Mandaatbesluit directeur DCMR gemeente Schiedam 2026

Het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester van de gemeente Schiedam,

ieder voor zover het zijn bevoegdheden betreft;

 

gelet op het bepaalde in afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht, de Gemeentewet en de gemeenschappelijke regeling DCMR Milieudienst Rijnmond 2015;

 

besluiten vast te stellen het volgende:

 

Mandaatbesluit directeur DCMR gemeente Schiedam 2026

Artikel 1. Begripsbepalingen

In dit besluit wordt verstaan onder:

  • burgemeester: burgemeester van de gemeente Schiedam;

  • college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schiedam;

  • directeur: directeur van DCMR Milieudienst Rijnmond;

  • machtiging: bevoegdheid om in naam van het college of de burgemeester feitelijke handelingen te verrichten die noch een besluit, noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn;

  • mandaatgever: bestuursorgaan dat met dit besluit mandaat verleent aan de directeur;

  • omgevingsdienst: openbaar lichaam DCMR Milieudienst Rijnmond;

  • ondermachtiging: door de gemachtigde op zijn beurt verlenen van machtiging aan een ander;

  • ondermandaat: door de gemandateerde op zijn beurt verlenen van mandaat aan een ander;

  • ondervolmacht: door de gevolmachtigde op zijn beurt verlenen van volmacht aan een ander;

  • raad: gemeenteraad van de gemeente Schiedam;

  • volmacht: bevoegdheid om namens de gemeente Schiedam privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten.

Artikel 2. Mandaat, volmacht en machtiging

  • 1.

    Het college en de burgemeester, ieder voor zover het zijn bevoegdheden betreft:

    • a.

      verlenen mandaat, machtiging en volmacht aan de directeur voor het uitoefenen van de bevoegdheden, genoemd in de bijlage bij dit besluit, voor zover de uitoefening daarvan noodzakelijk is voor het verrichten van de taken van de omgevingsdienst; en

    • b.

      bepalen dat brieven en besluiten namens het bestuursorgaan kunnen worden getekend.

  • 2.

    De directeur kan voor de bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, schriftelijk ondermandaat, ondervolmacht en ondermachtiging verlenen aan functionarissen die werkzaam zijn voor de omgevingsdienst.

  • 3.

    Wat in dit besluit is bepaald met betrekking tot mandaat is van overeenkomstige toepassing op volmacht en machtiging en op ondermandaat, ondervolmacht en ondermachtiging.

  • 4.

    Bij de ondertekening, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt aangegeven dat die ondertekening plaatsvindt namens het college of de burgemeester.

Artikel 3. Wettelijke kaders en beleid

  • 1.

    De directeur oefent de gemandateerde bevoegdheden uit binnen de kaders van daarvoor geldende regelgeving en vastgesteld beleid.

  • 2.

    Als regelgeving en beleid als bedoeld in het eerste lid wordt vastgesteld of gewijzigd door mandaatgever, wordt over het voornemen daartoe overlegd met de directeur.

  • 3.

    De mandaatgever zorgt ervoor dat de omgevingsdienst beschikt over het beleid, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 4. Instructies

  • 1.

    De directeur neemt bij de uitoefening van de gemandateerde bevoegdheden in ieder geval de instructies in acht die in de bijlage bij dit besluit zijn opgenomen.

  • 2.

    Aanvullende instructies van de mandaatgever aan de directeur worden schriftelijk en tijdig gegeven.

Artikel 5. Informeren en afstemmen

  • 1.

    Voordat een bevoegdheid als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, wordt uitgeoefend, wordt overlegd met de mandaatgever, wanneer die uitoefening:

    • a.

      afwijkt van een door de mandaatgever gegeven instructie;

    • b.

      naar verwachting grote politieke of maatschappelijke gevolgen kan hebben; of

    • c.

      mogelijk tot aansprakelijkstelling van de gemeente kan leiden.

  • 2.

    Als de directeur het verleende mandaat in een bepaald geval niet wenst uit te oefenen of de mandaatgever het gegeven mandaat in een bepaald geval intrekt, informeert de mandaatgever de raad hierover.

