Vierde Wijziging van de Verordening Sociaal Domein gemeente Lansingerland 2023

De raad van de gemeente Lansingerland;

 

gelezen het voorstel BW2500199 van het college van burgemeester en wethouders van 7 oktober 2025;

 

gezien

  • -

    het advies van de Adviesraad Sociaal Domein Lansingerland van 19 augustus 2025;

gelet op

  • -

    artikel 121; artikel 122; artikel 147; artikel 149; artikel 150 Gemeentewet; artikel 2.1.3; artikel 2.1.4; artikel 2.1.4a; artikel 2.1.6; artikel 2.3.6, lid 4; artikel 2.6.6., lid 1 Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; artikel 3.8 Uitvoeringsbesluit Wmo 2015; artikel 2.9; artikel 2.10; artikel 2.11; artikel 2.12; artikel 8.1.1, lid 3 Jeugdwet; artikel 6, lid 2; artikel 8; artikel 8a; artikel 8b; artikel 10b; artikel 47 Participatiewet; artikel 35 Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeids-ongeschikte werkloze werknemers; artikel 35 Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; artikel 4a, lid 3 Wet gemeentelijke schuldhulpverlening; artikel 3.8; artikel 5.4 Uitvoeringsbesluit Wmo 2015; Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen;

overwegende

  • -

    dat het vanwege ontwikkelingen in wet- en regelgeving, jurisprudentie, uitvoerbaarheid en redactionele verbeteringen wenselijk is een aantal bepalingen van de Verordening Sociaal Domein gemeente Lansingerland 2023 te wijzigen;

besluit:

 

  • 1.

    De Vierde Wijziging van de Verordening Sociaal Domein 2023 (T25.04395) vast te stellen en met terugwerkende kracht in werking te laten treden per 1 maart 2025 en per toekomende datum per 1 januari 2026.

  • 2.

    De Verordening Cliëntenparticipatie Wsw (T08.01649) per 1 januari 2026 in te trekken.

ARTIKEL I  

De Verordening Sociaal Domein gemeente Lansingerland 2023 wordt als volgt gewijzigd:

 

A.

 

Artikel 1.1.2 komt te luiden:

 

Artikel 1.1.2 Begrippen verordening

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • -

    Algemene voorziening: een voorziening waar alle inwoners gebruik van kunnen maken, zonder dat hiervoor een indicatie van de gemeente nodig is (ook wel vrij toegankelijke voorziening genoemd);

  • -

    Deskundig advies: advies van een professional die, al dan niet in teamverband, beschikt over specifieke deskundigheid;

  • -

    Gemeente: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lansingerland;

  • -

    Gemeenteraad: de gemeenteraad van de gemeente Lansingerland;

  • -

    Inwoner: iemand die zijn hoofdverblijf in Lansingerland heeft, of een jeugdige die als inwoner kan worden beschouwd op grond van het woonplaatsbeginsel in artikel 1.1 van de Jeugdwet;

  • -

    Ondersteuningsverlener: een door de gemeente gecontracteerde aanbieder, leverancier of persoon uit het sociaal netwerk die de maatwerkvoorziening of hulp biedt of een door de gemeente gesubsidieerde organisatie die maatschappelijke ondersteuning kan leveren;

  • -

    Ondersteuningsvraag: de behoefte van een inwoner aan maatschappelijke ondersteuning, jeugdhulp, een uitkering met bemiddeling naar werk of inkomensondersteuning en/of schuldhulpverlening;

  • -

    Ouder: gezaghebbende ouder, adoptiefouder, stiefouder of een ander die een jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, niet zijnde een pleegouder, als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet;

  • -

    Pgb: persoonsgebonden budget;

  • -

    Raad: gemeenteraad;

  • -

    Toegangspartij: een door de gemeente gecontracteerde partij die namens de gemeente een onderzoek kan verrichten

B.

 

Artikel 2.2.3 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1.

    Het tweede lid, onderdeel a, onder 2, komt te luiden: “of en zo ja welke ondersteuning, hulp en zorg naar aard en omvang nodig zijn voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond, kansrijk en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren;”.

  • 2.

    Het vierde lid komt te luiden: “Het gesprek vindt afhankelijk van de ondersteuningsvraag telefonisch, via videobellen, op locatie of bij de inwoner thuis plaats.”

C.

 

Artikel 2.4.3, vierde lid, komt te luiden: “Als een inwoner voor jeugdhulp door een arts, een Gecertificeerde Instelling of de jeugdreclassering is verwezen naar een door de gemeente gecontracteerde aanbieder zorgt de gemeente er in afwijking van de in dit hoofdstuk opgenomen procedure voor dat deze jeugdhulp wordt verstrekt na toetsing van de gemeente. Wanneer de inzet door een Gecertificeerde Instelling of de reclassering is bepaald wordt er geen beschikking afgegeven.”

 

D.

 

Artikel 3.1.2, eerste lid, komt te luiden: “De adviesraad is een onafhankelijk adviesorgaan voor het gemeentelijke sociaal domein dat de gemeente gevraagd en ongevraagd advies geeft op het gebied van de beleidsterreinen behorende bij de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, Jeugdwet, Participatiewet, IOAW, IOAZ, Wet sociale werkvoorziening, het armoedebeleid en het leerlingenvervoer.”

 

E.

 

In artikel 4.1.4, derde lid, onderdeel g, wordt “of” vervangen door “dat”.

 

F.

 

In artikel 4.2.1, vierde lid, vervalt “(herziene versie december 2019)”.

 

G.

 

In artikel 4.2.2, eerste lid, wordt na “een recente VOG” toegevoegd “(niet ouder dan 3 maanden)”.

 

H.

 

Artikel 4.3.1 komt te luiden:

 

Artikel 4.3.1 Beschikbare maatwerkvoorzieningen

De volgende maatwerkvoorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar:

  • a.

    Huishoudelijke hulp;

  • b.

    Begeleiding (kan individueel, groepsgewijs en bij mantelzorg);

  • c.

    Kortdurend verblijf;

  • d.

    Vervoersvoorzieningen;

  • e.

    Woonvoorzieningen;

  • f.

    Hulpmiddelen; en

  • g.

    Beschermd Wonen.

I.

 

Artikel 4.3.3 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1.

    In het eerste lid komt onderdeel e te luiden: “voor zover de inwoner de beperking weg kan nemen met een dienst, hulpmiddel, woningaanpassing of andere maatregel onder de Wmo 2015

    • -

      die niet specifiek bedoeld is voor mensen met een beperking;

    • -

      daadwerkelijk beschikbaar is;

    • -

      een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de inwoner tot zelfredzaamheid of participatie in staat is;

    • -

      deze financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau, en;

    • -

      die naar algemeen aanvaarde maatschappelijke opvattingen onder de gehele bevolking gangbaar is te achten;”.

  • 2.

    In het tweede lid komt onderdeel b te luiden: “als de inwoner daar niet zijn (toekomstig) hoofdverblijf heeft, tenzij het gaat om het bezoekbaar maken of logeerbaar houden van de echtelijke woning of het ouderlijk huis van een inwoner die in een Wlz instelling zijn hoofdverblijf heeft en de inwoner deze woning voor minimaal 18 dagen per jaar zal gaan bezoeken, de persoonlijke verzorging van de inwoner is geregeld en de aanpassing(en) bouwtechnisch eenvoudig zijn te realiseren;”.

J.

 

In artikel 4.4.1, eerste lid, wordt na “een recente VOG” toegevoegd “(niet ouder dan 3 maanden)”.

 

K.

 

Artikel 4.4.2 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1.

    In het tweede lid, onderdeel e, wordt “leverancier” vervangen door “aanbieder”.

  • 2.

    In het derde lid, onderdeel a, wordt “leverancier” vervangen door “aanbieder/ondersteuningsverlener”.

L.

 

Artikel 4.4.3. wordt per 1 maart 2025 als volgt gewijzigd:

In het derde lid, wordt een onderdeel toegevoegd, dat luidt:

  • e.

    Niet dezelfde persoon te zijn als de beoogde ondersteuningsverlener.

M.

 

Artikel 4.4.3 wordt per 1 januari 2026 als volgt gewijzigd:

  • 1.

    In het eerste lid, onderdeel a, wordt “aan” vervangen door “van”, en wordt “leverancier” vervangen door “aanbieder”.

  • 2.

    In het tweede lid, onderdeel a, wordt na “Een recente VOG” toegevoegd “(niet ouder dan 3 maanden)”.

N.

 

In artikel 4.4.4, komt het tweede lid te luiden: “In het geval de maatwerkvoorziening een hulpmiddel betreft wordt het bedrag aangevuld met een bedrag voor het onderhoud, reparatie, pechhulp en de WA-verzekering gedurende de duur van de verstrekking.”

 

O.

 

Artikel 4.4.5 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1.

    In het eerste lid, onderdeel a, wordt “€ 25,50” vervangen door “€ 27,50”.

  • 2.

    In het eerste, lid onderdeel c, wordt “€ 22,00” vervangen door € 24,00”.

  • 3.

    Het tweede lid komt te luiden: “De bedragen voor een pgb voor een hulpmiddel worden bepaald als tegenwaarde van het hulpmiddel dat de aanvrager op dat moment ontvangen zou hebben als het in natura zou zijn verstrekt. Was dat een niet nieuwe voorziening geweest, dan wordt de tegenwaarde daarop gebaseerd met een looptijd gelijk aan de verkorte afschrijvingstermijn, rekening houdend met onderhoud, reparatie, pechhulp en WA-verzekering. Was de naturaverstrekking een nieuwe voorziening geweest, dan wordt de tegenwaarde daarop gebaseerd, rekening houdend met een eventueel door de gemeente te ontvangen korting en rekening houdend met onderhoud, reparatie, pechhulp en WA-verzekering.”

  • 4.

    Het derde lid komt te luiden: “De vergoeding voor een sportrolstoel of andere sportvoorziening is mede bestemd als tegemoetkoming in aanschaf, het onderhoud, de reparaties en de aanpassingen van de voorziening voor een periode van 3 jaar en bedraagt maximaal € 3.500.

  • 5.

    Het vierde lid komt te luiden: “De vergoeding voor een verhuizing bedraagt maximaal € 2.829. De gemeente kan op aanvraag ook een vergoeding voor de stofferingskosten toekennen en stelt deze vast op basis van de Nibud-normen.”

  • 6.

    In het vijfde lid, wordt “Het pgb dat” vervangen door “De vergoeding die”. De laatste zin vervalt.

  • 7.

    In het zes lid, wordt “Het pgb” vervangen door “De vergoeding”. De laatste zin vervalt.

  • 8.

    Het zevende lid komt te luiden: “Het pgb voor aanpassingen aan de eigen auto van de inwoner en de kosten die daarbij komen kijken, bedraagt 100% van de noodzakelijke kosten op basis van de goedkoopste compenserende voorziening. Dit geldt ook wanneer het een minderjarige betreft en de auto van zijn ouder moet worden aangepast.”

P.

 

Artikel 4.4.6 komt te luiden:

 

Artikel 4.4.6 Niet in het tarief

  • 1.

    Het pgb is uitsluitend bedoeld voor de inkoop van maatschappelijke ondersteuning. De gemeente verstrekt dan ook geen Pgb voor bemiddelings- of administratiekosten of een combinatie hiervan, in verband met de aanvraag of uitvoering van het Pgb, of een combinatie hiervan, al dan niet in combinatie met de kosten van de Pgb-beheerder.

  • 2.

    Het Pgb bevat geen vrij besteedbaar deel en mag dan ook niet besteed worden aan:

    • de reiskosten van de zorg- of hulpverlener;

    • een feestdagenuitkering;

    • een vrijwilligersvergoeding.

Q.

 

In artikel 4.4.7 komt het derde lid te luiden: “De gemeente verstrekt het pgb via de SVB, met uitzondering van een incidenteel pgb. De zorgverlener kan de kosten declareren bij de SVB, nadat deze zijn goedgekeurd door de pgb-beheerder.”

 

R.

 

Artikel 4.4.8 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1.

    In het tweede lid, onderdeel a, wordt “leverancier” vervangen door “ondersteuningsverlener”.

  • 2.

    Er wordt een lid toegevoegd, dat luidt:

    • 4.

      Als het zorgplan niet de in lid 2 genoemde punten bevat of uit evaluatiemomenten blijkt dat met de geleverde ondersteuning het resultaat niet behaald kan worden, kan de gemeente het recht op pgb herzien dan wel intrekken. Indien de inwoner dat wenst, kan de gemeente de ondersteuning ook laten voortzetten via zorg in natura.

S.

 

In artikel 4.4.9, eerste lid, onderdeel a, vervalt “en een eventueel zorgplan”. Na “een recente VOG” wordt toegevoegd “(niet ouder dan 3 maanden)”.

 

T.

 

In artikel 4.4.10, tweede lid, vervalt “of tweede”.

 

U.

 

In artikel 4.6.1 vervalt het derde lid.

 

V.

 

In artikel 4.6.2, tweede lid, wordt “bij nader regeling regels stellen over” vervangen door “in de beleidsregels bepalen”.

 

W.

 

In artikel 5.1.2, derde lid, wordt “leverancier” vervangen door “hulpverlener”.

 

X.

 

Artikel 5.1.4, vierde lid komt te luiden: “Als de inwoner of zijn ouders na een verwijzing door huisarts, medisch specialist of jeugdarts kiezen voor een aanbieder van jeugdhulp die geen contract of subsidie-relatie met de gemeente heeft en de gemeente soortgelijke jeugdhulp wel kan laten leveren door een jeugdhulpaanbieder waarmee de gemeente een contract of subsidierelatie heeft, geeft de gemeente geen toewijzing voor deze aanbieder af. De inwoner kan wel een Pgb aanvragen om de zorg op die manier te vergoeden.”

 

Y.

 

In artikel 5.2.2, eerste lid, wordt na “een recente VOG” toegevoegd “(niet ouder dan 3 maanden)”.

 

Z.

 

Artikel 5.3.1 komt te luiden:

 

Artikel 5.3.1 Vormen van jeugdhulp

  • 1.

    De volgende vrij toegankelijke voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar:

    • a.

      preventieve diensten ten behoeve van opgroeien en opvoeden, zoals:

      • 1)

        informatie, advies en training

      • 2)

        jeugdgezondheidszorg

      • 3)

        opvoedondersteuning

    • b.

      lichte ambulante jeugd- en opvoedhulp

  • 2.

    De volgende individuele voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar:

    • a.

      GGZ Basis

    • b.

      Diagnose en behandeling ernstige dyslexie

    • c.

      Begeleiding Ambulant

    • d.

      Behandeling Groep

    • e.

      Behandeling Individueel

    • f.

      Dagbesteding

    • g.

      Medicatie controle

    • h.

      Onderwijszorgarrangement

    • i.

      Jeugdhulpvervoer

    • j.

      Kortdurend Verblijf

    • k.

      Pleegzorg

    • l.

      Langdurig verblijf

    • m.

      Opname (met behandeling)

    • n.

      Gedwongen opname (met behandeling)

    • o.

      Jeugdzorgplus (gesloten jeugdhulp)

    • p.

      Crisishulp

  • 3.

    De gemeente verschaft informatie over jeugdhulp en het aanbod via de website van gemeente Lansingerland.

AA.

 

Artikel 5.3.3 komt te luiden:

 

Artikel 5.3.3 Uitgangspunten individuele voorzieningen

  • 1.

    De gemeente verleent een individuele voorziening gericht op één of meerdere van de volgende resultaatgebieden:

    • a.

      ondersteunen van het sociaal en persoonlijk functioneren;

    • b.

      herstel, vermindering, stabilisatie stoornis bij de inwoner;

    • c.

      opvoeding, versterken mogelijkheden ouders.

  • 2.

    De gemeente zet de volgende vormen van ondersteuning in wanneer deze aanvullend nodig zijn om de in het eerste lid genoemde resultaten te bereiken:

    • a.

      vervangende opvoeding;

    • b.

      dagbehandeling of dagbesteding;

  • 3.

    De voorzieningen die worden verstrekt dienen veilig te zijn voor de inwoner en zijn omgeving en mogen de gezonde ontwikkeling niet belemmeren. Zij zijn afgestemd op de individuele, reële behoefte van de inwoner en de eventuele andere voorzieningen waarover de inwoner beschikt of kan beschikken.

  • 4.

    De voorziening wordt verstrekt voor de periode die nodig is om het afgesproken resultaat te bereiken en voor zolang de inwoner valt onder de doelgroep van de Jeugdwet.

  • 5.

    Na afloop van de indicatie kan voor de hulpvormen uit artikel 5.3.1, tweede lid, onder c, d en e waar het lokaal ingekochte jeugdhulp betreft een waakvlamconstructie worden ingezet zodat de jeugdige en/of het gezinssysteem kortdurend nog een beroep kan doen op eerder geboden hulpverlening ter borging van het aangeleerde. Een waakvlamconstructie bestaat uit een maximale inzet van 12 uur gedurende 1 jaar.

BB.

 

Artikel 5.3.8 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1.

    In het opschrift van het artikel vervalt “het ondersteuningselement”.

  • 2.

    In onderdeel c wordt de puntkomma vervangen door een punt. Aan het einde vervalt “en/of”.

  • 3.

    Onderdeel d vervalt.

CC.

 

In het opschrift van artikel 5.3.9 vervalt “het ondersteuningselement”.

 

DD.

 

Artikel 5.3.11 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1.

    Het eerste lid, onder a, komt te luiden: “De dierentherapie wordt uitgevoerd als onderdeel van een concreet hulpverleningstraject met afgesproken resultaten; en”.

  • 2.

    In onderdeel c wordt de puntkomma vervangen door een punt. Aan het eind vervalt “en”.

  • 3.

    Onderdeel de vervalt.

  • 4.

    In het tweede lid wordt na “dierentherapie” toegevoegd “maximaal”.

EE.

 

Na artikel 5.3.15 wordt een artikel toegevoegd, dat luidt:

 

Artikel 5.3.16 Vervoer

  • 1.

    De ouder(s) van de jeugdige zijn in beginsel zelf verantwoordelijk voor het (regelen van) vervoer van de jeugdige naar en van de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden. Dit kan met de fiets, het openbaar vervoer, de auto of een ander voertuig.

  • 2.

    Van de ouder(s) wordt verwacht dat zij hiervoor hun werktijden of andere zaken rondom het gezinssysteem aanpassen. Bij de beoordeling van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s), neemt de gemeente de draagkracht en belastbaarheid van de ouder(s) in overweging mee. Daarnaast kijkt de gemeente naar de mogelijkheden en bereidheid van personen uit het sociaal netwerk om de jeugdige te vervoeren of te begeleiden.

  • 3.

    De gemeente kan een vervoersvoorziening alleen onder de volgende voorwaarden verstrekken:

    • a.

      de jeugdige heeft een indicatie voor jeugdhulp voor minimaal twee contactmomenten per week voor een periode van minimaal een maand; en

    • b.

      de afstand tot de locatie waar jeugdhulp wordt geboden is groter dan 6 km vanaf het woonadres waarop de jeugdige in de Basisregistratie Personen (BRP) staat ingeschreven; en

    • c.

      het vervoer vindt alleen plaats tussen het woonadres waarop de jeugdige in het BRP staat ingeschreven of de locatie waar de jeugdige onderwijs geniet en de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden; en

    • d.

      er bestaat geen recht op leerlingenvervoer (voorliggende voorziening) voor (een deel van) het vervoer naar de locatie waar jeugdhulp wordt geboden;

    • e.

      de jeugdige komt in aanmerking voor groepsvervoer als hij voldoet aan de voorwaarden onder a tot en met d en niet kan reizen met het openbaar vervoer, fiets of scooter, ook niet onder begeleiding van een volwassene en de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van zijn ouder(s) ontoereikend zijn om zelf voor het vervoer te zorgen of te laten zorgen.

  • 4.

    De gemeente verstrekt het vervoer in de vorm van:

    • a.

      een vergoeding voor het openbaar vervoer naar of van de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden, mits er openbaar vervoer beschikbaar is en de reistijd niet langer is dan 45 minuten enkele reis;

    • b.

      een vergoeding voor eigen (gemotoriseerd) vervoer door een ouder of vrijwilliger naar of van de locatie waar jeugdhulp wordt geboden;

    • c.

      aangepast (groeps)vervoer dat in natura wordt geboden.

  • Een combinatie van de vormen onder a, b en c behoort tot de mogelijkheden, mits de ouder(s) onderbouwen waarom hiervoor wordt gekozen.

  • 5.

    De hoogte van de vergoeding is:

    • a.

      voor het openbaar vervoer als bedoeld in het vorige lid, onder a: gelijk aan de werkelijke kosten van openbaar vervoer per maand. In overleg met de gemeente wordt binnen de mogelijkheden van de jeugdige de optimale route bepaald en vervolgens de minimale kosten voor deze route;

    • b.

      voor eigen (gemotoriseerd) vervoer als bedoeld in het vorige lid, onder b: het bedrag per kilometer dat gelijk is gesteld aan de door de rijksoverheid vastgestelde onbelaste reiskostenvergoeding (op grond van de kortste route volgens de ANWB-routeplanner).

FF.

 

Artikel 5.4.1, eerste lid, komt te luiden: “Om in aanmerking te kunnen komen voor een pgb als financieringsvorm dient de inwoner of zijn ouders bij de aanvraag om een jeugdhulpvoorziening tevens een pgb plan (als bedoeld in artikel 5.4.2) en een recente VOG (niet ouder dan 3 maanden) van de directe hulpverlener(s), in te dienen.”

 

GG.

 

Artikel 5.4.2 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1.

    In het tweede lid, onder e, wordt “leverancier” vervangen door “aanbieder”.

  • 2.

    In het derde lid, onder a en b, wordt “leverancier” vervangen door “aanbieder”.

HH.

 

Artikel 5.4.3 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1.

    In het eerste lid, onder a, wordt “aan de hulpverlener/leverancier” vervangen door “van de hulpverlener/aanbieder”.

  • 2.

    In onderdeel f, einde van de zin, wordt de punt vervangen door een puntkomma.

  • 3.

    Er wordt een onderdeel toegevoegd, dat luidt:

    • g.

      Niet dezelfde persoon mag zijn als de beoogde hulpverlener.

  • 4.

    In het tweede lid, onder a, wordt na “Een recente VOG” toegevoegd “(niet ouder dan 3 maanden)”.

  • 5.

    Onderdeel d kom te luiden: “Niet dezelfde persoon te zijn als de beoogde hulpverlener en geen nauwe band hebben met de formele beoogd hulpverlener waardoor er een belangenconflict zou kunnen optreden.”

II.

 

Artikel 5.4.5 komt te luiden:

 

Artikel 5.4.5 Niet in het tarief

  • 1.

    Het pgb is uitsluitend bedoeld voor de inkoop van jeugdhulp. De gemeente verstrekt geen Pgb voor bemiddelings- of administratiekosten of een combinatie hiervan, in verband met de aanvraag of uitvoering van het Pgb, of een combinatie hiervan, al dan niet in combinatie met de kosten van de Pgb-beheerder.

  • 2.

    Het Pgb bevat geen vrij besteedbaar deel en mag dan ook niet worden besteed aan:

    • Reiskosten van zowel zorgverlener als jeugdige of ouder

    • Feestdagenuitkeringen

    • Een vrij besteedbaar bedrag/vrijwilligersvergoeding.

JJ.

 

Aan artikel 5.4.6 wordt een lid toegevoegd, dat luidt:

  • 3.

    Het recht op pgb eindigt wanneer:

    • De budgethouder verhuist naar een andere gemeente.

    • De budgethouder overlijdt.

    • Als de indicatieperiode of geldigheidsduur is verstreken.

    • Als de budgethouder aangeeft dat zijn situatie is veranderd en (de gemeente) vaststelt dat de voorziening niet meer voldoet.

    • De budgethouder geen verantwoording aflegt.

    • De budgethouder zijn pgb laat omzetten in Zorg in Natura.

KK.

 

Artikel 5.4.7 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1.

    In het eerste lid, eerste zin, wordt “ondersteuningsverlener” vervangen door “hulpverlener”.

  • 2.

    In het derde lid, wordt “ondersteuningsverlener” vervangen door “hulpverlener”.

  • 3.

    Er wordt een lid toegevoegd, dat luidt:

    • 4.

      De gemeente kan de toekenning van het pgb herzien dan wel intrekken, wanneer het zorgplan niet binnen drie maanden is ingediend of het niet de punten als bedoeld in het tweede lid bevat.

LL.

 

Artikel 5.4.8, eerste lid, onderdeel a komt te luiden: “De hulp die de inwoner of zijn ouders met het Pgb wenst in te kopen naar het oordeel van de gemeente niet van voldoende kwaliteit is en dus niet veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht is. Daarnaast dient de uitvoerder van de hulp te beschikken over een recente VOG en om in aanmerking te komen voor het professionele tarief ook over een recente VOG (niet ouder dan 3 maanden) en om in aanmerking te komen voor het professionele tarief ook over een adequate zorgopleiding en een SKJ of BIG registratie;”

 

MM.

 

In artikel 5.4.9, tweede lid, vervalt “of tweede”.

 

NN.

 

Artikel 6.1.1 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1.

    In onderdeel b vervalt “half”.

  • 2.

    In onderdeel c vervalt “half”.

OO.

 

In artikel 6.2.2. wordt “sociale activering” telkens vervangen door “maatschappelijke participatie”.

 

PP.

 

In artikel 6.2.10 worden twee leden toegevoegd, die luiden:

  • 3.

    De tegemoetkoming, als bedoeld in het eerste lid, kan bestaan uit een incidentele vergoeding of een periodieke vergoeding.

  • 4.

    De periodieke vergoeding kan voor de duur van maximaal zes maanden worden verstrekt. Indien dit naar het oordeel van de gemeente nodig is, kan deze periode worden verlengd.

QQ.

 

Paragraaf 7.2 met bijbehorende artikelen vervalt en komt te luiden “Vervallen”.

ARTIKEL II  

Onderdeel L treedt met terugwerkende kracht per 1 maart 2025 in werking.

ARTIKEL III  

Alle overige onderdelen treden per 1 januari 2026 in werking.

Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van 27 november 2025.

de griffier,

Eveline Hamelink-van Rens

de voorzitter,

Jules Bijl

Toelichting Verordening Sociaal Domein 2023 gemeente Lansingerland

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

 

Paragraaf 1.1. Definities

 

Artikel 1.1.1 Begrippen wetgever

Om verwarring te voorkomen wordt in deze verordening in beginsel dezelfde betekenis aan begrippen toegekend als in de Algemene wet bestuursrecht, de Gemeentewet, de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, de Jeugdwet, de Participatiewet, de IOAW, de IOAZ en de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening. Omdat deze verordening regels stelt voor het gehele sociale domein en de wetgever niet in alle wetten dezelfde uniforme begrippen hanteert laat deze bepaling wel een afwijking van deze hoofdregel toe; waar dat blijkt uit deze verordening.

 

Artikel 1.1.2 Begrippen verordening

Dit artikel spreekt voor zich.

 

Paragraaf 1.2 Toepassingsbereik

 

Artikel 1.2.1 Sociaal Domein

Dit artikel spreekt voor zich.

 

Artikel 1.2.2 Beschermd wonen en maatschappelijke opvang

De maatwerkvoorzieningen beschermd wonen en maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 worden verstrekt door de gemeente Rotterdam. Onder de Wmo 2007 betrof dit een door de gemeente Rotterdam uitgevoerde centrumtaak. In regioverband zijn afspraken gemaakt op grond waarvan deze taken ook onder de Wmo 2015 worden uitgevoerd door de gemeente Rotterdam. Dit past binnen de in artikel 2.6.1, eerste lid van de Wmo 2015 gegeven opdracht om samen te werken als dat voor een doeltreffende en doelmatige uitvoering van de Wmo 2015 aangewezen is. Met het oog op de uitvoerbaarheid en rechtseenheid in de regio wordt dit uitgevoerd conform de door de gemeenteraad van Rotterdam vastgestelde verordening. Dit artikel vormt hiervoor de juridische basis.

 

Artikel 1.2.3 Strijd met de wet

Dit artikel spreekt voor zich.

 

Artikel 1.2.4 Klachtenreglement

Dit artikel spreekt voor zich.

 

Hoofdstuk 2. Toegang

 

De verschillende domeinwetten (Wmo 2015, Jw, Pw, IOAW, IOAZ en Wgs) binnen het sociaal domein waar deze verordening op toeziet kennen verschillende procedures voor het krijgen van toegang tot onder-steuning voor inwoners met een ondersteuningsvraag. Uitgangspunt van de decentralisaties is echter dat gemeenten ondersteuningsvragen integraal en in samenhang bekijken. Dit levert een (juridisch) spannings-veld op. Met dit toegangshoofdstuk wordt zo goed mogelijk invulling gegeven aan de integrale toegang vanuit de gemeentelijke visie zonder in conflict te komen met hogere wetgeving.

 

Paragraaf 2.1 Melding

 

Artikel 2.1.1 Verzoek tot ondersteuning

Het uitgangspunt van de toegang is dat alle inwoners met een ondersteuningsvraag zich rechtstreeks melden bij de gemeente/een aanvraag doen bij de gemeente. Omdat een melding/aanvraag voor een algemene (bijstands)uitkering in het kader van de Pw, de IOAW en IOAZ normaalgesproken eerst via het Uitvoerings-instituut werknemersverzekeringen (UWV) loopt, zijn hierover door de gemeente afwijkende afspraken gemaakt met het UWV (artikel 30c, lid 6 SUWI).

 

Het eerste contact kan per post, via internet, door te bellen of aan een loket plaatsvinden. Het verzoek kan door of namens de inwoner worden gedaan. Dit betekent dat ook iemand uit de omgeving van de inwoner als vertegenwoordiger kan optreden als daar gelet op de ondersteuningsvraag geen bezwaren tegen bestaan. Deze derde moet wel bevoegd zijn om de inwoner te vertegenwoordigen. Die vertegen-woordigingsbevoegdheid kan voortvloeien uit de wet (bijvoorbeeld een bewindvoerder) of blijken uit een door de inwoner ondertekende schriftelijke machtiging. Als de vertegenwoordigingsbevoegdheid ontbreekt dan kan de melding wel aanleiding geven om contact te zoeken met een inwoner.

 

De gemeente heeft met een aantal lokale organisaties afspraken gemaakt over de toegang. Op dit moment zijn dat Stichting Welzijn Lansingerland, Kwadraad en het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG). De actuele toegangspartijen zijn te vinden op de website van de gemeente. Zij mogen namens de gemeente het eerste onderzoek verrichten in het kader van de Wmo 2015 (Stichting Welzijn Lansingerland en Kwadraad) en de Jw (CJG). Zij werken hierbij op dezelfde manier als de gemeente, maar de toegang via deze partijen wordt door inwoners vaak als laagdrempeliger ervaren. Mocht het onderzoek van één van deze toegangspartijen tot een aanvraag leiden dan besluit de gemeente hier wel zelf over en maakt zij hierbij gebruik van de onderzoeksresultaten van de aangewezen toegangspartij.

 

Voor het afgeven van een indicatie voor jeugdhulp is in de Jw geregeld dat dit niet uitsluitend een bevoegd-heid van de gemeente betreft. Uit artikel 2.6, lid 1, aanhef en onder e Jw volgt dat jeugdhulp ook toegankelijk is na verwijzing door de huisarts, de medisch specialist en de jeugdarts. Uit artikel 3.5, lid 1 Jw volgt dat de gecertificeerde instelling bepaalt of en, zo ja, welke jeugdhulp is aangewezen bij de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering. Zij overlegt hiertoe met het college van de gemeente waar de jeugdige zijn woonplaats heeft. De gemeente kan dit niet afwijkend regelen en daarom zijn deze uitzonderingen ook hier vermeld.

 

Artikel 2.1.2 Bevestiging en afspraak

Uit het eerste contact met een inwoner moet blijken of er sprake is van een informatieve vraag of dat een onderzoek nodig is om de ondersteuningsvraag helder te krijgen. In dat laatste geval bevestigt de gemeente of de toegangspartij de ontvangst van de melding schriftelijk, zodat de inwoner weet dat zijn onder-steuningsvraag is ontvangen en in behandeling is genomen. Vervolgens wordt er door de gemeente of de toegangspartij een afspraak gemaakt voor een gesprek.

 

De gemeente, of de toegangspartij namens de gemeente, is verplicht om de inwoner te wijzen op de mogelijkheden om gebruik te maken van gratis onafhankelijke cliëntondersteuning (artikel 2.3.3, lid 3 Wmo 2015) en het indienen van een persoonlijk plan (artikel 2.3.2, lid 2 Wmo 2015) of een familiegroep-splan (artikel 4.1.2 Jw). Op dit moment wordt de onafhankelijke cliëntondersteuning verzorgt door Stichting MEE, maar als dit een andere organisatie wordt dan is dit terug te vinden op de website van de gemeente. Een inwoner kan uiteraard ook zelf iemand meenemen naar het gesprek die hem goed kan ondersteunen. Dit kan bijvoorbeeld een vriend of familielid zijn die zelf geen eigen belang heeft bij de uitkomst van het gesprek (een gewaarborgde derde). Een (beoogd) zorgverlener kan deze rol vanwege zijn eigen (financiële) belang bijvoorbeeld niet vervullen.

 

Paragraaf 2.2 Onderzoek

 

Artikel 2.2.1 Voorbereiding

Voor een zorgvuldige dossiervorming maakt de gemeente of de toegangspartij een dossier aan in het eigen systeem. Op die manier kan informatie, mocht dat nodig zijn, altijd teruggevonden worden. Voor een goed, inhoudelijk gesprek is het belangrijk dat de inwoner ook alvast zoveel mogelijk noodzakelijke en relevante informatie aanlevert.

 

Een van de leidende principes van de gemeentelijke visie is dat de gemeente uitgaat van de inzet van de eigen kracht van inwoners. Hierbij past om ook al in een vroeg stadium te vragen aan de inwoner wat hij zelf al heeft geprobeerd. Dit stimuleert de inwoner om zelf na te denken over mogelijke oplossingen die hij zelf kan realiseren zonder een beroep te hoeven doen op de gemeente. Hiermee wordt ook voorkomen dat in het gesprek mogelijke oplossingen naar voren worden gebracht die voor de inwoner niet bleken te werken.

 

Afhankelijk van de melding kan de gemeente of de toegangspartij vragen om alvast bepaalde stukken toe te sturen. Op basis van de informatie uit deze stukken kan het gesprek alvast worden voorbereid, waar-door er tijdens het gesprek gerichtere vragen kunnen worden gesteld. Uiteraard biedt de gemeente of de toegangs-partij een redelijke termijn waarbinnen deze gegevens kunnen worden aangeleverd. Deze termijn is afhankelijk van de gegevens die gevraagd worden.

 

De gemeente heeft, anders dan de toegangspartijen, de wettelijke bevoegdheid om gebruik te maken van bepaalde informatiesystemen om gegevens over de inwoner te verkrijgen. Deze bevoegdheden zijn afhankelijk van de ondersteuningsvraag die de inwoner bij de melding heeft doorgegeven. Op basis van deze informatie kunnen tijdens het gesprek gerichtere vragen worden gesteld en kan sneller worden door-gedrongen tot de kern van de hulpvraag.

 

Artikel 2.2.2 Inlichtingenplicht

De gemeente of de toegangspartij moet de identiteit van de inwoner met een ondersteuningsvraag zorgvuldig vast kunnen stellen. In dit artikel is dan ook een identificatieplicht opgenomen. Het vaststellen van de identiteit van de inwoner gebeurt door middel van het overleggen van een geldig identiteitsbewijs door de inwoner. Volgens de Wmo 2015 moet het gaan om een document als bedoeld in artikel 1, eerste lid van de Wet op de identificatieplicht (artikel 2.3.4, lid 1 Wmo 2015). De Jw stelt geen eisen aan de identificatie, maar spreekt slecht van identificerende gegevens (artikel 10.4, lid 3 Jw), zodat een document als bedoeld in artikel 1, eerste lid van de Wet op de identificatieplicht eveneens toereikend is. De Pw, IOAW, IOAZ en Wgs vereisen een document als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1º tot en met 3º, van de Wet op de identificatieplicht (artikel 17, lid 3 Pw, artikel 13, lid 3 IOAW, artikel 13, lid 3 IOAZ en artikel 7, lid 1 Wgs).

