijs proces. Ook in buurten waar nog geen betaalbare of passende oplossing is om van het aardgas af te gaan, kunnen woningen en gebouwen al worden voorbereid op de transitie. In die buurten is het van belang gebouweigenaren te stimuleren en te ondersteunen om gebouwen ‘transitiegereed’ te maken door aan de slag te gaan met tussenstappen zoals isoleren, elektrisch koken en hybride oplossingen.

Binnen de Drechtsteden zijn een aantal gemeenten (Alblasserdam, Papendrecht, Sliedrecht en Zwijndrecht) gestart met het Meerjarige Collectieve Ontzorgingsprogramma (MCO).

Het MCO-Programma heeft als doel om de verduurzamingsimpact te maximaliseren binnen de beschikbare tijd, middelen, expertise en capaciteit. Het MCO-Programma heeft een doorlooptijd tot en met 31 augustus 2028 met de optie om tweemaal te verlengen met 12 maanden. Met deze aanpak worden eigenaren van grondgebonden koopwoningen ontzorgd met het verduurzamen van hun woning. Alle deelnemende woningeigenaren worden ontzorgd in de vorm van een advies en soms ook financieel.

In eerste instantie is gekozen voor een doelgroep benadering Hierbij is vooral gekeken naar gebouwkenmerken en of sprake is van energiearmoede. Met het in beeld komen van verschillende transitiepaden in dit warmteprogramma wordt binnen het MCO-Programma gekeken naar een meer gebiedsgerichte aanpak. Immers die gebieden die het eerst aardgasvrij worden gemaakt moeten ook als eerste transitiegereed zijn voor wat betreft isolatie.

In deze aanpak wordt voor alle deelnemende woningen toegewerkt naar de standaard isolatiewaarde. Met deze isolatiewaarde is een woning voldoende geïsoleerd voor zowel warmtenetten als warmtepompen.

Daarnaast heeft de gemeente Zwijndrecht een subsidie ontvangen van het Volkshuisvestingsfonds voor de wijk Kort-Ambacht. Een aanzienlijk deel van deze subsidie zal in de komende tien jaar worden aangewend om 242 woningen in Kort-Ambacht te verduurzamen en om achterstallig onderhoud aan deze woningen aan te pakken. De verduurzamingsmaatregelen omvatten onder andere het isoleren van de woningen.

2. Iedereen moet mee kunnen doen

Betaalbaarheid is voor inwoners van de Drechtsteden een belangrijk vraagstuk. Er is nog veel onzekerheid over de kosten van de warmtetransitie en de verdeling ervan, er ligt een taak bij de Rijksoverheid om dit op te lossen. Wat we wel weten is dat de warmtetransitie alleen kan slagen als iedereen mee kan doen, ook mensen met lagere inkomens, en dat daar oplossingen voor moeten komen. Sommige gebouwen, bijvoorbeeld monumenten, zijn moeilijk aardgasvrij te maken, ook deze gebouweigenaren hebben handelingsperspectief nodig. Daarom pakken we de transitie gefaseerd aan en gaan we pas van het aardgas af als het alternatief voor aardgas maatschappelijk aanvaardbaar en voor iedereen toegankelijk is. Ook dient er sprake te zijn van een gelijkwaardig aanbod voor zowel corporaties als particulieren. We erkennen dat deze transitie veel meer is dan een technische operatie. De sociaal-maatschappelijke kant van de transitie is essentieel. Voldoende beschikbaarheid van goede begeleiding en ondersteuning voor gebouweigenaren is daarbij een randvoorwaarde.

3. Bij een collectieve voorkeursoplossing is er altijd een opt-out mogelijkheid

Gebouweigenaren en/of bewoners worden altijd betrokken bij de keuze voor de warmtevoorziening in hun buurt of wijk. De gebouweigenaar maakt zelf de keuze over het alternatief voor zijn of haar woning of gebouw. De praktijk zal echter ook uitwijzen dat er niet altijd sprake is van een vrije keuze uit alle oplossingen, vanwege technische of financiële beperkingen. Er is bijvoorbeeld niet overal een grootschalig warmtenet mogelijk. Ook is het niet realistisch om te verwachten dat overal duurzaam gas beschikbaar zal komen, de verwachting is dat dit zeer beperkt beschikbaar zal worden voor de gebouwde omgeving. Het is belangrijk een balans te vinden tussen keuzevrijheid en betaalbaarheid, want meer van het één betekent soms minder van het ander. Dit speelt bijvoorbeeld wanneer in een wijk meerdere eigenaren kiezen voor een individuele oplossing in een gebied waar een collectieve oplossing de (nationaal) meest betaalbare optie is. Die keuze maakt de collectieve oplossing minder betaalbaar. In wijken waar een collectieve warmteoplossing voor de hand ligt, is het daarom niet vanzelfsprekend om particulieren aan te moedigen te kiezen voor een individuele warmtepomp. Desalniettemin heeft een gebouweigenaar altijd de optie om niet mee te doen met de eventueel aangeboden collectieve oplossing, de zogenoemde opt-out. Gebouweigenaren kunnen ook samen met buurtgenoten werken aan een gezamenlijke aardgasvrije oplossing, denk hierbij bijvoorbeeld aan een mini-warmtenet. Zie paragraaf 3.5 voor een toelichting op dit uitnodigingskader. In ieder geval is aardgas op termijn geen optie meer.

4. Randvoorwaarden op orde

In uitgangspunt 2 ‘iedereen moet mee kunnen doen’ is het al beschreven: betaalbaarheid is cruciaal. Zolang de warmtetransitie niet betaalbaar en haalbaar is, zal er geen grootschalige uitrol van aardgasvrije woningen plaatsvinden. Bij de Rijksoverheid ligt nu de taak om het betaalbaarheidsvraagstuk op te lossen. Ook wordt door het Rijk gewerkt aan de benodigde wet- en regelgeving. De regio Drechtsteden zet zich actief in voor de lobby om deze randvoorwaarden op orde te krijgen en neemt daar waar dit mogelijk is het initiatief om zelf oplossingen te vinden.

Zo is door de gemeenten gewerkt aan eigen betaalbaarheidskader, zie paragraaf 4.2. Op deze manier verwachten we dat we de warmtetransitie in het benodigde tempo te realiseren. Voor de warmtetransitie is ook veel elektriciteit nodig, genoeg ruimte hiervoor op het elektriciteitsnet is noodzakelijk. Momenteel is hier niet genoeg ruimte op het elektriciteitsnet voor, er wordt gewerkt aan verzwaring en verslimming van het net maar dit kost tijd en vraagt om een slimme fasering van maatregelen ten behoeve van de energietransitie. De uitkomsten van dit warmteprogramma zijn getoetst aan het energiesysteem, zie paragraaf 3.6.

3. Transitiepaden en fasering

In dit hoofdstuk zijn de mogelijke duurzame warmteopties voor een buurt toegelicht. Ook zijn de criteria voor het bepalen van de beste warmteoptie en de criteria voor de volgorde van de buurten benoemd. De warmte perspectiefkaart laat de beste warmteoptie zien per buurt. Daarna is de warmte perspectiefkaart getoetst aan het energiesysteem.

3.1 Duurzame warmteopties

In deze paragraaf zijn de verschillende mogelijke aardgasvrije perspectieven voor een buurt toegelicht. Dit zegt nog niets over de fasering of planning per buurt, dit is nader toegelicht in paragraaf 3.4. Ook is benoemd hoe koeling wordt meegenomen.

3.1.1 Isolatie

Ongeacht de beoogde warmteoptie voor een buurt of wijk is het van belang dat de warmtevraag wordt teruggedrongen en andere noodzakelijke gebouwaanpassingen worden gemaakt. Dit zijn schilmaatregelen, zoals isolatie van de gevel, dak en vloer en vervanging van glas, aanpassingen in de binnen installatie, zoals radiatoren, ventilatie, het dichten van kieren en elektrisch koken. Ook kan er worden gekozen voor een hybridewarmtepomp als tussenoplossing.

Bij gebouwgebonden maatregelen is het altijd de vraag hoever er moet worden gegaan om transitiegereed te zijn. In dit warmteprogramma wordt als uitgangspunt genomen dat aan het einde van de warmtetransitie zoveel mogelijk gebouwen het standaardniveau voor isolatie hebben bereikt. Deze zogenoemde isolatiestandaard is een niveau dat als toekomstbestendig kan worden beschouwd. De betreffende woning hoeft dan voor 2050 niet nogmaals geïsoleerd te worden, bij aansluiting op duurzame (warmte)bronnen met een lagere temperatuurwarmte, mits de temperatuur daarvan ten minste 50°C is (voor vooroorlogse woningen 70°C). Isoleren naar de Standaard zorgt ervoor dat een naoorlogse woning in ieder geval met 70 graden kan worden verwarmd en ook met 50 graden als de binneninstallatie daarvoor geschikt wordt gemaakt. Dit is dus een no-regretniveau waarmee een gebouw transitiegereed is voor bijna alle warmteopties. In 2021 zijn op nationaal niveau Standaard en Streefwaarden3 ingevoerd, die per woningtype inzicht geven in de manier waarop het no-regretniveau kan worden behaald. De isolatiestandaard is voor de ene woning lastiger te bereiken dan voor de andere. Nieuwere woningen zitten vaak al op dit niveau en oude gebouwen, veelal vooroorlogs of monumentaal, zijn zo oud dat je een relatief hoge warmtevraag overhoudt, ook al doe je het maximale binnen de bestaande schil. Voor deze woningen zijn de geschikte warmteopties beperkt, hier zal met maatwerk aan de slag moeten worden gegaan zodra de gemeente in deze buurt of wijk begint met een uitvoeringsplan. Het is belangrijk om te benoemen dat, ongeacht het woningtype, het isoleren van woningen altijd samen moet gaan met het zorgen voor voldoende ventilatie.

Uit ervaring is gebleken dat een blok voor blok aanpak voor isoleren niet werkt, inwoners kiezen zelf wanneer het beste (natuurlijke) moment is voor hen om te isoleren. Het MCO-Programma gaat uit van een continu aanbod voor bewoners. Om urgentie te creëren wordt binnen dit aanbod wel gewerkt met een zogenaamde call to action datum. Dat betekent enerzijds dat inwoners geactiveerd worden om over te gaan tot het nemen van verduurzamingsmaatregelen. Anderzijds betekent dit dat inwoners op een voor hun natuurlijk moment ontzorgd kunnen worden. Je hoeft niet in één keer je gehele woning te isoleren, je kunt dit ook in stappen doen. Voor zowel isoleren in stappen als in één keer is Investeringssubsidie duurzame energie (ISDE) beschikbaar. Inwoners kunnen terecht bij het platform duurzaam-drechtsteden.nl voor meer informatie over subsidiemogelijkheden.

3.1.2 Warmtenet

Een warmtenet is een infrastructuur van ondergrondse, geïsoleerde leidingen die warm water vervoert naar meerdere gebouwen. Er is dan sprake van een collectieve warmtevoorziening. De woning heeft in vergelijking met all-electric over het algemeen minder ingrepen aan de schil en de binneninstallatie nodig en in de woning is qua techniek alleen een afleverset aanwezig. De temperatuur van het aangeleverde warme water moet voldoende zijn om de woningen te kunnen verwarmen en in samenhang zijn met de temperatuur van de bron. Voor veel woningen is een middentemperatuur warmtenet dat 70 graden levert op de koudste dagen van het jaar de oplossing met de laagste nationale kosten. Bij dit temperatuurniveau is er een technisch en economisch optimum met de warmtevraagbeperking die hoort bij het standaardniveau van isolatie voor vooroorlogse en naoorlogse woningen.

Warmtenetten hebben als belangrijk kenmerk dat er grote investeringen in de infrastructuur nodig zijn. Hierdoor zijn warmtenetten alleen haalbaar in gebieden met een hoge bebouwingsdichtheid. Door het stedelijke karakter van de Drechtsteden is een groot deel van de bestaande bouw geschikt voor warmtenetten. Een ander belangrijk kenmerk van warmtenetten is dat een warmtenet in een relatief kort tijdsbestek moet worden ontwikkeld, om zodoende snel voldoende aansluitingen te krijgen waarmee je voorinvesteringen voorkomt en zo snel mogelijk de bron kunt verduurzamen.

Het regionale net wordt op dit moment voornamelijk verwarmd door de slibverbrandingscentrale in Dordrecht, dit geldt niet voor Zwijndrecht. Er wordt op termijn gestart met de bouw van een geothermiecentrale in Sliedrecht. Wanneer het gehele regionale net verbonden zal is, wordt Zwijndrecht verwarmd via deze geothermiecentrale. Zolang de warmtenetten van de verschillende Drechtsteden gemeenten niet met elkaar verbonden zijn wordt er gebruik gemaakt van tijdelijke bronnen. Op dit moment is er nog geen tijdelijke duurzame bron in Zwijndrecht. De komende periode gaat de gemeente deze wel realiseren.

Een variant op het warmtenet op 70 graden aanvoer is een laagtemperatuur warmtenet met een maximale aanvoertemperatuur met circa 40 graden. Deze variant is voor de bestaande bouw minder logisch vanwege de hogere gebouwgebonden investeringen. Voor grootschalige nieuwbouwontwikkelingen kan het interessant zijn om een laagtemperatuurwarmtenet te ontwikkelen. Dit moet per project bekeken worden.

In principe is een warmtenet geen koudenet waar je gebouwen ook mee kunt koelen, zoals bij een bronnet met WKO (zie all-electric) wel het geval is. Voor grote complexen wordt het warmtenet soms gecombineerd met een koel- en ventilatiesysteem. Voor grondgebonden woningen met zijn andere maatregelen zoals zonwering vaak vele malen (kosten)effectiever.

3.1.3 All-electric

All-electric betekent dat er in principe alleen nog een elektriciteitsnet in de buurt aanwezig is. Er is dan een warmte-opwekinstallatie in de woning of het gebouw nodig die alleen elektriciteit gebruikt om woningen te verwarmen. Bijvoorbeeld een warmtepomp die warmte haalt uit de buitenlucht of de bodem. Elke individuele vastgoedeigenaar kan op ieder moment de keuze maken om zijn huis niet alleen te isoleren, maar ook de gasketel te vervangen door bijvoorbeeld een warmtepomp. De individuele vastgoedeigenaar is dus veel minder afhankelijk van keuzes en beperkingen van andere vastgoedeigenaren in de straat of buurt. De capaciteit in het bestaande elektriciteitsnet is echter beperkt en is bijvoorbeeld ook nodig voor de realisatie van laadpalen voor elektrische mobiliteit. Het elektriciteitsnet moet worden verzwaard, niet alleen op buurtniveau, maar ook op gemeentelijk-, regionaal-, nationaal- en internationaal niveau. Dit is een ingrijpend en langdurig traject.

Een variant van all-electric is het lokale bronnet. Een bronnet is een lokale, kleinschalige warmtevoorziening in de vorm van een zeer lage temperatuur warmtenet waar één of enkele gebouwen op zijn aangesloten. Net zoals bij all-electric staat in het gebouw of de woning een warmtepomp. In plaats van de bodem of buitenlucht gebruikt deze warmtepomp het aangevoerde water van het bronnet. Het aangevoerde water kan ook gebruikt worden voor koeling.

Ook bij een bronnet moet de capaciteit van het elektriciteitsnet in de buurt vaak worden verhoogd. Bronnetten worden veel toegepast op utiliteitsgebouwen, omdat deze gebouwen naast een vraag naar warmte ook een koudevraag hebben. Door de omvang van het gebouw is het elektriciteitsgebruik vaak hoog. Vanwege de lage energiebelasting op elektriciteit zijn de kosten voor het aardgasvrij maken met warmtepompen daarom relatief laag.

Buurten waar all-electric oplossingen de laagste nationale kosten hebben zijn meestal buurten met veel eengezinswoningen, gebouwd na 1990. In deze buurten zullen vaak niet alleen de radiatoren en het gasfornuis vervangen worden, maar komt er ook een warmtepomp en eventueel een verzwaring van de elektriciteitsaansluiting om de overstap naar all-electric te kunnen maken. In deze buurten is het gasnet doorgaans nog nieuw, evenals de gasketels. Tegelijkertijd zijn deze buurten al goed geïsoleerd, waardoor er relatief weinig klimaatwinst valt te behalen. Dit geeft de mogelijkheid om in deze buurten in een eigen tempo de transitie te doorlopen.

Bovendien zijn binnen all-electric nog veel innovaties te verwachten. De belangrijkste innovaties zijn warmtepompen die ook efficiënt hoge temperaturen kunnen maken en innovaties op het gebied van energieopslag in de woning. Deze innovaties kunnen op termijn leiden tot een besparing van nationale kosten, bijvoorbeeld doordat het elektriciteitsnet minder hoeft te worden verzwaard of omdat ook oude, complexe buurten gasvrij kunnen worden. Ook vanwege deze innovaties is het onwenselijk om een all-electricbuurt in hoog tempo gasvrij te maken.

3.1.4 Besparingsbuurt

Voor sommige buurten is het momenteel lastig om het aardgasvrije voorkeursperspectief te bepalen. Dit komt bijvoorbeeld doordat de buurt een diverse woningvoorraad heeft met verschillende typen woningen van verschillende bouwjaren. Een buurt heeft bijvoorbeeld een lage woningdichtheid waardoor een warmtenet zeer kostbaar is, maar ook een minimale isolatiegraad wat een all-electric oplossing ook kostbaar maakt. Voor deze buurten moet verder onderzoek worden gedaan om bij een herijking van het warmteprogramma een eindperspectief te kunnen bieden. Het perspectief voor deze woningen is om nu toe te werken naar de isolatiestandaard. Ook kan worden gekozen voor een hybridewarmtepomp als tussenoplossing. Er zal de komende 5 jaar actief worden gemonitord op de isolatiegraad in deze buurten

3.1.5 Klimaatneutraal gas

In de Transitievisie Warmte van 2021 werd voor sommige buurten het perspectief klimaatneutraal gas geschetst. Er werd toen als randvoorwaarde genoemd dat er op termijn voldoende duurzaam gas is, zoals groengas of waterstofgas. En dat er ook rekening mee moet worden gehouden dat duurzaam gas ook voor andere doeleinden nodig is, zoals in de industrie en het zware transport. In de afgelopen 5 jaar is er niet meer perspectief gekomen wat betreft klimaatneutraal gas; er is nog steeds erg veel onzekerheid. Het verdelingsprincipe van klimaatneutraal gas is nog heel onzeker, de landelijke infrastructuur is nog onbekend. Er is nog zoveel onzekerheid rondom klimaatneutraal gas dat dit in de Drechtsteden niet wordt gezien als een eindoplossing, een enkele uitzondering, het oude centrum van Dordrecht, daargelaten. Voor deze uitzonderingen geldt dat er voor een warmtenet weinig ruimte is in de ondergrond en de graafwerkzaamheden de fundering van de woningen zouden kunnen aantasten. Isoleren van deze woningen is voor een all-electric oplossing lastig vanwege de leeftijd van de woningen en de eventuele monumentenstatus.

3.1.6 Koeling

Door het veranderende klimaat, met langere warme periodes als gevolg, is het van steeds groter belang dat woningen ook koel blijven in de zomermaanden. Isolatie helpt de warmte buiten het huis te houden in de zomer. Maar wanneer de warmte eenmaal in het huis is gekomen, is een goed geïsoleerd huis lastig om te koelen. Vanuit het Overleg Standaarden Klimaatadaptatie (OSKA) is de ladder van koeling ontwikkeld: waarbij de meest duurzame koelmaatregelen als eerste worden gestimuleerd. Dit betekent eerst werken aan koelte in de omgeving, daarna warmte zoveel mogelijk buiten houden en afvoeren en tot slot pas milieuvriendelijk koelen.

Voor de integratie van het thema koeling in het warmteprogramma, is koeling in 3 uitwerkingen van het warmteprogramma meegenomen.

1) In de isolatieaanpak wordt voorkomen van hitte meegenomen door voorlichting en adviseren van maatregelen voor het weren van directe zoninval, mogelijkheden voor ventilatie of het doorluchten van de woning.

2) Bij het buurt- of wijkuitvoeringsplan worden opgaves zoveel mogelijk integraal gecombineerd. De klimaateffectkaarten en aanpak voor hittestress worden meegenomen in de ontwikkeling van de buurt- of wijkuitvoeringsplannen. We wegen alternatieven die naast verwarming ook koeling kunnen leveren in buurten die gevoelig zijn voor hittestress mee in de keuze voor het alternatief en organiseren maatregelen conform de ladder van koeling.

