Gemeenteblad van Midden-Delfland
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Midden-Delfland | Gemeenteblad 2025, 528367 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Midden-Delfland | Gemeenteblad 2025, 528367 | beleidsregel |
Beleidsregels Bijzondere Bijstand gemeente Midden-Delfland 2026
HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 2 Vorm van de bijstand
Analoog aan de verstrekking van de uitkering levensonderhoud in het kader van Bbz, wordt bijzondere bijstand aan zelfstandigen verstrekt in de vorm van een renteloze geldlening. Als na afloop van het boekjaar de Bbz-uitkering voor levensonderhoud wordt omgezet in een verstrekking om niet, dan wordt de verleende bijzondere bijstand ook omgezet naar verstrekking om niet.
Artikel 4 Hoogte bijzondere bijstand
Bij het vaststellen van de hoogte van de bijzondere noodzakelijke kosten wordt aangesloten bij de normbedragen zoals opgenomen in de prijzengids van het Nibud. Dit betekent dat de daadwerkelijk gemaakte kosten worden vergoed tot een maximum als genoemd in de prijzengids van het Nibud, tenzij deze verstrekking is opgenomen in de Normenlijst bijzondere bijstand.
Bijzondere bijstand wordt verleend met inachtneming van de draagkracht van de belanghebbende en, indien van toepassing, zijn gezin.
Artikel 6 Draagkracht en vermogen
Het vermogen, zoals bedoeld in artikel 34 tweede lid en in samenhang gelezen met het derde lid van de wet, wordt bij de vaststelling van de draagkracht buiten beschouwing gelaten. Het meerdere wordt aangemerkt als draagkracht.
De draagkracht wordt vastgesteld over een periode van 12 maanden, te rekenen vanaf de eerste dag van de maand waarop de verstrekking van de bijzondere bijstand betrekking heeft. Voor de vaststelling van de draagkracht als bedoeld in het vorige lid wordt de draagkracht die is vastgesteld per maand, toegerekend naar een periode van 12 maanden.
De vergoedingen vanuit de Zvw en de Wlz zijn voorliggende voorzieningen die passend en toereikend worden geacht. Wanneer de voorliggende voorziening de kosten niet, of slechts deels, vergoedt, zijn deze niet noodzakelijk en kan daarvoor ook geen bijzondere bijstand worden verleend, anders dan via de CAV.
Uitzondering op het eerste lid zijn personen die lopende het kalenderjaar van buiten de gemeente naar Midden-Delfland verhuizen en nog elders verzekerd zijn. Aan deze personen kan bijzondere bijstand worden verstrekt voor zorgkosten, overeenkomstig de maximale vergoedingen van de CAV voor de duur van het lopende jaar.
Op medische indicatie kunnen de kosten van extra wasverzorging, kledingslijtage, extra stookkosten, maaltijdvoorziening, persoonsalarmering en andere specifieke kosten ten gevolge van gebreken of ziekte van belanghebbende, indien hiervoor geen voorliggende voorziening is, in aanmerking komen voor bijzondere bijstand.
HOOFDSTUK 4 DUURZAME GEBRUIKSGOEDEREN EN WONINGINRICHTING BIJZONDERE GROEPEN
Artikel 11 Duurzame gebruiksgoederen
Het bedrag dat aan reservering aangewend moet worden is gelijk aan het normbedrag voor aflossing, zoals vastgesteld in de ‘Beleidsregels terugvordering en verhaal Participatiewet, Ioaw en Ioaz gemeente Midden-Delfland 2020’, dan wel diens opvolger, over de drie jaar voorafgaand aan de aanvraag bijzondere bijstand. Tevens dient 50% van de ontvangen individuele inkomenstoeslag aangewend te worden als reservering voor de vervanging van duurzame gebruiksgoederen.
Indien de belanghebbende verwijtbaar niet heeft gereserveerd voor de vervanging van duurzame gebruiksgoederen, wordt de verstrekking beperkt tot de goederen die zijn opgenomen onder ‘direct noodzakelijke, niet uitstelbare duurzame gebruiksgoederen’ en is kwijtschelding, als bedoeld in artikel 16, tweede lid aanhef en onderdeel a, alsmede artikel 16, derde lid van de ‘Beleidsregels terugvordering en verhaal Participatiewet, Ioaw en Ioaz gemeente Midden-Delfland 2020’, dan wel diens opvolger, niet van toepassing.
Artikel 13 Verhuiskosten en dubbele woonlasten
Indien er sprake is van een bijzondere omstandigheid waardoor de belanghebbende niet heeft kunnen reserveren voor betreffende kosten dan kan bijzondere bijstand worden verleend ter hoogte van de werkelijke gemaakte kosten van huur van een aanhanger of busje (incl. brandstofkosten) en/of de woonkosten van de nieuwe woning gedurende maximaal 1 maand, indien sprake is van dubbele lasten.
Indien de kosten genoemd in het vijfde lid meer bedragen dan de maximale huurgrens, wordt de hoogte van de woonkostentoeslag tot het bedrag van de maximale huurgrens vastgesteld volgens de berekening van de Wet op de huurtoeslag en vervolgens verhoogd met het verschil tussen de maximale huurgrens en de kosten voor de eigen woning.
Wanneer een woonkostentoeslag wordt toegekend op grond van een rekenhuur hoger dan de maximale huurgrens wordt een verhuisverplichting opgelegd, tenzij er aantoonbare sociale en/of medische redenen aanwezig zijn, waardoor in redelijkheid niet van de belanghebbende kan worden verwacht dat hij verhuist.