 

Om de ondersteuningsvraag van de inwoner te kunnen onderzoeken is het noodzakelijk dat de inwoner of zijn vertegenwoordiger de gemeente of de toegangspartij alle relevante informatie verstrekt die nodig is voor een zorgvuldig besluit. Deze inlichtingen- en medewerkingsplicht is ook terug te vinden in verschil-lende domeinwetten en de Algemene wet bestuursrecht (artikel 2.3.2, lid 7 Wmo 2015, artikel 17, lid 1 Pw, artikel 13, lid 1 IOAW en artikel 6 Wgs en artikel 4:2, lid 2 Awb).

 

Artikel 2.2.3 Onderzoek feiten en af te wegen belangen

In dit artikel is bepaald hoe het onderzoek is opgebouwd en wat daarbij van de gemeente of de toegangs-partij en van de inwoner gevraagd wordt. Tijdens het gesprek wordt zorgvuldig onderzoek gedaan naar de situatie van de inwoner. Het gesprek kan ook meerdere gesprekken omvatten en vindt afhankelijk van de situatie telefonisch, op kantoor of bij de inwoner thuis plaats. Een eerste gesprek zal, in verband met de identificatieplicht (artikel 2.2.2), altijd in persoon plaats moeten vinden. Complexe situaties zijn vaak niet in één gesprek te doorgronden. Die situaties vragen om een dieper onderzoek naar ‘de vraag achter de vraag’. Soms is er ook aanvullend onderzoek nodig voordat het gesprek kan worden voortgezet.

 

De gemeente of de toegangspartij voert haar gesprek op basis van de leefdomeinen uit de landelijke zelfredzaamheidmatrix. Zij maakt hierbij gebruik van de kennis en ervaring dat een ondersteuningsvraag op één domein vaak samenhangt met een ondersteuningsvraag op een ander domein en dat een duurzame oplossing alleen mogelijk is met een integrale benadering. Dit is ook in jurisprudentie op het gebied van re-integratie erkend (CRvB 28 augustus 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2660). De gemeente of de toegangspartij onderzoekt tijdens het gesprek alle voor het nemen van een besluit over de ondersteuningsvraag van belang zijnde feiten en omstandigheden en af te wegen belangen. De gemeente of de toegangspartij volgt hierbij de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep met betrekking tot een zorgvuldig onderzoek (CRvB 1 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1477; en CRvB 21 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:819).

 

In het gesprek is ook specifieke aandacht voor de mantelzorger(s). Dit past binnen de gemeentelijke visie waarin de mantelzorger een belangrijke plaats inneemt.

 

Indien de inwoner of het gezin waartoe de inwoner behoort zelf een persoonlijk plan of familiegroepsplan heeft opgesteld dan wordt dit uiteraard betrokken bij het gesprek. Dit volgt ook uit de Wmo (artikel 2.3.2, lid 5 Wmo 2015). Het feit dat de inwoner zelf een plan heeft betekent echter niet dat de gemeente of de toegangspartij geen onderzoek meer hoeft te doen naar de situatie van de inwoner. De gemeente of de toegangspartij kan op basis van het onderzoek ook tot andere mogelijke oplossingen komen.

 

Op het moment dat het nodig is om specifieke deskundigheid in te schakelen om een goed zicht te krijgen op de ondersteuningsvraag van de inwoner dan schakelt de gemeente een deskundige/adviseur in. Meestal is dit een arts, maar het is ook mogelijk dat er bijvoorbeeld een ergotherapeut of een andere deskundige wordt ingezet. In complexe situaties kan er ook een team van deskundigen worden ingezet. De inwoner wordt hierover schriftelijk geïnformeerd door de gemeente.

 

De Jeugdwet schept een jeugdhulpplicht voor gemeenten, maar die geldt alleen als de jeugdige en zijn ouders er zelf niet uitkomen. De jeugdhulp is bedoeld om de eigen kracht van de jeugdige en zijn ouders te versterken en om het gezin en andere mensen die dichtbij de jeugdige staan te leren om de jeugdige (nog) beter te helpen en te verzorgen, zodat de jeugdige gezond en veilig op kan groeien en zo goed mogelijk mee kan doen in de maatschappij. In het tweede lid, onder b, onder 4 , blijkt het onderzoek naar de eigen kracht van de ouders en jeugdige. Zo kijkt de gemeente of de eigen kracht toereikend is. Zo niet, dan kijkt de gemeente of het sociaal netwerk de ondersteuning/hulp kan bieden of een overige of individuele voorziening ingezet kan worden. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van eigen kracht, kijkt de gemeente naar belemmerende factoren zoals beperkte taalvaardigheid, armoede of psychische problematiek.

 

Artikel 2.2.4 Informatieverstrekking

Op grond van artikel 2.3.2, lid 6 Wmo 2015 moet de gemeente de inwoner wijzen op de mogelijkheid om te kiezen voor een persoonsgeboden budget. Ook in het kader van de Jw is dit zorgvuldig. De inwoner mag van de gemeente of de toegangspartij verwachten dat hij goed wordt geïnformeerd over deze mogelijk-heid, zodat hij een weloverwogen keuze kan maken bij een eventuele aanvraag.

 

De bijdrage in de kosten maakt deel uit van het onderzoek in het kader van de Wmo 2015 (artikel 2.3.2, lid 4 aanhef en onder g Wmo 2015). Om de inwoner in de gelegenheid te stellen een goede keuze te maken en te voorkomen dat hij achteraf verrast wordt door een opgelegde bijdrage in de kosten is het belangrijk de inwoner hier tijdig over te informeren.

 

Artikel 2.2.5 Het ondersteuningsplan

Het zorgen voor een goede verslaglegging van het gesprek en het vastleggen van de resultaten van het onderzoek vormt de kern van een zorgvuldig opgebouwd dossier en daarmee een zorgvuldige procedure. De invulling van het verslag is door de wetgever vrij gelaten. In Lansingerland is gekozen voor een onder-steuningsplan dat is gebaseerd op de leefdomeinen uit de landelijke zelfredzaamheidmatrix. Het onder-steuningsplan kan gezien worden als een verslag omdat hierin een inventarisatie van alle knelpunten, gewenste resultaten en oplossingen is opgenomen. Het betreft een zakelijke weergave van wat de inwoner heeft verteld en wat uit het eventuele aanvullende onderzoek is gebleken. Het geeft een goed en logisch opgebouwd beeld van de belemmeringen/beperkingen die de inwoner ervaart in zijn dagelijks leven en de mogelijke oplossingen. Het ondersteuningsplan is een integraal plan waarin rekening gehouden wordt met het totale pakket aan voorzieningen.

 

Het is belangrijk dat in het ondersteuningsplan geen zaken worden weggelaten. De gemeente moet zich namelijk achteraf over het onderzoek kunnen verantwoorden bij de rechter. Dan moet aangetoond worden dat alle relevante aspecten zijn onderzocht en meegewogen. In het ondersteuningsplan kunnen dus geen zaken worden weggelaten omdat deze naar de inschatting van de gemeente of de toegangspartij niet van belang zijn voor de ondersteuningsvraag terwijl de inwoner deze wel bewust heeft aangedragen. Om als basis te kunnen dienen voor de inzet of afwijzing van een individuele voorziening moet er sprake zijn van een begrijpelijk geheel. In sommige gevallen kan er ook voor gekozen worden om aanvullend een los en uitvoeriger gespreksverslag op te stellen.

 

Binnen het ondersteuningsplan is er ruimte voor de inwoner om ook op een later moment in het onderzoek zijn eigen inbreng (aanvullend) naar voren te brengen. Het ondersteuningsplan biedt hierdoor een goede basis voor besluitvorming en voldoet hiermee aan de uitgangspunten van het plegen van wederhoor.

 

Artikel 2.2.6 Gegevensdeling

De gemeente gaat zorgvuldig om met de gegevens van de inwoner die zij in het kader van het onderzoek ontvangt. Hierbij worden de regels die betrekking hebben op de bescherming van de persoonlijke levens-sfeer van de inwoner (Algemene Verordening Gegevensbescherming) gerespecteerd. De verzameling en de eventueel noodzakelijke uitwisseling van gegevens vindt plaats op basis van de uitgangspunten van de Visie gegevensdeling domein samenleving (T19.10353). De toegangsmedewerker bepaalt of het uitvragen, uitwisselen en vastleggen (verwerken) van gegevens doelmatig is, in proportie is en of er een alternatief is. Er moet sprake zijn van een gerechtvaardigd (legitiem) doel en de verwerking moet voldoen aan de principes van “subsidiariteit” (minst ingrijpende maatregel), “proportionaliteit” (de maatregel is in verhouding tot het doel) en “doelmatigheid” (de maatregel is geschikt om het doel te bereiken). Indien mogelijk wordt hierbij zoveel mogelijk rekening gehouden met de mening van de inwoner over de (voorgenomen) verwerking van zijn gegevens.

Indien er tijdens het onderzoek kennis wordt genomen van (signalen van) een strafbaar feit/fraude dan wordt die informatie gedeeld met de relevante interne en/of externe instanties. De bevoegdheid om hiertoe over te gaan en aangifte te doen bij een opsporingsambtenaar vloeit voort uit artikel 161 Sv. Ambtenaren zijn op grond van artikel 162 Sv bovendien verplicht om aangifte te doen bij de officier van justitie of een hulpofficier als zij in de uitoefening van hun werkzaamheden kennis krijgen van een misdrijf. De Participatiewet bevat hiertoe ook nog een specifieke verplichting (artikel 66 Participatiewet).

 

Om een eventuele controle achteraf mogelijk te maken wordt door de toegangsmedewerker een intern rapport opgemaakt over de (voorgenomen) gegevensverwerking. Hierin legt de toegangsmedewerker zijn argumentatie vast.

 

Paragraaf 2.3 Aanvraag

 

Artikel 2.3.1 De aanvraag voor een individuele voorziening

Een aanvraag is nodig om een beschikking voor een individuele voorziening te verkrijgen. Een aanvraag moet de naam en het adres van de aanvrager, een dagtekening en een aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd bevatten (artikel 4:2, lid 1 Awb). Om aanvragen op een efficiënte manier af te kunnen handelen is het belangrijk dat de inwoner hiervoor gebruik maakt van een door de gemeente voor-geschreven en beschikbaar gesteld formulier (artikel 4:4 Awb). Op het moment dat de inwoner daar geen gebruik van heeft gemaakt dan krijgt de inwoner de kans om dit verzuim te herstellen (artikel 4:5 Awb).

 

Omdat in de verschillende domeinwetten verschillende voorwaarden zijn gesteld voor het doen van een aanvraag, bevat dit artikel ook een aantal uitzonderingen op de mogelijkheid om direct een aanvraag in te kunnen dienen. In de Wmo 2015 is geregeld dat gedurende de onderzoekstermijn van zes weken eerst het onderzoek moet worden afgewacht (artikel 2.3.2, lid 9). De Pw bevat voor jongeren een verplichte zoektermijn van 4 weken, waarbij alleen voor vreemdelingen een afwijkende regeling is opgenomen (artikel 41, lid 4 en 8 Pw). Met deze bepaling in de verordening wordt de begunstigende mogelijkheid aan jongeren geboden om in zeer bijzondere situaties, waarbij bijvoorbeeld sprake is van een dreigende uithuiszetting, toch al een aanvraag in te dienen voor een individuele voorziening op het gebied van inkomen op basis waarvan de gemeente een voorschot zou kunnen verstrekken (Kamerstukken II 2010-11, 32 815, nr. 7, p. 13 en 16).

 

In het artikel is er een mogelijkheid gecreëerd om een getekend ondersteuningsplan als aanvraag in behandeling te nemen. Dit voorkomt dat de inwoner, naast het indienen van het getekende onder-steuningsplan, ook nog een ingevuld en getekend aanvraagformulier in moet dienen. Als voorwaarde is wel opgenomen dat het gesprek niet langer dan drie maanden geleden heeft plaatsgevonden. Dit is om te voorkomen dat de gegevens te zeer verouderd zijn. Omdat het ondersteuningsplan niet alle informatie bevat die nodig is om een aanvraag voor individuele voorziening te beoordelen met betrekking tot werk, inkomen of schulden, is het volledig invullen van een voorgeschreven aanvraagformulier voor deze domeinen wel altijd vereist.

 

Conform artikel 4; artikel 4a Wgs is in dit artikel bepaald dat het, in afwijking van artikel 4:1 Awb en hetgeen hierover in de verordening is bepaald, ook mogelijk is om de aanvraag mondeling in te dienen tijdens het gesprek.

 

Artikel 2.3.2 De beoordeling van de aanvraag

Dit artikel regelt de zorgvuldige beoordeling van een aanvraag voor een individuele voorziening. Het artikel volgt het hiervoor in de jurisprudentie ontwikkelde stappenplan van de Centrale Raad van Beroep (CRvB 1 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1477; en CRvB 21 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:819). Indien het noodzakelijk is om een deskundige in te schakelen dan wordt de inwoner hierover schriftelijk geïnformeerd door de gemeente.

 

Paragraaf 2.4 besluit

 

Artikel 2.4.1 Beslistermijn

De regeling uit de Awb waarin is bepaald dat een beschikking dient te worden afgegeven binnen een redelijke termijn van maximaal acht weken na ontvangst van de aanvraag (artikel 4:13 Awb) is onverkort van toepassing op de Jw, Pw, IOAW, IOAZ en Wgs. In de Wgs is wel bepaald dat hierover nog een expliciete bepaling in de verordening opgenomen moet worden (artikel 4a, lid 3 Wgs), waaraan met dit artikel wordt voldaan. In de Wmo 2015 is een afwijkende termijn van maximaal twee weken geregeld (artikel 2.3.5, lid 2 Wmo 2015). Dit is echter gekoppeld aan een onderzoekstermijn van maximaal zes weken na de melding (artikel 2.3.2, lid 1 Wmo 2015), waardoor de totale termijn eveneens maximaal acht weken bedraagt.

 

Op grond van artikel 4:15 Awb kan de beslistermijn worden opgeschort indien voor de beoordeling van de aanvraag voor een individuele voorziening noodzakelijke gegevens ontbreken in afwachting van de toezending van die gegevens door de inwoner. Opschorting is ook mogelijk met instemming van de inwoner, indien de vertraging aan de inwoner te wijten is of in overmacht situaties.

 

Indien een beschikking niet binnen acht weken kan worden gegeven, dient het bestuursorgaan dit binnen deze termijn aan de aanvrager mede te delen en daarbij een redelijk termijn te noemen waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien (artikel 4:14, derde lid, van de Awb). Dit kan bijvoorbeeld in complexe situaties waarbij het voor een zorgvuldig onderzoek nodig is om meer tijd te nemen om tot een besluit te komen. Bijvoorbeeld als een advies van een deskundige van belang is om de meest passende ondersteuning te kunnen inzetten, maar dit advies niet zo snel kan worden gegeven.

 

Artikel 2.4.2 Motivering

De bekendmaking van het besluit door de gemeente vindt plaats door schriftelijke toezending daarvan (artikel 1:3, eerste lid; artikel 3:41 Awb). In dit besluit worden ook redenen van de gemeente voor het besluit genoemd (afdeling 3.7 Awb).

 

Artikel 2.4.3 Afwijking procedure

De termijnen genoemd in artikel 2.4.1 zijn maximumtermijnen. Indien nodig kan na het melden van een ondersteuningsvraag binnen enkele dagen een individuele voorziening worden verstrekt (spoedprocedure). Het onderzoek volgt dan achteraf. De tijd waarbinnen de voorziening daadwerkelijk wordt ingezet is mede afhankelijk van de beschikbaarheid van een aanbieder.

 

Jeugdhulp is ook toegankelijk na verwijzing door de huisarts, de medisch specialist en de jeugdarts (artikel 2.6, lid 1 aanhef en onder e Jw). Hetzelfde geldt voor de jeugdreclassering (artikel 2.4 Jw), waarbij de gecertificeerde instelling na overleg met de gemeente bepaalt of en, zo ja, welke jeugdhulp is aangewezen bij de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering (artikel 3.5, lid 1 Jw). In die gevallen geldt de in dit hoofdstuk genoemde toegangsprocedure niet en draagt de gemeente er zorg voor dat de extern afgegeven indicatie wordt verstrekt.

In situaties waarin de inwoner recent nog is gesproken en zijn situatie bij de gemeente bekend is, is het niet altijd nodig om een geheel nieuw onderzoek te starten conform dit hoofdstuk. In die situaties is het wel van belang om de inwoner te vragen of er nog iets in zijn situatie is gewijzigd, waardoor er misschien toch meer onderzoek nodig is. Als dit niet het geval is dan kan de aanvraag direct worden beoordeeld. Ook vanuit efficiëntie overwegingen kan de gemeente besluiten om in bepaalde (eenvoudige) aanvraagsituaties geen brede uitvraag te doen, maar direct tot het beoordelen van de aanvraag op basis van het ingediende aanvraagformulier en de daarbij gevoegde stukken over te gaan.

 

Hoofdstuk 3. Adviesraad Sociaal Domein

 

In dit hoofdstuk zijn bepalingen opgenomen over inspraak en medezeggenschap bij de gemeente over het gevoerde en te voeren beleid op het gebied van het gemeentelijke sociaal domein door inwoners. Hieronder vallen de beleidsterreinen behorende bij de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, Jeugdwet, Participatie-wet, IOAW, IOAZ en het leerlingenvervoer. Om de samenhang en de integraliteit binnen het sociaal domein ook in de inspraak en medezeggenschap te waarborgen, en omdat het niet mogelijk is alle inwoners persoonlijk bij het beleid te betrekken, wordt met dit hoofdstuk één adviesraad in het leven geroepen die zich buigt over alle beleidsterreinen binnen het sociaal domein.

 

Dit hoofdstuk betreft een uitwerking van de verordening plicht uit artikel 2.1.3, derde lid van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, artikel 2.10 van de Jeugdwet, artikel 47 van de Participatiewet, artikel 42 van de IOAW en artikel 42 van de IOAZ; in combinatie met artikel 150 van de Gemeentewet.

 

Paragraaf 3.1 Algemeen

 

Artikel 3.1.1 Adviesraad Sociaal Domein

Dit artikel spreekt voor zich.

 

Artikel 3.1.2 Taken

De taken van de adviesraad op het terrein van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, Jeugdwet, Participatiewet, IOAW en IOAZ vloeien voort uit deze wetten. Zij worden hier enkel uitgewerkt. Vanuit de integrale benadering van het sociaal domein is deze taakstelling uitgebreid naar overige wet- en regel-geving waarover het college een advies vraagt. Daarbij kan gedacht worden aan de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, maar ook aan bijvoorbeeld gemeentelijke minimaregelingen en het leerlingen-vervoer.

 

De adviesraad heeft een duidelijke adviserende taak met betrekking tot het gemeentelijke beleid en de gemeentelijke regelgeving. De adviesraad houdt zich niet bezig met individuele zaken van inwoners.

 

De adviesraad is zelf verantwoordelijk voor het regelen van haar eigen praktisch functioneren en om daarvoor regels op te stellen.

 

Paragraaf 3.2 Leden

 

Artikel 3.2.1 Samenstelling adviesraad

Om de actieve betrokkenheid van alle doelgroepen en hun vertegenwoordigers binnen het sociaal domein goed tot zijn recht te kunnen laten komen, is het van belang dat de adviesraad een goede afspiegeling is van de verschillende doelgroepen en/of hun vertegenwoordigers. Het gaat hierbij in elk geval om de doel-groepen genoemd in artikel 1.2.1 van de Wmo 2015, artikel 2.3, eerste lid van de Jeugdwet, artikel 7, eerst lid van de Participatiewet, artikel 2 van de IOAW en artikel 2 van de IOAZ. Zij weten door hun ervaring immers als geen andere welke drempels er zijn en hoe deze weggenomen kunnen worden. De inspraak is echter niet beperkt tot deze doelgroepen. De inspraak geldt voor alle inwoners. Iedereen kan immers op enig moment aangewezen raken op ondersteuning. Belangrijk is dat men zich betrokken voelt bij het sociaal domein en zich hiervoor in wil zetten.

Om de onafhankelijkheid van de adviesraad te waarborgen is het van belang dat de leden geen belangen van organisaties vertegenwoordigen in de adviesraad. Inwoners kunnen lid zijn van de adviesraad vanwege het feit dat zij deel uitmaken van één of meerdere doelgroepen, hier een nauwe verwantschap mee hebben of gewoon interesse hebben in het sociaal domein.

 

Artikel 3.2.2 Benoeming

De adviesraad is zelf verantwoordelijk voor het werven en selecteren van nieuwe leden. Deze worden vervolgens gemotiveerd voor benoeming voorgedragen aan de gemeente. De gemeente besluit over de benoeming en kan een voorgedragen lid gemotiveerd weigeren. De voorzitter wordt door de gemeente in de functie van voorzitter benoemd. De adviesraad is zelf verantwoordelijk voor het aanwijzen van een penningmeester en secretaris uit de door de gemeente in de adviesraad benoemde leden. Leden worden in principe voor een periode van vier jaar benoemd en kunnen slechts eenmaal herbenoemd worden.

 

Artikel 3.2.3 Aftreden

Dit artikel spreekt voor zich.

 

Paragraaf 3.3 Werkwijze

 

Artikel 3.3.1 Openbaarheid vergaderingen

Dit artikel spreekt voor zich.

 

Artikel 3.3.2 Advisering

Voor een effectieve advisering is het belangrijk dat de adviesraad tijdig bij beleidsontwikkelingen wordt betrokken en dat er een goede verhouding is tussen de adviesraad en het ambtelijk apparaat. Dit artikel bevat hiervoor de basis. Het artikel regelt ook de terugkoppeling vanuit de gemeente naar aanleiding van door de adviesraad uitgebrachte adviezen.

 

Artikel 3.3.3 Geheimhouding

In artikel 3.3.2 is het uitgangspunt geformuleerd dat de adviesraad tijdig bij beleidsontwikkelingen wordt betrokken. Dit vraagt dat er vertrouwelijk met informatie wordt omgegaan. Dit artikel regelt daarom de geheimhouding.

 

Artikel 3.3.4 Budget en faciliteiten

Voor een effectieve vervulling van de taken is het van belang dat de adviesraad wordt gefaciliteerd. Niet alleen voor vergaderruimte, maar ook voor kantoormiddelen en deskundigheidsbevordering. De gemeente zorgt voor een adequate ondersteuning. De adviesraad verantwoord de inzet van deze (financiële) ondersteuning in haar jaarverslag.

 

Artikel 3.3.5 Slotbepalingen

Dit artikel spreekt voor zich.

 

Hoofdstuk 4. Maatschappelijke ondersteuning

 

Paragraaf 4.1 Procedure

In hoofdstuk 2 is het toegangsproces voor het sociaal domein vastgelegd. In deze paragraaf wordt dan ook verwezen naar dit proces. Wel zijn er een aantal specifieke elementen van het toegangsproces die betrekking hebben op maatschappelijke ondersteuning die in deze paragraaf nader worden uitgewerkt.

 

Artikel 4.1.1 Melding

Dit artikel spreekt voor zich.

 

Artikel 4.1.2 Onderzoek

In aanvulling op de mogelijkheid om onderzoek te doen naar de inwoner wordt in dit artikel benoemd dat de gemeente ook onderzoek kan doen naar anderen als dat van belang is voor het beoordelen van de melding. Het gaat dan om het netwerk van de inwoner en specifiek om huisgenoten. Het niet meewerken aan dit onderzoek door huisgenoten heeft ook gevolgen voor de besluitvorming door de gemeente en daarom worden zij expliciet benoemd in dit artikel. Indien de inwoner een Pgb wenst dan is ook een onderzoek naar de beoogde zorgverlener/leverancier van de inwoner noodzakelijk om te waarborgen dat de ondersteuning veilig en cliëntgericht zal worden verstrekt. Indien het gewenste Pgb niet door de inwoner zelf, maar door een derde namens hem zal worden beheerd dan is ook een onderzoek naar deze beoogde beheerder aan de orde.

 

Artikel 4.1.3 Aanvraag

Dit artikel spreekt voor zich.

 

Artikel 4.1.4 Beschikking

In dit artikel worden een aantal specifieke punten benoemd die gelden voor het opstellen van een besluit/beschikking met betrekking tot maatschappelijke ondersteuning. Daarmee wordt nader invulling gegeven aan het algemeen geformuleerde artikel 2.4.2.

 

De inwoner moet op basis van de beschikking die hij ontvangt de informatie krijgen die nodig is om zijn rechtspositie te bepalen en te begrijpen. Hiervoor is nodig dat de beschikking de inwoner goed en volledig informeert. In dit artikel staat omschreven welke elementen in ieder geval in de beschikking moeten worden opgenomen, zowel als het om een maatwerkvoorziening in natura of in de vorm van een pgb gaat.

 

Artikel 4.1.5 Afwijking procedure

Dit artikel spreekt voor zich.

 

Paragraaf 4.2 Kwaliteit en veiligheid

Maatschappelijke ondersteuning is vaak bedoeld voor (zeer) kwetsbare inwoners. Ter bescherming van deze groep, maar ook om te voorkomen dat geld dat bedoeld is voor het effectief bieden van maatschap-pelijke ondersteuning wordt misbruikt voor andere doeleinden, is het van belang om heldere eisen met betrekking tot de kwaliteit en veiligheid van maatschappelijke ondersteuning te stellen. In deze paragraaf worden dan ook een aantal (basis)eisen verankerd.

 

Artikel 4.2.1 Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning

Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordening plicht uit artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de Wmo 2015, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroeps-krachten daaronder begrepen.

 

De regering legt de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van voorzieningen bij de gemeente en de aanbieder. Het is aan de gemeente om in de verordening te bepalen welke kwaliteitseisen worden gesteld aan aanbieders van voorzieningen. Die eisen zullen ook betrekking kunnen hebben op de deskundigheid van het in te schakelen personeel.

 

De regering benadrukt in de memorie van toelichting op artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de Wmo 2015 (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3) dat de kwaliteitseisen die zijn vervat in de artikelen 3.1 e.v. van de Wmo 2015 en die zich rechtstreeks tot aanbieders richten, daarbij het uitgangspunt zijn. De eis dat een voorziening van goede kwaliteit wordt verleend, biedt veel ruimte voor de gemeenten om in overleg met organisaties van inwoners en aanbieders te werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning.

 

In het eerste lid zijn een aantal voor de hand liggende kwaliteitseisen opgenomen. Deze kunnen op grond van het tweede lid verder worden uitgewerkt in beleid. Deze kwaliteitseisen beperken zich niet tot de door de gemeente zelf gecontracteerde aanbieders, maar gelden ook voor aanbieders die een inwoner vanuit een pgb in wil huren. Het is namelijk van groot belang dat alle ondersteuningsverleners die vanuit de Wmo 2015 ondersteuning verlenen voldoende zijn toegerust om die ondersteuning te bieden en dat dit blijkt uit objectieve (toetsbare) maatstaven.

 

Het derde lid benoemd het jaarlijkse cliëntervaringsonderzoek dat de gemeente op grond van artikel 2.5.1, eerste lid van de Wmo 2015 verplicht is uit te voeren. Ook worden de andere methoden genoemd waarmee de gemeente er op toeziet dat de maatschappelijke ondersteuning voldoet aan de gestelde kwaliteitseisen.

 

In het vierde lid wordt aanvullend verwezen naar de kwaliteitseisen van GGD Haaglanden voor de voor-zieningen begeleiding, dagbesteding en hulp bij het huishouden. Deze organisatie voert mede namens de gemeente Lansingerland toezicht uit op de mate waarin aanbieders voldoen aan de kwaliteitseisen. Vanuit het oogpunt van samenhang in de regio wordt er gekozen voor een verwijzing naar deze criteria. De criteria zijn terug te vinden via de website van de GGD-Haaglanden (https://www.ggdhaaglanden.nl/inspecties/toezicht-wmo.htm#:~:text=GGD%20Haaglanden%20houdt%20toezicht%20op,de%20basis%20van%20het%20toezicht).

 

Artikel 4.2.2 Veiligheidseisen maatschappelijke ondersteuning

Bij alle voorzieningen voor maatschappelijke ondersteuning is het belangrijk dat deze veilig en inwoner gericht worden verstrekt. Dit betekent dat ondersteuningsverleners, of zij nou professionals, vrijwilligers of vanuit een pgb gefinancierde informele ondersteuningsverleners zijn; moeten beschikken over de juiste deskundigheid en vaardigheden. Als dat aan de orde is; moeten zij uiteraard ook voldoen aan geldende wettelijke eisen.

 

Om een minimale basisveiligheid in te bouwen wordt van ondersteuningsverleners een VOG gevraagd. Ook wordt gekeken of de ondersteuningsverlener wel over de juiste opleidingspapieren beschikt die gelet op de beperkingen van de inwoner en de te verlenen ondersteuning nodig zijn. Welke papieren/diploma’s dit zijn zal per situatie verschillen en is daarom in dit artikel niet verder uitgewerkt. Wel is vastgelegd dat dit in beleid en contracten nader moet worden uitgewerkt. Voor professionals is een extra verzekeringseis opgenomen.

 

Bij ZIN-aanbieders wordt dit contractueel afgesproken en kan hier vanuit toezicht op gecontroleerd worden. Bij Pgb-aanbieders wordt dit gecontroleerd door de gemeente en vormt het een onderdeel van de screening van het Pgb-plan.

 

Artikel 4.2.3 Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden

De gemeente kan de uitvoering van de wet, met uitzondering van de vaststelling van de rechten en plichten van de inwoner, door aanbieders laten verrichten (artikel 2.6.4, eerste lid Wmo 2015). Om er voor te zorgen dat deze aanbieders een reële prijs betaald krijgen voor hun diensten, moeten er bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voor-ziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.6.6, eerste lid, van de wet). Daarbij dient in ieder geval rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de arbeidsvoorwaarden.

 

Om te voorkomen dat alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de uitvoering worden in dit artikel een aantal andere aspecten genoemd waarmee het college bij het vaststellen van tarieven (naast de prijs) rekening dient te houden. Hiermee wordt bereikt dat een beter beeld ontstaat van de reële kostprijs voor de activiteiten die de gemeente door aanbieders wil laten uitvoeren. Uitgangspunt is dat de aanbieder kundig personeel inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Hiervoor is ten minste een beeld nodig van de vereiste activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die daarbij horen. Dit biedt een waarborg voor werknemers dat hun werkzaamheden aansluiten bij de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden.

 

Artikel 4.2.4 Meldingsregeling calamiteiten en geweld

In artikel 3.4, eerste lid, van de Wmo 2015 is bepaald dat de aanbieder bij de door de gemeente aangewezen toezichthouder bedoeld in artikel 6.1 van de Wmo 2015 onverwijld melding doet van iedere calamiteit die bij de verstrekking van een voorziening heeft plaatsgevonden en van geweld bij de verstrekking van een voorziening. Onder ‘calamiteit’ wordt verstaan een niet-beoogde of onverwachte gebeurtenis, die betrekking heeft op de kwaliteit van een voorziening en die tot schadelijke gevolgen heeft geleid voor een inwoner. Onder ‘geweldsincident’ wordt verstaan seksueel binnendringen van het lichaam of ontucht en lichamelijk en geestelijk geweld.

 

In aanvulling op het bovenstaande regelt dit artikel dat er door de gemeente een regeling wordt opgesteld over het doen van meldingen en dat de toezichthouder deze meldingen onderzoekt en adviseert over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.

 

Het in dit artikel benoemde toezicht is door de gemeente regionaal geregeld via de GGD Haaglanden. Het staat los van het in hoofdstuk 8 geregelde rechtmatigheidstoezicht ter voorkoming van oneigenlijk gebruik en misbruik van voorzieningen, al zijn er uiteraard wel raakvlakken en wordt er onderling samengewerkt.

 

Paragraaf 4.3 Voorwaarden maatwerkvoorziening

 

Artikel 4.3.1 Beschikbare maatwerkvoorzieningen

De gemeente kan, afhankelijk van de ondersteuningsbehoefte(n) van de inwoner, verschillende maatwerk-voorzieningen verstrekken op grond van de Wmo 2015. In dit artikel is een globaal overzicht opgenomen van de verschillende (groepen van) maatwerkvoorzieningen die beschikbaar zijn. Hoewel de Wmo 2015 hier niet toe verplicht geeft de verordening hiermee wel een globaal beeld van de ondersteunings-mogelijkheden die de gemeente haar inwoners kan bieden. Hiermee wordt duidelijkheid geboden aan de inwoners.

 

Artikel 4.3.2 Uitgangspunten

In artikel 2.1.3 , tweede lid, sub a van de Wmo 2015 is bepaald dat de raad bij verordening moet aangeven op basis van welke criteria de gemeente vaststelt of een inwoner voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. In de memorie van toelichting op deze bepaling (TK 2013-2014, 33 841, nr. 3, blz. 134) wordt aangegeven dat het bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening op maatwerk aankomt. Gemeentelijke vrijheid is nodig omdat de behoeften van inwoners per gemeente kunnen verschillen en de sociale en fysieke infrastructuur per gemeente anders is. Ook het aanbod van algemene voorzieningen is niet in iedere gemeente gelijk. De gemeente moet aan de hand van geschikte en toepasbare criteria meer in detail en concreet nader afbakenen in welke gevallen iemand een maatwerkvoorziening kan krijgen. In dit artikel en het navolgende artikel 4.3.3 is deze verplichting uitgewerkt.

 

Lid 1: hierin is het algemene afwegingskader dat in de Wmo 2015 centraal staat nogmaals uiteengezet.

De nadruk ligt, nog meer dan onder de Wmo 2007, op de eigen kracht en hulp van anderen. De maatwerkvoorziening vormt slechts het sluitstuk van de maatschappelijke ondersteuning.

 

Lid 2: bepaalt dat de gemeente bij het kiezen van de voorziening kiest voor de goedkoopst passende voorziening. De voorziening die wordt verstrekt hoeft niet de goedkoopste voorziening te zijn. De gemeente onderzoekt in de eerste plaats welke voorzieningen het meest passend zijn en daarna welke het goedkoopst. Met nadruk wordt hierbij gesteld dat met het begrip passend bedoeld wordt: volgens objectieve maatstaven nog toereikend. Eigenschappen die kostenverhogend werken zonder dat zij de voorziening passender maken, komen in principe niet voor vergoeding in aanmerking. Daarbij kan een overweging zijn dat de bruikbaarheid van een voorziening niet alleen door technische en functionele aspecten bepaald wordt. Tevens is het denkbaar dat een product dat duurder is dan een vergelijkbaar product, langer meegaat en dus uiteindelijk goedkoper is. Het toekennen van een verhuiskostenvergoeding in plaats van het volledig aanpassen van een woning valt ook onder deze bepaling. Wat betreft het kwaliteitsniveau waarvan uitgegaan kan worden, moge het duidelijk zijn dat bij een verantwoord, maar ook niet meer dan dat, niveau dient te worden aangesloten. Ter verduidelijking een voorbeeld: als een rolstoel de meest passende voorziening voor een inwoner is, heeft die inwoner soms aanvullende wensen omtrent kleur of uitvoering. Deze aanvullende wensen maken de voorziening niet passender of doel-matiger, maar brengen meestal extra kosten met zich mee. Deze extra kosten komen in dat geval voor rekening van de inwoner. Een maatwerkvoorziening is ook niet bedoelt om een inwoner in een gunstigere positie te plaatsen.

 

Lid 3: regelt dat een maatwerkvoorziening niet anti-revaliderend mag werken. Dit sluit aan bij het uitgangspunt van de Wmo 2015 om de zelfredzaamheid te versterken. Hierbij kan gedacht worden aan het niet verstrekken van een maatwerkvoorziening omdat die een effectieve behandeling in de weg staat. Dit is bijvoorbeeld het geval als een beperking door een medische- of psychologische behandeling weggenomen zou kunnen worden en het verstrekken van de maatwerkvoorziening de noodzaak tot het ondergaan van deze behandeling wegneemt en daarmee de beperking en de afhankelijkheid van de inwoner in stand zou houden of zelfs vergroten.

 

Lid 4: begrenst het voorzieningenniveau dat de gemeente biedt tot een niveau waarmee de inwoner volgens de gemeente een aanvaardbaar niveau van maatschappelijke participatie kan realiseren. Met deze bepaling wordt benadrukt dat de gemeente niet in elke wens/behoefte van een inwoner voorziet, maar ook beoordeeld in hoeverre het noodzakelijk is om daarin te voorzien (vgl. CRvB 21 oktober 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2644) en of de inwoner niet al voldoende mogelijkheden heeft om deel te nemen aan de samenleving. Wat in een individuele situatie leidt tot een aanvaardbaar niveau van participatie is een kwestie van maatwerk, waarvoor in beleidsregels nadere criteria kunnen worden uitgewerkt.