3) Voor nieuwbouw is het vanaf januari 2021 verplicht om maatregelen te nemen om oververhitting te voorkomen. De indicator hiervoor heet TOjuli. Deze woningen zijn beter bestand tegen hittestress en hebben als voordeel dat actieve koelmaatregelen (die de energievraag in de woning vergroten) voorkomen kunnen worden. Meer over de aanpak bij nieuwbouw in paragraaf 6.7.

3.2 Criteria voor warmteoptie per buurt

Om te bepalen welke toekomstige warmteoptie per buurt de voorkeur heeft, zijn in 2021 voor de Transitievisie Warmte met inbreng van inwoners, de gemeenteraad en stakeholders afwegingscriteria opgesteld. Deze afwegingscriteria zijn nog steeds leidend in het bepalen van de warmteoptie per buurt.

3.2.1 Laagste nationale kosten

We streven naar warmteopties met de meest gunstige verhouding van kosten en baten. Onder nationale kosten worden alle kosten en baten verstaan die we als samenleving maken voor een bepaalde warmteoptie, ongeacht wie wat betaalt. Niet-financiële en indirecte effecten zoals luchtvervuiling en geluidshinder zijn geen onderdeel van deze nationale kosten. Daarnaast hebben we rekening gehouden met de kosten voor het totale systeem, dus niet alleen naar de kosten die specifiek gelden voor een betreffende gebied of buurt om versnippering van infrastructuren te voorkomen. Zoals ook eerder in paragraaf 2.4 genoemd blijft betaalbaarheid een heikel punt in de warmtetransitie. Met dit warmteprogramma worden niet alle vragen rondom betaalbaarheid opgelost, maar sorteert wel voor op de meest betaalbare transitie door per buurt de warmteoptie met de laagste nationale kosten te kiezen.

De laagste nationale kosten per warmteoptie zijn in de Transitievisie Warmte van 2021 bepaald aan de hand van een onderzoeksbeeld. Voor het warmteprogramma hebben wij dit onderzoeksbeeld meegenomen en vergeleken met de Startanalyse 2025 van Planbureau voor de Leefomgeving (PBL). Deze Startanalyse is een wat-als studie en schetst het beeld wanneer heel Nederland dezelfde aardgasvrije optie heeft, bijvoorbeeld iedere woning gebruikt een warmtepomp, en daarna worden de nationale meerkosten vergeleken. De data geven een goed gemiddeld beeld voor Nederland, maar voor specifieke situaties zullen andere uitgangspunten gelden. Er wordt in deze Startanalyse geen rekening gehouden met bestaande plannen en beleid, zoals afspraken met de woningcorporaties. De gemeente en haar stakeholders hebben een beter zicht op de lokale situatie, hierdoor kan het voorkeursperspectief per buurt in dit warmteprogramma afwijken van het gegeven perspectief in de Startanalyse.

In de Startanalyse wordt ook klimaatneutraal gas meegenomen, er is hiervoor een aanname gemaakt hoeveel klimaatneutraal gas er in de toekomst beschikbaar zal zijn. Er is nog zoveel onzekerheid rondom klimaatneutraal gas dat dit in de Drechtsteden niet wordt gezien als een eindoplossing, een enkele uitzondering daargelaten.

3.2.2 Duurzaamheid

Bij de keuze van warmteopties krijgt de infrastructuur die de meeste CO2-reductie levert en waarbij lokale energiebronnen kunnen worden ingezet de voorkeur. Het gaat hierbij niet alleen om verduurzaming op korte termijn, maar ook om het kiezen voor de infrastructuur die toekomstige duurzame bronnen het beste kan ontsluiten. In de Regionale Energiestrategie (RES) is de voorkeursvolgorde van bronnen voor nieuwe manieren van verwarming vastgesteld, deze voorkeursvolgorde is leidend voor dit warmteprogramma en is als volgt:

1. Direct bruikbare warmte (bijvoorbeeld restwarmte uit afvalverbranding en diepe geothermie)

2. Op te waarderen warmte (elektrische warmtepompen met omgevingswarmte uit bijvoorbeeld een bronnet, bodemlussen of lucht). Aandachtspunten zijn het energetisch rendement (dat bijvoorbeeld veel beter is voor een bronnet dan voor individuele warmtepompen) en het beperken van piekbelasting op het elektriciteitsnet (voor een collectief systeem kan bijvoorbeeld gebruik worden gemaakt van een batterij om energie op te slaan).  

3. Te maken warmte (duurzame brandstoffen zoals groene waterstof en groen gas)

Vanuit de RES is bekend dat er in de regio Drechtsteden beperkte ruimte is voor het opwekken van duurzame elektriciteit. Daartegenover staat dat er een grote aanwezigheid van warmtebronnen is. Concreet wordt de slib- en afvalverbranding van warmteleverancier HVC gebruikt als duurzame bron voor het warmtenet en wordt er op termijn gestart met de bouw van een geothermiecentrale in Sliedrecht. Zolang de warmtenetten van de verschillende Drechtsteden gemeenten niet met elkaar verbonden zijn wordt er gebruik gemaakt van tijdelijke bronnen.

Er wordt ook rekening gehouden met de samenhang in brontemperaturen, temperaturen waarmee gebouwen verwarmd worden en infrastructuren. Het behoud van lucht-, bodem- en waterkwaliteit is een randvoorwaarde voor een duurzame transitie. De milieueffecten van verschillende bronnen zijn in de RES verder geïnventariseerd.

3.2.3 Inpasbaarheid in de ondergrond en de openbare ruimte

Een alternatief voor aardgas moet inpasbaar zijn in de ondergrond en de openbare ruimte. Zo is het aanleggen van een warmtenet niet altijd mogelijk door de complexe ondergrond die bijvoorbeeld voorkomt in een historische dijklint of binnenstad. All-electric vraagt vaak om extra verzwaring van het elektriciteitsnet, wat impact heeft op de openbare ruimte in de vorm van extra transformatorhuisjes in de wijk. De inpasbaarheid van warmteopties is meegenomen in de afweging.

3.3 Criteria voor volgorde buurten

Naast het bepalen van de beste warmteoptie per buurt is er ook een volgordelijkheid tussen de buurten. De buurten waar reeds gestart is met de aanleg van een warmtenet zijn meestal buurten waar woningcorporatiebezit en/of nieuwbouw zit. Woningcorporaties fungeren als startmotor in de warmtetransitie onder andere door de inzet van de Stimuleringsregeling aardgasvrije huurwoningen (SAH). Woningcorporaties zitten inmiddels aan het einde van hun ‘startmotorfase’, mogelijke startmotors voor de toekomst zijn andere grootverbruikers als VvE’s of maatschappelijk vastgoedobjecten. Er kunnen ook meekoppelkansen zijn, zoals bijvoorbeeld riolering die moet worden vervangen in de komende paar jaar, dan hoeft de straat slechts één keer te worden opengebroken in plaats van twee keer. Of een nieuwbouwproject dat wordt aangesloten op het warmtenet. Ook speelt de ligging van de buurt ten opzichte van de duurzame bron een rol en/of als er al warmtenet is aangelegd in omliggende buurten. Vanwege netcongestie wordt er bewust nog niet gestart met een buurtaanpak in buurten waar all-electric de beoogde warmteoptie is.

Dit is een overzicht in willekeurige volgorde van criteria die meespelen om prioritering tussen buurten aan te brengen:

  • Haalbaarheid

  • Betaalbaarheid

  • Netcongestie

  • Woningvoorraad

  • Investeringsagenda infrastructuur

  • Investeringsagenda vastgoed

  • Buurtontwikkeling

  • Sociale karakteristieken van de buurt

  • Contracteerbaarheid

Daarnaast wordt de uitrol van het warmtenet bepaald door een combinatie van de kennis van het gebied, de expertise van alle betrokken partijen, de warmtenettracés die reeds gerealiseerd zijn en het aardgasvrije perspectief dat eerder ontwikkeld is.

3.4 Perspectiefkaart per buurt

Voor het bepalen van de warmteoptie per buurt worden de uitgangspunten uit paragraaf 2.4, de afwegingscriteria uit paragraaf 3.2 en de prioriteringscriteria uit paragraaf 3.3 meegenomen. Buurten met een hoge dichtheid aan woningequivalenten en corporatiebezit zijn aantrekkelijk voor de aanleg van het warmtenet. Door de hoge dichtheid is er veel volloop van het warmtenet dat zorgt voor een goedkoper warmtenet ten opzichte van een warmtenet in een dun bebouwd gebied. In de Transitievisie Warmte zijn enkele gebieden voor een warmtenet aangewezen die relatief ver van elkaar vandaan liggen met daartussen geen kansrijk warmtenetgebied. Het is dan erg kostbaar om deze gebieden met elkaar te verbinden. De positionering van de duurzame bron en mogelijke meekoppelkansen zijn dan bepalend voor welke gebieden uiteindelijk daadwerkelijk worden aangesloten op het warmtenet. In dit warmteprogramma is voor de perspectiefkaart deze slag gemaakt met de kennis die wij nu voor handen hebben.

Figuur 2: Perspectiefkaart Gemeente Zwijndrecht

De kaart is redelijk gelijk gebleven aan die van de Transitievisie Warmte (TVW). De belangrijkste verschillen zijn:

  • Er is een perspectief bijgekomen: reeds aardgasvrij gemaakt. Dit zijn buurten waarvan de volledige woningvoorraad over is op het warmtenet;

  • Voor buurten met het all-electric perspectief is er geen onderscheid meer gemaakt tussen korte en lange termijn. Vanwege de aangekondigde netcongestie is het niet verantwoord op buurten op korte termijn volledig all-electric te maken;

  • Voor buurten in Heerjansdam geldt dat veel buurten van besparingsbuurt over zijn gegaan op all-electric. Dit heeft te maken met het feit dat de komst van het warmtenet in Heerjansdam is uitgesloten, ten tijde van de TVW was dit nog niet het geval.

In bijlage 5 is dezelfde kaart terug te vinden met hierbij alle buurtnamen. Daarnaast staat hier ook per buurt beschreven wat het perspectief van elke buurt is en op basis waarvan deze keuze is gemaakt.

3.5 Uitnodigingskader

De perspectiefkaart is het perspectief van de gemeente en stakeholders op de korte en lange termijn warmtetransitie. Echter staat de gemeente open voor andere initiatieven via het uitnodigingskader.

Voor het regionale warmtekavel in de Drechtsteden is HVC de beoogde partij voor het publieke warmtebedrijf. Dit is de partner waar de Drechtsteden met stakeholders afgelopen jaren stappen hebben gezet in het zelfstandig ontwikkelen van een haalbaar en duurzaam regionaal warmtenet.

Voor bronnetten en andere kleinschalige duurzame warmteoplossingen bestaat binnen de Drechtsteden het uitnodigingskader. Dit uitnodigingskader nodigt initiatiefnemers uit om met de gemeente in gesprek te gaan voor deze ontwikkelingen. Dit uitnodigingskader geldt voor zowel bewonersinitiatieven (die kunnen opgroeien naar warmtegemeenschappen) als kleinschalige initiatieven die gebruik maken van de uitzonderingspositie in de Wcw. Dit gaat ook om initiatieven die eventueel gebruik willen maken van het toegangsmodel voor derden (nTPA) voor het warmtenet van HVC.

3.6 Energiesysteem toets 

Een energiesysteem is het samenspel tussen de vraag en het aanbod van energie, en het transport en opslaan van energie. Onze vraag naar energie verandert. Het huidige systeem is daar niet meer goed op ingericht. Het stoppen met aardgas als belangrijkste bron voor het verwarmen van onze huizen heeft ook impact op het energiesysteem. Om de gevolgen in beeld te brengen maken we gebruik van een digital twin. De digital twin is een online simulatiemodel met daarin de energiehuishouding per buurt voor alle sectoren (gebouwde omgeving, industrie, land en tuinbouw, mobiliteit en transport), en de energieuitwisseling tussen de buurten in de regio, en tussen de regio en de rest van het land. De twin is al toegepast voor het provinciale Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat (pMIEK) en perspectiefscenario’s voor de transitie, en is daarnaast ook geschikt voor het warmteprogramma. Met de twin kunnen analyses worden uitgevoerd op regio-, gemeente-, en buurtniveau. 

3.6.1 Uitgangspunten 

De warmte perspectiefkaarten van alle 6 de gemeenten zijn ingeladen in de digital twin. Om het effect van de gewenste warmteopties goed in beeld te brengen is het belangrijk om alle sectoren, zoals vervoer en opwek van duurzame energie, in het model te zetten. 

Voor deze analyses zijn wij uitgegaan van een duurzaam toekomstbeeld met gemiddelde groeiprognoses voor duurzame energie en besparing. De belangrijkste aannames hierin zijn dat alle RES-doelstellingen zijn behaald, transport en personenvervoer grotendeels elektrisch zijn, en er flinke percentages zon op dak en thuisbatterijen zijn geïnstalleerd. Daarnaast zijn we uitgegaan van de aansluitpercentages op het warmtenet zoals gehanteerd in de volloopscenario’s van het warmtebedrijf (HVC). Hiermee heeft een buurt die is aangegeven als warmtenetbuurt dus niet een aansluitpercentage van 100%, maar een deel hiervan. Dit deel is gebaseerd op een aangenomen aansluitpercentage per type woning en eigenaarschap (sociale huur, particulieren, grondgebonden, meergezinswoning), bijvoorbeeld 35-60% bij grondgebonden woningen in particulier eigendom en 85% bij appartementen in eigendom van een woningcorporatie. 

Scenario’s 

We hebben de huidige situatie in beeld gebracht. Hierbij maakt warmte ongeveer 30% uit van de totale vraag naar energie, naast motorbrandstoffen en elektriciteit. Vervolgens zijn er twee toekomstscenario’s doorgerekend:  

  • Het eerste scenario is als de warmte perspectiefkaart zoals in dit warmteprogramma is beschreven wordt gerealiseerd.  

  • Het tweede scenario laat zien wat er gebeurt als het warmtenet in de Drechtsteden blijft steken op het huidige niveau, en alle andere buurten kiezen voor warmtepompen.  

Voor beide scenario’s geldt dat aardgas voor een klein deel als warmtebron wordt meegenomen. Dit komt door hybride warmteoplossingen in de industrie en een aantal buurten. 

3.6.2 Effecten op het energiesysteem 

Regionaal 

De hoeveelheid benodigde energie voor warmte neemt zowel in scenario 1 als 2 af, met respectievelijk 57% en 71%, zie figuur 1. Dat komt deels door isolatie en besparing. Het grootste deel wordt veroorzaakt door de efficiëntie van warmtepompen ten opzichte van cv-ketels. Warmtepompen kunnen van 1 kilowattuur elektriciteit ongeveer 4 kilowattuur warmte produceren, gebruikmakend van de omgevingswarmte. Dit is ook de reden dat het energiegebruik voor warmte in scenario 2 lager is dan in scenario 1. Het warmtenet wordt hierin vervangen door warmtepompen, waarvan het elektriciteitsgebruik lager is om dezelfde hoeveelheid warmte mee te creëren. Dit leidt wel tot een veel hogere elektriciteitsvraag ten behoeve van warmte. Dit leidt samen met de toegenomen elektriciteitsvraag, voornamelijk veroorzaakt door de elektrificering van vervoer, tot problemen met netcongestie. 

Figuur 1: Energieverbruik naar sector in de Drechtsteden

Belangrijke kanttekening is dat in een toekomstbestendig energiesysteem voor elektriciteitsgebruik van warmtepompen in de winter veel opslag nodig zal zijn. De huidige (thuis)batterijen zijn hier te klein voor. Veel technieken voor seizoensopslag (denk bijvoorbeeld aan waterstof) hebben erg hoge verliezen, vaak wel tot twee derde van de origineel opgewekte elektriciteit.  

Als we kijken naar een uitsplitsing van het energiegebruik voor warmte, figuur 2, zien we dat op dit moment aardgas verreweg de meest dominante warmtebron is. In het warmteprogramma scenario (scenario 1) zien we dat het warmtenet voor de 6 deelnemende Drechtsteden gemeenten 46% van het energiegebruik van warmte voor zijn rekening neemt. Kijkend naar de totale warmtevraag wordt zelfs in dit scenario meer warmte geleverd door warmtepompen dan door het warmtenet, echter door de eerder benoemde efficiëntie van warmtepompen is de elektriciteitsvraag kleiner dan de vraag van warmte uit het warmtenet. In scenario 2 zijn warmtepompen de dominante warmtebron, met als gevolg een stijging van 28% van de huidige elektriciteitsvraag alleen al ten behoeve van warmte. 

Figuur 2: Uitsplitsing energiegebruik voor warmte naar bron

Scenario 1 heeft twee grote voordelen ten opzichte van het scenario 2. De eerste is de eerdergenoemde betere seizoensbalans en dus minder verliezen in opslag en conversie. De tweede is het verlagen van de piekbelasting op het elektriciteitsnet, momenteel een van de grootste bottlenecks in het energiesysteem. In beide toekomstscenario’s zal de piekbelasting op het elektriciteitsnet enorm toenemen (zie figuur 3). Dit komt voornamelijk door het elektrificeren van vervoer en transport, en door warmtepompen. Ondanks dat er in beide toekomstscenario’s veel extra verzwaring nodig is, is de piekbelasting in scenario 1 13% lager dan in scenario 2. Hiermee is het warmtenet een van de meest effectieve middelen tegen netcongestie.

Figuur 3: Piekbelasting afname elektriciteitsnet. Let op, dit is de piekbelasting van het volledige systeem, waarin naast warmte ook een flinke toename in de piekbelasting t.b.v. elektrische mobiliteit en andere elektrische apparaten is te zien.
3.6.3 Energiesysteemtoets Zwijndrecht

In Zwijndrecht wordt 42% van de energievraag t.b.v. warmte ingevuld worden door het warmtenet in het warmteprogramma scenario. Hiermee is Zwijndrecht erg vergelijkbaar met de regio als geheel, met ook een piekbelasting op het elektriciteitsnet die 14% lager is. 

Figuur 1: Energiegebruik naar sector in de Drechtsteden
Figuur 2: Uitsplitsing energiegebruik voor warmte naar bron
Figuur 3: Piekbelasting afname elektriciteitsnet. Let op, dit is de piekbelasting van het volledige systeem, waarin naast warmte ook een flinke toename in de piekbelasting t.b.v. elektrische mobiliteit en andere elektrische apparaten is te zien.

4. Juridisch kader

In dit hoofdstuk zijn de ontwikkelingen uit de Wgiw toegelicht en is er een vooruitblik gegeven op de stappen na invoering van de Wcw. Tot slot is de uitgevoerde plan-mer-beoordeling toegelicht.

Het warmteprogramma is de eerste stap van een aantal instrumenten die vereist zijn vanuit verschillende wetgeving. Het warmteprogramma is een verplicht programma onder de Omgevingswet. Dit programma verplicht de gemeente om maatregelen te nemen die ervoor zorgen dat de doelen uit het programma worden gehaald.

In onderstaand processchema is weergegeven hoe de volgorde van stappen eruit zou kunnen zien vanuit de Omgevingswet, de Wet Gemeentelijke Instrumenten Warmtetransitie (Wgiw) en de Wet Collectieve Warmte (Wcw). Van dit processchema kan worden afgeweken.

4.1 Ontwikkelingen uit de Wgiw

In het Klimaatakkoord is afgesproken dat gemeenten de regie krijgen in de wijkgerichte aanpak om de gebouwde omgeving aardgasvrij te maken. Deze regierol is wettelijk verankerd in de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw) en voor collectieve warmtesystemen ook in de Wet Collectieve Warmte (Wcw). De Wgiw treedt naar verwachting 1 januari 2026 in werking.

Vanuit de Wgiw wordt de regierol geconcretiseerd in de beschrijving van de stappen van het planproces die uiteindelijk kunnen leiden tot de inzet van de aanwijsbevoegdheid. Met de aanwijsbevoegdheid kunnen gemeente vanuit hun regierol gebieden aanwijzen die binnen een bepaalde termijn aardgasvrij moeten worden en overgaan op een duurzame warmtevoorziening.

De stappen in het planproces bestaan uit:

1) Warmteprogramma – de eerste stap is een verplicht programma onder de Omgevingswet (warmteprogramma). Gemeenten worden verplicht om het warmteprogramma uiterlijk 31 december 2026 vast te stellen en deze elke 5 jaar te actualiseren. In het warmteprogramma wordt het voornemen beschreven van de wijken waar mogelijk binnen 10 jaar de aanwijsbevoegdheid zal worden ingezet. Verder wordt (voor zover bekend) het handelingsperspectief van alle buurten of wijken beschreven.

