U bekijkt een publicatie met

Toon versie van document

Vaststelling 1e wijzigingsbesluit omgevingsplan gemeente Krimpenerwaard milieuthema's

De raad van de gemeente Krimpenerwaard;

Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 9 september 2025, nr 1627931/1697453, inzake 1e wijzigingsbesluit omgevingsplan gemeente Krimpenerwaard milieuthema's;

Gelet op artikel 2.8 van de Omgevingswet en afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht;

Overwegende dat:

  • de Omgevingswet en het Omgevingsbesluit de raad de bevoegdheid geven tot vaststellen en wijzigen van het omgevingsplan;

  • er aanleiding is het omgevingsplan te wijzigen om de structuur van het omgevingsplan vast te leggen en een aantal milieuthema's op te nemen;

  • een ontwerp van het wijzigingsbesluit, inclusief toelichting en bijbehorende geometrieën (GIO's), van 2 juli 2025 tot en met 12 augustus 2025 ter inzage heeft gelegen;

  • belanghebbenden in de gelegenheid zijn gesteld om zienswijzen naar voren te brengen;

  • gezien de beperkte impact van de wijziging het participatietraject beperkt is gebleven tot het ter inzage leggen van het ontwerpwijzigingsbesluit, waarbij inwoners, bedrijven en maatschappelijke instellingen de mogelijkheid is geboden om een zienswijze in te dienen;

  • advies is ingewonnen bij provincie, waterschappen en de ODMH en deze adviezen zijn verwerkt;

  • de wijziging leidt tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als bedoeld in artikel 4.2 van de Omgevingswet;

Artikel I

Besluit :

In te stemmen met de Nota van beantwoording zienswijzen 1e wijzigingsbesluit omgevingsplan gemeente Krimpenerwaard milieuthema's;

Het omgevingsplan gemeente Krimpenerwaard te wijzigen overeenkomstig het bij dit besluit behorende 1e wijzigingsbesluit omgevingsplan gemeente Krimpenerwaard milieuthema's, met de bij het 1e wijzigingsbesluit behorende en als zodanig gewaarmerkte geometrieën.

zoals is aangegeven in Bijlage A.

Artikel II

[Gereserveerd]

Artikel III

Dit besluit treedt in werking op 7 januari 2026.

Gedurende de termijn van ter inzagelegging is het instellen van beroep tegen de besluiten mogelijk voor belanghebbenden. Dit kan van vrijdag 10 december 2025 tot en met donderdag 21 januari 2026.

Een beroepschrift wordt ingediend bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. U kunt ook digitaal beroep indienen. Daarvoor moet u wel beschikken over een elektronische handtekening (DigiD). Kijk op de website Externe link:raadvanstate.nl/overrvs/bestuursrechtspraak/hoger-beroep/ voor meer informatie over het digitaal indienen van beroep. Tijdens de beroepstermijn kunt u een verzoek om voorlopige voorziening indienen bij de voorzitter van deze afdeling. U kunt ook digitaal een verzoek om voorlopige voorziening indienen. Daarvoor moet u wel beschikken over een elektronische handtekening (DigiD). Kijk op de website Voorlopige voorziening - Raad van State voor meer informatie over het digitaal indienen van een verzoek om voorlopige voorziening.

Aldus besloten door de gemeenteraad van de gemeente Krimpenerwaard in zijn vergadering van 18 november 2025.

Stolwijk, 9 december 2025

Bijlage A

A

Artikel 1.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

  • 2 1.

    Bijlage I bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van Hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan.

  • 1 2.

    Begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op Hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan.

    Artikel 1.1 van het Omgevingsbesluit, artikel 1.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, artikel 1.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving en artikel 1.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving, zijn vanovereenkomstige toepassing op dit omgevingsplan, tenzij in Bijlage I Begripsbepalingen daarvan is afgeweken.

  • 3.

    In aanvulling op het bepaalde in het eerste en tweede lid, geldt voor de regels die behoren tot het tijdelijke deel van het omgevingsplan dat de begripsbepalingen uit dat tijdelijke deel onverkort van toepassing blijven.

  • 4.

    In aanvulling op het bepaalde in het eerste en tweede lid zijn daar waar een TAM-omgevingsplan geldt de begripsbepalingen zoals die zijn opgenomen in dat TAM-omgevingsplan van toepassing op de regels in dat TAM-omgevingsplan.

  • 5.

    Als een begripsbepaling in het tijdelijk deel van het omgevingsplan of een TAM-omgevingsplan afwijkt van een begripsbepaling, opgenomen in Bijlage I Begripsbepalingen, dan is op de begripsbepaling in het tijdelijk deel van het omgevingsplan of het TAM-omgevingsplan van toepassing op de desbetreffende regels in het tijdelijk deel van het omgevingsplan of TAM-omgevingsplan.

B

Hoofdstuk 2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 2 [Gereserveerd] Doelen en omgevingswaarden

[Gereserveerd]

Afdeling 2.1 Doelen omgevingsplan

Artikel 2.1 Doelen omgevingsplan

Dit omgevingsplan is, met het oog op de doelen van artikel 1.3 van de Omgevingswet gericht op:

  • a.

    Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties;

  • b.

    Het beschermen van een goed woon- en leefklimaat;

  • c.

    Het waarborgen van de veiligheid;

  • d.

    Het beschermen van de gezondheid;

  • e.

    Het beschermen van het milieu;

  • f.

    Het duurzaam veilig stellen van de openbare drinkwatervoorziening;

  • g.

    Het beschermen van de landschappelijke en stedenbouwkundige waarden;

  • h.

    Het behoud van cultureel erfgoed;

  • i.

    De natuurbescherming;

  • j.

    De instandhouding van het bosareaal binnen de gemeente;

  • k.

    het beperken van de negatieve gevolgen van klimaatverandering;

  • l.

    Het aanpassen van de fysieke ruimte aan de gevolgen van klimaatverandering, waaronder wateroverlast en hittestress;

  • m.

    Het waarborgen van een goede kwaliteit van bouwwerken;

  • n.

    Het behoeden van de staat en werking van infrastructuur voor nadelige gevolgen van activiteiten;

  • o.

    Het beheren van infrastructuur;

  • p.

    Het beheren van watersystemen;

  • q.

    het beheren van geohydrologisch en geothermische systemen en ecosystemen;

  • r.

    Het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van lucht, bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen;

  • s.

    Het beheren van natuurlijke hulpbronnen;

  • t.

    Het beheren van natuurgebieden;

  • u.

    Het gebruiken van bouwwerken;

  • v.

    Het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte van personen;

  • w.

    Het doelmatig gebruiken van energie en grondstoffen;

  • x.

    Het bevorderen van een duurzame ruimtelijke en economische ontwikkeling van gebieden;

  • y.

    Het waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat;

  • z.

    Het bieden van voldoende fysieke en milieuruimte voor milieubelastende bedrijven en andere activiteiten, anders dan woonactiviteiten;

  • aa.

    Het bevorderen van een duurzame ontwikkeling;

  • ab.

    Het kunnen overschakelen van fossiele energie naar hernieuwbare energie;

  • ac.

    het kunnen benutten van de openbare ruimte voor verkeer, parkeren en afvalinzameling;

  • ad.

    Het bieden van voldoende woonruimte;

  • ae.

    Het bereikbaar en toegankelijk maken van gebieden;

  • af.

    Het doelmatig beheren van afvalstoffen;

  • ag.

    Het voorkomen van leegstand van voormalige agrarische bebouwing;

  • ah.

    Het bevorderen van extensief recreatief medegebruik;

  • ai.

    Het beschermen en waar mogelijk vergroten van de openheid van het landschap;

  • aj.

    Het tegengaan van verrommeling van erven en terreinen en behoud van beeldkwaliteit van bebouwing;

  • ak.

    Het voorkomen en beschermen van mensen tegen infecties door het houden van landbouwhuisdieren;

  • al.

    Het behouden en herstellen van waardevolle bouwwerken en landschappelijke elementen;

  • am.

    Het vergroten van de natuurbeleving en recreatie waarden, zonder afbreuk te doen aan natuurwaarden;

  • an.

    Het behouden van een klimaatbestendig watersysteem;

  • ao.

    Het realiseren van een hoge architectonische kwaliteit van het openbaar gebied en van bebouwing;

  • ap.

    Het realiseren van een fietsvriendelijk woongebied;

  • aq.

    Het realiseren van een woongebied dat ontsloten is met openbaar vervoer;

  • ar.

    Het realiseren van een akoestisch aanvaardbaar woongebied;

  • as.

    Het realiseren van een woongebied met een aanvaardbaar geurniveau;

  • at.

    Het realiseren van een veilig woongebied;

  • au.

    Het realiseren van een energieneutraal woongebied;

  • av.

    Het realiseren van een klimaatbestendig woongebied;

  • aw.

    Het realiseren van een speel- en beweegvriendelijk woongebied;

  • ax.

    Het beschermen van natuurgebieden;

  • ay.

    Een hoge kwaliteit van het openbaar gebied;

  • az.

    Het voorkomen van geluidhinder;

  • ba.

    Het waarborgen van de veiligheid van het publiek van natuurgebieden en recreatieterreinen;

  • bb.

    Een veilige en doelmatige werking van de voorzieningen voor het beheer van het afvalwater.

Afdeling 2.2 Verplichte omgevingswaarden

[Gereserveerd]

Afdeling 2.3 Facultatieve omgevingswaarden

Artikel 2.2 Omgevingswaarde bodem

[Gereserveerd]

C

Het opschrift van hoofdstuk 3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 3 Programma's [Gereserveerd gereserveerd]

D

Hoofdstuk 4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 4 [Gereserveerd] Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving

[Gereserveerd]

Afdeling 4.1 Thematische aanwijzingen

Paragraaf 4.1.1 Milieu
Subparagraaf 4.1.1.1 Algemeen

Artikel 4.1 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over activiteiten met betrekking tot milieu.

Artikel 4.2 Doelen

Voor activiteiten met betrekking tot milieu gelden de volgende doelen:

  • a.

    het waarborgen van de veiligheid;

  • b.

    het beschermen van de gezondheid; en

  • c.

    het beschermen van het milieu, voor zover het gaat om:

    • 1.

      het beschermen tegen milieuverontreiniging;

    • 2.

      het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van lucht, bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen;

    • 3.

      het doelmatig gebruik van energie en grondstoffen;

    • 4.

      een doelmatig beheer van afvalstoffen;

    • 5.

      het voorkomen of beperken van geluidhinder, trillinghinder, lichthinder en geurhinder;

    • 6.

      het beperken van de kans op en het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de wet;

    • 7.

      het beschermen van de doelmatige werking van voorzieningen voor het beheer van afvalwater;

    • 8.

      het voorkomen en beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste;

    • 9.

      het vervullen van de maatschappelijke functies door watersystemen;

    • 10.

      het beschermen van de duisternis en het donkere landschap; of

    • 11.

      het voorkomen of beperken van de nadelige gevolgen voor het milieu van het verkeer van personen en goederen van en naar een activiteit.

Subparagraaf 4.1.1.2 Bodem

Artikel 4.3 Toepassingsbereik

Deze subparagraaf gaat over activiteiten met betrekking tot de bodem.

Artikel 4.4 Doelen

Voor activiteiten met betrekking tot bodem gelden de volgende doelen:

  • a.

    het beschermen van de gezondheid;

  • b.

    het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van de bodem;

  • c.

    het beschermen en verbeteren van de grondwaterkwaliteit;

  • d.

    het doelmatig benutten van de bodem;

  • e.

    het zuinig gebruik van grondstoffen; en

  • f.

    het doelmatig beheer van afvalstoffen.

Artikel 4.5 Aanwijzing zettingsgevoelig gebied

Er is een Zettingsgevoeliggebied.

Artikel 4.6 Het leiden van afvalwater door een olieafscheider

Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.4, wordt bij het leiden van afvalwater door een olieafscheider in Zettingsgevoeliggebied voldaan aan Subparagraaf 5.2.2.1.

Artikel 4.7 Het toepassen van grond en baggerspecie

Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.4, wordt bij het op of in de bodem toepassen van grond of baggerspecie voldaan aan Subparagraaf 5.2.2.2.

