Gemeenteblad van Barendrecht
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Barendrecht | Gemeenteblad 2025, 533525 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Barendrecht | Gemeenteblad 2025, 533525 | beleidsregel |
Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Barendrecht 2026
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Barendrecht;
gelet op Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en Verordening maatschappelijke ondersteuning 2026;
besluit vast te stellen de Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Barendrecht 2026.
Deze beleidsregels zijn een verdere uitwerking van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Barendrecht 2026 en de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Ze horen bij deze wet- en regelgeving en kunnen niet los daarvan worden gezien.
In de Wmo 2015 staat dat de gemeente verantwoordelijk is voor maatschappelijke ondersteuning. Ook moet de gemeente zorgen voor goede kwaliteit en het blijven bestaan van de voorzieningen.
Als een inwoner met een beperking niet voldoende zelfredzaam of niet goed mee kan doen in de samenleving, moet de gemeente ondersteuning bieden. Eerst wordt gekeken of de inwoner het probleem zelf kan oplossen, bijvoorbeeld met hulp van familie, vrienden of algemene voorzieningen. Als dat niet genoeg is, kan de gemeente een maatwerkvoorziening bieden.
Om goed te bepalen wat de inwoner nodig heeft, wordt een zorgvuldige procedure gevolgd. In deze procedure wordt gekeken wat de inwoner zelf kan doen, eventueel met gebruikelijke hulp, mantelzorg of hulp uit het sociaal netwerk. Daarna wordt bekeken of er een algemene of andere voorliggende voorziening is die kan helpen. Pas als al deze mogelijkheden niet voldoende zijn, kan een maatwerkvoorziening worden ingezet.
Hoofdstuk 2. Overgang binnen sociaal domein
2.1 Overgang jeugdwet naar Wmo of participatiewet
Om een goede overgang te regelen van jeugdzorg naar ondersteuning via de Wmo of de Participatiewet, wordt van jeugdzorgaanbieders verwacht dat zij op tijd contact opnemen met de gemeente. Dit geldt wanneer een jongere 16,5 jaar oud is en de verwachting is dat hij of zij ook na het 18e levensjaar ondersteuning nodig heeft.
Daarbij gelden de volgende regels uit de Jeugdwet (artikel 1.1, definitie van “jeugdige”):
Als de jeugdige jeugdzorg ontvangt in het kader van straffen en maatregelen of van reclasseringstoezicht is voortzetting tot het 23ste levensjaar verplicht, als justitie dat aangeeft.
In alle andere gevallen wordt verwacht dat de klantmanager Wmo zonder melding betrokken wordt bij het jeugdonderzoek. Dit voor een warme overdracht en de inzet van de juiste aanbieder.
Hoofdstuk 3 Aanbod van voorliggende-, algemene- en maatwerkvoorzieningen
3.1 Voorliggende voorzieningen
Voorliggende voorzieningen zijn regelingen of hulp die vallen onder een andere wet of die geregeld zijn in een privaatrechtelijke overeenkomst, zoals een aanvullende (zorg)verzekering. Als met de voorliggende voorziening de beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie kan worden opgelost, is het niet nodig een maatwerkvoorziening vanuit de Wmo toe te kennen.
Het kan ook voorkomen dat de kosten van een voorziening op basis van een andere wet niet als noodzakelijk worden gezien. Dan vindt er een onderzoek plaats naar aanspraak vanuit andere wetgeving. Als deze er is, hoeft de gemeente ook geen maatwerkvoorziening te verstrekken. Een voorbeeld hiervan is een rollator die op grond van de Zorgverzekeringswet niet als noodzakelijk is aangemerkt.
Bij voorliggende voorzieningen kan onder andere gedacht worden aan:
De gemeente moet per persoon bekijken of een voorliggende voorziening passend en voldoende is. Als dat niet zo is, of maar gedeeltelijk, wordt gezocht naar een andere oplossing.
Als iemand er zelf voor kiest geen gebruik te maken van een voorliggende voorziening, is dat geen reden voor de gemeente om toch een maatwerkvoorziening vanuit de Wmo toe te kennen. Het is de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt of hij of zij de voorliggende voorziening wil gebruiken.
Aanspraak op een Wlz -verblijfsindicatie
De gemeente kan een maatwerkvoorziening weigeren als een cliënt een Wlz-indicatie heeft. Er zijn uitzonderingen. De volgende cliënten kunnen wél in aanmerking komen voor bepaalde voorzieningen:
Als een cliënt op 1 januari 2021 al in een zorginstelling woonde en via de Wmo een rolstoel of vervoermiddel had, blijft de gemeente verantwoordelijk voor onderhoud en aanpassingen van dat hulpmiddel. Zodra het hulpmiddel vervangen moet worden, valt dit onder de verantwoordelijkheid van de Wlz (het zorgkantoor).
Afwijzen van een aanvraag moet gebaseerd zijn op een onderzoek en met een goede motivatie. In het onderzoek moet worden vastgesteld dat de hulp of voorziening die via een andere wet (zoals Wlz of Zvw) wordt geboden voldoende is.
Als dat niet zo is, kan de gemeente besluiten om toch aanvullende ondersteuning te bieden of gemotiveerd af te wijzen.
Als tijdens het onderzoek (bijvoorbeeld een huisbezoek) blijkt dat er mogelijk sprake is van 24-uurszorg dichtbij of permanent toezicht, kan de cliënt een aanvraag doen voor een Wlz-indicatie.
Als de cliënt niet meewerkt aan het krijgen van een Wlz-indicatie, kan de gemeente op basis van artikel 2.3.5 lid 6 Wmo 2015 weigeren om een voorziening of ondersteuning te geven. Deze weigering moet gebaseerd zijn op een goed onderzoek en duidelijk worden uitgelegd.
Een belangrijk onderdeel van het onderzoek is vaststellen of de cliënt voldoet aan de Wlz-criteria, namelijk de behoefte aan 24-uurszorg of permanent toezicht.
Als de cliënt niet meewerkt aan de doorstroom naar de Wlz, bijvoorbeeld door geen aanvraag te doen, kan de Wmo voorziening worden beëindigd of ingetrokken. Indien nodig, na het opvragen van medisch advies.
Aanspraak op zorg vanuit de Zvw
Als persoonlijke zorg nodig is vanwege medische redenen of een verhoogd risico daarop, valt deze zorg onder de Zorgverzekeringswet (Zvw). Een voorbeeld is persoonlijke verzorging die aan het lichaam gegeven wordt, zoals hulp bij wassen, aankleden, protheses aanbrengen, haren en nagels verzorgen, en persoonlijke hygiëne.
De gemeente kan een maatwerkvoorziening weigeren als de cliënt:
Als het gaat over persoonlijke verzorging zonder medische component zoals instructie en begeleiding bij de persoonlijke verzorging voor specifieke doelgroepen met een verstandelijke en/of zintuiglijke beperking of bij psychiatrische problematiek dan kan deze hulp onder de Wmo vallen.
Algemene voorzieningen zijn diensten of activiteiten die iedereen kan gebruiken. Hiervoor is geen onderzoek nodig naar de behoefte of mogelijkheden van de gebruiker. Deze voorzieningen zijn bedoeld voor mensen met én zonder beperkingen.
Voorbeelden (niet limitatief) van algemene voorzieningen zijn beschikbaar op het gebied van:
Welzijnsorganisatie Kijk op Welzijn (KoW) biedt ondersteuning bij en organiseert veel initiatieven op het gebied van welzijn, sport, maatschappelijk werk en mantelzorgondersteuning.
Verspreid over Barendrecht zijn er ontmoetingsruimten en activiteiten die georganiseerd worden voor alle inwoners die daar behoefte aan hebben. In het Sociaal Hart zijn dagelijks activiteiten en ook kunt u op bepaalde dagen daar een warme maaltijd krijgen. In de Waterpoort worden verschillende activiteiten georganiseerd, meestal wel tegen betaling.
Buurtkamer Vrijenburg kent een aantal inloopactiviteiten op doordeweekse dagen. De activiteiten en tijdstippen zijn op te vragen via de welzijnsorganisatie Kijk op Welzijn.
Ook diverse kerken organiseren koffie- of eetontmoetingen, ook voor niet kerkelijk aangesloten inwoners.
Als u zich eenzaam voelt of moeite heeft om de dag prettig te vullen en bovenstaande activiteiten bieden geen passende oplossing, kunt u via de huisarts een welzijn op recept krijgen.
Een persoonlijke coach helpt u dan om bijvoorbeeld een nieuwe activiteit te vinden of nieuwe mensen te ontmoeten. Deze coach wordt betaald door de gemeente.
3.3 Algemeen gebruikelijke voorzieningen
Algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn voorzieningen die:
Er zijn steeds meer producten in de winkel, via tweedehands aanbod of online verkrijgbaar die voor veel mensen geschikt zijn. Bijvoorbeeld een uitgebreid assortiment aan kinderwagens, fietsen voor het vervoer van jonge kinderen en huishoudelijke apparaten. Dit zal de komende jaren zo blijven.
De klantmanager beoordeelt altijd of een product in de situatie van de cliënt voldoet aan de hierboven genoemde eisen.
Algemene gebruikelijke voorzieningen zijn beschikbaar op het gebied van (dit is geen limitatieve lijst):
Een woningaanpassing of renovatie die niet speciaal voor mensen met een beperking is, is algemeen gebruikelijk als het een oplossing biedt en betaalbaar is met een minimuminkomen. Wanneer een ruimte in de woning langer dan 30 jaar niet gerenoveerd is, is renovatie en vervanging algemeen gebruikelijk, ook bij woningen van de woningcorporatie.
Soms bestaat een maatwerkvoorziening deels uit een algemeen gebruikelijke voorziening. Bijvoorbeeld als bij een badkamer- of keukenaanpassing ook een gewone reguliere renovatie gebeurt. Die kosten voor de reguliere renovatie zijn voor de eigenaar zelf.
Kleine onderdelen zoals kranen, douchebak, douchecabine, spiegel, toiletrolhouder of zeepbakje bij een badkameraanpassing vallen onder algemeen gebruikelijke voorzieningen en worden niet vanuit de Wmo betaald. Ook onderdelen van de keuken, zoals kraan, koelkast, oven en kookplaat en meer dan noodzakelijke kastruimte bij een aanpassing van de keuken, horen hierbij. De extra kosten zijn dan voor de eigenaar.
Bij een volledige nieuwe aanbouw, badkamer of woonunit zijn basiszaken zoals toilet, douchecabine en kranen wel inbegrepen bij de maatwerkvoorziening. Daarbij geldt altijd dat de goedkoopst adequate oplossing wordt gekozen.
3.4 Maatwerkvoorzieningen algemeen
Om te bepalen wie in aanmerking komt voor welke ondersteuning zijn afwegingskaders belangrijk. Deze kaders helpen tijdens het gesprek tussen de inwoner en de klantmanager (en eventuele begeleider/cliëntondersteuner) om een oplossing op maat te vinden.
Hieronder vatten wij het algemene afwegingskader samen:
Eigen verantwoordelijkheid en eigen kracht
De inwoner is in eerste instantie zelf verantwoordelijk voor zijn eigen leven, zelfredzaamheid en participatie, met betrokkenheid van familie en het sociale netwerk.
De inwoner wordt gestimuleerd om zelf de regie te houden en eigen mogelijkheden te gebruiken, ongeacht eventuele beperkingen, en gebruik te maken van mogelijkheden in de eigen omgeving.
Er moet een goede balans zijn tussen eigen kracht, sociaal netwerk en Wmo-ondersteuning zodat iemand zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven wonen.
Eerst wordt gekeken naar eigen mogelijkheden, hulp vanuit het sociale netwerk, gebruikelijke hulp en algemene dan wel voorliggende of algemeen gebruikelijke voorzieningen. Pas daarna komt maatwerk van de gemeente in beeld.
De gemeente verwacht dat de inwoner zich maximaal inzet en bereid is om stappen te zetten, ook als dit niet de eerste keuze is.
De inwoner wordt aangemoedigd om mee te werken aan voorgestelde oplossingen en deze te proberen. Afwijken kan, maar moet goed worden uitgelegd en gemotiveerd. Elke situatie vraagt om een persoonlijke afweging van de beste oplossing. Zonder goede reden niet meewerken kan leiden tot afwijzing van de Wmo-aanvraag.
De ondersteuning helpt om zelfredzaamheid en deelname aan de maatschappij te behouden of te verbeteren op de volgende gebieden:
Maatwerkondersteuning kan op drie manieren worden verstrekt:
Zorg in ‘natura’ wordt door de gemeente ingekocht bij een gecontracteerde aanbieder. De cliënt krijgt de afgesproken zorg en betaalt daarvoor een eigen bijdrage. De gemeente betaalt de zorgaanbieder.
Bij maatwerkvoorzieningen zoals huishoudelijke hulp, begeleiding of dagbesteding kan de cliënt kiezen welke van de gecontracteerde aanbieders de ondersteuning zal bieden.
Voor hulpmiddelen en trapliften werkt de gemeente met vaste leveranciers op basis van offertes.
Door middel van een persoonsgebonden budget (Pgb).
De cliënt koopt zelf de ondersteuning/voorziening in met een geldbedrag van de gemeente.
De cliënt is zelf verantwoordelijk voor de kwaliteit van de ingekochte zorg zoals beschreven in het kwaliteitskader Pgb. Ook hier geldt een eigen bijdrage.
Er zijn de volgende mogelijkheden van een pgb:
Hoofdstuk 4 Melding, onderzoek, aanvraag en besluit
In de brief waarmee de gemeente de ontvangst van het meldingsformulier bevestigt, staat dat de cliënt gebruik kan maken van gratis onafhankelijke cliëntondersteuning. Ook staat erbij bij wie deze ondersteuning gevraagd kan worden.
Cliëntondersteuning is bedoeld om mensen die kwetsbaar zijn te helpen zelfredzaam te blijven of te worden. Het is er niet alleen voor de cliënt zelf, maar ook voor de mensen om hem heen, zoals familie of mantelzorgers. Het helpt voorkomen dat er onnodig gebruik wordt gemaakt van voorzieningen.
De cliëntondersteuner helpt de cliënt zijn eigen kracht en netwerk te versterken. Dat doet hij bijvoorbeeld door:
Een cliëntondersteuner moet onafhankelijk zijn van organisaties die de indicatie stellen of zorg leveren.
De ondersteuner weet goed welke hulp of zorg er in de buurt beschikbaar is. Hij of zij kan ook meegaan naar het gesprek met de persoon die bepaalt welke zorg nodig is.
Organisaties die cliëntondersteuning kunnen bieden zijn bijvoorbeeld:
Medewerking cliënt en stappen in het onderzoek
De cliënt moet meewerken aan het onderzoek en de gemeente alle informatie geven die nodig is. Het gaat dan om gegevens en documenten die de cliënt redelijkerwijs kan aanleveren.
Een zorgvuldig onderzoek door de gemeente verloopt in de volgende stappen (zoals bevestigd door de Centrale Raad van Beroep op 21 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:819):
Informatie bij andere instanties
De gemeente kan, met toestemming van de cliënt en binnen de kaders van de privacywet (AVG), informatie opvragen bij bijvoorbeeld de huisarts of andere betrokken hulpverleners. De gemeente mag met hen in gesprek gaan over de situatie van de cliënt en de meest geschikte ondersteuning.
4.4 Eigen mogelijkheden en eigen kracht
In de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) staat het versterken van de eigen kracht van mensen centraal. De wet gaat ervan uit dat mensen eerst zelf proberen om hun problemen op te lossen, eventueel met hulp van mantelzorgers, huisgenoten en personen uit het sociale netwerk op te lossen. Pas als dat niet lukt, kan de gemeente ondersteuning bieden via voorzieningen.
Eigen kracht betekent dat mensen eerst kijken wat ze zelf kunnen doen of wat hun omgeving kan doen. Dat noemen we zelfredzaamheid en eigen verantwoordelijkheid. Het gaat bijvoorbeeld om:
Eigen kracht is niet alles zelf kunnen:
Het is niet de bedoeling dat mensen alles alleen doen, maar wel dat ze eerst kijken welke mogelijkheden ze zelf hebben of welke hulp ze uit hun eigen netwerk kunnen krijgen, zoals familie, vrienden of buren
De cliënt wordt geacht waar mogelijk zelf de regie te voeren en eigen mogelijkheden te benutten. Het is immers de verwachting dat mensen iets doen voor hun partner, familielid of goede vriend als die niet geheel op eigen kracht kan deelnemen aan de samenleving. Het gebruik van een eigen auto of een auto van een persoon uit het sociale netwerk is bijvoorbeeld een oplossing vanuit eigen kracht.
De gemeente kijkt ook naar het sociaal netwerk van de cliënt. Dit zijn de mensen en contacten om je heen die kunnen helpen. We maken daarbij onderscheid tussen twee soorten netwerken:
Dit zijn de persoonlijke contacten en relaties die je hebt (Harting & Assema, 2007), zoals:
Van cliënten wordt verwacht dat zij in overleg met deze mensen kijken of er (gedeeltelijke) oplossingen mogelijk zijn.
Vrienden, kennissen en familie zijn tenslotte vaak bereid om te helpen.
Dit zijn mensen of instellingen in de buurt of wijk die die vrijblijvend en zonder vaste structuur zorgen voor sociale samenhang en die in nauw contact staan met elkaar. Denk aan:
Deze netwerken zijn minder persoonlijk, maar kunnen soms toch helpen of ondersteunen.
Een sociaal netwerk bestaat uit mensen met wie je een emotionele band hebt.
Het sociale netwerk richt zich op het welzijn van de personen in dat netwerk.
Een informeel netwerk gaat meer over sociale samenhang in de leefomgeving (stad, dorp, wijk of buurt) waarin je woont en hoe mensen daar met elkaar omgaan.
De Wmo-klantmanager bespreekt tijdens het onderzoek met de cliënt of en hoe deze netwerken kunnen helpen. Dat kan leiden tot een passende oplossing zonder dat een maatwerkvoorziening nodig is.
Van een cliënt mag ook worden verwacht dat hij of zij de woning aanpast of opnieuw inricht, als dat helpt om beperkingen te compenseren. Denk bijvoorbeeld aan het verplaatsen van meubels of het aanpassen van de indeling van het huis. Of het aanpassen van een dag- of weekplanning, passend bij de beperkingen en energiebalans.