 

Lid 5: spreekt voor zich.

 

Artikel 4.3.3 Weigeringsgronden

In de jurisprudentie is inmiddels herhaaldelijk bepaald dat weigeringsgronden, wil er een beroep op kunnen worden gedaan, een grondslag in de verordening moeten hebben. Deze jurisprudentie staat ook wel bekend als de “essentialia jurisprudentie” (CRvB 10 november 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO7133 en CRvB 17 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1803). Ook in het kader van rechtszekerheid is hier iets voor te zeggen. Door het opnemen van heldere weigeringsgronden kan de inwoner zelf zijn rechtspositie bepalen. Bovendien is met dit artikel invulling gegeven aan de verplichting van artikel 2.1.3, tweede lid sub a van de Wmo 2015, omdat is aangegeven op grond van welke criteria iemand voor een maatwerkvoorziening in aanmerking kan komen.

 

Lid 1, sub a: spreekt voor zich.

 

Lid 1, sub b: Een maatwerkvoorziening zal pas ingezet worden als de ondersteuning niet op een andere manier kan worden gerealiseerd. Naast de eigen kracht van de inwoner zelf is ook de beoordeling of er gebruikelijke hulp van huisgenoten verwacht mag worden een belangrijke overweging om wel of niet een maatwerkvoorziening te verstrekken. Daarbij mag van een partner ook veel meer verwacht worden (bijv. CRvB 14 april 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:823), dan van een huisgenoot met wie de inwoner een minder nauwe relatie heeft. De mogelijkheden om een beroep te kunnen doen op mantelzorg en het netwerk van de inwoner zijn eveneens van belang bij de beoordeling of een maatwerkvoorziening noodzakelijk is en sluiten aan bij de gemeentelijke visie van samenredzaamheid.

 

Lid 1, sub c: Het is van belang om een duidelijke afbakening te hebben met andere wetten, zoals de Zorgverzekeringswet en de Wet langdurige zorg. Als voor het opheffen van een beperking of het bereiken van een gewenst resultaat een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat, wordt er geen maatwerkvoorziening vanuit de Wmo toegekend. Het voorrang geven aan het doen van een beroep op een dergelijke voorliggende voorziening sluit ook aan bij het uitgangspunt dat inwoners eerst hun eigen mogelijkheden benutten. Het gaat om de vraag of de inwoner aanspraak heeft op de voorziening. Het is niet nodig dat de inwoner daadwerkelijk over de voorziening beschikt.

 

Lid 1, sub d: Van inwoners wordt verwacht dat als zij schade lijden, zij er, als dat mogelijk is, ook voor zorgen dat ze die schade verhalen op de veroorzaker. Daarmee kunnen zij voorkomen dat ze een beroep moeten doen op de Wmo 2015. De eigen verantwoordelijkheid speelt immers een grote rol (CRvB 19 juni 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:776). Omdat er zich situaties kunnen voordoen waarin het niet wenselijk is dat een inwoner op deze grond een maatwerkvoorziening wordt onthouden, bevat deze bepaling wel een redelijkheidstoets. In bijzondere situaties kan de gemeente, hoewel er een derde verantwoordelijk is voor de situatie en die aangesproken kan/had kunnen worden, toch een (eventueel tijdelijke) maatwerk-voorziening verstrekken. In dat geval zal wel vast moeten komen te staan dat de inwoner zijn situatie niet zelf kan verbeteren en dat er voor het verstrekken van de voorziening een dringende noodzaak bestaat.

Lid 1, sub e: Het is niet de bedoeling dat de gemeentelijke overheid voorzieningen verstrekt, waarvan gelet op de omstandigheden van de inwoner, aannemelijk is te achten dat deze daarover, ook als hij of zij geen beperkingen had, zou (hebben kunnen) beschikken. Uit artikel 2.3.5, lid 3 Wmo 2015 volgt dat er geen maatwerkvoorziening hoeft te worden verstrekt voor zover de gemeente van oordeel is dat de beperkingen met een algemeen gebruikelijke voorziening kunnen worden verminderd of weggenomen. In de Memorie van Toelichting wordt dit begrip nader toegelicht: ‘Een algemeen gebruikelijke voorziening bestaat uit zaken, diensten die in de reguliere handel verkrijgbaar zijn, niet speciaal voor mensen met een beperking zijn ontworpen en niet aanzienlijk duurder zijn dan een vergelijkbaar product met hetzelfde doel (passend in een normaal aanschaffingspatroon bij een gelijke financiële positie)’. De Memorie van Toelichting noemt als voorbeeld een situatie waarin een inwoner al geruime tijd diensten (zoals huishoudelijke hulp) betrekt van een derde, waarmee de beperkingen op het gebied van zelfred-zaamheid of participatie al zijn verminderd of weggenomen; waardoor er geen voorziening hoeft te worden verstrekt (Kamerstukken II 2018-19, 35 093, nr. 3, p. 15). De Centrale Raad van Beroep heeft in 2019 de criteria voor een algemeen gebruikelijke voorziening verder uitgewerkt. Een dienst, hulpmiddel, woningaanpassing of andere maatregel onder de Wmo 2015 kan als algemeen gebruikelijk worden aan-gemerkt als deze niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking, daadwerkelijk beschikbaar is, een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de inwoners tot zelfredzaam-heid of participatie in staat is, en deze financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimum-niveau (ECLI:NL:CRVB:2019:3535).

 

In 2024 heeft de CRvB geoordeeld dat de gemeente bij de vierde voorwaarde ook moet beoordelen of de dienst, hulpmiddel, woningaanpassing of andere maatregel naar algemeen aanvaarde maatschappelijke opvattingen onder de gehele bevolking gangbaar is te achten (ECLI:NL:CRVB:2024:1364 en ECLI:NL:CRVB:2024:1362).

 

Lid 1, sub f: Doelt op de situatie dat de inwoner een voorziening aanvraagt nadat deze door de inwoner zelf gerealiseerd of aangekocht is. Omdat de gemeente dan geen mogelijkheden meer heeft de voor-ziening volgens het vastgestelde beleid te verstrekken, of op een andere manier invloed heeft op de te verstrekken voorziening, kan in deze situatie de voorziening worden geweigerd. Door deze regeling wordt voorkomen dat een voorziening waar vroegtijdig mee is begonnen uiteindelijk niet overeenstemt met wat de gemeente als goedkoopst passende voorziening beschouwt. Ook wordt voorkomen dat de gemeente nog ver nadat de voorziening is gerealiseerd een beoordeling zou moeten maken van de situatie van toen, terwijl het probleem al is opgelost en er feitelijk op het moment van de melding geen probleem is dat de gemeente nog zou moeten compenseren.

 

Lid 1, sub g: Een maatwerkvoorziening wordt alleen verstrekt als verstrekking daarvan op het moment van de aanvraag (medisch) noodzakelijk is om een participatiedoel dat past binnen de Wmo 2015 te bereiken. Het is niet bedoeld om te voorzien in wensen of in mogelijk toekomstige behoeften. De noodzaak van de ondersteuning zal in beginsel ook langdurig van aard moeten zijn. De Wmo 2015 is niet bedoeld voor situaties waarin iemand tijdelijk is aangewezen op een voorziening. Voor tijdelijke voorzieningen, bijvoorbeeld revalidatiehulpmiddelen kan een beroep worden gedaan op Zorgverzekering. Deze hulp-middelen kunnen gedurende 2 x 3 maanden worden geleend en nadien zo nodig worden gehuurd. Dit is geregeld in artikel 2.12. juncto 2.6 e Regeling Zorgverzekering. Voor huishoudelijke hulp geldt een uitzondering (Kamerstukken II 2005-06, 30 131, nr. C, p. 45-46), welke in deze bepaling ook is over-genomen voor begeleiding omdat dit eveneens een dienst betreft. Wat tijdelijk is zal per situatie verschillen en zal meestal ook afhankelijk zijn van medische prognoses.

 

Lid 1, sub h: De gemeente verstrekt vanuit de Wmo 2015 ook subsidies aan diverse organisaties binnen de gemeente Lansingerland. Deze organisaties bieden vrij toegankelijke, laagdrempelige voorzieningen aan voor de inwoners. Voordat er een maatwerkvoorziening wordt verstrekt wordt door de gemeente eerst beoordeeld of het doel ook met de inzet van een dergelijke voorziening bereikt kan worden. Dit volgt ook uit artikel 2.3.5, lid 3 van de Wmo 2015.

 

Lid 1, sub i: Van de inwoner wordt verwacht dat hij op een verantwoorde wijze omgaat met een door de gemeente of een ander overheidsorgaan verstrekte voorziening die hem in staat stelt tot participatie en/of zelfredzaamheid. Dit past bij de prominente rol die de eigen verantwoordelijkheid inneemt in de Wmo 2015. Op het moment dat er een passende voorziening is geboden en er zich geen wijziging heeft voor-gedaan in de situatie (bijv. toegenomen beperkingen waardoor de voorziening niet langer passend is), maar de inwoner door eigen toedoen of nalaten niet meer beschikt over die voorziening, dan is het niet logisch dat de gemeente opnieuw een voorziening verstrekt. Deze bepaling ziet uitdrukkelijk alleen toe op situaties waarin de inwoner, door bijvoorbeeld roekeloosheid of onoplettendheid, een verwijt kan worden gemaakt.

 

Lid 1 sub j: Van een inwoner mag verwacht worden dat hij bij een verhuizing of de aanschaf van voor-zieningen rekening houdt met zijn beperkingen. Zo mag bijvoorbeeld van iemand met een (progressieve) loopbeperking verwacht worden dat hij niet verhuist naar een woning met een trap waardoor hij (op termijn) geen gebruik kan maken van de woning zonder een voorziening. Doet hij dat wel, dan kan de gemeente een voorziening om die reden afwijzen. Het was immers voorzienbaar dat de keuze tot een beroep op de Wmo 2015 zou leiden. De verantwoordelijkheid van de inwoner om een voorzienbaar beroep op de Wmo 2015 te voorkomen gaat overigens niet zo ver dat van de inwoner gevraagd mag worden dat hij reserveert of andere maatregelen treft om te voorkomen dat toekomstige onzekere gebeurtenissen in zijn gezondheidstoestand als gevolg van het ouder worden leiden tot een beroep op de Wmo (CRvB 22 augustus 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2603).

 

Lid 1 sub k: De inwoner moet op grond van de artikel 2.3.2, lid 7 en artikel 2.3.8 Wmo 2015 meewerken aan het onderzoek van de gemeente dat nodig is om vast te stellen of er een maatwerkvoorziening noodzakelijk is en hoe die maatwerkvoorziening(en) eruit moet(en) zien. Op het moment dat een inwoner niet aan dit onderzoek meewerkt dan kan de noodzaak tot het verstrekken van een maatwerkvoorziening niet worden bepaald en vormt dit een grond om de aanvraag af te wijzen (bijv. CRvB 4 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:567 en CRvB 16 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:224). Ook in situaties waarin huisgenoten niet meewerken aan een onderzoek, terwijl dit noodzakelijk is om vast te stellen in hoeverre zij gebruikelijke hulp kunnen bieden aan de inwoner, bestaat er aanleiding om de aanvraag om een maatwerkvoorziening af te wijzen (bijv. CRvB 25 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR4090).

 

In lid 2 zijn enkele afwijzingsgronden opgenomen die specifiek een maatwerkvoorziening in de vorm van een woonvoorziening betreffen. Een woonvoorziening is vaak een woning gebonden voorziening, die niet verplaatst kan worden, bijvoorbeeld bij een verhuizing. De afwijzingsgronden zijn bedoeld om onnodige kosten te voorkomen.

 

Lid 2, sub a: Deze afwijzingsgrond is bedoeld voor situaties waarin gebruikte materialen voor problemen zorgen of als de ondervonden problemen te wijten zijn aan achterstallig onderhoud of aan de omstandig-heid dat de woning niet voldoet aan de geldende wettelijke eisen. De Wmo 2015 is niet bedoeld om een woning die in slechte staat verkeert of waar gebruik is gemaakt van verkeerde bouwmaterialen te renoveren. Ook tot het plaatsen van een voorziening in een woning die in slechte staat verkeert zal niet worden overgegaan omdat die voorziening alleen niet voldoende zal zijn om (langdurig) veilige woon-situatie te realiseren. Het behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van de inwoner om ervoor te zorgen dat de aan te passen woning (eerst) in een goede staat verkeert, zodat een eventuele maatwerkvoor-ziening die gericht is op het zoveel mogelijk wegnemen van een beperking ook duurzaam effectief kan zijn.

 

Lid 2, sub b: De gemeente treft alleen een maatwerkvoorziening in of aan een woning waar de inwoner zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft. Dit betekent dat als de inwoner over meerdere woningen beschikt, er maar één woning wordt aangepast. Dit kan alleen anders zijn als sprake is van co-ouderschap. In dat geval kan een inwoner twee hoofdverblijven hebben, namelijk in de woning van zowel de ene als de andere ouder.

 

Een uitzondering op het aanpassen van een woning die niet de hoofdverblijfplaats betreft vormt het bezoekbaar maken van een woning voor een inwoner die in een Wlz instelling zijn hoofdverblijf heeft. Onder het bezoekbaar maken valt onder andere het aanpassen van de entree van de woning en als dat nodig is het zorgen voor een toiletvoorziening (waarbij de voorkeur uitgaat naar een gehuurde- in plaats van een nagelvaste voorziening). Het kan ook gaan om het logeerbaar maken van de woning door het thuis laten staan van de Wmo-hulpmiddelen. Zie ook onderstaande uitleg over wat er onder de Wmo-hulp-middelen valt. Het gaat bij logeerbaar maken dus uitdrukkelijk niet om aanpassingen aan de slaapruimte en natte cel gecreëerd zouden moeten worden om te kunnen logeren. Aan dit bezoekbaar of logeerbaar maken van een woning zijn wel een aantal voorwaarden verbonden. Zo moet het bezoeken van of logeren in de woning frequent en over een langere periode plaats zullen vinden en voor minimaal 18 dagen per jaar zijn, zodat de kosten in verhouding staan tot het aantal bezoeken. Ook zal de persoonlijke verzorging in de te bezoeken woning georganiseerd moeten zijn en moet het aanpassen van de woning bouwtechnisch eenvoudig mogelijk zijn. Het bezoekbaar maken van een woning isverplicht op grond van de Wmo 2015. Het logeerbaar maken van een woning is niet verplicht, maar de gemeente is wel bevoegd om dit op grond van de Wmo 2015 mogelijk te maken, met deze uitzondering is voldaan aan de Wmo 2015.

 

Ten aanzien van de Wmo-hulpmiddelen voor logeerbaar maken geldt het volgende:

  • Het betreft uitsluitend hulpmiddelen die op basis van de Wmo 2015 thuis reeds zijn verstrekt (verkregen in natura of met een pgb) op het moment van de verhuizing en niet redelijkerwijs vanuit de zorginstelling zijn mee te nemen in geval van thuis logeren.

  • Het al dan niet kunnen meenemen van hulpmiddelen beoordeelt de zorginstelling in overleg met de cliënt(vertegenwoordiger), waarbij de woonsituatie thuis wordt meegewogen.

  • Een traplift is geen hulpmiddel, maar een woningaanpassing. Ook daarvan kan het echter nodig zijn dat deze aanwezig blijft in de thuissituatie in verband met het logeren. Een traplift valt daarmee in dit geval onder de Wmo-hulpmiddelen.

  • Mobiliteitshulpmiddelen (zoals rolstoelen en aangepaste fietsen) worden niet op twee plekken verstrekt en vallen daarmee niet onder deze landelijke afspraken.

  • Onderhoud, reparatie en het vervangen van de verstrekte hulpmiddelen thuis op een later moment door hulpmiddelen met dezelfde functionaliteiten vallen onder deze afspraken.

  • De inwoner is zelf verantwoordelijk om binnen 5 werkdagen na verhuizing naar een Wlz-zorginstelling te melden bij de gemeente bij het Wmo-loket dat de inwoner wenst gebruik te maken van het logeerbaar maken van de woning en het laten staan van Wmo-hulpmiddelen. Conform de landelijke afspraken hierover met VNG, Ieder(in), Firevanned en VWS dient de inwoner zelf de overzichtslijst te verstrekken met de Wmo-hulpmiddelen die thuis moeten blijven staan.

  • Het laten staan van deze hulpmiddelen leidt niet tot extra eigen betalingen voor de cliënt (vertegenwoordiger).

  • Bovenstaande bepalingen zijn aan van toepassingen in de Wlz-zorginstellingen die gevestigd zijn in de gemeente Lansingerland.

Lid 2, sub c: Met deze bepaling wordt het aanpassen van niet voor permanente bewoning geschikte woonruimten en/of woonruimten waar slechts tijdelijk wordt verbleven en/of woonruimten waarvoor de inwoner geen recht van permanente bewoning heeft; uitgesloten. Wel moet de gemeente in deze situaties voldoen aan haar verantwoordelijkheid. Dit kan door het bieden van een alternatieve oplossing in de vorm van een verhuiskostenvergoeding.

 

Lid 2, sub d: Met deze beperking wordt invulling gegeven aan het individuele karakter van de maatwerk-voorziening, waarbij de toegang voor de inwoner wel wordt gewaarborgd. Het volledig aanpassen van collectieve ruimten sluit niet aan bij het individuele karakter van de maatwerkvoorziening.

 

Lid 2, sub e: Deze bepaling hangt samen met de in lid 1, sub j opgenomen bepaling. Als er in de verlaten woning geen problemen bij de zelfredzaamheid werden ervaren, is de verhuizing naar de nieuwe woning kennelijk de oorzaak van de problemen en is men dus verhuisd naar een ongeschikte woning. Niet de ondervonden beperking, maar de verhuizing naar een niet geschikte woning is dan de voornaamste oorzaak van de ondervonden problemen. Deze bepaling heeft voornamelijk betrekking op situaties waarin men gaat verhuizen zonder specifieke reden. Er wordt een uitzondering gemaakt als een belangrijke reden voor de verhuizing aanwezig is. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een verhuizing vanwege samenwoning, huwelijk of het aanvaarden van werk elders. De beoordeling of sprake is van een belang-rijke reden is afhankelijk van een weging van alle feiten en omstandigheden die van belang zijn. Bij de beoordeling of er sprake is van een belangrijke reden is ook van belang of de inwoner mogelijkheden had om zelf voor een oplossing te zorgen.

 

Lid 2, sub f: Deze bepaling hangt samen met de in lid 1, sub j opgenomen bepaling. Ook als men een goede reden heeft om te verhuizen mag van de (toekomstige) inwoner verwacht worden dat hij zoekt naar een zo geschikt mogelijke woning. Het is niet de bedoeling dat men een ongeschikte(re) woning kiest en vervolgens de rekening voor aanpassingen bij de gemeente indient. Met “verhuizen” wordt niet alleen het feitelijke verhuizen bedoeld, maar ook alle onomkeerbare handelingen die hieraan normaal gesproken voorafgaan, zoals het tekenen van een koop-, huur- of erfpachtcontract. Van de (toekomstige) inwoner wordt verwacht dat hij vooraf contact zoekt met de gemeente en om toestemming vraagt voor de verhuizing om in aanmerking te kunnen komen voor een eventueel noodzakelijke woningaanpassing.

 

Lid 3 regelt het primaat van het collectief vraagafhankelijk vervoer. Met deze bepaling worden de keuzemogelijkheden van de inwoner voor een oplossing voor een vervoersprobleem beperkt om het systeem van collectief vraagafhankelijk vervoer betaalbaar en daarmee in stand te kunnen houden.

 

Paragraaf 4.4 Aanvullende voorwaarden persoonsgebonden budget

 

Artikel 4.4.1 Verzoek

De gemeente kan een maatwerkvoorziening op grond van een verzoek van de inwoner in de vorm van een Pgb verstrekken. Deze mogelijkheid is geregeld in artikel 2.3.6 van de Wmo 2015. Van belang is dat een Pgb alleen wordt verstrekt als de inwoner met een Pgb plan kan aantonen dat hij, al dan niet met hulp uit zijn netwerk, met het Pgb in staat is om kwalitatief goede en effectieve ondersteuning te realiseren, die ook veilig is voor de inwoner en zijn omgeving. In dit artikel zijn voor de beoordeling daarvan door de gemeente een aantal voorwaarden gesteld aan het verzoek om een Pgb. Op het moment dat het gaat om een verzoek tot verlenging van een indicatie voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een dienst, zoals huishoudelijke hulp en begeleiding, moet ook het zorgplan als bedoeld in artikel 4.4.8 worden meegestuurd en dient er verantwoording afgelegd te worden over de resultaten van de inzet in de afgelopen periode.

 

Artikel 4.4.2 Pgb plan

Lid 1: Met het Pgb plan laat de inwoner zien dat hij er bewust voor kiest om de maatwerkvoorziening niet in natura af te nemen, bij een door de gemeente gecontracteerde leverancier, maar in de vorm van een Pgb. Op basis van het Pgb plan moet de gemeente kunnen beoordelen of de inwoner, of de persoon uit zijn netwerk die namens hem het Pgb-beheer op zich wil nemen, zich voldoende beseft welke verantwoor-delijkheden een Pgb met zich meebrengt en dat hij de bij een Pgb behorende taken op een verantwoorde manier kan uitvoeren.

 

Lid 2: In het tweede lid zijn een aantal aspecten opgenomen die in elk geval in het Pgb plan benoemd moeten worden om aan de in het eerste lid genoemde voorwaarden te voldoen. Het gaat in de eerste plaats om een toelichting op de keuze voor een Pgb (a) en een beschrijving van de voorziening waaraan de inwoner het Pgb wil besteden (b) en bij wie (c). Ook wordt van de inwoner verwacht dat hij aangeeft waarom hij juist voor deze leverancier/ondersteuningsverlener heeft gekozen, waarbij gedacht kan worden aan een toelichting op de wijze waarop hij zich op het ondersteuningsaanbod heeft georiënteerd (d). Hiernaast zal de inwoner aan moeten geven welke kostprijs de beoogde leverancier/ondersteunings-verlener hanteert (e) en welke contract vorm, conform het model van de SVB (overeenkomst van opdracht met zorginstelling, zorgovereenkomst met partner of familielid, zorgovereenkomst van opdracht, of arbeidsovereenkomst), men kiest (f). Tot slot zijn er een aantal aspecten die betrekking hebben op het waarborgen van de kwaliteit en effectiviteit van de in te kopen ondersteuning. Dan gaat het om kwaliteitsborging, waarbij gedacht kan worden aan diploma’s en keurmerken (g), maar ook hoe de aansturing van de leverancier/ ondersteuningsverlener in de praktijk is geregeld, met bijvoorbeeld evaluatiemomenten, zodat de ondersteuningsverlener/leverancier weet wat hij moet doen (h). Ook wordt van de inwoner, of de beheerder uit zijn netwerk, verwacht dat hij een controleplan heeft (i) en dat wordt aangegeven hoe de administratie, waaronder indien van toepassing het in artikel 4.4.8 genoemde zorgplan, wordt bijgehouden (j). Tevens moet het Pgb plan laten zien dat er is nagedacht over hoe men gaat handelen als de leverancier/ondersteuningsverlener de gemaakte afspraken niet nakomt (k) of als er zich een calamiteit voordoet (l).

 

Lid 3: Als een inwoner de beoogde leverancier naar het professionele tarief wil betalen dan gelden er een aantal aanvullende eisen. Om te kunnen controleren of daaraan wordt voldaan bevat het derde lid een aantal aanvullende stukken die bij het Pgb plan gevoegd moeten worden.

 

Artikel 4.4.3 Beheer

Het beheren van het Pgb kan door zowel de inwoner als door een derde namens de inwoner (Pgb-beheerder) worden uitgevoerd. Voordat een Pgb wordt toegekend beoordeelt de gemeente of de inwoner, of de beoogde Pgb-beheerder namens hem, in staat is om de beheerstaken op een verantwoorde manier uit te voeren. Niet iedereen is namelijk in staat om naar behoren een Pgb te beheren. In dit artikel worden een aantal beoordelingscriteria gesteld.

 

Lid 1: Een Pgb-beheerder zal uiteraard in staat moeten zijn om de ondersteuningsbehoefte over te brengen aan de leverancier/ondersteuningsverlener (a), maar er wordt ook gekeken naar factoren die er op wijzen dat men geen gezond beheer kan voeren (b) en risicofactoren in de vorm van verslavings-problematiek (c), een verstandelijke beperking, een ernstig psychiatrisch ziektebeeld of een cognitieve stoornis (d) die maken dat men de taken niet (zelfstandig) op een (voldoende) verantwoorde manier uit kan voeren. Een fraude-verleden is eveneens een reden om geen Pgb te verstrekken, waarbij voor de termijn van vier jaar is aangesloten bij de termijn die het Ministerie van Justitie en Veiligheid terugkijkt bij het afgeven van een VOG (e). Tot slot zal men, met het oog op het kennen en kunnen aangaan van de verplichtingen, de Nederlandse taal voldoende machtig moeten zijn (f).

 

Lid 2: Op het moment dat de inwoner zelf niet in staat kan worden geacht om het Pgb te beheren bestaat er de mogelijkheid dat een derde dit namens de inwoner doet. Deze derde kan een wettelijk vertegen-woordiger zijn, dat wil zeggen dat hij door de rechtbank is benoemd om namens de inwoner zaken te regelen (curator of mentor), of iemand die door de inwoner zelf schriftelijk als vertegenwoordiger wordt gemachtigd. Op het moment dat een derde namens de inwoner het Pgb gaat beheren dan moet hij uiteraard aan dezelfde eisen voldoen als de inwoner. Om er voor te zorgen dat het Pgb door deze derde op een juiste wijze zal worden beheerd, worden er aan deze derde een aantal aanvullende eisen gesteld. Zo zal deze derde allereerst van onbesproken gedrag moeten zijn (a). Ook moet deze derde voldoende tijd hebben en voldoende zicht hebben op de situatie van de inwoner; om te waarborgen dat de leverancier/ ondersteuningsverlener zijn verplichtingen nakomt (b). Hij zal dit met de inwoner moeten kunnen bespreken (c) en ook moeten er geen andere belangen in de relatie tussen hem en de inwoner (d).

Lid 3: Om te voorkomen dat Pgb verzoeken waarbij de inwoner zelf niet in staat is om het beheer op zich te nemen langdurig blijven liggen, omdat de inwoner niet in staat is om een geschikte beheerder in zijn netwerk aan te wijzen, bevat het derde lid een beperking met betrekking tot het opnieuw aandragen van een andere Pgb-beheerder. Op het moment dat de inwoner er niet in slaagt om een geschikte beheerder aan te dragen wordt het verzoek om een Pgb afgewezen. De inwoner krijgt dan de maatwerkvoorziening toegekend in de vorm van zorg in natura bij een door de gemeente gecontracteerde leverancier.

 

Artikel 4.4.4 Uitgangspunten vaststellen Pgb budget

In dit artikel worden de uitgangspunten bij het vaststellen van het Pgb budget toegelicht. Hiermee wordt invulling gegeven aan artikel 2.1.3, tweede lid, onder b, van de Wmo 2015. Hierin staat dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald op welke wijze de hoogte van een Pgb wordt vastgesteld, waarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn.

 

Lid 1: De hoogte van het pgb voor een dienst is afhankelijk van het aantal uren of dagdelen dat nood-zakelijk is voor het bereiken van het gewenste resultaat en van de professionaliteit en de relatie tussen de inwoner en degene die de ondersteuning biedt. Voor professionele inzet, waarbij de ondersteunings-verlener ook geen deel uitmaakt van het sociale netwerk van de inwoner, zoals een vriend of familielid, is het tarief maximaal de hoogte van het tarief voor zorg in natura. Dit wordt het formele tarief genoemd. Voor onder-steuning door iemand die dit niet doet in het kader van een hulpverlenend beroep of iemand uit het eigen sociale netwerk, ligt het tarief lager. Dit wordt het informele tarief genoemd (a). Het Pgb is toereikend om effectieve en kwalitatief goede ondersteuning in te kopen (b) en bedraagt nooit meer dan de kostprijs die de gemeente op basis van de gemaakte contractuele afspraken met de zorg in natura aanbieders verschuldigd zou zijn. Op het moment dat de inwoner de noodzakelijk geachte ondersteuning volgens de pro-forma nota goedkoper weet in te kopen dan de maximale kostprijs op basis van het zorg in natura tarief dan hanteert de gemeente bij het berekenen van het Pgb budget dit lagere tarief (c).

 

Lid 2: geeft aan dat als er een pgb wordt verstrekt ten behoeve van een hulpmiddel, er een aanvullend bedrag wordt verstrekt voor het onderhoud en de verzekering van het hulpmiddel. Dit bedrag is bedoeld voor het onderhoud gedurende de gehele looptijd van de verstrekking. Deze is maximaal gelijk aan de levensduur van het hulpmiddel.

 

Lid 3: spreekt voor zich.

Artikel 4.4.5 Hoogte Pgb budget

Dit artikel regelt de hoogte van het Pgb bij een aantal specifieke voorzieningen. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft in augustus 2023 twee uitspraken gedaan die gevolgen hebben voor de hoogte van het Pgb-uurtarief waarmee een persoon uit het sociaal netwerk wordt ingehuurd (ECLI:NL:CRVB:2023:1394 en ECLI:NL:CRVB:2023:1580).

 

Als gevolg van die uitspraken moet de gemeente in de verordening uitgaan van de volgende tarieven:

  • Onderdeel a begeleiding: het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij de Functie Waardering Gezondheidszorg (FWG 30) van de voor de betreffende periode geldende cao VVT, te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren.

  • Onderdeel b hulp bij huishouden: het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij hulp bij het huishouden van de voor de betreffende periode geldende cao VVT (Verpleeg- en Verzorgingshuizen en Thuiszorg), te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren.

De tarieven voor de overige voorzieningen zijn geïndexeerd met het consumenten prijs index (CPI).

 

Artikel 4.4.6 Niet in het tarief

Het Pgb is uitsluitend bedoeld voor de inkoop van maatschappelijke ondersteuning. Eventuele kosten die verbonden zijn aan het beheren van het Pgb, als gevolg van de vrijwillige keuze voor een Pgb, komen voor rekening van de inwoner zelf. Het Pgb bevat daarom ook geen vrij besteedbaar deel.

 

Artikel 4.4.7 Gebruik pgb

Dit artikel spreekt voor zich.

 

Artikel 4.4.8 Zorgplan

Van de inwoner en zijn ondersteuningsverlener die een dienst levert (huishoudelijke hulp of begeleiding), wordt verwacht dat zij een zorgplan opstellen en dit actueel houden. Dit zorgplan moet ook binnen drie maanden (dezelfde termijn als waarbinnen het Pgb op grond van artikel 4.4.7 moet worden aangewend) aan de gemeente worden toegezonden. Het is de bedoeling dat dit zorgplan ook wordt bijgehouden, zodat dit bij een eventueel heronderzoek of bij een verzoek om verlenging van de indicatie kan worden bekeken om te zien hoe de ondersteuning is verlopen en wat het resultaat daarvan is geweest.

 

Artikel 4.4.9 Weigering pgb

Dit artikel spreekt voor zich.

 

Artikel 4.4.10 Opschorting betaling uit het pgb

Dit artikel spreekt voor zich.

 

Paragraaf 4.5 Bijdrage in de kosten

 

Artikel 4.5.1 Bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen

Dit artikel is vervallen.

 

In samenwerking met het Zorgkantoor verstrekt de gemeente verschillende voorzieningen op grond van de Wmo 2015 aan inwoners bij Laurens Huize Sint Petrus. Huishoudelijke ondersteuning, in de vorm van een algemene voorziening, vormt hiervan een onderdeel. Laurens ontvangt per 1 januari 2024 een subsidie om deze ondersteuning te leveren. Hierdoor zijn de bewoners van Huize Sint Petrus geen eigen bijdrage meer verschuldigd.

 

Artikel 4.5.2 Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen

Op grond van artikel 2.1.4a, lid 1 Wmo 2015 bestaat de bevoegdheid om in de verordening te regelen dat er een bijdrage in de kosten is verschuldigd voor een maatwerkvoorziening. De gemeente vraagt in principe aan iedere inwoner een bijdrage in de kosten als zij gebruik maken van maatwerkvoorzieningen in natura of in de vorm van een pgb.

 

Op grond van de wetswijziging abonnementstarief wet maatschappelijke ondersteuning betalen vanaf 1 januari 2020 alle cliënten die gebruik maken van één of meer maatwerkvoorzieningen, met uitzondering van degenen die gebruik maken van het collectief vervoer, ongeacht inkomen en vermogen, een maximale periode bijdrage zoals genoemd in artikel 2.1.4, lid 3 en 2.1.4a, lid 4 van de Wmo 2015. Hierbij is het uitgangspunt benadrukt dat de bijdrage de kostprijs van de voorziening niet mag overstijgen: de gemeente mag geen winst maken op de bijdragen.

Lid 3: het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 verplicht de gemeenteraad bij verordening de eigen bijdrage voor een vervoersvoorziening vast te stellen. De raad bepaalt dan ook hoe hoog dit tarief is, maar deze is niet hoger dan het tarief voor openbaar vervoer. De tarieven voor het collectief vraagafhankelijk vervoer worden jaarlijks geïndexeerd door de Metropoolregio Rotterdam-Den Haag. De gemeente past deze indexatie pas een jaar later toe. Zo worden voor het jaar 2024 de geïndexeerde tarieven van 2023 aangehouden. Voor 2025 worden de geïndexeerde tarieven van 2024 aangehouden.

 

In lid 4: worden een aantal uitzondering op de verschuldigdheid van de eigen bijdrage opgesomd. Een aantal van deze uitzonderingen zijn, door de in lid 2 genoemde verwijzing naar hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, al gedekt. Voor de volledigheid zijn deze uitzonderingen hier wel benoemd.

 

a: Vloeit rechtstreeks voort uit artikel 3.8, lid 3, aanhef en onder a Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Op grond van artikel 1.1.2 Wmo 2015 moet onder echtgenoot mede worden verstaan de geregistreerde partner en diegene die geen bloedverwant is in de eerste graad en met wie en gezamenlijke huishouding wordt gevoerd. Als de gehuwden/geregistreerd partners duurzaam gescheiden leven worden zij niet als gehuwd aangemerkt.

 

b: Vloeit rechtstreeks voort uit artikel 3.8, lid 3, aanhef en onder b Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.

 

c: Vloeit rechtstreeks voort uit artikel 3.8, lid 3, aanhef en onder f Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.

 

d: Vloeit grotendeels voort uit artikel 3.8, lid 3, aanhef en onder e Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 waarin is bepaald dat geen bijdrage in de kosten is verschuldigd bij een maatwerkvoorziening voor een inwoner die de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, tenzij het een woningaanpassing betreft en op grond van artikel 2.1.5 Wmo 2015 is bepaald dat daarvoor door de ouders van de minderjarige een bijdrage in de kosten is verschuldigd. Voor dit laatste is niet gekozen. De reden daarvoor is dat hierdoor een geen afweging nodig is of in een individuele situatie van het heffen van een bijdrage in de kosten van de ouders moet worden afgezien, als bedoeld in artikel 3.8, lid 3, aanhef en onder c Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Dit zorgt voor een gelijke behandeling van alle minderjarige inwoners (en hun ouders) die een beroep moeten doen op een maatwerkvoorziening. Als de maatwerkvoorziening na het achttiende levensjaar nog doorloopt is vanaf het bereiken van die leeftijd wel een bijdrage in de kosten verschuldigd.

 

e: Vloeit rechtstreeks voort uit artikel 3.8, lid 3, aanhef en onder d Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.

 

f: Betreft een gemeentelijke keuze om (een deel van) deze financiële vergoeding niet weer via een bijdrage in de kosten terug te halen bij de inwoner.

 

g: Betreft een gemeentelijke keuze.

 

h: Betreft een gemeentelijke keuze die valt in het verlengde van artikel 3.8, lid 3, aanhef en onder h Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.

 

i. en j: Betreft een keuze van de gemeente om geen eigen bijdrage van de inwoner te vragen als hij langer dan één kalendermaand in een tijdelijke instelling is opgenomen of wanneer de aanbieder de maatwerk-voorziening langer dan één kalendermaand niet kan leveren.

 

In lid 5 en 6: is uiteengezet hoe de kostprijs tot stand komt.

