Financiële Verordening gemeente De Bilt 2025

De raad van de gemeente De Bilt;

 

Gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 22 september, met het onderwerp Verordening Financieel Beleid, Beheer en Organisatie;

 

Overwegende dat

het gestelde in Besluit Begroting en Verantwoording en Besluit Accountantscontrole Decentrale Overheden

 

gelet op

Artikel 212 Gemeentewet;

 

BESLUIT:

Vast te stellen de navolgende: “Financiële Verordening gemeente De Bilt 2025” Geldend van 01-01-2025 tot heden

 

HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1. Begripsbepaling

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • •︎

    Administratie:

    het systematisch verzamelen, vastleggen, verwerken en verstrekken van informatie ten behoeve van het besturen, functioneren en beheersen van de gemeentelijke organisatie en de verantwoording die daarover moet worden afgelegd;

  • •︎

    Doelmatig:

    met zo beperkt mogelijke inzet van (beschikbare) middelen het gewenste resultaat bereiken;

  • •︎

    Doeltreffend:

    de mate waarin de beoogde maatschappelijke effecten van het beleid daadwerkelijk zijn gerealiseerd;

  • Incidentele baten en lasten:

    de posten die het begrotingssaldo incidenteel beïnvloeden. Het gaat om eenmalige zaken en om (meerjarige) projecten of subsidies als deze eveneens het karakter van tijdelijkheid c.q. eindig doel hebben. Baten en lasten die zich 4 jaar of korter voordoen worden als incidenteel aangemerkt.

  • •︎

    Inkomsten:

    totaal van de baten voor onttrekkingen aan reserves;

  • •︎

    Netto schuld per inwoner:

    bruto schuld minus de omvang van de geldelijke bezittingen gedeeld door het aantal inwoners op 31 december van het begrotingsjaar;

  • •︎

    Bruto schuld:

    het totaal van langlopende leningen, kortlopende schulden en overlopende passiva;

  • •︎

    Geldelijke bezittingen:

    het totaal van leningen aan deelnemingen, leningen aan overige verbonden partijen, leningen aan derden, langlopende uitzettingen, kortlopende uitzettingen, debiteurenvorderingen, liquide middelen en overlopende activa;

  • •︎

    Onbenutte belastingcapaciteit onroerende zaakbelasting:

    verschil tussen de opbrengst onroerende zaakbelasting bij de tarieven die minimaal nodig zijn voor toegang tot de procedure van artikel 12 van de Financiële-verhoudingswet en de (geraamde) opbrengst onroerende zaakbelasting;

  • •︎

    Organisatieonderdeel:

    organisatorische eenheid, die als zodanig een eigen verantwoordelijkheid aan het college heeft;

  • •︎

    Overheidsbedrijf:

    onderneming met privaatrechtelijke rechtspersoonlijkheid, niet zijnde een personenvennootschap met rechtspersoonlijkheid, waarin de gemeente, al dan niet tezamen met een of meer andere publiekrechtelijke rechtspersonen, in staat is het beleid te bepalen of een onderneming in de vorm van een personenvennootschap, waarin een publiekrechtelijke rechtspersoon deelneemt;

  • •︎

    Rechtmatigheidsverantwoording:

    de rapportage van burgemeester en wethouders waarbij aangegeven wordt in welke mate de totstandkoming van de financiële beheershandelingen en de vastlegging daarvan overeenstemmen met de relevante wet- en regelgeving;

  • •︎

    Structurele baten en lasten:

    zijn baten en lasten die in beginsel jaarlijks in de begroting, meerjarenraming en jaarrekening zijn opgenomen. Voor structurele baten en lasten geldt in het algemeen, dat zij tot nadere besluitvorming voor onbepaalde tijd opgenomen zijn. Baten en lasten die zich langer dan 4 jaar voordoen worden als structureel aangemerkt.

  • •︎

    Verbonden partijen:

    die partijen waarmee de gemeente een bestuurlijke relatie heeft en waarin zij een financieel belang heeft;

  • •︎

    Taakvelden:

    eenheden waarin de programma’s, bedoeld in artikel 8, tweede lid (Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten), of de eenheden in overzichten en bedragen in het programmaplan, bedoeld in artikel 8 (BBV), eerste lid, onderdelen b tot en met e zijn onderverdeeld.

HOOFDSTUK 2. BEGROTING EN VERANTWOORDING

Artikel 2. Programma-indeling

  • 1.