Als de cliënt voor de afhandeling van zijn aanvraag nog gegevens moet overleggen, dan wordt hem dat schriftelijk gevraagd, met vermelding van de termijn waarbinnen hij die gegevens moet overleggen. De afhandelingstermijn wordt opgeschort zolang de cliënt de gevraagde gegevens niet heeft overgelegd. Als de gegevens niet binnen de termijn zijn verstrekt, kan de aanvraag buiten behandeling worden gesteld als deze gegevens wezenlijk zijn voor de afhandeling van de aanvraag;
De beslis-/afhandelingstermijn kan eveneens worden opgeschort als:
Als een cliënt een aanvraag indient terwijl er geen sprake is geweest van een melding en er is ook geen sprake is van een spoedeisende situatie dan wordt de aanvraag aangemerkt als een melding. De cliënt wordt ervan op de hoogte gesteld dat de aanvraag te vroeg is ingediend en aangemerkt is als melding. Dit betekent dat er eerst een onderzoek wordt gestart. Als de cliënt geen onderzoek wil dan neemt de gemeente de aanvraag in behandeling en wel door een besluit te nemen op basis van de beschikbare informatie. In dat geval is de kans groot dat de gemeente de aanvraag afwijst, omdat er te weinig informatie is om een goed besluit te nemen.
4.10 Aanvraag maatwerkvoorziening in de vorm van een Pgb
Bij de aanvraag voor een Pgb gelden extra regels. De cliënt moet bij de aanvraag een Pgb-plan aanleveren. Hiervoor is een standaardformat beschikbaar. In dit plan legt de cliënt uit waarom de ondersteuning geregeld moet worden met een Pgb.
De gemeente controleert of de cliënt of degene die het Pgb beheert, goed kan omgaan met het Pgb. De cliënt moet laten zien dat de hulp die ingekocht wordt, veilig, doeltreffend en cliëntgericht is. De precieze voorwaarden staan beschreven in bijlage 1 en 2 van de verordening.
4.12 Heronderzoek en evaluatie
De gemeente werkt met doelen bij het geven van de ondersteuning. Dit betekent dat bij het toekennen van een maatwerkvoorziening doelen worden gesteld. Om te zorgen dat de hulp goed blijft passen, plant de gemeente samen met de aanbieder en de cliënt een evaluatiegesprek in. Tijdens deze evaluatie wordt besproken hoe de hulp verloopt en of deze moet of kan worden bijgesteld, rekening houdend met aangepaste wetgeving of beleid. Ook kan het (juiste) gebruik van toegekende hulpmiddelen en vervoersmiddelen worden bekeken.
Hoofdstuk 5 Maatwerkvoorzieningen
5.1 Voorwaarden om in aanmerking te kunnen komen voor aan maatwerkvoorziening
Wanneer een cliënt aantoonbaar en langdurig het hoofdverblijf in de gemeente heeft komt deze in aanmerking voor een maatwerkvoorziening. Dit blijkt meestal uit de inschrijving in de BRP van de gemeente, maar is niet noodzakelijk. De feitelijke situatie op het moment van het besluit is leidend. Een vakantiewoning telt niet als hoofdverblijf. Bij twijfel of een woning voor permanente bewoning bestemd is, kijkt de gemeente naar het bestemmingsplan.
Beperkingen en langdurige noodzaak
Om in aanmerking te kunnen komen voor een maatwerkvoorziening moet er sprake zijn van beperkingen op gebied van zelfredzaamheid of participatie. De beperkingen kunnen lichamelijk, verstandelijk, psychisch, geriatrisch of psychosociaal zijn. De cliënt kan een melding doen wanneer er hierdoor sprake is van belemmeringen in de zelfredzaamheid of het kunnen meedoen in de maatschappij. Soms is medisch advies nodig om de ernst of oorzaak van de beperkingen duidelijk te maken. En om vast te stellen of een maatwerkvoorziening medisch noodzakelijk is of dat deze juist anti-revaliderend werkt.
Daarnaast kan de (medisch) adviseur uitsluitsel geven over de vraag of er sprake is van een langdurige noodzaak.
‘Langdurig noodzakelijk’ betekent in principe langer dan 6 maanden of een blijvende situatie. Onder een ‘blijvende situatie’ wordt ook de terminale levensfase verstaan.
Voor sommige maatwerkvoorzieningen, bijvoorbeeld hulp bij het huishouden, kan het ook om een kortere periode gaan. Als de verwachting is dat cliënt na enige tijd zonder de benodigde hulpmiddelen of aanpassingen zal kunnen functioneren. Bijvoorbeeld wanneer behandeling of revalidatie nog mogelijk is, dan mag van kortdurende medische noodzaak worden uitgegaan. Bij ziektebeelden met afwisseling tussen goede en slechte periodes kan toch sprake zijn van een langdurige noodzaak.
Voorzienbaarheid (vermijdbaarheid) is de mogelijkheid van de cliënt om zelf of samen met het eigen netwerk actie te ondernemen wanneer een situatie achteruit gaat en de problemen en belemmeringen toe zullen nemen.
Tijdens het onderzoek wordt nagegaan hoelang de cliënt zich al bewust is van aangegeven problematiek en het verloop daarvan en wat de cliënt gedaan heeft om de problematiek op te lossen. Op basis daarvan wordt voorzienbaarheid bepaald. Indien vastgesteld kan worden dat de cliënt zich bewust was van de problemen die zouden ontstaan en dat cliënt niets of onvoldoende heeft gedaan om zelf op te lossen, kan dit reden zijn om een voorziening of ondersteuning te weigeren. Belangrijk daarbij is rekening te houden met het feit of cliënt naast bewust ook in staat geweest is om een oplossing te bedenken en door te voeren.
Aan een afwijzing op basis van voorzienbaarheid moet altijd goed onderzoek en motivatie ten grondslag liggen. Leeftijd of een progressieve ziekte op zich is geen directe reden om op basis van voorzienbaarheid af te wijzen.
Hoofdstuk 6 Hulp bij het huishouden
6.1 Uitgangspunten voor hulp bij het huishouden
Hulp bij het Huishouden is een maatwerkvoorziening binnen de Wmo 2015. Het doel is om mensen te ondersteunen bij het uitvoeren van huishoudelijke taken, zodat zij zelfstandig kunnen blijven wonen en leven in een schone en leefbare omgeving. De Wmo 2015 definieert zelfredzaamheid als: ‘in staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemeen dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden’.
De inzet van de maatwerkvoorziening Hulp bij Huishouden draagt bij aan de zelfredzaamheid door ondersteuning te bieden op het gebied van huishoudelijke taken en eventueel ook lichte begeleiding bij het realiseren van een gestructureerd huishouden.
De gemeente gebruikt de meest recente versie van het Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning (van bureau HHM) als richtlijn om te bepalen:
Het doel van het gebruik van het Normenkader is om uniformiteit in de toekenning na te streven. Het gaat hierbij om een richtlijn, waarbij deze is gebaseerd op volledige overname van het huishouden. Iedere individuele situatie wordt onderzocht en er wordt met behulp van deze richtlijn ondersteuning op maat toegekend. De gemeente kan afwijken met zowel op- als neerwaartse bijstellingen. Hierbij wordt gemotiveerd aangegeven waarom een toekenning wordt aangepast (verhogen of verlagen).
In het Normenkader 1 wordt uitgegaan van de volgende basisuitgangspunten:
Maatwerk, ondersteuning op maat: Het normenkader ziet op maatwerk voor de individuele cliënt. In het normenkader is aangegeven hoeveel tijd nodig is als sprake is van volledige overname van het huishouden bij de omschreven ‘gemiddelde cliëntsituatie’ (ofwel ‘ijkcliënt’) en op grond waarvan minder als mogelijk of meer als nodig ondersteuning wordt geboden.
Wanneer cliënten als gevolg van hun (medische) beperkingen onvoldoende ondersteund worden door de basisvoorziening schoon huis, kunnen aanvullende maatwerkmodules ingezet worden. Dit zijn bijvoorbeeld een hoger schoonmaakniveau, het klaarzetten van maaltijden en beschikken over schone kleding. Voor minder ondersteuning wordt rekening gehouden met de mogelijkheden van eigen kracht, gebruikelijke hulp en het netwerk. Als sprake is van voorliggende voorzieningen/oplossingen, dan wordt hiervoor geen Wmo-maatwerkvoorziening inzet.
6.2 Gebruikelijke hulp in relatie tot hulp bij het huishouden
Op het moment dat één of meer personen van de leefeenheid om wat voor reden ook niet meer in staat is/zijn de afgesproken taken te vervullen, dan worden de overige leden van de leefeenheid geacht deze taken over te nemen. Hierbij gelden de volgende uitgangspunten:
Fysieke afwezigheid van de huisgenoot belemmert het bieden van gebruikelijke hulp in principe niet. Ieder volwassen mens wordt geacht een volledige school- of werkweek (inclusief overwerk en reistijden) te kunnen combineren met zijn huishoudelijke taken. Een uitzondering kan gelden voor personen die vanwege arbeid langdurig van huis zijn (meer dan 7 etmalen aaneengesloten en met een regelmatig terugkerend patroon), waardoor zij de uitstelbare taken te lang niet kunnen verrichten; denk hierbij aan offshore werk, internationaal vrachtverkeer en werk in het buitenland.
Gezondheidsproblemen van of overbelasting bij de inwonende huisgeno(o)te(n) kunnen ertoe leiden dat huishoudelijke taken niet of niet allemaal overgenomen kunnen worden. De gemeente onderzoekt daarom altijd of een leefeenheid door de langdurige uitval van een gezinslid niet alsnog onevenredig belast wordt en of overbelasting dreigt. Wanneer overbelasting dreigt, zullen de (medische) gegevens ter onderbouwing daarvan door de betrokkene moeten worden aangeleverd. Bij (dreigende) overbelasting kan de toekenning van hulp van korte duur zijn (minimaal 6 en maximaal 12 weken) om de leefeenheid de gelegenheid te geven de onderlinge taakverdeling aan de ontstane situatie aan te passen. Hetzelfde geldt als een partner of ouder ten gevolge van het plotselinge overlijden van de andere ouder of partner overbelast dreigt te raken door de combinatie van werk en verzorging van de inwonende kinderen.
Redenen als 'niet gewend zijn om’ of ‘geen huishoudelijke werk willen en/of kunnen verrichten' (“nog nooit gedaan of nooit geleerd”) leiden niet tot een indicatie voor het overnemen van huishoudelijke taken. In voorkomende gevallen kan er een indicatie worden gesteld voor een periode van zes weken voor het aanleren van de huishoudelijke taken en/of het leren organiseren van het huishouden. Dit is altijd een individuele beoordeling.
6.3 Normering schoon en leefbaar huis en eigen verantwoordelijkheid
Concreet: als de cliënt in staat is op middenniveau lichte werkzaamheden te doen (bijvoorbeeld afstoffen) wordt verwacht dat deze taken ook uitvoert. In de dagelijkse praktijk kan dit betekenen dat een deel van het huishouden door de cliënt wordt uitgevoerd en voor een ander deel ondersteuning wordt geboden. Hierbij bestaat nadrukkelijk de mogelijkheid om huishoudelijke ondersteuning te leveren per 2 weken of elke andere frequentie dan wekelijks. Ook mag worden verwacht dat met de woninginrichting rekening wordt gehouden voor het makkelijker uitvoeren van schoonmaakwerkzaamheden.
Is de cliënt al gewend om voor eigen rekening een schoonmaakzorg in te huren, dan is alleen het feit dat zich beperkingen voordoen geen reden om een beroep te doen op gemeentelijke ondersteuning. Wel moet worden meegewogen of door het ontstaan van de beperkingen mogelijkheden wegvallen, of dat de zelf ingekochte ondersteuning niet meer voldoende is.
Tijdens het gesprek met de cliënt worden alle mogelijkheden besproken. Onderzocht wordt of cliënt op eigen kracht of met zorg van zijn netwerk het gewenste resultaat kan bereiken. Er wordt ook gekeken of er algemene- of voorliggende voorzieningen aanwezig zijn die tot het gewenste resultaat kunnen leiden. Pas wanneer gebruikelijke hulp, de eigen mogelijkheden en algemene voorzieningen niet of onvoldoende van toepassing zijn, bekijkt de gemeente of ondersteuning in de vorm van een maatwerkvoorziening noodzakelijk is. Als er bijvoorbeeld een wasservice beschikbaar is waarmee de cliënt het gewenste resultaat kan behalen hoeft de gemeente niet te ondersteunen. Datzelfde geldt voor een maaltijdvoorziening of een boodschappenservice. Ook als de cliënt voldoende mensen om zich heen heeft die huishoudelijke taken kunnen overnemen, hoeft er minder of niet ondersteund te worden.
Het doel is een schoon en leefbaar huis, niet dat alles wekelijks brandschoon is.
De ruimtes worden periodiek schoongemaakt zodat het huis veilig en hygiënisch is en niet kan vervuilen.
Een maatwerkvoorziening kan bestaan uit één of meer onderdelen:
De hulp is gericht op het periodiek schoonmaken van de woning. Samen met de gemeente stemt de cliënt af welke huishoudelijke taken door de cliënt zelf kunnen worden opgepakt (of door het netwerk etc.) en welke taken de zorgaanbieder overneemt. Het type woning en de grootte van de woning is hierbij niet van invloed. In een groot huis met diverse niet in gebruik zijnde kamers wordt niet extra schoongemaakt. Het hebben van huisdieren is een keuze van de cliënt. In deze situaties wordt verwacht dat de cliënt zelf voor deze huisdieren kan zorgen. Huisdieren zijn dan ook niet van invloed op de frequentie van de uit te voeren taken.
Huishoudelijke ondersteuning kan ook kortdurend worden ingezet om toe te werken naar een zelfstandige uitvoering van de huishoudelijke taken. Hierbij voert de cliënt in toenemende mate zelf taken uit.
Taken die niet onder het resultaat van een schoon en leefbaar huis vallen zijn onder meer:
Wasverzorging gaat om het wassen, drogen, vouwen en opbergen (of onderdelen hiervan) van kleding en linnengoed. Verwacht mag worden dat de cliënt beschikt over een wasmachine. Als die er niet is behoort het tot de verantwoordelijkheid van de cliënt dat er een wasmachine geregeld wordt. Ook wordt van de cliënt verwacht dat de ondersteuning waar mogelijk tot een minimum wordt beperkt bijvoorbeeld door een wasdroger te kunnen gebruiken of kleding aan te schaffen die niet gestreken hoeft te worden. Van de cliënt wordt verwacht dat deze zelf zoveel mogelijk bijdraagt aan de (voorbereiding van) de wasverzorging.
Wasservice als voorliggende voorziening
Wanneer er sprake is van een gebruikelijke hoeveelheid was, zoals de dagelijks kleding, beddengoed en keukenlinnen, kan de cliënt gebruik maken van de wasservice. De was wordt opgehaald, elders gewassen en gedroogd en weer bij de cliënt thuis terug gebracht. Dit is een voorliggende voorziening en gaat voor op een indicatie voor de wasverzorging als een cliënt geen netwerk heeft die kan ondersteunen bij de wasverzorging. De kosten voor de wasservice zijn algemeen gebruikelijke kosten, die een cliënt ook thuis zou betalen aan bijvoorbeeld wasmiddelen, water en stroom verbruik. Deze kosten dient de cliënt dan ook zelf te betalen aan de wasservice.
Wanneer er sprake is van overmatige hoeveelheid was op medische gronden, bijvoorbeeld door incontinentie, en een cliënt zich meerdere keren per dag moet verschonen, valt deze wasverzorging onder de indicatie voor hulp bij het huishouden.
Maaltijdvoorziening/boodschappen
De cliënt kan gebruik maken van verschillende (commerciële) boodschappendiensten als algemeen gebruikelijke voorziening. Aan een boodschappendienst kunnen kosten verbonden zijn.
Wanneer het verzorgen van de boodschappen wel wordt toegekend, heeft dit betrekking op boodschappen die nodig zijn voor de dagelijkse levensbehoeften. Hieronder vallen levensmiddelen, toiletartikelen en schoonmaakmiddelen. Er wordt geen rekening gehouden met eigen voorkeuren van de inwoner (bijvoorbeeld voor speciaal voedsel dat beperkt verkrijgbaar is zodat extra gereisd moet worden). Er wordt alleen rekening gehouden met extra inspanningen die geleverd moeten worden vanwege aantoonbare medische redenen.
Onder maaltijdverzorging wordt verstaan het verzorgen van de broodmaaltijd en het opwarmen van de warme maaltijd. Het uitgangspunt voor het te behalen resultaat is dat indien nodig 1 keer per dag de broodmaaltijden worden bereid en klaargezet en 1 keer per dag een warme maaltijd wordt opgewarmd en klaargezet.
Ouders zijn verantwoordelijk voor de persoonlijke zorg van kinderen jonger dan 6 jaar, ook als ze een beperking hebben. Elke ouder is zelf verantwoordelijk voor de opvang en het organiseren van de verzorging van de kinderen. Uitgangspunt hierbij is dat bij uitval van één van de ouders, de ene ouder, de taken van de andere ouder overneemt. De gemeente ondersteunt alleen als ouders door acuut ontstane problemen een oplossing nodig hebben voor kinderen tot en met vijf jaar.
Eerst moet beoordeeld worden of er sprake is van andere oplossingen, bijvoorbeeld door zorg voor het kind/de kinderen door de familie, het sociale netwerk en alle andere vormen van opvang.
In het geval van éénoudergezinnen wordt een beroep gedaan op de andere ouder(s)/verzorger(s)/opvoeder(s).
Voor kinderen is een kinderdagverblijf of peuterspeelzaal een algemeen gebruikelijke voorziening. Het zal daarbij nooit gaan om volledige overname van de kindzorg. In die voorkomende situaties zullen andere oplossingen gezocht moeten worden. Voor-, tussen- en naschoolse opvang, kinderopvang of andere opvangmogelijkheden, maken het verstrekken van een maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden vaak onnodig. Zo is kinderopvang op basis van een sociaal medische indicatie voorliggend op de Wmo evenals hulp aan gezinnen door daartoe opgeleide vrijwilligers.
Wanneer ouders geschieden zijn, wordt ook gekeken naar de rol van de (ex-)partner. Bij echtscheiding vervalt het samenwonen en daarmee dus ook de gebruikelijke hulp van een van de ouders in het huishouden. De zorgplicht voor de kinderen verdwijnt echter niet. Bij uitval van de verzorgende ouder moet wel onderzoek gedaan worden naar de mogelijkheid van opvang van de kinderen door de niet thuiswonende ouder.