 

Paragraaf 4.6 Waardering en ondersteuning van mantelzorgers

 

Artikel 4.6.1 Waardering mantelzorgers en artikel 4.6.2 Ondersteuning mantelzorgers

Deze bepalingen betreffen een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.6 van Wmo 2015. Hierin is opgenomen dat bij verordening wordt bepaald op welke wijze de gemeente zorg draagt voor een periodieke blijk van waardering voor de mantelzorgers van inwoners in de gemeente. Dit krijgt invulling door mantelzorgers te ondersteunen in de vorm van emotionele steun, deskundigheidsbevordering en respijtzorg om overbelasting te voorkomen. De mantelzorger zelf hoeft niet in de gemeente te wonen om hiervoor in aanmerking te komen.

 

Paragraaf 4.7 Klachten en medezeggenschap

 

Artikel 4.7.1 Klachtregeling

In het eerste lid is een bepaling over klachten ten aanzien van aanbieders opgenomen. Een dergelijke bepaling is verplicht op grond van artikel 2.1.3, tweede lid, onder e, van de Wmo 2015, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor de afhandeling van klachten van inwoner is vereist. De aanbieder is ten aanzien van de in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een klachtregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder a, van de Wmo 2015).

 

In de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 57-58) staat dat inwoners in beginsel moeten kunnen klagen over alles wat hen niet aanstaat in de manier waarop zij zich bejegend voelen. De inwoner kan ontevreden zijn over het gedrag van een gemeenteambtenaar, bijvoorbeeld over de wijze waarop een gesprek is gevoerd of over diens (vermeende) gebrek aan deskundigheid. Is de inwoner niet tevreden over een gedraging van de aanbieder, dan kan het ook gaan om bijvoorbeeld de kwaliteit van de geleverde maatschappelijke ondersteuning (in verband met de deskundigheid van de medewerker of een bepaalde houding of uitlating, gebrekkige communicatie of (on)bereikbaarheid van de aanbieder).

Het ligt voor de hand dat inwoners die zich benadeeld voelen zo veel mogelijk deze klacht eerst bij de betreffende aanbieder deponeren. Zij moeten erop kunnen vertrouwen dat de aanbieder de klacht snel in behandeling neemt en de klacht ook snel afhandelt. Daar waar de afhandeling niet naar wens is, staat de weg naar de gemeente voor het indienen van de klacht open.

 

Artikel 4.7.2 Medezeggenschap

Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, tweede lid, onder f, van de wet, waarin is bepaald dat in ieder geval moet worden bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor medezeggen-schap van inwoners over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn, vereist is.

 

In dit artikel gaat het dus om medezeggenschap van inwoners tegenover de aanbieder. In de Wmo 2015 is het stellen van regels hieromtrent geheel aan gemeenten overgelaten.

 

In lid 1 is dit uitgewerkt door te bepalen dat aanbieders een regeling voor medezeggenschap dienen vast te stellen. De aanbieder is ten aanzien van de in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een medezeggenschapsregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder b, van de wet).

 

In lid 2 is een aantal instrumenten voor het college aangegeven om te zorgen dat de verplichting tot medezeggenschap door aanbieders goed wordt uitgevoerd.

 

Paragraaf 4.8 Nadere uitwerking

 

Artikel 4.8.1 Nadere regels stellen

Dit artikel spreekt voor zich.

 

Hoofdstuk 5. Jeugdhulp

 

Dit hoofdstuk van de verordening geeft uitvoering aan de Jeugdwet. Deze wet maakt onderdeel uit van de bestuurlijke en financiële decentralisatie naar gemeenten van de jeugdzorg, de Jeugd-GGZ, de zorg voor jeugdigen met een beperking en de begeleiding en persoonlijke verzorging van jeugdigen. Daarnaast wordt met deze wet een omslag gemaakt van een stelsel gebaseerd op een wettelijk recht op zorg (aanspraak) naar een stelsel op basis van een voorzieningenplicht voor gemeenten (voorziening), op een wijze zoals eerder is gebeurd met de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Het wettelijke recht op jeugdzorg en individuele aanspraken op jeugdzorg worden hierbij vervangen door een voorzieningenplicht waarvan de aard en omvang in beginsel door de gemeente worden bepaald (maatwerk). Het doel van het jeugd-zorgstelsel blijft echter onverminderd overeind: jeugdigen en ouders krijgen waar nodig tijdig bij hun situatie passende hulp, met als beoogd doel ervoor te zorgen de eigen kracht van de jeugdige en het zorgend en probleemoplossend vermogen van het gezin te versterken.

 

Paragraaf 5.1 Procedure

In hoofdstuk 2 is het toegangsproces voor het sociaal domein vastgelegd. In deze paragraaf wordt dan ook verwezen naar dit proces. Wel zijn er een aantal specifieke elementen van het toegangsproces die betrekking hebben op Jeugdhulp die in deze paragraaf nader worden uitgewerkt.

 

Artikel 5.1.1 Melding en aanvraag

Dit artikel spreekt voor zich.

 

Artikel 5.1.2 Onderzoek

In aanvulling op de mogelijkheid om onderzoek te doen naar de inwoner wordt in dit artikel benoemd dat de gemeente ook onderzoek kan doen naar zijn ouders als dat van belang is voor het beoordelen van de melding/aanvraag. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een belastbaarheidsonderzoek om te beoordelen of er wellicht jeugdhulp nodig is om overbelasting van de ouders te voorkomen. Indien de inwoner (of zijn ouders) een Pgb wenst dan is ook een onderzoek naar de beoogde zorgverlener/ leverancier van de inwoner noodzakelijk om te waarborgen dat de ondersteuning veilig en cliëntgericht zal worden verstrekt. Indien het gewenste Pgb niet door de inwoner of zijn ouders zelf, maar door een derde namens hem zal worden beheerd dan is ook een onderzoek naar deze beoogde beheerder aan de orde.

 

Artikel 5.1.3 Beschikking

In dit artikel worden een aantal specifieke punten benoemd die gelden voor het opstellen van een besluit/beschikking met betrekking tot jeugdhulp. Daarmee wordt nader invulling gegeven aan het algemeen geformuleerde artikel 2.4.2.

 

De inwoner moet op basis van de beschikking die hij ontvangt de informatie krijgen die nodig is om zijn rechtspositie te bepalen en te begrijpen. Hiervoor is nodig dat de beschikking de inwoner goed en volledig informeert. In dit artikel staat omschreven welke elementen in ieder geval in de beschikking moeten worden opgenomen, zowel als het om een maatwerkvoorziening in natura of in de vorm van een pgb gaat.

 

De gemeente verstrekt de voorziening altijd voor tijdelijke duur. Het doel van de ingezette voorziening is namelijk dat we daarmee toewerken naar een situatie waarin de jeugdige en/of zijn ouder(s) zonder een individuele voorziening verder kan. De ingezette voorziening hoeft ook niet in de volle omvang benut te worden. Indien blijkt dat de jeugdige en/of zijn ouder(s) minder hulp nodig heeft of wanneer de doelen eerder zijn bereikt dan de gestelde einddatum, dan wordt de voorziening eerder afgerond.

 

Artikel 5.1.4 Alternatieve route

Inwoners en hun ouders kunnen een behoefte aan jeugdhulp melden bij de gemeente. De toegang via de gemeente is echter niet de enige route die kan leiden tot verstrekking van een jeugdhulpvoorziening op grond van de Jeugdwet. Deze bepaling besteedt aandacht aan de alternatieve mogelijkheden.

Lid 1: In artikel 2.6, eerste lid aanhef en onder e van de Jeugdwet is geregeld dat jeugdhulp ook toegankelijk is na een verwijzing door de huisarts, de jeugdarts of medisch specialist. Met een dergelijke verwijzing kan de inwoner rechtstreeks aankloppen bij de jeugdhulpaanbieder. Na een dergelijke verwijzing staat echter nog niet vast welke specifieke behandelvorm van jeugdhulp (dus bijvoorbeeld welke therapie) een inwoner precies nodig heeft. Een inwoner kan op dat moment terecht bij de jeugdhulpaanbieders die de gemeente heeft ingekocht. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder (bijvoorbeeld de jeugdpsychiater, de gezinswerker of orthopedagoog) zijn die na de verwijzing beoordeelt welke jeugdhulp precies nodig is. Deze bepaalt in overleg met de inwoner daadwerkelijk de concrete inhoud, vorm, omvang en duur van de benodigde jeugdhulp. Deze aanbieder stelt dus feitelijk vast wat naar zijn oordeel de inhoud van de benodigde voorziening dient te zijn en hij zal zijn oordeel mede baseren op de protocollen en richtlijnen die voor een professional de basis van zijn handelen vormen. Bij deze beoordeling dient de jeugdhulpaanbieder zich ook te houden aan de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie. Deze afspraken zien op hoe de gemeente haar regierol kan waarmaken en op de omvang van het pakket. Deze afspraken zullen verder ook ingaan op hoe de artsen en de gemeentelijke toegang goed van elkaar op de hoogte zijn van de doorverwijzing of behandeling van een kind, zodat de integrale benadering rond het kind, met name bij multiproblematiek, kan worden geborgd en er geen nieuwe ‘verkokering’ zal plaatsvinden, waarbij professionals niet goed van elkaar weten dat zij bij het gezin betrokken zijn. Daarnaast zal de jeugdhulp-aanbieder rekening moeten houden met de regels die de gemeente bij verordening heeft gesteld (over het vrij toegankelijke en niet vrij toegankelijke deel van de voorzieningen).

 

Lid 2: In artikel 2.4, lid 2 aanhef en onder b van de Jeugdwet is geregeld dat jeugdhulp ook toegankelijk is via de rechter, het openbaar ministerie, de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts of de directeur van de justitiële jeugdinrichting. De gecertificeerde instelling is verplicht om bij de bepaling van de in te zetten jeugdhulp in het kader van een door de rechter opgelegde kinderbeschermingsmaatregel of jeugd-reclassering te overleggen met de gemeente. Uiteraard kan bij dit overleg een kostenafweging plaats-vinden. De gemeente is op haar beurt vervolgens gehouden de jeugdhulp in te zetten die deze partijen nodig achten ter uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel of de jeugdreclassering. Deze leverings-plicht van de gemeente vloeit voort uit het feit dat uitspraken van rechters te allen tijde moeten worden uitgevoerd om rechtsgelijkheid en rechtszekerheid te kunnen garanderen. Ook hier geldt dat de gecertifi-ceerde instelling in beginsel gebonden is aan de jeugdhulp die de gemeente heeft ingekocht. Als de kinderrechter een ondertoezichtstelling of gezags-beëindiging uitspreekt, wijst hij gelijktijdig in de beschikking de gecertificeerde instelling aan die de maatregel gaat uitvoeren. Dit kan de rechter juist omdat de raad voor de kinderbescherming in zijn verzoekschrift een concreet advies geeft over welke gecertificeerde instelling de maatregel zou moeten uitvoeren. De raad voor de kinderbescherming neemt een gecertificeerde instelling in zijn verzoekschrift op die na overleg met de gemeente en gezien de concrete omstandigheden van het geval hiervoor het meest geschikt lijkt. De raad voor de kinderbescher-ming is verplicht om hierover met de gemeente te overleggen. Deze toegang wordt al in de Jeugdwet zelf geregeld en komt verder dus niet terug in deze verordening.

 

Lid 3: Deze bepaling spreekt voor zich.

 

Lid 4: De gemeente is niet verplicht om elke jeugdhulp te vergoeden waarnaar een huisarts, medisch specialist of jeugdarts verwijst.

Dit geldt alleen als dat aanbod ook gecontracteerd is door de gemeente. Op het moment dat men een niet gecontracteerde aanbieder wenst, dan kan hiervoor een Pgb aangevraagd worden. De gemeente beoor-deelt of een Pgb verstrekt kan worden aan de hand van de Pgb-voorwaarden. Bij een verwijzing van een huisarts, medisch specialist of jeugdarts bepaalt de gemeente niet welke jeugdhulp moet worden geleverd, maar zij heeft wel de regie over wie de jeugdhulp verleent.

 

Lid 5: Het is belangrijk dat een verwijzer op de hoogte blijft van de resultaten van de hulp en een aanbieder niet onbeperkt gebruik kan maken van een verwijzing om een nieuw (of verlengd) hulptraject te starten. Daarom bepaalt lid 5 dat de verwijzing 1 jaar geldig is. Na afloop het eerste jaar kan de jeugdhulpaanbieder op basis van de afgegeven toewijzing éénmaal de gemeente verzoeken om verlenging. Een nieuwe verwijzing van een arts is dan niet nodig. Een verzoek tot verlenging kan worden gedaan voor hetzelfde product of een product van dezelfde vorm maar minder zwaar.

Een verzoek tot verlenging mag niet worden ingediend indien het een nieuwe zorgvraag betreft. Daarvoor is dan een nieuwe verwijzing of besluit tot toekenning nodig.

 

Als de gemeente actief betrokken is bij jeugdige of ouders, dan neemt de jeugdhulpaanbieder contact op met de gemeente bij verzoek tot verlenging (mits jeugdige en/of ouders hiervoor toestemming geeft).

 

Bij een tweede verzoek tot verlenging neemt de jeugdhulpaanbieder altijd contact op met de gemeente (mits jeugdige en/of ouders hiervoor toestemming geeft).

 

Bij een verzoek tot verlenging verstrekt de jeugdhulpaanbieder een (kort) voortgangsverslag met een beschrijving van het inhoudelijke verloop en resultaten van de zorginzet. Het verslag is vormvrij. Het verslag wordt toegevoegd aan het dossier van de jeugdige of de ouders. Daarmee komt de verwijzer in de positie om opnieuw de situatie te beoordelen. Voor huisartsen kan daarbij de eventueel aanwezige praktijkondersteuner jeugd een rol spelen.

Artikel 5.1.5 Afwijking procedure

Dit artikel spreekt voor zich.

 

Paragraaf 5.2 Kwaliteit en veiligheid

 

Artikel 5.2.1 Kwaliteitseisen jeugdhulp

Lid 1: In artikel 4.1.1. van de Jeugwet zijn een aantal kwaliteitseisen opgenomen waaraan jeugdhulp moet voldoen. Dit artikel vormt een korte samenvatting en doet dan ook niet af aan de wettelijke kwaliteits-eisen.

 

Lid 2: Deze bepaling spreekt voor zich.

 

Lid 3: Op grond van artikel 10.1 van de Jeugdwet zijn de Inspectie gezondheidszorg en jeugd en de Inspectie Openbare Orde en Veiligheid belast met het toezicht op de kwaliteit van jeugdhulpaanbieders. Dit neemt echter niet weg dat de gemeente zelf ook een verantwoordelijkheid heeft, welke verder strekt dan het jaarlijkse cliëntervaringsonderzoek dat op grond van artikel 2.10 Jeugdwet; artikel 2.5.1 Wmo 2015 uitgevoerd moet worden.

 

Artikel 5.2.2 Veiligheidseisen jeugdhulp

Bij alle voorzieningen voor jeugdhulp is het belangrijk dat deze veilig en inwoner gericht worden verstrekt. Dit betekent dat jeugdhulpverleners, of zij nou professionals, vrijwilligers of vanuit een pgb gefinancierde informele jeugdhulpverleners zijn; moeten beschikken over de juiste deskundigheid en vaardigheden. Als dat aan de orde is; moeten zij uiteraard ook voldoen aan geldende wettelijke eisen.

 

Om een minimale basisveiligheid in te bouwen wordt van jeugdhulpverleners een VOG gevraagd. Ook wordt gekeken of de jeugdhulpverlener wel over de juiste opleidingspapieren beschikt die gelet op de beperkingen van de inwoner en de te verlenen hulp nodig zijn. Welke papieren/diploma’s dit zijn zal per situatie verschillen en is daarom in dit artikel niet verder uitgewerkt. Wel is vastgelegd dat dit in beleid en contracten nader moet worden uitgewerkt. Voor professionals is een extra verzekeringseis opgenomen en wordt een SKJ-registratie of BIG-registratie verlangd.

 

Bij ZIN-aanbieders wordt dit contractueel afgesproken en kan hier vanuit toezicht op gecontroleerd worden. Bij Pgb-aanbieders wordt dit gecontroleerd door de gemeente en vormt het een onderdeel van de screening van het Pgb-plan.

 

Artikel 5.2.3 Verhouding prijs en kwaliteit levering jeugdhulp door derden

De gemeente kan de uitvoering van de Jeugdwet, met uitzondering van de vaststelling van de rechten en plichten van de inwoner, door aanbieders laten verrichten (artikel 2.11, eerste lid, van de Jeugdwet). Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugd-reclassering gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermings-maatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.12 van de Jeugdwet). Daarbij dient in ieder geval rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden. Om te voorkomen dat er alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de uitvoering worden in dit artikel een aantal andere aspecten genoemd waar-mee de gemeente bij het vaststellen van tarieven (naast de prijs) rekening dient te houden. Hiermee wordt bereikt dat er een beter beeld ontstaat van een reële kostprijs voor de door aanbieders uit te voeren activiteiten. Uitgangspunt is dat de aanbieder kundig personeel inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Hiervoor is ten minste een beeld nodig van de vereiste activitei-ten en de arbeidsvoorwaarden die daarbij horen. Dit biedt een waarborg voor werknemers dat hun werkzaamheden aansluiten bij de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden.

 

Artikel 5.2.4 Klachtregeling

In de regel zal eerst de aanbieder worden aangesproken bij klachten over de wijze van behandeling. De klachtmogelijkheid tegenover de aanbieder is geregeld in artikel 4.2.1 e.v. van de Jeugdwet. Pas wanneer dit klachtrecht niet bevredigend is, of niet logisch, bijvoorbeeld bij gedragingen van gemeente-ambtenaren, dan komt de gemeentelijke klachtmogelijkheid in zicht.

 

Artikel 5.2.5 Vertrouwenspersoon

Met het vervallen van artikel 2.6, eerste lid onder f van de Jeugdwet is de gemeente niet langer verant-woordelijk voor het instellen van een vertrouwenspersoon. Op grond van artikel 2.5 van de Jeugdwet dient de gemeente inwoners en hun ouders wel te wijzen op de mogelijkheid om gebruik te maken van de diensten van een vertrouwenspersoon en zal de gemeente het mogelijk moeten maken dat de vertrouwenspersoon zijn functie kan vervullen.

 

Paragraaf 5.3 Voorwaarden jeugdhulpvoorziening

 

Artikel 5.3.1 Vormen van jeugdhulp

Dit artikel geeft een nadere uitwerking van de verplichting uit artikel 2.9, onder a, van de Jeugdwet om in de verordening regels te stellen over de door de gemeente te verlenen individuele voorzieningen en overige (jeugdhulp)voorzieningen. Uit de memorie van toelichting komt naar voren dat de burger recht heeft op een duidelijk beeld van het aanbod van voorzieningen binnen de gemeente (Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3). Een beschrijving van het voorzieningenaanbod, waardoor de inwoner zich een beeld kan vormen van de voorzieningen waarop in het kader van jeugdhulp een beroep kan doen, is dan ook gewenst.

 

Voorzieningen in de zin van de Jeugdwet zijn gerelateerd aan de drieledige wettelijke definitie van jeugdhulp uit artikel 1.1 van de Jeugdwet. Een voorziening kan derhalve een breed spectrum van verschillende soorten ondersteuning, hulp en zorg omvatten. Het begrip 'voorziening' is een lastig te vatten begrip. De wetgever waagt zich dan ook niet aan een definitie, maar geeft wel in de memorie van toelichting aan dat de door de gemeente te treffen voorziening zowel een algemene, vrij toegankelijke voorziening kan zijn als een individuele voorziening. Een individuele voorziening zal vaak betrekking hebben op meer gespecialiseerde zorg. De gemeente bepaalt zelf welke hulp vrij toegankelijk is en welke niet. Voor de niet vrij toegankelijke vormen van ondersteuning zal door de gemeente of door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts en de jeugdhulp-aanbieder eerst beoordeeld moeten worden of de jeugdige of zijn ouders deze ondersteuning daadwerkelijk nodig hebben (zie toelichting bij paragraaf 5.1).

 

Artikel 5.3.2 Toegang algemene voorziening

In de verordening is onderscheid gemaakt tussen algemene (overige) voorzieningen en individuele voorzieningen op het gebied van jeugdhulp (artikel 5.3.1). Algemene voorzieningen zijn vrij toegankelijk. Voor een deel van de hulpvragen zal volstaan kunnen worden met een vrij-toegankelijke voorziening. Hier kan de inwoner of zijn ouders gebruik van maken zonder dat daarvoor een verwijzing of een besluit van de gemeente nodig is. De inwoner of zijn ouders kan zich voor deze jeugdhulp dus rechtstreeks tot de jeugdhulpaanbieder wenden.

 

Artikel 5.3.3 Uitgangspunten individuele voorzieningen

In dit artikel wordt duidelijk gemaakt welke uitgangspunten de gemeente hanteert bij het beoordelen van een aanvraag voor een individuele jeugdhulpvoorziening. De gemeente werkt bij het verstrekken van individuele voorzieningen met het arrangementenmodel van de Gemeenschappelijke Regeling Jeugdhulp Rijnmond (GRJR).

 

De kwaliteit en veiligheid nemen een centrale plaats in bij het verstrekken van jeugdhulp. Het voorkomen dat de toegekende voorziening zelf een belemmerende factor is of wordt speelt hierin een belangrijke rol. De gemeente probeert ook te voorkomen dat de inwoner of zijn ouders langer afhankelijk zijn van jeugdhulp dan nodig.

 

Na afloop van de indicatie op hulpvorm als bedoeld in het tweede lid onder c, d of e kan een waakvlamconstructie worden ingezet zodat de jeugdige en/of het gezinssysteem kortdurend nog een beroep kan doen op eerder geboden hulpvorm ter borging van het aangeleerde. Het is een vorm van preventieve nazorg na een traject of om intensievere hulpverlening af te bouwen.

 

Artikel 5.3.4 Aanvullende uitgangspunten voor het resultaatgebied sociaal en persoonlijk functioneren

Voorziening is gericht op activering of ondersteuning

Begeleiding is gericht op activering of ondersteuning van de jeugdige en/of zijn ouder(s). Bij de inzet van een activerende ondersteuning stelt de gemeente meetbare doelen en eventueel een tijdslimiet vast waarin die doelen bereikt moeten worden/waarin aan de doelen gewerkt moeten worden. Voor zover nodig wordt een waakvlamcontact ingezet. Een activerende voorziening is gericht op het leren omgaan door ouders en jeugdige met de ervaren problematiek. Het is niet gericht op het overnemen van hulp, zorg en begeleiding van de ouders of andere ondersteuners. De gemeente verlengt de duur van activerende begeleiding in beginsel niet. De gemeente kan de duur van de begeleiding alleen dan verlengen wanneer de ouders en de jeugdhulpaanbieder gemotiveerd onderbouwen waarom het nog niet gelukt is de begeleiding door het gezinssysteem over te laten nemen. De verlenging duurt niet langer dan maximaal zes maanden tenzij er sprake is van een ernstig (dreigend) overbelast systeem, er sprake is van ernstige lichamelijke of psychische stoornis en/of er sprake is dat de veiligheid in het gezinssysteem niet kan worden gewaarborgd.

 

Ondersteunende begeleiding is uitsluitend gericht op:

  • 1.

    Het overnemen van persoonlijke verzorging bij een ernstige chronische beperking van de jeugdige.

  • 2.

    Inzet voor respijtzorg wanneer jeugdige is aangewezen op permanent toezicht.

Artikel 5.3.5 Aanvullende uitgangspunten voor het resultaatgebied herstel, vermindering, stabilisatiestoornis jeugdige

Dit artikel spreekt voor zich.

 

Artikel 5.3.6 Aanvullende uitgangspunten voor het resultaatgebied opvoeding en versterking mogelijkheden ouders

Dit artikel spreekt voor zich.

 

Artikel 5.3.7 Algemene criteria voor het toekennen van individuele voorzieningen

In de jurisprudentie op het terrein van de Wmo 2015 is inmiddels herhaaldelijk bepaald dat weigerings-gronden, wil er een beroep op kunnen worden gedaan, een grondslag in de verordening moeten hebben. Deze jurisprudentie staat ook wel bekend als de “essentialia jurisprudentie” (CRvB 10 november 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO7133 en CRvB 17 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1803) en is door rechtbanken inmiddels ook doorgetrokken naar de Jeugdwet (Rb. Noord-Nederland 23 maart 2018, ECLI:NL:RBNNE:2018:1092; en Rb. Gelderland ECLI:NL:RBGEL:2017:3801). Ook in het kader van rechtszekerheid is hier iets voor te zeggen. Door het opnemen van heldere weigeringsgronden kan de inwoner of zijn ouders zelf zijn rechtspositie bepalen. Bovendien is met dit artikel invulling gegeven aan de verplichting van artikel 2.9, onder a, van de Jeugdwet, omdat is aangegeven onder welke voorwaarden en op grond welke beoordelingscriteria en afwegingscriteria iemand voor een individuele voorziening in aanmerking kan komen.

 

Dit artikel is volledig herschreven naar aanleiding van drie uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 29 mei 2024: ECLI:NL:CRVB:2024:1095, ECLI:NL:CRVB:2024:1096 en ECLI:NL:CRVB:2024:1097 over de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen (eigen kracht) als bedoeld in artikel 2.3 van de Jeugdwet. De CRvB heeft geoordeeld dat de gemeenten in de verordening moeten regelen wat de ouderlijke verzorgings- en opvoedingsplicht inhoudt en wanneer er gelet op deze plicht sprake is van eigen kracht, gebruikelijke hulp en/of bovengebruikelijke hulp. Op basis van de uitspraken is in dit artikel uitgewerkt wat het college onder eigen kracht verstaat, dat actieve inzet van ouder(s) wordt verwacht indien de hulpvraag voortkomt uit evidente gezinsproblematiek en wat van ouders verwacht wordt om hun eigen kracht te vergroten en te versterken.

Uit het derde lid blijkt dat de gemeente een individuele voorziening kan toekennen aan een jeugdige wanneer hij een hulpvraag heeft die voortkomt uit evidente gezinsproblematiek. Het gaat hier bijvoorbeeld om hulpvragen die er anders niet zouden zijn geweest als er ook geen gezinsproblematiek was. Denk aan jeugdigen van wie de ouders in (een complexe) scheiding zitten. Het toekennen van een individuele voorziening heeft dan ook het doel om de jeugdige handvatten te bieden zodat hij met de situatie kan omgaan. De duur en omvang van de voorziening hangt per situatie af en is ter beoordeling aan de consulent.

De gemeente neemt daarbij in overweging dat een eventuele weigering van de voorziening geen nadelige gevolgen mag hebben voor van de jeugdige.

 

Artikel 5.3.7a Gebruikelijke hulp

Dit artikel is nieuw in de verordening. De gemeente Lansingerland had namelijk in de beleidsregels uitgewerkt wat onder gebruikelijke hulp verstaan moest worden. Op basis van de bovengenoemde uitspraken van de CRvB hevelen we dit artikel over naar de verordening en hebben we die op een aantal punten uitgebreid dan wel aangescherpt. Het college beoordeelt aan de hand van de Richtlijn ‘gebruikelijke zorg’ (die als bijlage wordt toegevoegd aan de verordening) wanneer sprake is van gebruikelijke zorg.

 

Artikel 5.3.7b Bovengebruikelijke hulp

Dit artikel is nieuw en hierin benoemen we wat onder bovengebruikelijke hulp wordt verstaan.

Uit rechtspraak van de CRvB (ECLI:NL:CRVB:2021:1327 en ECLI:NL:CRVB:2019:2362) volgt dat bovengebruikelijke hulp ook onder 'eigen kracht' kan vallen. Dit moet de gemeente goed onderzoeken. Het derde lid bevat vier factoren die de gemeente kan onderzoeken bij de vraag of er sprake is van bovengebruikelijke hulp.

 

Artikel 5.3.8 Aanvullende criteria voor het ondersteuningselement vervangende opvoeding jeugdige

Dit artikel spreekt voor zich.

 

Artikel 5.3.9 Aanvullende criteria voor het ondersteuningselement dagbehandeling of dagbesteding

Dit artikel spreekt voor zich.

 

Artikel 5.3.10 Aanvullende criteria individuele voorziening vaktherapie

Vaktherapie kan bij complexe of meervoudige problematiek als onderdeel van concreet behandelplan worden aangeboden aan individuele jeugdigen. Het is een behandelvorm voor mensen met psychiatrische stoornissen en psychosociale problematiek. Voorbeelden zijn beeldende therapie, danstherapie, dramatherapie, muziektherapie, speltherapie en psychomotorische therapie.

 

Vaktherapie moet een duidelijk geobjectiveerd doel dienen om voor vergoeding vanuit de jeugdwet in aanmerking te kunnen komen. Een concreet behandelplan is daarom een vereiste. Een concreet behandel-plan bestaat uit een beschrijving van de hulpvraag, het doel van de inzet, het gewenste resultaat van de behandeling en een omschrijving van de behandeling met een inschatting van het aantal benodigde sessies. Met het oog op de kwaliteit is een registratie bij de Stichting Register Vaktherapeutische Beroepen (SRVB) verplicht.

 

De gemeente hanteert bij de inzet van vaktherapie via Pgb maximaal het uurtarief van de ingekochte en gecontracteerde vaktherapie. In dit uurtarief is indirecte tijd verdisconteerd. Er wordt een maximum van 18 uren directe tijd gehanteerd in artikel 5.3.10 lid 1, sub c. Naast de tijd die wordt besteed aan de directe cliëntgebonden werkzaamheden (therapiesessie) zal er ook tijd nodig zijn voor indirecte cliënt-gebonden werkzaamheden zoals: het opstellen van een behandelplan, verslaglegging ten behoeve van het dossier, evaluatie met jeugdige of gezinssysteem, overleg met betrokken behandelaren en school. Deze indirecte tijd is niet declarabel, omdat deze uren in het tarief verdisconteerd zijn.

 

Artikel 5.3.11 Aanvullende criteria individuele voorziening dierentherapie

Belangrijk uitgangspunt voor de vergoeding van dierentherapie is dat de begeleiding effectief is. De inzet van een dier is hierbij instrumenteel aan het begeleidingsplan. De gemeente hanteert daarom ook maxi-maal hetzelfde tarief voor dierentherapie als voor begeleiding waarbij geen dier wordt ingezet ter ondersteuning van de begeleiding.

 

Artikel 5.3.12 Zeventien en een half-jarigen

Dit artikel waarborgt een soepele overgang, indien van toepassing, tussen ondersteuning vanuit de Jeugdwet en de Wmo 2015.

 

Op grond van artikel 1.2, lid 1, aanhef en onder a Jeugdwet is het niet toegestaan om een inwoner die valt onder de Jeugdwet alvast een Wmo voorziening te verstrekken. Wel volgt uit Artikel 2.1.2, lid 4, aanhef en onder e Wmo 2015 dat de gemeente in haar plan aandacht moet besteden aan een soepele overgang vanuit het oogpunt van continuïteit. In artikel 2.1.3, lid 1 Wmo 2015 is bepaald dat ter uitvoering van het plan bij verordening regels moeten worden gesteld. Met deze bepaling wordt hierin voorzien.

 

Artikel 5.3.13 Afbakening Jeugdwet en Wet passend onderwijs

De Wet Passend Onderwijs is voorliggend aan de Jeugdwet. Scholen hebben een zorgplicht en moeten extra ondersteuning bieden aan leerlingen die dit nodig hebben. Begeleiding van kinderen met problemen op school is in eerste instantie de verantwoordelijkheid van school. De afbakening tussen de zorgplicht van scholen en de jeugdhulpplicht van gemeenten is echter niet altijd even duidelijk. In de praktijk is er soms sprake van een grijs gebied, waarbij het Samenwerkingsverband Passend Onderwijs samen met ouders en onderwijs verkennen welke ondersteuning op basis van deze wetten tot een passend ondersteunings-aanbod leidt. Scholen maken daartoe een ontwikkelingperspectiefplan. Grofweg kan het volgende onderscheid gemaakt worden: extra ondersteuning die primair is gericht op het leerproces, is de verantwoordelijkheid van de school. Is extra ondersteuning ook op andere gebieden nodig, dan kan de gemeente verantwoordelijk zijn.

 

Alleen in uitzonderlijke situaties; als toezicht en aansturen meer vraagt dan van school en ouders kan worden verwacht en de mogelijkheden vanuit de Wet passend onderwijs ontoereikend zijn kan begeleiding zijn geïndiceerd. Als er geen sprake is van een ontheffing van de leerplicht, is in eerste instantie het onderwijs aan zet om passende ondersteuning te bieden en heeft de gemeente geen jeugdhulpplicht.

 

Het uitgangspunt is dat leerlingen zoveel mogelijk in de reguliere omgeving onderwijs kunnen volgen. Door kinderen zoveel mogelijk in het regulier of speciaal onderwijs te behouden, waardoor zij met een diversiteit aan klasgenoten opgroeien, wordt het fundament gelegd voor een meer inclusieve samenleving. We proberen plaatsing naar alternatieven in de vorm van jeugdhulp te voorkomen. Daarnaast is het voor alle kinderen, met of zonder ondersteuningsbehoefte, goed voor hun sociale netwerk om dicht bij huis naar school te gaan zodat zij in hun wijk dezelfde kinderen tegenkomen.

 

Artikel 5.3.14 Diagnostisch onderzoek

Uit artikel 5.3.13 blijkt al dat de gemeente in beginsel geen individuele voorziening verstrekt voor diagnostische onderzoeken of –testen die gericht zijn op het onderwijs. In bepaalde gevallen kan zo’n onderzoek wel nodig zijn. Artikel 5.3.14 bepaalt in welke situaties dat kan en wat de voorwaarden dan zijn.

 

Zo wordt diagnostiek alleen ingezet wanneer dit in het belang van het kind is, dus niet wanneer dit voornamelijk in het belang is van de school of de ouder(s). Voor het kind kunnen diagnoses belemmerend werken: jeugdigen zijn volop in ontwikkeling waardoor diagnoses op later leeftijd niet meer passend hoeven te zijn (zie onderzoek UU “Welk effect hebben diagnostische labels op het welzijn van kinderen?”). Ook kunnen diagnoses leiden tot stigmatisering (zie NJI ‘voorzichtig zijn met labels’). Als laatste kan diagnostisch onderzoek een vertekende uitslag geven wanneer sprake is van een instabiele thuissituatie, waardoor ook in deze gevallen terughoudendheid gepast is.

 

Artikel 5.3.15 Samenwerkingsafspraken met scholen

Dit artikel spreekt voor zich.

 

Paragraaf 5.4 Aanvullende voorwaarden persoonsgebonden budget

 

Artikel 5.4.1 Verzoek

Het uitgangspunt van de Jeugdwet is dat de inwoner of zijn ouder de jeugdhulpvoorziening “in natura” krijgt. De gemeente kan een jeugdhulpvoorziening op grond van een verzoek van de inwoner of zijn ouders in de vorm van een Pgb verstrekken. Deze mogelijkheid is geregeld in artikel 8.1.1 van de Jeugdwet. Van belang is dat een Pgb alleen wordt verstrekt als de inwoner of zijn ouders met een Pgb plan kan aantonen dat hij, al dan niet met hulp uit zijn netwerk, met het Pgb in staat is om kwalitatief goede en effectieve ondersteuning te realiseren, die ook veilig is voor de inwoner en zijn omgeving en die beter is dan wat de gemeente kan bieden via een gecontracteerde aanbieder. In dit artikel zijn voor de beoordeling daarvan door de gemeente een aantal voorwaarden gesteld aan het verzoek om een Pgb. Op het moment dat het gaat om een verzoek tot verlenging van een indicatie voor een jeugdhulpvoorziening moet ook het zorg-plan als bedoeld in artikel 5.4.7 worden meegestuurd en dient er verantwoording afgelegd te worden over de resultaten van de inzet in de afgelopen periode.

 

Artikel 5.4.2 Pgb plan

Lid 1: Met het Pgb plan laat de inwoner of zijn ouders zien dat hij er bewust voor kiest om de jeugdhulp-voorziening niet in natura af te nemen, bij een door de gemeente gecontracteerde leverancier, maar in de vorm van een Pgb. De inwoner of zijn ouders moet hierin aangeven waarom hij het “in natura” aanbod van de gemeente niet passend vindt (artikel 8.1.1, tweede lid, aanhef en onder b van de Jeugdwet). Op basis van het Pgb plan moet de gemeente kunnen beoordelen of de inwoner, of de persoon uit zijn netwerk die namens hem het Pgb-beheer op zich wil nemen, zich voldoende beseft welke verantwoordelijkheden een Pgb met zich meebrengt en dat hij de bij een Pgb behorende taken op een verantwoorde manier kan uitvoeren.

