Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Doetinchem 2016, achtste wijziging

De raad van de gemeente Doetinchem;

 

gezien het voorstel van burgemeester en wethouders over achtste wijziging Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Doetinchem 2016;

 

gelet op de artikelen 149 en 154 van de Gemeentewet;

 

b e s l u i t :

 

de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Doetinchem 2016, achtste wijziging, als volgt vast te stellen.

  • I.

    Artikel 2:1a als volgt te laten luiden:

     

    Artikel 2.1a Vechten op een openbare plaats

    • 1.

      Het is verboden op een openbare plaats te vechten.

    • 2.

      Het verbod in het eerste lid geldt niet voor plaatsen of gebouwen waar vechtsporten worden beoefend.

  • II.

    Artikel 2:12 als volgt te laten luiden:

     

    Artikel 2:12 Maken, veranderen van een uitweg

    • 1.

      Het is verboden zonder vergunning van het college een uitweg te maken naar de weg of veranderingen aan te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.

    • 2.

      In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd:

      • a.

        ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg;

      • b.

        indien dat zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats;

      • c.

        indien het openbaar groen daardoor op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of

      • d.

        ter bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving.

    • 3.

      Het bepaalde in het tweede lid is zowel op een 1e uitweg van toepassing, als op een 2e uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten.

    • 4.

      Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening.

  • III.

    Artikel 2:24 als volgt te laten luiden:

     

    Artikel 2:24 Begripsbepaling

    • 1.

      Een evenement is een voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, waarbij het evenementenbeleid met een risicoclassificatie onderscheid maakt tussen een A, B of C evenement.

    • 2.

      Onder een evenement zijn niet inbegrepen:

      • a.

        bioscoopvoorstellingen;

      • b.

        markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h van de Gemeentewet en artikel 5:22 van deze verordening;

      • c.

        kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;

      • d.

        het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen;

      • e.

        betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;

      • f.

        activiteiten als bedoeld in de artikelen 2:9 en 2:39 van deze verordening.

    • 3.

      Onder een evenement wordt mede verstaan:

      • a.

        een herdenkingsplechtigheid;

      • b.

        een braderie;

      • c.

        een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3, op de weg;

      • d.

        een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg;

      • e.

        door de burgemeester aangewezen categorie(en) vechtsportwedstrijden en -gala’s.

  • IV.

    Artikel 2:25 als volgt te laten luiden:

     

    Artikel 2:25 Evenement

    • 1.

      Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.

    • 2.

      Het verbod in het eerste lid geldt niet voor eendaagse evenementen, indien;

      • a.

        er minder dan 200 bezoekers dan wel deelnemers worden verwacht;

      • b.

        er geen afzetting van de openbare weg nodig is en/of er geen omleiding moet worden geplaatst;

      • c.

        er geen gebruik wordt gemaakt van een gebruiksvergunningsplichtig tijdelijk bouwwerk zoals een tent of overkapping;

      • d.

        er geen muziek ten gehore wordt gebracht voor 07:00 uur of na 23:00 uur.

    • 3.

      De burgemeester stelt nadere algemene voorschriften ten behoeve van evenementen die overeenkomstig het bepaalde in het tweede lid zijn vrijgesteld van een evenementenvergunning als bedoeld in het eerste lid.

    • 4.

      Het verbod van het eerste lid geldt niet voor een wedstrijd op of aan de weg, voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 10 juncto 148 van de Wegenverkeerswet 1994.

    • 5.

      In afwijking van het bepaalde in artikel 1:2, eerste lid kan de burgemeester besluiten een aanvraag voor een vergunning voor een B of C evenement of een evenement zoals genoemd in de evenementenkalender niet te behandelen, indien deze aanvraag wordt ingediend minder dan twaalf weken voor het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning nodig heeft.

    • 6.

      Het tweede lid is niet van toepassing op een krachtens artikel 2:24, derde lid, onder e, aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s.

    • 7.

      De burgemeester kan voorts besluiten aanvragen niet te behandelen, indien B en C evenementen en collectieve festiviteiten als bedoeld in artikel 4:2 niet tijdig zijn aangemeld ten behoeve van de evenementenkalender. Het college bepaalt in het jaar voorafgaand aan het nieuwe evenementenkalenderjaar voor welke datum de aanmeldingen dienen te zijn ingediend bij het college.

  • V.

    Artikel 2:28 als volgt te laten luiden:

     

    Artikel 2:28 Exploitatievergunning openbare inrichting

    • 1.

      Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

    • 2.

      De burgemeester weigert de vergunning indien de vestiging of exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het bestemmingsplan.

    • 3.

      In afwijking van artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op toelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.

    • 4.

      Bij de toepassing van de in het derde lid genoemde weigeringsgronden, houdt de burgemeester rekening met het karakter en de straat en de wijk waarin de openbare inrichting is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van de openbare inrichting en de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of boot zal komen te staan door de exploitatie.