    De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode een programma-indeling vast.

  • 2.

    De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode op voorstel van burgemeester en wethouders per programma vast:

    • a.

      de taakvelden,

    • b.

      de beleidsindicatoren, en

    • c.

      de prestatieindicatoren.

    Het voorstel van burgemeester en wethouders bevat in ieder geval de verplichte beleidsindicatoren, bedoeld in artikel 25, tweede lid, onder a, van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten.

  • 3.

    De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode vast over welke onderwerpen hij in extra paragrafen naast de verplichte paragrafen van de begroting en de jaarstukken kaders wil stellen en wil worden geïnformeerd.

Artikel 3. Inrichting begroting en jaarstukken

  • 1.

    Bij de begroting en de jaarstukken worden onder elk van de programma’s, het overzicht van de baten en lasten en toevoegingen en onttrekkingen aan reserves weergegeven.

  • 2.

    Bij het overzicht van baten en lasten worden de incidentele baten en lasten groter dan € 25.000 gespecificeerd in aanvulling op artikel 19 lid c en 28 lid c van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten.

  • 3.

    Bij de uiteenzetting van de financiële positie in de begroting wordt van de nieuwe investeringen per investering het benodigde investeringskrediet weergegeven.

  • 4.

    Bij de uiteenzetting van de financiële positie in de begroting wordt in aanvulling op het bepaalde in artikel 20 en artikel 21 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten inzicht gegeven in de ontwikkeling van de netto schuldquote en solvabiliteit.

  • 5.

    In de jaarrekening wordt van de investeringen de uitputting van de geautoriseerde investeringskredieten en de actuele raming van de totale uitgaven en inkomsten weergegeven.

  • 6.

    In de jaarrekening worden de afwijkingen boven de € 25.000 van over- en onderschrijdingen toegelicht.

Artikel 4. Kaders begroting

  • 1.

    Het college biedt jaarlijks een Kadernota aan met beleidsvoorstellen en financiële kaders voor de begroting van het volgende begrotingsjaar en de meerjarenraming. De raad stelt deze nota vast.

  • 2.

    In de begroting wordt een post onvoorzien van € 105.000 opgenomen.

Artikel 5. Autorisatie begroting en investeringskredieten

  • 1.

    De raad autoriseert met het vaststellen van de begroting de baten en de lasten per programma.

  • 2.

    De raad autoriseert met het vaststellen van de begroting de investeringskredieten van het begrotingsjaar.

  • 3.

    Bij de begrotingsbehandeling kan de raad aangeven van welke nieuwe investeringen hij op een later tijdstip een apart voorstel voor autorisatie van het investeringskrediet wil ontvangen.

  • 4.

    Het college informeert de raad in het eerstvolgende P&C-document, nadat is vastgesteld, dat:

    • de lasten van een programma meer dan € 0,1 mln. afwijken van de geautoriseerde lasten:

    • de investeringsuitgaven van een investeringskrediet meer dan 10% afwijken van het geautoriseerde investeringskrediet; of

    • de baten van een programma meer dan € 0,1 mln. afwijken van de geautoriseerde baten.

  • 5.

    Bij de behandeling van de tussenrapportages in de raad bedoeld in artikel 7, lid 1, doet het college voorstellen voor het wijzigen van de geautoriseerde baten en lasten, het wijzigen van de geautoriseerde investeringskredieten. In geval van investeringen met een meerjarig karakter doet het college indien nodig ook bij iedere begroting op grond van geactualiseerde ramingen voorstellen voor het wijzigen van de geautoriseerde investeringskredieten.

  • 6.

    Voor een investering waarvan het investeringskrediet niet met het vaststellen van de begroting is geautoriseerd, legt het college voorafgaand aan het aangaan van verplichtingen een investeringsvoorstel met een voorstel voor het vaststellen van een investeringskrediet aan de raad voor. Indien de investering boven € 1 miljoen uitkomt wordt in het voorstel ingegaan op de effecten van de investering op de netto schuldquote en de solvabiliteit van de gemeente.

Artikel 6. Planning- en Control-cyclus

  • 1.

    Het college biedt de raad de volgende documenten aan:

    • a.

      de Kadernota,

    • b.

      de Begroting en Meerjarenraming,

    • c.

      de Voorjaarsnota (eerste tussentijdse rapportage),

    • d.

      de Najaarsnota (tweede tussentijdse rapportage) en

    • e.

      de Jaarstukken, die bestaan uit het Jaarverslag en de Jaarrekening.