 

Lid 2: In het tweede lid zijn een aantal aspecten opgenomen die in elk geval in het Pgb plan benoemd moeten worden om aan de in het eerste lid genoemde voorwaarden te voldoen. Het gaat in de eerste plaats om een toelichting op de keuze voor een Pgb en een motivering waarom het “in natura” aanbod niet passend zou zijn (a), een beschrijving van de voorziening waaraan de inwoner het Pgb wil besteden (b) en bij wie (c). Ook wordt van de inwoner of zijn ouders verwacht dat hij aangeeft waarom hij juist voor deze leverancier/jeugdhulpverlener heeft gekozen, waarbij gedacht kan worden aan een toelichting op de wijze waarop hij zich op het ondersteuningsaanbod heeft georiënteerd (d). Hiernaast zal de inwoner of zijn ouders aan moeten geven welke kostprijs de beoogde leverancier/jeugdhulpverlener hanteert (e) en welke contract vorm, conform het model van de SVB (overeenkomst van opdracht met zorginstelling, zorg-overeenkomst met partner of familielid, zorgovereenkomst van opdracht, of arbeidsovereenkomst), men kiest (f). Tot slot zijn er een aantal aspecten die betrekking hebben op het waarborgen van de kwaliteit en effectiviteit van de in te kopen hulp. Dan gaat het om kwaliteitsborging, waarbij gedacht kan worden aan diploma’s en keurmerken (g), maar ook hoe de aansturing van de leverancier/jeugdhulp-verlener in de praktijk is geregeld, met bijvoorbeeld evaluatiemomenten, zodat de jeugdhulpverlener/ leverancier weet wat hij moet doen (h). Ook wordt van de inwoner of zijn ouders, of de beheerder uit zijn netwerk, verwacht dat hij een controleplan heeft (i) en dat wordt aangegeven hoe de administratie, waaronder indien van toepassing het in artikel 5.4.7 genoemde zorgplan, wordt bijgehouden (j). Tevens moet het Pgb plan laten zien dat er is nagedacht over hoe men gaat handelen als de leverancier/jeugd-hulpverlener de gemaakte afspraken niet nakomt (k) of als er zich een calamiteit voordoet (l).

 

Lid 3: Als een inwoner de beoogde leverancier/jeugdhulpverlener naar het professionele tarief wil betalen dan gelden er een aantal aanvullende eisen. Om te kunnen controleren of daaraan wordt voldaan bevat het derde lid een aantal aanvullende stukken die bij het Pgb plan gevoegd moeten worden.

 

Artikel 5.4.3 Beheer

Het beheren van het Pgb kan door zowel de inwoner of zijn ouders als door een derde namens de inwoner of zijn ouders (Pgb-beheerder) worden uitgevoerd. Voordat een Pgb wordt toegekend beoordeelt de gemeente of de inwoner of zijn ouders, of de beoogde Pgb-beheerder namens hem, in staat is om de beheerstaken op een verantwoorde manier uit te voeren. Niet iedereen is namelijk in staat om naar behoren een Pgb te beheren. In dit artikel worden een aantal beoordelingscriteria gesteld.

 

Lid 1: Een Pgb-beheerder zal uiteraard in staat moeten zijn om de ondersteuningsbehoefte over te brengen aan de leverancier/hulpverlener (a), maar er wordt ook gekeken naar factoren die er op wijzen dat men geen gezond beheer kan voeren (b) en risicofactoren in de vorm van verslavingsproblematiek (c), een verstandelijke beperking, een ernstig psychiatrisch ziektebeeld of een cognitieve stoornis (d) die maken dat men de taken niet (zelfstandig) op een (voldoende) verantwoorde manier uit kan voeren. Een fraude-verleden is eveneens een reden om geen Pgb te verstrekken, waarbij voor de termijn van vier jaar is aangesloten bij de termijn die het Ministerie van Justitie en Veiligheid terugkijkt bij het afgeven van een VOG (e). Tot slot zal men, met het oog op het kennen en kunnen aangaan van de verplichtingen, de Nederlandse taal voldoende machtig moeten zijn (f).

 

Lid 2: Op het moment dat de inwoner of zijn ouders zelf niet in staat kan worden geacht om het Pgb te beheren bestaat er de mogelijkheid dat een derde dit namens de inwoner of zijn ouders doet. Deze derde kan een wettelijk vertegenwoordiger zijn, dat wil zeggen dat hij door de rechtbank is benoemd om namens de inwoner zaken te regelen (bewindvoerder, curator of mentor), of iemand die door de inwoner of zijn ouders zelf schriftelijk als vertegenwoordiger wordt gemachtigd. Op het moment dat een derde namens de inwoner het Pgb gaat beheren dan moet hij uiteraard aan dezelfde eisen voldoen als de inwoner. Om er voor te zorgen dat het Pgb door deze derde op een juiste wijze zal worden beheerd, worden er aan deze derde een aantal aanvullende eisen gesteld. Zo zal deze derde allereerst van onbesproken gedrag moeten zijn (a). Ook moet deze derde voldoende tijd hebben en voldoende zicht hebben op de situatie van de inwoner; om te waarborgen dat de leverancier/ondersteuningsverlener zijn verplichtingen nakomt (b). Hij zal dit met de inwoner en zijn ouders moeten kunnen bespreken (c) en ook moeten er geen andere belangen in de relatie tussen hem en de inwoner of zijn ouders (d) of tussen hem en de leverancier/ondersteuningsverlener (e) zijn; die het uitvoeren van deze taak zouden kunnen verstoren. In het kader van een te nauwe band met de leverancier/ondersteuningsverlener kan bijvoor-beeld gedacht worden aan een nauwe familierelatie (tot de vierde graad) of een zakelijke relatie waarbij de Pgb-beheerder tevens de boekhouder van de leverancier/ ondersteuningsverlener is. Het is aan de gemeente om dit in de individuele situatie te beoordelen. In het eerste en tweede lid is bewust de keuze gemaakt om de combinatie waarin ouders het Pgb beheren en tevens (een deel van) de hulp leveren wel toe te staan, hoewel ook hier gesproken zou kunnen van onverenigbare rollen (CRvB 27 november 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3761).

 

Lid 3: Om te voorkomen dat Pgb verzoeken waarbij de inwoner en zijn ouders zelf niet in staat zijn om het beheer op zich te nemen langdurig blijven liggen, omdat de inwoner of zijn ouders niet in staat is om een geschikte beheerder in zijn netwerk aan te wijzen, bevat het derde lid een beperking met betrekking tot het opnieuw aandragen van een andere Pgb-beheerder. Op het moment dat de inwoner er niet in slaagt om een geschikte beheerder aan te dragen wordt het verzoek om een Pgb afgewezen. De inwoner krijgt dan de jeugdhulpvoorziening toegekend in de vorm van zorg in natura bij een door de gemeente gecontracteerde leverancier.

 

Artikel 5.4.4 Hoogte Persoonsgebonden budget

In dit artikel wordt aangegeven hoe de hoogte van het tarief wordt bepaald en worden ook de informele tarieven vastgelegd. Hiermee wordt invulling gegeven aan artikel 2.9, onder c, van de Jeugdwet. Hierin staat dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld.

 

In artikel 8.1.1, vierde lid, onderdeel a, van de Jeugdwet is bepaald dat de gemeente een pgb kan weigeren voor zover de kosten van het betrekken van de hulp van derden hoger zijn dan de kosten van de individuele voorziening die de gemeente zelf heeft ingekocht. Zo wordt voorkomen dat inkoopvoordelen zouden wegvallen als te veel personen zelf ondersteuning willen inkopen met een pgb. Om in aanmerking te komen voor het formele tarief moet bovendien aan een aantal voorwaarden worden voldaan. Dit is ook terug te vinden in artikel 5.4.2, lid 3. De genoemde tarieven betreffen de maximale tarieven. Op het moment dat uit de bij het Pgb-plan ingediende offerte blijkt dat de leverancier/jeugdhulpverlener van de inwoner een lager tarief hanteert dan volgt de gemeente dat lagere tarief.

 

De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft in augustus 2023 twee uitspraken gedaan die gevolgen hebben voor de hoogte van het Pgb-uurtarief waarmee een persoon uit het sociaal netwerk wordt ingehuurd (ECLI:NL:CRVB:2023:1394 en ECLI:NL:CRVB:2023:1580). Hoewel het in deze uitspraken ging om de Wmo 2015, zijn die van overeenkomstige toepassing op de Jeugdwet.

 

Als gevolg van die uitspraken moet de gemeente in de verordening uitgaan van het volgende tarief: het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij de Functie Waardering Gezondheidszorg (FWG 30) van de voor de betreffende periode geldende cao VVT, te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren.

 

Bij de tarieven voor kortdurend verblijf, waarbij dus geen continue begeleiding plaatsvindt, is een splitsing gemaakt tussen een dagdeel (ochtend/middag circa 4 uren) en een etmaal (24 uur).

 

Artikel 5.4.5 Niet in het tarief

Het Pgb is uitsluitend bedoeld voor de inkoop van jeugdhulp. Eventuele kosten die verbonden zijn aan het beheren van het Pgb, als gevolg van de vrijwillige keuze voor een Pgb, komen voor rekening van de inwoner of zijn ouders zelf. Het Pgb bevat daarom ook geen vrij besteedbaar deel.

 

Artikel 5.4.6 Gebruik pgb

Dit artikel spreekt voor zich.

 

Artikel 5.4.7 Zorgplan

Van de inwoner of zijn ouders en zijn hulpverlener wordt verwacht dat zij een zorgplan opstellen en dit actueel houden. Dit zorgplan moet ook binnen drie maanden (dezelfde termijn als waarbinnen het Pgb op grond van artikel 5.4.6 moet worden aangewend) aan de gemeente worden toegezonden. Het is de bedoeling dat dit zorgplan ook wordt bijgehouden, zodat dit bij een eventueel heronderzoek of bij een verzoek om verlenging van de indicatie kan worden bekeken om te zien hoe de hulpverlening is verlopen en wat het resultaat daarvan is geweest.

 

Artikel 5.4.8 Weigering pgb

Het Pgb wordt logischerwijs geweigerd als niet is voldaan aan de voorwaarden om voor een Pgb in aanmerking te komen. Voordat een Pgb wordt toegekend moet dan ook door de gemeente getoetst worden aan de in artikel 8.1.1, lid 2 van de Jeugdwet opgenomen criteria. In dit artikel wordt dan ook aandacht besteed aan deze criteria.

 

Eén van die criteria is dat de kwaliteit van de in te kopen hulp naar het oordeel van de gemeente geborgd is. In dat kader moet de gemeente, bij de wens om hulp van het sociale netwerk te betrekken, beoordelen of de benodigde hulp wel door het sociale netwerk geboden kan worden. Als de conclusie is dat de ontwikkeldoelen niet bereikt kunnen worden als de betreffende hulp door iemand uit het sociale netwerk wordt geboden, kan dat reden zijn om het pgb te weigeren. De kwaliteit van de in te zetten hulp is dan immers niet geborgd. Tegen deze achtergrond is in deze verordening een uitsluitingsgrond opgenomen voor het ontvangen van ggz-behandeling die wordt geboden door een persoon uit het sociale netwerk. GGZ-behandeling kan, gelet op de aard van de hulp, alleen door een professional worden geboden. Professionele hulp vergt een objectieve en onafhankelijke blik. Een persoon uit het sociaal netwerk is door de relatie met de jeugdige, ongeacht zijn of haar diploma’s en werkervaring, niet in staat een professionele afstand tot de jeugdige te bewaren en dus de vereiste professionaliteit te bieden die vereist is voor dit type jeugdhulp.

 

In lid 3 is bepaald dat een SKJ- of BIG-registratie niet altijd vereist is. Afwijking van deze eis is mogelijk, mits dat past binnen de Norm van de Verantwoorde Werktoedeling.

 

Artikel 5.4.9 Opschorting betaling uit het pgb

Dit artikel spreekt voor zich.

 

Paragraaf 5.5 Nadere uitwerking

 

Artikel 5.5.1 Nadere regels stellen

Dit artikel spreekt voor zich.

 

Hoofdstuk 6. Werk en re-integratie

 

Paragraaf 6.1 Algemene bepalingen

 

De gemeente heeft een brede taak bij het ondersteunen van haar inwoners op het gebied van re-integratie/arbeidsinschakeling (artikel 10 Participatiewet; artikel 36 IOAW; artikel 36 IOAZ). Deze paragraaf bevat algemene, globale regels met betrekking tot die taak. Re-integratie vraagt om maatwerk en leent zich daarom niet tot het formuleren van gedetailleerde regels die op iedere situatie van toepassing zijn. Het is helemaal afhankelijk van iemands mogelijkheden en beperkingen wat in het concrete geval een passend re-integratietraject is. Daarom bieden deze regels ruimte om op een aantal punten afwegingen te maken in individuele situaties.

 

Bij verordening moeten regels worden vastgesteld ten aanzien van re-integratie/arbeidsinschakeling op de volgende punten (artikel 8a, lid 1, aanhef en onder a, c, d en e; lid 2, aanhef en onder a en b van de Participatiewet):

  • de voorwaarden waaronder personen, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a en artikel 10, eerste lid van de Participatiewet, en werkgevers van deze personen in aanmerking komen voor ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en in de verordening omschreven voorzieningen die gericht zijn op de arbeidsinschakeling en hoe deze rekening houden met omstandigheden, zoals de zorgtaken, en het feit dat die persoon tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort of gebruik maakt van de voorziening beschut werk, bedoeld in artikel 10b van de Participatiewet of een andere structurele functionele beperking heeft, evenwichtig over deze personen worden verdeeld;

  • het aanbod van scholing of opleiding, bedoeld in artikel 10a, vijfde lid van de Participatiewet;

  • de premie voor het verrichten van onbeloonde additionele werkzaamheden, waarbij in elk geval de hoogte van de premie moet worden bepaald in relatie tot de armoedeval, bedoeld in artikel 10a, zesde lid van de Participatiewet; en

  • het verrichten van werkzaamheden in een beschutte omgeving, bedoeld in artikel 10b van de Participatiewet.

Aanpassingen naar aanleiding van de wetswijziging ‘Breed offensief’

Bij brief van 7 september 2018 heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid onder de noemer “Breed offensief” maatregelen aangekondigd om meer mensen met een arbeidsbeperking aan het werk te helpen. Voor een deel was daar een wetswijziging voor nodig. In de wet “Wijziging van de Participatiewet en enkele andere wetten in verband met het verbeteren van de regeling voor loonkosten-subsidie en enkele andere wijzigingen (uitvoeren breed offensief)” is het juridisch raamwerk rondom deze maatregelen neergelegd. Het doel van de maatregelen is dat meer mensen met een arbeidsbeperking aan het werk komen en blijven. Het gaat om mensen met een beperking die niet zelfstandig het minimumloon kunnen verdienen en vallen onder de doelgroep banenafspraak of die zijn aangewezen op beschut werk. De bij verordening te regelen uitwerking van deze maatregelen, opgenomen in artikel 8a, tweede lid, onder c tot en met g, van de Participatiewet, is neergelegd in hoofdstuk 6 van deze verordening. Daarmee wordt het uit de wet voortvloeiende belang van het bieden van specifieke ondersteuning voor deze doelgroep duidelijk geborgd.

 

Artikel 6.1.1 Begrippen

De doelgroep wordt gevormd door personen zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, sub a, van de Participatiewet.

 

Het betreft personen:

  • -

    die algemene bijstand ontvangen;

  • -

    als bedoeld in artikel 34a, vijfde lid onderdeel b van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: WIA), artikel 35, vierde lid, onderdeel b, van de WIA en artikel 36, derde lid, onderdeel b van de WIA tot het moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de Participatiewet is verleend;

  • -

    als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de Participatiewet;

  • -

    met een nabestaanden- of wezenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (hierna: ANW);

  • -

    met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (hierna: IOAW);

  • -

    met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (hierna: IOAZ);

  • -

    zonder uitkering;

en die volgens de gemeente voor de arbeidsinschakeling zijn aangewezen op een door de gemeente aangeboden voorziening.

 

De Participatiewet schrijft niet uitputtend voor welke voorzieningen de gemeente moet aanbieden. Het enige criterium is dat de voorziening gericht moet zijn op de arbeidsinschakeling en moet bijdragen aan het (op termijn) mogelijk maken van reguliere arbeid door een persoon. Met het oog op een evenwichtige verdeling van het budget over de doelgroep wordt een onderscheid gemaakt tussen inwoners met een grote afstand tot de (reguliere) arbeidsmarkt en inwoners met een korte afstand tot de (reguliere) arbeidsmarkt. Al naar gelang de afstand van een persoon tot de (reguliere) arbeidsmarkt kan een voor-ziening gericht zijn op bijvoorbeeld sociale activering en het voorkomen van een isolement (zoals het doen van vrijwilligerswerk met behoud van uitkering), het leren van vaardigheden of kennis of het opdoen van werkervaring (bijvoorbeeld via gesubsidieerd werk). Ook is het mogelijk dat een gemeente in individuele gevallen een persoonsgebonden re-integratiebudget ter beschikking stelt.

 

Onder een grote afstand tot de (reguliere) arbeidsmarkt wordt verstaan dat een inwoner redelijkerwijs niet binnen een half jaar geschikt is voor deelname aan de (reguliere) arbeidsmarkt. Onder een korte afstand tot de (reguliere) arbeidsmarkt wordt verstaan dat een inwoner redelijkerwijs binnen een half jaar geschikt is voor deelname aan de (reguliere) arbeidsmarkt.

 

Artikel 6.1.2 Afwegingskader

De gemeente biedt voorzieningen zoals bedoeld in de artikelen 6.2.1 (werkstages), 6.2.3 (detacherings-banen), 6.2.4 (scholing en training), 6.2.8 (persoonlijke ondersteuning) en 6.2.10 (financiële onder-steuning) aan, aan inwoners met een korte afstand tot de arbeidsmarkt.

 

De gemeente biedt voorzieningen zoals bedoeld in de artikelen 6.2.1 (werkstages), 6.2.2 (sociale activering), 6.2.4 (scholing en training), 6.2.5 (participatieplaats), 6.2.6 (beschut werk), 6.2.7 (onder-steuning bij leer-werktraject), 6.2.8 (persoonlijke ondersteuning) en 6.2.9 (proefplaatplaatsing) aan, aan inwoners met een grote afstand tot de (reguliere) arbeidsmarkt.

 

Op grond van artikel 8a, tweede lid, sub a, van de Participatiewet moet de gemeente bij het stellen van regels in de verordening over de verdeling van de voorzieningen over de doelgroep rekening houden met de omstandigheden en functionele beperkingen van personen. Hierin ligt besloten dat ook rekening wordt gehouden met de omstandigheden en functionele beperkingen van personen met een handicap. Dit is in overeenstemming met het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. De doelstelling van dit verdrag is het bevorderen, beschermen en waarborgen van het volledige genot door alle personen met een handicap van alle mensenrechten en fundamentele vrijheden op voet van gelijkheid en het bevorderen van de eerbiediging van hun inherente waardigheid. In lid 3 van dit artikel wordt hieraan uitvoering gegeven. Daarbij streeft de gemeente ernaar om de voorzieningen zo goed mogelijk aan te laten sluiten op de specifieke ondersteuningsbehoefte van de inwoner. Dus niet de gebruikelijke effecten van de voorzieningen staan centraal, maar de manier waarop een individuele inwoner de beoogde doelen kan bereiken met een bepaalde voorziening. Sommige voorzieningen kunnen dus zowel ingezet worden voor mensen met een korte afstand tot de arbeidsmarkt, als voor mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt.

 

Onder omstandigheden en functionele beperkingen van een persoon vallen bijvoorbeeld de volgende factoren: medische en psychische gesteldheid, gezinssituatie, kennis en vaardigheden, zorgtaken en financiële mogelijkheden. Het gaat dan ook om factoren die gelegen zijn in, maar ook buiten de persoon. De mate waarin deze factoren beïnvloedbaar zijn, speelt ook een rol. De gemeente doet onderzoek naar deze factoren en op basis daarvan kan de gemeente voorzieningen inzetten die effectief leiden tot re-integratie/arbeidsinschakeling.

 

Het vierde lid geeft aan dat de gemeente een voorziening kan weigeren en in welke gevallen dat kan. De weigeringsgronden in deze bepaling zijn niet uitputtend, omdat voor een aantal voorzieningen er ook weigeringsgronden zijn die voortvloeien uit de specifieke aard van die voorziening. Die gronden vloeien voort uit de artikelen in deze verordening die specifiek betrekking hebben op die voorzieningen. Ook zal de gemeente bij de beoordeling van het recht op een voorziening de verdeling over verschillende doelgroepen in acht moeten nemen.

 

Het betreft hier een “kan-bepaling”, zodat de gemeente altijd een afweging moet maken of een weigering in een individuele situatie al dan niet op zijn plaats is. Hoewel het weigeren van een voorziening, als een afwijzingsgrond zich voordoet, wel het uitgangspunt vormt, is dit geen automatisme. Dit hangt samen met het feit dat re-integratie vraagt om maatwerk.

 

Het vijfde lid geeft aan dat de gemeente een voorziening kan beëindigen en in welke gevallen dat kan. De voorziening kan bijvoorbeeld beëindigd worden als de persoon de inlichtingenplicht niet nakomt. Onder beëindigen valt ook het stopzetten van de subsidie aan een werkgever of het opzeggen van de arbeids-overeenkomst bij een detacheringsbaan. Bij deze laatste wijze van beëindigen dienen vanzelfsprekend de toepasselijke bepalingen uit het arbeidsrecht en de eventueel aanwezige rechtspositieregeling in acht te worden genomen.

 

De Participatiewet voorziet niet in een terugvorderingsgrond van re-integratiekosten die onnodig zijn gemaakt. Noch van een bijstandsgerechtigde, noch van een niet bijstandsgerechtigde kunnen die kosten worden teruggevorderd (Rb. Arnhem 14 september 2006, ECLI:NL:RBARN:2006:AZ3540).

 

Het zesde lid regelt het uitgangspunt dat de gemeente, afgestemd op de situatie van de persoon, de meest adequate voorziening verstrekt. Dit betekent dat de voorziening goed genoeg moet zijn om een verantwoorde oplossing te bieden. Die oplossing hoeft dus niet noodzakelijkerwijs de meest optimale of goedkoopste oplossing te zijn.

 

Artikel 6.1.3 Budget- en subsidieplafonds

Om te zorgen dat de beschikbare middelen evenwichtig worden verdeeld kan de gemeente een verdeling maken van de middelen over de verschillende voorzieningen. Per voorziening wordt dan een plafond ingebouwd; dit laat de mogelijkheid open dat een andere voorziening wordt aangeboden. Dit artikel geeft de bevoegdheid om plafonds in te stellen. Een mogelijkheid is dat bij de vaststelling van de plafonds wordt verwezen naar de bijdragen die bijvoorbeeld in de begroting voor de verschillende voorzieningen worden gereserveerd. Een budgetplafond geldt voor de uitgaven die de gemeente doet in het kader van voorzieningen. Een subsidieplafond geldt voor voorzieningen die subsidies inhouden. Een subsidieplafond dient wel bekendgemaakt te worden vóór de periode waarvoor deze geldt (artikel 4:27, eerste lid, Awb). De grondslag voor het instellen van een budgetplafond kan worden gevonden in artikel 8a, tweede lid, onderdeel a, laatste zinsdeel van de Participatiewet.

 

Voor de in artikel 6.2.6 genoemde voorziening Beschut werk geldt dat de Rijksoverheid bepaalt wat de gemeente minimaal moet verstrekken. Deze taakstelling kan niet worden beperkt door het instellen van een plafond door de gemeente zelf.

 

Paragraaf 6.2 Voorzieningen

 

Deze paragraaf bevat een overzicht van de voorzieningen die de gemeente aan een persoon die behoort tot de doelgroep kan aanbieden.

 

Artikel 6.2.1 Werkstage

Een werkstage onderscheidt zich van een gewone arbeidsovereenkomst. Bij de beoordeling of er al dan niet sprake is van een arbeidsovereenkomst toetst de rechter aan de drie criteria voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst: persoonlijk verrichten van arbeid, loon en gezagsverhouding. Daarbij wordt gekeken naar een aantal aspecten, zoals de bedoeling van de partijen en wat al dan niet schriftelijk is overeengekomen. De rechter besteedt vooral aandacht aan de feitelijke invulling van de overeenkomst. De Hoge Raad heeft bepaald dat er bij werkstages weliswaar sprake is van het persoonlijk verrichten van arbeid, maar dat dit overwegend gericht is op het uitbreiden van de kennis en ervaring van de werknemer (Hoge Raad 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3019). Daarnaast is bij een werkstage in de regel geen sprake van beloning. Terughoudend zijn met het verstrekken van een gerichte stagevergoeding ligt daarom voor de hand. Er kan wel een onkostenvergoeding worden gegeven, mits er daadwerkelijk sprake is van een vergoeding van gemaakte kosten.

De gemeente kan een inwoner die behoort tot de doelgroep een werkstage aanbieden. Het tweede lid geeft nog eens specifiek aan wat het doel is van de werkstage, om het verschil met een normale arbeids-verhouding aan te geven. Dit is vooral van belang om te voorkomen dat een persoon claimt dat sprake is van een arbeidsovereenkomst en bij de rechter loonbetaling afdwingt. De werkstage kan twee doelen hebben. In de eerste plaats kan het gaan om het opdoen van specifieke werkervaring. Dit is vergelijkbaar met de zogenaamde ‘snuffelstage’, waarbij een persoon de gelegenheid krijgt om te bezien of het soort werk als passend kan worden beschouwd. In de tweede plaats kan het gaan om het leren werken in een arbeidsrelatie. In de werkstage kan een persoon wennen aan aspecten als gezag, op tijd komen, werkritme en samenwerken met collega’s.

 

In het derde lid is bepaald dat de werkstage uitsluitend wordt verstrekt als er geen verdringing van de arbeidsmarkt plaatsvindt. Het opvullen van een vacature is alleen toegestaan als de vacature niet is ontstaan door afvloeiing, maar door ontslag op grond van een van de volgende redenen:

  • -

    eigen initiatief van de werknemer;

  • -

    handicap;

  • -

    ouderdomspensioen;

  • -

    vermindering van werktijd op initiatief van de werknemer, of

  • -

    rechtmatig ontslag om dringende redenen.

Ook mogen de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed door het plaatsen van een inwoner voor een werkstage bij een onderneming.

 

In het vierde lid is bepaald dat voor de werkstage een schriftelijke overeenkomst wordt opgesteld. Hierin wordt expliciet het doel van de stage opgenomen, evenals de wijze van begeleiding. Door deze schrifte-lijke overeenkomst kan nog eens worden gewaarborgd dat het bij een werkstage niet gaat om een reguliere arbeidsverhouding.

 

Artikel 6.2.2 Sociale activering

Volgens de Participatiewet dient ook sociale activering uiteindelijk gericht te zijn op arbeidsinschakeling. Voor bepaalde doelgroepen is arbeidsinschakeling echter een te hoog gegrepen doel. Voor deze personen staat dan ook niet re-integratie, maar participatie voorop. Onder 'sociale activering' wordt verstaan: het verrichten van onbeloonde maatschappelijk zinvolle activiteiten gericht op arbeidsinschakeling of, als arbeidsinschakeling nog niet mogelijk is, op zelfstandige maatschappelijke participatie (artikel 6, eerste lid, onderdeel c, Participatiewet). Bij activiteiten in het kader van sociale activering kan worden gedacht aan het zelfstandig, zonder externe begeleiding, verrichten van vrijwilligerswerk of deelnemen aan activiteiten in de wijk of buurt (Kamerstukken II 2002-03, 28 870, nr. 3, p. 35).

 

De gemeente kan een persoon die behoort tot de doelgroep activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering voor zover de mogelijkheid bestaat dat hij op enig moment algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening. Voor een beroep op de verplichting op grond van artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet om gebruik te maken van een voor-ziening gericht op sociale activering is vereist dat de mogelijkheid bestaat dat een persoon op enig moment algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening. Bestaat die mogelijkheid niet, dan kan een persoon niet worden verplicht gebruik te maken van een dergelijke voorziening. Sociale activering heeft tot doel personen met een grote afstand tot de arbeids-markt terug te leiden naar de arbeidsmarkt, of als dit nog niet mogelijk is, als tussendoel te bevorderen dat personen zelfstandig kunnen deelnemen aan het maatschappelijk leven. Hieruit volgt dat als het einddoel, arbeidsinschakeling, niet kan worden bereikt, er geen grond is die persoon te verplichten om gebruik te maken van een voorziening gericht op sociale activering (CRvB 24 april 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW4400).

 

De duur van activiteiten in het kader van sociale activering is niet vastgelegd, maar kan in het individuele geval nader worden bepaald. Uit het tweede lid volgt de verplichting voor de gemeente om deze duur af te stemmen op de mogelijkheden en capaciteiten van een inwoner. Gezien de mogelijk sterk verschillende behoeften op dit gebied, zal een al te rigide termijn moeilijk te bepalen zijn.

 

Geen verdringing

In het derde lid is bepaald dat de activiteiten gericht op sociale activering uitsluitend worden verstrekt als er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. Het opvullen van een vacature is alleen toegestaan als de vacature niet is ontstaan door afvloeiing, maar door ontslag op grond van een van de volgende redenen:

  • -

    eigen initiatief van de werknemer;

  • -

    handicap;

  • -

    ouderdomspensioen;

  • -

    vermindering van werktijd op initiatief van de werknemer, of

  • -

    gewettigd ontslag om dringende redenen.

Artikel 6.2.3 Detacheringsbaan

De Participatiewet biedt de mogelijkheid personen uit de doelgroep een dienstverband aan te bieden om op detacheringsbasis werkervaring op te doen. In deze verordening zijn de randvoorwaarden vastgelegd waarbinnen de banen vormgegeven worden.

 

Het eerste lid biedt de mogelijkheid tot het aangaan van het dienstverband. De gemeente zorgt ervoor dat een persoon een dienstverband krijgt aangeboden door een derde, de werkgever. Die derde kan bijvoor-beeld een detacheringsbureau zijn. In het tweede lid wordt bepaald dat het gaat om detachering. Daarbij worden op twee vlakken afspraken gemaakt. Ten eerste tussen het inlenende bedrijf en de werkgever. Hierin worden zaken geregeld als de verhouding tot de werkgever, de hoogte van de inleen-vergoeding en de wijze waarop de begeleiding wordt vormgegeven. In de overeenkomst tussen werknemer en inlener worden afspraken gemaakt over werktijden, verlof en de inhoud van het werk.

 

De plaatsing op een detacheringsbaan mag niet leiden tot onverantwoorde beïnvloeding van de concurrentieverhoudingen of verdringing op de arbeidsmarkt. Zie hiervoor ook de toelichting bij artikel 6.2.1.

 

Artikel 6.2.4 Scholing en training

De gemeente kan aan een persoon die behoort tot de doelgroep een scholings- of trainingstraject aan-bieden. Om hiervoor in aanmerking te kunnen komen zijn er een aantal voorwaarden in deze verordening opgenomen waaraan moet worden voldaan. Het uitgangspunt is dat iemand zo snel mogelijk en (zoveel mogelijk) op eigen kracht deelneemt aan het arbeidsproces. Het aanbieden van een scholings- of trainingstraject zal slechts in bijzondere situaties aan de orde zijn.

 

Wanneer een persoon die in aanmerking is gebracht voor een participatieplaats niet over een start-kwalificatie beschikt (een Havo of Vwo-diploma of een diploma van het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) niveau twee), moet de gemeente aan deze persoon scholing of opleiding aanbieden. Dit geldt vanaf zes maanden na aanvang van de werkzaamheden op de participatieplaats. De scholing of opleiding moet gericht zijn op vergroting van de kansen op de arbeidsmarkt. De gemeente hoeft aan een persoon alleen geen scholing of opleiding aan te bieden als dergelijke scholing of opleiding naar zijn oordeel de krachten of bekwaamheden van de persoon te boven gaan of als naar zijn oordeel scholing of opleiding niet bijdraagt aan vergroting van de kans op inschakeling in het arbeidsproces van de persoon. Dit volgt uit artikel 10a, vijfde lid, van de Participatiewet. In artikel 6.2.5 van deze verordening is daarvoor de voorziening participatieplaats geregeld.

 

Personen jonger dan 27 jaar die nog mogelijkheden hebben binnen het uit 's Rijks kas bekostigde onder-wijs kunnen sinds 1 juli 2012 geen voorziening ontvangen die hen ondersteunt bij de arbeidsinschakeling (artikel 7, derde lid, onderdeel a, van de Participatiewet). Zij zijn daarom uitgesloten van deze voorziening.

 

Artikel 6.2.5 Participatieplaats

Een participatieplaats is bedoeld voor personen met een grotere afstand tot de arbeidsmarkt. Voor personen jonger dan 27 jaar is ondersteuning in de vorm van een participatieplaats niet mogelijk (artikel 7, achtste lid van de Participatiewet). De gemeente kan dan ook enkel aan personen van 27 jaar of ouder met recht op algemene bijstand een participatieplaats aanbieden.

 

Op een participatieplaats worden additionele werkzaamheden verricht. Niet de te verrichten werkzaam-heden staan centraal maar het leren werken of het (opnieuw) wennen aan werken. Aspecten als omgaan met gezag, op tijd komen, werkritme en samenwerking met collega’s zijn allemaal zaken waaraan in een participatieplaats gewerkt kan worden. Ook kan hiermee worden beoordeeld of het werkterrein past bij de capaciteiten van de uitkeringsgerechtigde, zodat een persoon bijvoorbeeld een opleiding op het betreffende terrein kan gaan volgen en daarmee voor zichzelf een duurzaam perspectief op arbeid kan realiseren. De duur van de participatieplaats is wettelijk beperkt tot maximaal vier jaar (artikel 10a van de Participatie-wet). Na negen maanden wordt door de gemeente beoordeeld of de participatieplaats de kans op arbeids-inschakeling heeft vergroot (artikel 10a, achtste lid, van de Participatiewet). Zo niet dan wordt de participatieplaats beëindigd. Uiterlijk 24 maanden na aanvang van de participatieplaats wordt opnieuw beoordeeld of de participatieplaats wordt voorgezet.

Als de gemeente concludeert dat voortzetting van de participatieplaats met het oog op in de persoon gelegen factoren aanmerkelijk bijdraagt tot de arbeidsinschakeling, dan kan de participatieplaats nog één jaar verlengd worden. Echter in dat geval dient een andere werkomgeving geboden te worden (artikel 10a, negende lid, van de Participatiewet). Na 36 maanden vindt opnieuw een dergelijke beoordeling plaats (artikel 10a, tiende lid, van de Participatiewet).

 

De persoon die werkzaamheden verricht op een participatieplaats heeft recht op een premie voor het eerst na zes maanden en vervolgens iedere zes maanden na aanvang van de additionele werkzaamheden (artikel 10a, zesde lid, van de Participatiewet). Voorwaarde is dat de persoon naar het oordeel van de gemeente voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kansen op de arbeidsmarkt. De hoogte van de premie moet in de verordening vastgelegd worden (artikel 8a, eerste lid, onderdeel d, van de Participatie-wet). De premie wordt niet met de uitkering verrekend op grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel j, van de Participatiewet. In verband hiermee is de hoogte van de premie begrensd door het in de vrijlatingsbepaling genoemde bedrag. Daarnaast moet bij het bepalen van de hoogte van de premie ook de risico's van de armoedeval worden betrokken (Kamerstukken II 2007-08, 31 577, nr. 3, p. 12). Er is gekozen voor een premie van telkens € 100,- per zes maanden. De gemeente heeft volgens de jurispru-dentie de nodige vrijheid bij het bepalen van de hoogte van dit bedrag (CRvB 19 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1406). Deze premie is niet is te beschouwen als loon in de zin van art. 7:610 lid 1 BW en met het plaatsen van een inwoner op een participatieplaats die aan de voorwaarden voldoet komt dan ook geen arbeidsovereenkomst tot stand (Hoge Raad 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1746).