    • 5.

      De burgemeester kan de vergunning als bedoeld in het eerste lid weigeren indien de exploitant of de leidinggevende de leeftijd van 18 jaar niet heeft bereikt, in enig opzicht van slecht levensgedrag is, of onder curatele staat.

    • 6.

      Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in:

      • a.

        een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de horeca een nevenactiviteit is van die winkelactiviteit;

      • b.

        een zorginstelling, uitvaartcentrum of ziekenhuis;

      • c.

        een museum;

      • d.

        een bedrijfskantine, sportkantine of buurt- en clubhuizen.

  • VI.

    Artikel 2:28B als volgt te laten luiden:

     

    Artikel 2:28B Aanhangsel exploitatievergunning

    • 1.

      De burgemeester vermeldt in een exploitatievergunning, zoals bedoeld in artikel 2:28, het volgende:

      • -

        de vergunninghouder;

      • -

        tot welke bedrijfsuitoefening de vergunning strekt;

      • -

        de plaats waar de inrichting zich bevindt;

      • -

        de situering en de oppervlakten van de horecalokaliteiten;

      • -

        de voorschriften en/of beperkingen welke aan de vergunning verbonden zijn.

    • 2.

      De burgemeester vermeldt in het aanhangsel bij de vergunning de leidinggevenden. Een afschrift hiervan is in de inrichting aanwezig. Indien er een alcoholwetvergunning is, werkt het aanhangsel bij die vergunning door; daargenoemde leidinggevenden gelden ook ten aanzien van deze vergunning en eventuele wijzigingen dienen daarin gemaakt te worden.

    • 3.

      Horecalokaliteiten waar ook een alcoholwetvergunning voor is aangevraagd en wordt verleend, zijn uitgezonderd van het aanhangsel bij een exploitatievergunning als bedoeld in lid 2.

    • 4.

      De vergunninghouder meldt aan de burgemeester zijn wens om een persoon als leidinggevende te laten bijschrijven.

    • 5.

      De melding genoemd in lid 4 geldt als aanvraag tot wijziging van het aanhangsel.

    • 6.

      Het is verboden een horecalokaliteit voor het publiek geopend te houden indien in de inrichting niet aanwezig is;

      • a.

        een leidinggevende die vermeld staat op het aanhangsel bij die vergunning, met betrekking tot die inrichting of een andere vergunning van diezelfde vergunninghouder of;

      • b.

        een persoon wiens bijschrijving op grond van dit artikel is gevraagd, mits de ontvangst van die aanvraag is bevestigd, zolang nog niet op die aanvraag is beslist.

    • 7.

      De burgemeester weigert de wijziging van het aanhangsel:

      • a.

        indien de personen als bedoeld in lid 2, niet voldoen aan de volgende eisen:

        • -

          ze hebben de leeftijd van 8 jaar bereikt;

        • -

          ze zijn niet in enig opzicht van slechts levensgedrag;

        • -

          ze staan niet onder curatele.

      • b.

        in geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.

    • 8.

      Voorafgaand aan het beslissen op een aanvraag tot wijziging van het aanhangsel kan het Bureau integriteitsbeoordelingen, bedoeld in artikel 8 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen, door het openbaar bestuur om advies als bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd.

  • VII.

    Artikel 2:60 als volgt te laten luiden:

     

    Artikel 2:60 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren

    • 1.

      Het is verboden op door het college ter voorkoming of beëindiging van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting als bedoeld in artikel 4:1 van deze verordening, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren:

      • a.

        aanwezig te hebben;

      • b.

        aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college in het aanwijzingsbesluit gestelde regels;

      • c.

        aanwezig te hebben in een groter aantal dan in het aanwijzingsbesluit is aangegeven;

      • d.

        te voeren.

    • 2.

      Als eigenaar of houder van een dier is het verboden dat de onder zijn hoede staande dieren noch direct, noch indirect, overlast of schade aan de openbare gezondheid, aan de omwonenden of overigens aan de omgeving veroorzaken.

    • 3.

      Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen plaats ontheffing verlenen van een of meer verboden als bedoeld in het eerste lid.

  • VIII.

    Artikel 2:65 als volgt te laten luiden:

     

    Artikel 2:65 Bedelarij

    Het is verboden op of aan de weg of in een voor publiek toegankelijk gebouw om geld of andere zaken te bedelen.

     

  • IX.

    Artikel 2:73b als volgt te laten luiden

     

    Artikel 2:73b Klaphamer

    • 1.

      Onder een klaphamer wordt verstaan: een mechaniek waarmee een ontploffing uitgelokt kan worden. Het hiervoor gebruikte apparaat bestaat uit een zware hamer en een metalen plaat waarop poedervormig magnesium, magnesiumchloraat of een mengsel van bijvoorbeeld zwavel en natriumchloraat wordt gelegd.