  • 2.

    Voor aanvang van het begrotingsjaar biedt het college een overzicht aan met de data van aanbieden en vaststellen van de, Voorjaarsnota, de Kadernota, de Programmabegroting, de Najaarsnota en de Jaarstukken.

Artikel 7. Tussentijdse rapportage

  • 1.

    Het college informeert de raad door middel van de voorjaars- en najaarsnota tussentijds over de realisatie van de begroting van de gemeente over respectievelijk de eerste 2 en eerste 8 maanden. In december wordt een slotnota aangeboden aan de raad om eventuele begrotingsonrechtmatigheden te voorkomen.

  • 2.

    De inrichting van de tussentijdse rapportage sluit aan bij de programma-indeling van de begroting.

  • 3.

    In de tussentijdse rapportage informeert het college de raad over beleidsafwijkingen.

  • 4.

    In de tussentijdse rapportages worden afwijkingen op de oorspronkelijke ramingen van de baten en lasten van programma’s en investeringskredieten conform artikel 5 lid 3 toegelicht.

  • 5.

    Het college doet op basis van de verwachte realisatie van de begroting bijsturingsvoorstellen aan de raad.

  • 6.

    Bij de behandeling van de tussentijdse rapportage stelt de raad de baten en de lasten en de geautoriseerde investeringskredieten bij.

Artikel 8. Jaarstukken

  • 1.

    Gelijktijdig met het aanbieden van de jaarstukken bieden burgemeester en wethouders de raad het voorstel aan over de bestemming van het jaarrekeningresultaat.

  • 2.

    Vooruitlopend op het bestemmingsvoorstel over het jaarrekeningresultaat kunnen burgemeester en wethouders de raad voorstellen om restantmiddelen op onderdelen van het rekeningresultaat over te hevelen naar het volgende begrotingsjaar.

Artikel 9. Wensen en bedenkingen over grote onderwerpen (informatieplicht)

Het college besluit niet over:

  • a.

    het verstrekken van leningen, waarborgen en garanties groter dan € 50.000; en

  • b.

    het verstrekken van kapitaal aan instellingen en ondernemingen, dan nadat de raad is geïnformeerd over het voornemen en hiertoe in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van het college te brengen.

Artikel 10. EMU-saldo

Als het Rijk de gemeente bericht dat alle gemeenten samen het collectieve aandeel van gemeenten in het EMU-tekort, bedoeld in artikel 3, zesde lid, van de Wet houdbare overheidsfinanciën, hebben overschreden, informeren burgemeester en wethouders de raad of een aanpassing van de begroting nodig is. Als burgemeester en wethouders een aanpassing nodig achten, doen burgemeester en wethouders een voorstel voor het wijzigen van de begroting.

HOOFDSTUK 3. RECHTMATIGHEIDSVERANTWOORDING

Artikel 11. Verantwoordings- en rapportagegrens rechtmatigheidsverantwoording

  • 1.

    De jaarrekening bevat een rechtmatigheidsverantwoording.

  • 2.

    De rechtmatigheidsverantwoording bevat een overzicht van de rechtmatigheidsfouten en onduidelijkheden in het kader van de financiële rechtmatigheid.

  • 3.

    De verantwoordingsgrens bedraagt 2% van de totale lasten, exclusief de toevoegingen aan de reserves. Wanneer het totaalbedrag aan rechtmatigheidsfouten én onduidelijkheden hoger is dan de verantwoordingsgrens worden deze in het kader van de financiële rechtmatigheid opgenomen in de rechtmatigheidsverantwoording.

  • 4.

    Wanneer de verantwoordingsgrens wordt overschreden worden de geconstateerde afwijkingen (fouten of onduidelijkheden) groter dan de rapportagegrens van € 100.000 toegelicht in de rechtmatigheidsverantwoording. In de paragraaf bedrijfsvoering worden niet acceptabele afwijkingen nader toegelicht. Hierbij wordt ingegaan op de oorzaak van de fout en/of onduidelijkheid en worden maatregelen aangekondigd om deze fouten en/of onduidelijkheden in de toekomst te voorkomen.

Artikel 12. Voorwaardencriterium

  • 1.