2) Buurt- of wijkuitvoeringsplan – Als tweede stap in het planproces in de Drechtsteden wordt het (vrijwillige) buurt of wijkuitvoeringsplan gemaakt. In het buurt- of wijkuitvoeringsplan werken we de volgende 6 stappen uit in samenspraak met de buurt of wijk. De verwachting is dat de totstandkoming van een uitvoeringsplan minimaal 2 jaar duurt.

  • a.

    Samen starten – kaders, uitgangspunten en procesplan voor besluitvorming vaststellen.

  • b.

    Onderzoeken – variantenstudie warmteoplossingen en een wijkbesluit over de optimale aanpak nemen.

  • c.

    Uitwerken- de gekozen aanpak uitwerken in een definitief ontwerp en uitvoeringsplan.

  • d.

    Besluiten – go/no go om tot uitvoering van het plan over te gaan.

  • e.

    Aanbieden – aanbod aan bewoners en contracten voor werkzaamheden.

  • f.

    Uitvoeren – het uitvoeren van het plan voor een aardgasvrije wijk.

3) Wijziging omgevingsplan – Het daadwerkelijk aanwijzen van een gebied waar de aanwijsbevoegdheid wordt ingezet, gebeurt in het omgevingsplan. In het warmteprogramma (stap 1) bereiden we het besluit om een gebied aan te wijzen beleidsmatig voor en geven we de begrenzing van het gebied aan. Daarnaast moet de motivatie van de inzet van de aanwijsbevoegdheid en de wijziging van het omgevingsplan aan een aantal vereisten voldoen:

  • De haalbaarheid van de gekozen warmteoplossing en de aanpak, voor bewoners, ondernemers en andere gebouweigenaren.

  • De betaalbaarheid van de gekozen warmteoplossing, zowel de nationale kosten als de eindgebruikerskosten.

  • De totale kosten voor de maatschappij die de realisatie van de energie-infrastructuur met zich meebrengt.

  • De gevolgen voor de aanleg en het beheer van de energie-infrastructuur.4

Hiermee ontstaat vanuit de wet een juridische bevoegdheid om de levering van gas te beëindigen. Deze vereisten hebben als doel dat inwoners, bedrijven, maatschappelijke instellingen, verhuurders en netbeheerder duidelijkheid over het beoogde tijdspad naar aardgasvrij krijgen. De redelijke termijn die nu als minimaal wordt gezien voor dit tijdspad is 8 jaar.

De gemeenteraad is bevoegd voor het wijzigen van het omgevingsplan. Tegen het wijzigingsbesluit zelf staat beroep open bij de Raad van State. Daarmee is dit instrument vatbaar voor beroep. Het wijzigen van het omgevingsplan is een nieuw instrument. Op dit moment bestaat er nog geen duidelijkheid over de inhoud van een wijziging van het omgevingsplan voor de inzet van de aanwijsbevoegdheid.

Voordat de Drechtsteden gemeenten de aanwijsbevoegdheid kunnen inzetten, zal het Rijk eerst duidelijkheid moeten geven via de uitwerking van de Wgiw in lagere uitvoeringsregelgeving: het Besluit gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Bgiw). Het Besluit gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Bgiw) is (anno april 2025) een concept algemene maatregel van bestuur (AMvB).

De Drechtsteden, met uitzondering van Dordrecht, zullen met deze versie van het warmteprogramma dan ook de aanwijsbevoegdheid niet kunnen inzetten. Een (partiële) herijking van het warmteprogramma zal bij meer duidelijkheid als eerste stap ingezet worden, alsook het voldoen aan de uitgangspunten van dit warmteprogramma zoals de beschikbaarheid van een haalbaar en betaalbaar aanbod voor alle bewoners.

4.2 Vooruitblik overgangsregeling en aanwijzingen na invoering Wcw

Voor de uitwerking van de stappen volgend uit de invoering van de Wcw zijn op moment van schrijven de volgende stappen voorzien.

  • Vaststellen (voorlopig) warmtekavel

    De Drechtsteden bepalen met elkaar de grootte van een of meerdere warmtekavels. De inrichting van de warmtekavel is voor een groot deel afhankelijk van de lokaal beschikbare warmtebronnen en de verbondenheid daarvan. De grootschalige warmtebronnen in de regio worden op termijn met elkaar verbonden (Dordrecht, Sliedrecht, Papendrecht, Zwijndrecht, Hendrik-Ido-Ambacht).

    Voor de uitwerking van de kavelstrategie wordt gezamenlijk met de gemeenten in de regio en de betrokkenen bij het warmteprogramma een proces opgestart om de opties en definitieve keuze rondom kavels te bepalen. Een warmtekavel kan na verdere uitwerking gewijzigd worden (Wcw artikel 2.8)

    Dit proces is op dit moment qua termijn en inhoud nog niet verder te bepalen omdat de ontwikkeling van de Wcw nog niet is afgerond en het onduidelijk is wanneer de wet wordt ingevoerd.

  • Aanwijzen publiek warmtebedrijf

    De hoofdregel uit de Wcw is dat alleen warmtebedrijven met een publiek meerderheidsbelang kunnen worden aangewezen als publiek warmtebedrijf.

    In de regio is op basis van vrijwilligheid al meer dan 10 jaar met HVC gewerkt aan de ontwikkeling en de totstandkoming van het huidige warmtenet. De insteek is daarbij altijd geweest om een publiek warmtebedrijf neer te zetten. Daarmee loopt de regio voor op de invoering op de vereisten van de Wcw waarbij een warmtebedrijf in publieke handen voorgeschreven wordt.

    De inschatting is dan ook dat invoering van de Wcw voor het aanwijzen van een warmtebedrijf en de kavelstrategie een pragmatisch proces wordt.

    Overgangsrecht

    De Wcw geldt straks voor bestaande warmtenetten en warmtebedrijven. Warmtebedrijven die momenteel een warmtenet exploiteren dat onder het overgangsrecht valt, worden op grond van de Wcw voor maximaal 30 jaar aangewezen als warmtebedrijf en het gebied waarover het warmtenet zich uitstrekt wordt aangemerkt als een warmtekavel.

Visie betaalbaarheid

Als gemeente doen we er alles aan om de overstap naar aardgasvrij wonen betaalbaar te maken voor onze inwoners. We weten dat er zorgen zijn over de kosten van de overstap en dat inwoners verschillend denken over het begrip betaalbaarheid. Daarom willen we dat er duidelijkheid komt, zodat iedereen precies weet wat we met betaalbaarheid bedoelen. Zwijndrecht bepaalt niet zelfstandig wat betaalbaar is. Het Rijk is bezig om dit uit te werken. De verwachting is dat er eind 2025 meer duidelijkheid over komt.

Dat betekent niet dat we nu niets kunnen doen. Ook wij houden ons bezig met dit vraagstuk. De gemeente Dordrecht heeft meegedaan aan een landelijk onderzoek met vijftien andere gemeenten over wat inwoners betaalbaar vinden en welke randvoorwaarden daarbij gelden. De resultaten van het onderzoek zijn hieronder verwoord in onze visie.

Bij het bepalen of een warmteperspectief betaalbaar is voor een buurt of wijk hanteren we, in ieder geval tot er duidelijkheid is vanuit het Rijk, de volgende uitgangspunten:

  • We streven ernaar dat zoveel mogelijk inwoners hetzelfde blijven betalen voor duurzame warmte als de huidige maandelijkse kosten, of minder. We werken dit het liefst uit op basis van de verwachte eindverbruikerskosten op buurt- of wijkniveau. We kunnen gelijkblijvende of lagere kosten niet in individuele situaties garanderen. We houden bij het bepalen van de eindverbruikerskosten natuurlijk rekening met eventuele subsidies voor inwoners, maar ook voor het warmtebedrijf.

  • Voor zover dat binnen onze bevoegdheden ligt, zorgen we ervoor dat een warmtebedrijf transparant is over de opbouw van de te hanteren tarieven. We streven ernaar om samen met het warmtebedrijf op buurt- of wijkniveau te onderzoeken onder welke voorwaarden individuele inwoners willen overstappen. Aspecten zoals mate van ontzorging, de timing, de verdeling van de lusten en de lasten in de wijk kunnen hierbij een rol spelen. We zijn duidelijk over welke andere voordelen overstappen op duurzame warmte er zijn en over de duurzaamheid van de warmtetechniek op buurt- of wijkniveau.

  • Betaalbaarheid is niet hetzelfde als financierbaarheid. Toegang tot financiële instrumenten, zoals subsidies en leningen met geen of een lage rente, zijn in sommige situaties noodzakelijk om de overstap te kunnen financieren.

4.3 Plan-mer-beoordeling

In het kader van het warmteprogramma is een zogeheten plan-mer-beoordelingsprocedure doorlopen. In de plan-mer-beoordelingsprocedure moet het bevoegde gezag (in dit geval de gemeente Zwijndrecht) nagaan of de ontwikkelingen in het warmteprogramma kunnen leiden tot aanzienlijk (negatieve) milieueffecten, die het doorlopen van een (uitgebreide) plan-mer-procedure voor het warmteprogramma noodzakelijk maken. De gemeente Zwijndrecht heeft een plan-mer-beoordelingsprocedure doorlopen, hieruit is gebleken dat naar verwachting de ontwikkelingen in dit programma niet zullen leiden tot aanzienlijke (negatieve) milieueffecten.

Er is voor de Drechtsteden gekozen voor een plan-mer-beoordelingsprocedure in plaats van een plan-mer-procedure. Er is geen meerwaarde gezien voor een plan-mer-procedure en het brengt ook meer kosten met zich mee. De warmtestrategieën zijn namelijk redelijk logisch en geven geen aanleiding voor alternatievenonderzoek. Een plan-mer-beoordeling geeft ook inzicht in milieueffecten, alleen op een hoger abstractieniveau dan een plan-mer-procedure.

Daarnaast worden er geen juridische risico’s verwacht, het warmteprogramma is alleen bindend voor de overheid die het opstelt en daarmee niet voor anderen voor hoger beroep vatbaar. Ook het plan-mer-beoordelingsbesluit is niet voor hoger beroep vatbaar, het is alleen bindend voor diegene die wel of geen plan-mer moet opstellen, in dit geval de gemeente.

5. Aanpak tot en met 2035

De komende 10 jaar gaan de gemeente en haar partners in Zwijndrechtse buurten aan de slag. Het is niet mogelijk om in alle buurten tegelijkertijd aan de slag te gaan en daarom wordt er gestart in een aantal buurten, een toelichting op de volgordelijkheid is te lezen in paragraaf 3.3. In het volgende warmteprogramma wordt opnieuw bepaald welke buurten logisch zijn om in de 10 daaropvolgende jaren mee aan de slag te gaan. In de paragrafen van dit hoofdstuk wordt de aanpak per buurt beschreven, deze aanpak ligt nog niet vast.

De aanpak in het warmteprogramma vormt het startpunt voor het buurtproces. Samen met bewoners, ondernemers, onze partners en andere belangrijke organisaties in de buurt werken we aan een uitvoeringsplan waarin we deze aanpak vertalen naar de praktijk. De inbreng van bewoners heeft een bepalende rol in de aanpak per buurt, waardoor de hierna beschreven plannen nog kunnen wijzigen.

Per gebied/groep:

5.1 Bloemenbuurt B(egonia) – C(rocus)

Warmteoplossing

Er is voor deze buurt gekozen voor een middentemperatuur warmtenet. De woningen zijn allemaal VvE’s met collectieve ketels, voor dit type woningen is warmtenet een zeer geschikte oplossing. Daarnaast zijn we gestart met het aansluiten van woningen in omliggende buurten, dit maakt deze buurt een logische vervolgstap voor een verdere uitrol van het warmtenet. Wanneer we aan de slag gaan met het besteden van de subsidie van het Volkshuisvestingsfonds in dit gebied (voor verduurzaming van de panden), zal er samen met de inwoners ook worden gekeken naar een aansluiting op het warmtenet.

Haalbaarheid

De buurt bestaat volledig uit particulier bezit. Hoewel de betaalbaarheid van het warmtenet op dit moment voor particulieren nog een grote uitdaging is, verwachten we in dit gebied dat het wel mogelijk is. Dit komt door de dichte bebouwing, wat betekent dat er veel volume is, en door het feit dat het collectieve aansluitingen zijn, wat maakt dat de aansluitkosten kunnen worden gedeeld.

5.2 Bloemenbuurt H(yacinth) – L(Obelia)

Warmteoplossing

Er is voor deze buurt gekozen voor een middentemperatuur warmtenet. De woningen in deze buurt zijn vrij oud met lage isolatiewaarden, dit maakt een warmtenet een geschikte oplossing. Voor het alternatief, all-electric, moeten woningen namelijk veel meer worden geïsoleerd waardoor het overstappen hiernaar een stuk kostbaarder is. Daarnaast zal het warmtenettracé door deze buurt lopen, vanwege omliggende buurten die worden aangesloten op het warmtenet. Het zou een gemiste kans zijn om woningen langs het tracé niet aan te sluiten. De verdere uitwerking voor deze buurt wordt meegenomen in het wijkuitvoeringsplan voor de gehele wijk Kort-Ambacht.

Haalbaarheid

De buurt bestaat voornamelijk uit grondgebonden particuliere woningen. Een aansluiting op het warmtenet is op dit moment niet betaalbaar voor deze doelgroep. We verwachten dat dit binnen de komende 10 jaar wel op orde komt. We starten niet eerder met de wijkgerichte aanpak voor de betaalbaarheid voor de particulieren op orde is.

5.3 Bloemenbuurt M(adelief)-Z(onnenbloem)

Warmteoplossing

Er is voor deze buurt gekozen voor een middentemperatuur warmtenet. De buurt bestaat voornamelijk uit VvE's en bezit van Woonkracht10. Woonkracht10 is voornemens om in de komende 10 jaar hun bezit aan te sluiten op het warmtenet, dit maakt het voor de omliggende VvE's ook een logische stap om aan te sluiten. Daarnaast zijn we gestart met het aansluiten van woningen in omliggende buurten, dit maakt deze buurt een logische vervolgstap voor een verdere uitrol van het warmtenet. Wanneer we aan de slag gaan met het besteden van de subsidie van het Volkshuisvestingsfonds in dit gebied (voor verduurzaming van de panden), zal er samen met de inwoners ook worden gekeken naar een aansluiting op het warmtenet.

Haalbaarheid

De buurt bestaat uit woningcorporatiebezit en particuliere VvE's. Hoewel de betaalbaarheid van het warmtenet op dit moment voor particulieren nog een grote uitdaging is, verwachten we in dit gebied dat het wel mogelijk is. Dit komt door de dichte bebouwing, wat betekent dat er veel volume is, en door het feit dat het collectieve aansluitingen zijn, wat maakt dat de aansluitkosten kunnen worden gedeeld.

5.4 Corridor-Oost

Warmteoplossing

Er is voor deze buurt gekozen voor een middentemperatuur warmtenet en all-electric oplossing. Deze buurt ligt naast andere buurten waar op korte termijn een warmtenet wordt aangelegd en de woningen van de woningcorporatie Woonkracht10 in deze buurt lenen zich voor een aansluiting op het warmtenet. Hierom is onder andere voor het warmtenet gekozen als oplossing. De aanleg van het warmtenet volgt de planning van de woningcorporatie.

Er is ook een deel nieuwbouw in deze buurt. De nieuwbouw zal niet worden aangesloten op het warmtenet maar all-electric worden, dit is een keuze van de ontwikkelaar.

Haalbaarheid

De bestaande bouw in dit gebied zijn enkel corporatiewoningen welke zullen worden aangesloten op het warmtenet. De rest van de buurt is nieuwbouw. Deze woningen zullen all-electric worden verwarmd. Hiervoor is voldoende capaciteit op het net.

5.5 Corridor-West

Warmteoplossing

Er is voor deze buurt gekozen voor een middentemperatuur warmtenet. De buurt bestaat voornamelijk uit VvE's, voor dit type woningen is warmtenet een zeer geschikte oplossing. Daarnaast ligt de buurt naast andere buurten waar een warmtenet komt. Voor de grondgebonden particuliere woningen in deze buurt geldt dat deze over lage isolatiewaarden beschikken, dit maakt het alternatief, all-electric, te duur. Met de VvE's in dit gebied gaat de gemeente de komende jaren in gesprek over een aansluiting, voor de particuliere grondgebonden woningen geldt dat dit pas gebeurt wanneer de betaalbaarheid op orde is.

Haalbaarheid

Hoewel de betaalbaarheid van het warmtenet op dit moment voor particulieren nog een grote uitdaging is, verwachten we in dit gebied dat het voor de VvE's wel mogelijk is. Dit komt door de dichte bebouwing, wat betekent dat er veel volume is, en door het feit dat het collectieve aansluitingen zijn, wat maakt dat de aansluitkosten kunnen worden gedeeld. Voor de particuliere grondgebonden woningen geldt nu dat de betaalbaarheid niet op orde is. We verwachten dat dit binnen de komende 10 jaar wel op orde komt. We starten niet eerder met de buurtgerichte aanpak voor de betaalbaarheid voor de particuliere grondgebonden woningen op orde is.

5.6 Dichtersbuurt-Midden

Warmteoplossing

Er is voor deze buurt gekozen voor een middentemperatuur warmtenet. De duurzame bron waar het warmtenet in Zwijndrecht op zal worden aangesloten bevindt zich boven deze buurt, hierdoor zal het warmtenettracé door deze buurt lopen. Het zou een gemiste kans zijn om woningen hier niet aan te sluiten. Ook leent de woningvoorraad zich goed voor het warmtenet, het is namelijk een dichtbebouwd gebied. De verdere uitwerking voor deze buurt wordt meegenomen in het wijkuitvoeringsplan voor de gehele wijk Kort-Ambacht.

Haalbaarheid

Voor de particuliere grondgebonden woningen geldt nu dat de betaalbaarheid niet op orde is. We verwachten dat dit binnen de komende 10 jaar wel op orde komt. We starten niet eerder met de buurtgerichte aanpak voor de betaalbaarheid voor de particuliere grondgebonden woningen op orde is. De overige helft van de buurt is corporatiebezit. De corporaties zijn voornemens hun bezit aan te sluiten wanneer de CV-ketels worden vervangen. Het feit dat er veel corporatiebezit aan zal sluiten, maakt het realistischer dat de betaalbaarheid op orde komt in deze buurt, de corporatiewoningen zorgen namelijk voor een groter volume.

5.7 Dichtersbuurt-West

Warmteoplossing

Er is voor deze buurt gekozen voor een middentemperatuur warmtenet. De duurzame bron waar het warmtenet in Zwijndrecht op zal worden aangesloten bevindt zich in de buurt en omringende buurten zijn ook aangewezen als warmtenet gebieden. Daarnaast beschikken de woningen in deze buurt over het algemeen over een lage isolatiegraad, dit maakt het alternatief voor een warmtenet, all-electric, te duur. De verdere uitwerking voor deze buurt wordt meegenomen in het wijkuitvoeringsplan voor de gehele wijk Kort-Ambacht.

Haalbaarheid

Voor de particuliere grondgebonden woningen geldt nu dat de betaalbaarheid niet op orde is. We verwachten dat dit binnen de komende 10 jaar wel op orde komt. We starten niet eerder met de buurtgerichte aanpak voor de betaalbaarheid voor de particuliere grondgebonden woningen op orde is. We verwachten dat er voor de VvE's wel al eerder wat mogelijk is. Dit komt door de dichte bebouwing, wat betekent dat er veel volume is, en door het feit dat het collectieve aansluitingen zijn, wat maakt dat de aansluitkosten kunnen worden gedeeld. Mogelijk gaan we hier al eerder mee aan de slag.

5.8 Eem- en Zonnestein

Warmteoplossing

Er is voor deze buurt gekozen voor een middentemperatuur warmtenet. De gehele buurt bestaat uit meergezinswoningen (appartementen) met een collectieve verwarming. Dit soort bebouwing leent zich erg goed voor het warmtenet. De woningcorporatie Woonkracht10 gaat inventariseren wanneer de collectieve ketel vervangen zou moeten worden om vervolgens dan de overstap te maken naar het warmtenet.

Haalbaarheid

Het feit dat het om grote meergezinswoningcomplexen gaat maakt een aansluiting op het warmtenet haalbaar. Het grootste deel van deze complexen is van de woningcorporatie. Het feit dat er veel corporatiebezit aan zal sluiten, maakt het realistischer dat de betaalbaarheid voor de particulieren op orde komt in deze buurt, de corporatiewoningen zorgen namelijk voor een groter volume. De corporatie en de particulieren delen de collectieve warmtevoorzienig, dit maakt hen ook afhankelijk van elkaar.