De ondersteuning is van korte duur om zo ouders de mogelijkheid te bieden taken anders in te delen en een oplossing te vinden. Hierbij wordt altijd uitgegaan van het zo mogelijk combineren van activiteiten. Dit betekent dat als een activiteit plaatsvindt voor meerdere personen en dit te combineren valt (bijvoorbeeld door maaltijdbereiding, kinderen naar bed of naar school brengen), het aantal toe te kennen minuten eenmaal telt en niet per persoon.
Een maatwerkvoorziening voor structurele opvang van kinderen is niet mogelijk binnen de Wmo. Concrete ondersteuning kan bestaan uit bijvoorbeeld wassen, aankleden, eten geven en luiers verschonen.
Dit is bedoeld voor cliënten die slecht overzicht hebben bij het huishouden en geen netwerk hebben om te helpen. Er kan dan organisatie van het huishouden ingezet worden. Hierbij gaat het om het plannen en beheren van middelen (zorgen dat schoonmaakmiddelen op voorraad zijn) en het compenseren van tijdrovend gedrag door de cliënt, bijvoorbeeld als gevolg van psychiatrische klachten.
De hulp bij het huishouden wordt geleverd op grond van een ondersteuningsplan, waarbij duidelijk is welke activiteiten door de zorgaanbieder uitgevoerd dienen te worden. Het niet kunnen aansturen alleen is geen reden om deze component te indiceren. Er moet daadwerkelijk meer werk zijn om dit ½ uur extra per week in te gaan zetten.
Als adviseren en instrueren op structurele basis nodig is, ligt dit op het snijvlak van begeleiding
Dit betreft cliënten die beperkter leerbaar zijn, bijvoorbeeld vanwege psychiatrisch of cognitieve problemen als dementie, niet-aangeboren hersenletsel of een licht verstandelijke beperking.
6.4 Bij de inzet van maatwerkvoorziening Hulp bij het huishouden, onderscheiden we de navolgende diensten/producten:
6.4.1 Hulp bij het huishouden (licht)
Als de cliënt vanwege beperkingen niet meer zelfredzaam is en er geen mogelijkheid is ondersteuning te krijgen op eigen kracht, kan hulp bij het huishouden (licht) toegekend worden.
Resultaatgebieden (limitatief)
6.4.2 Hulp bij het huishouden (zwaar)
Hulp bij het huishouden (zwaar) wordt ingezet voor een schoon en leefbaar huis bij inwoners die dit niet op eigen kracht of met behulp van iemand in het sociale netwerk kunnen realiseren, en die geen gebruik kunnen maken van Hulp bij het huishouden (licht) om dit te bereiken.
Resultaatgebieden (limitatief)
6.4.3 Persoonlijke Dienstverlening
Persoonlijke dienstverlening is geen losse vorm van hulp en kan alleen als arrangement in combinatie met Hulp bij het huishouden (zwaar) worden ingezet. Persoonlijke dienstverlening heeft als doel het behouden van regie over het huishouden, het aanleren van activiteiten en het samen uitvoeren van de activiteiten gericht op een schoon en leefbaar huis, wasverzorging, het doen van boodschappen en maaltijdenverzorging. Daarnaast kan de voorziening worden ingezet voor de verzorging van minderjarige kinderen die onderdeel uitmaken van het huishouden. Persoonlijke dienstverlening bestaat uit planbare zorg.
Resultaatgebieden (limitatief)
Als iemand hulp bij het huishouden nodig heeft, bespreekt de cliënt samen met de klantmanager welke hulp nodig is. Dit gebeurt aan de hand van vaste resultaatgebieden. Ook wordt vastgelegd hoeveel uren hulp gemiddeld nodig zijn. De klantmanager bepaalt op basis hiervan hoeveel uren hulp worden gegeven. Dit wordt opgeschreven in een ondersteuningsplan, dat onderdeel is van de officiële beschikking.
In het ondersteuningsplan staat ook welke taken de cliënt zelf doet, welke taken huisgenoten of mensen uit het sociale netwerk uitvoeren, en welke taken de zorgaanbieder overneemt. Voor elke taak geldt een standaard norm. Soms kan, als dat goed wordt uitgelegd, hiervan worden afgeweken. Hoeveel hulp iemand krijgt, wordt bepaald met behulp van het Normenkader.
6.6 Duur indicatie huishoudelijke hulp
Als het niet duidelijk is hoe ernstig en langdurig de aandoening en beperkingen precies aanwezig zijn, kijkt de Wmo-klantmanager eerst of er nog behandelingen mogelijk zijn. Ook moet worden onderzocht of hulp bij het huishouden het herstel niet kan tegenwerken. Voor het beoordelen of er sprake is van een anti-revaliderend effect, is een medisch advies nodig, want de klantmanager mag geen medische gegevens opvragen of beoordelen.
De medisch adviseur vraagt informatie aan de behandelaar en kijkt of hulp bij het huishouden het herstel kan belemmeren.
Als het advies is dat hulp bij het huishouden nodig is om aan het behandeltraject mee te doen, kan er een tijdelijke indicatie worden gegeven. Deze geldt dan zolang als het revalidatietraject duurt.
Voor de duur van de indicatie geldt dat als er verbetering of veranderingen worden verwacht, de indicatie voor die periode wordt afgegeven. Hierbij wordt ook rekening gehouden met de leeftijd van de kinderen in het huishouden en de taken die daarbij horen.
6.7 Hulp bij het huishouden in bijzondere situaties
Tijdelijke opname in een ziekenhuis of instelling
Als een cliënt tijdelijk wordt opgenomen, stopt de zorg tijdelijk.
Als er iemand anders in het huis woont die ook zorg nodig heeft, gaat die zorg maximaal zes weken door. Binnen die zes weken kan een melding gedaan worden en wordt bekeken of de zorg langer nodig is, bijvoorbeeld als de opname langer duurt. Ook als de cliënt tijdelijk ergens anders buiten de gemeente verblijft, stopt de zorg tijdelijk. De indicatie blijft wel geldig.
Hulp bij het huishouden bij astma/COPD
De woning moet eerst ‘gesaneerd’ zijn. Dit is verplicht om extra hulp te krijgen.
Als de woning binnen zes maanden niet is gesaneerd, wordt de hulp tijdelijk gegeven tot de sanering klaar is. Daarna wordt opnieuw gekeken wat nodig is.
Hulp bij het huishouden bij een korte levensverwachting (palliatief)
Als de cliënt een zeer korte levensverwachting heeft, kan afgeweken worden van de normering gebruikelijke hulp om de directe omgeving te ontlasten. Maatwerk vraagt in deze situatie speciale aandacht.
Een eventuele indicatie wordt dan afgegeven voor de duur van de te verwachten levensverwachting.
Hulp bij het huishouden na overlijden van cliënt met achterblijvende partner
Als een cliënt overlijdt, loopt de hulp nog maximaal zes weken door voor de achterblijvende partner. Het gaat dan om een achterblijvende partner die voorheen niet in staat was tot gebruikelijke hulp. In die zes weken tijd kan de melding van de achterblijvende partner in behandeling genomen worden om te kijken of en welke hulp de partner nodig heeft en of er gronden zijn om een indicatie op naam van de partner af te geven. Gedurende deze zes weken blijft de achterblijvende partner de eerder afgegeven indicatie houden totdat de beoordeling voor een eventuele nieuwe indicatie heeft plaatsgevonden.
Hulp bij het huishouden en een Wlz indicatie
Als iemand een indicatie heeft voor de Wet langdurige zorg (Wlz), wordt de hulp vanuit die wet betaald. Soms is er naast de Wlz-geïndiceerde thuiswonende nog een partner met beperkingen waardoor er een grotere ondersteuningsbehoefte is dan waar vanuit de Wlz in wordt voorzien. In die specifieke gevallen is voor de partner van de Wlz geïndiceerde een aanvullende Wmo-indicatie mogelijk.
Huishoudelijke Ondersteuning in een GGZ instelling
Voor cliënten die behandeld worden in een erkende GGZ-instelling, wordt hulp bij het huishouden betaald vanuit de Zorgverzekeringswet (Zvw).
Begeleiding betekent in de Wmo 2015 ‘activiteiten gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie van de cliënt opdat hij zo lang mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan blijven’.
Cliënten met begeleiding krijgen hulp bij het bevorderen of behouden van zelfredzaamheid of het groeien naar zelfstandigheid en participatie in de samenleving. Begeleiding is bedoeld voor volwassenen en kan ingezet worden gericht op herstel (activerend, ontwikkelgericht), of gericht op structurele ondersteuning (stabiliserend). Er zijn 2 vormen van begeleiding: Individuele Begeleiding of Groepsbegeleiding.
In principe gaat Groepsbegeleiding voor op Individuele Begeleiding.
Cliënten die begeleiding krijgen, hebben vaak één of meer van de volgende problemen (dit is een voorbeeld, geen volledige lijst):
Door de aard, omvang en intensiteit van de beperkingen is de cliënt niet in staat om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, mantelzorg of ondersteuning van het sociale netwerk voldoende zelfredzaam te zijn of te participeren in de samenleving. Hoe lang en hoe intensief de begeleiding is, hangt af van de problemen van de cliënt en de doelen die met de begeleiding worden bereikt.
Soms is de hulp die nodig is zo groot zijn dat (deels) niet meer van gebruikelijke hulp kan worden gesproken. Dat deel kan als boven-gebruikelijk worden aangemerkt, tenzij het uitstelbare ondersteuning betreft of bijvoorbeeld gebruik kan worden gemaakt van andere oplossingen. Zo kan de cliënt bijvoorbeeld permanent toezicht nodig hebben, wat zware eisen kan stellen aan de persoon die de gebruikelijke hulp biedt. Dan kan een onderzoek naar een mogelijke Wlz-indicatie aan de orde zijn. De zorg wordt niet snel als boven-gebruikelijke hulp aangemerkt, als deze beperkt is maar wel structureel van karakter. Denk bijvoorbeeld aan hulp bij zelfzorg of participatie. De omvang van de zorg kan onder de normale routine van de leefeenheid vallen. Denk bijvoorbeeld aan het uitzoeken en klaarleggen van kleding, het gezamenlijk eten, etc.
Huisgenoten moeten elkaar onderling gebruikelijke hulp geven. Ze wonen samen en delen het huishouden, dus hebben ze samen de verantwoordelijkheid. Daarbij wordt wel rekening gehouden met de aard van de relatie die de persoon binnen de leefeenheid heeft met de cliënt. Er wordt onderscheid gemaakt tussen wat van echtgenoten/partners ten opzichte van elkaar als gebruikelijke hulp kunnen bieden en wat van kinderen ten opzichte van hun ouders verwacht kan worden. Dit geldt ook voor huisgenoten die geen familierelatie hebben met de cliënt. Per situatie wordt bekeken wat volgens de algemeen geldende opvattingen als gebruikelijk kan worden aangemerkt.
Als een huisgenoot gezondheidsproblemen heeft of overbelast raakt, kan het zijn dat diegene niet alle begeleiding kan geven in het kader van gebruikelijke zorg. De gemeente kijkt daarom altijd of het huishouden niet te zwaar belast wordt en of er overbelasting dreigt. Hierbij houdt de gemeente rekening met de voor die leefeenheid geldende gebruikelijke hulp. Als er sprake is van overbelasting, moet de betrokken persoon (medische) bewijs leveren. Als de dreigende overbelasting wordt veroorzaakt door een combinatie van werk en gebruikelijke hulp en andere activiteiten dan werk en huishouden, gaan werk en gebruikelijke hulp voor. Het beoefenen van een sport en deelnemen aan vrijetijdsbesteding kan het bieden van gebruikelijke hulp in principe niet in de weg staan. Bij (dreigende) overbelasting kan de toekenning van hulp van korte duur zijn (minimaal 6 en maximaal 12 weken) om de leefeenheid de gelegenheid te geven de onderlinge taakverdeling aan de ontstane situatie aan te passen.
Voor echtgenoten/partners ten opzichte van elkaar geldt dat er van hen meer wordt verwacht in het kader van gebruikelijke hulp dan van kinderen ten opzichte van hun ouders. Echtgenoten/partners hebben immers een zorgplicht voor elkaar. Zo wordt het normaal geacht dat de ene partner de ander aanspoort of ondersteunt bij overname van de zelfzorg.
Het algemene principe van de verantwoordelijkheid voor elkaar binnen de leefeenheid kan anders liggen als het gaat om kinderen ten opzichte van hun ouders. Met name de leeftijd van het kind is hier van belang. Voorkomen moet worden dat een kind hierdoor overbelast raakt. Verder is het in het algemeen niet gebruikelijk dat minderjarige kinderen hun ouder(s) bijvoorbeeld aansporen tot zelfzorg. Dit is echter weer anders als de kinderen zelf al volwassen zijn. Hier geldt altijd een individuele afweging en beoordeling.
Het kan voorkomen dat tijdelijk geen gebruikelijke hulp kan worden geboden. Een reden daarvoor kan zijn dat de huisgenoot niet weet op welke manier zij gebruikelijke hulp kan of moet verlenen, maar dat wel kan aanleren. Denk bijvoorbeeld aan situaties waarin men wordt geconfronteerd met een ondersteuningsbehoefte van de cliënt door niet eerder aanwezige beperkingen zoals niet aangeboren hersenletsel of beginnende dementie. Er kan dan tijdelijk een maatwerkvoorziening worden ingezet om de gebruikelijke hulp aan te leren. De ondersteuning is dan ook gericht op het in staat te stellen om te gaan met (de gevolgen van) de beperkingen van de cliënt. De leerbaarheid van de cliënt en de huisgenoot kan hierbij ook een belangrijke rol spelen. Die kan bijvoorbeeld betrekking hebben op het (leren) accepteren van gebruikelijke hulp.
We onderscheiden de mate van zelfredzaamheid per cliënt op basis van een onderzoek dat voldoende specifiek moet zijn om eerst de problemen van de cliënt concreet in kaart te brengen en daarna te bepalen welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de mate van zelfredzaamheid of de mate van participatie van de cliënt (ECLI:NL:CRVB:2018:819).
De mate van beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie onderzoeken we met behulp van:
We verstaan onder lichte, matige en zware beperkingen:
Lichte beperkingen houden in dat de cliënt lichte problemen heeft met de dagelijkse routine en met het uitvoeren van vooral complexere activiteiten. Met enige stimulans en/of toezicht is de cliënt in staat zijn sociale leven zelfstandig vorm te geven, aankopen te doen en zijn geld te beheren. Wat betreft het aangaan en onderhouden van sociale relaties, op school, op het werk, met het sociale netwerk, is er met praten bij te sturen vanuit gezin, het sociale netwerk en/of school. De persoon met beperkingen kan zelf om hulp vragen en er is geen noodzaak tot het daadwerkelijk overnemen van taken. Om die reden zijn algemene voorzieningen, zoals welzijnswerk, MEE, cliëntondersteuning, maatschappelijk werk, mantelzorgondersteuning, buurtwerk, inloophuizen in de wijk etc. meestal voldoende om deze personen een steuntje in de rug te geven waardoor zij zichzelf kunnen redden in de samenleving. Als er geen geschikte algemene voorziening is, kan dit reden zijn tot het toekennen van een maatwerkvoorziening.
Matige beperkingen houden in dat het oplossen van problemen, het zelfstandig nemen van besluiten, het regelen van dagelijkse bezigheden en de dagelijkse routine (gebrek aan dag- en nachtritme) voor de cliënt niet vanzelfsprekend zijn. Dit levert af en toe zodanige problemen op dat de cliënt afhankelijk is van hulp. De communicatie gaat niet altijd vanzelf doordat de cliënt soms niet goed begrijpt wat anderen zeggen en/of zichzelf (soms) niet voldoende begrijpelijk kan maken. Het niet inzetten van Begeleiding kan leiden tot verwaarlozing/opname.
Er is sprake van matige beperkingen door gedragsproblemen als een professional soms moet helpen of taken deels moet overnemen. Zonder die hulp kan de situatie erger worden.
Er is sprake van matige beperkingen in het psychisch functioneren als de cliënt vaak hulp nodig heeft door problemen met concentreren en het verwerken van informatie.
Er is sprake van matige beperkingen in oriëntatie en geheugen als de cliënt moeite heeft met het herkennen van mensen of de omgeving. De cliënt heeft vaak hulp nodig is bij het uitvoeren van taken, het volgen van een dagritme en situatie verslechtert zonder begeleiding.
Zware beperkingen houden in dat complexe taken voor de cliënt moeten worden overgenomen. Ook het uitvoeren van eenvoudige taken en communiceren gaan moeizaam. De cliënt kan niet zelfstandig problemen oplossen en/of besluiten nemen, hij kan steeds minder activiteiten zelfstandig uitvoeren. De zelfredzaamheid wordt problematisch. Voor de dag-structuur en het voeren van de regie is de cliënt afhankelijk van de hulp van anderen.
Er is sprake van zware beperkingen door gedragsproblemen als de cliënt ernstige problemen heeft waardoor zijn eigen veiligheid of die van anderen in gevaar is. Er is dan voortdurend hulp nodig van een professional.
Er is sprake van zware beperkingen in het psychisch functioneren als de cliënt ernstige problemen heeft met concentratie, denken, geheugen of waarneming van de omgeving. Een professional moet alle taken overnemen. Er is sprake van zware beperkingen in oriëntatie en geheugen als de cliënt ernstige moeite heeft met het herkennen van mensen en de omgeving, als de cliënt gedesoriënteerd is, taken moeten worden overgenomen en hulp nodig is om structuur in de dag te houden.
Het functioneren van de cliënt wordt in kaart gebracht middels de 11 resultaatgebieden van de gebruikershandleiding FAQT-V. Per resultaatgebied worden er doelen geformuleerd. Deze doelen worden opgenomen in het ondersteuningsplan van de cliënt. Bijlage 2.1. ‘Doelstellingen voor ondersteuning met maatwerkvoorziening begeleiding’ geeft een overzicht van mogelijke doelen per resultaatgebied. Op basis van het onderzoek kunnen andere aanvullende doelen opgesteld worden.
7.4 Cliënten met ernstige zintuiglijke beperkingen
Voor cliënten met ernstige zintuiglijke beperkingen heeft de gemeente de Overeenkomst Landelijke Inkoopafspraken Specialistische Ondersteuning Wmo ZG aangenomen.
De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft namens alle gemeenten afspraken gemaakt met een aantal zorgaanbieders. Deze afspraken staan in raamovereenkomsten. In deze overeenkomsten staat wat voor zorg wordt geleverd en wat daarvoor wordt betaald.
Een belangrijk onderdeel van deze overeenkomst is het Programma van Eisen. Hierin staat per zorgaanbieder precies beschreven wat voor begeleiding zij bieden. Omdat deze begeleiding vraagt om gespecialiseerde kennis en alleen geleverd wordt door landelijke zorgaanbieders die een contract hebben, kan deze zorg alleen in natura worden gegeven.