Artikel 6. Overgangsrecht

Op de uitoefening van bevoegdheden op grond van het overgangsrecht bij de Omgevingswet, in samenhang met het recht zoals dit gold voor inwerkingtreding van de Omgevingswet, blijven voor de duur van dat overgangsrecht, de onder het oude recht verleende mandaatbesluiten van toepassing.

Artikel 7. Intrekking

Het Mandaatbesluit directeur DCMR gemeente Schiedam 2023 wordt ingetrokken.

Artikel 8. Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2026.

Artikel 9. Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Mandaatbesluit directeur DCMR gemeente Schiedam 2026.

Aldus vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schiedam in zijn vergadering van 25 november 2025.

de secretaris,

C.E. Bos

de burgemeester,

H.M. Bergmann

Aldus vastgesteld door de burgemeester van de gemeente Schiedam op 25 november 2025.

de burgemeester,

H.M. Bergmann

Bijlage bij artikel 2 van het Mandaatbesluit directeur DCMR gemeente Schiedam 2026

 

Artikel 1. Afkortingen

In deze bijlage wordt verstaan onder:

  • AVG: Algemene Verordening Gegevensbescherming;

  • Awb: Algemene wet bestuursrecht;

  • Bal: Besluit activiteiten leefomgeving;

  • Bbl: Besluit bouwwerken leefomgeving;

  • Bkl: Besluit kwaliteit leefomgeving;

  • Ob: Omgevingsbesluit;

  • Ow: Omgevingswet;

  • Wet Bibob: Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur;

  • Woo: Wet open overheid;

  • Who: Wet hergebruik overheidsinformatie;

  • Wkpb: Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen;

  • Wm: Wet milieubeheer.

Artikel 2. Volledige proceslijn

Als in artikel 3 en 4 een bevoegdheid wordt gemandateerd tot het nemen van een besluit, wordt daarmee de volledige proceslijn met betrekking tot dat besluit gemandateerd, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald. Onder de ‘volledige proceslijn’ worden de bevoegdheden in artikel 2.1 t/m 2.7 verstaan.

 

Taak/bevoegdheid

 

Volledige proceslijn - Het voorbereiden en nemen van besluiten

Instructie/beperking

2.1

Het voorbereiden en nemen van de volgende besluiten:

  • a.

    het beslissen op de aanvraag;

  • b.

    het voorbereiden van de besluitvorming, waaronder het voeren van correspondentie daarover en het opvragen van gegevens en bescheiden;

  • c.

    het horen als bedoeld in artikel 4:7, 4:8 en 4:11 Awb;

  • d.

    het ter inzage leggen van stukken;

  • e.

    het verzorgen van kennisgevingen en bekendmakingen in het Gemeenteblad;

  • f.

    het nemen van andere beslissingen inzake de procedure ter voorbereiding van een besluit;

  • g.

    het afdoen van herhaalde aanvragen, buiten behandeling stellen en het niet-ontvankelijk verklaren van aanvragen (artikel 4:5 en 4:6 Awb; artikel 16.10 Ow);

  • h.

    het verdagen van beslistermijnen (artikel 4:14 Awb jo. artikel 16.64 en 16.66 Ow);

  • i.

    het opschorten van beslistermijnen (artikel 4:15 Awb);

  • j.

    inzake de verbeurte van dwangsommen bij niet-tijdig beslissen (paragraaf 4.1.3.2 Awb);

  • k.

    (gereserveerd);

  • l.

    (gereserveerd);

  • m.

    het van toepassing verklaren en uitvoeren van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure, bedoeld in afdeling 3.4 Awb (artikel 3.10 Awb jo. artikel 16.65 Ow en artikel 10.24 Ob);

  • n.

    het buiten toepassing verklaren van afdeling 3.4 Awb bij een kennelijke verschrijving (artikel 16.24 lid 2 Ow);

  • o.

    het nemen van coördinatiebesluiten en het optreden als coördinerend bestuursorgaan (afdeling 3.5 Awb);

  • p.

    het actualiseren, wijzigen, intrekken en reviseren van (voorschriften van) een omgevingsvergunning;

  • q.

    het intrekken van besluiten;

  • r.

    het verzamelen, registreren, verwerken, beheren, verstrekken, beschikbaar stellen, uitwisselen, doorzenden en publiceren van informatie, gegevens, aanvragen en (ontwerp)besluiten (inclusief uitvoering Wkpb en Archiefwet);

  • s.

    het beoordelen van aanvragen op vertrouwelijkheid (art. 19.3 Wm);

  • t.

    het beoordelen van rapporten;

  • u.

    het behandelen van informatieplichten.