5.9 Europesebuurt

Warmteoplossing

Er is voor deze buurt gekozen voor een middentemperatuur warmtenet. De buurt bestaat voornamelijk uit VvE's, voor dit type woningen is warmtenet een zeer geschikte oplossing. Daarnaast ligt de buurt naast andere buurten waar een warmtenet komt. Voor de grondgebonden particuliere woningen in deze buurt geldt dat deze over lage isolatiewaarden beschikken, dit maakt het alternatief, all-electric, te duur. Met de VvE's in dit gebied gaat de gemeente de komende jaren in gesprek over een aansluiting, voor de particuliere grondgebonden woningen geldt dat dit pas gebeurt wanneer de betaalbaarheid op orde is.

Haalbaarheid

Hoewel de betaalbaarheid van het warmtenet op dit moment voor particulieren nog een grote uitdaging is, verwachten we in dit gebied dat het voor de VvE's wel mogelijk is. Dit komt door de dichte bebouwing, wat betekent dat er veel volume is, en door het feit dat het collectieve aansluitingen zijn, wat maakt dat de aansluitkosten kunnen worden gedeeld. Voor de particuliere grondgebonden woningen geldt nu dat de betaalbaarheid niet op orde is. We verwachten dat dit binnen de komende 10 jaar wel op orde komt. We starten niet eerder met de buurtgerichte aanpak voor de betaalbaarheid voor de particuliere grondgebonden woningen op orde is.

5.10 Koloniënbuurt

Warmteoplossing

Er is voor deze buurt gekozen voor een middentemperatuur warmtenet. Het bezit van Woonkracht10 in deze buurt is al aangesloten op het warmtenet en er komt een nieuwbouwontwikkeling welke ook zal worden aangesloten. Voor het bezit van Trivire geldt dat de corporatie voornemens is om dit na 2035 aan te sluiten. Voor de grondgebonden particuliere woningen in deze buurt geldt dat deze over lage isolatiewaarden beschikken, dit maakt het alternatief, all-electric, te duur. Daarnaast zou het een gemiste kans zijn deze woningen niet aan te sluiten wanneer het warmtenet al in deze buurt ligt.

Haalbaarheid

Zoals aangegeven ligt het warmtenet al in deze buurt en zijn de corporaties voornemens om al corporatiebezit op den duur aan te sluiten. Voor de particuliere grondgebonden woningen geldt nu dat de betaalbaarheid niet op orde is. We verwachten dat dit binnen de komende 10 jaar wel op orde komt. We starten niet eerder met de buurtgerichte aanpak voor de betaalbaarheid voor de particuliere grondgebonden woningen op orde is.

5.11 Langeraarstraat en omgeving

Warmteoplossing

Er is voor deze buurt gekozen voor een middentemperatuur warmtenet. Hoewel het overgrote deel van deze buurt niet voor 2035 aangesloten zal worden, is er één complex van Woonkracht10 dat mogelijk wel al voor 2035 zal worden aangesloten. Vanwege het feit dat de rest van de buurt ook pas na 2035, geldt dat de particuliere woningen in dit gebied ook niet voor dit jaartal zullen worden aangesloten.

Haalbaarheid

Het ene complex van Woonkracht10 welke mogelijk aangesloten zal worden kan een belangrijke factor vormen in het wel/niet verkrijgen van Rijkssubsidies. Wanneer we deze subsidies verkrijgen, is het warmtenet goed betaalbaar voor de woningcorporatie. Dit maakt het haalbaar.

5.12 Ooievaar- en Vinkplein

Warmteoplossing

Er is voor deze buurt gekozen voor een middentemperatuur warmtenet. De volledige buurt bestaat uit meergezinswoningen van woningcorporatie Trivire. Meergezinswoningen lenen zich goed voor het warmtenet. Woningcorporatie Trivire heeft aangegeven dat het voornemens is om voor 2035 deze complexen aan te sluiten op het warmtenet.

Haalbaarheid

De woningen lenen zich goed voor het warmtenet en er is voor woningcorporaties subsidie beschikbaar om hun woningen aardgasvrij te maken. Dit maakt het warmtenet in deze buurt goed haalbaar.

5.13 Planetenbuurt

Warmteoplossing

Er is voor deze buurt gekozen voor een middentemperatuur warmtenet. In de buurt gaat woningcorporatie Trivire nieuwe woningen bouwen en bestaande woningen renoveren. Voor al deze woningen geldt dat woningcorporatie Trivire voornemens is deze aan te sluiten. Naast de corporatiewoningen zitten er nog particuliere meergezinswoningcomplexen (VvE’s), welke zich goed lenen voor het warmtenet, en een aantal grondgebonden particulieren woningen in de buurt. Met de VvE's in dit gebied gaat de gemeente in 2026 in gesprek over een aansluiting, voor de particuliere grondgebonden woningen geldt dat dit pas gebeurt wanneer de betaalbaarheid op orde is.

Haalbaarheid

Voor de woningen van woningen van Trivire geldt dat de aansluitingen kunnen worden meegenomen in de nieuwbouw/renovatie werkzaamheden. Het feit dat er veel corporatiebezit aan zal sluiten, maakt het realistischer dat de betaalbaarheid voor de particulieren op orde komt in deze buurt, de corporatiewoningen zorgen namelijk voor een groter volume. We verwachten dat dit voor de VvE’s op korte termijn al zal lukken maar dat het voor de particuliere grondgebonden woningen nog even op zich zal laten wachten (wel binnen 10 jaar).

5.14 Sterrenbeeldenbuurt

Warmteoplossing

Er is voor deze buurt gekozen voor een middentemperatuur warmtenet. Woningcorporatie Trivire is voornemens om haar bezit in deze buurt op korte termijn (voor 2035) aan te sluiten op het warmtenet. Voor het bezit van Woonkracht10 en de particulieren geldt dat deze woningen zich goed lenen voor het warmtenet. Zo zijn een groot deel van de woningen meergezinswoningen en bezitten de eengezinswoningen over een lage isolatiegraad, wat een all-electric oplossing duur maakt. Deze woningen zullen alleen pas wel na 2035 worden aangesloten.

Haalbaarheid

Voor de woningen van de woningcorporaties geldt dat de woningen zich goed lenen voor het warmtenet en er dat er voor de corporaties subsidie beschikbaar is om hun woningen aardgasvrij te maken. Dit maakt een warmtenet haalbaar. Voor de particuliere woningen geldt dat de betaalbaarheid niet op orde is. Het feit dat er veel corporatiebezit aan zal sluiten, maakt het realistischer dat de betaalbaarheid voor de particulieren ook op orde komt in deze buurt. We starten niet eerder met de buurtgerichte aanpak voor de betaalbaarheid voor de particuliere grondgebonden woningen op orde is.

5.15 Staatsliedenbuurt-Zuid

Warmteoplossing

Er is voor deze buurt gekozen voor een middentemperatuur warmtenet. Er zijn in de buurt al woningen van Woonkracht10 aangesloten en hier komen in de loop van 2025 nog woningen bij. Het feit dat er al een stuk warmtenet ligt en dat particuliere grondgebonden woningen een lage isolatiegraad hebben, maken een warmtenet de meest geschikte oplossing voor deze buurt.

Haalbaarheid

De corporatiewoningen in deze buurt zijn en worden al aangesloten op het warmtenet. Voor de particuliere grondgebonden woningen geldt nu dat de betaalbaarheid niet op orde is. We verwachten dat dit binnen de komende 10 jaar wel op orde komt. Het feit dat er veel corporatiebezit aan zal sluiten/aan is gesloten, maakt het realistischer dat de betaalbaarheid voor de particulieren op orde komt in deze buurt, de corporatiewoningen zorgen namelijk voor een groter volume We starten niet eerder met de buurtgerichte aanpak voor de betaalbaarheid voor de particuliere grondgebonden woningen op orde is

5.16 Swinhove – De Lus

Warmteoplossing

Er is voor deze buurt gekozen voor een middentemperatuur warmtenet. Nagenoeg alle woningen in deze buurt zijn meergezinswoningen van Woonkracht10. Meergezinswoningen lenen zich uitstekend voor een warmtenet en woningcorporatie Woonkracht10 is voornemens om de woningen voor 2035 aan te sluiten op het warmtenet. Daarnaast ligt er al een stuk warmtenet in omringende buurt wat dit gebied een logische vervolgstap is. Tenslotte beschikken de woningen in deze buurt over het algemeen over een lage isolatiegraad, dit maakt het alternatief voor een warmtenet, all-electric, te duur.

Haalbaarheid

Voor de woningen van de woningcorporatie geldt dat de woningen zich goed lenen voor het warmtenet en er dat er subsidie beschikbaar is om deze woningen aardgasvrij te maken. Voor de particuliere grondgebonden woningen geldt nu dat de betaalbaarheid niet op orde is. We verwachten dat dit binnen de komende 10 jaar wel op orde komt. Het feit dat er veel corporatiebezit aan zal sluiten/aan is gesloten, maakt het realistischer dat de betaalbaarheid voor de particulieren op orde komt in deze buurt, de corporatiewoningen zorgen namelijk voor een groter volume We starten niet eerder met de buurtgerichte aanpak voor de betaalbaarheid voor de particuliere grondgebonden woningen op orde is.

5.17 Vogelbuurt-Oost

Warmteoplossing

Er is voor deze buurt gekozen voor een middentemperatuur warmtenet. Voorlopig is op korte termijn alleen woningcorporatie Trivire voornemens om voor 2035 woningen aan te sluiten. Voor alle woningen, zowel de corporatie als particuliere grondgebonden woningen in de buurt, geldt dat deze over lage isolatiewaarden beschikken, dit maakt het alternatief, all-electric, te duur.

Haalbaarheid

Voor de woningen van de woningcorporatie geldt dat de woningen zich goed lenen voor het warmtenet en er dat er subsidie beschikbaar is om deze woningen aardgasvrij te maken. Voor de particuliere grondgebonden woningen geldt nu dat de betaalbaarheid niet op orde is. Het aandeel van corporatiewoningen in deze buurt is ook klein wat er voor zorgt dat de benodigde volumes om het betaalbaar te maken nog achterwegen blijven. De verwachting is dat de betaalbaarheid hier niet binnen 10 jaar op orde is.

5.18 Vogelbuurt-West

Warmteoplossing

Er is voor deze buurt gekozen voor een middentemperatuur warmtenet. De woningcorporaties zijn voornemens om het bezit in deze buurt op korte termijn (voor 2035) aan te sluiten op het warmtenet. Voor de particulieren geldt dat deze woningen zich goed lenen voor het warmtenet. Zo bezitten de eengezinswoningen over een lage isolatiegraad, wat een all-electric oplossing duur maakt.

Haalbaarheid

Voor de woningen van de woningcorporatie geldt dat de woningen zich goed lenen voor het warmtenet en er dat er subsidie beschikbaar is om deze woningen aardgasvrij te maken. Voor de particuliere grondgebonden woningen geldt nu dat de betaalbaarheid niet op orde is. We verwachten dat dit binnen de komende 10 jaar wel op orde komt. Het feit dat er veel corporatiebezit aan zal sluiten/aan is gesloten, maakt het realistischer dat de betaalbaarheid voor de particulieren op orde komt in deze buurt, de corporatiewoningen zorgen namelijk voor een groter volume We starten niet eerder met de buurtgerichte aanpak voor de betaalbaarheid voor de particuliere grondgebonden woningen op orde is.

5.19 Voormalig Veilingterrein

Warmteoplossing

Er is voor deze buurt gekozen voor een middentemperatuur warmtenet. In de buurt gaat woningcorporatie Woonkracht10 nieuwe woningen bouwen en bestaande woningen renoveren. Al deze woningen zullen worden aangesloten op het warmtenet. Naast de corporatiewoningen zitten er nog particuliere meergezinswoningcomplexen (VvE’s), welke zich goed lenen voor het warmtenet, en een aantal grondgebonden particulieren woningen in de buurt. Met de VvE's in dit gebied gaat de gemeente binnen de komende 5 jaar in gesprek over een aansluiting, voor de particuliere grondgebonden woningen geldt dat dit pas gebeurt wanneer de betaalbaarheid op orde is.

Haalbaarheid

Voor de woningen van woningen van Woonkracht10 geldt dat de aansluitingen kunnen worden meegenomen in de nieuwbouw/renovatie werkzaamheden. Het feit dat er veel corporatiebezit aan zal sluiten, maakt het realistischer dat de betaalbaarheid voor de particulieren op orde komt in deze buurt, de corporatiewoningen zorgen namelijk voor een groter volume. We verwachten dat dit voor de VvE’s op korte termijn al zal lukken maar dat het voor de particuliere grondgebonden woningen nog even op zich zal laten wachten (wel binnen 10 jaar).

5.20 Winkelcentrum Walburg

Warmteoplossing

Er is voor deze buurt gekozen voor een middentemperatuur Warmtenet. De buurt bestaat bijna volledig uit meergezinswoningen van woningcorporatie Woonkracht10. Meergezinswoningen lenen zich uitstekend voor een warmtenet waardoor de woningcorporatie onlangs al is gestart met het aansluiten van een deel van hun bezit en voornemens is om de overige woningen, met uitzondering van complex ‘Het Anker’, voor 2035 aan te sluiten op het warmtenet. Naast de corporatiewoningen zitten er nog particuliere meergezinswoningcomplexen (VvE’s), welke zich goed lenen voor het warmtenet, en een aantal grondgebonden particulieren woningen in de buurt. Met de VvE's in dit gebied gaat de gemeente binnen de komende 5 jaar in gesprek over een aansluiting, voor de particuliere grondgebonden woningen geldt dat dit pas gebeurt wanneer de betaalbaarheid op orde is.

Haalbaarheid

Voor de woningen van woningen van Woonkracht10 geldt dat de aansluitingen kunnen worden meegenomen in de nieuwbouw/renovatie werkzaamheden. Het feit dat er veel corporatiebezit aan zal sluiten, maakt het realistischer dat de betaalbaarheid voor de particulieren op orde komt in deze buurt, de corporatiewoningen zorgen namelijk voor een groter volume. We verwachten dat dit voor de VvE’s op korte termijn al zal lukken maar dat het voor de particuliere grondgebonden woningen nog even op zich zal laten wachten (wel binnen 10 jaar).

6. Warmtetransitie per doelgroep

Tot nu toe is er in dit warmteprogramma steeds per buurt gekeken, maar in een buurt bevinden zich verschillende doelgroepen. In dit hoofdstuk is per paragraaf het perspectief geschetst per doelgroep.

6.1 Utiliteit

Het Klimaatakkoord heeft voor utiliteitsbouw dezelfde ambitie vastgelegd als de woningbouw. Dit betekent dat ook voor utiliteitsbouw geldt dat deze in 2050 aardgasvrij zijn. Gemeenten zijn ook voor deze verduurzamingsopgave verantwoordelijk. Het gaat daarbij om commercieel en maatschappelijk vastgoed, zoals kantoren, bedrijfspanden, winkels, scholen, musea, zorg- en sportaccommodaties.

Er zijn een aantal losse initiatieven met name op het gebied van verduurzaming van maatschappelijk vastgoed. Verder benadert HVC actief utiliteit voor het aansluiten van het warmtenet.

Daarnaast lopen er 3 sporen op specifieke doelgroepen:

  • Convenant zorg (Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid)

  • (Toekomstig) convenant scholen (Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid)

  • Ontzorgingsprogramma maatschappelijk vastgoed (Provincie Zuid-Holland)

De landelijke kaders waaruit verder doelgroepgericht de utiliteit benaderd worden:

  • Energiebesparingsplicht geldt voor bedrijven en maatschappelijke instellingen, met een jaarlijks energieverbruik boven de grens van 50.000 kWh of 25.000 m3. Deze bedrijven en instellingen moeten alle maatregelen voor verduurzaming van het energiegebruik treffen met een terugverdientijd van 5 jaar of minder. Potentieel wordt dit naar 7 jaar uitgebreid. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor toezicht en handhaving van de energiebesparingsplicht.

  • Financiering loopt via verschillende landelijke regelingen onder andere voor sportclubs, maatschappelijk vastgoed en investeringssubsidies voor duurzame energie, en verschillende fiscale regelingen voor ondernemers voor milieu- en energie investeringen5.

Wat zijn de uitdagingen?

  • Er bestaat momenteel geen regionale aanpak voor utiliteit buiten bedrijventerreinen, dus alle gemeenten zijn individueel aan zet voor deze aanpak. De Provincie ondersteunt alleen op verduurzaming van maatschappelijk vastgoed.

  • Gebiedsgericht versus doelgroepgericht – lopende initiatieven zijn met name op specifieke doelgroepen gericht. Dit is een andere aanpak dan de gebiedsgerichte aanpak van de uitvoeringsplannen. Het is zinvol om de synergie tussen deze sporen te gaan zoeken. De bedrijventerreinen aanpak (paragraaf 6.6) is hier een goed voorbeeld van.

  • Gemeentelijk vastgoed als voorbeeldfunctie – idealiter is het gemeentelijk vastgoed koploper en het voorbeeld voor het aardgasvrij maken van de utiliteit. De voorbeeldfunctie van gemeentelijk vastgoed vanwege het bereiken van de diverse doelgroepen is een belangrijke stap in het creëren van draagvlak voor de warmtetransitie in de directe omgeving van inwoners.

Uitgangspunten voor dit Warmteprogramma

  • Iedere gemeente werkt met HVC een uitvoeringsplan uit voor het aansluiten van gemeentelijk vastgoed, waarin gewerkt wordt naar het aansluiten onder redelijke voorwaarden en binnen een tijdspad dat past in de natuurlijke vervanging van installaties.

  • Uitbouwen ontzorgingsprogramma maatschappelijk vastgoed vanuit de provincie met de kaders en perspectieven van de warmte perspectiefkaarten.

6.2 Sociale woningbouw

De woningcorporaties in de Drechtsteden werken met de gemeenten en HVC gezamenlijk aan het aansluiten van woningen op het warmtenet. De woningcorporaties hebben de afgelopen jaren de rol van startmotor op zich genomen, zoals beschreven in het Klimaatakkoord van 2019 en de Nationale Prestatieafspraken van 2022. Dit betekent dat de woningcorporaties de eerste partij zijn in een wijk of buurt waar het warmtenet wordt aangesloten. Ook worden de belangen van de huurders meegenomen in deze trajecten door waardevolle samenwerkingen met huurdersverenigingen.

De woningcorporatie is het aanspreekpunt voor huurders bij het aansluiten van het warmtenet en informeert huurders zodra de woning aan de beurt is. HVC is verantwoordelijk voor afhandeling van de contracten met de huurders en de realisatie van de aansluitingen. In de perspectiefkaarten is te zien op welke termijn verwacht wordt dat dit gaat spelen. Is de aardgasvrije oplossing nog niet gekozen, dan is de gemeente dit nog met stakeholders aan het onderzoeken. Ondertussen kunnen huurwoningen wel transitiegereed of voorbereid worden op de aardgasvrije oplossing door isolatie en ventilatie te verbeteren en over te schakelen op elektrisch koken.

6.3 Overige huurwoningen

Ook voor huurwoningen in de vrije sector van woningcorporaties, institutionele beleggers, zakelijke verhuurders en particuliere verhuurders is de overstap naar aardgasvrij belangrijk. De eigenaren van deze woningen maken ook aanspraak op subsidie zoals de Stimuleringsregeling aardgasvrije huurwoningen (SAH).

Er zijn binnen de Drechtsteden geen collectieve afspraken voor de verduurzaming van deze woningen. Wel zullen al deze woningen ook in het buurt- of wijkuitvoeringsplan worden meegenomen door de gemeente.

6.4 VvE’s

Vereniging van Eigenaren (VvE) moeten gezamenlijk besluiten over de verduurzaming van hun gebouw en een aansluiting. De voorbereiding van deze besluitvorming kost veel tijd en begeleiding. Het is te adviseren minimaal 3 jaar voor de feitelijke uitvoering te starten met het proces rondom de besluitvorming. Voor VvE's die niet actief zijn (geen beslissingen maken over onderhoud) is een veel langer traject nodig en kan de doorlooptijd tussen de 7 en 10 jaar variëren.