Artikel 17 Kosten boekhouding ex-ondernemer
Een ex-ondernemer die door het ontstaan van een problematische schuldensituatie geen financiële mogelijkheden heeft om zijn boekhouding op orde te laten brengen, kan op indicatie van de afdeling Samenleving & Dienstverlening, team Schuldhulpverlening in aanmerking komen voor bijzondere bijstand in de vorm van een renteloze geldlening om de kosten voor het op orde brengen van een boekhouding te voldoen.
Artikel 18 Vergoeding arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen
Bijzondere bijstand kan worden verstrekt voor de kosten van een al afgesloten arbeidsongeschiktheidsverzekering van een zelfstandige. Bijzondere bijstand is mogelijk voor de premie van een verzekerd bedrag ter hoogte van de voor de aanvrager van toepassing zijn de bijstandsnorm, verhoogd met de inkomensafhankelijke bijdrage ziektekosten plus een eventuele woonkostentoeslag. De premie is gelimiteerd op € 400,00 per maand.
Artikel 19 Compensatie alleenstaande ouders zonder ALO-kop
De alleenstaande ouder waarbij de kostendelersnorm van toepassing is, kan geen aanspraak maken op deze compensatieregeling. Een persoon op wie de kostendelersnorm van toepassing is, wordt in staat geacht de kosten van levensonderhoud met een meerderjarige op dezelfde wijze te kunnen delen als gehuwden dat doen in de zin van de wet.
De kosten die in aanmerking komen voor een bijdrage betreffen de kosten die verband houden met de begrafenis of crematie van een overledene in Nederland, gerekend naar de kosten van de goedkoopst adequate mogelijkheid voor de verzorging van de teraardebestelling tot maximaal het bedrag vermeld in de geldende ‘Normenlijst bijzondere bijstand gemeente Midden-Delfland’.
Voor de kosten van de tussenschoolse opvang voor ten laste komende kinderen wordt naar
evenredigheid bijzondere bijstand verstrekt wanneer belanghebbende:
Belanghebbenden die voldoen aan de vereisten van artikel 1.6, eerste lid, onderdelen c, e, j, k of l
WKO komen in aanmerking voor bijzondere bijstand voor het verschil tussen het percentage van het maximumuurtarief dat de Belastingdienst maximaal vergoed en 100% van dat maximumuurtarief.
HOOFDSTUK 11 MAATSCHAPPELIJKE PARTICIPATIE TEN LASTE KOMENDE KINDEREN
Artikel 28 Jeugdsport- en cultuurfonds
Ten laste komende kinderen van belanghebbenden komen in aanmerking voor een vergoeding voor sport en culturele activiteiten, alsmede voor benodigde materialen middels het Jeugdsportfonds/Jeugdcultuurfonds. De aanvraag dient ingediend te worden door een intermediair.
Artikel 30 Ten onrechte verstrekte bijstand
Indien de bijstand niet besteed wordt aan het doel waarvoor deze is verstrekt, dan wel wanneer de bijstand anderszins onverschuldigd is verstrekt, wordt de bijstand teruggevorderd overeenkomstig artikel 58 van de wet.
Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende afwijken van de bepalingen van deze beleidsregels als toepassing van de beleidsregels tot onredelijke uitkomst leidt.
Artikel 32 Inwerkingtreding, overgangsrecht en citeertitel
Aanvragen die voor inwerkingtreding van deze beleidsregels zijn ingediend en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze beleidsregels, worden afgehandeld krachtens de ‘Beleidsregels Bijzondere Bijstand gemeente Midden-Delfland 2025’, tenzij de bepalingen in deze beleidsregels gunstiger zijn voor de belanghebbende.
Aldus vastgesteld bij besluit d.d. 2 december 2025
De gemeentesecretaris
M.A.I. Born
De burgemeester
F.I. Noordermeer – Van Slageren
Bijzondere bijstand is een vorm van inkomensondersteuning en is bedoeld voor mensen met een laag inkomen, die weinig of geen eigen vermogen hebben en die door bijzondere omstandigheden bepaalde kosten hebben gemaakt die ze niet kunnen voldoen uit het reguliere inkomen en/of het vermogen.
Door bijzondere omstandigheden kan zich de situatie voordoen, dat in het individuele geval het inkomen van de belanghebbende niet volledig toereikend is ter voorziening in bepaalde noodzakelijke kosten. Voor zover voor dergelijke kosten geen beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening en deze uitgaven naar het oordeel van het college evenmin uit de eigen middelen kunnen worden voldaan, kan daarvoor bijzondere bijstand worden verstrekt. Om recht te hebben op bijzondere bijstand is niet vereist dat de belanghebbende ook recht heeft op algemene bijstand.
Belanghebbende moet bij individuele bijzondere bijstand altijd kunnen aantonen dat de kosten noodzakelijk zijn en daadwerkelijk zijn gemaakt. De noodzaak wordt vastgesteld door het college. Het recht en de hoogte van de individuele bijzondere bijstand stemt de gemeente af op de individuele omstandigheden van de cliënt.
De wet geeft niet aan voor welke kosten bijzondere bijstand kan worden verleend. Wel biedt artikel 14 van de wet duidelijkheid over voor welke kosten geen bijstand kan worden verleend, zoals alimentatie, boetes en bepaalde medische kosten (ontwikkelingsgeneeskunde). Verder geeft artikel 13, eerste lid onder g aan dat er in principe geen bijstand kan worden verleend voor schulden.
Dit betekent dat voor heel veel kosten bijzondere bijstand kan worden verleend, mits aan de criteria in artikel 35 wordt voldaan. De individuele uitvoering van de bijzondere bijstand vraagt echter om richtlijnen die de rechtsgelijkheid en rechtszekerheid bevorderen en leiden tot uniforme afhandeling van aanvragen bij gelijke situaties.
In deze beleidsregels zijn verschillende veelvoorkomende bijzondere kosten opgenomen die voor vergoeding in aanmerking kunnen komen. Dit betreft dus geen limitatieve opsomming. Er is voor meer bijzondere kosten bijzondere bijstand mogelijk dan in deze beleidsregels genoemd.
Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.
Artikel 2 Vorm van de bijstand
Bijzondere bijstand wordt conform de wet om als gift verstrekt, tenzij de wet en/of deze beleidsregels anders bepalen.
Ingevolge vaste jurisprudentie wordt geen bijzondere bijstand verleend voor kosten die zijn opgekomen voor de datum waarop de aanvraag om bijstand is ingediend, tenzij bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Daarbij geldt, dat niet de datum waarop een rekening gepresenteerd wordt, maar de datum waarop de kosten zijn opgekomen, bepalend is voor het tijdstip waarop de kosten zijn gemaakt (zie bijvoorbeeld de uitspraken van de CRvB van 15-05-2007, nr. 06/1913 WWB, LJN: BA6875 en van 20-11-2012, nrs. 11/1669 WWB e.a., LJN: BY3781).
De achterliggende gedachte is daarbij, dat het tot de eigen verantwoordelijkheid van een belanghebbende behoort om tijdig een aanvraag om bijzondere bijstand in te dienen of zich te wenden tot het college voor nadere informatie. Wanneer het echter om kleine kosten gaat, die zich kortgeleden hebben voorgedaan is het redelijk om enige coulance te tonen. Het college heeft daarom besloten dat in principe geen bijzondere bijstand met terugwerkende kracht wordt verstrekt, uitgezonderd aanvragen tot een bedrag van maximaal € 250,00, mits aangevraagd binnen drie maanden na het ontstaan van deze kosten.
Het maximumbedrag geldt niet voor de kosten rechtsbijstand en kosten bewindvoering. Belanghebbenden zijn vaak afhankelijk van derden om op tijd de informatie te verkrijgen om een aanvraag te doen. Bovendien zijn de kosten vaak hoger dan het gestelde maximum. Om die reden maakt het college een uitzondering een uitzondering op deze bepaling voor specifiek deze kosten.
Artikel 4 Hoogte bijzondere bijstand
Bij de vaststelling van de hoogte van het bedrag aan bijzondere bijstand wordt gekozen voor de goedkoopste passende oplossing. Voor de hoogte van de vergoeding gebruikt het college de NIBUD-gids. Dit is een objectief instrument om tot een goedkoopst passende oplossing te komen. Voor een beperkt aantal uitzonderingen maakt het college gebruik van de ‘Normenlijst bijzondere bijstand gemeente Midden-Delfland’. Dit zijn de maximumbedragen die voor de betreffende kosten vergoed kunnen worden.
Het college heeft beleidsvrijheid bij de vaststelling van de draagkracht van de belanghebbende en de hiervoor geldende draagkrachtperiode. In dit hoofdstuk wordt uitgewerkt hoe het college invulling geeft aan haar beleidsvrijheid ten aanzien van de draagkrachtbepalingen.
Bijzondere bijstand is niet alleen voor bijstandsgerechtigden. Bijzondere bijstand is toegankelijk voor iedereen met een laag inkomen. Bepalend is de draagkracht van de belanghebbende(n), waarbij het inkomen met de van toepassing zijnde bijstandsnorm wordt vergeleken. Daarbij wordt de kostendelersnorm als referentienorm buiten beschouwing gelaten. Bij geen of slechts een beperkte draagkracht, kan aanspraak op bijzondere bijstand bestaan voor specifieke kosten, die niet uit het reguliere inkomen of uit de algemene bijstand kunnen worden voldaan. De bijzondere noodzakelijke kosten moeten de draagkracht te boven gaan.
Artikel 6 Draagkracht en vermogen
Artikel 34, tweede en derde lid van de wet geldt expliciet voor algemene bijstand. Er is gemeentelijke beleidsvrijheid om het gestelde in artikel 34, tweede en derde lid voor de draagkrachtbepalingen voor bijzondere bijstand niet van toepassing te laten zijn. De gemeente Midden-Delfland heeft ervoor gekozen om artikel 34, tweede en derde lid ook voor de bijzondere bijstand van toepassing te laten zijn. Dat betekent dat bij het bepalen van de draagkracht uit vermogen alleen het vermogen boven de vrij te laten vermogensgrens wordt meegenomen en ook de overige vermogensbestanddelen zoals genoemd in artikel 34, tweede lid buiten beschouwing worden gelaten.
Artikel 7 Draagkracht en inkomen
Bij het verstrekken van bijzondere bijstand moet rekening worden gehouden met de draagkracht van de belanghebbende. Het college kan bepalen welk deel van het inkomen boven de bijstandsnorm bij de vaststelling van de draagkracht in aanmerking wordt genomen (artikel 35, eerste lid van de wet).
Uitgangspunt is, dat voor zover het inkomen meer bedraagt dan 120% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm, 10% van de eerste € 1.500,00 die 120% van de bijstandsnorm overschrijdt moet worden aangewend voor de betaling van de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten. Van de volgende € 1.500,00 moet 35% worden aangewend voor de betaling van de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten. Van al het meerdere dient vervolgens 50% te worden aangewend voor de betaling van de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten.
Voor zover de genoemde kosten niet voldaan kunnen worden uit de aanwezige draagkracht, bestaat aanspraak op bijzondere bijstand. Bij bepaling van de draagkrachtruimte wordt rekening gehouden met de huurtoeslag, gezien deze inkomensafhankelijk is.