 

 

Volledige proceslijn - Toezicht en handhaving

 

2.2

Het uitoefenen van toezicht op de naleving van hetgeen waarvoor in artikel 3 en 4 mandaat is verleend.

 

2.3

Het aanwijzen van personen, belast met het houden van toezicht (artikel 18.6 Ow), ter handhaving van de taken en bevoegdheden waarvoor in artikel 3 en 4 mandaat is verleend.

 

2.4

Het nemen van handhavingsbesluiten en bijbehorende besluitvorming, zoals bedoeld in hoofdstuk 4 en 5 Awb en titel 18.1.1 Ow, ter handhaving van de taken en bevoegdheden waarvoor in artikel 3 en 4 mandaat is verleend.

 

Volledige proceslijn - Het voeren van procedures

 

2.5

Het in rechte vertegenwoordigen van het bestuursorgaan en het nemen van besluiten inzake procedures inzake besluiten waarvoor in artikel 3 en 4 mandaat is verleend, en handelingen in voorbereiding daarop. Hieronder vallen in ieder geval, maar niet uitsluitend:

  • a.

    het instellen van pro forma en/of incidenteel (hoger) beroep;

  • b.

    het indienen van andere stukken in het kader van bezwaar, beroep of hoger beroep;

  • c.

    het voeren van verweer en het indienen van verweerschriften;

  • d.

    het indienen van verzoeken om geheimhouding (artikel 8:29 Awb);

  • e.

    handelingen of besluiten in het kader van een tussenuitspraak of bestuurlijke lus (artikelen 8:51a, 8:51b, 8:51c, 8:80a en 8:80b Awb);

  • f.

    het vragen van uitstel van de behandeling van een bezwaar- of beroepschrift en het verrichten van andere proceshandelingen;

  • g.

    het verlenen van een eenmalige of doorlopende machtiging voor het voeren van het woord ter zitting;

  • h.

    het voeren van het woord als derde belanghebbende ter zitting;

  • i.

    (gereserveerd).

Het instellen van (incidenteel) hoger beroep vindt plaats in overleg met de gemeente.

 

Het voeren van mediationgesprekken vindt plaats in overleg met de gemeente.

Volledige proceslijn - Overig

 

2.6

Het nemen van andere besluiten en het verrichten van andere handelingen op grond van of krachtens de Awb, ter uitvoering van hetgeen waarvoor in artikel 3 en 4 mandaat is verleend.

 

2.7

Het besluiten tot en het verrichten van (privaatrechtelijke) rechtshandelingen (artikel 160 lid 1 onder d en 171 Gemeentewet) en feitelijke handelingen ter uitvoering van hetgeen waarvoor in artikel 3 en 4 mandaat is verleend.

Het mandaat voor privaatrechtelijke rechtshandelingen geldt voor financiële verplichtingen tot een maximum van € 250.000 (exclusief BTW).

 

Artikel 3. Bevoegdheden ter uitvoering van de standaardtaken

 

Taak/bevoegdheid

Instructie/beperking

3.1

Het nemen van besluiten op aanvragen om omgevingsvergunningen en het toepassen van paragraaf 5.1.5 Ow, voor activiteiten die zijn aangewezen in categorie 1 (zie aanhangsel), met uitzondering van omgevingsvergunningen voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten en de toepassing van de Wet Bibob.

 

3.2

Het beoordelen van meldingen als bedoeld in artikel 4.4 lid 1 Ow en beschikken op aanvragen om toestemming tot het treffen van een gelijkwaardige maatregel voor activiteiten die zijn aangewezen in categorie 1 en 5 (zie aanhangsel).

 

3.3

Het stellen van maatwerkvoorschriften voor activiteiten die zijn aangewezen in categorie 1 en 5 (zie aanhangsel).