De Rijksoverheid heeft een aantal belemmeringen in beeld gebracht om de verduurzaming van VvE's te versnellen. Met name de opkomsteis en een verhoogde meerderheid bij VvE-vergaderingen met besluitvorming zijn aangemerkt als vertragende factor. De overheid werkt daarom aan wetgeving en trajecten voor:

  • Eenvoudigere besluitvorming

  • Betere ondersteuning bij verduurzaming

  • Aanstellen van procesbegeleiders en landelijk vve-verduurzamingsloket

  • Verbeterde subsidies en leningen

Verenigingen van Eigenaren (VvE’s) met een collectieve aansluiting hebben een strategische positie binnen de warmtetransitie en specifiek bij de uitrol van het warmtenet. VvE’s vertegenwoordigen doorgaans een groot volume aan woningen, aangezien het vaak om meergezinswoningen gaat, en delen bij een collectieve aansluiting de kosten onder de bewoners. Hierdoor is een aansluiting op het warmtenet voor deze doelgroep relatief betaalbaar. Bovendien draagt het aansluiten van VvE’s bij aan de betaalbaarheid voor andere doelgroepen: hoe meer aansluitingen er gerealiseerd worden, hoe lager de eenmalige aansluitkosten per woning. Daarmee kunnen VvE’s een belangrijke impuls geven aan de verdere uitrol van het warmtenet.

De gemeente is voornemens een projectleider aan te stellen die als procesbegeleider voor VvE’s zal optreden. Deze projectleider zal, in lijn met de aansluitplanning van de woningcorporaties en het warmteprogramma, aan de slag gaan met VvE’s die in de nabijheid liggen van corporatiebezit dat op korte termijn wordt aangesloten. Voor VvE’s die eerst moeten verduurzamen voordat zij kunnen worden aangesloten op het warmtenet – bijvoorbeeld vanwege een te lage isolatiegraad voor een middentemperatuur warmtenet – zal de projectleider een begeleid traject doorlopen.

Dit traject bestaat uit het contact leggen met de VvE, het inventariseren van de huidige staat van het vastgoed en de verduurzamingsopgave, het begeleiden bij het opstellen van een verduurzamingsplan, het ondersteunen bij het aanvragen van subsidies en financiering, en het afstemmen met het warmtenetprogramma om tot een toekomstbestendige aansluiting te komen.

6.5 Eigenaar grondgebonden woning

Voor particuliere eigenaren van grondgebonden woningen is er minder complexiteit in de besluitvorming om over te stappen naar andere warmteoptie. Daarentegen is de betaalbaarheid een groter punt omdat de kosten niet collectief kunnen worden gedeeld. Iedere woningeigenaar bepaalt voor zich. Echter zorgt dit er meteen ook voor dat het tempo waarin dit gebeurt niet te sturen valt. De ervaring, ook met isolatieaanpak, leert dat een blok voor blok aanpak bij eengezinswoningen niet werkt. De natuurlijke momenten voor besluitvorming binnen een blok wisselen daarvoor te veel. Wel is uiteraard gebruik te maken van eigen inzet en groepsvorming van bewoners zelf (bottom-up). Voor eigenaar-bewoners is individuele ondersteuning te krijgen via het Energieloket van de Drechtsteden (duurzaam-drechtsteden.nl).

6.6 Bedrijventerreinen

De aanpak voor het aardgasvrij maken van bedrijventerreinen is deels een andere opgave dan die van woonwijken. Dit is de reden dat in de perspectiefkaart deze terreinen een ander label krijgen.

Er zijn verschillende redenen waarom bedrijventerreinen een ander label krijgen:

  • De warmtebehoefte is anders. Bedrijventerreinen hebben een grotere verscheidenheid in energiegebruik en warmtebehoefte. Een lagere warmtevraag voor kantoren en specifieke temperatuurvereisten voor industriële processen maken bijvoorbeeld een standaard aanpak minder geschikt. Dit maakt een uniforme aanpak complexer dan in woonwijken.

  • De verduurzaming van bedrijven, kantoren en de industrie vallen vaak onder andere beleidskaders en regelgeving ten aanzien van bijvoorbeeld aardgasvrij en energiebesparing.

Het is echter belangrijk om te kijken naar bedrijventerreinen, vooral als er kansen zijn voor uitwisseling van restwarmte met de omgeving of collectieve warmteoplossingen. Geen perspectief bieden aan bedrijven, leidt tot situatie van een ‘standstill’ of bedrijven besluiten te elektrificeren en dat moeten we willen voorkomen. Collectieve oplossingen hebben de voorkeur boven individuele oplossingen in verband met netcongestie. De kans die er speelt voor bedrijventerreinen is het volgende:

In de gehele Drechtsteden bevinden zich 64 bedrijventerreinen en in 2025 zijn 17 daarvan reeds gestart met het opzetten van energiecoöperaties. De regio werkt in de komende 4 jaar toe om op nog 45 bedrijventerreinen energiehubs op te richten. Hiertoe werkt de regio nauw samen met de Werkgevers Drechtsteden. De ondernemers zijn hierbij in de lead en zetten een zogeheten Innovatietafel Energiedelen op. De gemeenten zijn faciliterend door het beschikbaar stellen van een energie expert en digital twin (zie paragraaf 3.6). Energiecoöperaties zijn lokale samenwerkingen tussen gebruikers en producenten van energie. In een energiehub wordt energieopwek, -transport, -opslag, -conversie en -verbruik op elkaar afgestemd. Deze afstemming wordt in eerste instantie gebruikt om netcongestie tegen te gaan, maar energiecoöperaties gaan niet alleen over elektriciteit. Een energiecoöperatie kan bijvoorbeeld ook worden gebruikt om samen warmte en duurzame gassen te verbruiken, uit te wisselen en/of te produceren.

De uitgangspunten voor het aardgasvrij maken van bedrijventerreinen:

  • We zetten een fasegewijze aanpak op voor het aardgasvrij maken van bedrijventerreinen per 2026. Hierbij doorlopen we de volgende stappen:

    • Het identificeren van kansen

    • Het creëren van betrokkenheid van ondernemers

    • Het (nader) onderzoeken van warmtealternatieven  

    • Het organiseren van financiering en ondersteuning

We starten met een onderzoek naar het identificeren van kansen voor de warmtetransitie op bedrijventerreinen. Welke bedrijven hebben restwarmte en/of kunnen bijvoorbeeld aansluiten bij het warmtenet? Of zijn er bedrijventerreinen die naast woonwijken liggen waar mogelijke synergie in uitwisseling van energie kan worden gerealiseerd?  

  • We sluiten aan bij lopende projecten en initiatieven.

  • In de aanpak van de energiecoöperaties wordt warmtetransitie als een vast onderdeel meegenomen.

  • Nieuwe bedrijventerreinen worden sinds 1 juli 2018 gasloos opgeleverd. Op elk nieuw bedrijventerrein dat wordt gerealiseerd is de ambitie om aan de voorkant te starten met een energiecoöperatie en hier ook meteen de warmtevraag in mee te nemen.

6.7 Nieuwbouw

Sinds 2018 moet alle nieuwbouw aardgasvrij worden opgeleverd. De eisen voor bijna energie-neutrale gebouwen (BENG) zorgen ervoor dat nieuwbouw goed geïsoleerd is en een lage warmtevraag heeft.

Het uitgangspunt om nieuwbouw wel of niet op een warmtenet aan te sluiten wordt door een gemeente bepaald op basis van het beleid in haar warmteprogramma. Indien een initiatiefnemer van woningbouw de kosten van de aansluiting op het warmtenet te hoog vindt, moet deze dit aantonen door een vergelijkende berekening tussen warmtenet en warmtepomp (of gelijkwaardig). Deze berekening dient gemaakt te worden door een onpartijdige en deskundige derde.

Het nadeel van nieuwbouwwoningen is dat de koelbehoefte bij goed geïsoleerde woningen groter is. Met name wanneer de verplichte TOjuli eis niet is nageleefd, de indicator die sinds 2021 geldt voor de risico voor temperatuuroverschrijding in de maand juli. Ontwerpen met deze indicator, zorgen voor een woning die beter bestand is tegen hittestress. En hebben als voordeel dat actieve koeling (die de energievraag van de woning vergroten) voorkomen kan worden.

Uitgangspunten voor de technische oplossing:

  • Netbewust – Dit betekent dat energiesystemen worden gezocht die minder elektriciteit verbruiken (met name op piekmomenten) en dus het elektriciteitsnet minder belasten.

  • Collectieve oplossingen hebben daarin de voorkeur (vanwege het beheersen van de piekbelasting).

  • Passief koelen heeft de voorkeur, inclusief warmtewering, nachtventilatie en de inrichting van de buitenruimte. Er wordt hierbij gebruik gemaakt van de ladder van koeling.

6.8 Warmtegemeenschap

In het uitnodigingskader van dit warmteprogramma en ook de nieuwe Wet collectieve warmte (Wcw) wordt nadrukkelijk de rol van lokale initiatieven benadrukt. Deze initiatieven kunnen groeien naar de status van officiële warmtegemeenschap zoals bedoeld in de Wcw of energiegemeenschap zoals bedoeld in de Energiewet. We denken hierbij aan buren die met elkaar een eigen warmtebron of bronnet willen aanleggen of een onderzoek willen doen naar de alternatieven. Ook een bestaande energiecoöperatie van bedrijven valt onder deze definitie.

Financiële ondersteuning in de aanloopfase van deze initiatieven wordt o.a. verzorgd door Provincie Zuid-Holland via de Lokale initiatieven regeling (2023). Deze regeling is beschikbaar tot medio 2027. Vereisten voor deze aanvraag zijn onder andere: er is draagvlak in de buurt of wijk voor het initiatief, naast de gemeente en het initiatief is er een andere privaatrechtelijke partij bij de samenwerking betrokken en er is aandacht voor inclusiviteit. Organisatorisch kunnen bewonersinitiatieven via verschillende instanties zoals Energiesamen Zuid-Holland en LSA Bewoners ondersteuning ontvangen in kennis, proces en organisatie voor het initiatief.

7. Monitoring en evaluatie

Om de voortgang naar een aardgasvrije gemeente in 2050 te kunnen bijhouden is het belangrijk om te monitoren. Dit is verplicht voor buurten waar in de komende 10 jaar voornemens zijn de Wgiw in te zetten. Men moet zeker weten dat een alternatief voor aardgas voor alle gebouweigenaren daadwerkelijk beschikbaar en toegepast is voordat de levering van aardgas stopt. Dit heet de vergewisplicht. Ook is het belangrijk om de aanpak te evalueren en waar nodig bij te stellen. In dit hoofdstuk zijn de monitorings- en evaluatieaanpak toegelicht.

7.1 Monitoring

Om de voortgang van de warmtetransitie goed te kunnen monitoren worden een aantal indicatoren bijgehouden, deze zijn toegelicht in de volgende tabel.

Indicator

Uitwerking

Frequentie

Bron/actiehouder

Isolatiegraad

Zie toelichting onder deze tabel

Jaarlijks

Gemeente

Hoofdverwarmings-installatie

Samenvatting per buurt (cv-ketel, warmtenet, warmtepomp, anders)

Jaarlijks

CBS

Betaalbaarheid van de warmtetechnieken

Actualisatie van de inschatting van eindgebruikerskosten voor de gekozen warmtetechnieken per buurt

Incidenteel

Gemeente

Gasverbruik gebouwen

Gemiddeld gasverbruik per buurt

Jaarlijks

CBS

Bewonersbewustzijn

Bewonersenquête of andere vorm, ophalen wat het kennisniveau en de behoefte van inwoners is

Tweejaarlijks

Gemeente

Aantal aansluitingen warmtenet*

Aantal aangesloten gebouwen op het warmtenet voor gebieden waar een warmtenet wordt gerealiseerd, zie toelichting onder deze tabel

Halfjaarlijks

HVC

Opt-out*

Aantal gebouweigenaren dat gemeld heeft een alternatieve warmteoplossing te willen realiseren en het aantal dat dit al gerealiseerd heeft in een gebied waar een collectieve oplossing wordt gerealiseerd

Jaarlijks

Gemeente

Aantal aardgasvrije gebouwen*

Aantal gebouwen zonder aardgasaansluiting

Jaarlijks

Stedin

* Alleen in gebieden waar de gemeente de aanwijsbevoegdheid inzet, moet deze data gedeeld worden.

Isolatiegraad

De wens is om op termijn voor iedere woning de isolatiegraad inzichtelijk te hebben, dit is een grote opgave. De focus ligt daarom in eerste instantie op de buurten die nu een besparingsbuurt perspectief hebben. Voor deze buurten zal de komende 5 jaar actief de isolatiegraad gemonitord worden zodat bij de herijking van het warmteprogramma het perspectief voor deze buurt kan worden geactualiseerd. Het monitoringsplan hiervoor moet nog verder worden vormgegeven.

Aantal aansluitingen warmtenet

Aantal gerealiseerde warmtenetaansluitingen (peildatum 6 juni 2025): 445 WEQ

Aantal aansluitingen per buurt (gerealiseerd + in aanleg) (peildatum 6 juni 2025):

Buurt

Aantal WEQ

Wijk Walburg

276.2

Europesebuurt

120

Oud- en Gerbrandyplein

156.2

Wijk Noord

95

Langeraarstraat en omgeving

20

Schildersbuurt

75

Wijk Kort Ambacht

168.2

Kapiteinflats

139.2

Koloniënbuurt

29

7.2 Evaluatie en herijking

De uitkomsten van de monitoring worden jaarlijks besproken met het ambtelijk projectteam. Daarbij betrekken we onze partners en de regio. We maken een monitoringsverslag dat zal worden gedeeld met de gemeenteraad. Hierin doen we ook een aanbeveling voor het uitvoeringstempo in relatie tot de risico’s en kansen met betrekking tot betaalbaarheid, netcongestie en draagvlak. Bij de vaststelling van het volgende warmteprogramma in 2030 beschrijven we de voortgang van de periode 2025-2030. Het huidige warmteprogramma kijkt terug op de periode 2021-2025, zie bijlage 6.

De plannen in dit warmteprogramma zullen worden aangepast als de evaluaties daar aanleiding tot geven. Als dit gevolgen heeft voor budget, planning of doelen neemt het managementteam van de gemeente hierover een besluit. In andere gevallen besluit het projectteam. Het is denkbaar dat de evaluatie ertoe leidt dat dit warmteprogramma gewijzigd moet worden. Bijvoorbeeld om een volledig andere warmteoplossing mogelijk te maken dan hier is beschreven. Voor een dergelijke wijziging van het warmteprogramma is een nieuw besluit van het college van B&W nodig.

Bijlage I Begrippen

aanwijsbevoegdheid

Onderdeel van de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw) is de aanwijsbevoegdheid. Die biedt gemeenten de mogelijkheden om in het omgevingsplan binnen hun grondgebied gebieden aan te wijzen die binnen een bepaalde termijn overgaan op een duurzame warmtevoorziening en waar het aardgastransport dan dus eindigt.

aardgasvrij

Niet aangesloten op de fossiele brandstof aardgas. Dit betekent niet altijd gasloos, er kan duurzaam gas worden toegepast.

afleverset

Bij een warmtenet wordt er gebruik gemaakt van een afleverset in de woning. De afleverset bevindt zich in de meterkast, berging of andere technische ruimte en zorgt ervoor dat de warmte van het warmtenet de verwarmingsinstallatie van de woning bereikt.

all-electric

Warmteoptie waarbij een gebouw alleen aangesloten is op het elektriciteitsnet en verwarmen en koken gebeurt met gebruik van elektriciteit (vaak een warmtepomp).

aquathermie

Thermische energie uit oppervlaktewater, afvalwater of drinkwater dat kan worden gebruikt als bron voor een warmtenet of lokaal bronnet.

buurt

Gemeenten in Nederland zijn onderverdeeld in wijken en buurten. Buurten vormen het laagste regionale niveau. Het is op basis van historische dan wel stedenbouwkundige kenmerken homogeen afgebakend.

duurzaam gas

Gas dat afkomstig is uit een hernieuwbare bron en/of geproduceerd is met duurzame energie, zoals biogas of groene waterstof.

geothermie

Warmte afkomstig uit de aarde (aardwarmte) die ingezet kan worden als bron voor warmtenetten.

hoge temperatuur-verwarming

Verwarmingssysteem waarbij een gebouw met 75 graden of hoger wordt verwarmd en voorzien van warm tapwater.

hybride warmteoplossing

Warmtelevering met elektrische oplossing, vaak een warmtepomp, in combinatie met een cv-ketel op gas. Een klein maar noodzakelijk deel van de warmte wordt opgewekt door verbranding van een gas. Op langere termijn moet hier worden uitgegaan van een duurzaam gas.

investeringssubsidie duurzame energie (ISDE)

De ISDE kan worden gebruikt om een woning te verduurzamen. Je kunt subsidie aanvragen nadat je een (hybride)warmtepomp, zonneboiler of elektrische kookvoorziening laat installeren. Of nadat je een woning isoleert of deze aansluit op een warmtenet.

isolatiestandaard

De standaard is de term die gebruikt wordt voor de nieuwe standaard voor woningisolatie. Deze standaard geeft aan wanneer de woning goed genoeg geïsoleerd is om aardgasvrij te worden. De standaard is er voor woningen van voor 1945 en voor na 1945.

lage temperatuur-verwarming

Verwarmingssysteem waarbij een gebouw met een temperatuur van 55 graden of lager verwarmd wordt. Tapwater wordt separaat verwarmd.

lokaal bronnet

Lokale kleinschalige (collectieve) warmtevoorziening in de vorm van een zeer lage temperatuur bronnet in combinatie met een warmtepomp in het gebouw. Een bekende vorm is de warmte-koudeopslag (WKO).

midden temperatuur-verwarming

Verwarmingssysteem waarbij een gebouw met een temperatuur van 55 tot 75 graden wordt verwarmd en voorzien van warm tapwater.

netcongestie

File op het elektriciteitsnet. Netcongestie treedt op als de volledige capaciteit van het net is bereikt. Hierdoor kunnen bedrijven, nieuwbouw- en energieprojecten vaak geen of minder extra elektriciteit afnemen of terugleveren.

onderzoeksbeeld

Het onderzoeksbeeld geeft weer welke warmteoptie in welke buurt de laagste nationale kosten heeft. Aan het onderzoeksbeeld liggen verschillende modelstudies ten grondslag.

omgevingsplan

Een omgevingsplan bevat algemene regels van de gemeente voor de fysieke leefomgeving, waaronder de warmtevoorziening. Iedere gemeente heeft één omgevingsplan onder de Omgevingswet.

omgevingswet

De Omgevingswet is op 1 januari 2024 in werking getreden en staat voor een goede balans tussen het benutten en beschermen van de fysieke leefomgeving. Ook biedt de Omgevingswet gemeenten de mogelijkheid om met overzichtelijkere regels de leefomgeving meer in samenhang in te richten.

opt-out

De mogelijkheid waarbij gebouweigenaren niet kiezen voor de beoogde warmteoptie in de buurt, maar hij/zij zelf voor een gelijkwaardig alternatief zorgt (de opt-out regeling).

perspectiefkaart

De perspectiefkaart geeft voor iedere buurt de beoogde warmteoptie en bijbehorende tijdsaanduiding weer.

provinciale meerjarenprogramma infrastructuur energie en klimaat (pMIEK)

In het pMIEK wordt op provinciaal niveau keuzes vastgelegd over energie-infrastructuurprojecten, zoals hoogspanningsleidingen, transformatorstations of waterstofleidingen.

regionale energiestrategie (RES)

In de RES onderzoeken 30 energieregio’s hun vraag naar warmte en elektriciteit en geven ze aan hoeveel duurzame warmte en elektriciteit op eigen grondgebied kan worden gerealiseerd.

restwarmte

Warmte die vrijkomt bij industriële processen en gebruikt wordt als bron voor warmtenetten.

stimuleringsregeling aardgasvrije huurwoningen (SAH)

De Stimuleringsregeling aardgasvrije huurwoningen (SAH) is bedoeld voor verhuurders die de overstap willen maken van aardgas naar een lokaal of regionaal warmtenet. De regeling biedt een tegemoetkoming in de kosten die binnen en buiten de woning gemaakt moeten worden voor de aansluiting op een andere warmtebron.

toegangsmodel voor derden (nTPA)

HVC (in het geval van onze regio) dient andere warmteleveranciers tegen een redelijke vergoeding toegang te verlenen/bieden tot de door haar aangelegde thermische infrastructuur zodat andere warmteleveranciers daarvan gebruik kunnen maken.

transitievisie warmte (TVW)

Document opgesteld in 2021 waar op gemeenteniveau richting is gegeven aan een aardgasvrije toekomst. De TVW is gebruikt als basis voor dit warmteprogramma. Bij tegenstrijdigheden tussen de TVW en het warmteprogramma is het warmteprogramma leidend.

transitiepad

In een transitiepad schetsen we per buurt de route om tot een warmteoptie te komen.