Of de cliënt is aangewezen op Begeleiding wordt onder andere bepaald door de mate waarin de cliënt beperkingen ervaart. Om dat in beeld te krijgen wordt de Zelfredzaamheidsmatrix (ZRM ) gebruikt. Ook wordt gekeken in hoeverre gebruikelijke zorg een bijdrage kan leveren aan de ondersteuningsvraag van de cliënt.
Om te bepalen of de cliënt is aangewezen op Individuele Begeleiding of Groepsbegeleiding of beide, zijn een aantal elementen van belang:
Ook worden bij de beoordeling de navolgende aspecten meegewogen:
1. Cliënten die een beschikking hebben voor individuele begeleiding, krijgen ondersteuning om zo zelfstandig mogelijk te leven. De begeleiding helpt bij het behouden of verbeteren van de zelfredzaamheid, het ontwikkelen van zelfstandigheid en het meedoen in de samenleving.
De begeleiding kan op twee manieren worden ingezet:
Er zijn verschillende vormen van individuele begeleiding:
Belangrijk onderdeel van zelfstandig meedoen aan de maatschappij is een zinvolle daginvulling. Sommige cliënten kunnen dit niet alleen of met hulp van hun sociale netwerk. Zij kunnen gebruik maken van groepsbegeleiding.
Groepsbegeleiding helpt cliënten om op een gestructureerde manier deel te nemen aan activiteiten die passen bij hun situatie. Het is bedoeld voor mensen die vanwege een aandoening of beperking moeite hebben met sociale contacten of meedoen in de maatschappij.
Groepsbegeleiding kan de volgende doelen hebben:
Bij Groepsbegeleiding onderscheiden we de volgende soorten voorzieningen:
7.6 Uitgangspunten individuele begeleiding
Bij begeleiding aan huis helpt de ondersteuner de cliënt om zelfstandig te blijven of zelfstandigheid terug te krijgen. Zelfredzaamheid betekent dat iemand lichamelijk, verstandelijk en psychisch in staat is om zichzelf te redden in het dagelijks leven.
Soms lukt dat niet goed, bijvoorbeeld doordat iemand moeite heeft met het plannen van de dag, het regelen van zaken of het nemen van beslissingen. In dat geval kan begeleiding helpen om meer grip op het eigen leven te krijgen.
Soms hoort bij de begeleiding ook persoonlijke verzorging. Dit is lichte hulp bij dagelijkse handelingen, met de handen op de rug en geen lijf gebonden zorg. Dus zonder dat het om medische zorg gaat of om lichamelijke verzorging die overgenomen moet worden.
Deze hulp is bedoeld om een tekort aan zelfredzaamheid op te heffen, bijvoorbeeld bij mensen die moeite hebben met persoonlijke verzorging, maar dit (met begeleiding) nog wel zelf kunnen doen. Dit komt vooral voor bij mensen met een verstandelijke beperking, zintuiglijke beperking of psychische problemen. Het gaat dan om ondersteuning bij algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL) zoals wassen, aankleden of eten, niet om het overnemen van die handelingen.
De begeleiding kan één of meerdere keren per week bij de cliënt thuis plaatsvinden. Dit gebeurt op afgesproken momenten. Heeft de cliënt onverwacht hulp nodig buiten deze momenten? Dan kan de cliënt contact opnemen met de zorgverlener. Als het mogelijk is, kan dit contact ook digitaal zijn. Soms wordt individuele begeleiding in een groep gegeven, zoals bij een spreekuur voor hulp bij de administratie of een training.
1.1 Ambulante Individuele Begeleiding
Deze begeleiding is bedoeld voor cliënten met problemen op één of meer gebieden in hun leven. Deze problemen passen nog wel binnen de woon- en leefomgeving van de cliënt. De cliënt kan op korte termijn niet helemaal zelfstandig functioneren. Ambulante individuele begeleiding helpt bij het leren of behouden van vaardigheden, het leren kennen van jezelf, het maken van keuzes, het regelen van het dagelijks leven en het plannen van activiteiten.
1.2 Intensieve Ambulante Begeleiding
Intensieve Ambulante Begeleiding is voor cliënten die tijdelijk of langdurig moeilijk zelf de regie kunnen houden over hun leven. Deze cliënten hebben vaak ernstige problemen op sociaal-emotioneel gebied en moeite met meedoen in de maatschappij. De problemen zijn vaak ingewikkeld en meervoudig. Omdat deze begeleiding specialistisch is, is het doel eerst om de situatie stabiel te maken en daarna de hulp langzaam af te bouwen. Er is geen verwachting dat de cliënt snel helemaal zelfstandig wordt, anders dan bij het Ontwikkelarrangement Begeleiding.
Deze begeleiding voorkomt dat de cliënt terugvalt en opgenomen moet worden in een instelling. Als het niet anders kan, wordt er geholpen om de hulp op te schalen, bijvoorbeeld naar een crisisdienst, tijdelijke opname of gedwongen behandeling thuis.
Cliënten met een ernstige psychiatrische aandoening en problemen met:
De hulpvraag heeft vaak deze kenmerken:
Babythuiszorg: In bijzondere gevallen kan de gemeente Babythuiszorg inzetten voor gezinnen met zeer zware problemen. Dit is als andere hulp niet genoeg is voor het gezin. Babythuiszorg helpt gezinnen met een baby tot ongeveer één jaar. Het kan doorgaan na de kraamperiode, totdat het gezin het zelf kan. Het kan ook los van de kraamperiode worden ingezet. Als de hulp vooral gericht is op de ouders, wordt het betaald vanuit de Wmo. De hulp is vooral voor het begeleiden van de ouders, niet alleen om taken over te nemen.
1.3 Ontwikkelarrangement Begeleiding
Het Ontwikkelarrangement Begeleiding is voor cliënten die zich willen en kunnen ontwikkelen. Ze kunnen nieuwe vaardigheden leren, zodat ze zelfstandig kunnen werken en leven (zelfredzaam zijn en meedoen in de samenleving). Het doel is herstel en zelfredzaamheid. Cliënten kunnen dit niet helemaal zelf. Advies van een onafhankelijke deskundige kan duidelijk maken waar de beoordeling van het ‘ontwikkelpotentieel’ op is gestoeld. Het Ontwikkelarrangement Begeleiding helpt de cliënt om dit doel te bereiken.
In het onderzoeksrapport staat welk doel(en) de cliënt wil bereiken. Dit past bij de talenten, mogelijkheden en interesses van de cliënt. Er wordt verwacht dat de cliënt na dit arrangement geen extra Wmo-begeleiding meer nodig heeft.
De hulpvraag heeft de volgende kenmerken:
1.4 Begeleiding vinger-aan-de-pols
Begeleiding ‘vinger-aan-de-pols’ is een laagdrempelige vorm van hulp. Het doel is om kwetsbare cliënten goed in de gaten te houden. Zo blijft de cliënt stabiel en wordt achteruitgang voorkomen. De hulp kan snel op- of afgeschaald worden afhankelijk van de situatie. De cliënt kan ook zelf aangeven als er iets verandert.
De hulpverlener is beperkt aanwezig. De hulpverlener houdt contact op afstand als het nodig is. Zo blijft duidelijk wat de hulpvraag is en wie in het sociaal netwerk de cliënt kan helpen. Begeleiding ‘vinger-aan-de-pols’ wordt vaak ingezet na een intensiever traject. Zo kan zwaardere hulp eerder worden afgebouwd.
De hulpvraag heeft de volgende kenmerken:
De bereikbaarheidsdienst is er voor cliënten die ‘s avonds, ‘s nachts of in het weekend hulp nodig hebben.
Dit gaat om hulpvragen door psychische problemen, verstandelijke beperkingen en/of verslavingen die niet kunnen wachten tot de volgende werkdag.
Andere voorliggende diensten zoals de Huisartsenpost, de Luisterlijn, 113 Zelfmoordpreventie zijn dan niet passend.
Of de cliënt kan deze diensten niet zelf bellen.
De hulpvraag kan op afstand worden beantwoord, bijvoorbeeld via de telefoon. Deze dienst is extra ondersteuning naast de begeleiding die er overdag is. Zo voelen cliënten zich ook buiten kantoortijden veilig en gesteund, ook in relatie tot anderen in hun omgeving. Er is altijd iemand die snel kan helpen of signaleren als dat nodig is.
De bereikbaarheidsdienst helpt ook bij het uitstromen uit intramuraal wonen en zorgt ervoor dat cliënten langer thuis kunnen blijven wonen.
Deze dienst kan alleen worden ingezet samen met een indicatie voor Ambulante individuele begeleiding, Intensieve ambulante begeleiding, Ontwikkelarrangement begeleiding of Begeleiding ‘vinger-aan-de-pols’.
De bereikbaarheidsdienst wordt uitgevoerd door dezelfde aanbieder die overdag de begeleiding doet.
Tijden van bereikbaarheid (buiten kantoortijden):
Avond: van 18.00 uur tot 00.00 uur
Nacht: van 00.00 uur tot 8.00 uur
Weekend: van zaterdag 00.00 uur tot en met zondag 23.59 uur
De hulpvraag heeft o.a. de volgende kenmerken:
Doelstellingen (niet limitatief)
7.7 Uitgangspunten Groepsbegeleiding in de vorm van dagbesteding
Dagbesteding is een structurele tijdsbesteding met een goed omschreven doel waarbij de cliënt actief wordt betrokken.
De dagbesteding zorgt voor structuur, betekenisvolle activiteiten en kan ook mantelzorgers ontlasten. Het ontlasten van de mantelzorger is de meest toegepaste doel van deze ondersteuning.
De hulp sluit aan op de behoeften van de cliënt. Het doel is dat de cliënt zo lang mogelijk zelfstandig kan blijven leven en zich verder kan ontwikkelen. Dagbesteding is ook bedoeld voor cliënten die ondersteuning nodig hebben bij het omgaan met hun beperking, bijvoorbeeld bij het plannen van hun dag of uitvoeren van dagelijkse taken. Daarbij is vaak herhaling en begeleiding nodig door inzet van een methodische interventie.
Dagbesteding kan ook worden ingezet in plaats van school of werk, als dit voor de cliënt (tijdelijk of blijvend) niet mogelijk is. Als iemand niet mee kan doen aan werk of participatie op basis van de Participatiewet, dan kan dagbesteding vanuit de Wmo worden aangeboden. Het aantal dagdelen hangt af van de behoeften van de cliënt en de ondersteuning die zijn of haar netwerk kan bieden.
De maximale inzet is 9 dagdelen per week (1 dagdeel per week kan gebruikt worden voor hulp bij het huishouden).
Als iemand op basis van de Participatiewet wel kan deelnemen aan werk, vrijwilligerswerk of participatietrajecten, gaat dat voor op dagbesteding via de Wmo (dit heet een voorliggende voorziening).
Voor ouderen wordt dagbesteding vaak aangevraagd vanwege eenzaamheid, het ontlasten van de mantelzorger, beginnende dementie of moeite met mobiliteit. Eerst wordt altijd gekeken naar de mogelijkheden in de buurt, zoals activiteiten in het wijkcentrum of buurthuis. Alleen als dit niet voldoende is, wordt geïndiceerde dagbesteding toegekend.
Let op: de locatie van de dagbesteding mag géén woonbestemming hebben.
De hulpvraag heeft de volgende kenmerken:
Deze vorm van dagbesteding is bedoeld voor cliënten die extra toezicht en structuur nodig hebben, waarvoor specialistische kennis nodig is. Ook hierbij is het zorgdoel leidend voor de begeleiding en de omvang van de gespecialiseerde begeleiding die op de dagbesteding wordt geboden. Deze vorm van begeleiding wordt ingezet als de cliënt op in ieder geval drie leefgebieden van de ZRM een 2 of minder scoort en dus belemmeringen ervaart.
Kortdurend verblijf is tijdelijke opvang buiten de thuissituatie. Kortdurend verblijf wordt ingezet om mantelzorgers te ontlasten als respijtzorg. Kortdurend verblijf in de vorm van respijtzorg wordt alleen in natura verstrekt. In tegenstelling tot de andere voorzieningen wordt kortdurend verblijf geïndiceerd in etmalen.
Om in aanmerking te komen voor kortdurend verblijf moet worden voldaan aan alle hieronder genoemde voorwaarden:
7.8 Uitgangspunten Beschermd Wonen
Voor beschermd wonen werkt de gemeente samen met centrumgemeente Rotterdam. De regels en voorwaarden die daarvoor gelden, staan beschreven in het beleidskader van de centrumgemeente. Deze worden ook door de andere gemeenten gevolgd. Deze staan apart beschreven in hoofdstuk 12 en 13 en zijn letterlijk overgenomen uit de beleidsregels van Centrumgemeente Rotterdam.
8.1 Uitgangspunten voor woonvoorzieningen en woningaanpassingen
Ook wordt geen woonvoorziening of woningaanpassing toegekend als de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening of aanpassing het gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen bij het normale gebruik van de woning geen aanleiding bestond en er geen belangrijke reden aanwezig was. Voorbeelden van belangrijke redenen zijn: samenwoning, huwelijk en het aanvaarden van werk elders. Maar ook als één van deze situaties zich voordoet, zal een weging van alle feiten en omstandigheden de doorslag geven of sprake is van een belangrijke reden, zo volgt uit de jurisprudentie. De opsomming is verder niet uitputtend, wat betekent dat ook andere omstandigheden een belangrijke reden kunnen vormen.
De gemeente kiest liever voor een verhuizing met vergoeding dan voor het aanpassen van een woning, als dat:
Deze aanpak heet het primaat van verhuizen. De gedachte hierachter is dat de gemeente zo zuinig en efficiënt mogelijk omgaat met geld en de woningvoorraad.
Belangrijk bij het begrip “goedkoopst compenserend” in dit soort situaties is dat eerst gekeken moet worden naar wat adequaat is en dan pas naar de kosten ervan. Dus in het kader van het primaat verhuizen is de eerste vraag: welke oplossingen zijn adequaat? Als verhuizen een van deze oplossingen is, kan het primaat toegepast worden.
De gemeente moet goed onderzoeken of verhuizen voor deze cliënt ook écht een goede oplossing is. Daarbij kijkt de gemeente naar de persoonlijke situatie. Als verhuizen niet passend is, moet de gemeente toch een woningaanpassing bieden. Bij die belangenafweging tussen verhuizen of het aanpassen van de huidige woning, wordt naar de volgende punten gekeken:
Kostenvergelijking tussen aanpassen en verhuizen
De kostenvergelijking tussen het aanpassen van de te verlaten woning en het verhuizen naar een nieuwe woning speelt een rol bij het bepalen van wat de goedkoopst compenserende oplossing is. Hierbij hanteren we een grensbedrag van € 7.500. Bij het maken van een kostenvergelijking moeten wel alle kosten worden betrokken. Dat houdt in dat de gemeente de aanpassingskosten van de huidige woning moet afzetten tegen:
het eventueel vrijmaken van de woning. Een eenmaal aangepaste woning moet bij voorkeur ook in de toekomst aan andere personen met een beperking toegewezen worden. Wanneer achterblijvende gezinsleden van een persoon met beperkingen, deze woning als huurwoning vrijmaken voor een andere persoon met beperkingen, kan een vergoeding voor verhuis- en herinrichtingskosten worden verstrekt.
Als een 'nieuwe' aangepaste woning leeg staat, moet de gemeente om een totale kostenvergelijking te kunnen maken ook rekening houden met een eventuele “voorziening voor huurderving”. Dit is alleen van belang als zowel het aanpassen van de woning als het verhuizen naar een andere woning adequate oplossingen zijn.
Volkshuisvestelijke factor kan een rol spelen
Niet alleen de kosten spelen een rol bij de uiteindelijke keuze van een voorziening. Ook het woningaanbod speelt een rol. Bijvoorbeeld: het is zonde om een nieuwe woning aan te passen als er al een geschikte woning beschikbaar is. Een ander voorbeeld: moet in alle gevallen meegewerkt worden aan het aanpassen van een eengezinswoning waar gelijkvloers wonen een oplossing kan bieden voor de problemen. Gezien de huidige krapte op de woningmarkt is het voorstelbaar dat het aanpassen van een eengezinswoning niet de voorkeur heeft als het een alleenstaande betreft.
Woning moet binnen medisch aanvaardbare termijn beschikbaar zijn
Een belangrijk aspect bij het wel of niet toepassen van het verhuisprimaat is de termijn waarbinnen de verhuizing kan plaatsvinden en de vraag wat de termijn is voor urgentie op medische gronden is. Een woning moet binnen de medisch aanvaardbare termijn beschikbaar zijn. Zo niet, dan is verhuizen geen passende oplossing.
Afstemming met andere voorzieningen
Voor het maken van de keuze is afstemming met overige voorzieningen van belang. Vooral afstemming met eventuele vervoersvoorzieningen kan van groot belang zijn. Criteria die hierbij een rol spelen zijn de afstand tot openbaar vervoerhaltes en de aanwezigheid van voorzieningen als winkelcentra, ziekenhuizen, etcetera. Als een woning dicht bij dit soort voorzieningen ligt en geen woningen beschikbaar zijn, kan de gemeente tot de conclusie komen dat het passender is om de huidige woning aan te passen dan de cliënt te laten verhuizen.
Ook de werksituatie van de cliënt kan van invloed zijn op de beslissing om al dan niet te verhuizen. Als de cliënt door de verhuizing dichter bij zijn werk kan komen te wonen én dat medisch helpt, kan dit meetellen.
Dat houdt echter niet in dat verhuizen om dichterbij het werk te wonen een reden is om een verhuiskostenvergoeding te verstrekken.
De gemeente zal bij de afweging tussen het aanpassen van de huidige woning en verhuizen naar een andere woning rekening houden met de woonlastenconsequenties van deze opties. Daarbij wordt een vergelijking gemaakt tussen de woonlasten bij het blijven wonen in de huidige woning en het verhuizen naar een andere woning. Van belang is dat de financiële gevolgen van een verhuizing binnen redelijke en aanvaardbare grenzen vallen.
Bij de afweging of het primaat van verhuizing kan worden toegepast, wordt door de gemeente ook rekening gehouden met het wooncomfort. Een verhuizing betekent vaak inleveren op comfort (bijvoorbeeld van een eengezinswoning naar een seniorenflat). Dat is soms acceptabel, zeker als dit ook normaal is bij mensen zonder beperking.