 

Artikel 6.2.6 Beschut werk

De gemeente biedt ambtshalve of op verzoek de voorziening beschut werk aan, aan een persoon uit de doelgroep die door een lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. Dit aanbod vindt alleen niet plaats wanneer de vastgestelde aantallen beschut werkplekken in een jaar zijn bereikt (Kamerstukken II 2016/17, 34 578, nr. 3, p. 20-22). Voor deze voorziening is geen leeftijdsgrens opge-nomen. Indien een persoon van 16 of 17 jaar voldoet aan de voorwaarden dan heeft ook hij recht op deze voorziening. Naast het bepalen van wie in aanmerking kan komen voor beschut werk en de wijze waarop dit is geregeld, wordt in dit artikel ook aangegeven welke voorzieningen voor de arbeidsinschakeling worden ingezet om deze dienstbetrekking mogelijk te maken en welke voorzieningen worden ingezet tot het moment dat de dienstbetrekking beschut werk begint.

 

Het proces op grond van dit artikel is als volgt:

 

Stap 1: advies inwinnen

Ten behoeve van de participatievoorziening beschut werk wint de gemeente advies in bij het Uitvoerings-instituut Werknemersverzekeringen. Met dit advies vraagt de gemeente om een oordeel of een persoon uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeids-participatie heeft. Dit advies kan ook door persoon zelf, of door derden, ingewonnen worden.

 

Stap 2: advies Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen

Het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen adviseert de gemeente met betrekking tot het oordeel of een persoon tot de doelgroep beschut werk behoort. Het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen voert op basis van landelijke criteria een beoordeling uit (artikel 10b, tweede lid, van de Participatiewet).

 

Stap 3: besluit gemeente

Op basis van het advies van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen beslist de gemeente of iemand tot de doelgroep 'beschut werk' behoort. Alleen als sprake is van een onzorgvuldige totstand-koming van het advies van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, kan de gemeente besluiten het advies niet te volgen (Kamerstukken II 2013-14, 33 161, nr. 113, p. 3).

 

Stap 4: dienstbetrekking 'beschut werk'

Nadat is vastgesteld dat iemand tot de doelgroep 'beschut werk' behoort, zorgt de gemeente ervoor dat deze persoon in een dienstbetrekking onder beschutte omstandigheden aan de slag gaat (artikel 10b, derde lid, van de Participatiewet). Het kan dan gaan om een privaatrechtelijke of een publiekrechtelijke dienst-betrekking (artikel 6, eerste lid, onderdeel f, van de Participatiewet). Hoe de dienstbetrekking wordt georganiseerd, behoort tot de beleidsvrijheid van gemeenten. Een dienstbetrekking kan bijvoorbeeld worden georganiseerd via een gemeentelijke dienst, NV, BV of stichting. Ook kunnen personen (via detachering) in een beschutte omgeving bij reguliere werkgevers werken (Kamerstukken II 2013-14, 33 161, nr. 107, p. 66).

 

In het derde lid worden een aantal ondersteunende voorzieningen genoemd die door de gemeente ingezet kunnen worden op de voorziening beschut werk mogelijk te maken. De gemeente bepaalt de omvang van het aanbod beschut werk naar aanleiding van wat hierover is voorgeschreven in de ministeriële regeling. Om dit aanbod te kunnen bieden, voert de gemeente overleg met mogelijke partners. Gemeenten kunnen het werk zelf organiseren via bijvoorbeeld een aan de gemeente gelieerd bedrijf zoals een SW-bedrijf. Ook kunnen zij afspraken maken met andere reguliere werkgevers over de voorwaarden waarop zij deze mensen een dergelijke dienstbetrekking aanbieden (Kamerstukken II 2013-14, 33 161, nr. 107, p. 115-116 en Kamerstukken II 2016-17, 34 578, nr. 3, p. 21).

 

Beschutte werkplekken worden aangeboden op volgorde van de datum van de indicatie beschut werk. Er wordt daarnaast geen ander onderscheid gemaakt in de doelgroep. Als het aantal beschikbare plekken voor beschut werk in een jaar is vervuld, dan biedt de gemeente in dat jaar niet de voorziening beschut werk aan. Aan deze personen wordt in het daaropvolgende jaar met voorrang een plek aangeboden (Kamerstukken II 2016-17, 34 578, nr. 3, blz. 6-7).

 

Personen met een indicatie beschut werk kunnen veelal niet direct starten op de beschutte werkplek,

omdat er tijd nodig is om de beschutte werkplek te realiseren. Het is ook van belang dat de werkplek past

bij de persoon. Dit vraagt om maatwerk. Gedurende de totdat de persoon op de beschutte werkplek kan beginnen, kan de gemeente hem een aantal andere voorzieningen aanbieden.

 

Artikel 6.2.7 Ondersteuning bij leer-werktraject

Personen uit de doelgroep kunnen in aanmerking komen voor de voorziening ondersteuning bij leer-werk-trajecten. Een leer-werktraject en ondersteuning om dat traject te kunnen volgen moeten dan wel nodig zijn volgens de gemeente (artikel 10; artikel 10f van Participatiewet).

 

Artikel 10f van de Participatiewet bepaalt ook dat de gemeente uitsluitend ondersteuning bij een leer-werktraject kan aanbieden aan personen:

  • -

    van 16 of 17 jaar van wie de leerplicht of de kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet is geëindigd, of

  • -

    van 18 tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald.

De voorziening ondersteuning bij leer-werktrajecten is inzetbaar voor jongeren van 16 of 17 jaar oud die dreigen uit te vallen op school, maar middels een leer-werktraject alsnog een startkwalificatie kunnen behalen. Om te voorkomen dat jongeren onnodig uitvallen, wordt de mogelijkheid geboden extra ondersteuning te bieden. Deze voorziening kan ook worden ingezet ter voorkoming van schooluitval bij jongeren van 18 tot 27 jaar die door een leer-werktraject alsnog een startkwalificatie kunnen behalen.

 

Bijstandsgerechtigden jonger dan 27 jaar die uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs kunnen volgen, zijn uitgesloten van ondersteuning op grond van artikel 7, derde lid, sub a, van de Participatiewet. Voor de conclusie dat een jongere uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs kan volgen is vereist dat de jongere uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs volgt of daarvoor in aanmerking komt. In het kader van artikel 7, derde lid, aanhef en onder a, van de Participatiewet betekent dit dat de gemeente vanaf het moment dat de jongere uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs volgt of kan volgen geen ondersteuning bij de arbeids-inschakeling kan bieden.

 

In artikel 10f van de Participatiewet is bepaald dat de gemeente onder omstandigheden ondersteuning kan bieden aan personen jonger dan 18 jaar en aan personen van 18 tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald en voor wie een leer-werktraject nodig is. Er wordt vanuit gegaan dat het mogelijk is een leer-werktraject aan te bieden aan personen die voldoen aan het bepaalde in de artikelen 10 en 10f van de Participatiewet, in afwijking van artikel 7, derde lid, aanhef en onder a, van de Participatiewet.

 

Artikel 6.2.8 Persoonlijke ondersteuning

In artikel 6.2.8 wordt de voorziening persoonlijke ondersteuning nader geduid. Het gaat dan om een voorziening zoals een jobcoach, die op vaste tijden en gedurende een tijdelijke of langere periode de werknemer met beperkingen bij het verrichten van zijn taken ondersteunt. Het moet dan ook gaan om een systematische ondersteuning, dat wil zeggen ondersteuning met specifieke leerdoelen en/of vaardigheids-doelen en/of gedragsverbeteringen die worden beoogd. Afhankelijk van de individuele werknemer en diens werksituatie zal ofwel langere tijd ondersteuning nodig zijn, ofwel een tijdelijke, kortere periode van ondersteuning volstaan. Voor beide situaties moet jobcoaching worden ingezet en is het belangrijk dat met alle betrokkenen een inschatting gemaakt wordt van de benodigde duur van de ondersteuning. Zo nodig kan deze worden bijgesteld, als betrokkenen merken dat langdurigere onder-steuning nuttig blijkt. Daarnaast moet de ondersteuning noodzakelijk zijn in die zin, dat de werknemer zonder die ondersteuning in redelijkheid niet zijn werkzaamheden zou kunnen verrichten. Persoonlijke ondersteuning heeft tot doel dat een werknemer wordt begeleid naar een situatie dat hij uiteindelijk zonder begeleiding via een dergelijke voorziening bij een reguliere werkgever werkzaam kan zijn. (Kamerstukken II 2013-14, 33 161, nr. 107, p. 115).

 

Lid 2, sub a: VSO/PRO-onderwijs: voortgezet speciaal onderwijs, PRO: praktijkonderwijs

 

6.2.8a persoonlijke ondersteuning bij werk (jobcoach)

De voorziening persoonlijke ondersteuning bij werk is nader uitgewerkt in artikel 6.4.3. Persoonlijke ondersteuning bij werk omvat zowel jobcoaching als interne werkbegeleiding. Deze twee vormen van persoonlijke ondersteuning worden beide benoemd. Het eerste en tweede lid geven aan op welke wijze de gemeente zorgdraagt voor het verstrekken van persoonlijke ondersteuning aan de doelgroep in natura en in de vorm van een subsidie (artikel 8a, tweede lid, onder e, sub 1, van de Participatiewet). De gemeente kan een eigen jobcoach inzetten, of een jobcoach inhuren en die aan een werkgever toekennen. Ook is mogelijk dat een werkgever zelf een eigen jobcoach in dienst heeft (interne jobcoach) of een jobcoach inhuurt (externe jobcoach). De werkgever kan ook een collega van de werknemer inzetten om hem te begeleiden (interne werkbegeleider). In het artikel worden de verschillende mogelijkheden benoemd.

 

Lid 2: proefplaatsing, leerwerktraject en BBL traject

 

Lid 7: Dennis: Dennis is een instrumentengids/digitaal platform voor consulenten en adviseurs van arbeids-marktregio’s die samen met (potentiële) werkgevers werken aan bemiddeling van werkzoekenden. Adviseurs en werkgevers kunnen in Dennis op een snelle en eenvoudige manier instrumenten en leerwerk-trajecten bekijken en delen. Het combineert zowel de lokale en regionale instrumenten als de landelijke instrumenten.

 

Artikel 6.2.8b Interne werkbegeleiding

Werkbegeleiding is gericht op begeleiding op de werkplek door een collega die getraind is in het begeleiden van de werknemers met een arbeidsbeperking. De focus ligt alleen op de werkplek en niet ook op andere leefgebieden, zoals bij jobcoaching. Deze vorm wordt ingezet als er vooral behoefte is aan constante begeleiding op de werkplek en minder aan ondersteuning op de andere leefgebieden. De werkbegeleider dient een opleidingsmodule voor werkbegeleider te hebben afgerond, gericht op het begeleiden van werknemers uit de doelgroep zoals omschreven in artikel 4. Een opleidingsmodule voor werkbegeleider kan bijvoorbeeld een HARRIE-training of soortgelijke training zijn.

 

Deze subsidie wordt verleend in de vorm van een cheque. Voor aanpassingen aan de werkplek schakelen wij UWV in.

 

Artikel 6.2.9 Proefplaatsing

De gemeente kan aan een persoon uit de doelgroep met een grote afstand tot de arbeidsmarkt een proefplaatsing aanbieden. De voorwaarden hiervoor zijn:

  • De proefplaatsing wordt alleen ingezet als het echt nodig is en duurt zo kort mogelijk.

  • Een proefplaatsing is niet toegestaan na afloop van een leerwerkplek/arrangement c.q. stage bij dezelfde werkgever.

  • Het is niet toegestaan dat na de proefplaatsing een proeftijd wordt opgenomen in het contract.

  • De te verrichten werkzaamheden zijn niet loonvormend en de persoon ontvangt geen vergoeding of beloning voor de te verrichten werkzaamheden.

  • Een consulent kan één maand proefplaatsing inzetten als de werkgever de intentie heeft om kandidaat daarna een contract aan te bieden van minimaal 6 maanden.

Deze voorwaarden zijn ook opgenomen in de Beleidsregels Sociaal Domein.

 

De proefplaatsing verschilt van een werkstage uit artikel 6.2.1 omdat de proefplaatsing tot doel heeft om bij wijze van proef werkervaring op te doen. De persoon kan tijdens de proefplaatsing kijken of de werkzaamheden bij hem passen én in het geval de werkgever ook de intentie heeft om hem een contract aan te bieden. De werkstage kan meerderen doelen dienen, waaronder ook het leren van basale werk-nemersvaardigheden. Bij een proefplaatsing wordt verondersteld dat de kandidaat die al heeft. Ook geldt dat deze voorziening alleen kan worden aangeboden aan personen met een korte afstand tot de arbeids-markt, de werkstage kan aangeboden worden aan zowel personen met een korte afstand tot de arbeids-markt als personen met een lange afstand tot de arbeidsmarkt.

 

Artikel 6.2.10 Financiële ondersteuning

Inwoners kunnen allerlei praktische belemmeringen hebben om aan het werk te gaan. Zij kunnen bijvoorbeeld te weinig geld hebben voor werkschoenen of voor de reiskosten die zij moeten maken om naar hun werkplek te gaan. De gemeente kan indien nodig deze belemmeringen wegnemen door deze kosten (tijdelijk) te betalen voor de inwoners die algemene bijstand ontvangen.

 

De consulent van de gemeente beoordeelt welke financiële ondersteuning is.

 

Voor een reiskostenvergoeding bestaan wel een aantal voorwaarden:

  • De inwoner moet in het kader van een re-integratietraject frequent een opleidingsinstituut, re-integratiebedrijf of werklocatie bezoeken. Onder frequent wordt verstaan minimaal één keer per week gedurende minimaal een maand, en

  • De reisafstand van de inwoner naar de locatie per fiets is meer dan 10 kilometer of de inwoner volgt het traject Werkacademie Zoetermeer.

De financiële ondersteuning is er alleen voor personen uit doelgroep met een korte afstand tot de arbeidsmarkt. Deze voorziening wordt namelijk pas ingezet wanneer uitstroom naar een baan in zicht is.

 

Artikel 6.2.11 Werkgeverscheque

Gesubsidieerde arbeid kan als één van de voorzieningen worden ingezet om de arbeidsinschakeling te bevorderen. In de Participatiewet is geregeld dat alle voorzieningen moeten dienen om een persoon uiteindelijk aan regulier werk te helpen.

 

Het doel van de werkgeverscheque is het bieden van compensatie voor het feit dat voor een persoon ten minste het wettelijk minimumloon moet worden betaald, terwijl de werkgever een persoon (nog) niet ten volle kan inzetten. Zo kan de gemeente een werkgeverscheque aan de werkgever verstrekken om tijdelijk het verschil in arbeidsproductiviteit te compenseren en zo de re-integratie van de bijstandsgerechtigde te bewerkstelligen. In de beleidsregels zijn de voorwaarden voor deze vergoeding verder uitgewerkt.

 

Ook bij deze voorziening geldt dat geen verdringing mag plaatsvinden. Zie wat hierover is opgemerkt in de toelichting bij artikel 6.2.1 van deze verordening.

 

De werkgeverscheque moet worden onderscheiden van de loonkostensubsidie zoals bedoeld in de artikelen 10c en 10d van de Participatiewet. De laatstgenoemde loonkostensubsidie is geïntroduceerd in de Participatiewet door de Invoeringswet Participatiewet en is specifiek bedoeld voor personen met een arbeidsbeperking. De in artikel 6.2.11 opgenomen werkgeverscheque is niet noodzakelijk gericht op personen met een arbeidsbeperking, maar ondersteunt personen die kwetsbaar of uiterst kwetsbaar zijn. Het gaat hier dus niet om de loonkostensubsidie die verstrekt kan worden aan personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, sub a, van de Participatiewet van wie is vastgesteld dat zij met voltijdse arbeid niet in staat zijn tot het verdienen van een wettelijk minimumloon, doch wel mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben (artikel 6, eerste lid, sub e, van de Participatiewet).

 

Artikel 6.2.12 Uitstroompremie

Het verstrekken van een uitstroompremie van € 500,- is alleen mogelijk als een persoon die algemene bijstand ontving, uitstroomt. De premie kan worden aangevraagd binnen drie maanden nadat de uitstroom heeft plaatsgevonden en de persoon geen algemene bijstand meer ontvangt. De aanvraag dient schriftelijk of digitaal aangevraagd te worden bij de gemeente, zoals geregeld in artikel 2.3.1 van deze verordening.

 

Om in aanmerking te komen voor de uitstroompremie gelden twee voorwaarden. De eerste voorwaarde is dat de persoon langdurig werkloos is geweest. Daaronder wordt verstaan een persoon die gedurende een aaneengesloten periode van twaalf maanden of langer aangewezen is (geweest) op een uitkering. De periode waarin de persoon een uitkering op grond van de Werkloosheidswet heeft ontvangen voorafgaand aan de algemene bijstand telt daarbij mee.

 

De andere voorwaarde is dat de uitstroom duurzaam moet zijn. Dat betekent dat er sprake is van een dienstverband van tenminste zes aaneengesloten maanden waaruit tenminste een inkomen wordt ontvangen waardoor er geen recht meer is op algemene bijstand.

 

In de Participatiewet is geregeld dat jaarlijks een eenmalige premie kan worden verstrekt (artikel 31, tweede lid, onderdeel j, van de Participatiewet). Voor personen jonger dan 27 jaar is deze premie niet vrijgelaten (artikel 31, zevende lid, van de Participatiewet).

 

In het vijfde lid is een uitsluitingsgrond opgenomen: een persoon kan geen aanspraak maken op een uitstroompremie wanneer hij tijdens de bijstandsuitkering aan het werk gaat, maar de daaruit genoten inkomsten niet meldt aan de gemeente. Er is dan sprake van schending van de inlichtingenplicht bij aanvang van het dienstverband en wordt de bijstandsuitkering beëindigd. Vanwege deze schending is het echter niet wenselijk om de persoon de uitstroompremie te verstrekken, wanneer hij die aanvraagt.

 

Artikel 6.2.12a Loonkostensubsidie kwetsbare werknemers

Gesubsidieerde arbeid kan als één van de voorzieningen worden ingezet om de arbeidsinschakeling te bevorderen. In de Participatiewet is geregeld dat alle voorzieningen moeten dienen om een persoon uiteindelijk aan regulier werk te helpen. De in artikel 6.2.12a geregelde loonkostensubsidie betreft een gemeentelijke regeling die moet worden onderscheiden van de loonkostensubsidie zoals bedoeld in de artikelen 10c en 10d van de Participatiewet en artikel 14b. De in artikel 6.2.12a opgenomen loonkosten-subsidie is niet noodzakelijk gericht op personen met een arbeidsbeperking, maar ondersteunt personen die kwetsbaar of uiterst kwetsbaar zijn. Het gaat hier dus niet om de loonkostensubsidie die verstrekt wordt aan personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet van wie is vastgesteld dat zij met voltijdse arbeid niet in staat zijn tot het verdienen van een wettelijk minimum-loon, doch wel mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben (artikel 6, eerste lid, onderdeel e, van de Participatiewet) en die is geregeld in paragraaf 6.4. Het betreft daarom ook een in tijd gemaximeerde subsidieregeling.

 

Compensatie

Het doel van de loonkostensubsidie is het bieden van compensatie voor het feit dat voor een persoon ten minste het wettelijk minimumloon moet worden betaald, terwijl de werkgever een persoon (nog) niet ten volle kan inzetten. Zo kan het college een loonkostensubsidie aan de werkgever verstrekken om tijdelijk het verschil in arbeidsproductiviteit te compenseren en zo de re-integratie van de bijstandsgerechtigde te bewerkstelligen (Kamerstukken II 2004/05, 28 870, nr. 125). In het eerste lid is de doelgroep opgenomen en in het tweede lid de maximaal toe te kennen loonkostensubsidie opgenomen. Een nadere uitwerking van de doelgroep is opgenomen in het derde en vierde lid.

 

Noodzakelijk

De loonkostensubsidie kan alleen worden verstrekt als de werkgever geen aanspraak kan maken op een andere regeling die hem (gedeeltelijk) compenseert voor het feit dat de kwetsbare of uiterst kwetsbare werknemer nog niet direct volledig inzetbaar is en mogelijk extra begeleiding nodig heeft. Ook als redelijkerwijs mag worden aangenomen dat de kwetsbare of uiterst kwetsbare werknemer zonder subsidie ook wel kan worden aangenomen, bijvoorbeeld vanwege de krapte op de arbeidsmarkt, wordt de subsidie niet verstrekt. Het is aan de gemeente om te bepalen of er een noodzaak tot subsidieverlening aanwezig is met het oog op de arbeidsinschakeling van de kwetsbare of uiterst kwetsbare werknemer.

 

Artikel 6.2.13 Hardheidsclausule

Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

 

Paragraaf 6.3 Tegenprestatie

 

De bevoegdheid van de gemeente om een persoon te verplichten naar vermogen een tegenprestatie te verrichten geldt al sinds 1 januari 2012. De regering meent dat de tegenprestatie voor uitkerings-gerechtigden een gelegenheid is om te blijven participeren in de samenleving en om een sociaal netwerk, arbeidsritme en regelmaat te behouden. Dit zijn volgens de regering ook noodzakelijke voorwaarden om de kansen op de arbeidsmarkt te vergroten (TK 2013-2014, 33 801, nr. 3, p. 29).

 

Artikel 6.3.1 Inhoud van een tegenprestatie

De Participatiewet legt de gemeenteraad de verplichting op om bij verordening regels vast te stellen over het opdragen van een tegenprestatie aan mensen met een bijstandsuitkering in de leeftijd van 18 jaar tot de pensioengerechtigde leeftijd. Deze plicht is neergelegd in artikel 8a, eerste lid, sub b Participatiewet. Het is aan de gemeente om de duur, omvang en inhoud van de tegenprestatie te regelen (zie TK 2013-2014, 33 801, nr. 24, p. 6).

 

De gemeente bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de aard, de duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen tegenprestatie. Hierbij moet de gemeente de in deze verordening neergelegde criteria in acht nemen.

 

Artikel 6.3.1 stelt voorwaarden ten aanzien van de inhoud van de tegenprestatie. De gemeente dient maatwerk toe te passen bij het opdragen van een tegenprestatie. Rekening moet worden gehouden met de individuele omstandigheden van de persoon, waaronder leeftijd, opleiding, werkervaring en andere relevante persoonlijke omstandigheden. De werkzaamheden worden immers opgedragen ‘naar vermogen’. Het is dus van belang dat een persoon ook in staat is de werkzaamheden te verrichten (zie Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-02-2013, nr. 12/3649, ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171). Als de gemeente een tegenprestatie vraagt van een persoon, moet het een duidelijke omschrijving geven van de te verrichten werkzaamheden. Het moet voor de persoon immers duidelijk zijn welke tegenprestatie van hem wordt verwacht (zie Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-02-2013, nr. 12/3649, ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171).

 

Het eerste lid bepaalt dat de tegenprestatie onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden betreffen die additioneel van aard zijn. De maatschappelijk nuttige werkzaamheden in het kader van de tegenprestatie dienen zich te onderscheiden van werkzaamheden die door de reguliere arbeidsmarkt verricht worden. Het onderscheid tussen betaalde en onbetaalde werkzaamheden is afhankelijk van onder meer economische factoren en van keuzes die mede op basis daarvan door het bedrijfsleven en/of de overheid worden gemaakt (TK 2013-2014, 33 801, nr. 3, p. 30).

 

De gemeente kan onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, die additioneel van aard zijn, inzetten als tegenprestatie voor zover die werkzaamheden voldoen aan de voorwaarden die in het eerste lid van dit artikel genoemd worden. Deze voorwaarden zijn gebaseerd op de belangrijkste kenmerken van de tegenprestatie die volgen uit de parlementaire geschiedenis (zie TK 2010-2011, 32 815, nr. 3, p. 14).

 

Volgens het tweede lid van dit artikel kan de gemeente in de beleidsregels vastleggen welke werkzaam-heden in ieder geval als tegenprestatie kunnen worden ingezet.

 

De gemeente kan voor het werven van de maatschappelijk nuttige werkzaamheden samenwerken met maatschappelijke organisaties zoals welzijnsinstellingen, vrijwilligerswerkorganisaties, buurthuizen en/of sportvoorzieningen. Om ervoor te zorgen dat voldoende maatschappelijk nuttige werkzaamheden voor-handen zijn, is het van belang dat contacten worden onderhouden met maatschappelijke organisaties. Een vrijwilligersvacaturebank bij een vrijwilligerscentrale kan een belangrijk hulpmiddel zijn om het aanbod van maatschappelijk nuttige werkzaamheden te bepalen. De gemeente kan ervoor kiezen uitsluitend werkzaamheden binnen de gemeentegrenzen als tegenprestatie in te zetten of werkzaamheden zowel binnen als buiten de gemeentegrenzen in te zetten. Zie hierover de toelichting bij artikel 6.3.4 van deze verordening.

 

De tegenprestatie mag niet worden ingezet in het kader van de re-integratie. De tegenprestatie mag bovendien niet direct gericht zijn op toeleiding naar de arbeidsmarkt en is dan ook niet bedoeld als re-integratie instrument. Het betreffen werkzaamheden die worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die niet mogen leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt. Reguliere werkzaamheden kunnen daarom niet als tegenprestatie worden ingezet. De tegenprestatie mag het accepteren van passende arbeid of van re-integratie-inspanningen niet belemmeren. Het uitgangspunt werk boven uitkering staat voorop. Dit volgt uit artikel 9, eerste lid, sub c, van de Participatiewet en de parlementaire geschiedenis (zie TK 2010-2011, 32 815, nr. 3, p. 14).

 

Artikel 6.3.2 Het opdragen van een tegenprestatie

De gemeente heeft beleidsvrijheid om een tegenprestatie op te leggen en bepaalt dus uiteindelijk of, en zo ja welke tegenprestatie wordt opgedragen. Tegen een besluit tot het opdragen van een tegenprestatie kan bezwaar en beroep worden aangetekend (TK 2013-2014, 33 801, nr. 7, p. 49).

 

De gemeenteraad kiest er in artikel 6.3.2, eerste lid, voor te bepalen dat de gemeente een tegenprestatie in beginsel uitsluitend kan opdragen aan een persoon die een grote afstand tot de arbeidsmarkt heeft. Dit impliceert dat aan personen die een korte afstand tot de arbeidsmarkt hebben geen tegenprestatie wordt opgedragen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De gemeenteraad heeft hiervoor gekozen opdat personen met een korte afstand tot de arbeidsmarkt zich volledig kunnen richten op de arbeids-plicht en de re-integratieplicht, zoals het naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgen. Bij personen met een korte afstand tot de arbeidsmarkt kan redelijkerwijs worden verwacht dat hun inspan-ningen eerder zullen leiden tot uitstroom. De tegenprestatie mag immers het accepteren van passende arbeid of van re-integratie-inspanningen niet belemmeren aangezien werk boven uitkering als uitgangspunt geldt.

 

Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat een tegenprestatie ook kan worden opgedragen aan personen met een korte afstand tot de arbeidsmarkt, namelijk alleen als bijzondere omstandigheden dat recht-vaardigen. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de situatie waarin geen re-integratieactiviteiten worden verricht door een persoon en het verrichten van re-integratieactiviteiten op korte termijn redelijkerwijs niet kan worden verwacht. In dat geval bestaat er ruimte een tegenprestatie op te leggen.

 

Indien daarvoor dringende redenen - zoals zorgtaken - aanwezig zijn, kan de gemeente in individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van de plicht tot het verrichten van een tegenprestatie (artikel 9, tweede lid, van de Participatiewet). De verplichting tot het verrichten van een tegenprestatie is niet van toepassing op personen die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn, als bedoeld in artikel 4 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (artikel 9, vijfde lid, van de Participatiewet). De verplichting tot tegenprestatie is ook niet van toepassing op een alleenstaande ouder die in het bezit is van een ontheffing als bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet (artikel 9, zevende lid, van de Participatiewet).

 

De gemeente dient bij weigering van een persoon om de tegenprestatie te verrichten, op basis van het individuele geval de hoogte en de duur van de op te leggen verlaging van de uitkering te bepalen (TK 2013-2014, 33 801, nr. 3, p. 29).

 

In het derde lid van dit artikel is neergelegd met welke factoren de gemeente rekening moet houden bij het opdragen van een tegenprestatie. De tegenprestatie moet namelijk naar vermogen van de persoon verricht kunnen worden en zijn persoonlijke situatie en individuele omstandigheden moeten in aanmerking worden genomen. De term 'naar vermogen' heeft betrekking op de mogelijkheden waarover een persoon beschikt om deze werkzaamheden te verrichten. Immers, niet alle onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden kunnen worden opgedragen aan elke uitkeringsgerechtigde (TK 2013-2014, 33 801, nr. 3, p. 30). Met betrekking tot de persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van een persoon wordt gekeken naar onder andere leeftijd, opleiding en werkervaring (Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-02-2013, nr. 12/3649, ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171). Hierbij wordt rekening gehouden met het fysieke en psychische vermogen van een belanghebbende. Bij het opdragen van de tegenprestatie dient de gemeente maatwerk te leveren. Voorts wordt bij het opdragen van een tegenprestatie rekening gehouden met praktische omstandigheden zoals reistijd, beschikbaarheid van kinderopvang en/of de persoon al maatschappelijke activiteiten verricht.

 

Artikel 6.3.3 Duur en omvang van de tegenprestatie

De gemeente bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden de aard, de duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen tegenprestatie. Hierbij moet de gemeente de in deze verordening neergelegde criteria in acht nemen. Artikel 6.3.3 stelt voorwaarden ten aanzien van de duur en omvang van de tegenprestatie.

 

De omvang van de werkzaamheden en de duur in de tijd dienen in de regel beperkt te zijn. Dat betekent dat de gemeente steeds een afweging maakt op basis van de situatie in welke mate een tegenprestatie verlangd kan worden (TK 2013-2014, 33 801, nr. 30).

Artikel 6.3.3, eerste lid, regelt dat de tegenprestatie wordt ingezet voor een maximale duur van 13 weken. Uit het onderzoeksrapport "Voor wat hoort wat" van de Inspectie SZW blijkt dat bij ongeveer de helft van de gemeenten die de tegenprestatie uitvoeren de gemiddelde duur korter is dan een half jaar en bij iets minder dan de helft is de gemiddelde duur meer dan een half jaar. Het is van belang dat de duur beperkt is. Het opdragen van de tegenprestatie tot aan het einde van de uitkering is in ieder geval niet beperkt in duur en in omvang.

 

Artikel 6.3.3, tweede lid, regelt dat de tegenprestatie wordt ingezet voor een maximaal 20 uur per week. Voor het maximaal aantal uren is gekozen om personen werkzaamheden te laten verrichten van enige omvang.

 

Artikel 6.3.3, derde lid, regelt dat het opdragen van een tegenprestatie binnen een periode van twaalf maanden slechts twee keer mogelijk is. Het gaat hierbij om een aaneengesloten periode van twaalf maanden. Deze bepaling waarborgt dat de tegenprestatie relatief gering wordt ingezet. De tegenprestatie dient immers niet in de weg te staan aan de re-integratie van een persoon. Bovendien is het verstandig de tegenprestatie relatief gering in omvang en duur in te zetten om aan de veilige kant van de internationale bepalingen met betrekking tot het verbod op dwangarbeid en verplichte arbeid te blijven (artikel 4 EVRM). Het is volgens de gemeenteraad onwenselijk om een persoon vaker dan twee maal per periode van twaalf maanden in te zetten.

De gemeente kan op basis van de persoonlijke omstandigheden van een persoon en diens individu ook besluiten om af te zien van het opleggen van een tegenprestatie.

 

Artikel 6.3.4 Geen werkzaamheden voorhanden

Artikel 6.3.4, eerste lid bepaalt dat geen tegenprestatie wordt opgedragen indien geen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden voorhanden zijn. In deze verordening kiest de gemeenteraad ervoor dat geen tegenprestatie wordt opgedragen indien geen maatschappelijk nuttige werkzaamheden binnen de eigen gemeentegrenzen voorhanden zijn. De Participatiewet verplicht gemeenten niet om buiten de eigen gemeentegrens een tegenprestatie te laten verrichten (TK 2013-2014, 33 801, nr. 7, p. 51). Indien de gemeente besluit geen tegenprestatie op te leggen omdat binnen de eigen gemeente-grenzen geen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden voorhanden zijn, wordt binnen vier maanden een heronderzoek uitgevoerd om te beoordelen of op dat moment wel maatschappelijk nuttige werkzaamheden binnen de eigen gemeentegrenzen voorhanden zijn. Dit is geregeld in artikel in het tweede lid.

 

Paragraaf 6.4 Loonkostensubsidie

 

Artikel 6.4.1 Vaststelling wie tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort

In artikel 10c van de Participatiewet is geregeld wanneer wordt vastgesteld of een persoon tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort: op schriftelijke aanvraag of ambtshalve.

Ambtshalve vaststelling is alleen mogelijk bij:

  • -

    personen die algemene bijstand ontvangen;

  • -

    personen als bedoeld in artikel 34a, vijfde lid, onderdeel b van de Wet werk en inkomen naar arbeids-vermogen (hierna: WIA), artikel 35, vierde lid onderdeel b van de WIA en artikel 36, derde lid, onderdeel b van de WIA tot het moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de Participatiewet is verleend;

  • -

    personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de Participatiewet;

  • -

    personen met een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, en

  • -

    personen met een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.

Artikel 10c van de Participatiewet bepaalt ook dat het aan de gemeente is om vast te stellen of een persoon tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort. Binnen de kaders van de wet is het aan de gemeente om vast te stellen op welke wijze zij bepalen of mensen tot de doelgroep loonkostensubsidie behoren en of loonkostensubsidie voor hen wordt ingezet (zie Kamerstukken II 2013/14, 33 161, nr. 107, blz. 62). In artikel 6:4.1, tweede lid, is vastgelegd welke criteria daarbij in acht genomen worden. Deze cumulatieve criteria zijn ontleend aan artikel 6, eerste lid, onderdeel e, van de Participatiewet. Daarin is immers wettelijk de doelgroep loonkostensubsidie vastgelegd.

 

Bij de vaststelling of iemand behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie kan de gemeente zich laten adviseren door een derde. De gemeente draagt personen voor die zouden kunnen behoren tot de doel-groep loonkostensubsidie, de derde adviseert en neemt daarbij eveneens de in het tweede lid neergelegde criteria in acht. Op basis van het advies beslist de gemeente of iemand tot de doelgroep loonkosten-subsidie behoort. Alleen als sprake is van een onzorgvuldige totstandkoming van het advies, kan besloten worden het advies niet te volgen.

 

Artikel 6.4.2 Vaststelling loonwaarde

In artikel 10d, eerste lid, van de Participatiewet is bepaald dat als een persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie en een werkgever voornemens is een dienstbetrekking aan te gaan met die persoon, de gemeente de loonwaarde van die persoon vaststelt. Hiervoor is geen aanvraag vereist. De vastgestelde loonwaarde legt de gemeente vast in een beschikking waartegen zowel de betrokken persoon als diens (potentiële) werkgever bezwaar en beroep kunnen instellen.

 

In de bijlage bij artikel 6.4.2 wordt de methode die de gemeente gebruikt om de loonwaarde van die persoon te bepalen omschreven.

 

Als een dienstbetrekking tot stand komt, verleent de gemeente loonkostensubsidie aan de werkgever met inachtneming van artikel 10d van de Participatiewet.

 

Artikel 6.4.3 Specifiek aanvraagproces loonkostensubsidie

Dit artikel is een uitwerking van de wettelijke verplichting voor gemeenten om bij verordening te bepalen hoe het administratief proces met betrekking tot het verstrekken van loonkostensubsidie is vormgegeven (artikel 8a, eerste lid en tweede lid, onder c, van de Participatiewet). Door in de verordening naar het werkproces te verwijzen beoogt de wetgever ervoor te zorgen dat werkgevers, in het kader van transparantie, beter weten waar zij aan toe zijn (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 54-55).

 

Het tweede lid maakt duidelijk dat het rechtssubject van de loonkostensubsidie de werkgever is, ook op het moment dat de werknemer de aanvraag indient. Dit volgt ook uit artikel 10d, eerste lid, van de Participatiewet waarin staat dat de subsidie wordt verleend aan de werkgever.

 

Omdat alleen personen die behoren tot de doelgroep loonkostensubsidie hiervoor in aanmerking komen regelt het derde lid dat op het moment dat er een aanvraag binnenkomt met betrekking tot een persoon ten aanzien van wie nog niet is vastgesteld dat deze onder de doelgroep valt de aanvraag mede moet worden gezien als een aanvraag om onder de doelgroep te worden gebracht.

 

Het vierde lid regelt de termijn waarbinnen de loonwaarde wordt vastgesteld.

 

Het vijfde lid verwijst naar het administratieve werkproces dat door de gemeente wordt gevolgd.