    Het voorwaardencriterium is het criterium van rechtmatigheid, dat betrekking heeft op de eisen die worden gesteld bij de uitvoering van de financiële beheershandelingen. De eisen/voorwaarden zijn afkomstig uit diverse wet- en regelgeving en hebben betrekking op aspecten als doelgroep, termijn, grondslag, administratieve bepalingen, normbedragen, bevoegdheden, bewijsstukken, recht, hoogte en duur.

  • 2.

    Burgemeester en wethouders bieden jaarlijks uiterlijk in december voorafgaand aan het controlejaar ter vaststelling een normenkader rechtmatigheid aan. Dit kader bestaat uit alle relevante (interne) wet- en regelgeving waaruit financiële beheershandelingen kunnen voortvloeien.

Artikel 13. Begrotingscriterium

  • 1.

    Het begrotingscriterium is een criterium van rechtmatigheid dat betrekking heeft op de grenzen van de baten en lasten in de door de raad geautoriseerde begroting van exploitatie en investeringskredieten en de hiermee samenhangende programma’s, waarbinnen de financiële beheershandelingen tot stand moeten zijn gekomen;

  • 2.

    De begrotingsrechtmatigheid wordt beoordeeld op het niveau waarop de begroting door de raad is geautoriseerd, zoals is opgenomen in artikel 5.

  • 3.

    Overschrijdingen van begrote lasten zijn onrechtmatig. Onderschrijdingen van begrote lasten en over- en/of onderschrijdingen van begrote baten zijn onrechtmatig indien dit niet is gemeld aan de gemeenteraad in het eerstvolgende P&C document nadat de onderschrijding/overschrijding is geconstateerd.

  • 4.

    Bij investeringsprojecten wordt de begrotingsrechtmatigheid beoordeeld op het niveau van het totaal gevoteerde kredietbedrag. Een overschrijding van het totaal gevoteerde kredietbedrag is onrechtmatig. Onderschrijdingen op het jaarkredietbudget zijn onrechtmatig indien dit bij constatering niet is gemeld aan de gemeenteraad in het eerstvolgende P&C document. Overschrijdingen op het jaarbudget, die passen binnen het totaalbedrag van het krediet, worden als rechtmatig beschouwd.

  • 5.

    Alle onrechtmatige afwijkingen op de begroting zoals opgenomen in artikel 13 lid 3 en 4 worden verantwoord in de rechtmatigheidsverklaring.

  • 6.

    De volgende begrotingsonrechtmatigheden worden als acceptabel aangemerkt:

    • a.

      Overschrijdingen per programma of investeringskrediet die kleiner zijn dan 1% van de begrote lasten;

    • b.

      Overschrijdingen van lasten waarbij direct gerelateerde inkomsten de overschrijding compenseren;

    • c.

      Overschrijdingen van lasten die direct het gevolg zijn van een open-einde regeling;

    • d.

      Overschrijdingen van lasten die passen binnen het bestaande beleid van de raad;

    • e.

      Indien de overschrijding van lasten door middel van een tussentijdse rapportage is gemeld aan de gemeenteraad;

    • f.

      Alle afwijkingen op begrote baten en onderschrijdingen op begrote lasten en of investeringskredieten die niet in het eerstvolgende P&C documenten, nadat de afwijkingen en of onderschrijding is geconstateerd, zijn gemeld aan de gemeenteraad.

  • 7.

    Wanneer de vastgestelde afwijking acceptabel is, wordt voor de toelichting hierop verwezen naar de toelichting per programma of de toelichtingen in de paragrafen.

  • 8.

    In de paragraaf bedrijfsvoering worden alle begrotings- en kredietafwijkingen boven de rapporteringsgrens toegelicht indien deze afwijking door de gemeenteraad niet als acceptabel is gekwalificeerd.

  • 9.

    Per gerapporteerde afwijking in de paragraaf bedrijfsvoering worden maatregelen aangekondigd om deze afwijkingen in de toekomst te voorkomen.

Artikel 14. Misbruik en oneigenlijk gebruik-criterium

  • 1.

    Het misbruik en oneigenlijk gebruik-criterium is het criterium van rechtmatigheid, dat betrekking heeft op het voorkomen, detecteren en corrigeren van misbruik en oneigenlijk gebruik van overheidsgelden en gemeentelijke eigendommen bij financiële beheershandelingen.

  • 2.

    Burgemeester en wethouders zorgen voor en leggen de regels vast voor het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik van gemeentelijke regelingen en eigendommen.

HOOFDSTUK 4. FINANCIEEL BELEID

Artikel 15. Waardering en afschrijving vaste activa

  • 1.