Artikel 4.8 Het terugplaatsen van grond bij werk in kabel- en leidingentracés

Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.4, wordt bij het tijdelijk uitnemen van grond bij werkzaamheden ten behoeve van kabels en leidingen (inclusief rioleringen) tot een diepte van 2 meter beneden maaiveld voldaan aan Subparagraaf 5.2.2.3.

Artikel 4.9 Het wijzigen van gebruiksruimte waardoor een bodemgevoelige locatie ontstaat

Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.4, wordt bij het wijzigen van gebruik van een locatie, waardoor een bodemgevoelige locatieontstaat, voldaan aan Subparagraaf 5.2.2.4.

Subparagraaf 4.1.1.3 Niet-industriële voedselbereiding

Artikel 4.10 Toepassingsbereik

Deze subparagraaf gaat over activiteiten met betrekking tot niet-industriële voedselbereiding.

Artikel 4.11 Doelen

Voor activiteiten met betrekking tot niet-industriële voedselbereiding gelden de volgende doelen:

  • a.

    het beschermen van de gezondheid;

  • b.

    het beschermen van de veiligheid;

  • c.

    het beschermen van de natuur;

  • d.

    het beperken van de luchtverontreiniging; en

  • e.

    het doelmatig beheer van afvalstoffen.

Artikel 4.12 Niet-industriële voedselbereiding

Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.11, wordt bij het bereiden van niet-industrieel voedsel met de volgende apparatuur:

  • a.

    keukenapparatuur;

  • b.

    grootkeukenapparatuur;

  • c.

    een of meer bakkerijovens die chargegewijs worden beladen; of

  • d.

    een of meer bakkerijovens die continu worden beladen met een nominaal vermogen of een aansluitwaarde van ten hoogste 100 kW,

voldaan aan Paragraaf 5.2.3.

Afdeling 4.2 Gebiedstypen [gereserveerd]

[Gereserveerd]

E

Hoofdstuk 5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 5 [Gereserveerd] Activiteiten

[Gereserveerd]

Afdeling 5.1 Algemene bepalingen

Artikel 5.1 Toepassingsbereik

Met uitzondering van Afdeling 5.1 en Paragraaf 5.2.1 is een paragraaf in dit hoofdstuk alleen van toepassing voor zover dat in Hoofdstuk 4 is bepaald.

Artikel 5.2 Normadressaat

Aan Hoofdstuk 4 en Hoofdstuk 5 wordt voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij anders is bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Artikel 5.3 Maatwerkvoorschriften
  • 1.

    Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de regels over activiteiten in dit hoofdstuk, tenzij anders is bepaald.

  • 2.

    Een vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 4.5 van de wet kan aan een omgevingsvergunning als bedoeld in dit hoofdstuk worden verbonden, over de regels over activiteiten in dit hoofdstuk, tenzij anders is bepaald.

  • 3.

    Met een maatwerkvoorschrift of vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van de regels over activiteiten in dit hoofdstuk, tenzij anders is bepaald of hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving zich daar tegen verzet.

  • 4.

    Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in dit hoofdstuk kan worden verbonden.

  • 5.

    Het eerste en tweede lid gelden niet voor zover het stellen van maatwerkvoorschriften is uitgesloten in het Besluit activiteiten leefomgeving.

  • 6.

    Bij het stellen van een maatwerkvoorschrift over de regels in dit hoofdstuk worden de oogmerken, met het oog waarop de regels in de betreffende titel, afdeling of paragraaf zijn gesteld, in acht genomen.

Artikel 5.4 Specifieke zorgplicht

Degene die een activiteit als bedoeld in dit hoofdstuk verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de oogmerken, met het oog waarop de regels in de betreffende afdeling of paragraaf zijn gesteld, is verplicht:

  • a.

    alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;

  • b.

    voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en

  • c.

    als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten, voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

Artikel 5.5 Algemene gegevens bij een melding

Een melding wordt ondertekend en bevat ten minste:

  • a.

    de aanduiding van de activiteit;

  • b.

    de naam en het adres van degene die de activiteit verricht;

  • c.

    het adres waarop de activiteit wordt verricht; en

  • d.

    de dagtekening.

Artikel 5.6 Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden

Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders, worden die ondertekend en voorzien van:

  • a.

    de aanduiding van de activiteit;

  • b.

    de naam en het adres van degene die de activiteit verricht;

  • c.

    het adres waarop de activiteit wordt verricht; en

  • d.

    de dagtekening.

Artikel 5.7 Gegevens bij het wijzigen van naam, adres of normadressaat
  • 1.

    Voordat de naam of het adres, bedoeld in Artikel 5.5 of Artikel 5.6, wijzigen, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 2.

    Ten minste vier weken voor de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 5.8 Gegevens en bescheiden op verzoek van het college van burgemeester en wethouders
  • 1.

    Op verzoek van het college van burgemeester en wethouders worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te bezien of de algemene regels in dit hoofdstuk en maatwerkvoorschriften op grond van dit hoofdstuk voor de activiteit toereikend zijn gezien de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van de fysieke leefomgevingen de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van de fysieke leefomgeving.

  • 2.

    Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen.

Artikel 5.9 Algemene aanvraagvereisten omgevingsvergunning

In aanvulling op de Algemene aanvraagvereisten in artikel 7.3 Omgevingsregeling, worden bij het verstrekken van gegevens en bescheiden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.1 van de wet, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

[gereserveerd]

Artikel 5.10 Gelijkwaardige maatregelen (algemeen)

[Gereserveerd]

Artikel 5.11 Informeren over een ongewoon voorval

[Gereserveerd]

Artikel 5.12 Gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval
  • 1.

    Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders:

    • a.

      informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan;

    • b.

      informatie over de vrijgekomen stoffen en hun eigenschappen;

    • c.

      andere gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en

    • d.

      informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet.

  • 2.

    Het eerste lid geldt niet voor milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in Hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 5.13 Informeren over bijzondere omstandigheden die geen ongewoon

[Gereserveerd]

Artikel 5.14 Maatregelen bij bijzondere omstandigheden in de fysieke leefomgeving

[Gereserveerd]

Artikel 5.15 Omgevingsvergunning afwijken van regels in dit omgevingsplan

[Gereserveerd]

Artikel 5.16 Algemene beoordelingsregel

[Gereserveerd]

Artikel 5.17 Inherente afwijkingsmogelijkheden

[Gereserveerd]

Afdeling 5.2 Milieubelastende activiteiten

Paragraaf 5.2.1 Algemene bepalingen
Artikel 5.18 Algemeen toepassingsbereik
  • 1.

    Deze afdeling is van toepassing op een milieubelastende activiteit, als bedoeld in de bijlage bij de Omgevingswet.

  • 2.

    Deze afdeling is niet van toepassing op:

    • a.

      wonen;

    • b.

      het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein;

    • c.

      een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht;

    • d.

      doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen;

    • e.

      een evenement:

    • f.

      het verrichten van werkzaamheden met een mobiele installatie op een weiland, akker of bos die geen verplaatsbaar mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; en

    • g.

      bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen.

  • 3.

    Het tweede lid geldt niet voor milieubelastende activiteiten die bestaan uit het lozen op of in de bodem of op de riolering, voor zover het gaat om de gevolgen van het lozen voor de bodem, voor de voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater of voor het zuiveringtechnisch werk.

Artikel 5.19 Oogmerken

De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    het waarborgen van de veiligheid;

  • b.

    het beschermen van de gezondheid; en

  • c.

    het beschermen van het milieu, waaronder:

    • 1.

      het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van lucht, bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen;

    • 2.

      het doelmatig gebruik van energie en grondstoffen;

    • 3.

      het voorkomen van verspreiding van verontreinigde grond;

    • 4.

      het behoud van gebruiksmogelijkheden van grond en de bodem; en

    • 5.

      een doelmatig beheer van afvalstoffen.

Artikel 5.20 Specifieke zorgplicht
  • 1.

    De specifieke zorgplicht, bedoeld in Artikel 5.4 houdt voor de activiteiten, bedoeld in Artikel 5.18 in ieder geval in dat:

    • a.

      alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen;

    • b.

      alle passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid worden getroffen;

    • c.

      de beste beschikbare technieken worden toegepast;

    • d.

      geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt;

    • e.

      alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet;

    • f.

      afvalwater dat wordt geloosd en gekanaliseerde emissies van stoffen in de lucht doelmatig kunnen worden bemonsterd;

    • g.

      metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund;

    • h.

      meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt, en gepresenteerd;

    • i.

      voor zover verontreiniging van de bodem ontstaat, herstel van de bodem redelijkerwijs mogelijk blijft; en

    • j.

      afvalstoffen worden afgevoerd na beëindiging van een activiteit.

  • 2.

    De specifieke zorgplicht, bedoeld in Artikel 5.4, houdt in ieder geval ook in dat:

    • a.

      de nadelige gevolgen voor het milieu van het verkeer van personen en goederen van en naar de activiteit zo veel mogelijk worden voorkomen of beperkt; en

    • b.

      de duisternis en het donkere landschap worden beschermd in door het bevoegd gezag aangewezen gebieden.

  • 3.

    De specifieke zorgplicht, bedoeld in Artikel 5.4, voor zover die ziet op het tweede lid van dit artikel, is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 5.21 Aanleveren onderzoeksgegevens bodem

De resultaten van het eindonderzoek bodem, bedoeld in paragraaf 5.2.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving, en het voorafgaand bodemonderzoek, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden verstrekt in het bestandformaat XML conform de vigerende versie van het protocol SIKB0101.

Paragraaf 5.2.2 Bodem
Subparagraaf 5.2.2.1 Leiden van afvalwater door een olieafscheider

Artikel 5.22 Toepassingsbereik

Deze subparagraaf is van toepassing op het leiden van afvalwater door een olieafscheider in een Zettingsgevoeliggebied.

Artikel 5.23 Oogmerken

De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    het beschermen van de gezondheid;

  • b.

    het beschermen van de kwaliteit van de bodem; en

  • c.

    het beschermen van de doelmatige werking van de voorzieningen van het beheer van afvalwater.

Artikel 5.24 Plaatsen peilbuis

  • 1.

    In de directe nabijheid van een olieafscheider wordt een peilbuis geplaatst.

  • 2.

    De peilbuis wordt geplaatst door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie-instantie of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000.

  • 3.

    De positie van de peilbuis wordt bepaald aan de hand van:

    • a.

      de opbouw en samenstelling van de bodem;

    • b.

      de stand en stromingsrichting van het grondwater; en

    • c.

      de aanwezigheid en invloed van een oppervlaktewaterlichaam en grondwateronttrekkingsactiviteiten.

  • 4.

    De peilbuis is horizontaal gelegen op een afstand:

    • a.

      van minder dan 2 m gelegen van de influentzijde van de olieafscheider; of

    • b.

      die redelijkerwijs zo kort mogelijk is.

  • 5.

    De peilbuis wordt snijdend met de grondwaterspiegel geplaatst.

Artikel 5.25 Bemonsteren peilbuis

  • 1.

    Een peilbuis wordt uiterlijk binnen 2 maanden na plaatsing bemonsterd.

  • 2.

    Na de eerste bemonstering wordt de peilbuis ten minste eenmaal per twee jaar bemonsterd.

  • 3.

    De bemonstering, bedoeld in het eerste en tweede lid, vindt plaats door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie-instantie of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000.



  • 4.

    De monsters worden onderzocht door een laboratorium met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 3000.

  • 5.

    De monsters worden onderzocht op aanwezigheid van:

    • a.

      minerale oliecomponenten volgens NEN-EN-ISO 9377-2; en

    • b.

      vluchtige aromaten volgens NEN-EN-ISO 15680.

Artikel 5.26 Informatieplicht bemonstering

  • 1.

    Binnen een maand na afloop van de bemonstering wordt aan het bevoegd gezag een rapportage van die bemonstering verstrekt.

  • 2.

    De rapportage voldoet aan de normen voor een verslag, bedoeld in de NEN 5740.

  • 3.

    De resultaten van de bemonstering worden ook verstrekt in het bestandsformaat XML, overeenkomstig de geldende versie van het protocol SIKB0101.