 

3.4

Het houden van toezicht op de naleving van:

  • a.

    de verboden, bedoeld in de artikelen 5.1, 5.4, 5.5 en 5.6 Ow, voor activiteiten die zijn aangewezen in categorie 1 (zie aanhangsel); en

  • b.

    de regels gesteld bij of krachtens de Ow en de Wm, over activiteiten die zijn aangewezen in categorie 1, 5, 6 en 8 (zie aanhangsel).

 

3.5

Het houden van ketentoezicht op de regels over activiteiten die zijn aangewezen in categorie 7 (zie aanhangsel).

 

3.6

Bestuurlijke sancties ter handhaving van de verboden en regels, bedoeld onder 3.4 en 3.5.

 

 

Artikel 4. Bevoegdheden ter uitvoering van aanvullende taken

 

Taak/bevoegdheid

 

Aanvullende taken - Vergunningverlening

Instructie/beperking

4.1

Het nemen van besluiten als bedoeld in afdeling 5.1 Ow, anders dan genoemd in artikel 3, voor een:

  • a.

    omgevingsplanactiviteit die een milieubelastende activiteit (inclusief lozen) inhoudt;

  • b.

    milieubelastende activiteit.

 

4.2

Het beoordelen van meldingen (artikel 4.4 Ow).

Uitsluitend voor zover het gaat om de in artikel 4.1 genoemde activiteiten.

4.3

Het stellen van maatwerkvoorschriften (artikel 4.5 Ow).

Uitsluitend voor zover het gaat om de in artikel 4.1 genoemde activiteiten.

4.4

Het besluiten over het treffen van gelijkwaardige maatregelen (artikel 4.7 lid 1 Ow).

Uitsluitend voor zover het gaat om de in artikel 4.1 genoemde activiteiten.

Aanvullende taken - Omgevingswet

 

4.5

Het opleggen van gedoogplichten inzake het verrichten van onderzoek naar bodemverontreiniging en het uitvoeren van maatregelen voor bodembescherming of nazorg (artikelen 10.13b en 10.21a Ow).

 

4.6

Het verplichten maatregelen te nemen en het geven van aanwijzingen bij een ongewoon voorval, het treffen van maatregelen en het op schrift stellen van de beslissing tot het treffen van die maatregelen en het verhalen van de kosten die daarbij worden gemaakt op de veroorzaker (afdeling 19.1 Ow).

 

4.7

Het verplichten maatregelen te nemen bij een toevalsvondst van verontreiniging op of in de bodem, het treffen van maatregelen en het op schrift stellen van de beslissing tot het treffen van die maatregelen en het verhalen van de kosten die daarbij worden gemaakt op de veroorzaker (afdeling 19.2a Ow).

 

4.8

(gereserveerd)

 

4.9

Het nemen van besluiten inzake het beoordelen van PRTR-verslagen en het verrichten van werkzaamheden in het kader van de PRTR-verordening als bedoeld in paragraaf 11.2.6 Bkl en paragraaf 10.8.6 Ob.

 

4.10

Het uitoefenen van bevoegdheden inzake sloopwerkzaamheden voor zover deze betrekking hebben op asbestverwijdering (afdeling 7.1 Bbl).

 

4.11

Het uitoefenen van bevoegdheden inzake mobiel puinbreken (afdeling 7.2 Bbl).

 

4.12

Het uitoefenen van bevoegdheden met betrekking tot de energiebesparingsplicht en informatieplichten (paragraaf 5.4.1 Bal).

 

4.13

(gereserveerd)

 

Aanvullende taken - Milieu overig

 

4.14

(gereserveerd)

 

Aanvullende taken - Overig

 

4.15

Het geven van wettelijke adviezen bij vergunningverlening door andere overheden (afdeling 16.2 Ow).

Uitsluitend voor zover het gaat om de in artikel 4.1 genoemde activiteiten.

4.16

(gereserveerd)

 

4.17

Het uitoefenen van bevoegdheden (waaronder besluiten op verzoeken) op grond van de Woo en de Who.

Over de afhandeling van verzoeken op grond van artikel 4.1 van de Woo vindt vooraf altijd overleg plaats met de gemeente.

4.18

Het beslissen op aanvragen en het doen van meldingen als bedoeld in de AVG.

Over een melding bij de Autoriteit Persoonsgegevens wordt de gemeente vooraf geïnformeerd.