De gemeente kan op grond van de belangenafweging tot de conclusie komen dat verhuizen de meest compenserende oplossing is en om deze reden het aanpassen van de huidige woning niet vergoeden.
Een woningaanpassing wordt alleen gedaan in de woning waar de cliënt echt woont (het hoofdverblijf).
Uitzondering hierop vormt de aanpassing in verband met het bezoekbaar maken van een woning.
Als de cliënt woont in een woning die niet bedoeld is voor permanent verblijf (bijvoorbeeld een vakantiewoning), wordt in principe geen aanpassing gedaan. Bij twijfel kijkt de gemeente naar het bestemmingsplan van de woning.
Een woningaanpassing heeft als doel dat de cliënt de woning normaal kan gebruiken. Onder normaal gebruik vallen de volgende dingen:
Ruimtes zoals een hobbykamer of studeerkamer worden niet aangepast, want die horen niet bij de basisfuncties van een woning.
Cliënt heeft bij woonvoorzieningen de keuze tussen een voorziening in natura (de gemeente regelt de aanpassing) en een Pgb (de cliënt regelt de aanpassing zelf). De aanpassing moet worden uitgevoerd volgens de eisen uit het Bouwbesluit.
Kiest cliënt voor een persoonsgebonden budget, dan is de budgetbeheerder verantwoordelijk voor het (laten) uitvoeren van de woonvoorziening. Om een Pgb te ontvangen voor een woningaanpassing moet de budgetbeheerder tenminste 2 offertes aanleveren. Ook de klantmanager vraagt een offerte op bij een aannemer of leverancier om te vergelijken. Er wordt gekeken naar wat nodig is en niet naar wat de cliënt graag zou willen. Als de cliënt een duurdere aanpassing wil dan nodig is, dan moet betaalt de cliënt de meerkosten zelf.
Na levering van de voorziening of gereed-melding van de woningaanpassing moet de budgetbeheerder de factuur overleggen en wordt controle uitgevoerd op de uitgevoerde werkzaamheden.
Indien binnen een half jaar na dagtekening van de toekenningsbeschikking de woningaanpassing niet is voltooid, vervalt het recht op de toekenning. Bij ingrijpende en tijdrovende aanpassingen kan van deze termijn worden afgeweken.
8.5 Woonsanering in verband met COPD en andere longklachten
Iemand met beperkingen door COPD of een allergie kan een vergoeding krijgen voor het vervangen van vloer- of raamstoffering in huis. Dit kan als een longarts of een gespecialiseerde longverpleegkundige aangeeft dat dit nodig is.
Bij de Wmo gaat het vooral om het vervangen van tapijt en gordijnen in de slaapkamer. Voor kinderen tot vier jaar geldt een uitzondering: dan kan ook de woonkamer worden aangepakt, omdat jonge kinderen overdag in de woonkamer zijn en nog niet naar school gaan.
Meestal is de nieuwe stoffering die nodig is bij een allergie iets wat veel mensen gebruiken en wordt dan ook gezien als algemeen gebruikelijk. Alleen als de stoffering al eerder moest worden vervangen omdat de allergie toen pas bekend werd, kan niet meer gesproken worden van een algemeen gebruikelijke voorziening. We berekenen het Pgb (Persoonsgebonden Budget) voor deze maatwerkvoorziening met een afschrijvingstermijn. Dat betekent dat de vloerbedekking niet voor altijd mee gaat. Daarom moet iemand zelf geld sparen om de stoffering later weer te vervangen. Na ongeveer acht jaar is de stoffering ‘afgeschreven’ en krijg je geen nieuwe vergoeding voor hetzelfde doel. Voorwerpen zoals kussens of matrashoezen die vrij zijn van allergenen horen niet bij de Wmo en worden dus niet vergoed.
Het Pgb dekt de werkelijke kosten, maar het moet wel zo goedkoop mogelijk en passend zijn. Materialen die je bij een bouwmarkt of woonwinkel koopt, gaan vóór op duurdere materialen uit een speciaalzaak.
Er is wel een afschrijvingspercentage voor de stoffering:
Bij de aanschaf van nieuwe materialen moet de client zich houden aan het programma van eisen, zoals gladde vloerbedekking (zeil of goedkoop laminaat) en gladde raambedekking (rolgordijn, kunststof lamelgordijn). Eventuele meerkosten zijn op rekening van cliënt.
Soms is het medisch nodig om de hele woning stofvrij te maken maar vaak is alleen de slaapkamer dringend noodzakelijk. Alleen de dringend noodzakelijke spullen (onafhankelijk medisch advies kan worden opgevraagd) komen in aanmerking voor vergoeding. De rest kan de cliënt in de loop van tijd zelf vervangen.
Als iemand plotseling in een rolstoel komt, bijvoorbeeld door een ongeluk, kan hij of zij een vergoeding krijgen voor rolstoeltapijt. Bij een geleidelijke achteruitgang waardoor de cliënt rolstoelafhankelijk is geworden is er geen vergoeding omdat dit voorzienbaar is en je zelf tijd had om geld te sparen. Bij het vaststellen van de hoogte van het PGB wordt dezelfde afschrijvingstermijn en percentage toegepast als bij de woningsanering.
Een cliënt kan een aparte kamer in huis krijgen (uitraaskamer) als diegene ernstige gedragsproblemen heeft door een gedragsstoornis met ernstig ontremd gedrag als gevolg van een ziekte of beperking. Het moet duidelijk zijn dat het gedrag niet door opvoeding of medische behandeling beïnvloed kan worden. Een uitraaskamer is bedoeld voor behoud van de veiligheid van de cliënt en de omgeving als dat in ‘normale’ gebruiksruimten van de woning niet kan.
8.8 Aanpassingen gemeenschappelijke ruimten
Het college kan aanpassingen doen in een gemeenschappelijke ruimte als deze zonder die aanpassingen niet toegankelijk is voor een cliënt met beperkingen. Eerst wordt gekeken of deze aanpassingen ook voor andere bewoners gelden en of er bijvoorbeeld een VVE is die deze kosten voor zijn rekening neemt. Ook wordt bekeken of het gebouw een speciaal label heeft, zoals seniorenwoningen. Dan is de woningcorporatie vaak verantwoordelijk voor de aanpassingen.
Als de aanpassing via de Wmo wordt gegeven, staat deze op naam van de persoon die het aanvraagt. Deze persoon hoeft geen eigen bijdrage te betalen. Omdat ook andere bewoners binnen het wooncomplex profijt hebben van de aanpassingen, wordt 50% van de kosten van de aanpassing neergelegd bij de VVE.
Een maatwerkvoorziening in een gemeenschappelijke ruimte wordt alleen gegeven als er een individuele persoon is die deze echt nodig heeft. De eigenaar van het gebouw blijft verantwoordelijk voor het onderhoud van deze aanpassing.
Deze maatwerkvoorziening kan slechts worden verstrekt voor:
8.9 Bezoekbaar maken van de woning
Bezoekbaar maken betekent dat iemand de woning, de woonkamer en één toilet kan bereiken. Voor het toilet is een losse toiletstoel vaak voldoende, die ook in een andere kamer mag staan, bijvoorbeeld achter een kamerscherm.
Cliënten die in een Wlz-instelling wonen, kunnen een woning bezoekbaar laten maken in de gemeente die zij minstens twaalf keer per jaar bezoeken. Dit geldt voor de woning van één familielid in de eerste graad of de partner.
Als het gaat om een minderjarig kind waarvan de ouders gescheiden zijn, kan ook de woning van de ouder waar het kind niet woont bezoekbaar worden gemaakt. Bij co-ouderschap of officiële omgangsregelingen kan dat ook betekenen dat de slaapkamer en badkamer worden aangepast.
8.10 Onderhoud en reparatie van in natura verstrekte woningaanpassingen
Onderhoud en reparatie gelden alleen voor aanpassingen die via de Wmo zijn gegeven. De cliënt moet tijdens onderhoud of reparatie de woning als hoofdverblijf gebruiken.
De meeste aanpassingen zoals verbrede deuren, drempels en vlonders hebben geen onderhoud nodig. Voor aanpassingen die wel onderhoud nodig hebben, zoals trapliften, sluit de gemeente een onderhoudscontract af mits deze niet in eigendom verstrekt zijn aan de cliënt. Bij in eigendom verstrekte voorzieningen, zorgt de cliënt zelf voor onderhoud en zijn de kosten voor rekening van de cliënt. Ook wanneer de in eigendom verstrekte voorziening verwijderd moet worden, is dit de verantwoordelijkheid van de cliënt en komen de kosten ook voor rekening van de cliënt.
8.11 Onderhoud en reparatie van in Pgb verstrekte woningaanpassingen
Als iemand een PGB heeft voor een woningaanpassing, zorgt de budgetbeheerder dat er een aannemer is die onderhoud en reparatie doet. Dit staat ook in de offerte. Dit bedrag is een maal per kalenderjaar declarabel. Het contract wordt bij aanschaf van de voorziening afgesloten voor de minimale geldigheidsduur van het toegekende Pgb.
Het onderhoudscontract voor een voorziening omvat de volgende voorzienbare kosten (niet limitatief):
De voorziening heeft een technische afschrijving. Bij gelijkblijvende beperkingen verstrekt de gemeente binnen deze termijn niet opnieuw een overeenkomstige voorziening.
Specifieke kosten bij Woonliften/ Plateauliften/ Plafondliften: Bij plateau-, plafond- en buitenliften mogen keuringskosten eens in de vier jaar worden gedeclareerd. Hiervoor geldt een maximumtarief voor onderhoud. Deze kosten mogen op geen enkele andere voorziening in rekening worden gebracht. Verder geldt dat er voor deze liften een onderhoudscontract moet worden afgesloten, waarbij maximumtarieven gelden voor het jaarlijkse service- en onderhoud van deze soort liften, zie hiervoor de bedragen vastgesteld in de nadere regels. Kosten boven dat bedrag betaalt de cliënt zelf. Noodzakelijke reparaties tot €500 kunnen altijd vergoed worden. Bij hogere kosten moet eerst toestemming gevraagd worden aan de gemeente. Dan kijkt de gemeente of reparatie of vervanging beter is.
Specifiek bij Trapliften: Trapliften worden door de gemeente voor een all-in bedrag aangeschaft. Als iemand een duurder model wil via een PGB, betaalt hij/zij de extra kosten zelf. Als de cliënt dat een te groot risico vindt, wordt een traplift via zorg in natura aangeboden.
Voorrij-, onderhouds- en reparatiekosten worden maximaal 10 jaar vergoed vanuit het toegekende Pgb..
Specifiek bij Spoel/föhn-installatie voor toilet: Hier is geen onderhoud nodig. Bij storingen kunnen afspraken gemaakt worden over reparatiekosten. Kosten boven €500 moeten eerst goedgekeurd worden door de gemeente. Deze kan de afweging maken of reparatie ofwel vervanging noodzakelijk is.
Hoofdstuk 9 Vervoersvoorziening
De gemeente geeft hulp aan mensen die moeilijk kunnen lopen of zich slecht kunnen verplaatsen. Deze hulp zorgt ervoor dat de cliënt zich in en rond het huis kan verplaatsen en ook buiten de deur. Zo kan de cliënt meedoen in de samenleving. Wmo-vervoersvoorzieningen zijn bedoeld voor reizen in de directe woon- en leefomgeving en de regio.
Een cliënt kan in aanmerking komen voor zo’n voorziening als de cliënt door de beperking niet met het openbaar vervoer kan reizen. Ook moet de cliënt niet in staat zijn om gewone vervoermiddelen zoals auto, bromfiets, scooter of fiets te gebruiken om zich in de buurt of regio te verplaatsen.
Er is sprake van een mobiliteitsbeperking wanneer de cliënt niet zelfstandig 800 meter kan lopen binnen een redelijke tijd en/of als de cliënt niet langer dan 10 minuten kan staan.
Vervoersvoorzieningen worden ingezet om de volgende resultaten te bereiken:
De gemeente kijkt eerst of de cliënt alle andere mogelijkheden heeft geprobeerd, zoals openbaar vervoer, regiotaxi of andere vervoermiddelen die voor iedereen beschikbaar zijn. Ook wordt gekeken naar de echte vervoersbehoefte: wat is de afstand, hoe vaak, en op welke tijden?
Als een cliënt een duurdere vervoersvoorziening wil dan de goedkoopste die adequaat is, betaal de cliënt de extra kosten zelf.
9.2 Beoordeling van de noodzaak en soort vervoersvoorziening
Als het openbaar vervoer onvoldoende bereikbaar en niet te gebruiken is voor mensen met een beperking en zij ook geen gewone vervoersmiddelen kunnen gebruiken zoals auto, bromfiets, scooter en fiets, kan de gemeente alternatieven aanbieden. Eerst wordt gekeken naar een collectieve voorziening, zoals de regiotaxi. Als dat niet werkt, kan de gemeente een maatwerkvoorziening geven in natura (directe hulp) of via een Pgb.
9.3 Primaat van het collectief vervoer
Collectief vervoer is bedoeld voor vervoer in de regio, maximaal 25 kilometer. Soms kan ook een combinatie van verschillende vervoersvoorzieningen worden gebruikt. De gemeente zorgt dan voor een vervoersvoorziening op maat. Als een cliënt langer dan 6 maanden achter elkaar geen gebruik maakt van de voorziening, kan de gemeente deze intrekken. Dit gebeurt alleen na een goede uitleg en eventueel als nodig, na het opvragen van medisch advies.
De gemeente hanteert het primaat van het collectief vervoer vanuit het uitgangspunt ‘collectief als het kan, individueel als het moet’. Alleen via een indicatie van een Wmo-klantmanager, kan een inwoner gebruik maken van collectief vervoer. Het is dus maatwerk, maar wel zo goedkoop mogelijk.
Hierbij is het volgende van toepassing:
Als de cliënt gemotiveerd aangeeft dat het aantal kilometers onvoldoende is, kan de klantmanager dit onderzoeken. Als het gaat om veel ritten die aantoonbaar gemaakt moeten worden kan een groter aantal kilometers worden verstrekt. Voorwaarde hierbij is wel dat de cliënt geen gebruik kan maken van de extra vergoeding voor medische ritten uit de aanvullende polis van de zorgverzekeraar en dat de extra ritten noodzakelijk zijn om te maken.
9.4 Begeleiding tijdens vervoer
Als de cliënt met het openbaar vervoer reist en begeleiding nodig heeft, moet de cliënt zelf een begeleider regelen. Wil de cliënt een officiële aantekening voor ‘medische begeleiding’ op de vervoerspas van de gemeente? Dan is een indicatie van de Wmo-klantmanager of een externe adviseur nodig. Met deze indicatie mag de cliënt niet meer zonder begeleider reizen.
Slechts in zeer uitzonderlijke situaties kan een begeleiderindicatie voor een vervoersvoorziening worden toegekend als:
Aanpassingen aan auto’s zijn vaak duur en meestal niet de goedkoopste oplossing. Uitgangspunt hierbij is dat cliënt op medische of sociale gronden geen gebruik kan maken van het collectief vervoer of van een Pgb als tegemoetkoming in de kosten van het gebruik van een eigen auto of (rolstoel)taxi. Als een autoaanpassing overwogen wordt, moet de auto technisch in goede staat zijn, automatisch geschakeld zijn en beschikken over goede verwarming en andere voorzieningen die algemeen gebruikelijk zijn in een personenauto. ‘Technisch in goede staat’ betekent dat de auto niet ouder is dan 5 jaar. Binnen de afschrijvingstermijn van 7 jaar, wordt geen vergoeding gegeven voor een zelfde aanpassing.
10.1 Hulpmiddelen algemeen in natura
De Gemeente heeft contracten afgesloten met 3 leveranciers. De gemeente huurt hulpmiddelen voor een all-in prijs. All-in betekent dat service, onderhoud, reparaties, aanpassingen en als het wettelijk vereist is, een verzekering om op de openbare weg te mogen rijden, inbegrepen zijn in de huurprijs.
De hulpmiddelen blijven eigendom van de leverancier en worden aan de cliënt in bruikleen verstrekt. Bij schade of verlies kan de leverancier de kosten verhalen op de gebruiker.
Hulpmiddelen onder de € 600,- (excl. btw) worden door de gemeente gekocht en vaak in eigendom verstrekt. Dit zijn sanitaire voorzieningen, die om hygiënische reden niet meer worden ingenomen.
10.2 Hulpmiddelen algemeen in Pgb
Voor woonhulpmiddelen in Pgb geldt, dat er geen extra bedragen worden verstrekt aan onderhoud en/ of reparatie. Incidenteel zal een reparatie uitgevoerd worden., Meerkosten voorkomend uit een noodzakelijke reparatie worden gedurende de geldigheidsduur van de Pgb eenmaal per kalenderjaar vergoed.
De hulpmiddelen worden technisch afgeschreven over minimaal 7 jaar. Tijdens deze periode wordt geen nieuwe vergoeding uitgekeerd voor hetzelfde hulpmiddel bij dezelfde beperkingen.
De budgetbeheerder moet de besteding wél verantwoorden. Iedere budgetbeheerder moet in verband met controle de volgende stukken bewaren:
Procedure: cliënt betaalt eerst zelf
Procedure: gemeente betaalt leverancier of aannemer als de cliënt het bedrag niet kan voorschieten.
De budgetbeheerder moet de offerte van de aan te schaffen voorziening vooraf overleggen.
Aan de hand van de offerte en eventueel een huisbezoek wordt gecontroleerd of het hulpmiddel conform het opgestelde programma van eisen is en het te bereiken doel daarmee gehaald kan worden. Is dit niet het geval, dan wordt het Pgb niet uitbetaald. Zo nodig moet de budgetbeheerder een nieuwe offerte opvragen die wel aan de eisen voldoet.
10.3 Hulpmiddelen en verhuizing
Als je verhuist naar een andere gemeente, eindigt meestal de bruikleen van hulpmiddelen. In het kader van het 42 wordt bij leverancier navraag gedaan of deze nieuwe woongemeente ook een contract heeft. De client kan dan het hulpmiddel behouden en de beëindiging wordt alleen administratief geregeld. Voor cliënt is dit heel dienstverlenend. Wel moet de cliënt zelf de melding voor een Wmo-voorziening bij de nieuwe gemeente indienen.