Artikel 5.27 Nader onderzoek

  • 1.

    Als uit de resultaten van de bemonstering blijkt dat het grondwater is verontreinigd tot boven de waarden voor nader onderzoek, bedoeld in tabel Artikel 5.27, wordt binnen 2 maanden een nader onderzoek uitgevoerd naar de omvang van de verontreiniging.

    Tabel Artikel 5.27 Waarden voor nader onderzoek

    Stof

    Waarden voor nader onderzoek in µg/l

    Benzeen

    15,1

    Ethylbenzeen

    77

    Tolueen

    504

    Xylenen (som)

    35,1

    Naftaleen

    35

    Minerale olie

    325

  • 2.

    Het nader onderzoek voldoet aan de NTA 5755.

  • 3.

    Het veldwerk wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie-instantie of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000.

  • 4.

    De laboratoriumanalyse wordt verricht door een laboratorium of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS 3000.

Artikel 5.28 Informatieplicht nader onderzoek

  • 1.

    Binnen een maand na afloop van het nader onderzoek wordt aan het bevoegd gezag een rapportage van dat onderzoek verstrekt.

  • 2.

    De rapportage voldoet aan de normen voor een rapportage, bedoeld in de NTA 5755.

  • 3.

    De resultaten van de bemonstering worden ook verstrekt in het bestandsformaat XML, overeenkomstig de geldende versie van het protocol SIKB0101.

Artikel 5.29 Herstelplicht

  • 1.

    Als de bodem door een activiteit als bedoeld in Artikel 5.22 is verontreinigd, wordt uiterlijk zes maanden na het toezenden van de rapportage nader onderzoek, bedoeld in Artikel 5.27 de bodemkwaliteit hersteld tot:

  • 2.

    Het herstel wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000.

Artikel 5.30 Informatieplicht herstel

  • 1.

    Ten minste 5 dagen voor het begin van de herstelwerkzaamheden, bedoeld in Artikel 5.29 Herstelplicht, wordt het bevoegd gezag geïnformeerd over de begindatum.

  • 2.

    Ten hoogste 5 dagen na afloop van de herstelwerkzaamheden, bedoeld in Artikel 5.29 Herstelplicht, wordt het bevoegd gezag geïnformeerd over de einddatum.

  • 3.

    Ten hoogste vier weken na beëindiging van de herstelwerkzaamheden wordt aan het bevoegd gezag een evaluatieverslag volgens BRL SIKB 6000 verstrekt dat in ieder geval de resultaten van de milieukundige begeleiding bevat, bestaaande uit de onderdelen:

    • a.

      processturing, met daarbij in ieder geval een opsomming van bijzondere omstandigheden die zich hebben voorgedaan tijdens de herstelwerkzaamheden; en

    • b.

      verificatie van het eindresultaat van de herstelwerkzaamheden.

Artikel 5.31 Onderhoud olieafscheider

De olieafscheider wordt onderhouden en geïnspecteerd conform NEN-EN 858-2:2003.

Subparagraaf 5.2.2.2 Toepassen van grond en baggerspecie

Artikel 5.32 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het op of in de bodem toepassen van grond of baggerspecie, bedoeld in paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 5.33 Oogmerken

De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    het beschermen van de gezondheid;

  • b.

    het beschermen van de kwaliteit van de bodem;

  • c.

    het voorkomen van bestrijding van verontreinigde grond;

  • d.

    het behoud van gebruiksmogelijkheden van grond en de bodem; en

  • e.

    het doelmatig beheren van afvalstoffen.

Artikel 5.34 Maatwerkregel kwaliteitseisen toepassen grond en baggerspecie

In afwijking van de kwaliteitseisen, bedoeld in artikel 4.1272 van het Besluit activiteiten leefomgeving, gelden de kwaliteitseisen, bedoeld in de in het tijdelijk deel van dit omgevingsplan opgenomen Nota bodembeheer Midden-Holland 2023.

Artikel 5.35 Maatwerkregel kwaliteitseisen verspreiden grond en baggerspecie

In afwijking van de kwaliteitseisen, bedoeld in artikel 4.1278 van het Besluit activiteiten leefomgeving, gelden de kwaliteitseisen, bedoeld in de in het tijdelijk deel van dit omgevingsplan opgenomen Nota bodembeheer Midden-Holland 2023.

Subparagraaf 5.2.2.3 Terugplaatsen grond bij werk in kabel- en leidingentracés

Artikel 5.36 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het tijdelijk uitnemen van grond bij werkzaamheden ten behoeve van kabels en leidingen (inclusief rioleringen) tot een diepte van 2 meter beneden maaiveld.

Artikel 5.37 Oogmerken

De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    het beschermen van de gezondheid;

  • b.

    het beschermen van de kwaliteit van de bodem; en

  • c.

    het doelmatig beheren van afvalstoffen.

Artikel 5.38 Maatwerkregel terugplaatsen grond bij werk in kabel- en leidingentracés

In afwijking van artikel 4.1222a eerste lid van het Besluit activiteiten leefomgeving en artikel 4.1230a eerste lid van het Besluit activiteiten leefomgeving, hoeft bij een activiteit, als bedoeld in Artikel 5.36, grond na het tijdelijk uitnemen van die grond niet in hetzelfde ontgravingsprofiel te worden teruggebracht.

Subparagraaf 5.2.2.4 Wijzigen van gebruiksfunctie waardoor een bodemgevoelige locatie ontstaat

Artikel 5.39 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het wijzigen van het gebruik van een locatie waardoor een bodemgevoelige locatie ontstaat.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing voor zover daarin is voorzien in Paragraaf 22.2.4.

Artikel 5.40 Oogmerken

De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    het beschermen van de gezondheid.

Artikel 5.41 Informatieplicht

Ten minste vier weken voor het wijzigen van het gebruik zoals bedoeld in Artikel 5.39 worden aan het bevoegd gezag de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    een voorafgaand bodemonderzoek, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

  • b.

    als de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem, bedoeld in Artikel 22.30 wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen.

Artikel 5.42 Kwaliteitseisen bodemkwaliteit

In het kader van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties en ter bescherming van de gezondheid wordt een bodemgevoelige locatie uitsluitend toegestaan als de bodemkwaliteit voldoet aan de toelaatbare kwaliteit van de bodem, bedoeld Artikel 22.30, of als uit de gegevens en bescheiden blijkt dat het aannemelijk is dat sanerende of beschermende maatregelen worden getroffen waardoor gezondheidsrisico’s worden weggenomen.

Artikel 5.43 In gebruik nemen bodemgevoelige locatie bij overschrijding

Een bodemgevoelige locatie wordt pas in gebruik genomen nadat het bevoegd gezag is geïnformeerd over de wijze waarop sanerende of beschermende maatregelen, als bedoeld in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving, zijn getroffen.

Paragraaf 5.2.3 Niet-industriële bereiding van voedsel
Artikel 5.44 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het bereiden van voedingsmiddelen met:

    • a.

      keukenapparatuur;

    • b.

      grootkeukenapparatuur;

    • c.

      een of meer bakkerijovens die chargegewijs worden beladen; of

    • d.

      een of meer bakkerijovens die continu worden beladen met een nominaal vermogen of een aansluitwaarde van ten hoogste 100 kW.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing als een activiteit als bedoeld in artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving, met uitzondering van het bereiden van voedingsmiddelen voor personen die werken op de locatie waarop de activiteit wordt verricht.

Artikel 5.45 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    het beschermen van de gezondheid;

  • b.

    een doelmatig beheer van afvalwater;

  • c.

    het beschermen van de doelmatige werking van voorzieningen voor het beheer van afvalwater; en

  • d.

    het beschermen van het milieu, waaronder:

    • 1.

      het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van lucht, bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen;

    • 2.

      een doelmatig beheer van afvalstoffen; en

    • 3.

      het voorkomen of beperken van geurhinder.

Artikel 5.46 Informatieplicht
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in Artikel 5.44, eerste lid, worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

      • 3.

        het gebruik van de te onderscheiden ruimten;

      • 4.

        de ligging van de bedrijfsriolering; en

      • 5.

        de plaats van de lozingspunten;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 3.

    Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op het bereiden van voedingsmiddelen voor personen die wonen of werken op de locatie waarop de activiteit wordt verricht.

Artikel 5.47 Lozen van afvalwater
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen worden geloosd in een vuilwaterriool.

  • 2.

    Het afvalwater wordt niet geloosd in een schoonwaterriool.

  • 3.

    Als niet in een vuilwaterriool kan worden geloosd, kan het afvalwater op de bodem worden geloosd, als het afvalwater gezamenlijk met huishoudelijk afvalwater wordt geloosd en de voorzieningen voor het zuiveren van huishoudelijk afvalwater zijn berekend op het zuiveren van het afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen.

  • 4.

    Afvalwater dat afvalstoffen bevat, die door versnijdende of vermalende apparatuur zijn versneden of vermalen, wordt niet geloosd.

  • 5.

    Afvalwater dat afkomstig is van een voertuig of andere mobiele installatie waarin voedsel wordt bereid, wordt niet geloosd.

  • 6.

    Vethoudend afvalwater dat wordt geloosd, wordt voor vermenging met ander afvalwater geleid door:

    • a.

      een vetafscheider en slibvangput die voldoet aan NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2 en met een capaciteit van ten minste 2 l/s; of

    • b.

      een vetafscheider en slibvangput die zijn geplaatst voor 14 september 2004 en zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater die wordt geloosd.

  • 7.

    In afwijking van NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2 kan met een lagere frequentie van het legen en reinigen dan daar vermeld worden volstaan als dit geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider.

  • 8.

    Bewijzen van het legen en reinigen van de vetafscheider en slibvangput worden gedurende ten minste 5 jaar bewaard.

Artikel 5.48 Voorkomen of beperken van geurhinder
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder worden afgezogen dampen en gassen die naar de buitenlucht worden geëmitteerd:

    • a.

      ten minste 2 m boven de hoogste daklijn van de binnen 25 m van de uitmonding gelegen bebouwing afgevoerd; of

    • b.

      geleid door een ontgeuringsinstallatie.

  • 2.

    Dampen die vrijkomen bij het bereiden van voedingsmiddelen met grootkeukenapparatuur door frituren, bakken in olie of vet of grillen, anders dan met houtskool, worden afgezogen en geleid door een vetvangend filter.

  • 3.

    Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing:

    • a.

      op het bereiden van voedingsmiddelen met keukenapparatuur; en

    • b.

      als het mogelijke effect van de geuremissie van de uittredende lucht van een afzuiginstallatie beperkt blijft tot een gezoneerd industrieterrein, op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld of een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein met minder dan één geurgevoelig gebouw per hectare.

  • 4.

    Voor zover er geen verandering van de activiteit plaatsvindt die leidt tot een toename van de geurbelasting op een geurgevoelig gebouw, is het eerste lid niet van toepassing als voor 1 januari 2008 voor die activiteit:

    • a.

      een vergunning is verleend die voor die datum onherroepelijk is; of

    • b.

      voorschriften golden op grond van een van de besluiten, genoemd in artikel 6.43 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Artikel 5.49 Maatwerkvoorschriften
  • 1.

    Bij maatwerkvoorschrift kan, in afwijking van Artikel 5.47, vijfde lid, toegestaan worden dat afvalwater dat afkomstig is van een voertuig of andere mobiele installatie waarin voedsel wordt bereid, wordt geloosd op het vuilwaterriool.

  • 2.

    Bij maatwerkvoorschrift kan, in afwijking van Artikel 5.47, zesde lid, toegestaan worden dat afvalwater wordt geloosd zonder een vetafscheider en slibvangput, indien gelet op het vetgehalte in het te lozen afvalwater in combinatie met de hoeveelheid te lozen afvalwater, het lozen geen nadelige gevolgen heeft voor de doelmatige werking van de voorzieningen voor het beheer van afvalwater.

