Gemeenteblad van Lopik
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Lopik | Gemeenteblad 2025, 531181 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Lopik | Gemeenteblad 2025, 531181 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Lopik 2026
De raad van de gemeente Lopik;
gelezen het voorstel van het college van 7 oktober 2025;
gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.12 en 8.1.1, derde lid, van de Jeugdwet;
gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4, eerste, derde en zevende lid, 2.1.5, eerste lid, 2.1.6, 2.3.6, vierde lid en 2.6.6, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;
de ‘Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Lopik 2026’ vast te stellen.
Hoofdstuk 1 Leidende principes en begripsbepalingen
Artikel 1.1 Leidende principes
Bij het toepassen van de regels uit deze Verordening houdt het college rekening met de doelen van de genoemde wetten. Het college zorgt ervoor dat het effect van een besluit past bij die doelen.
In de gemeente Lopik zetten we ons in voor een samenleving waarin iedereen naar vermogen kan meedoen en ondersteuning beschikbaar is voor wie die écht nodig heeft. Onze integrale verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp geeft richting aan hoe we dit in de praktijk brengen. We hanteren hierin vier leidende principes die ons helpen om ondersteuning mensgericht, toekomstbestendig en rechtvaardig te organiseren:
We onderkennen dat het leven uitdagingen kent. Niet elke hobbel vraagt om professionele hulp. We stimuleren het besef dat ongemak, tijdelijk uit balans zijn of opvoedingsvragen bij het gewone leven horen. Door dit te normaliseren voorkomen we afhankelijkheid van zorg en ondersteuning en overvraging van het sociaal domein. In onze ondersteuning richten we ons op veerkracht, eigen regie en samenredzaamheid.
Perfectie is niet altijd nodig om goed te kunnen functioneren. We kijken naar wat voor de inwoner of het gezin ‘goed genoeg’ is om de dagelijkse realiteit zelfstandig of met lichte ondersteuning aan te kunnen. Dit helpt ons bij het stellen van realistische verwachtingen, zowel voor de inwoner als voor onszelf als gemeente.
Krachtgericht werken & wederkerigheid
We geloven in de eigen kracht van inwoners en hun netwerken. Dit vraagt van professionals een basishouding van vertrouwen, erkenning van talenten en het versterken van vaardigheden. Ondersteuning is in principe tijdelijk en gericht op herstel van zelfstandigheid. We doen een beroep op wederkerigheid: als gemeente zetten wij ons in, maar we verwachten ook actieve inzet van de inwoner zelf en zijn omgeving.
Ondersteuning wordt altijd afgestemd op de persoonlijke situatie. Tegelijk zorgen we ervoor dat deze eerlijk en transparant is, met oog voor rechtsgelijkheid. We maken heldere afwegingen over wat tot de eigen verantwoordelijkheid hoort (eigen kracht, gebruikelijke hulp, hulp uit sociaal netwerk) en waar professionele ondersteuning noodzakelijk is. Termen als ‘gebruikelijke hulp’, ‘algemeen gebruikelijke voorzieningen’ en ‘maatwerk’ zijn duidelijk omschreven, zodat de reikwijdte van ondersteuning afgebakend is.
Door deze principes consequent toe te passen, zorgen we voor een scherpe afbakening van verantwoordelijkheden en versterken we de sociale basis in onze gemeente. We zetten in op een beweging naar voren: preventie, collectieve oplossingen en inzet op het voorliggend veld gaan voor individuele maatwerkvoorzieningen. Zo behouden we ruimte voor maatwerk daar waar het écht nodig is, voor inwoners die geen steun kunnen vinden in hun omgeving, of voor wie de complexiteit van de situatie specialistische hulp vraagt.
Onze integrale aanpak houdt rekening met de volle breedte van het leven: van opvoedvragen bij jeugd tot mobiliteitsondersteuning bij ouderdom. Door de verbinding tussen Wmo en Jeugdwet te versterken, werken we gezinsgericht, domein overstijgend en toekomstbestendig.
Deze verordening is geen eindpunt, maar een kader dat mee beweegt met maatschappelijke ontwikkelingen. We blijven evalueren, leren en samenwerken met inwoners, professionals en partners in de gemeente en de regio om ondersteuning toegankelijk, houdbaar en betaalbaar te houden.
Algemene voorziening: dienst of product die gericht is op maatschappelijke ondersteuning of hulp vanuit de Jeugdwet. Algemene voorzieningen zijn toegankelijk zonder voorafgaand onderzoek naar de behoefte, persoonskenmerken en mogelijkheden van de inwoner. In de Wmo verwijst deze term naar algemene voorzieningen zoals in artikel 1.1.1 van de Wmo.