4.19

Het uitoefenen van de bevoegdheden op grond van de Wet Bibob. Hieronder vallen in ieder geval, maar niet uitsluitend:

  • a.

    het vragen van advies aan het Landelijk Bureau Bibob;

  • b.

    het uitvoeren van eigen Bibob-onderzoek.

 

4.20

Het aanvragen en verantwoorden van subsidies, bedoeld in artikel 4:21 Awb, op basis van regelingen van andere overheidsorganen, het Rijk en de Europese Unie, alsmede het aangaan van uitvoeringsovereenkomsten ter verkrijging van deze subsidies.

 

4.21

(gereserveerd)

 

4.22

Het nemen van besluiten op grond van hetgeen is bepaald bij of krachtens het Vuurwerkbesluit.

 

4.23

Het nemen van besluiten en uitoefenen van bevoegdheden op grond van het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen en de Regeling melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen.

 

4.24

(gereserveerd)

 

4.25

(gereserveerd)

 

 

Aanhangsel bij artikel 3 (standaardtaken)

 

Categorie 1

  • 1.

    Milieubelastende activiteiten als bedoeld in hoofdstuk 3, afdeling 18.1 en hoofdstuk 19 van het Bal.

  • 2.

    Onder deze aanwijzing vallen niet de activiteiten die zijn aangewezen in de volgende paragrafen:

    • a.

      paragraaf 3.2.1, 3.2.7 of 3.2.9, tenzij die:

      • 1°.

        als vergunningplichtig zijn aangewezen op grond van hoofdstuk 3 van dat besluit; of

      • 2°.

        onderdeel uitmaken van een activiteit die is aangewezen in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11 van dat besluit en niet onder b tot en met e is uitgezonderd;

    • b.

      paragraaf 3.7.1, voor zover die alleen worden verricht ter ondersteuning van verkoop aan particulieren of de opgeslagen afvalstoffen alleen bestaan uit materialen die voor de werkzaamheden zijn meegenomen;

    • c.

      paragraaf 3.7.8, voor zover die alleen worden verricht ter ondersteuning van verkoop aan particulieren;

    • d.

      paragraaf 3.8.4, voor zover die alleen bestaan uit het herstellen van ruitschade of het onderhouden of vervangen van banden; en

    • e.

      paragraaf 3.8.6, voor zover die alleen worden verricht voor vervoer van of naar particulieren.

Categorie 2

Bouw- en sloopactiviteiten als bedoeld in het Bbl, voor zover gedeputeerde staten het bevoegd gezag zijn op grond van:

  • a.

    artikel 4.6, tweede lid, onder a, van het Ob, voor zover het gaat om omgevingsplanactiviteiten van provinciaal belang, bestaande uit milieubelastende-, bouw- of sloopactiviteiten;

  • b.

    artikel 4.6, tweede lid, onder c, van het Ob; of

  • c.

    artikel 4.16, eerste lid, van het Ob.

Categorie 3

Omgevingsplanactiviteiten, bestaande uit milieubelastende-, bouw- of sloopactiviteiten, voor zover gedeputeerde staten het bevoegd gezag zijn op grond van:

  • a.

    artikel 4.6, tweede lid, onder a, van het Ob, voor zover het gaat om omgevingsplanactiviteiten van provinciaal belang, bestaande uit milieubelastende-, bouw- of sloopactiviteiten;

  • b.

    artikel 4.6, tweede lid, onder c, van het Ob; of

  • c.

    artikel 4.16, eerste lid, van het Ob.

Categorie 4

Omgevingsplanactiviteiten van provinciaal belang, bestaande uit milieubelastende-, bouw- of sloopactiviteiten.

 

Categorie 5

Het bedrijfsmatig verwijderen van asbest als bedoeld in bijlage I bij het Bbl en asbesthoudende producten uit bouwwerken, en het bedrijfsmatig opruimen van asbest als bedoeld in bijlage I bij het Bbl en asbesthoudende producten vrijgekomen als gevolg van een incident.

 

Categorie 6

Activiteiten met stoffen, preparaten, producten en toestellen waarover regels zijn gesteld bij of krachtens de Wet milieubeheer, voor zover deze worden verricht in samenhang met een milieubelastende activiteit als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Bal.