De Centrale Raad van Beroep heeft uitspraken gedaan over draagkracht in relatie tot beslag op de uitkering. Deze uitspraken komen er op neer, dat als op (een deel van) het inkomen van de belanghebbende executoriaal beslag is gelegd, waardoor hij over dat (deel van het) inkomen geen feitelijke bestedingmogelijkheid heeft of beschikkingsbevoegd is, noch een mogelijkheid heeft om het hem uit te laten betalen, het college bij de berekening van de draagkracht in het kader van de bijzondere bijstand met dat (deel van het) inkomen geen rekening mag houden. Dit betekent, dat als sprake is van executoriaal beslag op het inkomen, of als de klant is toegelaten tot de Wet schuldsanering natuurlijke personen (Wsnp), hiermee rekening moet worden gehouden bij de berekening van de draagkracht. In dergelijke situaties dient dan ook te worden uitgegaan van het inkomen dat resteert na het beslag.
Bij personen die in een minnelijk traject van schuldhulpverlening op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs) zitten, wordt hetzelfde beleid als bij beslag op de uitkering en toelating tot de Wsnp toegepast. Bij een minnelijke regeling is er eveneens sprake van een problematische schuldensituatie. Mensen die hun best doen om via het minnelijk traject van hun schulden af te komen, moeten niet nadeliger uit zijn dan mensen die (soms door eigen toedoen) in het wettelijk traject terecht zijn gekomen. Bij een aanvraag om bijzondere bijstand moet wel worden beoordeeld, of het traject goed verloopt en de belanghebbende zich aan de afspraken houdt.
Artikel 8 Vaststellen maandinkomen
In het belang van de rechtszekerheid en de uitvoeringspraktijk geldt als uitgangspunt dat de draagkracht binnen de vastgestelde draagkrachtperiode in beginsel voor die periode definitief is. Met andere woorden: een eenmaal vastgestelde draagkracht wordt in principe niet meer aangepast. Indien zich echter in de loop van de vastgestelde draagkrachtperiode ontwikkelingen voordoen, die van dusdanig belangrijke aard zijn, dat hieraan niet kan worden voorbijgegaan (zoals het wegvallen of het ontstaan van inkomstenbronnen of het eindigen van een schuldregeling of beslaglegging) kan tussentijds herziening plaatsvinden voor het resterende deel van de draagkrachtperiode. De belanghebbende zal door het overleggen van bewijsstukken moeten aantonen in hoeverre de draagkracht zal verminderen of toenemen door de gewijzigde omstandigheden.
In ieder geval is een wijziging van de draagkracht aan de orde bij een inkomensdaling/stijging van 10% of meer alsmede bij een wijziging in de hoogte van de bijzondere noodzakelijke kosten waarvoor bijstand is toegekend.
Bij het vaststellen van de draagkracht ten behoeve van een aanvraag voor incidentele bijzondere bijstand wordt de draagkracht op basis van 12 maanden berekend. De berekende draagkracht wordt vervolgens in mindering gebracht op de kosten waarvoor bijzondere bijstand is aangevraagd. Bij het vaststellen van de draagkracht ten behoeve van een aanvraag voor periodieke bijzondere bijstand wordt de draagkracht eveneens op basis van 12 maanden berekend en verdeeld over het aantal maanden waarop de verstrekking betrekking heeft, uiteraard met een maximum van 12 maanden. Deze ‘uitgesmeerde’ draagkracht wordt vervolgens maandelijks in mindering gebracht op de bijzondere noodzakelijke kosten.
De Wet langdurige zorg en Zorgverzekeringswet vergoeden in het algemeen alle noodzakelijke kosten die verband houden met medische of paramedische behandeling. Beide regelingen gelden samen in het kader van de Participatiewet als een voorliggende voorziening die passend en toereikend is.
Er is geen recht op bijzondere bijstand wanneer kosten op grond van de Zvw en Wlz niet noodzakelijk worden geacht. Voor overige kosten kan men zich aanvullend verzekeren. Een inwoner van de gemeente Midden-Delfland met een inkomen tot 120% van de bijstandsnorm kan bovendien gebruik maken van de CAV Midden-Delfland bij DSW.
Aan belanghebbenden die lopende het kalenderjaar van buiten de gemeente naar Midden-Delfland verhuizen en die dat kalenderjaar niet deel kunnen nemen aan de CAV, omdat hij niet bij DSW verzekerd is, kan bijzondere bijstand worden verstrekt voor medische kosten overeenkomstig de maximale vergoedingen van de CAV. Als belanghebbenden er bewust voor kiezen om niet deel te nemen aan de CAV is bijzondere bijstand niet mogelijk
HOOFDSTUK 4 DUURZAME GEBRUIKSGOEDEREN EN WONINGINRICHTING BIJZONDERE DOELGROEPEN
Artikel 11 Duurzame gebruiksgoederen
De aanschaf- en vervangingskosten van duurzame gebruiksgoederen behoren tot de algemene bestaanskosten. Onder duurzame gebruiksgoederen wordt voornamelijk verstaan: meubilair, vloerbedekking, huishoudelijke apparatuur en dergelijke. De aanschaf en vervanging van duurzame gebruiksgoederen moeten in principe betaald worden uit de beschikbare middelen (inkomen en vermogen). Toch zijn er situaties denkbaar dat er voor deze kosten bijzondere bijstand wordt aangevraagd en verstrekt.
Iedereen wordt geacht zelf te voorzien in de kosten van vervanging van kapotte of versleten gebruiksgoederen door middel van reservering (sparen) of door het afsluiten van een lening. Het maandelijkse bedrag dat men geacht wordt voor deze kosten te reserveren is gelijk aan het normbedrag voor aflossing, zoals het college dit heeft vastgesteld in de beleidsregels terugvordering en verhaal. Tevens dient 50% van de ontvangen individuele inkomenstoeslag aangewend te worden als reservering voor de vervanging van duurzame gebruiksgoederen. Bij een aanvraag bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen wordt daarom rekening gehouden met de fictieve reservering: welk bedrag had de belanghebbende voor deze kosten moeten kunnen sparen. Er is sprake van verwijtbaar niet reserveren indien er sprake is van schulden door consumptieve overbesteding.