F

Het opschrift van hoofdstuk 6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 6 Beheer en onderhoud [Gereserveerd]

G

Het opschrift van hoofdstuk 7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 7 Financiële bepalingen [Gereserveerd]

H

Het opschrift van hoofdstuk 8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 8 Procedureregels [Gereserveerd]

I

Het opschrift van hoofdstuk 9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 9 Handhaving [Gereserveerd]

J

Het opschrift van hoofdstuk 10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 10 Monitoring en informatie [Gereserveerd]

K

Het opschrift van hoofdstuk 11 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 11 Overgangsrecht [Gereserveerd]

L

Het opschrift van hoofdstuk 12 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 12 Slotbepalingen [Gereserveerd]

M

Paragraaf 22.3.15 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 22.3.15 Niet-industriële voedselbereiding

Artikel 22.196 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het bereiden van voedingsmiddelen met:

    • a.

      keukenapparatuur;

    • b.

      grootkeukenapparatuur;

    • c.

      een of meer bakkerijovens die chargegewijs worden beladen; of

    • d.

      een of meer bakkerijovens die continu worden beladen met een nominaal vermogen of een aansluitwaarde van ten hoogste 100 kW.

    Vervallen

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing als een activiteit als bedoeld in artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat, met uitzondering van het bereiden van voedingsmiddelen voor personen die werken op de locatie waarop de activiteit wordt verricht.

    Vervallen

Artikel 22.197 Gegevens en bescheiden

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in Artikel 22.196 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

      • 3.

        het gebruik van de te onderscheiden ruimten;

      • 4.

        de ligging van de bedrijfsriolering; en

      • 5.

        de plaats van de lozingspunten;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

    Vervallen

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

    Vervallen

  • 3.

    Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op het bereiden van voedingsmiddelen voor personen die wonen of werken op de locatie waarop de activiteit wordt verricht.

    Vervallen

Artikel 22.198 Water

  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen worden geloosd in een vuilwaterriool. Het afvalwater wordt niet geloosd in een schoonwaterriool.

    Vervallen

  • 2.

    Als niet in een vuilwaterriool kan worden geloosd, kan het afvalwater op de bodem worden geloosd, als het afvalwater gezamenlijk met huishoudelijk afvalwater wordt geloosd en de voorzieningen voor het zuiveren van huishoudelijk afvalwater zijn berekend op het zuiveren van het afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen.

    Vervallen

  • 3.

    Afvalwater dat afvalstoffen bevat, die door versnijdende of vermalende apparatuur zijn versneden of vermalen, wordt niet geloosd.

    Vervallen

  • 4.

    Vethoudend afvalwater dat wordt geloosd, wordt voor vermenging met ander afvalwater geleid door:

    • a.

      een vetafscheider en slibvangput volgens NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2; of

    • b.

      een vetafscheider en slibvangput die zijn geplaatst voor 14 september 2004 en zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater die wordt geloosd.

    Vervallen

  • 5.

    In afwijking van NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2 kan met een lagere frequentie van het legen en reinigen dan daar vermeld worden volstaan als dit geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider.

    Vervallen

Artikel 22.199 Geur

  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder worden afgezogen dampen en gassen die naar de buitenlucht worden geëmitteerd:

    • a.

      ten minste 2 m boven de hoogste daklijn van de binnen 25 m van de uitmonding gelegen bebouwing afgevoerd; of

    • b.

      geleid door een ontgeuringsinstallatie.

    Vervallen

  • 2.

    Dampen die vrijkomen bij het bereiden van voedingsmiddelen met grootkeukenapparatuur door frituren, bakken in olie of vet of grillen, anders dan met houtskool, worden afgezogen en geleid door een vetvangend filter.

    Vervallen

  • 3.

    Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing: Vervallen

    • a.

      op het bereiden van voedingsmiddelen met keukenapparatuur; en

    • b.

      als het mogelijke effect van de geuremissie van de uittredende lucht van een afzuiginstallatie beperkt blijft tot een gezoneerd industrieterrein, op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld of een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein met minder dan één geurgevoelig gebouw per hectare.

  • 4.

    Voor zover er geen verandering van de activiteit plaatsvindt die leidt tot een toename van de geurbelasting op een geurgevoelig gebouw, is het eerste lid niet van toepassing als voor 1 januari 2008 voor die activiteit:

    • a.

      een vergunning is verleend die voor die datum onherroepelijk is; of

    • b.

      voorschriften golden op grond van een van de besluiten, genoemd in artikel 6.43 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

    Vervallen

N

Bijlage I wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Bijlage I Begripsbepalingen

aansluitafstand

afstand tussen een leiding van het distributienet en het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij die leiding bevindt, gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan worden gemaakt;

Activiteitenbesluit-bedrijventerrein

cluster aaneengesloten percelen met overwegend bedrijfsbestemmingen, binnen een in het omgevingsplan als bedrijventerrein aangewezen gebied, daaronder niet begrepen een gezoneerd industrieterrein of een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld;

AS SIKB 2000

AS SIKB 2000: Accreditatieschema Veldwerk bij Milieuhygiënisch Bodem- en waterbodemonderzoek, versie 2.8, 07‑02‑2014, met wijzigingsblad van 10‑02‑2018;

bebouwingsgebied

achtererfgebied en de grond onder het hoofdgebouw, uitgezonderd de grond onder het oorspronkelijk hoofdgebouw;

concentratiegebied geurhinder en veehouderij

gebied I of gebied II, bedoeld in bijlage I bij de Meststoffenwet, of een in dit omgevingsplan aangewezen concentratiegebied;

bodemgevoelige locatie

Bodemgevoelige locatie als bedoeld in artikel 5.89h van het Besluit kwaliteit leefomgeving of een locatie waar als gevolg van het (toekomstig) gebruik sprake is van een verhoogde kans op blootstelling aan de grond, of 2. kinderspeelplaats, openbare of commerciële kinderspeelplaats, scholen, kinderopvang of vergelijkbare kinderspeelplaats waar redelijkerwijs kan worden aangenomen dat er kinderen in de leeftijd tot 7 jaar spelen, of 3. grote moestuin groter dan 200 m2.

BRL SIKB 2000

BRL SIKB 2000: Beoordelingsrichtlijn 2000, Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek, versie 5, 12‑12‑2013;

BRL SIKB 7000

BRL SIKB 7000: Beoordelingsrichtlijn 7000, Uitvoering van (water)bodemsaneringen en ingrepen in de waterbodem, versie 5, 19‑06‑2014, met wijzigingsblad van 12‑02‑2015;

distributienet voor warmte

collectief circulatiesysteem voor het transport van warmte door een circulerend medium voor verwarming of warmtapwater;

concentratiegebied geurhinder en veehouderij

gebied I of gebied II, bedoeld in bijlage I bij de Meststoffenwet, of een in dit omgevingsplan aangewezen concentratiegebied;

geurgevoelig object

a. gebouw

1.dat op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; en;

2.dat gezien de aard, indeling en inrichting geschikt is om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; en

3.dat permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze wordt gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; of

b.geurgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is, maar op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebouwd;

distributienet voor warmte

collectief circulatiesysteem voor het transport van warmte door een circulerend medium voor verwarming of warmtapwater;

gezoneerd industrieterrein

industrieterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet;

geurgevoelig object

a. gebouw

1.dat op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; en;

2.dat gezien de aard, indeling en inrichting geschikt is om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; en

3.dat permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze wordt gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; of

b.geurgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is, maar op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebouwd;

landbouwhuisdieren met geuremissiefactor

landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling een emissiefactor voor geur is vastgesteld en die vallen binnen een van de volgende diercategorieën: a.varkens, kippen, schapen of geiten; en b.als deze worden gehouden voor de vleesproductie: 1.rundvee tot 24 maanden; 2.kalkoenen; 3.eenden; of 4.parelhoenders;

gezoneerd industrieterrein

industrieterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet;

ISO 11423-1

ISO 11423-1:1997: Water – Bepaling van het gehalte aan benzeen en enige afgeleiden – Deel 1: Gaschromatografische methode met bovenruimte, versie 1997;

landbouwhuisdieren zonder met geuremissiefactor

landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen emissiefactor voor geur is vastgesteld, met uitzondering van pelsdieren.

landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling een emissiefactor voor geur is vastgesteld en die vallen binnen een van de volgende diercategorieën: a.varkens, kippen, schapen of geiten; en b.als deze worden gehouden voor de vleesproductie: 1.rundvee tot 24 maanden; 2.kalkoenen; 3.eenden; of 4.parelhoenders;

straatpeil

a. voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;

b. voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;

landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor

landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen emissiefactor voor geur is vastgesteld, met uitzondering van pelsdieren.

NEN 5725

NEN 5725:2017: Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek, versie 2017;

NEN 5740

NEN 5740:2009/A1:2016: Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond, versie 2009+A1 en 2016;

NEN 6090

NEN 6090:2017: Bepaling van de vuurbelasting, versie 2017;

NEN 6578

NEN 6578:2011: Water – Potentiometrische bepaling van het totale gehalte aan totaal fluoride, versie 2011;

NEN 6589

NEN 6589:2005/C1:2010: Water – Potentiometrische bepaling van het gehalte aan totaal anorganisch fluoride met doorstroomsystemen (FIA en CFA), versie 2010;

NEN 6600-1

NEN 6600-1:2019: Water - Monsterneming - Deel 1: Afvalwater, versie 2019;

NEN 6965

NEN 6965:2005: Milieu - Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten - Atomaire-absorptiespectrometrie met vlamtechniek, versie 2005;

NEN 6966

NEN 6966:2006: Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma, versie 2005 + C1:2006;

NEN-EN 858-1 A1

NEN-EN 858-1:2002/A1:2004: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) – Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2002 + A1: 2004;

NEN-EN 858-2

NEN-EN 858-2:2003: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) - Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2003;

NEN-EN 872

NEN-EN 872:2005: Water – Bepaling van het gehalte aan onopgeloste stoffen – Methode door filtratie over glasvezelfilters, versie 2005;

NEN-EN 1825-1

NEN-EN 1825-1:2004: Vetafscheiders en slibvangputten – Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2004 + C1:2006;

NEN-EN 1825-2

NEN-EN 1825-2:2002: Vetafscheiders en slibvangputten – Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2002;

NEN-EN 12566-1

NEN-EN 12566-1:2016: Kleine afvalwaterzuiveringsinstallaties kleiner dan of gelijk aan 50 IE - Deel 1: Geprefabriceerde septictanks, versie 2016;

NEN-EN 12673

NEN-EN 12673:1999: Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal geselecteerde chloorfenolen in water, versie 1999;

NEN-EN 16693

NEN-EN 16693:2015: Water – Bepaling van de organochloor pesticiden (OCP) in watermonsters met behulp van vaste fase extractie (SPE) met SPE-disks gecombineerd met gaschromatografie-massaspectrometrie (GC-MS), versie 2015;

NEN-EN-ISO 2813

NEN-EN-ISO 2813:2014: Verven en vernissen – Bepaling van de glans (spiegelende reflectie) van niet-metallieke verflagen onder 20 graden, 60 graden en 85 graden, versie 2014;

NEN-EN-ISO 5667-3

NEN-EN-ISO 5667-3:2018: Water - Monsterneming - Deel 3: Conservering en behandeling van watermonsters, versie 2018;

NEN-EN-ISO 5815-1

NEN-EN-ISO 5815-1:2019: Water - Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) - Deel 1: Verdunning en enting onder toevoeging van allylthioureum, versie 2019;

NEN-EN-ISO 5815-2

NEN-EN-ISO 5815-2:2003: Water - Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) - Deel 2: Methode voor onverdunde monsters, versie 2003;

NEN-EN-ISO 9377-2

NEN-EN-ISO 9377-2:2000: Water - Bepaling van de minerale-olie-index - Deel 2: Methode met vloeistofextractie en gas-chromatografie, versie 2000;

NEN-EN-ISO 9562

NEN-EN-ISO 9562:2004: Water – Bepaling van adsorbeerbare organisch gebonden halogenen (AOX), versie 2004;

NEN-EN-ISO 10301

NEN-EN-ISO 10301:1997: Water – Bepaling van zeer vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen – Gaschromatografische methoden, versie 1997;

NEN-EN-ISO 10523

NEN-EN-ISO 10523:2012: Water – Bepaling van de pH, versie 2012;