 

Categorie 7

Bedrijfsmatige activiteiten met betrekking tot:

  • afvalstoffen;

  • vuurwerk als bedoeld in bijlage I bij het Bal en explosieven voor civiel gebruik;

  • secundaire grondstoffen; en

  • andere milieugevaarlijke stoffen.

Categorie 8

Het in stand houden van bouwwerken voor zover daarover regels zijn gesteld in artikel 3.84 van het Bbl.

 

Toelichting Mandaatbesluit directeur DCMR gemeente Schiedam 2026

Algemeen

 

Het Mandaatbesluit directeur DCMR gemeente Schiedam 2026 vervangt het Mandaatbesluit directeur DCMR gemeente Schiedam 2023. In dit mandaatbesluit staat welke bevoegdheden het college van burgemeester en wethouders (hierna: het college) en de burgemeester aan de directeur van de omgevingsdienst DCMR Milieudienst Rijnmond (hierna: omgevingsdienst) hebben gegeven. Het mandaatbesluit voorziet in een uitbreiding van bevoegdheden van de omgevingsdienst.

 

Gemeenschappelijke regeling

De omgevingsdienst is bij gemeenschappelijke regeling ingesteld: de gemeenschappelijke regeling DCMR Milieudienst Rijnmond 2015. De provincie Zuid-Holland en dertien gemeenten in de regio Rijnmond zijn deelnemer van de regeling. De omgevingsdienst voert taken uit onder verantwoordelijkheid van die provincie en gemeenten. Om deze taken uit te kunnen voeren, moeten bevoegdheden aan de omgevingsdienst worden gemandateerd.

 

Reikwijdte mandaat

Mandaat is de bevoegdheid om in naam van een bestuursorgaan besluiten te nemen (artikel 10:2 van de Algemene wet bestuursrecht, hierna: Awb). Het bestuursorgaan blijft verantwoordelijk en juridisch aanspreekbaar voor een in mandaat genomen besluit. Het besluit geldt alsof het door het bestuursorgaan zelf is genomen. Bij mandateren worden geen bevoegdheden overgedragen. Het blijft voor het bestuursorgaan mogelijk om de bevoegdheid zelf uit te oefenen. Bovendien heeft het bestuursorgaan verschillende sturingsmogelijkheden. Het mandaat kan altijd worden ingetrokken. Verder kan het bestuursorgaan per geval of in het algemeen instructies geven over de uitoefening van de bevoegdheid. De gemandateerde moet het bestuursorgaan ook op verzoek informeren over de uitoefening van het mandaat.

 

Model mandaatbesluit

Dit mandaatbesluit is gebaseerd op een model mandaatbesluit dat door AKD in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat is opgesteld. De opdracht voor het opstellen van een model mandaatbesluit is verstrekt in het kader van het Interbestuurlijk Programma Versterking VTH-stelsel (IBP VTH). Hiermee is uitwerking gegeven aan een van de aanbevelingen van de adviescommissie Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving, ook wel de commissie Van Aartsen genoemd. De huidige diversiteit in mandaatbesluiten voor omgevingsdiensten leidt tot inefficiëntie in het toezicht en de handhaving. Met het model mandaatbesluit wordt beoogd uniformiteit aan te brengen in de mandatering van bevoegdheden aan omgevingsdiensten, om op die manier de positie van omgevingsdiensten te versterken.

 

Uitgangspunten model mandaatbesluit

Aan het model mandaatbesluit liggen de volgende uitgangspunten ten grondslag:

  • Lean and mean. In het mandaatbesluit wordt niets geregeld wat al in de Awb is geregeld of vanzelfsprekend is. Definities en regels die al in de Awb staan, worden dus niet herhaald. Waar nodig wordt in deze toelichting verwezen naar relevante bepalingen in de Awb.

  • Gesloten regeling. Dit mandaatbesluit betreft een gesloten regeling. De omgevingsdienst krijgt alleen de bevoegdheden waarvoor specifiek mandaat, volmacht of machtiging wordt verleend.