Indien toch tot verstrekking wordt overgegaan moet dit beargumenteerd worden. Bij de hoogte van de noodzakelijke kosten wordt gekeken naar het aantal personen binnen het gezin.
Wanneer er sprake is van een minnelijke schuldregeling of Wsnp waarbij geen nieuwe schulden gemaakt mogen worden, kan in de individuele situatie worden afgeweken van het genoemde in het vierde lid en kan de bijstand worden verstrekt als een lening met uitgestelde aflossing, die wordt omgezet in bijstand om niet als men het traject schuldhulpverlening positief heeft doorlopen.
Artikel 12 Woninginrichting bijzondere doelgroepen
Het uitgangspunt is dat er geen vergoeding wordt verstrekt voor een eerste, complete woninginrichting. Het college onderkent echter dat er situaties zijn waarin afgeweken moet worden van dit uitgangspunt. Het gaat om statushouders die vanuit het AZC gehuisvest worden in de gemeente, maar ook om personen die vanuit een situatie van dakloosheid met via een hulpverleningstraject een woning in onze gemeente krijgen. Om de beoordeling van welke goederen wel en niet noodzakelijk zijn aan zowel de zijde van de belanghebbende als het college beheersbaar te houden, wordt in deze gevallen een pakket verstrekt dat de belanghebbende naar eigen inzicht kan besteden.
Artikel 13 Verhuiskosten en dubbele woonlasten
Alleen in bijzondere gevallen kan het college een vergoeding verstrekken voor verhuiskosten en dubbele woonlasten. Het college ziet de Wmo als voorliggende voorziening.
Woonkosten (huur of hypotheek) zijn algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Deze kosten betaalt een belanghebbende uit zijn periodieke inkomen. Bij een lager inkomen kan voor een huurwoning een huurtoeslag voor het deels betalen van de huur worden verkregen via de Wet op de huurtoeslag. Deze wet wordt uitgevoerd door de Dienst Toeslagen.
Er zijn situaties waarbij (tijdelijk) geen volledig beroep op de huurtoeslag kan worden gedaan. Een (tijdelijke) woonkostentoeslag via de bijzondere bijstand is dan een oplossing voor belanghebbenden met een laag inkomen.
Belanghebbenden met een eigen woning kunnen geen huurtoeslag krijgen. Als zij (tijdelijk) hun woonkosten niet uit hun eigen middelen kunnen voldoen, biedt de bijzondere bijstand de mogelijkheid om een (tijdelijke) woonkostentoeslag te verstrekken.
Is er sprake van een huur of kosten voor de eigen woning (zonder rekening te houden met een voorlopige teruggaaf in verband met hypotheekrenteaftrek) die hoger liggen dan de maximale huurgrens dan kan de belanghebbende een verhuisverplichting opgelegd krijgen, tenzij er aantoonbare sociale en/of medische redenen aanwezig zijn, waardoor in redelijkheid niet van de belanghebbende kan worden verwacht dat hij verhuist (bijvoorbeeld personen ouder dan 65 jaar, gehandicapten met een aangepaste woning of gezinnen die uit meer dan 8 personen bestaan). Ook de situatie op de woningmarkt en de realistische kans op goedkopere woonruimte speelt een rol bij het al dan niet opleggen van een verhuisverplichting.
Het college is op grond van artikel 55 van de wet bevoegd aan de toekenning van bijstand voorwaarden te verbinden. Die houden voor de woonkostentoeslag dan in dat een belanghebbende binnen een te stellen termijn de nodige inspanningen verricht om goedkopere woonruimte te zoeken en deze te aanvaarden. Het opleggen van een verhuisverplichting dient in de beschikking te worden opgenomen.
Wanneer de verhuisverplichting wordt opgelegd kan een woonkostentoeslag voor een maximale periode van zes maanden wordt toegekend. Deze periode kan steeds met maximaal zes maanden worden verlengd. Hierbij wordt beoordeeld of belanghebbende binnen de gestelde termijn de nodige inspanningen heeft verricht om goedkopere woonruimte te vinden en deze te aanvaarden.
Artikel 15 Doorbetaling vaste lasten
Personen die zijn opgenomen in een inrichting/ziekenhuis moeten hun woning ‘tijdelijk’ verlaten. Verblijft belanghebbende in een inrichting/zorginstelling dan kan het zo zijn dat het verstandig is de woning aan te houden. Van geval tot geval dient de noodzaak te worden vastgesteld.
Als richtlijn geldt dat het aanhouden van een woning als noodzakelijk kan worden beschouwd indien de periode van verblijf elders niet langer dan zes maanden bedraagt. Als er daarnaast geen meerderjarige medebewoners in de woning achterblijven kan voor de woonlasten bijzondere bijstand worden verstrekt. Dit kunnen de huurkosten zijn, maar ook hypotheekkosten van een eigen woning. Het college houdt daarbij rekening met de huurtoeslag of belastingteruggave (hypotheekrenteaftrek) waar de belanghebbende redelijkerwijs over kan beschikken. Voor energiekosten wordt geen bijzondere bijstand verstrekt, wel voor het vastrecht hiervan zodat de aansluiting behouden kan blijven.
Artikel 16 Kosten budgetbeheer
Sommige personen zijn vanwege hun psychische en/of sociale problematiek niet in staat zelfstandig hun financiën te organiseren en te beheren en maken hiervoor gebruik van budgetbegeleiding en budgetbeheer. Voor de budgetbegeleiding worden kosten in rekening gebracht, bijvoorbeeld voor de intake en de begeleiding. Deze kosten zijn niet wettelijk vastgelegd zoals bij bewindvoering. Het college stelt daarom een maximumtarief en sluit daarbij aan bij de standaardbeloning voor bewindvoering exclusief btw. Voor deze kosten van budgetbeheer/budgetbegeleiding kan tot dit maximumtarief bijzondere bijstand worden verstrekt.