NEN-EN-ISO 11885

NEN-EN-ISO 11885:2009: Water – Bepaling van geselecteerde elementen met atomaire-emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma (ICP-AES), versie 2009;

NEN-EN-ISO 12846

NEN-EN-ISO 12846:2012: Water - Bepaling van kwik - Methode met atomaire-absorptiespectrometrie met en zonder concentratie, versie 2012;

NEN-EN-ISO 14403-1

NEN-EN-ISO 14403-1:2012: Water – Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) – Deel 1: Methode met doorstroominjectie analyse (FIA), versie 2012;

NEN-EN-ISO 14403-2

NEN-EN-ISO 14403-2:2012: Water – Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) – Deel 2: Methode met continu doorstroomanalyse (CFA), versie 2012;

NEN-EN-ISO 15587-1

NEN-EN-ISO 15587-1:2002: Water – Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water – Deel 1: Koningswater ontsluiting, versie 2002;

NEN-EN-ISO 15587-2

NEN-EN-ISO 15587-2:2002: Water – Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water – Deel 2: Ontsluiting met salpeterzuur, versie 2002;

NEN-EN-ISO 15680

NEN-EN-ISO 15680:2003: Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal monocyclische aromatische koolwaterstoffen, naftaleen en verscheidene gechloreerde verbindingen met «purge-and-trap» en thermische desorptie, versie 2003;

NEN-EN-ISO 15682

NEN-EN-ISO 15682:2001: Water – Bepaling van het gehalte aan chloride met doorstroomanalyse (CFA en FIA) en fotometrische of potentiometrische detectie, versie 2001;

NEN-EN-ISO 15913

NEN-EN-ISO 15913:2003: Water – Bepaling van geselecteerde fenoxyalkaanherbicide, inclusief bentazonen en hydroxybenzonitrillen met gaschromatografie en massaspectrometrie na vastefase-extractie en derivatisering, versie 2003;

NEN-EN-ISO 17294-2

NEN-EN-ISO 17294-2:2016: Water – Toepassing van massaspectrometrie met inductief gekoppeld plasma – Deel 2: Bepaling van geselecteerde elementen inclusief uranium isotopen, versie 2016;

NEN-EN-ISO 17852

NEN-EN-ISO 17852:2008: Water – Bepaling van kwik – Methode met atomaire fluorecentiespectometrie, versie 2008;

NEN-EN-ISO 17993

NEN-EN-ISO 17993:2004: Water – Bepaling van 15 polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) in water met HPLC met fluorescentiedetectie na vloeistof-vloeistof extractie, versie 2004;

NEN-ISO 15705

NEN-ISO 15705:2003: Water – Bepaling van het chemisch zuurstofverbruik (ST-COD) – Kleinschalige gesloten buis methode, versie 2003;

NEN-ISO 15923-1

NEN-ISO 15923-1:2013: Waterkwaliteit – Bepaling van de ionen met een discreet analysesysteem en spectrofotometrische detectie – Deel 1: Ammonium, chloride, nitraat, nitriet, ortho-fosfaat, silicaat en sulfaat, versie 2013;

warmteplan

besluit over de aanleg van een distributienet voor warmte in een bepaald gebied, waarin voor een periode van ten hoogste 10 jaar, uitgaande van het voor die periode geplande aantal aansluitingen op dat distributienet, de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu, gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte, bij aansluiting op dat distributienet is opgenomen.

straatpeil

a. voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;

b. voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;

warmteplan

besluit over de aanleg van een distributienet voor warmte in een bepaald gebied, waarin voor een periode van ten hoogste 10 jaar, uitgaande van het voor die periode geplande aantal aansluitingen op dat distributienet, de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu, gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte, bij aansluiting op dat distributienet is opgenomen.

O

Na bijlage I wordt een bijlage ingevoegd, luidende:

Bijlage II Overzicht Informatieobjecten

zettingsgevoeliggebied

/join/id/regdata/gm1931/2025/gio6e3059b6-dbc5-4bdc-a4c8-7f54be31be89/nld@2025‑12‑09;2

P

Na sectie 1.1 worden elf secties ingevoegd, luidende:

Subparagraaf 5.2.2.1 Leiden van afvalwater door een olieafscheider

Een olie/benzine afscheider is bedoeld voor de verwijdering van minerale oliën en vetten en bezinkbare delen (slib) uit afvalwater. Deze afvalstoffen mogen niet op de riolering of oppervlaktewater geloosd worden en dienen uit het afvalwater afgescheiden te worden.

Vanwege de zettingsgevoeligheid van de bodem is er risico op lekkage door kapotte aansluitingen. Hiervoor is het van belang dat de werkzaamheid van de olieafscheider op regelmatige basis gecontroleerd wordt.

Artikel 5.24 Plaatsen peilbuis

Lid 1: In de buurt van een olieafscheider wordt altijd een peilbuis geplaatst.

Lid 2: De peilbuis wordt geplaatst door een gecertificeerd bedrijf.

Lid 3: De bodem en het grondwater bepaalt de plaats van de peilbuis.

Lid 4: De peilbuis ligt maximaal 2 meter van de olieafscheider of, als dit niet mogelijk is, zo dichtbij mogelijk.

Lid 5: De peilbuis wordt zo geplaatst dat deze deels boven de grondwaterspiegel uitsteekt. Op deze wijze kunnen de drijvende bestanddelen altijd bemonsterd worden.

Artikel 5.25 Bemonsteren peilbuis

Lid 1: Uiterlijk binnen twee maanden na plaatsing wordt de peilbuis bemonsterd door een gecertificeerd bedrijf.

Lid 2: De peilbuis wordt ten minste eenmaal per twee jaar bemonsterd door een gecertificeerd bedrijf.

Lid 3: De peilbuis wordt bemonsterd door een gecertificeerd bedrijf.

Lid 4: Het laboratorium wordt gedaan door een gecertificeerd bedrijf.

Lid 5: De monsters worden onderzocht op de aanwezigheid van minerale oliecomponenten en vluchtige aromaten zoals beschreven in de NEN-EN-ISO normen.

Lid 6: Het nader onderzoek wordt binnen een maand opgeleverd.

Lid 7: De rapportage moet voldoen aan de richtlijnen zoals beschreven in de NEN 5740.

Lid 8: De resultaten dienen ook digitaal verstrekt worden. Hierbij wordt voldaan aan de richtlijnen beschreven in het protocol SIKB0101.

Artikel 5.27 Nader onderzoek

Lid 1: Als uit de resultaten van de bemonstering blijkt dat er waarden overschreden worden zal er nader onderzoek uitgevoerd worden.

Lid 2: Het nader onderzoek moet voldoen aan richtlijnen zoals genoemd in de NTA 5755.

Lid 3: Het nader onderzoek wordt gedaan door een gecertificeerd bedrijf.

Lid 4: Het laboratorium of inspectie-instantie wordt gedaan door een gecertificeerd bedrijf.

Lid 5: Het nader onderzoek wordt binnen een maand opgeleverd.

Lid 6: De rapportage moet voldoen aan de richtlijnen zoals beschreven in de NTA 5755.

Lid 7: De resultaten dienen ook digitaal verstrekt worden. Hierbij wordt voldaan aan de richtlijnen beschreven in het protocol SIKB0101

Artikel 5.29 Herstelplicht

Lid 1: De NEN 5740 is de Nederlandse norm voor het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek. Deze norm schrijft voor hoe bij een bodemonderzoek naar eventuele verontreinigingen hoeveel boringen en hoeveel peilbuizen gezet moeten worden. Het aantal boringen en peilbuizen is namelijk afhankelijk van de oppervlakte van een perceel, de conditie van het perceel onverdacht ((weiland) of verdacht (industrieterrein oude binnensteden) en de grootte van ondergrondse olietanks.

Lid 2: Het herstel wordt gedaan door een gecertificeerd bedrijf.

Lid 5: Het aan te leveren evaluatieverslag dient te voldoen aan richtlijnen.

Artikel 5.31 Onderhoud olieafscheider

Volgens NEN-EN 858-2:2003 moet het onderhoud gebeuren door vakkundig personeel. Een diploma is niet nodig. Praktijkervaring wel. Onderhoud kan dus ook door de ondernemer of een medewerker van het bedrijf. Het bevoegd gezag oordeelt of de persoon vakbekwaam is.

Subparagraaf 5.2.2.2 Toepassen van grond en baggerspecie

Het gebied specifiek beleid uit de Nota bodembeheer Midden-Holland 2023, de bijbehorende bodemkwaliteitskaart (BKK) en de bodemfunctieklassenkaart (BFK) vallen onder het overgangsrecht. Daarmee is de juridische doorwerking geborgd. Voor de zichtbaarheid in het omgevingsplan is het wenselijk een ‘haakje’ aan te brengen. Dit is een tijdelijke oplossing. Uiterlijk 2030 moet alle regelgeving met een fysieke component uit de Nota bodembeheer Midden-Holland 2023 zijn omgezet naar regels voor het omgevingsplan.

In de regio Midden-Holland zijn de kwaliteitseisen voor het toepassen van grond en baggerspecie minder streng dan de regelgeving in het Bal. Binnen de regio wordt een lagere bodemkwaliteit toegestaan. Als er grond wordt toegevoegd op een locatie met bodemvreemd materiaal (andere hoeveelheid, bijmengingen of kwaliteit dan al in de bodem zat) worden minder strenge eisen gesteld. Grond is binnen de regio zeer waardevol en dient daar waar mogelijk binnen de regio te blijven.

Door het opnemen van deze regel gelden in afwijking van de kwaliteitseisen in het Bal de kwaliteitseisen zoals vastgesteld in de Nota bodembeheer Midden-Holland 2023.

Subparagraaf 5.2.2.3 Terugplaatsen grond bij werk in kabel- en leidingentracés

Paragraaf 4.3.5 van de regionale Nota bodembeheer 2023 geeft initiatiefnemers de mogelijkheid om bij werkzaamheden in kabel- en leidingtracés de vrijgekomen grond geroerd in het ontgravingsprofiel terug te plaatsen. Om dit ook na inwerkingtreding van de Omgevingswet mogelijk te maken, is een maatwerkregel opgenomen.

Artikel 5.38 Maatwerkregel terugplaatsen grond bij werk in kabel- en leidingentracés

Paragraaf 4.3.5 van de regionale Nota bodembeheer 2023 geeft initiatiefnemers de mogelijkheid om bij werkzaamheden in kabel- en leidingtracés de vrijgekomen grond geroerd in het ontgravingsprofiel terug te plaatsen. Om dit ook na inwerkingtreding van de Omgevingswet mogelijk te maken, is een maatwerkregel opgenomen.

Subparagraaf 5.2.2.4 Wijzigen van gebruiksfunctie waardoor een bodemgevoelige locatie ontstaat

Onder de Omgevingswet verplicht het Rijk de gemeenten niet tot het stellen van regels over de bodemkwaliteit in relatie tot een functiewijziging naar een gevoeliger gebruik, zonder bouwactiviteit. De regulering richt zich op de bouwactiviteiten. Het Rijk heeft het overgelaten aan gemeenten om hier invulling aan te geven.

In artikel 3.1.6 van het huidige Besluit ruimtelijke ordening (hierna Bro) is aangegeven met welke onderwerpen rekening moet worden gehouden bij het opstellen en vaststellen van een bestemmingsplan. Hierin is geen rechtstreekse verplichting opgenomen voor het uitvoeren van bodemonderzoek of sanering van de bodem. Wel dient inzicht te worden gegeven in de uitvoerbaarheid van het plan. Vanuit dat gegeven werd een bodemtoets uitgevoerd.

Onder de Omgevingswet komt het Bro te vervallen. In de Omgevingswet zijn geen regels opgenomen over het uiteenzetten van de inzichten over de uitvoerbaarheid. Er is dan geen grondslag meer om, enkel bij functiewijziging, een bodemtoets uit te voeren. Ten behoeve van het beschermen van de gezondheid betrekken wij de bodemkwaliteit bij een functiewijziging naar een gevoelig gebruik, ook zonder een bouwactiviteit.