 

Bijlage bij artikel 6.4.2 - wijze waarop loonwaarde wordt vastgesteld

De gemeente maakt gebruik van een regionaal ingekochte loonwaardemethodiek om de loonwaarde van een persoon te bepalen.

 

Aan deze loonwaardemethodiek zijn in ieder geval de volgende eisen gesteld.

 

De loonwaarde van een werknemer wordt berekend op basis van:

  • gegevens verkregen van de werkgever;

  • gegevens verkregen van de werknemer zelf

Het instrument genereert een goed leesbare rapportage waarin ten minste de volgende gegevens zijn opgenomen:

  • onderbouwing van de loonwaarde;

  • begeleidingsbehoefte van de werknemer;

  • inzicht in inzetbaarheid op taken;

  • aanvullingen gedaan door de loonwaardespecialist.

Beschrijving van de methodiek geeft inzicht in de bestanddelen van de meting en de wijze waarop de meting tot stand komt. De meting kan in eigen beheer door of in opdracht van de gemeente worden uitgevoerd door een deskundige. Voldaan moet worden aan de bepalingen van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) en alle daaruit voortvloeiende beperkingen en verplichtingen ten aanzien van de in de applicatie opgeslagen gegevens.

 

Hoofdstuk 7. Inkomen

 

Paragraaf 7.1 Individuele inkomenstoeslag

 

Aan de bijstand ligt het uitgangspunt ten grondslag dat het normbedrag, bedoeld ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan met inbegrip van een component reservering, in beginsel toereikend is. Toch kan de financiële positie van mensen die langdurig op een minimuminkomen zijn aangewezen onder druk komen te staan als er na verloop van tijd geen enkel perspectief lijkt te zijn om door inkomen uit arbeid het inkomen te verhogen. Om die druk te verlichten is de individuele inkomens-toeslag (in het verleden langdurigheidstoeslag) in het leven geroepen. De toeslag zou gebruikt kunnen worden voor het doen van vervangingsuitgaven. De gemeente moet hierbij op grond van de wet het arbeidsperspectief meewegen, omdat de toeslag niet bedoeld is als een bonus op een langdurig verblijf in de uitkering en de regering ook wil voorkomen dat de toeslag bijdraagt aan de armoedeval. De gemeente kan in (wet interpreterende) beleidsregels nader uitwerken hoe zij in het individuele geval beoordeelt of er sprake is van uitzicht op inkomstenverbetering, waarbij zij in elk geval rekening moet houden met de krachten en bekwaamheden van de persoon, en de inspanningen die de persoon heeft verricht om tot inkomensverbetering te komen.

 

Bij verordening moeten regels vastgesteld worden over de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de begrippen ‘langdurig’ en ‘laag inkomen’. Daarnaast moet bij verordening de hoogte van de individuele inkomenstoeslag bepaald worden (artikel 8, lid 1; lid 2 Participatiewet).

 

Artikel 7.1.1 Indienen verzoek

In artikel 36, lid 1 Participatiewet is bepaald dat de individuele inkomenstoeslag kan worden verstrekt op een daartoe strekkend verzoek. Om onduidelijkheid te voorkomen over de wijze waarop het verzoek moet worden ingediend, bepaalt dit artikel dat het verzoek moet worden gedaan door het indienen van een aanvraag met behulp van een door de gemeente voorgeschreven aanvraagformulier, zoals dat ook geldt voor de andere individuele of maatwerkvoorzieningen in deze verordening. Een mondeling verzoek kan hiermee dus niet worden aangemerkt als een verzoek om een individuele inkomenstoeslag zoals bedoeld in artikel 36 Participatiewet.

 

Artikel 7.1.2 Langdurig laag inkomen en vermogen

Van belang bij het bepalen wat een langdurig laag inkomen en vermogen is, is wat onder deze begrippen wordt verstaan.

 

Met inkomen wordt bedoeld het inkomen zoals bedoeld in artikel 32 Participatiewet. In afwijking hiervan wordt algemene bijstand voor de beoordeling van het recht op individuele inkomenstoeslag ook in aanmerking genomen als inkomen. Bijzondere bijstand kan niet als inkomen in aanmerking worden genomen. Aangezien de individuele inkomenstoeslag een vorm van bijzondere bijstand is, is het niet nodig expliciet te bepalen dat een eerder verstrekte individuele inkomenstoeslag buiten beschouwing moet worden gelaten bij de vaststelling van het inkomen.

 

Een inkomen is laag als het niet hoger is dan 115% van de toepasselijke bijstandsnorm. Dit wordt op maandbasis beoordeeld (CRvB 11 september 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2881).

 

Het vermogen gedurende de referteperiode is laag als het niet hoger is dan de toepasselijke vrijlatingsgrens van artikel 34, lid 3 Participatiewet (bijv. CRvB 1 mei 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA5166; en CRvB 1 december 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:3263).

 

Met het definiëren van het begrip langdurig wordt bepaald hoe ver er teruggekeken wordt om te bepalen of iemand in aanmerking kan komen voor de individuele inkomenstoeslag en vanaf welk moment (de peil-datum) deze periode wordt teruggerekend. De door de gemeenteraad vastgestelde langdurige periode voorafgaand aan de peildatum, die in dit artikel is gelijkgesteld met de datum waartegen de inkomens-toeslag wordt aangevraagd, wordt aangeduid als de referteperiode. De referteperiode is bepaald op 36 maanden voorafgaand aan de peildatum. De peildatum komt meestal overeen met de meldingsdatum. De peildatum kan in beginsel niet liggen vóór de dag waarop een persoon zich heeft gemeld om de individuele inkomenstoeslag aan te vragen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Dit volgt uit artikel 44, lid 1 Participatiewet en de jurisprudentie rondom dat artikel (bijv. CRvB 22 september 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2567). De peildatum kan uiteraard ook niet te ver na de datum waarop de aanvraag wordt ingediend liggen, omdat op dat moment nog geen beoordeling van de situatie op de peildatum kan worden gegeven.

 

De leefvorm (alleenstaande, alleenstaande ouder of gehuwd) van een persoon kan wijzigen binnen de referteperiode. Dit is bijvoorbeeld het geval indien gehuwden individuele inkomenstoeslag aanvragen, maar zij over een gedeelte van de referteperiode als alleenstaande moeten worden aangemerkt. Personen moeten dan ook over dat deel van de referteperiode aan de voorwaarden voldoen om voor individuele inkomenstoeslag in aanmerking te komen. Gehuwden moeten immers zowel gezamenlijk als afzonderlijk aan de voorwaarden voldoen.

 

In het tweede lid is een afwijking opgenomen van de in het eerste lid genoemde inkomensgrens. Hiermee wordt voorkomen dat een geringe, incidentele stijging van het inkomen gedurende de referteperiode onevenredig nadelig uitpakt. Met deze bepaling wordt tevens voorkomen dat een marginale overschrijding van de inkomensgrens, die veroorzaakt zou kunnen worden door belastingtechnische afrondingsverschillen, direct leidt tot afwijzing van de individuele inkomenstoeslag.

 

Artikel 7.1.3 Hoogte individuele inkomenstoeslag

Bij de hoogte van de individuele inkomenstoeslag wordt onderscheid gemaakt tussen een alleenstaande, een alleenstaande ouder en gehuwden.

 

Bij gehuwden moet in het oog worden gehouden dat het recht op individuele inkomenstoeslag de gehuwden gezamenlijk toekomt. Worden personen op de peildatum als gehuwden aangemerkt, dan moeten beide gehuwden voldoen aan de voorwaarden van artikel 36, lid 1 Participatiewet. Voldoet één van hen niet aan deze voorwaarden, dan bestaat voor beiden geen recht op individuele inkomenstoeslag (CRvB 13 juli 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN2529).

 

Paragraaf 7.2 Studietoeslag

 

De gemeente kan een studietoeslag verstrekken aan scholieren en studenten van 18 jaar en ouder met een medische urenbeperking, die recht hebben op WTOS of Studiefinanciering. Om te spreken van een medische urenbeperking gaat het UWV er van uit dat niet meer dan 30 uur per week loonvormende arbeid kan worden verricht. Dit is ongeveer gelijk aan de urenbelasting voor een voltijdsstudie aan MBO/HBO/ Universiteit. Bijverdienen naast de studie zou hierdoor onmogelijk moeten zijn. De studietoeslag is bedoeld om dit laatste te compenseren. De scholieren of studenten mogen geen in aanmerking te nemen vermogen hebben.

 

De studietoeslag moet worden aangemerkt als een vorm van bijzondere bijstand (artikel 5, aanhef en onder d, van de Participatiewet). De studietoeslag is niet gerelateerd aan bepaalde kosten. Het is een inkomensondersteunende maatregel die vrij besteed mag worden. De studietoeslag is een belaste toeslag. De gemeente moet over de toeslag loonbelasting en premie volksverzekeringen betalen, en ook de inkomensafhankelijke bijdrage van de Zorgverzekeringswet.

 

Bij verordening moeten regels worden vastgesteld ten aanzien van de hoogte van de studietoeslag en de frequentie van betaling (artikel 8, lid 1; lid 3 Participatiewet).

 

Artikel 7.2.1 Indienen verzoek

In artikel 36b, lid 1 Participatiewet is bepaald dat de studietoeslag kan worden verstrekt op een daartoe strekkend verzoek. Een persoon dient op datum van de aanvraag aan de voorwaarden te voldoen zoals genoemd in artikel 36b, eerste lid, van de Participatiewet. Om onduidelijkheid te voorkomen over de wijze waarop het verzoek moet worden ingediend, bepaalt dit artikel dat het verzoek moet worden gedaan door het indienen van een aanvraag met behulp van een door de gemeente voorgeschreven aanvraagformulier, zoals dat ook geldt voor de andere individuele of maatwerkvoorzieningen in deze verordening. Een mondeling verzoek kan hiermee dus niet worden aangemerkt als een verzoek om een studietoeslag zoals bedoeld in artikel 36b Participatiewet.

 

Artikel 7.2.2 Eenmaal per studiejaar studietoeslag verlenen

In de verordening is opgenomen dat een inwoner slechts eenmaal per studiejaar recht heeft op een studietoeslag. De datum per wanneer de studietoeslag kan worden toegekend komt meestal overeen met de meldingsdatum. De datum kan in beginsel niet liggen vóór de dag waarop een persoon zich heeft gemeld om de studietoeslag aan te vragen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Dit volgt uit artikel 44, lid 1 Participatiewet en de jurisprudentie rondom dat artikel. De ingangsdatum kan uiteraard ook niet te ver na de datum waarop de aanvraag wordt ingediend liggen, omdat op dat moment nog geen beoordeling van de situatie op de ingangsdatum kan worden gegeven.

 

Artikel 7.2.3 Hoogte studietoeslag

In artikel 7.2.3 is de hoogte van de studietoeslag geregeld. Hierbij wordt de studietoeslag per persoon die voldoet aan de voorwaarden bepaald. Een studietoeslag is afhankelijk van de leeftijd van de inwoner. De bedragen zijn in overeenstemming met de bedragen die de Rijksoverheid hanteert.

 

Artikel 7.2.4 Betaling studietoeslag

In dit artikel wordt de frequentie van de betaling van de studietoeslag geregeld. Een studietoeslag wordt maandelijks uitbetaald.

 

Paragraaf 7.3 Afstemming, verlaging en weigering

 

De gemeente heeft een verantwoordelijkheid met betrekking tot de invulling van de rechten en plichten van bijstands- en uitkeringsgerechtigden. Mede gelet op de rechtszekerheid moet het gemeentelijk beleid vastgelegd worden in een verordening. Rechten en plichten zijn twee kanten van één medaille. Het recht op algemene bijstand op grond van de Participatiewet of het recht op uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk te worden van de (bijstands)uitkering. Ook wordt verwacht dat inwoners zich (voorafgaand aan het beroep op een (bijstands)uitkering) verantwoordelijk gedraagt met betrekking tot het kunnen voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan en dat men zich netjes gedraagt tegenover (de medewerkers van) de gemeente. Op het moment dat de inwoner zich niet aan zijn verplichtingen houdt dan kan dat reden zijn om de bijstand te verlagen. Een uitkering op grond van de IOAW of IOAZ kan in bepaalde situaties in plaats van verlaagd ook blijvend of tijdelijk worden geweigerd (artikel 20, lid 1 IOAW en artikel 20, lid 2 IOAZ). Op het moment dat de inwoner zijn inlichtingenplicht schendt dan moet er, in plaats van een verlaging, een boete worden opgelegd. Ten aanzien van de inspanningsverplichting om de Nederlandse taal voldoende te beheersen kent de Participatiewet bovendien een eigen afstemmingsregime (artikel 18b Participatiewet) en is de verordening dus niet van toepassing.

 

Er is wettelijk geregeld dat er een verlaging plaatsvindt op het moment dat de verplichtingen niet of onvoldoende worden nagekomen. Er is dus geen sprake van een bevoegdheid, maar van een verplichting aan de gemeente. Alleen wanneer iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, ziet de gemeente af van een dergelijke verlaging. De gemeente moet in kader van de Participatiewet en op grond van bestuurs-rechtelijke principes niettemin bij de vaststelling van de verlaging rekening houden met de persoonlijke omstandigheden en de individueel vastgestelde verplichtingen. De gemeente kan (gedeeltelijk) van een verlaging afzien als daarvoor zeer dringende redenen aanwezig zijn. Is afgezien van een verlaging wegens het ontbreken van elke vorm van verwijtbaarheid, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van de bepalingen ten aanzien van recidive deze gedraging mee te tellen. Is vanwege dringende redenen (gedeeltelijk) afgezien van het opleggen van een verlaging, dan is daarin geen reden gelegen om de betreffende gedraging buiten beschouwing te laten in geval van recidive.

 

Bij het verlagen van de bijstand op grond van artikel 18, tweede lid, van de Participatiewet in combinatie met de verordening is geregeld dat de gemeente uiterlijk drie maanden na de datum van de beschikking beoordeelt of de omstandigheden en het gedrag van belanghebbende aanleiding geven de beslissing te herzien (artikel 18, derde lid, van de Participatiewet). Bij een dergelijke herbeoordeling hoeft niet opnieuw een besluit te worden genomen, waarbij alle feiten en omstandigheden opnieuw tegen het licht worden gehouden. Artikel 18, derde lid, van de Participatiewet is naar oordeel van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid niet van toepassing als sprake is van een schending van een van de geüniformeerde verplichtingen (artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet). Ten aanzien van geünifor-meerde verplich-tingen is artikel 18, elfde lid, van de Participatiewet van toepassing. Het verschil tussen artikel 18, derde lid, en artikel 18, elfde lid, van de Participatiewet is dat artikel 18, elfde lid, pas wordt toegepast als belanghebbende daarom vraagt, terwijl artikel 18, derde lid na ten hoogste drie maanden ambtshalve dient te worden toegepast.

 

Bij verordening moeten regels worden vastgesteld ten aanzien van het verlagen van de bijstand, in verband met de schending van de verplichtingen bedoeld in artikel 18, lid 2 Participatiewet en de periode van de verlaging van de bijstand, in verband met de schending van de geüniformeerde verplichtingen bedoeld in artikel 18, lid 5; lid 6 Participatiewet (artikel 8, lid 1, onder a Participatiewet). Ook moeten er regels worden vastgesteld met betrekking tot het verlagen van de uitkering bedoeld in artikel 9a, lid 12 Participatiewet, in verband met het intrekken van de ontheffing van de alleenstaande ouder (artikel 8, lid 1, onder d Participatiewet).

Bij verordening moeten eveneens regels worden vastgesteld ten aanzien van het verlagen of (gedeeltelijk) weigeren van de uitkering bedoeld in artikel 20 IOAW en artikel 20 IOAZ, in verband met het niet of onvoldoende nakomen van de aan het recht op uitkering verbonden verplichtingen (artikel 35, aanhef en onder a IOAW en artikel 35, aanhef en onder a IOAZ). Ook moeten regels worden vastgesteld met betrekking tot het verlagen van de uitkering bedoeld in artikel 38, lid 12 IOAW en artikel 38, lid 12 IOAZ, in verband met het intrekken van de ontheffing van de alleenstaande ouder (artikel 35, aanhef en onder c IOAW en artikel 35, aanhef en onder c IOAZ).

 

Artikel 7.3.1 Horen

Het verlagen van de bijstand of de uitkering, of het blijvend of tijdelijk weigeren van de uitkering is een belastend besluit voor de betreffende inwoner. De gemeente neemt hiervoor zelf het initiatief. Voor een goede en zorgvuldige besluitvorming is het van belang om de belanghebbende bij dat besluit in de gelegenheid te stellen zijn zienswijze naar voren te brengen voordat het besluit wordt genomen (artikel 4:8 Awb). Het horen van een belanghebbende gebeurt in beginsel altijd mondeling, telefonisch dan wel in persoon. Eventueel kan een belanghebbende ook schriftelijk worden gehoord (artikel 4:9 Awb). Het horen is echter niet altijd zinvol om een goed en zorgvuldig besluit te kunnen nemen. Dit artikel bevat dan ook mogelijkheden om, in overeenstemming met de Algemene wet bestuursrecht, af te zien van het horen in bepaalde situaties (artikel 4:11; artikel 4:12 Awb).

 

Artikel 7.3.2 Afzien van verlaging

Het afzien van het opleggen van een verlaging “indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt", is overgenomen uit artikel 18, negende lid, van de Participatiewet, respectievelijk artikel 20, derde lid, van de IOAW en artikel 20, derde lid, van de IOAZ. Het is aan de gemeente om te beoordelen of elke vorm van verwijtbaarheid aan het betreffende gedrag ontbreekt. Is vanwege de afwezigheid van elke vorm van verwijtbaarheid afgezien van een verlaging, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van recidive deze gedraging mee te tellen (zie artikel 7.3.13 van deze verordening).

 

Wanneer een inwoner zijn gedrag dat de grondslag vormt om een verlaging wegens schending van een verplichting op te leggen al volledig heeft aangepast, dan past het vanuit het reparatoire karakter van de verlaging niet om toch nog een verlaging op te leggen. Het met opleggen de verlaging beoogde effect is dan immers al bereikt. De bepaling valt in het verlengde van de wettelijke mogelijkheden om een opgelegde verlaging te herzien indien ondubbelzinnig blijkt dat een inwoner zijn verplichtingen alsnog volledig nakomt (artikel 18, derde en elfde lid van de Participatiewet). Indien op deze grond wordt afgezien van het opleggen van een verlaging dan is daarin geen reden gelegen om de betreffende gedraging buiten beschouwing te laten in geval van recidive.

 

Een andere reden om af te zien van het opleggen van een verlaging is dat de gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de effectiviteit (“lik op stuk”) is het nodig dat een verlaging spoedig nadat de gedraging heeft plaatsgehad, wordt opgelegd. Om deze reden is geregeld dat de gemeente geen verlagingen oplegt voor gedragingen die langer dan één jaar geleden hebben plaats-gevonden. Dit heeft tevens als voordeel dat een belanghebbende niet te lang in onzekerheid wordt gehouden over de vraag of de gemeente overgaat tot het opleggen van een verlaging. De gekozen termijn van een jaar neemt niet weg dat er op het moment van besluitvorming altijd moet worden gekeken naar de actuele situatie van dat moment en de tussenliggende periode.

 

In het tweede lid is geregeld dat de gemeente (gedeeltelijk) af kan zien van het opleggen van een ver-laging als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. Dit onderdeel stelt een algemene verplichting tot het opleggen van een verlaging voorop. Uitzonderingen moeten echter mogelijk zijn. Op grond van artikel 18, tiende lid, van de Participatiewet moet de gemeente een op te leggen maatregel of een opgelegde maatregel afstemmen op de omstandigheden van een belanghebbende en diens mogelijkheden om middelen te verwerven. Dit als - volgens de gemeente - dringende redenen daartoe noodzaken, gelet op bijzondere omstandigheden. Het begrip - dringende reden gelet op bijzondere omstandigheden - is hierbij niet beperkt tot de onaanvaardbaarheid van de gevolgen die een verlaging heeft voor de inwoner gelet op diens persoonlijke omstandigheden, maar ruimer en omvat mede een beoordeling van de omstandigheden, de mogelijkheden en middelen van de inwoner. Deze invulling volgt ook uit het door de wetgever uitdruk-kelijk voorgestane individualiseringsbeginsel bij een op te leggen verlaging. Aan de gemeente komt in dit kader beoordelingsvrijheid toe (CRvB 12 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3676). Op grond van bijzondere omstandigheden kan de gemeente besluiten de maatregel op een lager niveau, voor een kortere duur of op nul vast te stellen. Uit het woord "dringend" blijkt dat er wel iets heel bijzonders en uitzonderlijks aan de hand moet zijn, wil een afwijking van het algemene principe gerechtvaardigd zijn. Wat dringende redenen zijn, is afhankelijk van de concrete situatie en kan dus niet op voorhand worden vastgelegd. Er kan worden gedacht aan onomkeerbare en ernstige financiële of sociale gevolgen voor belanghebbende en/of diens gezin. Daarbij moet worden opgemerkt dat ernstige financiële gevolgen op zichzelf geen reden zijn om van een verlaging af te zien, omdat dit inherent is aan het verlagen van een uitkering. Is vanwege de afstemming op grond van dringende redenen van een verlaging afgezien dan is daarin geen reden gelegen om de betreffende gedraging buiten beschouwing te laten in geval van recidive.

 

Artikel 7.3.3 Beschikking

Het verlagen van een (bijstands)uitkering of het afzien daarvan op grond van deze paragraaf vindt plaats door middel van een besluit. Het gaat om een verlaging als bedoeld in artikel 18, tweede, vijfde, zesde, zevende en achtste lid, van de Participatiewet, de artikelen 20, eerste lid en 38, twaalfde lid, IOAW en de artikelen 20, tweede lid en 38, twaalfde lid, van de IOAZ. Dit geldt ook voor het blijvend of tijdelijk weigeren van de uitkering als bedoeld in de artikelen 20, tweede lid IOAW en de artikelen 20, eerste lid IOAZ. Tegen dit besluit kan een belanghebbende bezwaar en beroep instellen. In dit artikel is aangegeven wat in het besluit in ieder geval moet worden vermeld. Deze eisen vloeien rechtstreeks voort uit de Awb en dan vooral uit het motiveringsvereiste. Het motiveringsvereiste houdt onder andere in dat de grondslag van een besluit kenbaar moet zijn en dat een besluit van een deugdelijke motivering moet zijn voorzien (afdeling 3.7 Awb).

 

Het doen van een schriftelijke mededeling in een beschikking dat de gemeente afziet van het opleggen van een verlaging wegens dringende redenen is van belang in verband met eventuele recidive. Het opleggen van een verlaging bij recidive is geregeld in artikel 7.3.13 van deze verordening. Het in alle gevallen waarin wordt afgezien van het opleggen van een verlaging afgeven van een beschikking geeft bovendien een stuk rechtszekerheid aan de inwoner.

 

Het besluit tot het blijvend of tijdelijk weigeren van de uitkering wordt eveneens per beschikking kenbaar gemaakt.

 

Artikel 7.3.4 Ingangsdatum en periode van een verlaging

Het verlagen van de (bijstands)uitkering die in de nabije toekomst wordt verstrekt, is de gemakkelijkste methode voor het opleggen van een verlaging. Dan hoeft niet te worden overgegaan tot herziening van de (bijstands)uitkering en terugvordering van het teveel betaalde bedrag. In de praktijk zal dit meestal inhouden dat een verlaging wordt opgelegd met ingang van de eerste dag van de kalendermaand, die volgt op de kalendermaand waarin het besluit bekend is gemaakt. Voor de berekening van de hoogte van de verlaging moet worden uitgegaan van de voor die maand geldende norm of grondslag na aftrek van eventuele inkomsten.

 

Het is niet altijd mogelijk om een lopende (bijstands)uitkering af te stemmen. In die gevallen kan de verlaging met terugwerkende kracht worden toegepast. Het afstemmingsbesluit dat in dat geval wordt genomen, is een bijzondere vorm van herziening van de (bijstands)uitkering. Het besluit leidt namelijk tot te veel verstrekte uitkering. De (bijstands)uitkering die op grond van het afstemmingsbesluit te veel is verstrekt kan met toepassing van artikel 58, tweede lid, sub a, van de Participatiewet, respectievelijk artikel 25, tweede lid, van de IOAW en van de IOAZ, worden teruggevorderd. Afstemming met terug-werkende kracht is echter niet altijd mogelijk. Als de gehele (bijstands)uitkering over de betreffende periode is ingetrokken en teruggevorderd, is er niets meer om te verlagen. Mogelijk kan er wel sprake zijn van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid op het moment na de onderbreking van het recht op een (bijstands)uitkering. De gemeente moet bij het opnieuw toekennen van het recht op bijstand/ uitkering beoordelen in hoeverre er nog aanleiding bestaat om een verlaging toe te passen.

 

Artikel 7.3.5 Berekeningsgrondslag

In het eerste lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een verlaging wordt berekend over de toepasselijke bijstandsnorm of uitkeringsgrondslag vermeerderd met toeslagen en verminderd met verlagingen en alles inclusief vakantietoeslag, verminderd met de in aanmerking te nemen middelen of inkomsten inclusief vakantietoeslag. Bij de IOAW en de IOAZ wordt dit inkomen bepaald conform het Algemeen inkomens-besluit socialezekerheidswetten.

 

In het tweede lid is bepaald dat een verlaging ook kan worden toegepast op de bijzondere bijstand als aan een belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 van de Participatie-wet. Personen tussen de 18 en 21 jaar ontvangen een lage jongerennorm, die indien nood-zakelijk wordt aangevuld door middel van aanvullende bijzondere bijstand in de kosten van levensonder-houd. Als een verlaging uitsluitend op de lage jongerennorm wordt opgelegd, zou dit leiden tot rechts-ongelijkheid ten opzichte van de groep van 21 jaar en ouder. Daarom is in het tweede lid, onderdeel a, geregeld dat de berekeningsgrondslag in dat geval bestaat uit de bijstandsnorm inclusief de verleende bijzondere bijstand op grond van artikel 12 van de Participatiewet.

 

Op grond van het tweede lid, sub b, is het mogelijk dat de gemeente in incidentele gevallen een verlaging oplegt over de bijzondere bijstand. Er moet dan wel een verband bestaan tussen de gedraging van een belanghebbende en zijn recht op bijzondere bijstand. Een verlaging kan uitsluitend worden opgelegd als daadwerkelijk bijzondere bijstand is verstrekt.

 

De verordening biedt geen ruimte om een verlaging toe te passen op een individuele inkomenstoeslag.

 

Artikel 7.3.6 Consequenties schenden geüniformeerde verplichtingen

De geüniformeerde verplichtingen zijn in de Participatiewet vastgelegd (artikel 18, vierde lid van de Participatiewet). Onder het niet naleven van een geüniformeerde verplichting valt ook het onvoldoende naleven van een geüniformeerde verplichting (CRvB 12 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3686; en CRvB 31 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:334).

 

De eerste keer dat de gemeente een verwijtbaar niet naleven van een geüniformeerde verplichting vast-stelt, bedraagt de verlaging honderd procent van de bijstand gedurende een bij dit onderdeel vastgestelde periode (artikel 18, vijfde lid, eerste volzin, van de Participatiewet). Hier is gekozen voor een periode van één maand. Een verlaging van deze duur geeft een duidelijk signaal af dat bijstandsgerechtigden zich aan hun verplichtingen dienen te houden. Ook is de afstemming in verhouding met de geschonden verplichting.

 

De gemeente heeft de mogelijkheid bij verlaging van de bijstand wegens schending van een geünifor-meerde verplichting, de verlaging te verrekenen. Dit kan over de maand van oplegging van de maatregel en ten hoogste over de twee volgende maanden. Over de eerste maand moet minimaal een derde van het bedrag van de verlaging worden verrekend (artikel 18, vijfde lid, tweede volzin, van de Participatiewet). Er is voor gekozen om de verlaging van 100 procent te verrekenen over één maand bij schending van een geüniformeerde verplichting. Dit om te voorkomen dat de verlaging het karakter heeft van een recidive-maatregel.

 

Artikel 7.3.7 Niet geüniformeerde verplichtingen

In dit artikel worden schendingen van verplichtingen uit de Participatiewet, de IOAW en IOAZ geformu-leerd. De verwijtbare gedragingen die zijn genoemd zijn ondergebracht in categorieën. Aan die cate-gorieën wordt in artikel 7.3.8 een gewicht toegekend in de vorm van een verlagingspercentage. De categorieën zijn gerangschikt naar toenemende zwaarte. Een gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de gedraging meer concrete gevolgen heeft voor het niet verkrijgen of behouden van betaalde arbeid.

 

Het (mede) op grond van deze bepaling verlagen van de (bijstands)uitkering is alleen mogelijk voor zover de gedraging niet reeds een schending van een geüniformeerde verplichting als bedoeld in artikel 18, vierde lid van de Participatiewet oplevert of aanleiding geeft tot het tijdelijk of blijvend weigeren van de uitkering als bedoeld in artikel 20, eerste lid van de IOAW of artikel 20, tweede lid van de IOAZ.

 

De verwijtbare gedragingen omvatten zowel het niet als het onvoldoende nakomen van diverse verplich-tingen. Artikel 18, tweede lid, van de WWB zoals dat luidde vóór 1 januari 2015 bepaalt dat de gemeente moest afstemmen als een belanghebbende de verplichtingen "niet of onvoldoende nakomt". Met het huidige artikel 18, tweede lid, van de Participatiewet wordt dit gewijzigd in "het niet nakomen van de verplichtingen". Het woord "onvoldoende" valt hiermee weg. Gemeend wordt dat de wetgever hiermee echter geen inhoudelijke wijziging heeft beoogd en dat dit moet worden gelezen als het niet of onvol-doende nakomen van verplichtingen. Om onduidelijkheid hierover te voorkomen is daarom opgenomen dat sprake is van een verwijtbare gedraging bij het niet of onvoldoende nakomen van de verplichtingen.

 

Eerste lid

 

Registreren als werkzoekende

De verplichting om als werkzoekende geregistreerd te staan bij het Uitvoeringsinstituut werknemers-verzekeringen spreekt voor zich.

 

Meewerken aan ontzorgen

De verplichting om mee te werken aan de in artikel 56a, tweede lid van de Participatiewet opgenomen verplichting spreekt voor zich.

 

Inspanningen in eerste vier weken na de melding

De plicht tot arbeidsinschakeling geldt vanaf datum melding (zie artikel 9, eerste lid, van de Participatie-wet). Specifiek voor personen jonger dan 27 jaar geldt dat zij worden beoordeeld op hun inspanningen in de eerste vier weken na de melding (artikel 43, vierde en vijfde lid, van de Participatie-wet). Is geen enkele inspanning verricht, dan bestaat op grond van artikel 13, tweede lid, sub d, van de Participatiewet geen recht op bijstand. Zijn er wel inspanningen verricht, maar naar het oordeel van de gemeente onvoldoende, dan verlaagt de gemeente de uitkering.

 

Medewerkingsverplichting

Bij het schenden van de medewerkingsverplichting als bedoeld in artikel 17, tweede lid van de Participatiewet kan de gemeente alleen tot het opschorten en vervolgens intrekken van de bijstands-uitkering overgaan (artikel 54 van de Participatiewet) als de medewerking nodig is om informatie te verkrijgen die van invloed is op het actuele recht op bijstand (bijv. CRvB 17 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:456 en CRvB 9 oktober 2019, ECLI:NL:CRVB:2018:3121). Om inwoners ook in overige situaties, die niet tevens vallen onder een in artikel 18, vierde lid van de Participatiewet genoemde verplichting of een andere in dit artikel genoemde verplichting, tot medewerking te kunnen bewegen is hier een mogelijkheid tot het verlagen van de bijstandsuitkering opgenomen bij het niet meewerken aan de medewerkingsverplichting. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het niet meewerken aan het afleggen van een taaltoets.

 

Ondubbelzinnig niet nakomen verplichting door alleenstaande ouder

Met deze bepaling wordt uitwerking gegeven aan artikel 9a, twaalfde lid van de Participatiewet.

 

Tegenprestatie

Op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c van de Participatiewet is een belanghebbende verplicht tot het naar vermogen verrichten van door de gemeente opgedragen onbeloonde maatschappe-lijk nuttige werkzaamheden, ook wel bekend als de tegenprestatie. Op het moment dat de belanghebben-de dit weigert, of weigert mee te werken aan een onderzoek dat tot doel heeft om vast te kunnen stellen welke tegenprestatie hij zou kunnen verrichten kan de gemeente de uitkering verlagen (bijv. CRvB 26 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3316).

 

Rechtstreekse betalingen

Op grond van artikel 57, eerste lid, aanhef en onder a van de Participatiewet heeft de gemeente de mogelijkheid de belanghebbende te verplichten mee te werken aan het verrichten van rechtstreekse betalingen door de gemeente namens de belanghebbende. Deze budgettering vanuit de bijstand is bedoeld om te zorgen dat de bestaansmiddelen doelmatig worden besteed op het moment dat er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de belanghebbende zonder deze hulp niet in staat is tot een verantwoorde besteding van zijn bestaansmiddelen. In ditzelfde artikel is ook de mogelijkheid geregeld om de bijstand in natura te verstrekken, maar dit zal voor de gemeente niet altijd mogelijk zijn. Gelet op het doel van het opleggen van deze verplichting zal de gemeente met het verlagen van de bijstand op deze grond terughoudend moeten omgaan.

 

Het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen

Deze verwijtbare gedraging is niet aan de orde voor zover het gaat om het niet naar vermogen proberen te verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid als dit het gevolg is van een gedraging zoals bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet. In artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet staan de geüniformeerde verplichtingen. Voor schending van een geüniformeerde verplichting geldt een apart afstemmingsregime.

 

Er is dus geen sprake van een verwijtbare gedraging zoals bedoeld in artikel 7.3.7, lid 1, sub c, onder 1 als het niet naar vermogen proberen te verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid voortvloeit uit een gedraging zoals bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet zoals:

  • -

    het niet verkrijgen of niet behouden van kennis en vaardigheden die noodzakelijk zijn voor het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid, en

  • -

    het belemmeren van het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid door kleding, gebrek aan persoonlijke verzorging en gedrag.

Onder schending van deze verplichting valt bijvoorbeeld wel het niet voldoende solliciteren (CRvB 11 augustus 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1821).

Tweede lid

 

Voor de toelichting op de in het tweede lid genoemde verplichting wordt verwezen naar de toelichting bij de in het eerste lid genoemde verplichtingen.

 

Artikel 7.3.8 Consequenties schenden niet-geüniformeerde verplichtingen

Dit artikel bepaalt de hoogte en de duur van de verlaging bij het schenden van een niet-geüniformeerde verplichting. Gedragingen die sterk lijken op het schenden van een geüniformeerde verplichting zijn verbonden aan een verlaging van 100%, zoals dat ook het geval is bij schending van een geüniformeerde verplichting. De verlaging wordt berekend over de berekeningsgrondslag zoals omschreven in artikel 7.3.5 van deze verordening.

 

Artikel 7.3.9 Consequenties tekortschietend besef van verantwoordelijkheid

Op grond van artikel 7.3.9 kan een verlaging worden opgelegd wegens het betonen van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in de hoogte van het benadelingsbedrag. Dat is in dit geval het gedeelte van de uitkering waarop eerder, langer of tot een hoger bedrag een beroep wordt gedaan.

 

Aan de Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstan-digen ligt het beginsel ten grondslag dat iedereen in eerste instantie in zijn eigen bestaanskosten dient te voorzien. Pas wanneer dat niet mogelijk is, kan men een beroep doen op een (bijstands)uitkering. Hoofdregel is dus dat iedereen alles zal moeten doen en nalaten om een beroep op een (bijstands )uitkering te voorkomen. Leidt een gedraging ertoe dat een belanghebbende eerder, langer of voor een hoger bedrag is aangewezen op een (bijstands)uitkering, dan is veelal sprake van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in de kosten van het bestaan. Hiervan is in ieder geval sprake bij de volgende gedragingen (als die ertoe leiden dat belanghebbende eerder, langer of voor een hoger bedrag is aangewezen op een (bijstands)uitkering):

  • -

    het onverantwoord besteden van vermogen;

  • -

    het door eigen schuld verliezen van het recht op een uitkering;

  • -

    het door eigen schuld te laat aanvragen van een voorliggende voorziening.