    Immateriële en materiële vaste activa worden afgeschreven volgens de methodiek waarbij de termijnen zoals vermeld in de bijlage Afschrijvingsbeleid bij deze verordening, als richtlijn gelden.

  • 2.

    Voorbereidings- en onderzoekskosten worden toegerekend aan gerealiseerde activa die hiervan het resultaat zijn, of aan de grondexploitaties die hiervan het resultaat zijn.

  • 3.

    Met afschrijven wordt gestart in het jaar nadat het betreffende krediet is afgesloten.

  • 4.

    Kosten voor het afsluiten van geldleningen worden direct ten laste van de exploitatie gebracht.

  • 5.

    Aandelen worden tegen aanschafwaarde (inclusief agio en disagio) geactiveerd.

  • 6.

    De ondergrens voor het activeren van investeringen wordt gesteld op € 25.000.

Artikel 16. Voorziening voor oninbare vorderingen

  • 1.

    Voor zowel privaatrechtelijke als publiekrechtelijke openstaande vorderingen wordt een voorziening wegens oninbaarheid gevormd.

  • 2.

    Deze voorziening wordt op basis van onderstaande kaders gevormd:

    • a.

      Voor vorderingen op debiteuren voortvloeiend uit de Wet Jeugdzorg, Wet Maatschappelijke Ondersteuning en Participatiewet wordt voor elke vordering die korter dan 1 jaar openstaat 50% van de totale vordering voorzien als oninbaar;

    • b.

      Voor vorderingen op debiteuren voortvloeiend uit de Wet Jeugdzorg, Wet Maatschappelijke Ondersteuning en Participatiewet wordt voor elke vordering die langer dan 1 jaar openstaat 100% van de totale vordering voorzien als oninbaar;

    • c.

      Voor alle overige vorderingen die korter dan 1 jaar openstaan wordt 5% van de totale vordering voorzien als oninbaar;

    • d.

      Voor alle overige vordering die langer dan 1 jaar maar korter dan 2 jaar openstaat, wordt 10% van de totale vordering voorzien als oninbaar;

    • e.

      Voor alle overige vorderingen die langer dan 2 jaar openstaat, wordt 100% van de totale vordering voorzien als oninbaar.

Artikel 17. Reserves en voorzieningen

  • 1.

    Er vindt geen toerekening van rente over de reserves en voorzieningen aan de taakvelden plaats.

  • 2.

    Bij een voorstel aan de raad voor de instelling van een bestemmingsreserve wordt minimaal aangegeven:

    • a.

      het specifieke doel van de reserve;

    • b.

      de voorwaarden voor toevoeging en onttrekking van de reserve;

    • c.

      de maximale hoogte van de reserve; en

    • d.

      de maximale looptijd.

  • 3.

    Als een bestemmingsreserve binnen de aangegeven maximale looptijd niet heeft geleid tot uitnutting, wordt de bestemmingsreserve opgeheven en het bedrag toegevoegd aan de algemene reserve.

Artikel 18. Kostprijsberekening

  • 1.

    Voor het bepalen van de geraamde kostprijs van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, en van goederen, werken en diensten die worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden, wordt een extracomptabel stelsel van kostentoerekening gehanteerd. Bij deze kostentoerekening worden naast de directe kosten, de overheadkosten en de rente van de inzet van vreemd vermogen, reserves en voorzieningen voor de financiering van de in gebruik zijnde activa betrokken.

  • 2.

    Bij de directe kosten worden betrokken de bijdragen aan en onttrekkingen van voorzieningen voor de noodzakelijke vervanging van de betrokken activa en de afschrijvingskosten van de in gebruik zijnde activa. Voor de rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, worden daarbij ook de compensabele belasting over de toegevoegde waarde (BTW) en de gederfde inkomsten van het kwijtscheldingsbeleid betrokken.

  • 3.

    De toerekenbare overheadkosten per activiteit die kunnen worden betrokken in de aangifte vennootschapsbelasting, worden bepaald op basis van de totale overheadkosten gedeeld door de totale directe kosten maal de directe kosten van betreffende activiteiten.

  • 4.

    Voor de toerekening van de overheadkosten aan de kostprijs van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, en van goederen, werken, diensten die worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden, wordt uitgegaan van het aandeel in de totale geraamde overheadkosten ter grootte van de geraamde directe kosten gedeeld door de totale geraamde directe kosten van de taakvelden.

  • 5.