Paragraaf 5.2.3 Niet-industriële bereiding van voedsel

Het is aan de gemeente te zorgen voor een goed functionerend rioolstelsel. Hoe goed de gemeente zich ook inspant, verstoppingen komen voor. Het lozen van vet en olie zorgt vaak voor verstopping van het riool. Onderzoek toont aan dat als warm afvalwater, met daarin bijvoorbeeld vet of olie, afkoelt, vet en olie stolt en zich hecht aan de wanden van het riool. De afvoer wordt minder en dit leidt tot verstoppingen, overstromingen, viezigheid, stank en hoge kosten voor herstel. Ieder bedrijf dat vethoudend afvalwater loost moet daarom een vetafscheider met bijbehorende slibvangput hebben. Denk bijvoorbeeld aan horecabedrijven die door koken, bakken en frituren met vethoudende producten zoals vlees of friet met mayonaise vethoudend afvalwater lozen. Voor deze bedrijven is een vetafscheider verplicht.

Het is niet toegestaan om afvalwater via een voedselrestvermaler te lozen op het vuilwaterriool. Een voedselrestvermaler vermaalt verteerbare etensresten met toevoeging van water tot een vloeibare afvalstof. Deze vloeibare afvalstof wordt vervolgens met het afvalwater geloosd. De vermalen stoffen kunnen leiden tot verstopping, maar zorgen ook voor een ongewenste toename van organisch afval in het afvalwater.

In de regels is ook een verbod opgenomen om afvalwater vanuit voertuigen of andere mobiele installaties (denk aan oliebollenkramen of foodtrucks) op de standplaats te lozen. Het is de bedoeling dat de initiatiefnemer het afvalwater in deze voertuigen opvangt en naar een erkende verwerker afvoert.

Bij het lozen van vethoudend afvalwater is het toepassen van een vetafscheider en slibvangput verplicht. Deze moeten voldoen aan en worden gebruikt conform NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2. Op grond van lid 6 kan in afwijking van NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2, met een lagere frequentie van het legen en reinigen dan daar vermeld worden volstaan als dit geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider.

In bepaalde gevallen kan het acceptabel zijn dat afvalwater vanuit voertuigen of andere mobiele installaties op het vuilwaterriool (of zelfs, na behandeling, in een regenwaterriool) wordt geloosd. Artikel 5.4.X.4 beidt dan de mogelijkheid om dat met een maatwerkvoorschrift toe te staan.

Door goed keukenmanagement en/of door de aard en omvang van de horeca-activiteiten kan het voorkomen dat er vrijwel geen vethoudend afvalwater wordt geloosd. In dat geval is een vetafscheider niet nodig kan de gemeente middels een maatwerkvoorschrift ontheffing verlenen van de verplichting om een vetafscheider te hebben.

Q

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.27 Uitzonderingen op vergunningplicht artikel 22.26 - omgevingsplan onverminderd van toepassing

In dit artikel zijn de bouwwerken aangewezen waarvoor de vergunningplicht, bedoeld in Artikel 22.26, niet van toepassing is. Met deze categorie van bouwwerken wordt artikel 3 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht, met enkele ondergeschikte aanpassingen en een aanvulling van erf- en perceelafscheiding (hoger dan een meter maar niet hoger dan twee meter), voortgezet. Zoals ook in afdeling 3.2 van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Invoeringsbesluit Omgevingswet toegelicht, geldt voor deze bouwwerken weliswaar niet de vergunningplicht uit Artikel 22.26, maar de overige regels uit het omgevingsplan blijven onverminderd van kracht. Dat betekent dat een bouwwerk onverminderd aan de materiële regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van het bouwwerk moet voldoen. Onderdeel van die regels kan ook een bepaling zijn dat daarvan bij omgevingsvergunning van kan worden afgeweken. Deze binnenplanse vergunningplichten kunnen bijvoorbeeld op grond van artikel 3.6, eerste lid, onder c, van de voormalige Wet ruimtelijke ordening, in een van het tijdelijk deel uitmakend bestemmingsplan zijn opgenomen. Ook deze binnenplanse vergunningplichten blijven onverminderd van kracht, met als gevolg dat er toch een binnenplanse vergunning nodig kan zijn voor de betrokken bouwwerken. Als zo’n binnenplanse vergunning niet kan worden verleend of als het bouwwerk of het voorgenomen gebruik daarvan, niet voldoet aan andere in het omgevingsplan gestelde materiële regels, is sprake van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. In dat geval is er voor het bouwwerk een buitenplanse vergunning nodig op grond artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet. Net als bij de werking van artikel 3 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht, zijn de betrokken bouwwerken dus alleen maar vergunningvrij als aan alle overige regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken uit dit omgevingsplan wordt voldaan. Als op grond van die andere regels een vergunning nodig is, of als het bouwwerk of het voorgenomen gebruik in strijd is met andere regels uit dit omgevingsplan, moet toch een vergunning worden aangevraagd.

Zoals al beschreven betreft het hier een voortzetting van de bouwwerken die in artikel 3 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht waren opgenomen. Op enkele onderdelen zijn daarin wijzigingen aangebracht. Zo is de eis in onderdeel a, onder 3, dat een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan op meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied moet zijn gelegen, niet langer afhankelijk van de gelding van redelijke eisen van welstand voor het betrokken gebied of bouwwerk. Hiermee wordt de praktische toepassing van de regeling verbeterd.

Onderdeel h zondert van de binnenplanse vergunningplicht uit buisleidingen anders dan buisleidingen waarop artikel 2.29, onder p, aanhef en onder 4°, van het Bbl (bij het Invoeringsbesluit Omgevingswet oorspronkelijk genummerd als artikel 2.15f, onder p, aanhef en onder 4°) van toepassing is. Hierdoor ontstaat een vergelijkbare samenhang tussen dit artikelonderdeel van de bruidsschat en het genoemde artikelonderdeel uit het Bbl als de samenhang tussen de onderdelen in de artikelen 2 en 3 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht.

In onderdeel i zijn enkele voorwaarden geschrapt (geen verandering van de draagconstructie of (sub)brandcompartimentering), aangezien die om bouwtechnische redenen gesteld werden en geen invloed hebben op de ruimtelijke kwaliteit van het bouwen zoals die door een omgevingsplan wordt gereguleerd.

[datum vaststelling wijzigingsbesluit vangnetregeling] In sub f onder 2 is het woord 'gebouw' vervangen door 'hoofdgebouw'.Insub f onder 3 is het zinsdeel 'die langs de voorkant van dat gebouw evenwijdig loopt met het aan-grenzend openbaar toegankelijk gebied' vervangen door 'die loopt langs de voorkant van dathoofdgebouw en vanaf daar evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebiedzonder het hoofdgebouw te doorkruisen of in het gebouwerf achter het hoofdgebouw te komen'.Deze aanvulling op artikel 22.27 van de bruidsschat strekt tot verduidelijking van de eisen die voorde situering van vergunningvrije erf- en perceelafscheidingen onder f, onder 2 en 3, van dat artikelzijn gesteld. De aanvulling is opgenomen in de Vangnetregeling Omgevingswet Artikel 2.1b, aanvulling op artikel 22.27 bruidsschat. Artikel 22.26 van de bruidsschat bevat het verbod om zonder omgevingsvergunning een bouwacti-viteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken. Artikel 22.27van de bruidsschat wijst een aantal bouwwerken aan waarop dat verbod niet van toepassing is.Daarbij gaat het onder andere om erf- en perceelafscheidingen (artikel 22.27, onder f van debruidsschat). Deze zijn vergunningvrij als aan een aantal eisen wordt voldaan. Het gaat hier ondermeer om de in artikel 22.27, onder f, onder 2, van de bruidsschat gestelde eis dat de afscheidingmoet zijn geplaatst op een erf of perceel waarop al een gebouw staat waarmee de afscheiding infunctionele relatie staat en de in artikel 22.27, onder f, onder 3, van de bruidsschat gestelde situe-ringseis voor de ligging van de (denkbeeldige) lijn waarachter vergunningvrije erf- en perceelafschei-dingen moeten zijn gelegen.Met de regeling in de bruidsschat over deze vergunningvrije erf- en perceelafscheidingen (hogerdan 1 m, niet hoger dan 2 m) is een beleidsneutrale omzetting van artikel 2, onder 12, van bijlageII bij het Besluit omgevingsrecht (Bor) beoogd. Daarbij is met de in artikel 22.27, onder f, onder 3,van de bruidsschat gestelde situeringseis in een vervangende regeling voorzien voor de situerings-eisen ‘achter de voorgevelrooilijn’ en ‘op meer dan 1 m van openbaar toegankelijk gebied’ zoalsdie voorheen in artikel 2, onder 12, onder b, onder 2 en 3, van bijlage II bij het Bor waren gesteld.De lijn waarachter erf- en perceelafscheidingen met een hoogte van 1 tot 2 m vergunningvrij kunnenworden opgericht is in artikel 22.27, onder f, onder 3, van de bruidsschat omschreven als ‘de lijndie langs de voorkant van dat gebouw evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijkgebied’. Inmiddels is gebleken dat deze nieuwe omschrijving van de lijn in de praktijk tot verwarringleidt, met name als het gaat om het verloop van de lijn aan de zijkant en vervolgens aan de achterkantvan het gebouw. Onvoldoende wordt herkend dat met de omschrijving van de lijn geen wijzigingenten opzichte van de regeling onder het Bor zijn beoogd en wordt soms ten onrechte een vergunning-plicht verondersteld. Om hierover duidelijkheid te bieden wordt de omschrijving van de lijn naderaangevuld, waarbij zoveel mogelijk wordt aangesloten bij de begripsomschrijving van ‘achtererfge-bied’. De methodiek om de ligging van het achtererfgebied te bepalen is namelijk dezelfde als demethodiek voor het bepalen van de ligging van de in artikel 22.27, onder f, onder 3, van de bruidsschatbedoelde lijn. Met de toevoegingen ‘vanaf daar’ in samenhang met ‘zonder het hoofdgebouw tedoorkruisen of in het gebouwerf achter het hoofdgebouw te komen’ wordt buiten twijfel gestelddat de lijn bij bijvoorbeeld hoekwoningen eerst langs de voorgevel van het gebouw loopt en vervol-gens langs de zijgevel mee de hoek om loopt. In verband met de verduidelijking van de ligging vande lijn wordt artikel 22.27, onder f, onder 2 en 3, van de bruidsschat verder aangevuld wat betreftde aard van het gebouw waarmee de erf- of perceelafscheiding in functionele relatie moet staan.Tot uitdrukking wordt gebracht dat het hierbij moet gaan om een hoofdgebouw. Hieronder moetop grond van artikel 1.1, eerste lid, van de bruidsschat worden verstaan een hoofdgebouw zoalsgedefinieerd in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving. Weliswaar is de eis dat sprakemoet zijn van een hoofdgebouw – en dus niet alleen ‘een gebouw’ – naar de letter een wijziging tenopzichte van de regeling in artikel 2, onder 12, van bijlage II bij het Bor, die ook uitging van dekoppeling aan een gebouw. Materieel gold de eis dat sprake moet zijn van een hoofdgebouw echterook al onder dat regime. Toen vloeide die eis impliciet voort uit de begripsomschrijving van ‘erf’ en de koppeling aan de ligging achter de voorgevelrooilijn zoals die waren opgenomen in die regeling.

R

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.33 Specifieke beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij voorbereidingsbesluit of aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht

Ook in dit artikel zijn aanvullende beoordelingsregels gegeven. Deze aanvullende beoordelingsregels zien op twee specifieke overgangsrechtelijke situaties die verband houden met het feit dat de Omgevingswet niet langer een aanhoudingsplicht kent zoals die was geregeld in artikel 3.3 van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Die aanhoudingsplicht kon gelden vanwege een voorbereidingsbesluit dat was genomen ter voorbereiding van een nieuw bestemmingsplan of vanwege een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht waarvoor nog geen tot bescherming daarvan strekkend bestemmingsplan gold.