  • Volledige proceslijn. Uitgangspunt voor het mandaatbesluit is dat de omgevingsdienst onafhankelijk moet kunnen opereren en de nodige bevoegdheden krijgt om haar taken van begin tot eind te kunnen uitvoeren. De directeur komt daarom volledige beslisbevoegdheid toe, tenzij in het mandaatbesluit anders is aangegeven. Dit betekent dat de omgevingsdienst – wanneer een taak aan haar wordt gemandateerd – in beginsel bevoegd is om de besluitvorming voor te bereiden, op de aanvraag te beslissen, het besluit te handhaven en over dit alles zo nodig te procederen.

  • Mandaat, volmacht én machtiging. In het mandaatbesluit wordt niet alleen voorzien in een mandaat voor de omgevingsdienst, maar ook in een volmacht en machtiging. De omgevingsdienst zal (bijvoorbeeld bij de toepassing van bestuursdwang) immers niet alleen bestuursrechtelijke besluiten moeten nemen (via mandaat), maar ook overeenkomsten moeten sluiten met aannemers (via volmacht) en feitelijke handelingen moeten verrichten ten laste van de opdrachtgever (via machtiging). Dit is ook de reden dat het mandaatbesluit zowel door het college als de burgemeester wordt genomen. De burgemeester vertegenwoordigt de gemeente in en buiten rechte (artikel 171 Gemeentewet). Voor het ondertekenen van een overeenkomst is dus een volmacht nodig van de burgemeester. Het mandaatbesluit voorziet in het verlengde hiervan ook in de mogelijkheid voor ondermandaat en ondervolmacht.

Structuur model mandaatbesluit

Het mandaatbesluit bestaat uit een besluit en een lijst. Uit de lijst blijken de specifieke taken en bevoegdheden die door de gemeente aan de omgevingsdienst worden gemandateerd. Individuele taken, bevoegdheden en processen staan aangegeven in de lijst, die in het mandaatbesluit als ‘bijlage’ wordt aangeduid.

 

In het mandaatbesluit wordt onderscheid gemaakt tussen standaardtaken (artikel 3 van de lijst) en aanvullende taken (artikel 4 van de lijst). Artikel 18.22 van de Omgevingswet (hierna: Ow) in combinatie met 13.12 van het Omgevingsbesluit (hierna: Ob) schrijft wettelijk voor dat de ‘basistaken’ door gemeenten en provincies in ieder geval aan omgevingsdiensten gemandateerd moeten worden. Tot de basistaken behoren onder meer de voorbereiding van een omgevingsvergunning voor de activiteit milieu, het beoordelen van meldingen en het nemen van beschikkingen met maatwerkvoorschriften of gelijkwaardige maatregelen. Ook behoren tot de basistaken het toezicht op de naleving van die omgevingsvergunningen en van algemene milieuregels en het voorbereiden van handhavingsbeschikkingen voor deze activiteiten. De taken laten zich zeer specifiek omschrijven en luisteren nauw. Om die reden – en om zo nauw mogelijk bij de wettekst aan te sluiten – is ervoor gekozen de basistaken 'beleidsneutraal' uit het Ob in de mandaatlijst over te nemen.

 

Het is belangrijk om hier te vermelden dat is voorzien in de volledige beslisbevoegdheid voor de basistaken. Daardoor voorziet het mandaatbesluit in feite in een uitbreiding van de wettelijke basistaken. Een voorbeeld kan dit verduidelijken. Een wettelijke basistaak is het voorbereiden van de beslissing op een aanvraag voor de milieubelastende activiteit. In het mandaatbesluit (zie artikel 3 in samenhang met artikel 2 van de lijst) wordt echter (onder meer) ook voorzien in de bevoegdheid om op die aanvraag te beslissen. Daarmee wordt de wettelijke basistaak in feite uitgebreid. Dit is een bewuste keuze vanuit het IBP VTH.

 

Aanvullende taken

In aanvulling op de basistaken kan een aantal taken vrijwillig worden opgedragen aan de omgevingsdienst (artikel 4 van de lijst). De gemeente kan ervoor kiezen wel of niet aanvullende bevoegdheden aan de omgevingsdienst te mandateren.