    • 2.

      Het is verboden in de openlucht een klaphamer voorhanden te hebben en/of te gebruiken.

    • 3.

      Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer, de Wet precursoren voor explosieven, de Omgevingswet, de Wet wapens en munitie, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of het Wetboek van Strafrecht.

  • X.

    Artikel 4:1 als volgt te laten luiden:

     

    Artikel 4:1 Begripsbepalingen

    In deze afdeling wordt verstaan onder:

    • a.

      Besluit: Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet;

    • b.

      inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 11 van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, met dien verstande dat de artikelen 4:2 tot en met 4:5 uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Besluit;

    • c.

      houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft;

    • d.

      collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden;

    • e.

      incidentele festiviteit: festiviteit of andere activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen;

    • f.

      geluidsgevoelige gebouwen: woningen en gebouwen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige gebouwen met uitzondering van gebouwen behorende bij de desbetreffende inrichting;

    • g.

      geluidsgevoelige terreinen: terreinen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige terreinen met uitzondering van terreinen behorende bij de desbetreffende inrichting;

    • h.

      onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt.

  • XI.

    Artikel 4:3 als volgt te laten luiden:

     

    Artikel 4:3 Incidentele festiviteit

    • 1.

      Het is een inrichting toegestaan maximaal twaalf incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening niet van toepassing mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld.

    • 2.

      Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal twaalf incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 4.113, lid 1 van het Besluit niet van toepassing is mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld.

    • 3.

      Het college stelt een formulier vast voor het doen van een kennisgeving.

    • 4.

      De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld.

    • 5.

      De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat.

    • 6.

      Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting bedraagt niet meer dan 70 dB(A), gemeten op de gevel van geluidsgevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter.

    • 7.

      De geluidswaarde als bedoeld in het zesde lid is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten.

    • 8.

      Op de dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het ten gehore brengen van extra muziek – hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening, uiterlijk beëindigd op de hierna genoemde tijdstippen:

      • a.

        zondag tot en met donderdag tot uiterlijk 23.00 uur;

      • b.

        vrijdag en zaterdag tot uiterlijk 24:00 uur;

      • c.

        feestdagen waarbij de volgende dag een gewone werkdag is tot uiterlijk 23:00 uur;

      • d.

        zon- en/of feestdagen waarbij de volgende dag geen werkdag is tot uiterlijk 24:00 uur.

    • 9.

      De geluidsnorm als bedoeld in het zesde lid geldt voor het bebouwde gedeelte van de inrichting en niet voor de buitenruimte.

    • 10.

      Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.

    • 11.

      De exploitant van een inrichting laat vanaf een half uur voor sluiting het geluidsniveau van de ten gehore gebrachte muziek geleidelijk verminderen en de verlichting in inrichting toenemen.

    • 12.

      De inrichting moet een voorportaal hebben die tijdens het muziekevenement ok als enige entree moet worden gebruikt.

    • 13.

      Daarnaast moet bij deze entree één of meer portiers/toezichthouders toezicht houden op de binnenkomende bezoekers en ervoor zorgdragen dat wordt voldaan aan lid 10.

  • XII.

    Artikel 4:6 als volgt te laten luiden:

     

    Artikel 4:6 Overige geluidshinder

    • 1.

      Het is verboden buiten een inrichting toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor omwonende of voor de omgeving geluidshinder wordt veroorzaakt.

    • 2.

      Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.

    • 3.

      Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de provinciale omgevingsverordening.

  • XIII.

    Artikel 4:13 als volgt te laten luiden:

     

    Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, enzovoort

    • 1.

      Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of beëindiging van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting, in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben:

      • a.

        onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan;

      • b.

        bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;

      • c.

        kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of onderdelen daarvan, indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel;

      • d.

        mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude materialen.

    • 2.

      Het is verboden op een door het college aanwezen plaats een bepaald voorwerp of bepaalde stof op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben.

    • 3.

      Het college kan bij de aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid nadere regels stellen.

    • 4.

      Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening.

  • XIV.

    Artikel 5:34 als volgt te laten luiden:

     

    Artikel 5:34 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken

    • 1.

      Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten een inrichting, of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.

    • 2.

      Voor zover dat geen gevaar, overlast of hinder voor de omgeving oplevert geldt het verbod niet voor:

      • a.

        verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke;

      • b.

        sfeervuren, zoals terrashaarden en vuurkorven, indien geen afvalstoffen worden verbrand;

      • c.

        vuur voor koken, bakken en braden.

    • 3.

      Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.

    • 4.

      Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna.

    • 5.

      Het verbod geldt niet voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3 van het Wetboek van Strafrecht of de provinciale omgevingsverordening.

Aldus besloten in zijn vergadering van 27 november 2025,

, griffier

, voorzitter

Naar boven