Toepassing van deze beoordelingsregels leidt ertoe dat, ondanks dat aan de beoordelingsregels uit Artikel 22.29 wordt voldaan, de vergunning toch moet worden geweigerd als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft op grond van de in Artikel 22.33, eerste lid, genoemde bepalingen van de Invoeringswet Omgevingswet een nog onder oud recht genomen voorbereidingsbesluit van kracht is, of een tracébesluit of een besluit krachtens de Wet luchtvaart dat op grond van het oude recht gold als een zodanig voorbereidingsbesluit, of een onder oud recht gedane aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht waarvoor nog geen tot bescherming daarvan strekkend omgevingsplan geldt. Op de plicht om in zo’n geval de vergunning te weigeren bestaat een uitzondering in het geval het bouwplan niet in strijd is met het omgevingsplan dat in voorbereiding is. Dit is vergelijkbaar met de situatie onder oud recht, waarin artikel 3.3, derde en zesde lid, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht de mogelijkheid bood de onder oud recht toepasselijke aanhoudingsplicht te doorbreken.

In praktische zin betekent de regeling dat onder nieuw recht aangevraagde omgevingsvergunningen voor het verrichten van een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk in een gebied waar een nog onder oud recht tot stand gekomen regime van voorbereidingsbescherming van toepassing is, respectievelijk dat onder oud recht als beschermd stads- of dorpsgezicht is aangewezen maar waarop nog geen voldragen beschermingsregime van toepassing is, in beginsel moeten worden geweigerd. Zo kan de vergunning dus worden geweigerd voor activiteiten die in de toekomst niet meer wenselijk worden geacht en onmogelijk zullen worden gemaakt met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan. De vergunning kan ook worden geweigerd voor activiteiten waarvan het nog onvoldoende zeker is om te kunnen vaststellen of deze met het toekomstige omgevingsplan aanvaardbaar zullen blijven. Ten tijde van de te nemen beslissing op de aanvraag is het besluit tot wijziging van het omgevingsplan immers nog in voorbereiding en is het mogelijk nog onvoldoende vastomlijnd om te kunnen vaststellen of bepaalde activiteiten daarin uiteindelijk zullen worden toegestaan. Een andere mogelijkheid in zo’n geval kan overigens ook zijn om met instemming van de aanvrager, met toepassing van artikel 4:15, tweede lid, onder a, van de Algemene wet bestuursrecht, de beslistermijn op te schorten tot een moment waarop de voorbereiding zich in een zodanig stadium bevindt dat wel kan worden vastgesteld hoe het bouwplan zich verhoudt tot het in voorbereiding zijnde omgevingsplan. Gewezen wordt in dat verband op het tweede lid, dat de mogelijkheid biedt om de vergunning toch te verlenen als kan worden vastgesteld dat de betrokken activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan respectievelijk het in voorbereiding zijnde omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht. In het laatste geval zal een dergelijk omgevingsplan onder meer moeten voorzien in op de karakteristieken van het beschermde stads- of dorpsgezicht afgestemde beoordelingsregels voor een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Zie ook artikel 4.35, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet. Met dit tweede lid wordt een vergelijkbare voorziening getroffen als in het al eerder genoemde artikel 3.3, derde en zesde lid, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Verschil is echter dat met het tweede lid niet de toepasselijke aanhoudingsplicht wordt doorbroken maar dat in plaats van de vergunning te moeten weigeren, de mogelijkheid is gegeven om de vergunning, onder de vergelijkbare condities dat de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan, toch te verlenen. Voor een meer uitgebreide toelichting op de gevolgen van het vervallen van de aanhoudingsplicht op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt verwezen naar de toelichting bij de tweede nota van wijziging van het wetsvoorstel Invoeringswet Omgevingswet (Kamerstukken II 2018/19, 34 986, nr. 9, p. 35–42).

[aanvulling wijzigingsbesluit vangnetregeling] Onderdelen c, d en e zijn toegevoegd ten opzicht van het originele artikel 22.33 uit de bruidsschat.Deze toevoeging is afkomstig uit artikel 2.2 van de Vangnetregeling Omgevingswet. Het corrigeerteen onvolkomenheid in de bruidsschat. Met de artikelen 2.2 en 2.5 worden respectievelijk de artikelen 22.33 en 22.278 van de bruidsschat aangevuld. De in deze bepalingen opgenomen grondslagen omeen onder nieuw recht ingediende aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevings-planactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het tebouwen bouwwerk, en een omgevingsplanactiviteit bestaande uit het uitvoeren van een werk, nietzijnde een bouwwerk, of werkzaamheid, te weigeren, worden uitgebreid. De aanvullende bepalingenregelen dat zo’n vergunning ook moet worden geweigerd als sprake is van een nog onder oud rechtlopende procedure van een bestemmingsplan of inpassingsplan op grond van de voormalige Wetruimtelijke ordening. De vergunning kan worden verleend als de activiteit in overeenstemming ismet het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan. Hiermee wordt het regime van voorbereidings-bescherming, zoals dat bestond onder artikel 3.3 van de voormalige Wabo, voortgezet met de mo-gelijkheid de vergunning te weigeren. Hiermee wordt voorkomen dat voorbereidingsbeschermingverloren zou gaan en onbedoeld vergunning zou moeten worden verleend voor ontwikkelingen diemet het oog op de in voorbereiding zijnde nieuwe regeling ongewenst zijn. Hier is sprake van eenontbrekend overgangsrecht, wat in specifieke situaties onredelijk is. De artikelen 2.2 en 2.5 vallenzowel onder criterium a, b als c (in artikel 22.33 opgenomen onder c, d en e).Onderdeel c is in de wijziging van de Vangnetregeling Omgevingswet (artikel 1, D) gewijzigd tenopzichte van artikel 2.2 uit bovenstaande bestaande Vangnetregeling Omgevingswet. Onder c is‘artikel 3.8, eerste lid, onder e, van de Wet ruimtelijke ordening’ vervangen door ‘artikel 3.8, eerstelid, onder d, van de Wet ruimtelijke ordening’.

S

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.39 Inperkingen artikel 22.36 vanwege externe veiligheid

Dit artikel bevat uitzonderingen op de mogelijkheden om vergunningvrije activiteiten als bedoeld in Artikel 22.36 te verrichten vanwege het belang van de externe veiligheid. Deze uitzonderingen waren opgenomen in artikel 5, derde lid, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. Hieraan ligt ten grondslag de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico van ten hoogste een op de miljoen per jaar voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties die op grond van artikel 5.7 van het Bkl in een omgevingsplan in acht moet worden genomen. Voor zover Artikel 22.36 betrekking heeft op die gebouwen - de onderdelen a en c - is het niet wenselijk dat op locaties waar door de in die onderdelen bedoelde activiteiten overschrijding van de norm voor het plaatsgebonden risico aan de orde zou kunnen zijn, vergunningvrij de in die onderdelen bedoelde activiteiten zouden kunnen worden verricht.

De locaties waar deze activiteiten niet mogelijk zijn, zijn in de eerste plaats de locaties waarvoor het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, zelf al vanwege de overschrijding van het plaatsgebonden risico bouwmogelijkheden die kunnen leiden tot kwetsbare of zeer kwetsbare gebouwen niet toelaat. Het gaat hier om Artikel 22.39, onder a en b, dat een omzetting is van artikel 5, derde lid, onder a en b, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. De verwijzing naar dit omgevingsplan is hier uitdrukkelijk beperkt tot het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, dat kort samengevat bestaat uit de onder het voormalige recht geldende planologische regelingen. Dit omdat die regelingen uitgaan van de in de desbetreffende onderdelen van artikel 5, derde lid, gehanteerde begrippen en systematiek, die onder de Omgevingswet anders zijn. Het is aan gemeenten om daar bij het vaststellen van het omgevingsplan toepassing aan te geven. Hierop kan niet in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder c, van de Omgevingswet worden vooruitgelopen.

Artikel 22.39, onder c, zondert daarnaast ook vergunningvrije activiteiten als bedoeld in Artikel 22.36, onder a en c, uit, als de beoogde locatie voor die activiteiten is gelegen binnen afstanden die degene die een vergunningvrije milieubelastende activiteit verricht op grond van het Bal in verband met het plaatsgebonden risico in acht moet nemen. Het gaat dan om de afstanden tussen bepaalde installaties of opslagvoorzieningen waar met stoffen wordt gewerkt die een veiligheidsrisico voor de omgeving met zich kunnen brengen en te beschermen gebouwen en locaties. Op grond van het Bal geldt als hoofdregel dat veiligheidsafstanden zoals hier bedoeld gelden tot de begrenzing van de locatie waarop de milieubelastende activiteit wordt verricht. Hierdoor zijn er ook geen beperkingen aan de gebruiksruimte buiten die begrenzing. Maar het Bal staat in een aantal situaties afwijking van deze regel toe. Onderdeel c is alleen voor die gevallen van praktisch belang. De zinsnede «voor zover ... van toepassing is» in de verschillende subonderdelen van Artikel 22.39, onder c, brengt dat tot uitdrukking. Degene die een milieubelastende activiteit als hier bedoeld verricht, moet op grond van het Bal op het moment dat de veiligheidsafstanden van toepassing worden buiten de locatie waar hij zijn activiteit verricht, het bevoegd gezag daarover informeren. Het bevoegd gezag moet ervoor zorgen dat deze gegevens terecht komen in het landelijk register externe veiligheidsrisico's en aldus voor eenieder kenbaar zijn.

Bij de opsomming van activiteiten in Artikel 22.39, onder c, is aangesloten bij de opsomming van activiteiten in bijlage VII, onder A, bij het Bkl. Dat onderdeel van die bijlage geeft voor de daarin genoemde vergunningvrije milieubelastende activiteiten uit het Bal vastgestelde afstanden waarbij wordt voldaan aan de norm voor het plaatsgebonden risico. De opgesomde activiteiten, zoals die in Artikel 22.39, onder c, onder verwijzing naar de desbetreffende artikelen uit het Bal zijn overgenomen, omvatten zes activiteiten die niet worden genoemd in artikel 5, derde lid, onder c, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. Het gaat hier om de subonderdelen 2, 5, 6, 7, 12 en 13. Voor de activiteit, bedoeld in subonderdeel 2 (het tanken van voertuigen of werktuigen met LPG), heeft dat als achtergrond dat deze activiteit onder het recht voor de Omgevingswet nog vergunningplichtig was. Door de verschuiving van vergunningplichtig naar vergunningvrij moet de activiteit nu aan de opsomming in Artikel 22.39, onder c, worden toegevoegd. Voor de overige toegevoegde activiteiten is gelet op het belang van de externe veiligheid evenmin aanleiding om deze voor de toepassing van Artikel 22.39, onder c, buiten beschouwing te laten.

[aanvulling wijzigingsbesluit vangnetregeling] Onder c is subonderdeel 14 toegevoegd ten opzicht van het originele artikel 22.39 uit de bruidsschat.Deze toevoeging is afkomstig uit artikel 2.3 van de Vangnetregeling Omgevingswet. Het corrigeert een onvolkomenheid in de bruidsschat. Deze bepaling zorgt ervoor dat het bouwen, in stand houdenof gebruiken van bepaalde bouwwerken niet meer automatisch is toegestaan binnen een bepaaldeafstand vanaf opslagtanks waarin organische oplosmiddelen worden opgeslagen.

T

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.55 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking

Eerste lid

De uitzondering in Artikel 22.54, tweede lid, onder b, voor een tijdelijk toegelaten geluidgevoelig gebouw, geldt alleen voor een geluidgevoelig gebouw dat na de inwerkingtreding van de Omgevingswet is toegelaten voor een duur van niet meer dan 10 jaar, waarbij getoetst is aan de kwalitatieve norm «aanvaardbaar» uit artikel 5.59, tweede lid van het Bkl. Voor een geluidgevoelig gebouw dat al voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet is toegelaten geldt de uitzondering niet. Zo'n gebouw valt wel binnen het toepassingsbereik van deze paragraaf en hiervoor blijft wel een waarde gelden voor het geluid door een activiteit op de gevel van een tijdelijk toegelaten geluidgevoelig gebouw. De reden voor het uitzonderen is dat onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer de geluidnormen wel golden voor gebouwen waarvoor het tijdelijk toegelaten is om ze te gebruiken als geluidgevoelig gebouw.