Wel dient, voorafgaand aan het verstrekken van de bijzondere bijstand, de noodzaak van de kosten vastgesteld te worden. De noodzaak kan bijvoorbeeld worden bepaald met een schriftelijke verklaring van een instantie / organisatie die de belanghebbende heeft verwezen naar de budgetbegeleiding. Ook zal altijd onderzocht moeten worden of er een goedkopere en adequate oplossing voor handen is, zoals het doorbetalen van vaste lasten vanuit een lopende uitkering Participatiewet.
Artikel 17 Kosten boekhouding ex-ondernemer
Wanneer een (ex-)zelfstandige zich meldt voor schuldhulpverlening, is het van belang dat de boekhouding van de onderneming op orde is. Zonder boekhouding is het starten van een schuldhulpverleningstraject niet mogelijk. Geregeld is er sprake van een betaalachterstand bij de boekhouder en werkt deze niet meer mee om de boekhouding op orde te brengen, zonder de garantie dat hij voor het werk betaald wordt. In principe horen de kosten van de boekhouder tot de algemene kosten die een ondernemer moet maken en moeten deze uit het reguliere inkomen worden voldaan. Echter, wanneer dit om een of andere reden niet is gedaan en hierdoor schuldhulpverlening niet mogelijk is, komt iemand in een vicieuze cirkel terecht die moeilijk te doorbreken is. Schulden belemmeren de participatie en leiden er vaak toe dat iemand zich steeds meer terugtrekt achter de voordeur. Een onoplosbare schuldensituatie maakt het toekomstperspectief voor de belanghebbende uitzichtloos. Om deze vicieuze cirkel te voorkomen en/of te doorbreken, zijn deze kosten noodzakelijk. In voorkomende gevallen kan voor de kosten van de boekhouder bijzondere bijstand worden verstrekt.
Artikel 18 Vergoeding arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen
De kosten die een zelfstandige moet maken voor een al afgesloten arbeidsongeschiktheidsverzekering zijn noodzakelijk en komen in voorkomende gevallen voor vergoeding vanuit de bijzondere bijstand in aanmerking. De ervaring heeft geleerd, dat er in sommige gevallen sprake is van extreem hoge premies tot wel € 900,00 per maand.
Uit het oogpunt van ‘noodzakelijkheid’ in het kader van de bijstandsverlening Bbz 2004 wordt daarom gedacht aan een limitering van de vergoeding. Goed uitgangspunt is een verzekerd bedrag tot een netto bedrag per maand ter hoogte van het voor de aanvrager van toepassing zijnde bijstandsniveau: de toepasselijke bijstandsnorm, verhoogd met de inkomensafhankelijke bijdrage ziektekosten plus een eventuele woonkostentoeslag.
Het gaat hier om een globale indicatie, in de praktijk zijn verschillen mogelijk. Echter, de kosten van een zeer hoge premie kunnen niet als bijzondere noodzakelijke kosten aangemerkt worden. Limitering is dan aan de orde. De limitering bedraagt € 400,00 per maand.
De vergoedingen in dit hoofdstuk worden naar verwachting landelijk geregeld in het wetsvoorstel Participatiewet in Balans. De voorziene inwerkingtreding daarvan is 1 januari 2026. Als een landelijke regeling is ingegaan, is het verstrekken van bijzondere bijstand niet meer aan de orde.
Artikel 19 Compensatie alleenstaande ouders zonder ALO-kop
Vanaf 1 januari 2015 is de alleenstaande oudernorm in de Participatiewet vervangen door een combinatie van de alleenstaande norm en de alleenstaande ouder kop (onderdeel van het kindgebonden budget). Door een verschil in definiëring van het (fiscaal)partnerbegrip tussen de Participatiewet en de Awir ontvangt een kleine groep alleenstaande ouders geen ALO-kop, zonder dat zij hier zelf iets aan kunnen doen.
De staatssecretaris heeft gemeenten opgeroepen om in die gevallen dat er sprake is van schrijnende situaties, maatwerkondersteuning te bieden bijvoorbeeld via de bijzondere bijstand. Categoriale verstrekking aan een groep personen is niet toegestaan. Vandaar dat elke situatie individueel beoordeelt dient te worden alvorens tot verstrekking van een aanvullende periodieke uitkering kan worden overgegaan. Hierbij dient te worden beoordeeld in hoeverre:
De bijstand kan op aanvraag worden verstrekt. De hoogte van de bijdrage is gelijk aan de van toepassing zijnde ALO-kop. Aan de alleenstaande ouder wordt de aanvullende verplichting opgelegd in het kader van artikel 55 van de wet om alle mogelijke acties te ondernemen om het begrip toeslagpartner in het kader van de Awir ongedaan te maken dan wel de situatie aan te laten sluiten op de definitie toeslagpartner van de Awir.
De bijstandsnorm wordt voldoende geacht om de vervoerskosten te kunnen voldoen om in een aanvaardbare mate deel te kunnen nemen aan het leven van alledag en sociale contacten te onderhouden. Kosten die samenhangen met een als gevolg van bijzondere omstandigheden, tijdelijk optredende extra vervoersbehoefte vallen hier niet onder. Deze bijzondere omstandigheden kunnen met zich meebrengen dat reiskosten voor de verlening van bijzondere bijstand in aanmerking kunnen komen.
Vervoer per auto kan in sommige gevallen voor de belanghebbende(n) voordeliger zijn, bijvoorbeeld indien meerdere gezinsleden tegelijkertijd reizen. In dat geval kunnen de werkelijke kilometers worden vergoed (kortste route) uitgaande van een vaste kilometerprijs per gereden kilometer. Belanghebbenden zullen waar mogelijk aan moeten tonen dat de kosten werkelijk gemaakt zijn.