Hulpvraag: de behoefte van een inwoner aan maatschappelijke ondersteuning zoals bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo en/of de behoefte van een jeugdige of zijn ouders aan jeugdhulp zoals bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet en/of de behoefte aan lichte opvoedondersteuning of kortdurende begeleiding.
Persoonlijk plan: een plan dat door de inwoner zelf tijdens, of vlak na de melding, wordt ingediend, waarin hij beschrijft welke ondersteuning volgens hem het meest passend is (of best passend), waaronder een ‘familiegroepsplan’ als bedoeld in artikel 1.1. van de Jeugdwet of een ‘persoonlijk plan’ als bedoeld in artikel 2.3.2 tweede lid, onderdelen a tot en g van de Wmo.
Alle begrippen die in de verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Jeugdwet, de Wmo en de Algemene wet bestuursrecht.
Hoofdstuk 2 Toegang en procedure
Als tijdens het onderzoek blijkt dat de inwoner de gewenste ondersteuning bij een andere organisatie kan krijgen, of als het onder een andere wet valt, dan kan het college de inwoner helpen om dit bij deze andere organisatie bespreekbaar te maken. In deze situatie rondt het college de Wmo melding af, als de inwoner hiermee instemt. Als de inwoner in deze situatie instemt met intrekking van de Jeugdhulpaanvraag, neemt het college geen besluit.
Het college legt het ondersteuningsplan in geval van een Jeugdhulpaanvraag ter ondertekening voor aan de inwoner (voor akkoord of voor gezien) en vraagt de inwoner het terug te sturen naar het college. De ondertekening van het ondersteuningsplan ziet het college als schriftelijke bevestiging van de eerder ingediende aanvraag voor een jeugdhulp voorziening als deze eerder ingediende aanvraag niet voldoet aan de voorwaarden die in artikel 4.1 en 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht wordt gesteld aan een aanvraag.
Hoofdstuk 4 Maatwerkvoorzieningen
Artikel 4.1 Voorzieningen Jeugdhulp (art. 2.3/2.4 Jw) en Wmo (art. 2.1.2 Wmo)
Het college treft op basis van de Jeugdwet voorzieningen zodat jeugdigen gezond en veilig kunnen opgroeien, kunnen groeien naar zelfstandigheid en zo veel mogelijk kunnen meedoen in de maatschappij. De volgende maatwerkvoorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar vanuit de Jeugdwet:
Artikel 4.3 Algemene toekenningscriteria voorziening
Het college kent een maatwerkvoorziening toe als uit het onderzoek blijkt dat een maatwerkvoorziening nodig is, gezien de aard en ernst van de hulpvraag. Het college past hier het afwegingskader toe. De hulpvraag van een inwoner is in die gevallen iet op te lossen of te verminderen door inzet van:
Als een gevraagde specifieke individuele voorziening niet bewezen effectief is (evidence based) kan het college besluiten om deze voorziening niet toe te kennen en een bewezen effectieve alternatieve individuele voorziening te verstrekken. Er is sprake van bewezen effectieve voorzieningen indien en als zijnde ‘erkend’ in de (NJI) Databank Effectieve Jeugdinterventies (DEI), de databank van de GGZ (GGZ Standaarden) of de databank voor interventies gericht op jeugdigen met een beperking (databank interventies gehandicaptenzorg).
Artikel 4.4 Aanvullende criteria voorziening: gebruikelijke- en bovengebruikelijke hulp
Artikel 4.5 Aanvullende criteria voorziening Jeugd: Draagkracht, draaglast en eigen kracht
Een gezonde draagkracht betekent dat ouders of andere huisgenoten onderling zorg kunnen dragen voor de normale, dagelijkse hulp. Ouder(s) zijn verplicht de tot hun gezin behorende minderjarige kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht op hen te houden. Dit geldt ook als sprake is van een jeugdige met een ziekte, aandoening of beperking. Heeft de inwoner of ouder(s) zelf de mogelijkheid en/of het vermogen (eigen kracht) om de hulp- of ondersteuningsvraag op te lossen, dan kent het college geen voorziening toe.
Als de noodzakelijke ondersteuning voor wat betreft de aard, frequentie en benodigde tijd voor deze handelingen zwaarder is dan de zorg die jeugdigen van dezelfde leeftijd redelijkerwijs nodig hebben, neemt het college in zijn onderzoek de balans tussen draagkracht en draaglast mee. Het college bepaalt of de draagkracht van het gezin om zelf de benodigde ondersteuning, hulp en zorg te kunnen bieden in overeenstemming is met de draaglast, op basis van de eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen van ouders (eigen kracht), samen met de personen die tot hun sociale netwerk behoren en beschikbare voorliggende voorzieningen.