Uitvoeringsplan

Per buurt of wijk wordt een uitvoeringsplan opgesteld om dit gebied met een gebiedsgerichte aanpak aardgasvrij te maken. Dit plan wordt samen met bewoners en gebouweigenaren uit de buurt of wijk bepaald. De nationale kosten, kosten voor bewoners/gebouweigenaren en de lokale situatie worden hierin meegewogen.

versnellingsprogramma

Regionaal document dat in januari 2024 is ondertekend door gemeenten en partners. Het versnellingsprogramma beschrijft hoe de partijen elkaar vasthouden in deze warmtetransitie en ons individueel en gezamenlijk inzetten om de ambitie en versnelling tot stand te brengen.

warmtegemeenschap

Een warmtegemeenschap is een warmtebedrijf van, voor en door de eindgebruikers. Dat betekent dat het eigendom en de zeggenschap over het warmtenet liggen bij de eindgebruikers van het warmtenet. Warmtegemeenschap is een term die in de Wet collectieve warmte (Wcw) is geïntroduceerd. Belangrijke eigenschappen zijn: lokaal eigendom, democratisch zeggenschap en geen winstoogmerk.

warmtekavel

Een gebied waarvoor een warmtebedrijf is of kan worden aangewezen voor de inkoop, productie, transport en levering van warmte.

warmtenet

Infrastructuur die warm water via een leidingnetwerk onder de grond levert aan gebouwen voor ruimteverwarming en eventueel warm tapwater. Dit wordt ook wel stadsverwarming of stadswarmte genoemd. Warmtenetten kunnen verschillende aanvoertemperaturen hebben.

warmteoptie

De beoogde infrastructuur voor aardgasvrije warmtelevering per buurt.

warmtepomp

Een warmtepomp onttrekt warmte aan een bron, vaak buitenlucht of grondwater, verhoogt de temperatuur en staat die hogere temperatuur weer af aan een ruimte.

warmteprogramma

Het warmteprogramma is een verplicht programma onder de Omgevingswet. In dit programma beschrijft de gemeente haar plannen voor de verduurzaming en het aardgasvrij maken van buurten en wijken voor de komende 10 jaar. En daar waar dit bekend is wordt ook het perspectief van de overige buurten gegeven. Het warmteprogramma is de opvolger van de Transitievisie Warmte die in 2021 is vastgesteld.

warmtetransitie

De warmtetransitie is de overgang van het gebruik van aardgas om gebouwen te verwarmen naar duurzame alternatieven.

wet collectieve warmte (wcw)

De Wet collectieve warmte (Wcw) vervangt de Warmtewet. Het doel van de nieuwe wet is om de ontwikkeling van nieuwe warmtenetten te vergemakkelijken en zo de energietransitie te bevorderen. Gemeenten krijgen meer sturingsmogelijkheden om in het kader van de wijkgerichte aanpak de aanleg en exploitatie van de collectieve warmtesystemen te bevorderen en worden tevens voorzien in instrumenten om publieke belangen (betaalbaarheid, betrouwbaarheid en duurzaamheid) beter te waarborgen. Collectieve warmtelevering kan uitsluitend plaatsvinden nadat een gemeente hiervoor voorzien heeft middels een aanwijzing of ontheffing.

wijk

Gemeenten in Nederland zijn onderverdeeld in wijken en buurten. Wijken zijn optellingen van één of meer aaneengesloten buurten.

woningequivalent (weq)

Het warmteverbruik van utiliteitsgebouwen is anders dan dat van woningen. Om het vergelijkbaar te houden wordt de eenheid WEQ gebruikt. Een WEQ is de hoeveelheid warmte die voor één woning gemiddeld gebruikt wordt. Bij vastgoed met een grootverbruikaansluiting (bijvoorbeeld een ziekenhuis) geldt een omrekenfactor van vermogen in kW/10, bijvoorbeeld 100 kW = 10 WEQ.

wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (wgiw)

De Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw) geeft gemeenten de bevoegdheid om regie te kunnen voeren over de wijkgerichte aanpak om woningen en gebouwen te verduurzamen (de warmtetransitie). De wet bevat hiervoor de noodzakelijke waarborgen. Een belangrijk instrument is de aanwijsbevoegdheid.

Bijlage II Blauwdruk Participatiestrategie

Participatieblauwdruk 

Warmteprogramma’s Drechtsteden regio 

1. Waarom deze aanpak?
1.1 De opgave & aanleiding 

Vanuit het Rijk is het voor iedere gemeente in Nederland verplicht om een warmteprogramma vast te stellen. De Drechtsteden regio heeft ervoor gekozen om dit gezamenlijk aan te pakken. In het Versnellingsprogramma Drechtsteden 100% aardgasvrij is afgesproken dat de Drechtsteden gemeenten in 2025 de warmteprogramma’s hebben opgesteld. De basis hiervoor zijn de Transitievisies die in 2021 zijn opgesteld.  

Om te komen tot het warmteprogramma, moet de omgeving geïnformeerd en/of betrokken worden. Om antwoord te geven op de vraag hoe we dit op een passende manier doen, is deze participatieaanpak ontwikkeld. 

Met zes van de zeven gemeenten in de Drechteden regio is er invulling gegeven aan de participatieaanpak voor de warmteprogramma’s.  

1.2 Waar staan we nu? De projectfasen

Voor het realiseren van de warmteprogramma’s, zijn er vier fasen te doorlopen. Dit zijn: 

  • Fase 1: bepalen afwegingskader 

  • Fase 2: ontwerpen perspectiefkaart 

  • Fase 3: communicatie- en participatieaanpak 

  • Fase 4: vaststellen warmteprogramma 

Op dit moment staan we nog aan het begin van dit traject. Er zijn nog geen fasen afgerond.   

Fase 1. Bepalen afwegingskader (huidige fase) 

De eerste stap van het realiseren van een warmteprogramma is het bepalen van het afwegingskader. Hierin staan de factoren/criteria op basis waarvan je kunt bepalen wat de beste alternatieve energiebron per wijk is. Aan het afwegingskader wordt momenteel gewerkt.  

In de Transitievisie is hier al een aanzet voor gedaan. Deze moet voor het warmteprogramma geactualiseerd worden.  

Fase 2. Ontwerpen perspectiefkaart (huidige fase) 

In de tweede fase wordt de perspectiefkaart ontworpen. Aan deze fase wordt op dit moment gewerkt. Dit loopt dus parallel aan de eerste fase. 

Fase 3. Communicatie- en participatieaanpak 

Verder wordt er in de derde fase gewerkt aan een communicatie- en participatieaanpak. Hierin wordt opgenomen hoe er voor de warmteprogramma’s gecommuniceerd en geparticipeerd moet worden. Deze participatieaanpak is hier een onderdeel van.  

Fase 4. Vaststellen warmteprogramma

De laatste fase is het vaststellen van het opgestelde warmteprogramma. Dit wordt gedaan door het college van B&W.   

Uitvoering

Na het vaststellen van de warmteprogramma’s, wordt hier verder richting aan gegeven in de wijkuitvoeringsplannen. Deze plannen geven invulling over wat er in de wijken van de gemeente staat te gebeuren. Dit zal de omgeving dus directer raken omdat dit dichter bij de eigen leefomgeving komt. Voor de wijkuitvoeringsplannen moet er opnieuw naar een communicatie- en participatieaanpak gekeken worden.  

Focus participatieblauwdruk

Deze participatieaanpak is een blauwdruk voor de zes Drechtsteden gemeenten die hebben meegewerkt in het proces. Dit betekent dat het kan zijn dat deze nog aangepast moet worden voor de specifieke gemeentelijke situaties. Hier is elke gemeente zelf verantwoordelijk voor. Evenals de uitvoering van de aanpak.  

2. Waarom & waarover in gesprek

Het is van belang om de participatie en communicatie zorgvuldig aan te pakken. Daarom bepalen we het doel van- en de ruimte voor participatie en de participatievragen/ communicatieboodschap die daarbij horen. De participatievragen (die nog uitgewerkt moeten worden en vertaald naar publieksvragen) en de boodschap vormen de basis van de communicatie en het participatietraject. De participatievragen worden samen met publieksgroepen beantwoord.  

In de volgende hoofdstukken is per fase te lezen hoe de communicatie en participatie wordt ingericht. Hiervoor is een participatiematrix opgesteld, die we in dit document toelichten.  

2.1 Participatieruimte & participatiekaders

Er staat al veel vast voor de warmteprogramma’s. Dit betekent dat er weinig ruimte is voor participatie met de brede omgeving. Daarom wordt er vooral ingezet op communicatie. Waar wel ruimte is voor participatie, worden duidelijke kaders meegegeven. Zodat de deelnemers weten waar ze wel en niet over mee kunnen denken.  

Er wordt met een kleine groep samenwerkingspartners samen met de gemeenten aan de warmteprogramma’s gewerkt. Dit zijn bijvoorbeeld HVC, Stedin en interne afdelingen. In alle fasen werken ze in co-creatie samen om de eindresultaten te realiseren. De overige publieksgroepen worden hierover geïnformeerd. Over het proces, actuele informatie en ontwikkelingen en wat ze kunnen verwachten. Deze informatie is voor iedereen toegankelijk. 

Wanneer er na het vaststellen van de warmteprogramma’s verder wordt gegaan met de wijkuitvoeringsplannen, komt er meer ruimte voor participatie. Dit heeft meer invloed op de directe leefomgeving van bijvoorbeeld bewoners, bedrijven en organisaties. Hierdoor wordt het voor hun relevanter om over mee te denken. De participatie voor de wijkuitvoeringsplannen, wordt t.z.t. ingericht. 

2.2 Waarover in gesprek

De samenwerkingspartners gaan in elke fase in gesprek over de eindresultaten. Om deze in co-creatie realiseren.  

Voor de rest van de publieksgroepen, kan er alleen in fase 3 mee worden gedacht over de warmteprogramma’s. Hierin kunnen ze input geven over hoe ze graag betrokken en geïnformeerd willen worden over de warmteprogramma’s. Dit wordt opgenomen in de communicatie- en participatieaanpak. Hiervoor is de volgende participatievraag opgesteld: 

Dit is straks waar het warmteprogramma over gaat. Dit werken we verder uit in een wijkuitvoeringsplan. We willen u hier zo goed mogelijk over op de hoogte houden.  

Hoe wilt u in het vervolg geïnformeerd en betrokken worden bij het warmteprogramma en de uitvoering hiervan? 

- via welke kanalen? 

- via welke afzender? 

- op regionaal of lokaal niveau? 

- via welke communicatievormen?  

- welke informatie heeft u nodig? 

- over welke thema’s? 

- over welke scenario’s? (meedoen, zelf een alternatief kiezen, verhuizen) 

Publieksvragen

De participatievraag moeten nog worden uitgewerkt naar één of meerdere publieksvragen, zodat deze begrijpelijk en aansprekend zijn voor de publieksgroepen. Door de vragen zorgvuldig te formuleren, zorg je ervoor dat de juiste informatie wordt opgehaald die echt gebruikt kan worden voor het eindresultaat. 

2.3 Communicatie

Naast participatie is communicatie voor de warmteprogramma’s cruciaal. Omdat er in de uitvoering van de warmteprogramma’s meer ruimte is voor de omgeving om mee te denken, en het steeds dichterbij de belevingswereld komt, beginnen we nu al met een goede communicatiebasis. Door transparant te zijn over de opgave, het proces en planning geeft dit de omgeving duidelijkheid over wat ze wanneer kunnen verwachten. En voelt het straks niet alsof het in één keer op ze afkomt.    

2.4 Publieksgroepen

We gaan in gesprek met verschillende publieksgroepen. Dit gesprek kan op vier verschillende niveaus gevoerd worden: 

  • Meeweten: bij dit niveau van betrokkenheid heeft een publieksgroep  geen actieve rol, maar wordt deze wel geïnformeerd over het project.  Er is hier ruimte om vragen te stellen voor de publieksgroep, maar ze  worden enkel geïnformeerd. 

  • Meedenken: bij het tweede niveau heeft de publieksgroep ruimte  om ideeën, ervaringen, zorgen of bijvoorbeeld expertise in te  brengen. Er is dus ruimte voor hun inhoudelijke inbreng. Echter  hebben ze geen doorslaggevende stem in het project. De treden van  de participatietrap die hierbij horen zijn: raadplegen en adviseren. 

  • Meewerken: als volgende niveau kan een publieksgroep aan een  project meewerken. Hier coproduceren de publieksgroep en het  projectteam. De inhoudelijke inbreng van de publieksgroep wordt  gegarandeerd meegenomen in de besluitvorming. 

  • Meebepalen: tot slot kan een publieksgroep op het hoogste niveau  medeverantwoordelijk zijn voor beslissingen die van doorslaggevende  betekenis zijn. Hier hebben de resultaten uit het participatieproces  een bindende werking en de publieksgroep mag dus meebeslissen. 

 De betrokkenheid van de publieksgroepen in het participatieproces verschilt per (sub)fase per groep. Hieronder een algemene beschrijving van de publieksgroepen in hoofdcategorieën met hun rol en betrokkenheid. Het hoogste niveau van betrokkenheid is onderstaand aangegeven. Dit is specifieker per groep, per fase uitgewerkt in de participatiematrixen (hoofdstuk 3 tot en met 6) met toelichting.  

Samenwerkingspartijen (meewerken)

Elke gemeente heeft een aantal publieksgroepen waar ze mee samenwerken aan het warmteprogramma. Deze noemen we de samenwerkingspartijen. Hieronder vallen bijvoorbeeld HVC, de netbeheerder, de woningcorporaties uit de gemeente, Stedin en specifieke interne afdelingen van de gemeente die van doen hebben met het warmteprogramma. Deze groepen zitten op het niveau van meewerken. 

Interne organisatie (meedenken)

Omdat de warmteprogramma’s en straks ook de wijkuitvoeringsplannen invloed hebben op veel verschillende afdelingen van de gemeente, wordt de interne organisatie van de gemeente (naast de afdelingen die samenwerkingspartij zijn) in het proces betrokken. De hoogste betrokkenheid is meedenken (fase 3b). Maar ze worden in de overige fasen geïnformeerd.  

Bestuur (meeweten)

Het college van B&W is de uiteindelijke beslisser die het warmteprogramma van de gemeente vast moet stellen. Maar in de participatie hebben ze de rol van meeweten. Ze worden dus op de hoogte gehouden over het proces en de uitkomsten. Zowel het college als de gemeenteraad worden geïnformeerd.  

Belangengroepen (meedenken)

In elke gemeente zijn belangengroepen actief. Denk bijvoorbeeld aan een huurdersvereniging of wijkraad. Het is belangrijk om hier rekening mee te houden in de communicatie en participatie van trajecten. De belangengroepen worden bij de warmteprogramma’s betrokken op het niveau van meedenken in fase 3b. En worden verder geïnformeerd. 

Maatschappelijke organisaties (meedenken) 

Maatschappelijke organisaties, denk hierbij aan zorginstellingen of de milieupolitie, moeten eveneens betrokken worden. Dit wordt op dezelfde manier gedaan als de belangengroepen. 

Bedrijven en ondernemingen (meedenken) 

Bedrijven en ondernemingen uit de gemeenten zullen ook mee moeten in de energietransitie. Waardoor ook de warmteprogramma’s voor hun relevant zijn. In fase 3b kunnen bedrijven daarom meedenken. En worden ze verder geïnformeerd.  

(Georganiseerde) inwoners (meedenken) 

Elke inwoner van de gemeente moet iets met de warmtetransitie. Daarom moeten zij in de totstandkoming van de warmteprogramma’s meegenomen worden. Ze worden voornamelijk geïnformeerd, maar kunnen in fase 3b meedenken. Dit geldt voor alle individuele inwoners, en voor groepen van al georganiseerde inwoners.  

3. Participatieblauwdruk fase 1 
3.1 Toelichting

Om te komen tot een lokaal warmteprogramma per gemeente, worden er 4 fasen doorlopen. In de eerste fase wordt het afwegingkader van het warmteprogramma ontwikkeld. Op basis hiervan moet een keuze gemaakt kunnen worden in wat de beste alternatieve energiebron per wijk of buurt is.  

Dit afwegingskader wordt in co-creatie gemaakt met verschillende samenwerkingspartijen. Samen werken zij aan het actualiseren van de Transitievisie Warmte. Dit wordt vanuit de gemeente gedaan tijdens persoonlijke gesprekken en/of reguliere overleggen.  

Met de overige publieksgroepen wordt er gecommuniceerd over dit afwegingskader. Hiervoor is een globale boodschap opgesteld: er wordt gecommuniceerd over de aanleiding, de huidige stand van zaken, het proces en waar de actuele informatie te vinden is. Dit wordt gedaan via een landingspagina op de gemeentelijke website, het platform duurzaam-drechtsteden.nl, een nieuwsbrief en een infographic van de (verwachte) tijdlijn van de warmteprogramma’s.  

4. Participatieblauwdruk fase 2
4.1 Toelichting

In de tweede fase wordt er gewerkt aan een perspectiefkaart met de gegevens per gebied/wijk die nodig zijn voor het realiseren van het warmteprogramma. Hier wordt, net als in fase 1, in co-creatie aan gewerkt met samenwerkingspartners. De Transitievisie is de basis, en wordt deze geactualiseerd. Hiervoor worden vanuit de gemeente persoonlijke gesprekken gevoerd, of reguliere overleggen gebruikt. 

De overige publieksgroepen worden ook hier weer geïnformeerd over de nieuwe ontwikkelingen en het proces. Maar ze hebben verder geen inbreng. De communicatiemiddelen zijn dezelfde landingspagina, platform, nieuwsbrief en infographic.  

De (georganiseerde) inwoners en bedrijven/organisaties van het gebied apart geïnformeerd over de scenario’s die de gemeente als mogelijkheid ziet voor het gebied. Er is geen ruimte om hier over te participeren, maar de gemeente wil wel actief informeren. Er kunnen vervolgens vragen over gesteld worden. Hiervoor worden informatiebijeenkomsten per gebied georganiseerd, en wordt er een websitepagina met de wijkscenario’s ontwikkeld.  

Dit afwegingskader wordt in co-creatie gemaakt met verschillende samenwerkingspartijen. Samen werken zij aan het actualiseren van de Transitievisie Warmte. Dit wordt vanuit de gemeente gedaan tijdens persoonlijke gesprekken en/of reguliere overleggen. 

Met de overige publieksgroepen wordt er gecommuniceerd over dit afwegingskader. Hiervoor is een globale boodschap opgesteld: er wordt gecommuniceerd over de aanleiding, de huidige stand van zaken, het proces en waar de actuele informatie te vinden is. Dit wordt gedaan via een landingspagina op de gemeentelijke website, het platform duurzaam-drechtsteden.nl, een nieuwsbrief en een infographic van de (verwachte) tijdlijn van de warmteprogramma’s.  

5. Participatieblauwdruk fase 3
5.1 Toelichting

Er wordt een communicatie- en participatieplan voor de uitvoering van de warmteprogramma’s opgesteld. Hiervoor wordt er door de gemeente geraadpleegd over hoe o.a. (georganiseerde) inwoners, bedrijven en (maatschappelijke) organisaties van de betreffende gemeente geïnformeerd en betrokken willen worden bij de warmteprogramma en de uitvoering hiervan. Hiervoor wordt een enquête ontwikkeld die online en offline uitgezet wordt.  

6. Participatieblauwdruk fase 4
6.1 Toelichting

In de laatste fase wordt het warmteprogramma vastgesteld. Hiervoor wordt één laatste keer met de samenwerkingspartners gesproken over het concept, zodat deze vervolgens klaar is om vastgesteld te worden door het bestuur van de gemeente. Dit doet het college van B&W in een college- of raadsbesluit. 

Voordat het programma wordt vastgesteld, wordt deze nog ter inzage gelegd aan alle inwoners. Zodat zij hier op kunnen reageren. Dit wordt gedaan via het gemeentelijk proces (zienswijzeprocedure) en op deze manier kunnen inwoners meedenken.  

De publieksgroepen worden in deze fase geïnformeerd via de vaste communicatiekanalen. Zoals ook in de vorige fasen gebeurde.  

7. Colofon SIR

Deze participatieblauwdruk is een resultaat van de Relevant Gesprek® sessies Participatie gehouden op 10 en 31 oktober 2024. Het onderwerp betrof: Het opstellen van een participatieblauwdruk voor het opstellen van de warmteprogramma’s voor de zes deelnemende Drechtsteden gemeenten. Het overnemen uit deze publicatie is toegestaan, mits de bron duidelijk wordt vermeld.

Uitgave

SIR communicatie & participatie

Voortsweg 131

7523 CD Enschede

(053) 430 70 44

Versie

Definitief

Datum

16 december 2024

Auteur

SIR communicatie & participatie

Martijn Schenning

Elizabeth Westra

Bijlage III Participatiestrategie

Participatiestrategie

Voor de participatiestrategie is dezelfde structuur gehanteerd als in de participatieblauwdruk, opgenomen in bijlage 2. Per fase is beschreven welke participatieactiviteiten de gemeente heeft uitgevoerd en welke acties in de nabije toekomst gepland staan.