Om een overledene te begraven of te cremeren, zal er een opdrachtgever moeten zijn die de opdracht tot lijkbezorging geeft. Normaal gesproken zal dat de echtgeno(o)t(e), het (de) kind(eren) of andere verwanten zijn. De opdrachtgever(s) moet(en) ook de kosten van de lijkbezorging voldoen. Er wordt in dit verband ook wel gesproken over ‘uitvaartkosten’.
De kosten van een begrafenis of crematie behoren tot de passiva (schulden) van de nalatenschap en komen voor rekening van de erfgenamen. Deze kunnen ieder voor zich en op persoonlijke titel bijzondere bijstand aanvragen, voor zover hun erfdeel niet toereikend is en het hen aan middelen ontbreekt om hun aandeel in deze kosten te kunnen voldoen.
Om voor vergoeding van (een deel van) de uitvaartkosten in aanmerking te komen, dient de begrafenis of crematie van de overledene plaats te vinden in Nederland. Indien de begrafenis plaatsvindt in het buitenland, kunnen alleen die kosten worden vergoed, die in Nederland worden gemaakt (bijvoorbeeld het transport klaarmaken van de overledene en de kosten vervoer tot aan Schiphol).
Hebben de erfgenamen niet voldoende middelen (aantonen) of weigeren de erfgenamen een deel van de kosten te betalen, dan kan voor dat deel bijzondere bijstand worden verstrekt. In het laatste geval zal de gemeente trachten de kosten op de erfgenamen te verhalen.
Er zijn echter ook wel eens situaties waarin er niemand is die de opdracht tot lijkbezorging kan (of wil) verstrekken. In die situaties is de Wet op de Lijkbezorging van toepassing. De gemeente waarin het lichaam van de overledene zich bevindt is dan verplicht zorg te dragen voor de begrafenis of crematie. De kosten die deze gemeente in verband met deze verplichting maakt, moeten worden voldaan uit de opbrengst van de bij de overledene gevonden gelden en goederen dan wel uit de nalatenschap van de overledene. Indien de nalatenschap ontoereikend is, heeft de gemeente een verhaalsrecht (artikel 22 Wet op de Lijkbezorging) op de bloed- en aanverwanten die krachtens titel 17 Boek1 BW tot het verstrekken van levensonderhoud aan de overledene verplicht zouden zijn geweest. Dit verhaalsrecht wordt begrensd door de van toepassing zijnde bepalingen van het erfrecht.
De Wet op de Lijkbezorging biedt dus in bijzondere gevallen de mogelijkheid om de uitvaart van een overledene te regelen. In het algemeen zal een beroep op deze wet echter pas mogelijk zijn als is gebleken dat er geen nabestaanden zijn die uitvaartkosten kunnen (met inbegrip van het vragen van bijstand voor deze kosten) of willen voldoen. Indien er een (niet-toereikende) uitvaartpolis is, wordt de vergoeding hieruit op de bijzondere bijstand in mindering gebracht.
Artikel 22 Sociale participatie
Wanneer men langere tijd is aangewezen op een inkomen op minimumniveau, dan bestaat het gevaar voor financiële armoede. Men maakt misschien schulden (huurschuld, betalingsachterstanden energiekosten en dergelijke) en/of men moet meer dan maatschappelijk aanvaard bezuinigen op primaire levensbehoeften (eten, drinken of kleding). Het gevolg kan zijn dat men niet meer kan deelnemen aan verenigingsactiviteiten, dat er geen bibliotheek meer kan worden bezocht et cetera. Om dit te voorkomen kan bijzondere bijstand worden verstrekt voor sociale participatie.
De bijzondere bijstand strekt tot doel deelname aan sociale activiteiten te stimuleren en de belanghebbende ‘onder de mensen’ te brengen. Uit dit budget kunnen bijvoorbeeld de volgende kosten worden verstrekt: contributie sportverenigingen, cursussen op cultureel gebied, muziekles, kosten bibliotheek en dergelijke. De bijstand is niet bedoeld voor bijvoorbeeld een bezoek aan een pretpark, de aanschaf van een fitnessapparaat voor thuis of kleding.
Voor deelname aan sociaal-culturele activiteiten kan per (in de bijstand begrepen) gezinslid boven de 18 jaar een gemaximeerd bedrag worden verstrekt. Dit bedrag wordt verstrekt in de vorm van een persoonsgebonden budget en vanuit dit budget kan op vertoon van nota’s of betaalbewijzen betalingen worden verricht. Het aan het einde van het toekenningsjaar onbenutte deel van het persoonsgebonden budget voor sociale participatie, komt automatisch te vervallen.
Het bezit van een computer en het gebruik van internet zijn steeds meer een basale voorwaarde om aan het maatschappelijk verkeer te kunnen deelnemen. Veel instanties en overheden communiceren in sterk toenemende mate via internet. Daarnaast is het kunnen beschikken over een computer voor schoolgaande kinderen een randvoorwaarde om de lessen goed te kunnen volgen en opdrachten te kunnen uitvoeren. Voor de kosten van een computer kan bijzondere bijstand worden verstrekt. De bijzondere bijstand kan niet worden gebruikt voor de aanschaf van een tablet, smartphone, digitale camera en dergelijke.
Gezinnen met minderjarige kinderen komen in aanmerking voor een computer of laptop via Stichting Leergeld. Het college ziet dit als een voorliggende voorziening op de verstrekking van het college zelf.