    Het percentage van de omslagrente voor de toerekening van rente voor de financiering van de in gebruik zijnde activa, bedoeld in het eerste lid, wordt jaarlijks met de begroting vastgesteld.

  • 6.

    In afwijking van het eerste lid worden bij vennootschapsbelastingplichtige activiteiten en grondexploitaties alleen de rentekosten voor de inzet van vreemd vermogen aan de kostprijs toegerekend. Bij projectfinanciering worden dan de werkelijke rentekosten toegerekend. In andere gevallen wordt uitgegaan van het gewogen gemiddelde rentepercentage van de portefeuille leningen.

  • 7.

    In afwijking van artikel 18 eerste lid wordt bij een verstrekte lening voor de bepaling van de rentekosten van de inzet van vreemd vermogen in de kostprijs uitgegaan van de rente van de lening die voor de financiering van de verstrekte lening is aangetrokken. Deze rente wordt verhoogd met een opslag voor het debiteurenrisico.

Artikel 19. Prijzen economische activiteiten

  • 1.

    Voor de levering van goederen, diensten of werken door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden waarbij de gemeente in concurrentie met marktpartijen treedt, wordt ten minste de geraamde integrale kostprijs in rekening gebracht. Bij afwijking vanwege een publiek belang doet het college vooraf voor elk van deze activiteiten afzonderlijk een voorstel voor een raadsbesluit, waarin het publiek belang van de levering van de desbetreffende goederen, diensten of werken wordt gemotiveerd.

  • 2.

    Bij het verstrekken van leningen of garanties door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden worden ten minste de geraamde integrale kosten in rekening gebracht. Bij afwijking vanwege een publiek belang doet het college vooraf een voorstel aan de raad, waarin het publiek belang van de lening of de garantie wordt gemotiveerd.

  • 3.

    Bij het verstrekken van kapitaal door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden gaat het college uit van een vergoeding van ten minste de geraamde integrale kosten van de verstrekte middelen. Bij afwijking vanwege een publiek belang doet het college vooraf een voorstel voor een raadsbesluit, waarin het publiek belang van de kapitaalverstrekking wordt gemotiveerd.

  • 4.

    Raadsbesluiten met de motivering van het publiek belang als bedoeld in de vorige leden zijn niet nodig als minder dan de integrale kostprijs in rekening wordt gebracht en sprake is van:

    • a.

      leveringen van goederen, diensten of werken en het verstrekken van leningen, garanties en kapitaal aan andere overheden voor zover deze leveringen en verstrekkingen zijn bedoeld voor de uitoefening van de publieke taak door die andere overheid;

    • b.

      een bevoordeling van activiteiten in het kader van een bij wet opgedragen publiekrechtelijke taak;

    • c.

      een bevoordeling van activiteiten in het kader van een toegekend bijzonder of uitsluitend recht waarvoor prijsvoorschriften gelden;

    • d.

      een bevoordeling van sociale werkplaatsen;

    • e.

      een bevoordeling van onderwijsinstellingen;

    • f.

      een bevoordeling van publieke media-instellingen; en

    • g.

      een bevoordeling die valt onder de reikwijdte van de staatssteunregels van het Werkingsverdrag van de Europese Unie en daarmee verenigbaar is.

Artikel 20. Vaststelling hoogte belastingen, rechten, heffingen en prijzen

Het college doet de raad jaarlijks een voorstel voor de hoogte van de gemeentelijke tarieven voor de belastingen, de rechten en de heffingen en hoe de gemeente met kwijtschelding omgaat.

Artikel 21. Financieringsfunctie

  • 1.

    Het college neemt bij het uitzetten en het aantrekken van middelen de volgende kaders in acht:

    • a.

      voor het aantrekken van financieringen met een looptijd langer dan één jaar worden ten minste drie prijsopgaven bij verschillende financiële instellingen gevraagd; en

    • b.

      er wordt geen gebruik gemaakt van financiële derivaten als bedoeld in artikel 1, onder c, van de Wet financiering decentrale overheden.

  • 2.

    Bij het verstrekken van leningen, het verstrekken van garanties en het verstrekken van risicodragend kapitaal bedingt het college indien mogelijk zekerheden.

HOOFDSTUK 5. PARAGRAFEN

Artikel 22. Lokale heffingen

In de paragraaf Lokale heffingen bij de begroting en de jaarstukken neemt het college in ieder geval de verplichte onderdelen op grond van artikel 10 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten op.