Wanneer de beslissing door het gezin is genomen om op eigen kracht hulp of ondersteuning te verlenen waarbij (een van) de ouder(s) minder betaalde arbeid is gaan verrichten en de draaglast van de hulp- of ondersteuningsvraag en de draagkracht van het gezin met elkaar in overeenstemming zijn, kent het college geen voorziening toe.
Artikel 4.11 Afstemming met andere vormen van ondersteuning
Het college zorgt ervoor dat de ondersteuning zoveel mogelijk aansluit bij andere vormen van hulp en/of ondersteuning die de inwoner ontvangt. Om dat te bereiken kan het college afspraken maken met hulpverleners, instellingen, zorgverzekeraars en andere personen of organisaties. Die afspraken gaan over:
Hoofdstuk 5 Een maatwerkvoorziening in leveringsvorm pgb
Artikel 5.1 Criteria leveringsvorm voorziening als pgb
Als de inwoner een pgb wenst te ontvangen om hulp van derden te betrekken, dan dient de inwoner een pgb-plan volgens het format van het college aan te leveren. Hierin moet in elk geval zijn opgenomen:
de motivatie waarom de inwoner de zorg in pgb geleverd wenst te krijgen. Voor jeugdhulp geldt aanvullend: een motivatie waarom de zorg in natura, niet passend is als oplossing voor de hulpvraag. Uit deze motivatie moet in elk geval blijken dat de inwoner wel op de hoogte is van het aanbod dat door het college is ingekocht;
Een aanvraag voor een pgb kan geheel of gedeeltelijk geweigerd worden:
als de hulp of ondersteuning die door één persoon geleverd wordt, meer bedraagt dan 36 uur per week. Bij het vaststellen of deze 36 uur per week overschreden wordt, kunnen alle betaalde werkzaamheden worden meegewogen en ook de hoeveelheid ondersteuning die deze persoon, al dan niet via een pgb, levert aan andere personen of gezinsleden;
Wanneer een andere partij dan de gemeente verwijst naar een niet-gecontracteerde jeugdhulpaanbieder, dan moet de inwoner hiervoor eerst een aanvraag indienen bij het college. Het college ziet dit dan als een aanvraag, zoals genoemd in artikel 4 van deze verordening. Wanneer nodig doet het college aanvullend onderzoek naar de hulpvraag.
Artikel 5.2 Pgb en ondersteuning uit het sociaal netwerk
Van informele hulp is sprake wanneer de hulp wordt verleend door een persoon die behoort tot het sociaal netwerk, bij hulpverlening door een bloed- of aanverwant in de 1e, 2e of 3e graad, is altijd sprake van informele hulp. Er wordt onderscheid gemaakt tussen informeel Pgb vanuit de Wmo 2015 en een Pgb vanuit de Jeugdwet:
Op grond van de Wmo 2015 en de onderhavige verordening is het mogelijk een informeel pgb te besteden aan diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen door een persoon die behoort tot het sociaal netwerk, indien deze hulp gemotiveerd leidt tot een vergelijkbaar of beter resultaat dan de inzet van professionele hulpverlener.
Een informeel pgb voor jeugdhulp kan alleen betrokken worden bij een persoon die behoort tot het sociale netwerk in het geval door deze persoon handelingen worden overgenomen van een professionele hulpverlener. In overige gevallen wordt geen pgb verstrekt voor het betrekken van jeugdhulp bij een persoon die behoort tot het sociale netwerk. Daarnaast dient de ondersteuning betrekking te hebben op één of meerdere van onderstaande ondersteuningsbehoefte:
Artikel 5.3 Hoogte en tarieven pgb
Als het pgb bedoeld is voor de aanschaf van een product of hulpmiddel, dan berekent het college het pgb op basis van de laagste prijs en het laagste tarief dat hiervoor zou worden gehanteerd door een door het college gecontracteerde aanbieder. Daarnaast kent het college een percentage van het aankoopbedrag toe voor onderhoud en reparatie en indien nodig voor verzekeringskosten.
De hoogte van een pgb voor een noodzakelijke autoaanpassing, woningaanpassing(en) of bezoek baar maken van een woning bedraagt maximaal de kostprijs van de in de betreffende situatie, goedkoopst passende voorziening in natura of een door het college vast te stellen tarief op basis van minimaal één offerte.
Als een inwoner ondersteuning wil inzetten van een niet-gecontracteerde zorgaanbieder of zzp-er die hogere kosten per eenheid hanteert dan de door het college maximaal vastgestelde pgb tarieven, zoals benoemd in dit artikel, dan verleent het college de voorziening in de vorm van een pgb voor het maximaal vastgestelde pgb tarief. De inwoner moet de extra kosten voor eigen rekening nemen. Dit wordt vastgelegd in het Plan en in het besluit.