10.4 Hulpmiddelen en opname Wlz met verblijfsindicatie
Als de cliënt vóór 1 januari 2021 al Wlz-zorg kreeg in een instelling en hulpmiddelen in bruikleen had, blijft de gemeente verantwoordelijk voor onderhoud totdat het hulpmiddel klaar is voor vervanging. Dan neemt de Wlz de verantwoordelijkheid over. Wanneer een cliënt na 01-01-2021 verhuist naar een Wlz-instelling, moet de gemeente het hulpmiddel terugnemen en wordt vanuit de Wlz een nieuw hulpmiddel verstrekt. Ook dan wordt met de leverancier of het zorgkantoor gekeken hoe de cliënt hier zo min mogelijk last van heeft.
Bij een woonhulpmiddel gaat het altijd om roerende voorzieningen en is er geen sprake van bouwkundige (nagelvaste) woonvoorzieningen. Hulpmiddelen ten behoeve van het normale gebruik van de woning zijn o.a.:
Toiletstoel: Deze stoel is voor mensen met beperkingen die niet gebruik kunnen maken van het toilet.
Denk hierbij niet alleen aan toiletgebruik op de begane grond, maar ook aan het ontbreken van een toilet op de verdieping, waar de slaapkamer zich bevindt en de cliënt niet in staat is ’s nachts naar het toilet op de begane grond te gaan.
Douchekruk of douchestoel: De standaard uitvoeringen die in de reguliere handel en ook tweedehands te koop zijn worden beschouwd als algemeen gebruikelijk. De douchestoel wordt wel vanuit de Wmo verstrekt als er specifieke eisen gesteld worden aan de uitvoering, die afgestemd zijn op de persoonlijke kenmerken en behoeften van de cliënt. Denk aan een douchestoel met kantelverstelling, een douchestoel met hoog-laag functie, een kinderdouchestoel, een douchestoel met fixatie elementen etc.
Tillift (passief en actief): Deze liften zijn bedoeld voor mensen die niet zelfstandig transfers kunnen maken en waarbij een draaischijf of transferplank niet adequaat zijn. Tilliften worden vanuit de Wmo verstrekt, als zij nodig zijn ter ondersteuning van de reeds bestaande mantelzorg (zorg door familie en/of vrienden). Als het om professionele hulpverleners gaat dient er goed gekeken te worden naar datgene wat nodig is om deze hulp goed te kunnen verlenen. Een tillift die nodig is om Arbo-technische reden, valt onder de verantwoordelijkheid van de zorgaanbieder.
10.6 Hulpmiddelen voor vervoer
Om te bepalen of iemand een individuele vervoersvoorziening vanuit de Wmo krijgt, worden eerst alle andere mogelijkheden zijn besproken. Denk aan:
De gemeente bekijkt ook goed wat de vervoersbehoefte is. Dit gaat bijvoorbeeld over:
Soms is de regiotaxi niet voldoende, bijvoorbeeld voor korte ritten in de directe omgeving (binnen 1,5 kilometer). Denk aan boodschappen doen, naar de huisarts of familie gaan. Voor zulke korte afstanden is een taxi vaak niet handig of mogelijk. Jurisprudentie van de CRvB heeft bepaald dat de gemeente bij een maximale loopafstand van 100 meter van de cliënt, die niet het openbaar vervoer kan bereiken en gebruiken, indien adequaat een aanvullende individuele voorziening moet verstrekken.
Het bevorderen van de zelfstandigheid binnen de directe woonomgeving is meestal de reden dat er aanvullend op het regiotaxivervoer een hulpmiddel als maatwerkvoorziening mogelijk is. Het maximale aantal kilometers voor gebruik van de regiotaxi wordt dan verlaagd naar 1000 km per jaar, omdat de aanvullende maatwerkvoorziening in een flink deel van de vervoersbehoefte kan voorzien.
Welke hulpmiddelen zijn mogelijk:
Scootmobiel oftewel een open buitenwagen: De scootmobiel is primair bedoeld voor verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving en niet voor grote afstanden daarbuiten. Voor de grote actieradius is het collectief vervoer adequaat. Dat betekent dat een scootmobiel met een snelheid van 8, 10 of 12 km per uur en met gemiddelde actieradius van circa 15 km op één accu adequaat is. Onderbouwd kan hier van afgeweken worden. Als de cliënt een zwaardere en snellere scootmobiel wenst kan betaalt de cliënt de meerkosten zelf.
Een opvouwbare scootmobiel wordt niet verstrekt, omdat dit geen adequate vervoersvoorziening is in verband met onder anderen gebrek aan vering, gebrek aan zitcomfort. Naast het verstrekken van een scootmobiel is het mogelijk om een aantal lessen te vergoeden om veilig gebruik van de scootmobiel in het verkeer mogelijk te maken. Indien de cliënt onvoldoende rijvaardig is dan wordt een scootmobiel gezien als een niet adequate voorziening. Bij het verstrekken van een scootmobiel moet er een mogelijkheid zijn of gerealiseerd kunnen worden om de scootmobiel te laden en te stallen. Indien dit niet mogelijk is wordt een scootmobiel gezien als een niet adequate voorziening.
Scootmobielen mogen vanaf 1 juli 2024 vanwege de brandveiligheid niet meer gestald worden in een open algemene ruimte of op een galerij.
Fiets: Vanuit de Wmo kan een fiets verstrekt worden. Alleen een aangepaste fiets wordt vergoed als de beperking dat nodig maakt. De meeste fietsen worden gezien als algemeen gebruikelijk en worden in principe niet vanuit de Wmo vergoed.
Bij het verstrekken van een fiets is het belangrijk om goed na te gaan of de fiets past bij het beperkingenniveau en de vervoersbehoefte van de cliënt. Ook voor een aangepaste fiets moet een stallingsmogelijkheid aanwezig zijn of gecreëerd kunnen worden.
Vervoerhulpmiddel voor kinderen:
Voor autovervoer kan een aangepaste kinderstoel verstrekt worden als dit de enige manier is om een kind in de auto te vervoeren. In de reguliere handel zijn draaibare stoeltjes te verkrijgen waardoor het kind zonder belastende draaibeweging van de ouder/ verzorgende in en uit de auto getild kan worden. Deze stoeltjes zijn dan ook algemeen gebruikelijk.
10.7 Rolstoelen als hulpmiddel voor zittend verplaatsen
De gemeente biedt rolstoelvoorzieningen aan mensen met mobiliteitsbeperkingen. Het is een hulpmiddel voor mensen die zich niet (goed) lopend kunnen verplaatsen of die geen langere afstanden meer kunnen afleggen. Er zijn veel verschillende soorten rolstoelen, afgestemd op het gebruiksdoel en de beperkingen. Sommige rolstoelen zijn voor gebruik binnenshuis, anderen voor binnen en buiten. Eerst wordt gekeken of andere loophulpmiddelen zoals een rollator of wandelstok voldoende zijn. Een rolstoel op vakantie meenemen naar het buitenland is toegestaan. Wel moet dit, als het om een bruikleenmiddel gaat, aan de leverancier worden gemeld. De cliënt is zelf verantwoordelijk voor het (WA en/reis) verzekeren van de rolstoel in dit geval.
Programma van eisen voor een rolstoel
Het selecteren van een rolstoel is maatwerk. De gekozen rolstoel moet passen bij de gebruiker. De gebruiker moet er goed mee overweg kunnen en de rolstoel moet bruikbaar zijn in de omgeving van de gebruiker en voor de activiteiten die de gebruiker onderneemt. Hiervoor stelt de klantmanager een programma van eisen op en selecteert vervolgens de goedkoopst adequate rolstoel die aan deze eisen voldoet.
Een rolstoel wordt verstrekt voor langdurend adequaat gebruik. Als de verwachting is dat de gezondheid en het functioneren van de cliënt snel progressief achteruit gaan, houdt de klantmanager met deze factor rekening. In dat geval kan een verzoek om verstrekking in Pgb geweigerd worden.
10.8 Hulpmiddelen ten behoeve van sportbeoefening
Sport wordt gezien als normale deelname aan de samenleving. Voor personen met beperkingen is verstrekking van een sportvoorziening onder voorwaarden mogelijk als zonder de voorziening voor de cliënt geen deelname aan sport mogelijk is. Het gaat dan wel om deelname aan sport als alledaagse activiteit en niet over het beoefenen van topsport. We hanteren hierbij de volgende criteria:
De meest gebruikelijke voorziening is de sportrolstoel, maar ook andere sporthulpmiddelen kunnen worden vergoed. Daarom spreken we van een sportvoorziening.
Hoofdstuk 11 Persoonsgebonden budget (Pgb)
Een Pgb beheren is niet eenvoudig en ook niet vrijblijvend. Met een Pgb kiest de cliënt ervoor om zelf zijn ondersteuning te regelen. Dat betekent dat de client:
De cliënt moet er dus zelf voor zorgen dat de ondersteuning goed geregeld is en dat het doel van de ondersteuning wordt behaald. Daarom is het belangrijk dat de cliënt – of iemand die namens hem optreedt – in staat is het Pgb goed te beheren.
De vaardigheid van de cliënt, dan wel een ander die namens hem het Pgb gaat beheren, ten aanzien van de vaardigheid om een Pgb te beheren, wordt volgens het kwaliteitskader Pgb beoordeeld. Alle vaardigheden moeten voldoende worden beheerst door degene die het beheer van het Pgb op zich neemt:
De gemeente geeft geen Pgb af als blijkt dat de cliënt of vertegenwoordiger niet in staat is het Pgb goed te beheren. De gemeente moet dit goed onderbouwen in het onderzoeksrapport of in de afwijzende beschikking. Mocht de cliënt alsnog een Pgb wensen, dan dient er een vertegenwoordiger te zijn die de aan het Pgb verbonden taken kan uitvoeren.
Bij een actieve of recente verslaving is er vaak te weinig grip op het eigen leven. Ook de omstandigheid van een problematische ex-verslaving of de omstandigheid dat de cliënt bezig is de verslaving de baas te worden maakt dat de cliënt minder in staat geacht wordt om regie te voeren over zijn eigen leven. Dan is Pgb-beheer niet verantwoord. De gemeente kan aanvullend onderzoek doen, zoals het opvragen van een medische verklaring of inschakelen van een verslavingsteam, Consultatie en Diagnoseteam of expertiseteam jeugd.
Problematische schuldenproblematiek maakt de kans groot en aannemelijk dat cliënt voor het beheren van een Pgb belangrijke financiële vaardigheden en verantwoordelijkheden ontbeert. Het is daarom niet wenselijk dat een cliënt zelf een Pgb beheert. Signalen die kunnen wijzen op (het ontstaan van) problematische schulden bij de cliënt (of zijn vertegenwoordiger), zijn bijvoorbeeld dat de cliënt zelf aangeeft dat er (verwijtbare) schulden zijn, cliënt in de schuldsanering zit, onder bewindvoering staat, dan wel een indicatie heeft gekregen voor het resultaatgebied ‘Financiën’, zonder een vertegenwoordiger te hebben.
Signalen dat een budgetbeheerder mogelijk geen Pgb kan beheren zijn bijvoorbeeld het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal, in woord en geschrift. Het voldoende kunnen begrijpen (en dus kunnen lezen) van alle voorwaarden en eisen ten aanzien van een Pgb, zijn niet mogelijk bij een onvoldoende beheersing van het Nederlands. Ook het opstellen en afsluiten van bijvoorbeeld zorgovereenkomsten, is dan buiten bereik. Hiervan afgeleid kan tevens worden gesteld dat men voldoende kennis dient te hebben van de Nederlandse samenleving, zodat men bijvoorbeeld de vraag kan beantwoorden wat de SVB is en doet in relatie tot het Pgb.
Als de zorg wordt verleend door een professionele zorgaanbieder dan gelden tevens de volgende kwaliteitseisen:
De zorgaanbieder werkt goed samen met andere zorgverleners en instanties, zowel binnen als buiten de eigen organisatie en betrekt zoveel mogelijk voorzieningen binnen het voorliggende veld. De samenwerkingsafspraken dan wel contacten met interne en externe actoren zijn terug te vinden in de documentatie van de zorgaanbieder;
Tot de uitvoerende taken van de SVB behoren naast het verrichten van de betalingen voor persoonsgebonden budgetten ook het faciliteren van verplicht werkgeverschap.
Indien de cliënt kiest voor een persoonsgebonden budget, dan wordt de budgetbeheerder werkgever. Wanneer er sprake is van een arbeidsovereenkomst, worden de sociale lasten afgedragen vanuit het budget en vindt doorbetaling bij ziekte plaats. Wanneer er sprake is van een arbeidsovereenkomst, voert de SVB de salarisadministratie uit.
11.4 Kwaliteit van dienstverlening
De gemeente toetst aan de hand van een persoonlijk budgetplan vooraf of de kwaliteit bij de budgetbeheerder voldoende is gegarandeerd, door van de budgetbeheerder in het budgetplan te vragen:
Op basis van artikel 2.3.9 Wmo 2015 toetst de gemeente regelmatig of het Pgb nog passend is en op de persoon is afgestemd. Als de zorg die via het Pgb is ingekocht niet voldoet aan de eisen (zoals beschreven in artikel 2.3.6 lid 2 onderdeel c van de Wmo 2015 of in de checklist), kan de gemeente maatregelen nemen.
Artikel 2.3.10 Wmo spreekt over herzien of intrekken. Het verschil is dat intrekken terugwerkende kracht heeft en dat in het geval van misbruik of fraude ook terugvordering van een Pgb mogelijk is.
Hoofdstuk 12 Intramurale en semimurale ondersteuning (Beschermd Wonen) 3
Semimurale ondersteuning is gericht op Sociaal en persoonlijk functioneren en ondersteuning bij zelfzorg en gezondheid. De subdoelstellingen die vermeld staan in de beschrijving van deze twee Resultaatgebieden zijn daarom ook van toepassing op Resultaatgebied Semimurale ondersteuning.
Ten aanzien van het Sociaal en persoonlijk functioneren kan het gaan om doelen als:
Ten aanzien van de ondersteuning bij zelfzorg en gezondheid gaat het om de doelen:
Semimurale Ondersteuning kan in vijf treden worden geboden. Binnen al deze treden wordt de ondersteuning geboden op doelen ten aanzien van sociaal en persoonlijk functioneren en ondersteuning bij zelfzorg en gezondheid.
De vijf treden zijn gebaseerd op de vereiste ondersteuningsbehoefte van een cliënt.
Bij het maken van een keuze voor een specifieke trede wordt ervanuit gegaan dat cliënten in een semimurale setting altijd de mogelijkheid moeten hebben om meerdere malen per dag korte geplande en ongeplande contactmomenten met de zorgverlener te hebben. Bijvoorbeeld om de cliënt te ondersteunen in de dagstructuur zoals op tijd opstaan, naar werk/dagbesteding gaan, boodschappen doen, op tijd naar bed gaan. Meerdere van deze korte momenten per dag hebben daarom geen effect op de keuze van een trede.
Als er bij dit soort situaties wel langere tijd nodig is om de cliënt verder te helpen, heeft dit wel effect op de keuze van de trede. Bijvoorbeeld als er wel langere tijd nodig is om de cliënt te ondersteunen bij het uit z’n bed komen, te ontbijten en naar het werk te gaan.
Ook eventuele collectieve activiteiten zoals gezamenlijk de maaltijd voorbereiden en gebruiken heeft geen invloed op de keuze voor een intensiteit. In alle treden wordt rekening gehouden met deze inzet.
12.1.2 Treden semimurale ondersteuning
Voor alle Treden geldt dat de semimurale setting en de daarbij behorende grote mate van nabijheid van begeleiding, op maximaal 10 minuten loopafstand, noodzakelijk is voor cliënt en dus een gegeven en voorwaarde is voor een semimurale indicatie.
Trede 1: Cliënt kan binnen de semimurale setting voor een deel van de tijd op het gebied van sociaal persoonlijk functioneren en zelfzorg en gezondheid zelfstandig functioneren en heeft daarom op deze resultaatgebieden, dankzij de semimurale woonsituatie, beperkt ondersteuning nodig. De cliënt heeft daarnaast soms niet planbare en niet uitstelbare ondersteuning/bijsturing nodig, voor langere tijd dan de kortdurende dagelijkse contactmomenten, om te voorkomen dat er een onverantwoorde situatie ontstaat voor de cliënt en/of diens omgeving. De frequentie van de langer durende geplande en niet geplande ondersteuning samen beperkt zich tot enkele keren per week.
Trede 2: Cliënt heeft binnen de semimurale setting bijna dagelijks ondersteuning nodig bij het sociaal en persoonlijk functioneren en bij zelfzorg en gezondheid. Cliënt heeft daarom regelmatig afspraken voor planbare ondersteuningsmomenten en heeft daarnaast een behoefte aan niet planbare en niet uitstelbare ondersteuning/bijsturing, beide langer durend dan de kortdurende dagelijkse contactmomenten. De frequentie van deze twee vormen van langer durende ondersteuning kan variëren, maar is gemiddeld zo’n één keer per dag.
Trede 3: Cliënt heeft zeer regelmatig ondersteuning nodig bij het sociaal en persoonlijk functioneren en bij zelfzorg en gezondheid. Cliënt heeft dagelijks afspraken voor planbare ondersteuningsmomenten en heeft daarnaast een behoefte aan niet planbare en niet uitstelbare ondersteuning/bijsturing, beide langer durend dan de kortdurende dagelijkse contactmomenten. De frequentie van deze twee vormen van langer durende ondersteuning kan variëren, maar is gemiddeld zo’n twee keer per dag.
Trede 4: Cliënt heeft gedurende de dag vaak ondersteuning nodig bij het sociaal en persoonlijk functioneren en bij zelfzorg en gezondheid. Cliënt heeft daarom dagelijks meerdere afspraken voor planbare ondersteuningsmomenten en daarnaast een behoefte aan niet planbare en niet uitstelbare ondersteuning/bijsturing, beide langer durend dan de kortdurende dagelijkse contactmomenten. De frequentie van deze twee vormen van langer durende Ondersteuning kan variëren, maar is gemiddeld drie tot vier keer per dag.
Trede 5: Cliënt heeft gedurende de dag vrijwel continu ondersteuning nodig bij het sociaal en persoonlijk functioneren en bij zelfzorg en gezondheid. Cliënt heeft daarom dagelijks meerdere afspraken voor planbare ondersteuningsmomenten en een behoefte aan niet planbare en niet uitstelbare ondersteuning/bijsturing, beide langer durend dan de kortdurende dagelijks contactmomenten. De frequentie van deze twee vormen van langer durende ondersteuning kan variëren, maar is gemiddeld vaker dan vier keer per dag.
12.2 Intramurale ondersteuning
Intramurale Ondersteuning is gericht op Ondersteuning bij sociaal en persoonlijk functioneren en Ondersteuning bij zelfzorg en gezondheid. De subdoelstellingen die vermeld staan in de beschrijving van deze twee resultaatgebieden zijn daarom ook van toepassing op het resultaatgebied intramurale ondersteuning.