Artikel 23. Weerstandsvermogen en risicobeheersing

  • 1.

    In de paragraaf Weerstandsvermogen en risicobeheersing bij de begroting en de jaarstukken neemt het college in ieder geval de verplichte onderdelen op grond van artikel 11 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten op.

  • 2.

    Het college biedt de raad om de vier jaar een nota Financiële positie, Weerstandsvermogen en risicobeheer aan. De raad stelt de nota vast.

Artikel 24. Kapitaalgoederen

  • 1.

    In de paragraaf kapitaalgoederen bij de begroting en de jaarstukken neemt het college in ieder geval de verplichte onderdelen op grond van artikel 12 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten op.

  • 2.

    Het college biedt de raad ten minste eens in de 4 jaar beheerplannen aan voor:

    • a.

      Wegen

    • b.

      (Civiele) Kunstwerken

    • c.

      Verkeersregelinstallaties

    • d.

      Riolering

    • e.

      Openbaar groen

    • f.

      Bomen

    • g.

      Tractie

    • h.

      Gemeentelijke sportparken

    • i.

      Gemeentelijke gebouwen

    • j.

      Onderwijshuisvesting

    De plannen geven de kaders weer voor de beoogde onderhoudsniveaus, de planning van het onderhoud en de kosten van het onderhoud. De raad stelt de plannen vast.

Artikel 25. Financiering

In de paragraaf financiering bij de begroting en de jaarstukken neemt het college in ieder geval de verplichte onderdelen op grond van artikel 13 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten op.

Artikel 26. Bedrijfsvoering

  • 1.

    In de paragraaf bedrijfsvoering bij de begroting en de jaarstukken neemt het college naast de verplichte onderdelen op grond van artikel 14 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder geval op:

    • a.

      een toelichting op alle afwijkingen in rechtmatigheid, die in de rechtmatigheidsverantwoording zijn opgenomen, de rapportagegrens overschrijden en niet als acceptabel, met de maatregelen die worden genomen om deze afwijkingen in de toekomst te voorkomen;

    • b.

      een overzicht van en toelichting op niet-financiële onrechtmatigheden in verband met het niet naleven van bepalingen in de Wet financiering decentrale overheden en de bijbehorende ministeriële regelingen, als deze voorkomen;

    • c.

      rapportage van het veelvuldig niet naleven van normen uit de gids proportionaliteit en/of slechte documentatie of naleving hiervan, als deze voorkomen; en

    • d.

      geconstateerde fraude door eigen medewerkers, als dit voorkomt.

Artikel 27. Verbonden partijen

In de paragraaf verbonden partijen bij de begroting en de jaarstukken neemt het college in ieder geval de verplichte onderdelen op grond van artikel van 15 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten op.

Artikel 28. Grondbeleid

  • 1.

    In de paragraaf grondbeleid bij de begroting en de jaarstukken neemt het college in ieder geval de verplichte onderdelen op grond van artikel van 16 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten op.

  • 2.

    Het college biedt de raad ten minste eens in de vier jaar een nota grondbeleid aan. De raad stelt de nota vast. In de nota wordt aandacht besteed aan:

    • a.

      de strategische visie van het toekomstig grondbeleid van de gemeente;

    • b.

      te ontwikkelen en in ontwikkeling genomen projecten;

    • c.

      het verloop van de grondvoorraad;

    • d.

      de uitgangspunten voor de verkoopprijzen van gronden; en

    • e.

      de wijze waarop met de toerekening van bovenwijkse voorzieningen wordt omgegaan.

  • 3.

    Burgemeester en wethouders bieden de raad jaarlijks een grondprijzenbrief aan met een vastgestelde uitgifteprijs voor zowel maatschappelijke grond als intern door te leveren grond. De raad stelt de grondprijzenbrief vast.

  • 4.

    De voorziening voor verliesgevende grondexploitaties wordt gewaardeerd tegen nominale waarde.

Artikel 29. Openbaarheid

In de paragraaf Openbaarheid bij de begroting en de jaarstukken neemt het college in ieder geval de verplichte onderdelen op grond van artikel 10 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten op.