Zie het schema in de volgende alinea voor een overzicht van de gevallen waarin een waarde voor geluid geldt bij verschillende situaties van geluidgevoelige gebouwen die tijdelijk toegelaten zijn versus activiteiten.

Tweede lid

Onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer kregen geprojecteerde en in aanbouw zijnde geluidgevoelige gebouwen geen bescherming tegen geluid van milieubelastende activiteiten. Dit is wel zo bij de instructieregels van het Bkl. De geluidwaarde geldt dan op de locatie waar volgens het omgevingsplan of de omgevingsvergunning de gevel van het gebouw gebouwd mag worden. Omdat de voormalige bestemmingsplannen van rechtswege zijn overgegaan in omgevingsplannen, zou toetsing op een geprojecteerd gebouw ertoe kunnen leiden dat een bestaande activiteit opeens niet meer voldoet aan de geluideisen. In de transitieperiode is dit ongewenst: voor rechtmatige bestaande situaties moeten niet ineens strengere waarden voor geluid gaan gelden. Daarom is in de omgevingsplanregels van rijkswege, voor situaties die al toegestaan zijn voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, de uitzondering opgenomen dat onder een geluidgevoelig gebouw niet wordt verstaan een geprojecteerd gebouw of een geluidgevoelig gebouw in aanbouw.

Het uitgangspunt voor het overgangsrecht is dat de initiatiefnemer onder dezelfde condities zijn activiteit moet kunnen blijven voortzetten. Als na de inwerkingtreding van de Omgevingswet een nieuw geluidgevoelig gebouw wordt toegelaten bij een bestaande activiteit, of een nieuwe activiteit begint bij een bestaand geluidgevoelig gebouw, gelden al wel de nieuwe regels. Dit verschil werkt ook door naar de omgevingsplanregels van rijkswege.



Schema: of waarden voor geluid gelden bij geprojecteerde of in aanbouw zijnde geluidgevoelige gebouwen of tijdelijke geluidgevoelig gebouwen versus situatie activiteiten



Geluidgevoelig gebouw

 

Activiteiten

 

al rechtmatig verricht voor inwerkingtreding van de Omgevingswet

nog niet rechtmatig verricht voor inwerkingtreding van de Omgevingswet

op grond van het oude recht (in het tijdelijke deel van het omgevingsplan) toegelaten maar nog niet gebouwd

de waarden voor geluid uit Paragraaf 22.3.4 zijn niet van toepassing

de waarden voor geluid uit Paragraaf 22.3.4 zijn wel van toepassing

in het nieuwe deel van het omgevingsplan toegelaten maar nog niet gebouwd

de waarden voor geluid uit Paragraaf 22.3.4 zijn wel van toepassing

de waarden voor geluid uit Paragraaf 22.3.4 zijn wel van toepassing

op grond van het oude recht (in het tijdelijke deel van het omgevingsplan) toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar

de waarden voor geluid uit Paragraaf 22.3.4 zijn wel van toepassing

de waarden voor geluid uit Paragraaf 22.3.4 zijn wel van toepassing

in het nieuwe deel van het omgevingsplan toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar

de waarden voor geluid uit Paragraaf 22.3.4 zijn niet van toepassing

de waarden voor geluid uit Paragraaf 22.3.4 zijn niet van toepassing

artikel 22.55, derde lid

[aanvulling wijzigingsbesluit vangnetregeling] Dit onderdeel maakte geen deel uit van de originele bruidsschat, maar is een aanvulling op artikel22.55 uit de bruidsschat afkomstig uit artikel 2.4 van de Vangnetregeling Omgevingswet. Dit onderdeelcorrigeert een onvolkomenheid in de bruidsschat. Deze zorgt ervoor dat de geluidsregels niet vantoepassing zijn op bovengrondse hoogspanningsverbindingen. In een dergelijke uitzondering wasnog niet voorzien, hoewel voor deze activiteit onder oud recht geen geluidsregels golden. Zonderhet toevoegen van deze uitzondering zouden deze hoogspanningsverbindingen in een aantal gevallenniet voldoen aan deze geluidsregels. Hoewel er in dergelijke gevallen uitzicht zou zijn op legalisatiedoor het verlenen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit,is dit onredelijk belastend voor de beheerder en de betrokken gemeenten.

U

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.61a Gegevens en bescheiden

Dit artikel heeft als doel om gemeenten op de hoogte te stellen van nieuwe of gewijzigde activiteiten op een gezoneerd industrieterrein.

Deze informatieplicht geldt niet als de gemeente al via een aanvraag om een omgevingsvergunning, via het overleggen van een geluidonderzoek op grond van Artikel 22.60 en Artikel 22.61 of via een informatieplicht ergens anders in deze afdeling van dit omgevingsplan of in het Besluit activiteiten leefomgeving, op de hoogte wordt gesteld van het begin of de wijziging van de activiteit. In artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet is daarnaast nog bepaald dat gegevens en bescheiden niet behoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt.

Naar aanleiding van de ontvangen gegevens en bescheiden kan de gemeente vervolgens beoordelen of het noodzakelijk is om een geluidonderzoek te laten verrichten voor het zonebeheer. Op grond van Artikel 22.45 van dit omgevingsplan kan dan een rapport van een geluidonderzoek verlangd worden van de initiatiefnemer.

Deze verplichting geldt niet voor activiteiten op een gezoneerd industrieterrein waar geen activiteiten verricht worden of installaties gebruikt worden zoals bedoeld in het tweede lid. Deze activiteiten en grenzen zijn overgenomen uit de begripsbepaling inrichting Type A in artikel 1.2 van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Onder het oude recht hoefde voor een inrichting Type A geen melding te worden gedaan. Voor de informatieplicht in Artikel 22.61a van het omgevingsplan is alleen gekeken naar die grenzen uit het oude begrip inrichting Type A die mede gesteld waren met het oogmerk om geluidhinder te voorkomen of beperken.

[datum wijzigingsbesluit vangnetregeling] Aan het eerste lid is de zinsnede 'of op een indu-strieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld' toegevoegd.Deze aanvulling komt uit de Vangnetregeling OmgevingswetArtikel 2.4a, aanvulling op artikel 22.61abruidsschat.In verschillende artikelen van de bruidsschat, zoals bijvoorbeeld artikel 22.71, is bepaald dat diegelden voor activiteiten die worden verricht op een gezoneerd industrieterrein of op een industrie-terrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld. Dat geldt echterniet voor artikel 22.61a van de bruidsschat, ingevoegd door het Verzamelbesluit Omgevingswet2022, over het verstrekken van gegevens en bescheiden bij het beginnen of wijzigen van activiteiten.Ingevolge het eerste lid geldt de informatieplicht alleen voor een activiteit die wordt verricht op eengezoneerd industrieterrein. De informatieplicht geldt niet voor een activiteit op een industrieterreinwaarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld.Dit heeft als gevolg dat de in artikel 22.61a van de bruidsschat geregelde informatieplicht voorbedrijven vervalt op het moment waarop voor een aanwezig industrieterrein, met toepassing vanparagraaf 12.1.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), de eerste geluidproductieplafonds alsomgevingswaarden worden vastgesteld. De gemeente kan uiteraard op dat moment bijomgevingsplan eigen regels met informatieplichten stellen, maar een impliciete verplichting daartoezou een onbedoelde belemmering kunnen vormen voor die eerste vaststelling van degeluidproductieplafonds. Met artikel 2.4a van de Vangnetregeling wordt deze belemmeringweggenomen. Zolang de bruidsschat geldt voor de locatie van het industrieterrein, blijft deinformatieplicht als bedoeld in artikel 22.61a van de bruidsschat gelden, ook als voor een bestaandindustrieterrein geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld. Met artikel 12.2a, eerste lid, Bkl, ingevoegd door het Verzamelbesluit Omgevingswet 2023, is eenvergelijkbare belemmering weggenomen die artikel 5.78f Bkl had kunnen vormen. In het eerste lidvan dat artikel is bepaald dat artikel 5.78f niet hoeft te worden toegepast zolang de eerste geluidpro-ductieplafonds, die zijn vastgesteld met toepassing van artikel 12.2 Bkl, van kracht zijn, tot uiterlijkhet tijdstip bedoeld in artikel 22.6, derde lid, van de Omgevingswet waarvoor alsnog met toepassingvan artikel 5.78f Bkl regels worden opgenomen in het niet-tijdelijk deel van het omgevingsplan.Voor de informatieplicht als bedoeld in artikel 22.61a van de bruidsschat is zo’n beperking niet nodig,aangezien ook dit artikel vervalt op het moment dat voor de locatie van het industrieterrein alsnogtoepassing wordt gegeven aan artikel 5.78f Bkl. Het ligt wel voor de hand om dan ook een informa-tieplicht in (het niet-tijdelijk deel van) het omgevingsplan op te nemen, die afgestemd kan wordenop de specifieke informatiebehoefte van de gemeente.

V

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.278 Omgevingsplanactiviteit: specifieke beoordelingsregel omgevingsvergunning uitvoeren van een werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid, bij voorbereidingsbesluit of aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht

Wat in Artikel 22.33 van dit omgevingsplan is geregeld voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, is in Artikel 22.278 op vergelijkbare wijze geregeld voor de omgevingsplanactiviteit bestaande uit het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of werkzaamheid (ook wel de aanlegvergunning of aanlegactiviteit genoemd). Net als voor bouwactiviteiten regelde de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in artikel 3.3 een voorbeschermingsregime in de vorm van een aanhoudingsplicht voor de beslissing op aanvragen om een omgevingsvergunning voor de hier bedoelde aanlegactiviteiten. Voor aanvragen om een omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteiten bestaande uit dergelijke aanlegactiviteiten komt Artikel 22.278 voor de regeling uit artikel 3.3 van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in de plaats. Voor zijn verdere werking is Artikel 22.278 identiek aan de werking van Artikel 22.33. Voor de toelichting op die werking wordt dan ook verwezen naar de toelichting op Artikel 22.33.

[aanvulling datum wijzigigingsbesluit vangnetregeling] Onderdelen c, d en e zijn toegevoegd ten opzicht van het originele artikel 22.278 uit de bruidsschat.Deze toevoeging is afkomstig uit artikel 2.5 van de Vangnetregeling Omgevingswet. Het corrigeerteen onvolkomenheid in de bruidsschat. Met de artikelen 2.2 en 2.5 worden respectievelijk de artikelen22.33 en 22.278 van de bruidsschat aangevuld. De in deze bepalingen opgenomen grondslagen omeen onder nieuw recht ingediende aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevings-planactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het tebouwen bouwwerk, en een omgevingsplanactiviteit bestaande uit het uitvoeren van een werk, nietzijnde een bouwwerk, of werkzaamheid, te weigeren, worden uitgebreid. De aanvullende bepalingenregelen dat zo’n vergunning ook moet worden geweigerd als sprake is van een nog onder oud rechtlopende procedure van een bestemmingsplan of inpassingsplan op grond van de voormalige Wetruimtelijke ordening. De vergunning kan worden verleend als de activiteit in overeenstemming ismet het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan. Hiermee wordt het regime van voorbereidings-bescherming, zoals dat bestond onder artikel 3.3 van de voormalige Wabo, voortgezet met de mo-gelijkheid de vergunning te weigeren. Hiermee wordt voorkomen dat voorbereidingsbeschermingverloren zou gaan en onbedoeld vergunning zou moeten worden verleend voor ontwikkelingen diemet het oog op de in voorbereiding zijnde nieuwe regeling ongewenst zijn. Hier is sprake van eenontbrekend overgangsrecht, wat in specifieke situaties onredelijk is. De artikelen 2.2 en 2.5 vallenzowel onder criterium a, b als c (in artikel 22.278 opgenomen onder c, d en e).Onderdeel c is in de wijziging van de Vangnetregeling Omgevingswet (artikel 1, F) gewijzigd tenopzichte van artikel 2.2 uit bovenstaande bestaande Vangnetregeling Omgevingswet. Onder c is‘artikel 3.8, eerste lid, onder e, van de Wet ruimtelijke ordening’ vervangen door ‘artikel 3.8, eerstelid, onder d, van de Wet ruimtelijke ordening’.

Naar boven