Ten aanzien van het Sociaal en persoonlijk functioneren kan het gaan om doelen als:
Ten aanzien van de Ondersteuning bij zelfzorg en gezondheid gaat het om de doelen als:
12.2.2 Treden intramurale ondersteuning
Intramurale ondersteuning kan in vijf treden worden geboden. Binnen al deze treden dient de beroepskracht ondersteuning te bieden op doelen ten aanzien van sociaal en persoonlijk functioneren en zelfzorg en gezondheid. De vijf treden zijn gebaseerd op de vereiste ondersteuningsbehoefte van cliënten.
Bij het maken van een keuze voor een specifieke trede wordt ervanuit gegaan dat cliënten in een intramurale setting altijd de mogelijkheid moeten hebben om meerdere malen per dag korte geplande en ongeplande contactmomenten met de beroepskracht te hebben. Bijvoorbeeld om de cliënt te ondersteunen in de dagstructuur zoals op tijd opstaan, naar werk of dagbesteding gaan, boodschappen doen, op tijd naar bed gaan. Meerdere van deze korte momenten per dag hebben daarom geen effect op de keuze van een trede.
Wanneer bij dit soort situaties wel langere tijd nodig is om de cliënt verder te helpen, heeft dit wel effect op de keuze van de trede. Denk hierbij bijvoorbeeld aan situatie waarbij de beroepskracht wel langere tijd nodig heeft om de cliënt te ondersteunen bij het uit z’n bed komen, te ontbijten en naar het werk of de dagbesteding te gaan.
Ook eventuele collectieve activiteiten zoals gezamenlijk de maaltijd voorbereiden en gebruiken heeft geen invloed op de keuze voor een intensiteit. In alle treden wordt rekening gehouden met deze inzet.
Voor alle treden geldt dat de intramurale setting en de daarbij behorende grote mate van nabijheid van begeleiding (maximaal 2 minuten loopafstand), zicht en toezicht noodzakelijk is voor cliënt en dus een gegeven is.
Cliënt kan binnen de intramurale setting voor een deel van de tijd op het gebied van sociaal persoonlijk functioneren en zelfzorg en gezondheid zelfstandig functioneren en heeft daarom op deze gebieden, dankzij de intramurale woonsituatie, beperkt ondersteuning nodig. De cliënt heeft daarnaast soms niet planbare en niet uitstelbare ondersteuning en bijsturing nodig, voor langere tijd dan de kortdurende dagelijkse contactmomenten, om te voorkomen dat er een onverantwoorde situatie ontstaat voor de cliënt en/of diens omgeving. De frequentie van de langer durende geplande en niet geplande ondersteuning samen beperkt zich tot enkele keren per week.
Cliënt heeft binnen de intramurale setting bijna dagelijks ondersteuning nodig bij het sociaal en persoonlijk functioneren en bij zelfzorg en gezondheid. Cliënt heeft daarom regelmatig afspraken voor planbare ondersteuningsmomenten en heeft daarnaast een behoefte aan niet planbare en niet uitstelbare ondersteuning en bijsturing, beide langer durend dan de kortdurende dagelijkse contactmomenten. De frequentie van deze twee vormen van langer durende ondersteuning kan variëren, maar is gemiddeld zo’n één keer per dag.
Cliënt heeft zeer regelmatig ondersteuning nodig bij het sociaal en persoonlijk functioneren en bij zelfzorg en gezondheid. Cliënt heeft dagelijks afspraken voor planbare ondersteuningsmomenten en heeft daarnaast een behoefte aan niet planbare en niet uitstelbare ondersteuning en bijsturing, beide langer durend dan de kortdurende dagelijkse contactmomenten. De frequentie van deze twee vormen van langer durende ondersteuning kan variëren, maar is gemiddeld zo’n twee keer per dag.
Cliënt heeft gedurende de dag vaak ondersteuning nodig bij het sociaal en persoonlijk functioneren en bij zelfzorg en gezondheid. Cliënt heeft daarom dagelijks meerdere afspraken voor planbare ondersteuningsmomenten en daarnaast een behoefte aan niet planbare en niet uitstelbare ondersteuning en bijsturing, beide langer durend dan de kortdurende dagelijkse contactmomenten. De frequentie van deze twee vormen van langer durende ondersteuning kan variëren, maar is gemiddeld drie tot vier keer per dag.
Cliënt heeft gedurende de dag vrijwel continu ondersteuning nodig bij het sociaal en persoonlijk functioneren en bij zelfzorg en gezondheid. Cliënt heeft daarom dagelijks meerdere afspraken voor planbare ondersteuningsmomenten en een behoefte aan niet planbare en niet uitstelbare ondersteuning en bijsturing, beide langer durend dan de kortdurende dagelijks contactmomenten. De frequentie van deze twee vormen van langer durende ondersteuning kan variëren, maar is gemiddeld vaker dan vier keer per dag.
Het resultaatgebied nachtelijke ondersteuning heeft drie treden:
Trede 1: Ambulante nachtelijke ondersteuning
Bij deze trede vindt de nachtelijke ondersteuning plaats door een ambulante beroepskracht die wakker en bereikbaar is en in de nacht in uitzonderlijke situaties naar de cliënt toe kan gaan. De ambulante beroepskracht is niet alleen oproepbaar maar anticipeert ook op de (verwachte) situatie van cliënt en neemt daarom zo nodig op eigen initiatief contact op met de cliënt en/of gaat naar de cliënt (of in de buurt van) toe. Cliënt is normaal gesproken in staat om in de nacht zelf de hulpvraag te stellen en deze vraag kan telefonisch en/of met behulp van beeldbellen worden afgehandeld. Het fysiek naar de cliënt toegaan is alleen in uitzonderlijke situaties noodzakelijk, gemiddeld niet meer dan maximaal éénmaal per maand. Deze vorm van nachtelijke ondersteuning moet zeven dagen per week tussen 23.00 uur en 7.00 uur beschikbaar zijn. De ondersteunende beroepskracht dient in uitzonderlijke gevallen uiterlijk binnen 30 minuten na een oproep ter plekke aanwezig te zijn. Een eerste telefonische dan wel digitale (beeldbellen) reactie dient binnen vijf minuten na een signaal te hebben plaatsgevonden. Ambulante nachtelijke ondersteuning kan niet worden geïndiceerd in combinatie met het resultaatgebied intramurale ondersteuning.
Een slaapwacht is een locatiegebonden beroepskracht, die een slaapdienst vervult voor een groep cliënten op dezelfde intramurale voorziening of in de semimurale voorziening. De slaapwacht is in de directe nabijheid beschikbaar gedurende zeven dagen per week, de gehele periode van 23.00 uur tot 7.00 uur. De slaapwacht is niet alleen aanwezig maar anticipeert ook op de (verwachte) situatie van cliënt. De slaapdienst is altijd onderdeel van adequate en toereikende ondersteuning die 24 uur per dag gegarandeerd is (conform de beschrijving van resultaatgebieden intramuraal ondersteuning en semimurale ondersteuning). Deze nachtelijke ondersteuning is nodig vanwege het gebrek aan regie bij cliënten. Zij kunnen zelf in de nacht de hulpvraag niet altijd stellen en/of er is dan geen uitstelbare hulpvraag. In sommige gevallen is er aandacht nodig voor de veiligheid op de locatie vanwege de beperkte regie van de cliënten in relatie tot de medebewoners en de buurt waarin zij wonen of verblijven en de afspraken die er met de buurt gemaakt zijn. De beroepskracht heeft de verantwoordelijkheid zo nodig een beroep te doen op externe partijen zoals de politie en de crisisdiensten.
Ambulante nachtelijke ondersteuning volstaat niet, omdat frequenter en sneller gehandeld moet worden, onder andere als directe reactie op waargenomen gedrag van de cliënt. De situatie is echter nog niet zo, dat wakende ondersteuning noodzakelijk is. Het onderscheid met de wakende ondersteuning wordt vooral bepaald door de mate waarin de inzet van de ondersteuning voor een individuele cliënt nodig is. Bij de slaapwacht is dit incidenteel (gemiddeld één keer per week of minder).
Trede 3: Wakende ondersteuning
Het gaat hierbij om locatiegebonden nachtelijke ondersteuning in de directe nabijheid van de cliënten, altijd in combinatie met het resultaatgebied intramurale ondersteuning. De nachtelijke ondersteuning door een wakende beroepskracht komt overeen met de ondersteuning zoals beschreven bij de slaapwacht. Echter zoals de naam al zegt is de beroepskracht wakend, dus wakker aanwezig en de frequentie waarmee de inzet van de nachtelijke ondersteuning nodig is voor een individuele cliënt ligt hoger dan gemiddeld één keer per week. Omdat er bij wakende ondersteuning wordt verwacht dat de beroepskracht zicht heeft op de Cliënt, is deze vorm van nachtelijke ondersteuning alleen mogelijk als onderdeel van een arrangement voor het resultaatgebied intramurale ondersteuning.
De locaties waar cliënten wonen waar wakende ondersteuning wordt geïndiceerd, beschikken over een gezamenlijke voordeur waardoor cliënten binnenkomen voordat ze naar de eigen woonruimte kunnen. De beroepskracht heeft zicht op deze voordeur en dus op de cliënt en z’n bezoek en kan regisseren wie er binnenkomt. Hierbij kunnen elektronische hulpmiddelen worden ingezet zodat op afstand kan worden bepaald wie er binnenkomt.
Het onderstaande wordt geboden voor het resultaatgebied verblijf:
Verblijf is alleen toepasbaar voor de Cliëntgroepen VB, (O)GGZ en Huiselijk Geweld, en sporadisch voor de Cliëntgroep LB, in een accommodatie van een instelling, als er behoefte is aan intramurale ondersteuning en nachtelijke ondersteuning in de vorm van een slaapwacht of wakende wacht. Een indicatie verblijf, net als alle maatwerkarrangementen, wordt altijd persoonsgebonden gesteld op basis van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt en niet aangepast op de locatie waar een Cliënt verblijft.
Bij Resultaatgebied Verblijf is geen sprake van een Trede-indeling.
Verblijf kan ook worden geboden aan gezinnen van wie de ouder(s) een intramurale ondersteuningsvraag heeft (hebben). Voor de doelgroep gezinnen is er binnen resultaatgebied verblijf de mogelijkheid een indicatie af te geven voor extra hotelmatige kosten voor het kind.
Het resultaatgebied verblijf kan alleen worden geïndiceerd als er ook sprake is van een indicatie voor het resultaatgebied Intramurale ondersteuning. Een indicatie voor resultaatgebied verblijf kan niet samengaan met een indicatie voor resultaatgebieden huishoudelijke ondersteuning, sociaal en persoonlijk functioneren, ondersteuning bij zelfzorg en gezondheid en semimurale ondersteuning.
Het kan voorkomen dat een cliënt bewust tijdelijk in een instelling in een andere centrumgemeente verblijft. Tijdelijk verblijf is verblijf korter dan een jaar, waarbij vanaf het begin de intentie aanwezig is om de cliënt terug te laten keren naar een instelling in Rotterdam of om uitstroom te realiseren. In dit geval financiert Rotterdam de plek voor de cliënt in de andere centrumgemeente. Bij tijdelijk verblijf in Rotterdam blijft de andere centrumgemeente verantwoordelijk voor de financiering.
12.3.3 Overdracht van cliënten
Rotterdam draagt zorg voor een warme overdracht naar een andere gemeente, maar ook instellingen hebben een verantwoordelijkheid om aan een warme overdracht van cliënten mee te werken.
Het algemene uitgangspunt is dat een maatwerkvoorziening beëindigd kan worden als de cliënt hier geen gebruik meer van maakt. Voor een cliënt bij wie ook het ondersteuningselement verblijf deel uitmaakt van zijn Wmo-arrangement, is beëindiging niet gewenst als de cliënt tijdelijk afwezig is van de accommodatie waar hem verblijf wordt geboden. De maatwerkvoorziening kan bij tijdelijke afwezigheid worden gecontinueerd als sprake is van:
Indien nodig kan tijdelijk een briefadres worden aangevraagd waarmee, in combinatie met verblijf in een accommodatie of de maatschappelijke opvang, ten behoeve van de cliënt een uitkering kan worden aangevraagd, cliënten hun legitimatie kunnen verlengen en cliënten zich kunnen aanmelden bij zorgverzekeraars. Het briefadres dient ter overbrugging naar een reguliere inschrijving en wordt uitsluitend verstrekt om stabiliteit te brengen in de situatie van de cliënt en een basis te leggen van waaruit de hulpverlening op gang wordt gebracht.
Als cliënt op een wachtlijst moet worden geplaatst omdat er geen plaatsen beschikbaar zijn, dan moet beoordeeld worden of overbruggingsondersteuning noodzakelijk is. Totdat de geschikte plek beschikbaar is, levert de instelling waar de cliënt op dat moment verblijft de eventuele overbruggingszorg. Uitgangspunt is, dat de overbruggingszorg maximaal 3 maanden duurt.
De herkomstgemeente is verantwoordelijk voor de financiering hiervan. Als een cliënt in een behandelsetting; zorginstelling, forensische penitentiaire kliniek verblijft vindt overleg plaats over de datum van uitstroom. Als de aanvrager al gebruik maakt van een plek in een voorziening voor beschermd wonen, blijft de bestaande situatie gehandhaafd tot de geschikte plek in de wensgemeente beschikbaar is.
Hoofdstuk 13 Maatschappelijke opvang 4
Voor de maatschappelijke opvang worden, in aanvulling op de algemene Wmo-begrippen, de volgende begrippen gebruikt:
Een melding of aanvraag voor maatschappelijke opvang voor jongeren, volwassenen en gezinnen kan uitsluitend worden gedaan bij het loket van Centraal Onthaal. Indien de melding of aanvraag wordt gedaan bij andere organisatieonderdelen van de gemeente Rotterdam, wordt de cliënt doorverwezen naar Centraal Onthaal.
Centraal Onthaal neemt de melding of aanvraag van de cliënt voor maatschappelijke opvang in behandeling en verstrekt, op basis van het onderzoek zoals bedoeld in artikel 5.2.4, namens het college maatschappelijke opvang.
Een aanvraag voor maatschappelijke opvang wordt in beginsel in behandeling genomen door Centraal Onthaal indien de aanvrager diens laatste woonplaats had in één van de gemeenten in de opvangregio.
Indien er sprake is van acute noodzaak wordt onverwijld na de aanvraag opvang aan de aanvrager verstrekt, in ieder geval tot het onderzoek zoals bedoeld in artikel 5.2.4 is afgerond. Er is sprake van acute noodzaak indien:
er geen veilige opvang mogelijk is in het eigen netwerk en;
er geen alternatieve veilige overnachtingsmogelijkheden aanwezig zijn, en de aanvrager onvoldoende in staat is zich op eigen kracht te handhaven.
Als Centraal Onthaal niet beschikbaar is voor het doen van een melding of aanvraag, bijvoorbeeld buiten kantooruren, kan de acute opvang rechtstreeks door een door het college gesubsidieerde zorgaanbieder van maatschappelijke opvang worden geboden aan de cliënt.
Op de website van de gemeente Rotterdam zijn de locaties en telefoonnummers te vinden (Externe link:www.rotterdam.nl/dak-of-thuisloos). Deze opvang is kortdurend en eindigt de eerstvolgende dag waarop Centraal Onthaal beschikbaar is. De eerste volgende werkdag dient een persoon die is opgevangen zich te melden bij Centraal Onthaal. Indien uit het onderzoek blijkt dat er geen aanspraak op opvang is, wordt de opvang feitelijk beëindigd en wordt er een weigeringsbeschikking aan de cliënt gegeven.
Het recht op maatschappelijke opvang van een cliënt wordt door Centraal Onthaal vastgesteld door middel van een onderzoek zoals bedoeld in artikel 2.3.2 Wmo2015.
Het onderzoek naar het recht op maatschappelijke opvang bestaat in ieder geval uit een of meer gesprekken met de cliënt. Dit gesprek zal plaatsvinden in fysieke aanwezigheid van de cliënt, tenzij er gegronde redenen zijn waardoor dat niet mogelijk is.
Om het recht op opvang te kunnen vaststellen is onderdeel van het onderzoek:
de mate van zelfredzaamheid (al dan niet in combinatie met de reden van dakloosheid) van de aanvrager, dat wil zeggen, conform de definitie in de Wmo2015, de mate waarin cliënt in staat is tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden;
13.1.6 Landelijke toegankelijkheid
Indien wordt vastgesteld dat de cliënt, voor het ontstaan van dakloosheid, woonachtig was in een gemeente in een andere opvangregio, kan de uitvoering van het onderzoek, na overeenstemming tussen de betrokken gemeenten, worden overgelaten aan deze andere gemeente of regio, waarbij eventuele nuttige informatie wordt overgedragen.
Wanneer de woonplaats van de cliënt voor het ontstaan van dakloosheid niet vastgesteld kan worden, voert Rotterdam het onderzoek uit. Dit geldt ook indien er geen overeenstemming is met de andere gemeente of regio.
Indien Rotterdam het onderzoek zelf uitvoert, kan zij de andere gemeente of regio verzoeken om informatie ten behoeve van het onderzoek aan te leveren.
Onderzocht wordt in welke gemeente of regio een traject in de maatschappelijke opvang de grootste kans van slagen heeft en het meeste kan bijdragen aan de zelfredzaamheid en participatie, en daarmee het duurzaam herstel van de cliënt.
Bij het onderzoek wordt in elk geval betrokken:
de voorkeur van de cliënt, de aanwezigheid van een positief sociaal netwerk (familie en vrienden), de aanwezigheid van bestaand werk en/of dagbesteding en/of onderwijs van de cliënt (of van diens meekomende minderjarige kinderen), lopende hulpverlenings- zorg- of ondersteuningstrajecten en de aanwezigheid van een sociaal netwerk met een negatieve invloed.
Indien, gedurende het onderzoek, blijkt dat een traject in de maatschappelijke opvang mogelijk of waarschijnlijk in een andere gemeente of regio de grootste kans van slagen heeft, dan wordt deze gemeente bij het onderzoek betrokken.
Het onderzoek wordt in beginsel binnen 2 weken afgerond en vastgelegd in een onderzoeksverslag. Het onderzoek kan in sommige gevallen meer tijd in beslag nemen. Bij de overdracht wordt alle noodzakelijke informatie over de cliënt, waaronder het onderzoeksverslag, overgedragen aan de andere gemeente of regio, in overleg met de cliënt. Met de andere gemeente of regio en de cliënt worden concrete afspraken gemaakt over de datum van overdracht en welke aanbieder de cliënt maatschappelijke opvang of andere ondersteuning zal bieden, alsmede hoe het vervoer van de cliënt en eventuele reisbegeleiding plaatsvindt.