HOOFDSTUK 5. FINANCIËLE ORGANISATIE EN FINANCIEEL BEHEER

Artikel 30. Administratie

De administratie is zodanig van opzet en werking, dat zij in ieder geval dienstbaar is voor:

  • a.

    het sturen en het beheersen van activiteiten en processen in de gemeente als geheel en in de organisatieonderdelen;

  • b.

    het verstrekken van informatie over ontwikkelingen in de omvang van de vaste activa, voorraden, vorderingen, schulden en contracten;

  • c.

    het verschaffen van informatie over uitputting van de toegekende budgetten en investeringskredieten en voor het maken van kostencalculaties;

  • d.

    het verschaffen van informatie over indicatoren met betrekking tot de gemeentelijke productie van goederen en diensten en de maatschappelijke effecten van het gemeentelijke beleid;

  • e.

    het afleggen van verantwoording over de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en regelgeving; en

  • f.

    de controle van de registratie van gegevens als zodanig en van de daaraan ontleende informatie, alsmede voor de controle op de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en regelgeving.

Artikel 31. Financiële organisatie

  • 1.

    Het college draagt zorg voor:

    • a.

      een eenduidige indeling van de gemeentelijke organisatie en een eenduidige toewijzing van de gemeentelijke taken aan de organisatieonderdelen;

    • b.

      een adequate scheiding van taken, functies, bevoegdheden, verantwoordelijkheden;

    • c.

      de verlening van mandaten en volmachten voor het aangaan van verplichtingen ten laste van de toegekende budgetten en investeringskredieten;

    • d.

      de interne regels voor taken en bevoegdheden, de verantwoordingsrelaties en de bijbehorende informatievoorziening van de financieringsfunctie;

    • e.

      de te maken afspraken met de organisatieonderdelen over de te leveren prestaties, de daarvoor beschikbare middelen en de wijze en frequentie van rapportage over de voortgang van de activiteiten en uitputting van middelen;

    • f.

      het beleid en de interne regels voor de inkoop en de aanbesteding van goederen, werken en diensten;

    • g.

      het beleid en de interne regels voor de steunverlening en de toekenning van subsidies aan ondernemingen en instellingen; en

    • h.

      het beleid en de interne regels voor het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik van gemeentelijke regelingen en eigendommen, opdat aan de eisen van rechtmatigheid, controle en verantwoording wordt voldaan.

    • i.

      het verzamelen en vastleggen van gegevens over de geleverde prestaties en de maatschappelijke effecten zodat de doelmatigheid en doeltreffendheid van het beleid, zoals vastgesteld door de raad, kunnen worden getoetst.

  • 2.

    Het college biedt de raad eens in de vier jaar een treasurystatuut aan. Hierin worden de bevoegdheden en de beleidskaders beschreven van de financiële vermogenswaarden, de financiële geldstromen, de financiële posities en de hieraan verbonden risico’s.

Artikel 32. Interne controle

  • 1.

    Burgemeester en wethouders dragen zorg voor de jaarlijkse interne toetsing van de getrouwheid van de informatieverstrekking en de rechtmatigheid van de beheershandelingen. Bij afwijkingen rapporteren burgemeester en wethouders daarover in de rechtmatigheidsverantwoording, zoals beschreven in artikel 11. Daarnaast informeren burgemeester en wethouders de raad over genomen maatregelen tot herstel van de tekortkomingen.

  • 2.

    Burgemeester en wethouders zorgen voor de systematische controle van de administratie en de ontwikkeling van de bezittingen en het financieel vermogen van de gemeente met dien verstande dat de waardepapieren, de voorraden, de uitstaande leningen, de debiteurenvorderingen, de liquiditeiten, de opgenomen leningen, de kortlopende schulden en de vorderingen van crediteuren jaarlijks worden gecontroleerd en registergoederen en bedrijfsmiddelen ten minste eenmaal in de 4 jaar. Bij afwijkingen in de administratie nemen burgemeester en wethouders maatregelen tot herstel van de tekortkomingen

HOOFDSTUK 6. SLOTBEPALINGEN

Artikel 33. Intrekken oude verordening en overgangsrecht

De Financiële verordening gemeente de Bilt 2024 wordt ingetrokken per 31-12-2024.

Artikel 34. Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking met terugwerkende kracht op 1 januari 2025 en is van toepassing op de jaarrekening en het jaarverslag en bijbehorende stukken van het begrotingsjaar 2025.

  • 2.

    Deze verordening wordt aangehaald als: Financiële verordening gemeente De Bilt 2025.

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 30 oktober 2025,

de raad voornoemd,

de griffier,

drs. T.B.W.M. van der Torre

de voorzitter,

M.C. Haverkamp

Naar boven