Artikel 5.4 Besteding pgb, niet betrokken kosten
Kosten die de hulpverlener bij een budgethouder in rekening brengt in verband met een opzegtermijn vallen niet onder het pgb. Ook kosten die de hulpverlener bij de inwoner in rekening brengt voor het niet nakomen van een afspraak, vallen niet onder het pgb. Dit geldt ook voor kosten van salarisadministratie, deze mogen niet vanuit het pgb betaald worden.
Hoofdstuk 6 Financiële tegemoetkomingen Wmo
Artikel 6.2 Criteria financiële tegemoetkoming meerkosten
De hoogte van de tegemoetkoming bedraagt een door het college in het Financieel Besluit genoemd bedrag per jaar per gezinslid dat aan de voorwaarden voldoet. Het bedrag wordt jaarlijks per 1 januari geïndexeerd op basis van de index van de meicirculaire gemeenten t-1 en wordt vermeld in het Financieel Besluit.
Hoofdstuk 7 Kostprijs voorzieningen en eigen bijdrage
Artikel 7.2 Bijdrage kosten voorzieningen Wmo art. 2.1.4a/art. 2.1.5 Wmo en Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 (AmvB)
Gaat het om kosten van een woningaanpassing voor een minderjarige inwoner, dan wordt de bijdrage in de kosten opgelegd aan de onderhoudsplichtige ouder(s)/ verzorger(s). Dat geldt ook voor de ouder tegen wie een ouderschapsactie is ingesteld en de rechter dit verzoek heeft afgewezen (artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek). Het geldt ook voor diegene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een minderjarige inwoner (zoals bedoeld in artikel 253t van Boek 1 van het Burgerlijk wetboek).
Hoofdstuk 8 Kwaliteit en aanbesteding voorzieningen in natura
Artikel 8.1 Kwaliteit voorzieningen
Het college controleert het in dit artikel gestelde door periodieke overleggen met zorgaanbieders, of door het uitvoeren van standaard kwaliteitsonderzoek of kwaliteitsonderzoek naar aanleiding van een signaal. Ook kan het college periodiek inwoner-ervaringsonderzoeken uitvoeren en/of als dat nodig is in overleg met een inwoner ter plaatse de (kwaliteit van de) geleverde voorziening in natura controleren.
Artikel 8.2 Verhouding prijs-kwaliteit ondersteuning door derden (art. 2.11/2.12 Jw en art. 2.6.4. Wmo)
Hoofdstuk 9 Klachten en inspraak
Artikel 9.2 Betrekken van inwoners bij het beleid
Het college zorgt ervoor dat vertegenwoordigers van cliëntgroepen vroegtijdig in de gelegenheid zijn om voorstellen voor het beleid jeugd en Wmo te doen en advies te geven bij besluitvorming over regelgeving en beleid betreffende jeugd en Wmo. Het college zorgt voor de ondersteuning die nodig is om hun rol effectief in te kunnen vullen.
Hoofdstuk 10 Toezicht en handhaving voorzieningen
Artikel 10.1 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking, weigering en terugvordering voorziening
Artikel 10.2 Fraude, preventie en controle
De toezichthouders kunnen voor het uitoefenen van toezicht gebruik maken van:
bestandsvergelijkingen: het college vergelijkt binnen de wettelijke kaders de gegevens van de inwoner met de gegevens die bekend zijn over deze inwoner bij andere organisaties, zoals de Belastingdienst, Sociale Verzekeringsbank (SVB), zorgaanbieder, zorgverzekeraar en uitvoerder Wet langdurige zorg (Wlz);
Het college kan een materiele controle en fraudeonderzoek doen bij zorgaanbieders die werken onder een contract van de gemeente. Dit geldt ook voor een contract dat een inwoner met een zorgaanbieder heeft gesloten in het kader van een pgb. Bij het onderzoek wordt bekeken of de prestatie is geleverd waarvoor is betaald.
Artikel 10.4 Beleidsplan fraude
Het college kan in het beleidsplan voor de onderzoeksmethoden die vaak worden toegepast protocollen opstellen, zoals een protocol voor de inzet van huisbezoeken. De protocollen waarborgen dat bij het toezicht geen ongeoorloofde inbreuk op het privéleven van inwoners plaatsvindt. Het college maakt de protocollen openbaar bekend.
Artikel 10.5 Toezicht aanbieders
Het college wijst één of meer personen aan die de taak hebben erop toe te zien dat aanbieders de wetten en de bijbehorende regels naleven in het kader van de Wmo en Jeugd en voldoen aan de gestelde eisen.
Hoofdstuk 11 Overig bepalingen en slotbepalingen
Artikel 11.2 Hardheidsclausule
Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van de bepalingen van deze verordening, als toepassing van deze verordening naar het oordeel van het college tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-531181.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.