Onder onverantwoord besteden van vermogen voorafgaand aan de bijstand wordt verstaan:

  • meer uitgeven aan vaste lasten en dan wat redelijkerwijs op grond van NIBUD-normen aan levensonderhoud kan worden besteed, en

  • geen inspanningen verrichten om de lasten op een lager niveau te brengen teneinde een beroep op bijstand te voorkomen.

Bij een onderbreking van de bijstandsperiode door een vermogensoverschrijding die ex-tunc moet worden beoordeeld, wordt enkel gekeken naar de periode van intrekking in relatie tot de toepasselijke bijstands-norm.

 

Het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid tijdens de bijstand (na de meldingsdatum) moet worden aangemerkt als het schenden van een geüniformeerde verplichting (zie de artikelen 9, eerste lid, sub a, en 18, vierde lid, sub g, van de Participatiewet). Is sprake van het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid voorafgaand aan het beroep op bijstand, dan is sprake van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid en moet afstemming volgens de regels van artikel 18, tweede lid van de Participatiewet en artikel 7.3.9 van deze verordening plaatsvinden. Ingevolge artikel 7.3.2, lid 1, aanhef en onder c geldt hierbij een termijn van een jaar.

 

Het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid tijdens de uitkering (na de meldingsdatum) moet worden aangemerkt als het schenden van een niet geüniformeerde verplichting (zie de artikelen 37 en 38 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 37 en 38 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, in combinatie met artikel 7.3.7, tweede lid van deze verordening). Is sprake van het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid voorafgaand aan het beroep op uitkering, dan is sprake ven een tekortschietend besef van verantwoorde-lijkheid en moet afstemming volgens de regels van artikel 20, tweede lid IOAW of artikel 20, eerste lid IOAZ en artikel 7.3.9 van deze verordening plaatsvinden. Ingevolge artikel 7.3.2, lid 1, aanhef en onder c geldt hierbij een termijn van een jaar.

 

In het kader van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstan-digen bestaat er ook de mogelijkheid dat de uitkering geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd (artikel 20, eerste lid van de IOAW en artikel 20, tweede lid van de IOAZ). Deze mogelijkheid tot weigeren is niet aan een termijn gebonden. Bij een dergelijke samenloop gelden de bepalingen uit artikel 7.3.12 van deze verordening.

 

Als sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan de gemeente tevens besluiten de bijstand in de vorm van een geldlening te verstrekken. Dit volgt uit artikel 48, tweede lid, sub b, van de Participatiewet. Als de gemeente besluit beide instrumenten te gebruiken (leenbijstand én verlaging) moet het wel voldoende acht slaan op het totale effect hiervan voor de bijstandsgerechtigde (CRvB 20 maart 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA2344). In deze verordening wordt gekozen voor een milde vorm van afstemming (korte periode van 1 maand), waardoor er vanuit het oogpunt van evenredigheid in beginsel voldoende ruimte overblijft voor het verstrekken van de bijstand in de vorm van een geldlening. Anders dan bij een verlaging zijn de in artikel 7.3.2 genoemde redenen om af te zien van een verlaging niet van toepassing bij het besluit tot verstrekking van de bijstand in de vorm van een geldlening. Het gaat hier immers niet om een verlaging, maar om het al dan niet verstrekken van bijstand in de vorm van een geldlening.

 

Artikel 7.3.10 Consequenties zeer ernstige misdragingen

Onder de term 'zeer ernstige misdraging' dient in elk geval te worden verstaan: elke vorm van agressief en agressief fysiek contact met een persoon of het ondernemen van pogingen daartoe, danwel daarmee dreigen. Hieronder valt bijvoorbeeld schoppen, slaan of het gooien van voorwerpen naar een persoon of het dreigen met een suïcidepoging ten einde een besluit of handeling af te dwingen. Ook het toebrengen van schade aan een gebouw of inventarisonderdeel, evenals het ondernemen van pogingen daartoe in enige vorm wordt als zeer ernstige misdraging gezien. Handelingen die door hun grote en mogelijk blijven-de impact op de desbetreffende persoon of personen grote invloed hebben zoals het opzetten van gerichte lastercampagnes, seksuele intimidatie, het tonen van steek en/of vuurwapens evenals (pogingen tot) op-sluiting in een ruimte zijn eveneens als zeer ernstige misdraging te beschouwen (Kamerstukken II 2013-14, 33 801, nr. 3, p. 24). Ook verbaal geweld valt onder de noemer 'zeer ernstige misdraging' (CRvB 19 augustus 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BE8919). Het gaat dus om alle vormen van zeer ernstige misdragin-gen tegenover de met de uitvoering van de Participatiewet belaste personen en instanties (gemeente, SVB en re-integratiebedrijven) tijdens het verrichten van hun werkzaamheden (Kamerstukken II 2013-14, 33 801, nr. 3, p. 55). Met de zinsnede 'tijdens het verrichten van de werkzaamheden' wordt aangegeven dat de misdraging dient plaats te vinden in het kader van de uitvoering van de Participatie-wet. Dat is anders als betrokkenen elkaar buiten werktijd tegen komen: dan is alleen het strafrecht van toepassing (Kamerstukken II 2013-14, 33 801, nr. 3, p. 25-26).

 

Artikel 7.3.11 Consequenties niet nakomen van overige verplichtingen

De Participatiewet geeft de gemeente de bevoegdheid om personen verplichtingen op te leggen die volledig individueel bepaald zijn. Artikel 55 van de Participatiewet biedt daartoe de mogelijkheid en beperkt deze tot een viertal categorieën, te weten:

  • 1.

    verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling;

  • 2.

    verplichtingen die verband houden met de aard en het doel van een bepaalde vorm van bijstand;

  • 3.

    verplichtingen die strekken tot vermindering van de bijstand, en

  • 4.

    verplichtingen die strekken tot beëindiging van de bijstand.

De hoogte van de verlaging is in dit onderdeel per categorie verschillend vastgesteld.

 

Artikel 7.3.12 Samenloop van gedragingen

 

Samenloop bij één gedraging waardoor meerdere verplichtingen worden geschonden

Het eerste lid regelt samenloop als sprake is van één gedraging die schending oplevert van meerdere verplichtingen, die zijn genoemd in deze paragraaf, artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet en/of in artikel 18b van de Participatiewet. In dat geval wordt één verlaging opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en de duur van de verlaging wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging is gesteld. De geüniformeerde bepalingen uit artikel 18, vierde lid en 18b van de Participatiewet gaan voor op de niet geüniformeerde bepalingen.

 

Samenloop bij meerdere gedragingen waardoor één of meerdere verplichtingen worden geschonden

Het tweede lid regelt samenloop als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van één of meerdere verplichtingen, die zijn genoemd in deze paragraaf, artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet en/of artikel 18b van de Participatiewet. Dit wordt 'meerdaadse samenloop' genoemd. In dat geval wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging toegepast. Deze verlagingen worden gelijktijdig opgelegd. Worden meerdere maatregelen opgelegd dan is dit omstandigheid die moet worden gewogen. Een maatregel kan niet omwille van die omstandigheden worden gespreid over meerdere maanden. Het totaal van maatregelen kan niet meer bedragen dan 100% over de toepasselijke periode.

 

Samenloop met weigeren uitkering IOAW/IOAZ

De gemeente is op grond van artikel 20, eerste lid van de IOAW en artikel 20, tweede lid van de IOAZ bevoegd de uitkering blijvend of tijdelijk te weigeren als een belanghebbende, kort gezegd, inkomen uit arbeid had kunnen verwerven, maar dit nalaat. Dit is een discretionaire bevoegdheid. De vraag of een verlaging moet worden toegepast, zal pas aan de orde komen als de gemeente zich een oordeel heeft gevormd over de eventuele weigering van de uitkering. Deze beoordeling gaat in beginsel voor. Pas als de gemeente concludeert dat van een weigering geen sprake is, kan op grond van deze verordening een verlaging worden toegepast. Deze bepaling is bedoeld om samenloop te voorkomen, zodat niet na een weigering in het kader van de IOAW of de IOAZ ook nog een verlaging wordt opgelegd in het kader van de Participatiewet voor dezelfde gedraging.

 

Artikel 7.3.13 Recidive

Voor recidive als bedoeld in het eerste en tweede lid is vereist dat sprake moet zijn van "eenzelfde verwijtbare gedraging" als de gedraging waarvoor de eerste verlaging is opgelegd. Voorwaarde is dus dat dezelfde verplichting wordt geschonden. Is dit niet het geval, dan moet de verwijtbare gedraging worden aangemerkt als een eerste schending van een verplichting. Heeft een persoon zich zeer ernstig misdragen (artikel 7.3.10) binnen 24 maanden nadat een verlaging is opgelegd wegens het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (artikel 7.3.7, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1), dan is geen sprake van recidive aangezien het niet "eenzelfde gedraging" betreft.

 

Ook in het kader van recidive dient rekening gehouden te worden met de individuele omstandigheden van de inwoner. Artikel 7.3.2, tweede lid van de verordening is onverkort van toepassing bij recidive.

 

Recidive schending geüniformeerde verplichting

Is sprake van het niet of onvoldoende nakomen van een geüniformeerde verplichting binnen twaalf maanden nadat aan een belanghebbende een eerste maatregel is opgelegd wegens schending van een geüniformeerde verplichting, dan bedraagt de verlaging honderd procent gedurende twee maanden. Dit valt binnen de in artikel 18, zesde lid, van de Participatiewet gegeven marges.

 

Bij een derde, vierde en volgende schending van een geüniformeerde verplichting, telkens binnen twaalf maanden na oplegging van de vorige maatregel, bedraagt de verlaging honderd procent gedurende drie maanden (artikel 18, zevende en achtste lid, van de Participatiewet).

 

Recidive schending niet geüniformeerde verplichting en overige verplichtingen

Als binnen 24 maanden na een eerste verwijtbare gedraging wederom sprake is van een verwijtbare gedraging waarmee dezelfde verplichting wordt geschonden, wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de duur van de verlaging. Met de eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste gedraging bedoeld die aanleiding is geweest tot een verlaging, ook als wegens dringende redenen – op grond van deze verordening en eventueel artikel 18, tiende lid, van de Participatiewet – is afgezien van het opleggen van een verlaging. Is vanwege de afwezigheid van elke vorm van verwijtbaarheid afgezien van een verlaging, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van recidive deze gedraging mee te tellen. Voor het bepalen van de aanvang van de termijn van 24 maanden, geldt het tijdstip waarop het besluit waarmee de verlaging is opgelegd, is verzonden.

 

Ook in het geval dat een belanghebbende voor een derde of volgende keer een niet geüniformeerde verplichting schendt, is de recidivebepaling van toepassing. Dit wordt tot uitdrukking gebracht door het woord "telkens" in de recidivebepaling. Voor toepassing van de recidivebepaling is vereist dat het opnieuw schenden van dezelfde verplichting plaatsvindt binnen 24 maanden na bekendmaking van het vorige besluit waarmee een verlaging is toegepast.

 

Is sprake van een derde of volgende schending, dan geldt – evenals bij de eerste keer recidive – dat de duur van de vorige verlaging wordt verdubbeld. Er is expliciet voor gekozen de duur van de vorige verlaging te verdubbelen. Hiermee wordt uiting gegeven aan het principe dat herhaalde schending een zwaardere consequentie dient te hebben.

 

Indien er binnen korte tijd bij herhaling sprake is van recidive, dan moet geconcludeerd worden dat de standaardverlaging, ook na verdubbeling van de looptijd, niet de beoogde gedragsverandering tot stand brengt. In dat geval bestaat er aanleiding om ook de zwaarte van de verlaging te verhogen. Aangezien er niet meer verlaagd kan worden dan de toegekende (bijstands)uitkering, is vastgelegd dat het gaat om een verdubbeling tot maximaal 100 %.

 

Hoofdstuk 8. Toezicht en bestrijding van misbruik

 

Dit hoofdstuk heeft tot doel transparant de regels over handhaving en toezicht centraal op te nemen om de integraliteit van onze inzet binnen het sociaal domein weer te geven en te waarborgen. De rechtmatig-heid van verstrekkingen in het sociaal domein is een wettelijke taak die verder gaat dan enkel het kader van financieel beheer. Draagvlak voor de beschikbaarheid van voorzieningen bestaat mede wanneer daar geen oneigenlijk voordeel mee kan worden behaald en er geen niet noodzakelijke verstrekkingen plaatsvinden.

 

Zowel het onderzoeken van signalen (toezicht) als het acteren op bevindingen in deze onderzoeken (handhaving) zien wij als een middel dat bijdraagt aan de volgende doelen (zoals benoemd in het Integraal Beleid voor Toezicht en Handhaving 2019-2022 (T18.14637)):

  • 1.

    We zorgen voor gemeentelijke voorzieningen in het sociaal domein met een goede kwaliteit voor onze inwoners;

  • 2.

    We maken verantwoord gebruik van de publieke middelen voor het sociaal domein en voorkomen dat we door onrechtmatig gebruik onnodige uitgaven doen; en

  • 3.

    Inwoners en aanbieders van gemeentelijke voorzieningen weten dat het plegen van fraude in Lansingerland niet loont.

We werken aan deze doelen door onrechtmatigheden en gebrekkige kwaliteit in het sociaal domein zoveel mogelijk te voorkomen. Als er toch onrechtmatigheden of kwaliteitsverbeteringspunten voorkomen in het sociaal domein, dan stoppen we deze ontstane situaties zo snel mogelijk. Door de stevige inzet van toezicht en handhavingsmaatregelen geven we het signaal af dat onrechtmatigheid en kwaliteits-problemen in onze gemeente onacceptabel zijn. Dit heeft zowel een preventieve als repressieve werking.

 

Paragraaf 8.1 Maatschappelijke ondersteuning

Deze paragraaf betreft een uitwerking van de verordeningsplicht van artikel 2.1.3, vierde lid van de Wmo 2015. Hierin is bepaald dat in de verordening regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet.

 

Artikel 8.1.1 Toezicht rechtmatigheid

Dit artikel spreekt voor zich.

 

Artikel 8.1.2 Handhaving rechtmatigheid

Op grond van artikel 2.3.9 Wmo 2015 moet de gemeente periodiek onderzoeken of er aanleiding is om de toekenning van een maatwerkvoorziening te heroverwegen. Het gaat om zowel zorg in natura als zorg in de vorm van een persoonsgebonden budget. Als hier aanleiding toe is dan kan de gemeente, op grond van artikel 2.3.10 Wmo 2015, de eerdere beslissing herzien of intrekken. De uitvoering van deze werkzaam-heden is niet uitsluitend voorbehouden aan de toezichthouder. De werkzaamheden kunnen ook worden uitgevoerd door een Wmo-consulent.

 

Als de eerdere beslissing wordt ingetrokken omdat de inwoner of een derde opzettelijk onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt, dan kan de gemeente geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening, op grond van artikel 2.4.1 Wmo 2015.

 

Handhaving op het gebied van maatschappelijke ondersteuning zal zich met name richten op de aanbieder van zorg. Slechts in een overduidelijk geval van fraude door een inwoner zal terugvordering van die inwoner kunnen plaatsvinden. Dit laatste betreft een bevoegdheid en geen verplichting. Omdat de Wmo 2015 dit als een bevoegdheid formuleert, wat betekent dat het aan de gemeente is om daarover in een individuele situatie te oordelen, is deze terugvorderingsmogelijkheid ook in dit artikel van de verordening als een bevoegdheid geformuleerd.

 

Paragraaf 8.2 Jeugdhulp

In artikel 2.9, aanhef en onder d van de Jeugdwet is bepaald dat in de verordening regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Het gaat om zowel zorg in natura als zorg in de vorm van een persoons-gebonden budget. Deze paragraaf betreft een uitwerking van deze verordeningplicht.

 

Artikel 8.2.1 Inlichtingenplicht

In artikel 8.1.2, eerste lid van de Jeugdwet is vastgelegd dat de inwoner of zijn ouders aan de gemeente alle informatie verstrekken die van belang kan zijn voor het heroverwegen van een beslissing tot toeken-ning van een individuele voorziening in de vorm van een Pgb. Met deze bepaling in de verordening wordt deze informatieplicht verbreed naar alle individuele voorzieningen, dus ook als deze worden verstrekt in de vorm van zorg in natura. Immers, ook van inwoners en hun ouders die jeugdhulp in natura ontvangen kan verlangd worden dat zij de gemeente informeren over ontwikkelingen die mogelijk aanleiding geven om deze beslissing te heroverwegen. Deze verruiming heeft uiteraard geen gevolgen voor de beperking van deze informatieplicht uit artikel 8.1.2, tweede lid van de Jeugdwet.

 

Artikel 8.2.2 Toezicht rechtmatigheid

Het aanwijzen van een toezichthouder rechtmatigheid op grond van de Jeugdwet kan – in tegenstelling tot de aanwijzing van een toezichthouder voor de Wmo 2015, Participatiewet, IOAW en IOAZ - enkel zijn grondslag vinden wanneer de aanwijzing in de verordening is opgenomen. Dit artikel voorziet in deze grondslag.

 

Artikel 8.2.3 Handhaving rechtmatigheid

Op grond van artikel 8.1.3 van de Jeugdwet moet de gemeente periodiek onderzoeken of er aanleiding is om de toekenning van een individuele voorziening in de vorm van een Pgb te heroverwegen. Met deze bepaling in de verordening wordt dit periodieke onderzoek verbreed naar alle individuele voorzieningen, dus ook als deze worden verstrekt in de vorm van zorg in natura. Het is immers belangrijk om de doelmatigheid van alle vormen van jeugdhulp te monitoren om te kijken of de beoogde doelen (nog wel) worden bereikt.

 

Als hier aanleiding toe is dan kan de gemeente, op grond van artikel 8.1.4 van de Jeugdwet, de eerdere beslissing tot toekenning van een Pgb herzien of intrekken. Ook hier wordt deze mogelijkheid met de verordening verbreed tot alle individuele voorzieningen, ongeacht de vorm waarin deze zijn verstrekt. Deze bevoegdheid kan impliciet worden afgeleid uit de bevoegdheid tot het toekennen van een indivi-duele voorziening, maar wordt met deze bepaling expliciet gemaakt. De uitvoering van deze werkzaam-heden is niet uitsluitend voorbehouden aan de toezichthouder. De werkzaamheden kunnen ook worden uitgevoerd door een jeugdconsulent.

 

In artikel 8.1.4, derde lid van de Jeugdwet is bepaald dat als de eerdere beslissing wordt herzien of ingetrokken omdat de inwoner of een derde opzettelijk onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt, dan kan de gemeente geheel of gedeeltelijk de geldswaarde van het ten onrechte genoten persoons-gebonden budget invorderen bij dwangbevel. Voordat tot invordering kan worden overgegaan zal de gemeente eerst tot terugvordering over moeten gaan. Dit is echter niet in de Jeugdwet geregeld en daarom is het van belang hiervoor een grondslag in de verordening op te nemen. Ook hier beperkt de verordening zich niet enkel tot individuele voorzieningen die in de vorm van een Pgb zijn verstrekt, maar biedt zij ook een basis om de geldwaarde van de in natura verstrekte voorziening terug te vorderen.

 

Handhaving in het kader van de Jeugdwet zal zich met name richten op de aanbieder van zorg. Slechts in een overduidelijk geval van fraude door een inwoner zal terugvordering van die inwoner kunnen plaatsvinden. Dit laatste betreft een bevoegdheid en geen verplichting. Omdat de Jeugdwet dit als een bevoegdheid formuleert, wat betekent dat het aan de gemeente is om daarover in een individuele situatie te oordelen, is deze terugvorderingsmogelijkheid ook in dit artikel van de verordening als een bevoegd-heid geformuleerd.

 

Paragraaf 8.3 Werk en inkomen

Op grond van artikel 8b van de Participatiewet, artikel 35, aanhef en onder b van de Wet inkomensvoor-ziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en artikel 35, aanhef en onder b van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen dienen regels te worden gesteld ter bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een (bijstands)uitkering alsmede van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet in het kader van het financiële beheer. Deze paragraaf betreft een uitwerking van deze verordeningplicht.

 

Artikel 8.3.1 Toezicht rechtmatigheid

Dit artikel spreekt voor zich.

 

Artikel 8.3.2 Handhaving rechtmatigheid

Dit artikel spreekt voor zich.

 

Hoofdstuk 9. Sociaal Medische Indicatie

 

Paragraaf 9.1 Algemene bepalingen

 

Artikel 9.1.1 Toepassingsbereik

De bepalingen uit hoofdstuk 2 van deze verordening met betrekking tot de toegang zijn in dit hoofdstuk niet van toepassing.

 

Artikel 9.1.2 Begrippen

Alle begrippen die in dit hoofdstuk worden gehanteerd komt dezelfde betekenis toe als in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen.

Op grond van lid a geldt dat aanvrager en kind op hetzelfde adres in de gemeente Lansingerland ingeschreven staan.

 

In geval ouders gescheiden zijn geldt het volgende:

Als de ouder tijdelijk wegens aantoonbare lichamelijke, psychische of sociale problemen niet voor het kind kan zorgen wordt eerst gekeken of de andere ouder hiertoe in staat is overeenkomstig het gestelde in artikel 9.3.2. Als de opvang van het kind niet op een andere manier geregeld kan worden en kinderopvang noodzakelijk is op de dagen dat het kind bij de aanvrager woont, dan gelden de volgende voorwaarden:

  • -

    Aanvrager staat ingeschreven bij de gemeente Lansingerland;

  • -

    Het kind voor wie de SMI-regeling wordt aangevraagd woont minimaal één doordeweekse dag bij de aanvrager in Lansingerland. Dit wordt gecontroleerd aan de hand van het ouderschapsplan;

  • -

    Aanvrager komt alleen in aanmerking voor die opvangdagen dat het kind volgens het ouderschapsplan bij de aanvrager woont.

Artikel 9.1.3 Doelstelling en doelgroep

Volgens het eerste lid van dit artikel is het doel van de regeling om ouders tijdelijk te ontlasten dan wel de ontwikkeling van kinderen te bevorderen. De regeling is gericht op ouders met een lichamelijke, zintuigelijke, verstandelijke beperking of een sociaal en/of psychisch probleem die daardoor niet in staat zijn om (volledig) voor hun kinderen te zorgen.

 

Er dient gekeken te worden of de ouders beschikken over een Nederlandse nationaliteit of dat er sprake is van rechtmatig verblijf in Nederland. Onder rechtmatig verblijf wordt in dit verband verstaan de persoon die rechtmatig verblijf houdt in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000.

Het inzetten van kinderopvang kan het gezin ontlasten en geeft ouders bovendien tijd en ruimte om zelf een structurele oplossing te vinden. Verder heeft het inzetten van kinderopvang een positief effect op de ontwikkeling van het kind of kinderen.

 

Artikel 9.1.4 Aanspraak op een tegemoetkoming

Als ouders passen binnen de doelgroep als geformuleerd in artikel 9.1.3, dient te aanvraag nog getoetst te worden aan de vereisten in lid 2.

Het dient voor de ouders niet mogelijk te zijn om op eigen kracht in kinderopvang te voorzien of passende voorliggende voorzieningen voor opvang van het kind in te zetten. Pas wanneer hiervan geen sprake is, bestaat er een recht op een tegemoetkoming voor SMI kinderopvang.

 

Paragraaf 9.2 Aanvraagprocedure

 

Artikel 9.2.1 Indiening van de aanvraag

De aanvrager dient verplicht gebruik te maken van een door de gemeente beschikbaar gesteld aanvraag-formulier. Zowel voor de aanvrager als voor de gemeente is het efficiënt om te werken met formulieren: de aanvrager weet dan exacte welke informatie moet worden aangeleverd en de gemeente beschikt op overzichtelijke wijze over alle relevante gegevens. Een aanvraag die anders dan via het voorgeschreven formulier is ingediend, kan onder omstandigheden op grond van het bepaalde in artikel 4:5 van de Awb buiten behandeling worden gelaten. Daartoe zal aanleiding kunnen zijn als essentiële gegevens bij de aanvraag ontbreken of het op andere wijze indienen van de aanvraag administratieve problemen aanlei-ding geeft. Wel moet de aanvrager eerst de gelegenheid worden geboden om de aanvraag aan te vullen.

 

Artikel 9.2.2 Advies

De gemeente vraagt voor de beoordeling van de aanvraag advies aan een jeugdarts van het Centrum Jeugd en Gezin Rijnmond.

 

Paragraaf 9.3 Verlening van de tegemoetkoming

 

Artikel 9.3.1 Beslistermijn

De gemeente neemt overeenkomstig het gestelde in artikel 4:13 van de Awb binnen acht weken een besluit op de aanvraag. De beslistermijn vangt pas aan na ontvangst van de volledige aanvraag. Dus als een aanvraag niet volledig is vangt de termijn pas aan na ontvangst van de ontbrekende gegevens.

 

Artikel 9.3.2 Afwijzingsgronden

De gemeente kan een aanvraag of een aanvraag voor een verlenging in een aantal gevallen afwijzen:|

  • a.

    Indien niet wordt voldaan aan het bepaalde in de artikelen 9.1.2 en 9.1.3 van dit hoofdstuk. Bijvoorbeeld wanneer de desbetreffende ouder geen rechtmatig verblijf houdt in Nederland en/of zelf op eigen kracht kan voorzien in de kinderopvang.

  • b.

    ouders niet bereid zijn om hulpverlening te accepteren of hieraan mee te werken. Hiervan is bijvoorbeeld sprake wanneer zij (binnen hun netwerk) weigeren opzoek te gaan naar alternatieven.

  • c.

    Wanneer ouders niet voldoen aan hun verplichting om de noodzaak tot kinderopvang zoveel als mogelijk te beperken, of indien ouders niet voldoen of hebben voldaan aan hun inlichtingenplicht.

Artikel 9.3.3 Ingangsdatum, omvang en duur

Uit het eerste lid van dit artikel volgt dat de tegemoetkoming wordt verleend met ingang van de datum waarop de kinderopvang op grond van de indicatie daadwerkelijk start. Deze datum wordt afgeleid uit de overeenkomst die is gesloten met de kinderopvangorganisatie. De ingangsdatum kan nooit voor de meldingsdatum liggen. Indien de kinderopvang op basis van overeenkomst eerder is gestart dan de meldingsdatum, wordt de meldingsdatum als ingangsdatum genomen.

 

De tegemoetkoming wordt verleend voor maximaal 6 dagdelen per week voor dagopvang en drie dagdelen per week voor buitenschoolse opvang. Samen met de ouders wordt de persoonlijke situatie en de behoefte in kaart gebracht.

 

Soms kan er sprake zijn van samenloop van het recht op een tegemoetkoming en een (lopend) recht op kinderopvangtoeslag van de Belastingdienst op het moment van de aanvraag SMI, bijvoorbeeld als één van de werkende ouders gedeeltelijk uitvalt. Er is dan sprake van een ‘beperkt recht’. In die gevallen wordt de tegemoetkoming vastgesteld in aanvulling op de lopende kinderopvang, waarvoor een kinderopvang-toeslag wordt ontvangen. Het uitgangspunt bij de toekenning is dat de goedkoopst adequate voorziening wordt ingezet.

 

Uit het derde lid blijkt de tijdelijkheid van deze regeling. De duur van de tegemoetkoming is beperkt tot in principe twaalf maanden. In eerste instantie zoeken de ouders zelf een oplossing. Lukt dit niet, dan kan de gemeente waar nodig ondersteuning bieden bij het organiseren van de kinderopvang en de aanpalende problematiek. Deze tegemoetkoming wordt daarom dan ook enkel ingezet wanneer blijkt dat er in het voorliggend veld geen of onvoldoende mogelijkheden zijn. De periode van twaalf maanden geeft tijd en ruimte om binnen de eigen mogelijkheden de opvang in de toekomst anders te organiseren. Voorkomen moet worden dat ouders gaan ‘leunen’ op de gemeente.

 

Voorbeelden eigen kracht:

  • -

    bij uitval van één van de ouders wordt gestreefd naar een herverdeling van taken binnen het gezin

  • -

    lukt dit niet, dan wordt van de ouders verwacht dat zij hun eigen netwerk inschakelen (familie, vrienden, buren etc).

  • -

    is kinderopvang langdurig nodig, dan kan van de ouders ook worden verwacht dat zij bijvoorbeeld uitkijken naar ander werk dat beter aansluit bij de thuissituatie.

Gelet op het vierde lid van dit artikel beoordeelt de sociaal-medisch adviseur na afloop van de toegekende periode of verlenging noodzakelijk is op grond van een deugdelijke onderbouwing. Het verzoek om verlenging wordt gedaan door de ouders.

 

Artikel 9.3.4 Eigen bijdrage

Op grond van dit hoofdstuk zijn ouders in principe een inkomensafhankelijke eigen bijdrage verschuldigd. Voor het berekenen van de hoogte van de eigen bijdrage wordt gebruik gemaakt van de kinderopvang-toeslagtabel van de Belastingdienst.

 

Om ervoor te zorgen dat de voorziening voor iedereen, dus ook voor ouders met een lager inkomen, toegankelijk is, ziet de gemeente af van het opleggen van een eigen bijdrage indien ouders een netto inkomen hebben dat lager is dan 115% van de geldende bijstandsnorm op grond van de Participatiewet. De inkomensgrens die de gemeente hanteert in het minimabeleid is van toepassing voor wat betreft de draagkrachtregeling; inwoners met een inkomen tot die grens worden vrijgesteld van het betalen van een eigen bijdrage SMI.

 

Gezinnen die niet vallen onder de voornoemde uitzonderingssituatie dienen een eigen bijdrage te betalen. Voor het berekenen van de hoogte van de eigen bijdrage wordt gebruik gemaakt van de Kinderopvang-toeslagtabel van de Belastingdienst. Deze tabel gaat uit van een (gezamenlijk) toetsingsinkomen per jaar. Op basis van het (gezamenlijk) toetsingsinkomen wordt berekend hoeveel procent van de kosten voor het aantal uren kinderopvang vergoed wordt.

 

Artikel 9.3.5 Hoogte tegemoetkoming

Voor de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming wordt aangesloten bij het geldende maximum uurtarief van de Belastingdienst zoals opgenomen in het Besluit kinderopvangtoeslag. Ouders met een netto-inkomen dat lager is dan 115% van de geldende bijstandsnorm, als bedoeld in artikel 21 van de Participatiewet komen in aanmerking voor een vergoeding van ten hoogste € 11,50- per uur voor een kindercentrum en € 10,- per uur voor een gastouderbureau. Zij dienen met documenten te onderbouwen dat zij hiervoor in aanmerking komen. Als het inkomen lager is dan 115% van de normen als bedoeld in artikel 21 van de Participatiewet en er is sprake van een hoger uurtarief, vergoedt de gemeente een hoger uurtarief. Dit tarief is begrensd op maximaal € 11,50- per uur (dagopvang en buitenschoolse opvang) en € 10,- per uur (gastouderopvang). Als het uurtarief van de gekozen kinderopvang alsnog hoger is moeten ouders dit verschil wel zelf betalen, want zij kunnen dan ook kiezen voor opvang met een lager uurtarief. Die keuze is er op dit moment niet.

 

Eventuele meerkosten als gevolg van een andere niet noodzakelijke keuze door de ouders komen voor eigen rekening. De tegemoetkoming wordt maandelijks rechtstreeks uitbetaald aan het kindercentrum of aan het gastouderbureau.

 

De hoogte van de tegemoetkoming wordt berekend op het moment van aanvraag.

 

Paragraaf 9.4 Verplichtingen van de ouder

 

Artikel 9.4.1 Inlichtingenplicht

De ouders doen op verzoek, in dit geval middels het aanvraagformulier mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op de aanspraak of de hoogte van de tegemoetkoming.

Denk hierbij aan inlichtingen over:

  • de aard en duur van de beperking;

  • de gezinssamenstelling;

  • het inkomen;

  • de overeenkomst met de kinderopvanginstelling of de gastouder;

  • de bevestiging van de plaatsing.

Deze inlichtingenplicht loopt door tijdens de periode waarover een tegemoetkoming is toegekend. Dit betekent bijvoorbeeld dat wijzigingen in het inkomen of in de opvanguren direct bij de gemeente gemeld moeten worden.

Indien ouders zich niet aan deze verplichting houden, kan een aanvraag of de verlenging daarvan worden afgewezen op grond van artikel 9.3.2.

 

Paragraaf 9.5 Overige bepalingen

 

Artikel 9.5.1 Herziening en intrekking

Dit artikel biedt de mogelijkheid een besluit tot toekenning van de tegemoetkoming SMI kinderopvang, in bepaalde omstandigheden te herzien of in te trekken.

Hoewel het hoofdstuk enkel spreekt over de mogelijkheid tot intrekken of herzien, is hiermee ook beëindigen of wijzigen van de tegemoetkoming SMI kinderopvang bedoeld. Van beëindiging is sprake als de gemeente de aanspraak op de tegemoetkoming SMI kinderopvang stopt met ingang van het heden of naar de toekomst toe. Het ongedaan maken van de aanspraak over een periode in het verleden, wordt intrekken genoemd. Beëindiging heeft dus, in tegenstelling tot intrekking, geen terugwerkende kracht.

Bij wijziging past de gemeente het recht op de tegemoetkoming aan vanaf het heden of naar de toekomst toe. Het recht blijft dus wel bestaan, maar in een andere omvang. Het wijzigen van het recht op de tegemoetkoming over een periode in het verleden wordt herzien genoemd.

Het artikel is geformuleerd als ‘kan-bepaling’, dat wil zeggen dat de gemeente wel bevoegd is om het recht op de tegemoetkoming te herzien of in te trekken, maar dit geen verplichting is.

 

Artikel 9.5.2 Terugvordering

Een terugvorderingsbesluit is nauw verweven met een herzienings- en intrekkingsbesluit. Deze besluiten dienen altijd vooraf te gaan aan het besluit tot terugvordering.

Ook dit artikel is geformuleerd als ‘kan-bepaling’. De gemeente is hiermee wel bevoegd om terug te vorderen, maar is hiertoe niet verplicht.

 

Hoofdstuk 10. Slotbepalingen

 

Paragraaf 10.1 Uitwerking en evaluatie

 

Artikel 10.1.1 Nadere regels

Dit artikel spreekt voor zich.

 

Paragraaf 10.2 Rechtskracht

 

Artikel 10.2.1 Inwerkingtreding

Dit artikel spreekt voor zich.

 

Artikel 10.2.2 Intrekken oude verordeningen

Dit artikel spreekt voor zich.

 

Artikel 10.2.3 Overgangsrecht

Dit artikel regelt de overgangssituaties die zich voor kunnen doen tussen deze verordening en de oude verordening.

 

Aanvragen die nog bij de gemeente in behandeling zijn, zullen worden beoordeeld op grond van deze verordening. Aanvragen waarop reeds op grond van de oude verordening is beslist, maar waartegen bezwaar is ingediend, zullen in bezwaar ook worden beoordeeld op grond van de oude verordening.

 

Voor de tarieven die in deze en in de oude verordening worden genoemd is het tarief dat geldt op het moment van de aanvraag leidend. Op een in december 2021 ingediende aanvraag wordt ook in januari het tarief op grond van de oude verordening toegekend. Op het moment dat wordt aangevraagd tegen een latere datum, geldt het tarief dat op dat moment geldt. Hierbij kan gedacht worden aan een in december 2021 ingediende aanvraag om een voorziening met ingang van januari 2022. In dat geval geldt dat het tarief van januari 2022 van toepassing is. Hiermee wordt voorkomen dat aanvragers anders worden behandeld op basis van de snelheid waarmee de gemeente hun aanvraag weet af te handelen. Voor Pgb’s geldt dat het oude (hogere) tarief maximaal zes maanden van toepassing is.

 

Met de bepaling in het vierde lid wordt duidelijk gemaakt dat bestaande rechten doorlopen, totdat een nieuwe beoordeling heeft plaatsgevonden. De voorziening eindigt uiteraard ook als de periode waarvoor deze is toegekend is geëindigd. Bij langlopende indicaties zal in principe een redelijke overgangstermijn van zes maanden in worden geboden als er op grond van deze verordening een nieuw besluit wordt genomen. Er kunnen zich echter ook situaties voordoen waarin dit, bijvoorbeeld ter bescherming van een kwetsbare inwoner, niet verantwoord is en een voorziening per direct beëindigd moet worden en vervangen moet worden door een ander soort voorziening.

 

In deze verordening is de blijverslening niet langer opgenomen. Voor bestaande situaties is opgenomen dat de bepalingen van de oude verordening voor bestaande leningen van kracht blijven.

 

Artikel 10.2.5 Citeertitel

Dit artikel spreekt voor zich.

Naar boven