Fase 1: Bepalen van het afwegingskader

Om te komen tot een lokaal warmteprogramma per gemeente zijn vier fasen doorlopen, zoals beschreven in de participatieblauwdruk. In de eerste fase is het afwegingskader voor het warmteprogramma ontwikkeld. Dit kader vormt de basis voor het maken van een onderbouwde keuze voor de meest geschikte warmteoptie per wijk of buurt.

Het afwegingskader is in co-creatie opgesteld met regionale samenwerkingspartners, waaronder Smart Delta Drechtsteden, HVC, Stedin, Woonkracht10 en Trivire. Gezamenlijk is kritisch gekeken naar het bestaande afwegingskader uit de Transitievisie Warmte. Op basis van opgedane inzichten en ervaringen is dit kader herijkt en geactualiseerd.

Daarnaast is er met inwoners gecommuniceerd over de start van het warmteprogramma en het proces rondom het bepalen van het afwegingskader. Om dit kenbaar te maken, is een landingspagina ingericht met een algemene boodschap waarin de aanleiding, het proces en een infographic met de (verwachte) tijdlijn van de warmteprogramma’s zijn opgenomen.

Naast deze algemene boodschap is er een nieuwsartikel gepubliceerd waarin het proces van het opstellen van het afwegingskader en de uitkomsten daarvan zijn toegelicht. Deze communicatie heeft plaatsgevonden via de landingspagina over het warmteprogramma op het platform duurzaam-drechtsteden.nl.

Fase 2: Ontwerpen van de perspectiefkaart

In de tweede fase is gewerkt aan een perspectiefkaart waarin per wijk of buurt de meest geschikte warmteoptie is opgenomen. Net als in fase 1 is deze kaart in co-creatie ontwikkeld met de eerdergenoemde samenwerkingspartners. De gemeente en haar partners hebben gezamenlijk alle buurten van Zwijndrecht geanalyseerd en op basis van het afwegingskader bepaald welke warmteoptie het meest passend is per gebied.

Inwoners zijn opnieuw geïnformeerd over de voortgang van het proces, zonder dat zij in deze fase directe participatiemogelijkheden hadden. De communicatie verliep via dezelfde kanalen als in fase 1, waaronder een nieuwsbericht op de landingspagina van het platform duurzaam-drechtsteden.nl. In dit bericht is het proces toegelicht, maar de perspectiefkaart zelf is op dat moment nog niet gedeeld.

Zodra de gemeente start met de uitvoeringsplannen in een specifieke wijk of buurt, worden (georganiseerde) inwoners en bedrijven/organisaties in dat gebied apart geïnformeerd over de gekozen warmteoptie. De gemeente streeft hierbij naar transparante en toegankelijke communicatie. Er zullen per gebied participatiebijeenkomsten worden georganiseerd waarin de gemeente oa toelicht waarom, op basis van het afwegingskader en in overleg met de samenwerkingspartners, voor een bepaalde warmteoptie is gekozen. Uiteindelijk kunnen bewoners zelf een keuze maken over de warmteoptie voor hun buurt.

Na de vaststelling van het warmteprogramma worden de perspectiefkaart en de bijbehorende toelichting op de gemaakte keuzes gepubliceerd op de eerdergenoemde landingspagina.

Fase 3: Opstellen van het communicatie- en participatieplan

Zoals in de vorige fase is aangegeven, zal de gemeente bij de start van de uitvoeringsplannen de inwoners van de betreffende wijk of buurt actief betrekken. Om dit zorgvuldig en effectief te doen, wordt een communicatie- en participatieplan opgesteld.

In dit kader heeft de gemeente onderzocht op welke wijze (georganiseerde) inwoners, bedrijven en maatschappelijke organisaties geïnformeerd en betrokken willen worden bij de uitvoering van het warmteprogramma. Hiervoor is een enquête ontwikkeld en verspreid, zowel online via de landingspagina als offline via de lokale krant De Brug. De resultaten van deze enquête, opgenomen in bijlage 4, vormen de basis voor de verdere uitwerking van de communicatie- en participatiestrategie.

De komende periode zal de gemeente deze strategie verder concretiseren in samenwerking met interne en externe experts op het gebied van communicatie en participatie.

Fase 4: Vaststelling van het warmteprogramma

In de laatste fase is het warmteprogramma vastgesteld. Hiervoor is een laatste conceptversie gedeeld met de samenwerkingspartners Smart Delta Drechtsteden, HVC, Stedin, Woonkracht10 en Trivire. Zij hebben de gelegenheid gekregen om hun laatste opmerkingen en suggesties te geven, welke vervolgens zijn verwerkt in het definitieve programma.

Na verwerking van deze opmerkingen is het warmteprogramma voorlopig vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders. Voordat het programma definitief werd vastgesteld, is het ter inzage gelegd voor alle inwoners. Via de officiële zienswijzeprocedure kregen zij de mogelijkheid om te reageren en hun mening te geven over het programma. In bijlage 7 kunt u teruglezen welke reacties binnen zijn gekomen en wat hiermee is gedaan. Na dit proces heeft het college van burgemeester en wethouders het warmteprogramma definitief vastgesteld.

De publieksgroepen zijn in deze fase geïnformeerd via de gebruikelijke communicatiekanalen, waaronder de landingspagina en de lokale krant De Brug.

Bijlage IV Uitkomsten Enquete Inwoners

Uitkomsten enquête inwoners

1. Communicatievoorkeuren

Vraag:

Hoe wilt u het liefst op de hoogte gehouden worden over de overgang naar duurzame energie?

Interpretatie:

  • E-mail (64%) is veruit de populairste communicatiemethode, vooral bij 46-65+ jaar. Dit wijst op een voorkeur voor directe, persoonlijke en overzichtelijke communicatie.

  • Gemeentenieuws via huis-aan-huisbladen (50%) scoort ook hoog, vooral bij ouderen (65+), wat duidt op de waarde van traditionele media.

  • Sociale media (26%) is vooral populair bij jongeren (48% bij 18-35 jaar), wat aangeeft dat digitale platforms belangrijk zijn voor het bereiken van jongere doelgroepen.

  • Gemeentelijke websites (30%) worden breed gewaardeerd, maar zijn minder dominant.

  • Opvallend: slechts 7% wil niet geïnformeerd worden, wat duidt op een brede betrokkenheid.

2. Betrokkenheid bij besluitvorming

Vraag:

Hoe vindt u dat bewoners en ondernemers betrokken moeten worden bij het maken van een uitvoeringsplan?

Interpretatie:

  • 61% vindt dat iedereen moet kunnen meedenken. Dit toont een sterke wens tot inclusieve besluitvorming.

  • 32% kiest voor een kleine vertegenwoordiging, wat wijst op vertrouwen in representatieve participatie.

  • Slechts 7% vindt dat de gemeente het alleen moet beslissen. Dit lage percentage onderstreept het belang van participatie en transparantie.

3. Bereidheid tot participatie

Vraag:

Wilt u meedenken over de keuzes die gemaakt worden in een uitvoeringsplan?

Interpretatie:

  • 23% zegt zeker te willen meedenken, vooral in Papendrecht (32%) en Alblasserdam (26%).

  • 30% zegt misschien, wat duidt op een latente bereidheid die geactiveerd kan worden met de juiste aanpak.

  • 24% wil niet meedenken, wat deels verklaard kan worden door scepsis of gebrek aan vertrouwen in het proces.

  • De bereidheid is hoger bij jongere leeftijdsgroepen, wat kansen biedt voor gerichte participatiecampagnes.

4. Voorkeursvormen van participatie

Vraag:

Hoe wilt u meedenken tijdens het maken van een uitvoeringsplan?

Interpretatie:

  • Online enquête (44%) is de populairste vorm, vooral bij 18-55 jaar. Dit wijst op de behoefte aan laagdrempelige, flexibele participatie.

  • Meedenkgroepen (21%) en bewonersavonden (18%) worden ook gewaardeerd, vooral door oudere respondenten.

  • 13% wil reageren op een concreet plan, wat duidt op een voorkeur voor participatie op basis van tastbare voorstellen.

  • De optie “anders” werd soms gebruikt om kritiek te uiten op het beleid of eerdere participatie-ervaringen.

5. Informatiebehoefte voor participatie

Vraag:

Wat heeft u nodig om goed mee te denken over een uitvoeringsplan?

Interpretatie:

  • 54% wil weten wanneer hun wijk start met de overgang. Dit geeft aan dat planning en timing cruciaal zijn.

  • 52% wil weten wat technisch de beste oplossing is voor hun woning. Er is dus behoefte aan maatwerkadvies.

  • 48% wil inzicht in de kosten van warmtepomp of warmtenet. Betaalbaarheid is een centrale zorg.

  • 45% vraagt naar subsidiemogelijkheden, wat wijst op de noodzaak van financiële ondersteuning.

  • 35% wil uitleg over warmtepomp en warmtenet zelf, vooral jongeren. Dit toont aan dat basiskennis over technologieën ontbreekt.

6. Zorgen over de warmtetransitie

Gebaseerd op open antwoorden en kwalitatieve analyse

Interpretatie:

  • Veel bewoners uiten zorgen over de betaalbaarheid van de overstap naar duurzame warmte. Ze willen niet verplicht worden tot dure systemen zonder voldoende keuzevrijheid of financiële ondersteuning.

  • Er is een duidelijke behoefte aan transparantie: bewoners willen weten hoe besluiten worden genomen en willen invloed kunnen uitoefenen.

  • In de open antwoorden komt een gevoel van wantrouwen naar voren. Veel respondenten geven aan dat eerdere inspraakmomenten weinig effect hadden en dat besluiten vaak al vastlagen. Dit leidt tot scepticisme en weerstand tegen nieuwe participatietrajecten.

  • Een deel van de respondenten is principieel tegen de energietransitie. Zij zien het als een politieke keuze waar ze het niet mee eens zijn en willen dat de bestaande gasinfrastructuur behouden blijft.

  • Deze groep vraagt niet om betere communicatie of participatie, maar verzet zich fundamenteel tegen de koers van het beleid.

Conclusie: Voor een succesvolle uitvoering van het warmteprogramma is het essentieel om niet alleen te informeren, maar ook het vertrouwen van bewoners te (her)winnen. Dit vraagt om:

  • Echte invloed voor bewoners.

  • Heldere uitleg over keuzes en kosten.

  • Erkenning van zorgen en ruimte voor kritische geluiden.

Bijlage V Perspectiefkaart met buurtnamen en bijbehorende teksten

Perspectiefkaart met buurtnamen en bijbehorende teksten

Achterlindtsestraat (bedrijventerrein): Deze buurt bestaat (bijna volledig) uit bedrijfsfuncties.

Assumburg – Lunenburg (warmtenet na 2035): Uit het onderzoeksbeeld komt het warmtenet als de beste oplossing voor deze buurt naar voren. Er zijn geen kansen om op korte termijn te starten met een warmtenet in deze buurt en daarom staat deze buurt gepland voor na 2035.

Bakestein (bedrijventerrein): Deze buurt bestaat (bijna volledig) uit bedrijfsfuncties.

Balkengat (all-electric): Deze buurt ligt op en aan een dijk wat het onmogelijk maakt om deze woningen aan te sluiten op het warmtenet. All-electric is hier een geschikte oplossing gezien de recente bouwjaren van de woningen.

Bedrijventerrein Gors-Noord (bedrijventerrein): Deze buurt bestaat (bijna volledig) uit bedrijfsfuncties.

Bedrijventerrein Gors-Zuid (bedrijventerrein): Deze buurt bestaat (bijna volledig) uit bedrijfsfuncties.

Begraafplaats Noord (all-electric): In deze buurt staat een woning die relatief goed geïsoleerd is, hierdoor is all-electric de beste oplossing.

Bloemenbuurt A(kelei) (besparingsbuurt): Het is in deze buurt onwaarschijnlijk dat er een warmtenet komt gezien hier enkel vrijstaande woningen staan. Daarnaast zijn het woningen van verschillende bouwjaren wat zorgt dat het eindbeeld van de warmtetransitie hier niet eenduidig te kiezen is. Het perspectief voor deze woningen is nu om toe te werken naar de isolatiestandaard. Er zal de komende 5 jaar actief worden gemonitord op de isolatiegraad in dit gebied. Bij de herijking wordt de warmteoptie opnieuw beoordeeld.

Bloemenbuurt B(egonia) – C(rocus) (warmtenet voor 2035): Uit het onderzoeksbeeld komt het warmtenet als beste oplossing voor deze buurt naar voren. De woningen zijn allemaal VvE’s met collectieve ketels, voor dit type woningen is warmtenet een zeer geschikte oplossing. Daarnaast zijn we gestart met het aansluiten van woningen in omliggende buurten, dit maakt deze buurt een logische vervolgstap voor een verdere uitrol van het warmtenet.

Bloemenbuurt D(ahlia) – G(eranium) (warmtenet na 2035): Uit het onderzoeksbeeld komt het warmtenet als beste oplossing voor deze buurt naar voren. Er zijn geen kansen om op korte termijn te starten met een warmtenet in deze buurt en daarom staat deze buurt gepland voor na 2035.

Bloemenbuurt H(yacinth) – L(Obelia) (warmtenet voor 2035): De woningen in deze buurt zijn vrij oud met lage energielabels, dit maakt een warmtenet een geschikte oplossing. Daarnaast zal het warmtenettracé door deze buurt lopen, vanwege omliggende buurten die worden aangesloten op het warmtenet.

Bloemenbuurt M(adelief) – Z(onnenbloem) (warmtenet voor 2035): Uit het onderzoeksbeeld komt het warmtenet als beste oplossing voor deze buurt naar voren. De buurt bestaat voornamelijk uit VvE's en bezit van Woonkracht10. Woonkracht10 is voornemens in de komende 10 jaar deze woningen aan te sluiten op het warmtenet, dit maakt het voor de omliggende VvE's ook een logische stap om aan te sluiten.

Boshuizen – Rechteren (warmtenet na 2035): Deze buurt ligt naast andere buurten waar op termijn een warmtenet wordt aangelegd. Er zijn geen kansen om op korte termijn te starten met een warmtenet in deze buurt en daarom staat deze buurt gepland voor na 2035.

Brugweg (nieuwbouw- of transformatiegebied): De bebouwing die hier zal worden geplaatst zal aardgasvrij worden opgeleverd.

Burgemeester Doornplein en omgeving (warmtenet na 2035): Deze buurt ligt naast andere buurten waar op termijn een warmtenet wordt aangelegd. Woonkracht10 is voornemens om hun bezit in deze buurt na 2035 aan te sluiten op het warmtenet. Verder bevindt zich in deze buurt enkel particulier bezit, momenteel zijn de voorwaarden nog niet op orde om particulierbezit aan te sluiten op het warmtenet. Daarom staat deze wijk op de planning voor na 2035.

Componistenbuurt-Midden (all-electric): Het ontbreken van warmtenet in omliggende buurten maakt dat een warmtenet in deze buurt niet haalbaar is. De woningen in deze buurt zijn goed geïsoleerd, hierdoor is all-electric de beste oplossing.

Componistenbuurt-Noord (all-electric): Het ontbreken van warmtenet in omliggende buurten maakt dat een warmtenet in deze buurt niet haalbaar is. De woningen in deze buurt zijn goed geïsoleerd, hierdoor is all-electric de beste oplossing.

Componistenbuurt-Zuid (besparingsbuurt): De woningvoorraad in deze buurt leent zich voor zowel een all-electric oplossing als een warmtenet. Echter, zal een eventueel warmtenettracé over het water heen moeten worden getrokken om deze buurt op het warmtenet aan te kunnen sluiten. Het is een voorwaarde dat hier subsidie voor beschikbaar komt om dit haalbaar en betaalbaar te maken. Het is tot die tijd nog niet goed te bepalen welke oplossing het meest geschikt is. Het perspectief voor deze woningen is nu om toe te werken naar de isolatiestandaard. Er zal de komende 5 jaar actief worden gemonitord op de isolatiegraad in dit gebied. Bij de herijking wordt de warmteoptie opnieuw beoordeeld.

Corridor-Oost (warmtenet voor 2035): Deze buurt ligt naast andere buurten waar op korte termijn een warmtenet wordt aangelegd. Woningcorporatie Woonkracht10 is voornemens om hun bezit in deze op korte termijn aan te sluiten op het warmtenet. Er is ook een deel nieuwbouw in deze buurt. De nieuwbouw zal niet worden aangesloten op het warmtenet maar all-electric worden, dit is een keuze van de ontwikkelaar.

Corridor-West (warmtenet voor 2035): Uit het onderzoeksbeeld komt het warmtenet als beste oplossing voor deze buurt naar voren. Ook ligt deze buurt naast andere buurten waar op korte termijn een warmtenet wordt aangelegd. In deze buurt bevindt zich een VvE vlak langs het beoogde warmtenettracé, dit kan een cruciale schakel zijn voor de koppelleiding tussen Kort-Ambacht en Walburg. De mogelijkheden worden onderzocht.

De As (all-electric): Het ontbreken van warmtenet in omliggende buurten maakt dat een warmtenet in deze buurt niet haalbaar is. De woningen in deze buurt zijn goed geïsoleerd, hierdoor is all-electric de beste oplossing.

De Geer-Oost (bedrijventerrein): Deze buurt bestaat (bijna volledig) uit bedrijfsfuncties.

De Geer-West (bedrijventerrein): Deze buurt bestaat (bijna volledig) uit bedrijfsfuncties.

De Hoge Devel (all-electric): Deze buurt bestaat enkel uit een zwembad, sportzalen en andere gebouwen met een bijeenkomstfunctie. De isolatiegraad van de panden is hoog en de komst van een warmtenet is technisch moeilijk haalbaar. Dit maakt all-electric de beste oplossing voor deze buurt.

De Were en omgeving (warmtenet na 2035): Uit het onderzoeksbeeld komt het warmtenet als beste oplossing voor deze buurt naar voren. Er zijn geen kansen om op korte termijn te starten met een warmtenet in deze buurt en daarom staat deze buurt gepland voor na 2035.

Develsteincollege (bedrijventerrein): Deze buurt bestaat (bijna volledig) uit bedrijfsfuncties.

Develzijde Nederhoven (besparingsbuurt): Het ontbreken van warmtenet in omliggende buurten maakt dat een warmtenet in deze buurt de komende 10 jaar niet haalbaar is. De relatief lage isolatiegraad van de woningen maakt een all-electric oplossing op dit moment ook nog erg kostbaar. Het perspectief voor deze woningen is nu om toe te werken naar de isolatiestandaard. Er zal de komende 5 jaar actief worden gemonitord op de isolatiegraad in dit gebied. Bij de herijking wordt de warmteoptie opnieuw beoordeeld.

Dichtersbuurt-Midden (warmtenet voor 2035): De duurzame bron waar het warmtenet in Zwijndrecht op zal worden aangesloten bevindt zich boven deze buurt, hierdoor zal het warmtenettracé door deze buurt lopen. Ook leent de woningvoorraad zich goed voor het warmtenet.

Dichtersbuurt-West (warmtenet voor 2035): Deze buurt bevindt zich vlakbij de duurzame bron voor het warmtenet en daardoor ook dicht bij het warmtenettracé. Daarnaast is een all-electric oplossing hier niet gewenst door de relatief lage isolatiegraad.

Dorp-Noordoost (all-electric): Uit het onderzoeksbeeld komt all-electric als beste oplossing voor deze buurt naar voren. De woningen zijn relatief goed geïsoleerd.

Dorp-Zuid (all-electric): Voor deze buurt is vanwege de lage bebouwingsdichtheid en de relatief goede isolatiegraad all-electric de beste oplossing.

Dorp-Zuidoost (all-electric): Voor deze buurt is vanwege de lage bebouwingsdichtheid en de relatief goede isolatiegraad all-electric de beste oplossing.

Drinkwaterbedrijf (all-electric): In deze buurt bevindt zich het drinkwaterbedrijf en twee woningen. Voor deze twee woningen is all-electric de beste oplossing, omdat de woningdichtheid laag is en een warmtenet hier niet komt door de dijk.

Eem- en Zonnestein (warmtenet voor 2035): Deze buurt is kansrijk voor het warmtenet omdat deze enkel uit meergezinswoningen bestaat. Een groot deel van de appartementencomplexen is bezit van woningcorporatie Woonkracht10. Zij hebben de intentie hun bezit de komende 10 jaar aan te sluiten op het warmtenet.

Emplacement Kijfhoek (bedrijventerrein): Deze buurt bestaat (bijna volledig) uit bedrijfsfuncties.