Het college kiest ervoor om een computer in natura te vergoeden aan de belanghebbenden. Hiermee worden de voorwaarden en afhandeling gelijkgetrokken met de vergoeding van Stichting Leergeld voor minderjarige kinderen. Stichting Leergeld biedt geen dienstverlening aan volwassenen. Het college vindt het echter wel belangrijk dat ook huishoudens zonder minderjarige kinderen over een computer kunnen beschikken. Ter wille van de gelijke behandeling kiest het college daarom voor deze manier van afhandeling.
Het uitgangspunt is dat de kosten van vervoer (dus ook een fiets) tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan behoren. Voor statushouders die inburgeringsplichtig zijn maakt het college hierop een uitzondering. Zij hebben te maken met frequente reizen naar hun taalschool. Deze scholen zijn over het algemeen niet op loopafstand. Op verzoek kan daarom voor deze doelgroep eenmalig een fiets worden verstrekt.
Het college kiest ervoor om een fiets in natura te vergoeden aan de belanghebbenden. Hiermee worden de voorwaarden en afhandeling gelijkgetrokken met de vergoeding van Stichting Leergeld voor minderjarige kinderen. Stichting Leergeld biedt geen dienstverlening aan volwassenen. Het college vindt het echter wel belangrijk dat ook huishoudens zonder minderjarige kinderen over een computer kunnen beschikken. Ter wille van de gelijke behandeling kiest het college daarom voor deze manier van afhandeling.
Het vrijwillig overblijven op school is slechts onder omstandigheden als bijzonder aan te merken. Hiervan is bijvoorbeeld sprake bij activering van een alleenstaande ouder, waarbij een trajectafspraak gericht op het verkrijgen of behouden van betaalde arbeid, het verrichten van werkervaring of vrijwilligerswerk dan wel het volgen van een noodzakelijke scholing, wordt belemmerd wanneer één of meer kinderen niet zouden kunnen overblijven op school. Onder deze omstandigheden is voor de dagen waarvoor het activeringstraject geldt, bijzondere bijstand aangewezen in deze kosten.
De kosten van kinderopvang worden grotendeels vergoed door de Belastingdienst door middel van kinderopvangtoeslag. Er blijft echter altijd een eigen bijdrage over. Voor mensen met een inkomen rond bijstandsniveau bedraagt de eigen bijdrage een paar procent van het maximumuurtarief, zoals bedoeld in artikel 1.7, tweede lid van de WKO. Artikel 1:13 van de WKO biedt het college de mogelijkheid tot het verstrekken van een extra financiële tegemoetkoming in de kosten van de kinderopvang. Deze vergoeding kan verstrekt worden aan:
Het hanteren van een eigen bijdrage is onder andere bedoeld om personen bewust te maken van de kosten van bepaalde voorzieningen. De eigen bijdrage kan echter ook belemmerend werken richting werk. Immers, als belanghebbenden gaan werken, maar minder verdienen dan de van toepassing zijnde bijstandsnorm gaan ze er feitelijk op achteruit. Aan belanghebbenden die voldoen aan de vereisten van artikel 1.6, eerste lid, onderdelen c, e, j, k of l WKO kan daarom bijzondere bijstand worden verstrekt voor het verschil tussen het percentage van het maximumuurtarief dat de Belastingdienst maximaal vergoed en 100% van dat maximumuurtarief.
Artikel 27 Overbruggingsuitkering
De financiële overbrugging van de periode van het wegvallen van inkomsten tot de eerste betaling van de periodieke bijstandsuitkering behoort in principe tot de eigen verantwoordelijkheid van de aanvrager. Toch kunnen er situaties zijn, waarbij de aanvrager door het feit dat algemene bijstand maandelijks achteraf betaalbaar wordt gesteld, in liquiditeitsproblemen komt. In die uitzonderlijke gevallen kan een overbruggingsuitkering worden verstrekt.
HOOFDSTUK 11 MAATSCHAPPELIJKE PARTICIPATIE TEN LASTE KOMENDE KINDEREN
Artikel 28 Jeugdsport- en cultuurfonds
Midden-Delfland is aangesloten bij het Jeugdsportfonds. Via het Jeugdsportfonds kunnen de ouders van kinderen uit gezinnen met een inkomen tot 120% van de toepassing zijnde bijstandsnorm, een vergoeding ontvangen voor sporten. Via de website www.allekinderendoenmee.nl kan door een intermediair een aanvraag worden ingediend voor een vergoeding vanuit het Jeugdsportfonds. Deze intermediairs zijn professionals en werken veelal in de volgende branches: jeugdzorg, gezondheidszorg, onderwijs, maatschappelijk werk, schuldhulpverlening en vluchtelingenwerk. Ouders en sportverenigingen kunnen geen aanvraag bij het Jeugdsportfonds indienen.
De intermediair toetst of het kind in aanmerking komt voor het fonds en dient vervolgens de aanvraag in. Zodra de aanvraag wordt goedgekeurd, wordt de factuur van de sportvereniging opgevraagd en direct aan deze vereniging betaald. De intermediair checkt twee maal per jaar of het kind daadwerkelijk actief is bij de sportvereniging. De vergoeding vanuit het Jeugdsportfonds kan worden besteed aan contributie en eventuele benodigde sportmaterialen.
Midden-Delfland is aangesloten bij Stichting Leergeld. Via deze stichting kunnen ouders in aanmerking komen voor spullen die kinderen (in)direct nodig hebben op school. Het gaat niet alleen om zaken als een schooltas, voorgeschreven sportkleding, rekenmachine et cetera, maar ook om een fiets om op school te komen of een computer om huiswerk te kunnen maken.
Schoolreisjes, werkweken en vrijwillige ouderbijdragen komen niet in aanmerking voor een vergoeding. Kinderen mogen door school niet worden uitgesloten van dergelijke activiteiten als ouders dit niet kunnen betalen. Om die reden is vergoeding van die kosten dan ook niet aan de orde.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-528367.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.