Bij verschil van mening tussen het college en een andere gemeente of regio over de vraag welke gemeente of regio verantwoordelijk is voor het bieden van maatschappelijke opvang aan de cliënt wordt een maximale inspanning gepleegd om tot een oplossing te komen. Indien deze niet kan worden bereikt, kan het geschil worden voorgelegd aan de commissie geschillen landelijke toegankelijkheid.
Gedurende de periode dat de cliënt in afwachting is van overdracht naar een andere regio, of van het oordeel van de commissie geschillen landelijke toegankelijkheid zal het college alleen onderdak en de noodzakelijke ondersteuning bieden, zoals stabilisatie van de situatie, zonder dat daarbij gewerkt wordt aan resultaten. Voorkomen moet worden dat binding met de stad en de hier werkzame hulpverlening ontstaat. De tijdelijke opvang en noodzakelijke ondersteuning vormt dus geen reden of aanleiding om op grond daarvan een binding met de stad te veronderstellen.
13.1.7 Verstrekking maatschappelijke opvang
Maatschappelijke opvang kan worden verstrekt aan de cliënt wanneer er aan een aantal voorwaarden is voldaan. Uit het onderzoek dient te blijken dat de cliënt een ingezetene van Nederland is. Dat wil zeggen dat er sprake is van rechtmatig verblijf in Nederland, een vast te stellen identiteit, en de persoon is of was ingeschreven in de Basisregistratie personen (BRP), dan wel op een vast woonadres of een briefadres. Dit betreft een algemene voorwaarde om voor een Wmo-maatwerkvoorziening in aanmerking te komen.
Ook dient de cliënt dak- of thuisloos te zijn, geen feitelijke verblijfplaats te hebben, de thuissituatie te hebben verlaten en niet in staat te zijn zich op eigen kracht, met gebruikelijk hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit diens sociale netwerk te handhaven in de samenleving. Ook kan gelden dat er nog sprake is van een tijdelijke verblijfplaats, maar deze op zeer korte termijn verlaten moet worden of dat deze verblijfplaats onveilig is.
De opvang wordt tevens geboden aan minderjarige kinderen die onder het ouderlijk gezag van de cliënt staan en feitelijk bij de cliënt verblijven op het moment dat dakloosheid aantreedt. De ouder(s) en minderjarige kinderen worden daarbij niet van elkaar gescheiden. Wanneer er sprake is van gescheiden ouders worden de afspraken over de verdeling van het ouderschap door de ouders zoveel als mogelijk nageleefd en door de opvangaanbieder zoveel als mogelijk gefaciliteerd.
13.1.8 Weigering verstrekking maatschappelijke opvang
Centraal Onthaal kan besluiten geen maatschappelijke opvang aan de aanvrager te verstrekken wanneer er op basis van het onderzoek sprake is van een of meerdere van de volgende situaties:
De aanvraag voor maatschappelijke opvang wordt door Centraal Onthaal verstrekt dan wel geweigerd middels een beschikking. Voor de volwassenenketen wordt tevens een CO-pas verstrekt die toegang geeft tot de aangewezen volwassenenopvang locatie.
De beschikking vermeldt in ieder geval het besluit op de aanvraag, houdende een verstrekking of een weigering, de resultaten van het onderzoek zoals bedoeld in artikel 2, en de onderbouwing van het besluit. In de beschikking wordt tevens opgenomen: de voorwaarden en afspraken waaronder de opvang wordt verstrekt, de geldingsduur van de beschikking en de (contact)gegevens van de contactpersoon die toegewezen wordt aan cliënt vanuit de gemeente (of indien mogelijk de opvang).
De verblijfsduur in de maatschappelijke opvang is in beginsel maximaal 3 kalendermaanden. De geldingsduur van de beschikking kan door Centraal Onthaal voor volwassenen worden verlengd wanneer uitstroom nog niet mogelijk is, en de oorzaak daarvan niet aan de cliënt valt te verwijten.
Voor jongeren geldt dat de verblijfsduur in de opvang in beginsel maximaal 6 weken is, waarna er zo nodig kan worden verlengd. Voor gezinnen geldt dat verhuisbewegingen binnen de opvangketen zoveel mogelijk worden beperkt vanwege de aanwezigheid van de kinderen. Hier geldt dan ook dat verblijf in de gezinsopvang zoveel mogelijk op één plek plaatsvindt tot uitstroom naar een passende vervolgplek. Voor gezinnen zal de verblijfsduur in de opvang, gelet op de praktijk, doorgaans langer zijn dan voor alleenstaande volwassenen of jongeren.
Wanneer daar aanleiding toe bestaat, zoals bijvoorbeeld bij een gevraagde verlenging of bij gewijzigde omstandigheden, wordt de verstrekking van de maatschappelijke opvang opnieuw onderzocht.
De maatwerkvoorziening maatschappelijke opvang is gelet op de aard van de voorziening, zorg in natura. Een pgb is niet mogelijk.
13.1.10 Beëindiging of wijziging beschikking maatschappelijke opvang
De beschikking toelating opvang eindigt van rechtswege na het verlopen van de in de beschikking gestelde maximale opvangduur.
Een beschikking waarin maatschappelijke opvang wordt verstrekt kan door Centraal Onthaal voortijdig worden beëindigd of, wordt niet verlengd:
bij een ernstige mate van bedreiging of intimidatie in of rond de opvanglocatie of bij Centraal Onthaal, door de cliënt of iemand uit zijn netwerk, waarvan aangifte bij de politie mogelijk is en waardoor een onwerkbare situatie ontstaat omdat de persoonlijke veiligheid of vrijheid van de medewerkers en/of andere cliënten in de opvang in gevaar is waarbij wordt nagestreefd dat cliënt wordt verwezen naar een toereikende en passende plek;
13.1.11 Basis op orde begeleiding in de maatschappelijke opvang
Het doel van de opvang is het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Van de cliënt wordt verwacht zich actief in te spannen en mee te werken aan het vergroten van zijn zelfredzaamheid.
Voor de volwassenen, jongeren en gezinnen in de maatschappelijke opvang betekent de basis op orde begeleiding dat wordt gewerkt aan het realiseren van het aanwezig zijn van een identiteitsbewijs, een briefadres, een email-adres, een bankrekening, een zorgverzekering, een DigiD, een IB-60 formulier, een inkomen of uitkering, de inschrijving bij woningzoeksites en het hebben van een huisarts.
Daarnaast betekent de basis op orde dat eventuele schulden worden geïnventariseerd en dat er wordt toegeleid naar het Geldplein, waaronder de Kredietbank Rotterdam (KBR), .
Basis op orde betekent ook het opbouwen van een dagstructuur en van activering naar activiteiten, trainingen, of arbeidsmatige dagbesteding, of werk.
De basis op orde begeleiding voor kinderen gaat daarnaast ook over het aanmelden bij het Centrum voor Jeugd en Gezin en de tandarts, het inschrijven bij een kinderopvang, Buiten Schoolse Opvang of peuterspeelzaal, erop toezien dat leerplichtige kinderen naar school gaan en dat kwalificatieplichtige jongeren onderwijs volgen. Ook wordt er geholpen bij het aanvragen van fondsen voor bijvoorbeeld de eigen bijdrage schoolgeld, sport of cultuur, noodzakelijke schoolspullen en indien van toepassing het realiseren van alimentatie.
Wanneer nodig zal vanuit de begeleiding gezinsondersteuning of jeugdzorg worden voorgesteld of ingezet. Wanneer de veiligheid van het kind niet is gewaarborgd, geldt de meldcode en kunnen instanties zoals de Jeugdbescherming of het Crisis Interventie Team worden ingeschakeld.
13.1.12 Verplichtingen in de maatschappelijke opvang
Eenmaal toegelaten tot de opvang is de cliënt verplicht:
wanneer moet worden toegewerkt naar uitstroom naar een zelfstandige woning, zich, gelet op de lange wachtduur voor een sociale huurwoning in Rotterdam en de algehele krapte op de woningmarkt, in te schrijven bij minimaal drie woningzoeksites, bij woningsites met lotingwoningen en bij meerdere woningzoeksites voor regio's buiten Rotterdam en zich aantoonbaar inspant minimaal wekelijks op al deze sites op woningen te reageren;
de cliënt zorgdraagt voor een goed zoekprofiel, zoals benoemd in de Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam, om te komen tot een passende woning, waarbij de cliënt rekening houdt met het zoekgebied in verband met aantoonbare veiligheidskwesties en met het duurzaam kunnen volgen van onderwijs door de kinderen;
daarnaast tevens de inspanningsverplichting heeft minimaal wekelijks en aantoonbaar actief te zoeken naar ook andere woonopties en daarbij gebruik te maken van de Rotterdamse woningzoeker (Externe link:De Rotterdamse woningzoeker)
een passende woning te accepteren, waarbij onder een passende woning in elke geval wordt verstaan dat er sprake is van een zelfstandige woonruimte, met een passende huurprijs voor de woning alsmede voor het huishoudinkomen en het slaapkameraantal overeenkomt met de grootte en samenstelling van het huishouder;
in het belang van de meekomende kinderen, en als diens verantwoordelijkheid als ouder(s) mee te werken aan de tijdelijke gezinsondersteuning om kinderen veilig en gezond te laten opgroeien. Indien van toepassing werkt de cliënt mee aan het vinden van de meest passende jeugdhulp, jeugdzorg of preventieve zorg voor diens kinderen.
13.1.13 Door- en uitstroom uit de maatschappelijke opvang
Uiterlijk binnen 8 weken nadat de opvang is verstrekt, dient duidelijk te zijn wat het perspectief of plan van de cliënt is en op welke wijze doorstroom of uitstroom passend is.
Wanneer er een andere maatwerkvoorziening aan de orde is, zoals beschermd wonen, dan wordt daartoe tijdig melding, onderzoek en een aanvraag voor gedaan bij de juiste instantie.
Om te komen tot een passend plan kan de opvangaanbieder in de basis op orde begeleiding bepaalde onderzoeken voorstellen, zoals een SCIL-test (Screening voor intelligentie en licht verstandelijke beperking). Ook helpt de zorgaanbieder bij het vergroten van woonvaardigheden of het vergroten van sociale vaardigheden en sociaal functioneren.
Psychische en/of somatische problematiek wordt gesignaleerd en waar nodig wordt er toegeleid naar de juiste ondersteuning of behandeling.
13.1.14 Bijdrage in de kosten in de maatschappelijke opvang
Voor de opvang is de cliënt geen eigen bijdrage, zoals bedoeld in de Wmo2015, verschuldigd.
Voor het verblijf in de opvang worden door de aanbieder van de voorziening geen verblijfs- of andere kosten in rekening gebracht bij de cliënt, tenzij daarover tussen het college en de aanbieder schriftelijke afspraken per locatie zijn gemaakt die gelden ten aanzien van iedere cliënt in de betreffende voorziening en locatie.
Met de aanbieders van nachtopvang voor volwassenen is afgesproken dat zij maaltijden aan de cliënten aanbieden tegen een vastgestelde algemeen gebruikelijke bijdrage. Op basis van een medische indicatie of bij het (tijdelijk) ontbreken van een inkomen kan door de aanbieder besloten worden om een cliënt (tijdelijk) geen eigen bijdrage te vragen voor een maaltijd.
Voor de maatschappelijke opvang voor gezinnen kan na een verblijfsduur van drie maanden door de opvangaanbieder een bijdrage aan de woonkosten worden gevraagd.
De hoogte van deze woonbijdrage is door de opvangaanbieder vooraf afgestemd met het college, vastgesteld op basis van objectieve criteria, afgestemd op de inkomenssituatie van de cliënt en bedraagt niet meer dan de kostprijs voor de aanbieder van de voorziening. De gevraagde woonbijdrage wordt vooraf schriftelijk gecommuniceerd met de cliënt.
13.1.15 Algemene voorziening opvang
Er zijn in Rotterdam algemene voorzieningen die voor dak- en thuislozen laagdrempelig en zonder onderzoek en indicatie toegankelijk zijn, en veelal gebruikt worden door cliënten die om verschillende redenen niet in aanmerking komen voor de maatschappelijke opvang, of daar geen gebruik van willen maken.
Er is dagopvang voor dak- en thuislozen, al dan niet in het bezit van CO-pas, zonder verdere individuele ondersteuning.
Ook is er winteropvang. De winteropvang is voor iedereen toegankelijk die dakloos is maar niet in aanmerking komt voor maatschappelijke opvang. De winteropvang gaat open zodra de weersverwachting voor de volgende dag aangeeft dat de temperatuur lager is dan nul graden, dan wel wanneer de gevoelstemperatuur of weersomstandigheden zodanig zijn dat openstelling vanwege humanitaire redenen noodzakelijk is. Het besluit de winteropvang te openen en te sluiten wordt namens het college genomen. Voorafgaand aan het besluit vindt afstemming plaats binnen de G4-gemeenten.
Hoofdstuk 14 Bijdrage in de kosten
Voor nieuwe voorzieningen geldt het volgende:
Bij nieuwe vervoersvoorzieningen geldt een garantieperiode van één jaar, zodat in dit jaar geen onderhoudskosten hoeven gerekend te worden. Bij een nieuwe vervoersvoorziening in de vorm van een Pgb geldt dan het onderhoudsbedrag per jaar maal het aantal jaar voor de levensduur van de betreffende voorziening.
Hoofdstuk 15 Toezicht en handhaving
De gemeente heeft de verantwoordelijk voor goed toezicht op de kwaliteit en rechtmatigheid van Wmo-ondersteuning. Daarvoor zijn speciale toezichthouders aangewezen. Deze toezichthouder heeft de toezichthoudende bevoegdheden uit hoofdstuk 5.2 Awb.
De gemeente heeft de GGD Rotterdam-Rijnmond aangewezen m toezicht te houden op de kwaliteit van de Wmo-zorg.
De GGD controleert op verschillende manieren:
Preventief toezicht (om risico’s vroeg te signaleren);
Kwaliteitstoezicht (om problemen te voorkomen);
Themagericht toezicht (vaste controles);
Signaal gestuurd toezicht (bij signalen of klachten);
Toezicht bij calamiteiten en geweld (ernstige incidenten).
Binnen de gemeente zijn ambtenaren aangewezen als toezichthouder voor de rechtmatigheid.
Zij controleren of het persoonsgebonden budget (Pgb) of de geleverde zorg door een gecontracteerde aanbieder op de juiste manier wordt gebruikt en of de regels goed worden nageleefd.
Bevoegdheden toezichthouders Kwaliteit en rechtmatigheid
Het gaat om de bevoegdheid om inlichtingen te vorderen, het vorderen van identificatie, inzage in documenten en toegang tot gegevens en het betreden van plaatsen (met uitzondering van woningen). Deze toezichtbevoegdheden bieden mogelijkheden die verder gaan dan de algemene onderzoeksbevoegdheden op basis van de Wmo 2015. De toezichthouder is bevoegd om te controleren of PGB-houder de verplichtingen uit de toekenningsbeschikking naleeft. Niet alleen de PGB-houder, maar ook de aanbieder bij wie de PGB-ondersteuning is ingekocht, is verplicht om aan het onderzoek van de toezichthouder mee te werken (ex hoofdstuk 5.2 Awb). Zo kan de toezichthouder ook bij de betreffende aanbieder inlichtingen vorderen, documenten opvragen en zaken onderzoeken. De verdere uitwerken van handhaving en toezicht, wordt uitgewerkt in een Beleidsregel preventie, toezicht en handhaving rechtmatigheid Wmo en Jeugdwet en Handhavingskader na Wmo-toezicht gemeente Barendrecht 2026.
Aldus vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van Barendrecht op 18 november 2025,
de secretaris,
L. van Zanten MSc
de burgemeester,
drs. R.E. Schneider
Bijlage 1: Zelfredzaamheid-Matrix 2017 GGD Amsterdam
Instructie: beoordeel het huidig functioneren (hoe gaat het NU) op basis van wat u weet (informatie uit observatie, niet uit interpretatie) en ga uit van volledige zelfredzaamheid (scoor van rechts naar links).
Zie de Handleiding ZRM voor verdere toelichting: www.zrm.nl.
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
© GGD Amsterdam. Lauriks, Buster, De Wit, Van de Weerd, Van den Boom, Segeren, Klaufus, Kamann, Fassaert & Tigchelaar. 2016. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enige andere wijze, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de auteurs. De gebruiker mag deze uitgave niet voor willekeurige commerciële doeleinden gebruiken, aanpassen, of overbrengen. Contact: zrm@ggd.amsterdam.nl
ZRM-supplement: Ouderschap 2017 GGD Amsterdam
© GGD Amsterdam. Fassaert, Lauriks, Buster, De Wit, Van de Weerd en Schönenberger. 2016. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enige andere wijze, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de auteurs. De gebruiker mag deze uitgave niet voor willekeurige commerciële doeleinden gebruiken, aanpassen, of overbrengen. Contact: zrm@ggd.amsterdam.nl
Bijlage 2 Doelstellingen voor ondersteuning met maatwerkvoorziening begeleiding
Het functioneren van de cliënt wordt in kaart gebracht middels de 11 resultaatgebieden van de gebruikershandleiding FAQT-V. Per resultaatgebied worden er doelen geformuleerd. Deze doelen worden opgenomen in het ondersteuningsplan van de cliënt. Onderstaande lijst geeft een overzicht van mogelijke doelen per resultaatgebied. Op basis van het onderzoek kunnen andere aanvullende doelen opgesteld worden.
Toelichting: als een cliënt ook ondersteuning krijgt of kan krijgen vanuit de Participatiewet wordt hierover afstemming gezocht met de participatieconsulenten. Deze ondersteuning is voorliggend op een maatwerkvoorziening vanuit de Wmo.
Toelichting: bij ondersteuning bij de financiën/administratie kan, alvorens een maatwerkvoorziening in te zetten, ook gedacht worden aan inzet van een algemene of voorliggende voorziening bij het op orde brengen van de thuisadministratie. Te denken valt daarbij aan de formulierenbrigade, het invullen van belastingformulieren of de inzet van Schuldhulpmaatjes of een administratiekantoor. Bij zwaardere problematiek zoals het hebben van schulden kan een cliënt ook ondersteuning krijgen vanuit de Schuldhulpverlening of er kan bewindvoering worden ingeschakeld.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-533525.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.