Emplacement Kijfhoek en Langeweg (all-electric): Uit het onderzoeksbeeld komt all-electric als beste oplossing voor deze buurt naar voren.

Europesebuurt (warmtenet voor 2035): Uit het onderzoeksbeeld komt het warmtenet als beste oplossing voor deze buurt naar voren. De buurt bestaat voor een groot deel uit meergezinswoningen (VvE's) en ligt tussen buurten waar al een stuk warmtenet ligt of de komende 10 jaar gaat komen. De komende periode gaan we in gesprek met de VvE’s over de mogelijkheden.

Euryza (all-electric): Uit het onderzoeksbeeld komt all-electric als beste oplossing voor deze buurt naar voren.

Groenesteeg – Langeweg (all-electric): Uit het onderzoeksbeeld komt all-electric als beste oplossing voor deze buurt naar voren.

Het Buitenland en omgeving (all-electric): Uit het onderzoeksbeeld komt all-electric als beste oplossing voor deze buurt naar voren. De woningen zijn relatief goed geïsoleerd.

Hilverbeek en omgeving (besparingsbuurt): Deze buurt ligt relatief ver van het beoogde warmtenettracé, wat een warmtenet voor deze buurt niet haalbaar maakt. Het perspectief voor deze woningen is nu om toe te werken naar de isolatiestandaard. Er zal de komende 5 jaar actief worden gemonitord op de isolatiegraad in dit gebied. Bij de herijking wordt de warmteoptie opnieuw beoordeeld.

Hooge Nespolder (besparingsbuurt): In deze buurt staan grotendeels vooroorlogse woningen met lage dichtheden. Dit maakt het warmtenet voor deze buurt niet haalbaar. Deze woningen zijn relatief oud en het moet nog worden uitgezocht of een all-electric oplossing haalbaar en betaalbaar is. Het perspectief voor deze woningen is nu om toe te werken naar de isolatiestandaard. Er zal de komende 5 jaar actief worden gemonitord op de isolatiegraad in dit gebied. Bij de herijking wordt de warmteoptie opnieuw beoordeeld.

Hoveniersplein – Griend (warmtenet na 2035): Deze buurt ligt naast andere buurten waar op termijn een warmtenet wordt aangelegd. Er zijn geen kansen om op korte termijn te starten met een warmtenet in deze buurt en daarom staat deze buurt gepland voor na 2035.

IJsvogelplein (warmtenet na 2035): Uit het onderzoeksbeeld komt het warmtenet als beste oplossing voor deze buurt naar voren. Ook ligt deze buurt naast andere buurten waar op korte termijn een warmtenet wordt aangelegd. De buurt bestaat volledig uit woningcorporatiebezit van Woonkracht10 welke voornemens zijn om hun bezit op korte termijn aan te sluiten.

Industriegebied Develpoort (bedrijventerrein): Deze buurt bestaat (bijna volledig) uit bedrijfsfuncties.

Industriegebied Groote Lindt (bedrijventerrein): Deze buurt bestaat (bijna volledig) uit bedrijfsfuncties.

Industriegebied Molenvliet (bedrijventerrein): Deze buurt bestaat (bijna volledig) uit bedrijfsfuncties.

Industriegebied Ringdijk (nieuwbouw- of transformatiegebied): In deze buurt staan nu twee woningen, in de rest van de buurt komt nieuwbouw. De aardgasvrije oplossing voor dit nieuwbouwproject is nog niet bekend en zal medebepalend zijn voor het voorkeursperspectief voor de twee reeds bestaande woningen. Het perspectief voor deze woningen is nu om toe te werken naar de isolatiestandaard.

Julianadorp (warmtenet na 2035): Uit het onderzoeksbeeld komt het warmtenet als beste oplossing voor deze buurt naar voren. Ook ligt deze buurt naast andere buurten waar op korte termijn een warmtenet wordt aangelegd.

Kapiteinflats (aardgasvrij): Deze buurt is reeds aangesloten op het warmtenet en dus aardgasvrij gemaakt.

Kijfhoek (besparingsbuurt): In deze buurt staan grotendeels vooroorlogse woningen met lage dichtheden. Dit maakt het warmtenet voor deze buurt niet haalbaar. Deze woningen zijn relatief oud en het moet nog worden uitgezocht of een all-electric oplossing haalbaar en betaalbaar is. Het perspectief voor deze woningen is nu om toe te werken naar de isolatiestandaard. Er zal de komende 5 jaar actief worden gemonitord op de isolatiegraad in dit gebied. Bij de herijking wordt de warmteoptie opnieuw beoordeeld.

Klarinetsingel en omgeving (all-electric): Het gebrek aan warmtenet in omliggende buurten maakt dat een warmtenet in deze buurt niet haalbaar is. De woningen in deze buurt zijn goed geïsoleerd, hierdoor is all-electric de beste oplossing.

Kleine Lindt Polder (besparingsbuurt): In deze buurt staan grotendeels vooroorlogse woningen met lage dichtheden. Dit maakt het warmtenet voor deze buurt niet haalbaar. Deze woningen zijn relatief oud en het moet nog worden uitgezocht of een all-electric oplossing haalbaar en betaalbaar is. Het perspectief voor deze woningen is nu om toe te werken naar de isolatiestandaard. Er zal de komende 5 jaar actief worden gemonitord op de isolatiegraad in dit gebied. Bij de herijking wordt de warmteoptie opnieuw beoordeeld.

Koloniënbuurt (warmtenet voor 2035): In deze buurt vindt nieuwbouwontwikkeling plaats die zal worden aangesloten op het warmtenet. Corporatiebezit van Woonkracht10 is reeds aangesloten op het warmtenet en Trivire is voornemens om haar bezit in deze buurt na 2035 aan te sluiten op het warmtenet.

Langeraarstraat en omgeving (warmtenet voor 2035): Uit het onderzoeksbeeld komt het warmtenet als beste oplossing voor deze buurt naar voren. Voor één complex van Woonkracht10 wordt nu onderzocht of deze voor 2035 kan worden aangesloten op het warmtenet. Voor de overige complexen van Woonkracht10 geldt dat deze de komende 10 jaar niet worden aangesloten. Dit geldt ook voor het particuliere bezit in deze buurt.

Leeuwerik- en Fazantplein (warmtenet na 2035): Uit het onderzoeksbeeld komt het warmtenet als beste oplossing voor deze buurt naar voren. Deze buurt bestaat volledig uit corporatiebezit van Woonkracht10. Er zijn geen kansen om op korte termijn te starten met een warmtenet in deze buurt en daarom staat deze buurt gepland voor na 2035.

Lievershil en omgeving (warmtenet na 2035): De bouwtypologie in deze buurt maakt dat deze woningen moeilijk te isoleren zijn voor een all-electric oplossing. De woningen zijn wel geschikt voor een warmtenet en deze buurt ligt ook naast buurten waar op termijn een warmtenet wordt gerealiseerd.

Meerdervoort (warmtenet voor 2035): In de komende 10 jaar zijn corporaties Trivire en Woonkracht10 voornemens om hun bezit aan te sluiten op het warmtenet. De twee particuliere woningen in deze buurt zal een aanbod worden gedaan om ook aan te sluiten.

Moermond-Zuid (besparingsbuurt): Deze buurt bestaat voornamelijk uit grondgebonden particuliere woningen. Zowel een warmtenet als all-electric oplossing is erg kostbaar. Het is nog niet vast te stellen welke oplossing beter is. Het perspectief voor deze woningen is nu om toe te werken naar de isolatiestandaard. Er zal de komende 5 jaar actief worden gemonitord op de isolatiegraad in dit gebied. Bij de herijking wordt de warmteoptie opnieuw beoordeeld.

Molenweg-West (all-electric): Voor deze buurt is vanwege de lage bebouwingsdichtheid en de relatief goede isolatiegraad all-electric de beste oplossing. Het merendeel van de woningen is bezit van WBV Heerjansdam en hebben bijna allemaal energielabel B of hoger. De komst van het warmtenet is hier uitgesloten, particuliere woningeigenaren kunnen toewerken naar de juiste isolatiegraad om vervolgens uiterlijk in 2050 over te gaan op een all-electic oplossing.

Noordpark (all-electric): Deze buurt ligt op en aan een dijk wat het onmogelijk maakt om deze woningen aan te sluiten op het warmtenet. All-electric is hier een geschikte oplossing gezien de recente bouwjaren van de woningen.

Noordzijde De Hoge Devel (all-electric): In deze buurt bevindt zich maar één woning, vanwege deze lage dichtheid is all-electric de beste oplossing.

Officiervliet-Oost (all-electric): Uit het onderzoeksbeeld komt all-electric als beste oplossing voor deze buurt naar voren.

Officiervliet-West (besparingsbuurt): In de buurten rondom deze buurt zal geen warmtenet worden aangelegd. Deze buurt heeft een lage dichtheid. Het perspectief voor deze woningen is nu om toe te werken naar de isolatiestandaard. Er zal de komende 5 jaar actief worden gemonitord op de isolatiegraad in dit gebied. Bij de herijking wordt de warmteoptie opnieuw beoordeeld.

Ooievaar- en Vinkplein (warmtenet voor 2035): Uit het onderzoeksbeeld komt het warmtenet als beste oplossing voor deze buurt naar voren. Deze buurt bestaat volledig uit bezit van Trivire en zij zijn voornemens voor 2035 te starten met het aansluiten van deze woningen op het warmtenet.

Oud- en Gerbrandyplein (aardgasvrij): Deze buurt is reeds aangesloten op het warmtenet en dus aardgasvrij gemaakt.

Oudeland en Meubelmaker (warmtenet na 2035): Uit het onderzoeksbeeld komt het warmtenet als beste oplossing voor deze buurt naar voren. Het warmtenettracé zal over het water heen moeten worden getrokken om deze buurt op het warmtenet aan te kunnen sluiten. Het is een voorwaarde dat hier subsidie voor beschikbaar komt om dit haalbaar en betaalbaar te maken.

Park Molenvliet (all-electric): De gebouwen in deze buurt zijn goed geïsoleerd en in combinatie met een lage dichtheid is all-electric hier de beste oplossing.

Pilotenbuurt (warmtenet na 2035): Uit het onderzoeksbeeld komt het warmtenet als beste oplossing voor deze buurt naar voren. Er zijn geen kansen om op korte termijn te starten met een warmtenet in deze buurt en daarom staat deze buurt gepland voor na 2035.

Planetenbuurt (warmtenet voor 2035): In deze buurt komt nieuwbouw dat zal worden aangesloten op het warmtenet. Ook worden er woningen gerenoveerd die ook worden aangesloten op het warmtenet.

Polder Heerjansdam (besparingsbuurt): In deze buurt staan grotendeels vooroorlogse woningen met lage dichtheden. Dit maakt het warmtenet voor deze buurt niet haalbaar. Deze woningen zijn relatief oud en het moet nog worden uitgezocht of een all-electric oplossing haalbaar en betaalbaar is. Het perspectief voor deze woningen is nu om toe te werken naar de isolatiestandaard. Er zal de komende 5 jaar actief worden gemonitord op de isolatiegraad in dit gebied. Bij de herijking wordt de warmteoptie opnieuw beoordeeld.

Prins Bernhardstraat en omgeving (warmtenet na 2035): Uit het onderzoeksbeeld komt het warmtenet als beste oplossing voor deze buurt naar voren. Er zijn geen kansen om op korte termijn te starten met een warmtenet in deze buurt en daarom staat deze buurt gepland voor na 2035.

Prinsessenbuurt (warmtenet na 2035): Uit het onderzoeksbeeld komt het warmtenet als beste oplossing voor deze buurt naar voren. Er zijn geen kansen om op korte termijn te starten met een warmtenet in deze buurt en daarom staat deze buurt gepland voor na 2035.

Schildersbuurt (warmtenet na 2035): Uit het onderzoeksbeeld komt het warmtenet als beste oplossing voor deze buurt naar voren. Woningcorporatie Woonkracht10 is voornemens om na 2035 aan te sluiten op het warmtenet. Verder bevindt zich in deze buurt enkel particulier bezit, momenteel zijn de voorwaarden nog niet op orde om particulierbezit aan te sluiten op het warmtenet. Daarom staat deze wijk op de planning voor na 2035.

Slagveld en Omgeving (warmtenet na 2035): Uit het onderzoeksbeeld komt het warmtenet als beste oplossing voor deze buurt naar voren. Er zijn geen kansen om op korte termijn te starten met een warmtenet in deze buurt en daarom staat deze buurt gepland voor na 2035.

Sonate en omgeving (all-electric): Uit het onderzoeksbeeld komt all-electric als beste oplossing voor deze buurt naar voren. De woningen in deze buurt zijn goed geïsoleerd, hierdoor is all-electric de beste oplossing.

Sportcomplex De Molenwei (all-electric): Voor deze buurt is vanwege de lage bebouwingsdichtheid all-electric de beste oplossing.

Staatsliedenbuurt-Noord (warmtenet na 2035): De woningen in deze buurt zijn geschikt voor het warmtenet en de buurt ligt naast andere buurten waar op korte termijn het warmtenet wordt gerealiseerd. Er zijn geen kansen om op korte termijn te starten met een warmtenet in deze buurt en daarom staat deze buurt gepland voor na 2035.

Staatsliedenbuurt-Zuid (warmtenet voor 2035): Uit het onderzoeksbeeld komt het warmtenet als beste oplossing voor deze buurt naar voren. In 2025 worden er woningen van Woonkracht10 aangesloten op het warmtenet en op korte termijn zullen er nog meer woningen van Woonkracht10 worden aangesloten.

Sterrenbeeldenbuurt (warmtenet voor 2035): Trivire is voornemens om haar bezit op korte termijn aan te sluiten. Voor het corporatiebezit van Woonkracht10 geldt hetzelfde, maar dan op de lange termijn. Verder bevindt zich in deze buurt particulier bezit, momenteel zijn de voorwaarden nog niet op orde om particulierbezit aan te sluiten op het warmtenet.

Swanendrif-Zuid (warmtenet na 2035): De woningen in deze buurt zijn geschikt voor het warmtenet en de buurt ligt naast andere buurten waar op korte termijn het warmtenet wordt gerealiseerd. Er zijn geen kansen om op korte termijn te starten met een warmtenet in deze buurt en daarom staat deze buurt gepland voor na 2035.

Swinhove – De Lus (warmtenet voor 2035): Uit het onderzoeksbeeld komt het warmtenet als beste oplossing voor deze buurt naar voren. Er wordt onderzocht op welke termijn woningen van Woonkracht10 kunnen worden aangesloten op het warmtenet.

Ter Steeghe (bedrijventerrein): Deze buurt bestaat (bijna volledig) uit bedrijfsfuncties.

Veerplein – De Werf (all-electric): Deze buurt ligt op en aan een dijk wat het onmogelijk maakt om deze woningen aan te sluiten op het warmtenet. De woningen in deze buurt zijn goed geïsoleerd, hierdoor is all-electric de beste oplossing.

Veerplein – Oostkeetshaven (all-electric): Deze buurt ligt op en aan een dijk wat het onmogelijk maakt om deze woningen aan te sluiten op het warmtenet. De woningen in deze buurt zijn goed geïsoleerd, hierdoor is all-electric de beste oplossing.

Verzetsheldenbuurt (warmtenet na 2035): De woningen in deze buurt zijn geschikt voor het warmtenet en de buurt ligt naast andere buurten waar op korte termijn het warmtenet wordt gerealiseerd. Er zijn geen kansen om op korte termijn te starten met een warmtenet in deze buurt en daarom staat deze buurt gepland voor na 2035.

Vogelbuurt-Oost (warmtenet voor en na 2035): Corporatie Trivire is voornemens om op korte termijn hun bezit aan te sluiten. Verder bevindt zich in deze buurt particulier bezit, momenteel zijn de voorwaarden nog niet op orde om particulierbezit aan te sluiten op het warmtenet.

Vogelbuurt-West (warmtenet voor 2035): Deze buurt bestaat voor de helft uit corporatiebezit, de corporaties zijn voornemens om hun bezit voor 2035 aan te sluiten. Verder bevindt zich in deze buurt particulier bezit, momenteel zijn de voorwaarden nog niet op orde om particulierbezit aan te sluiten op het warmtenet.

Voormalig veilingterrein (warmtenet voor 2035): Uit het onderzoeksbeeld komt het warmtenet als beste oplossing voor deze buurt naar voren. De woningen van woningcorporatie Woonkracht10 zullen voor 2035 worden aangesloten. Dit gaat deels om nieuwbouw en deels om gerenoveerde woningen.

Westkeetshaven (all-electric): Deze buurt ligt op en aan een dijk wat het onmogelijk maakt om deze woningen aan te sluiten op het warmtenet. All-electric is hier een geschikte oplossing gezien de recente bouwjaren van de woningen.

Winkelcentrum Walburg (warmtenet voor 2035): Uit het onderzoeksbeeld komt het warmtenet als beste oplossing voor deze buurt naar voren. Er is hier reeds gestart met het aansluiten van corporatiebezit op het warmtenet. Het Anker (Woonkracht10) wordt op langere termijn aangesloten. Verder bevindt zich in deze buurt particulier bezit, momenteel zijn de voorwaarden nog niet op orde om particulierbezit aan te sluiten op het warmtenet.

Zeeheldenbuurt (warmtenet na 2035): Uit het onderzoeksbeeld komt het warmtenet als beste oplossing voor deze buurt naar voren. Er zijn geen kansen om op korte termijn te starten met een warmtenet in deze buurt en daarom staat deze buurt gepland voor na 2035.

Bijlage VI Terugblik 2021-2025

Terugblik 2021-2025

In de afgelopen 5 jaar hebben de woningcorporaties flinke stappen gezet in het verduurzamen van hun bezit, energielabels zijn verbeterd en woningen zijn aangesloten op het warmtenet. Voor Heerjansdam bleef het lang onzeker of zij op termijn aangesloten zouden kunnen worden op het warmtenet, er is inmiddels definitief besloten dat hier geen grootschalig collectief warmtenet zal worden gerealiseerd door warmteleverancier HVC. Het was voor alle partijen een verrassing hoeveel inzet er nodig is om een complex aardgasvrij te maken, desondanks gaan wij hier gestaag mee verder. De leermomenten van deze projecten nemen wij mee naar de toekomstige projecten. Er zijn tot nu toe nog geen particulieren aangesloten op het warmtenet, onze verwachting is dat dit een moeilijke opgave gaat zijn maar wij zetten ons gezamenlijk in om dit mogelijk te maken. Het is hierin essentieel dat de randvoorwaarden door het Rijk op orde worden gebracht, zie ook paragraaf 2.4, dit is de afgelopen 5 jaar nog niet verwezenlijkt. Daarnaast zijn participatie, communicatie en handelingsperspectief hierin essentiële onderdelen. Er zijn een hoop externe factoren waar rekening mee moet worden gehouden en die soms ook onverwachts op ons pad komen. We zijn trots op hoe wij hier met alle partijen goed samenwerken en waar we elkaar blijven vasthouden.

Bijlage VII Reacties uitkomst ter inzagelegging

Indiener

Zienswijze

Beantwoording

Gevolgen voor het programma

Welzijnsorganisatie Diverz

Diverz vraagt om meer aandacht voor de sociale kant van de energietransitie. Zij benoemen zorgen van bewoners over planning, betaalbaarheid en participatie. Ook stellen zij voor om actief samen te werken aan wijkgerichte communicatie en ondersteuning.

De gemeente erkent het belang van de sociale dimensie en waardeert de inzet van Diverz. Suggesties zoals bewonerspanels en wijkbijeenkomsten worden meegenomen in het communicatie- en participatieplan. Er wordt geen formele samenwerking gegarandeerd, maar de gemeente ziet mogelijkheden voor een rol van Diverz in de uitvoering.

De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het programma zelf, maar wel tot een versterkte focus op participatie en communicatie. De gemeente staat open voor verdere verkenning van samenwerking met Diverz.

Drinkwaterbedrijf Oasen

Oasen vraagt om bescherming van drinkwaterbronnen bij aanleg van bodemenergiesystemen en warmtenetten. Zij wijzen op risico’s voor waterkwaliteit en vragen om afstemming bij ondergrondse infrastructuur.

De gemeente neemt de zorgen serieus en bevestigt dat er geen leidingen worden aangelegd zonder afstemming met Oasen. Dit is geborgd via het programmateam infrastructuur en de programmeertafel.

De zienswijze leidt niet tot wijziging van het programma, maar bevestigt het belang van zorgvuldige afstemming. De samenwerking met Oasen wordt voortgezet binnen bestaande overlegstructuren.

Naar boven