 

Voor de aanvullende taken is aansluiting gezocht bij de bevoegdheden die Schiedam eerder al aan de omgevingsdienst heeft gemandateerd, via het Mandaatbesluit directeur DCMR gemeente Schiedam 2023. Tot deze taken behoren bijvoorbeeld het uitoefenen van bevoegdheden over asbestverwijdering en mobiel puinbreken en het opleggen van gedoogplichten voor het verrichten van onderzoek naar bodemverontreiniging en het uitvoeren van maatregelen voor bodembescherming of nazorg. De volgende bevoegdheden zijn nieuw:

  • het beslissen op aanvragen en het doen van meldingen op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming;

  • het aanvragen van subsidies bij andere overheden, inclusief de verantwoording en het aangaan van eventuele uitvoeringsovereenkomsten;

  • het nemen van besluiten in het kader van het Vuurwerkbesluit;

  • het uitvoeren van het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen en de Regeling melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen.

Afwijking van model mandaatbesluit

De gemeente Schiedam wijkt op enkele punten af van het model mandaatbesluit. De belangrijkste punten worden hieronder toegelicht.

 

Bij de standaardtaken kiest de gemeente ervoor het nemen van een beslissing op bezwaar en alle daarmee samenhangende bevoegdheden vooralsnog niet te mandateren aan de omgevingsdienst. De gemeente blijft eindverantwoordelijk voor de in mandaat genomen (primaire) besluiten. Voor de bezwaarprocedure geldt bovendien dat het op dit moment niet de voorkeur heeft de procedure op te knippen in een deel waarvoor de gemeente verantwoordelijk is en een deel dat door de omgevingsdienst wordt uitgevoerd. Op basis van nieuwe ervaringen en inzichten kan er op een later moment voor worden gekozen deze bevoegdheden alsnog te mandateren. Om die reden is in artikel 3 van de lijst bij de bevoegdheden ‘gereserveerd’ opgenomen.

 

Verder is de bevoegdheid tot het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen – in afwijking van het model mandaatbesluit - begrensd tot een maximumbedrag van € 250.000. Dit sluit aan bij de financiële voorwaarden die de gemeente intern hanteert.

 

Besluiten over het voeren van rechtsgedingen, waaronder het instellen van (hoger) beroep, en bezwaar- en administratieve beroepsprocedures tegen besluiten van andere bestuursorganen worden eveneens niet gemandateerd. Het betreft een ruime bevoegdheid die ook intern in de gemeentelijke organisatie niet volledig is gemandateerd.

 

Bij de aanvullende taken kiest de gemeente ervoor besluiten over milieueffectrapportages voor projecten als bedoeld in paragraaf 16.4.2 Ow, voor zover betrekking hebbend op omgevingsvergunningen voor milieubelastende activiteiten, niet te mandateren aan de omgevingsdienst. Dergelijke besluiten hangen in de regel samen met grotere ruimtelijke herontwikkeling, waarbij ook ruimtelijke besluiten genomen worden. Het is een beleidsmatige en bestuurlijke beslissing om dit niet te mandateren.

 

Ook het afgeven van gedoogverklaringen wordt niet gemandateerd aan de omgevingsdienst. Het afgeven van gedoogverklaringen is het afwijken van wet- en regelgeving. Het is een beleidsmatige en bestuurlijke beslissing om dit niet te mandateren.

 

Instemming directeur omgevingsdienst

Als een gemandateerde – zoals in dit geval de directeur van de omgevingsdienst – niet werkzaam is onder verantwoordelijkheid van de mandaatgever, moet de gemandateerde instemmen met de mandaatverlening (artikel 10:4 lid 1 Awb). Het mandaatbesluit vereist dus de instemming van de directeur van de omgevingsdienst. Instemming kan ook blijken uit de feitelijke uitoefening van het mandaat (ABRvS 14 februari 2007, ECLI:NL:RVS:2007:AZ8450).

 

Evaluatie

In gezamenlijk overleg kan worden bepaald of, hoe en wanneer dit mandaatbesluit wordt geëvalueerd.

 

Artikelsgewijs

 

Artikel 1. Begripsbepalingen

Dit artikel bevat een omschrijving van de begrippen die in het mandaatbesluit worden gebruikt. Uitgangspunt in dit mandaatbesluit is dat regels uit de Awb niet worden herhaald (‘lean and mean’). Dat geldt ook voor de begripsbepalingen.

 

Artikel 2. Mandaat, volmacht en machtiging

Eerste lid

Het eerste lid van dit artikel vormt de kern van het mandaatbesluit. Hierin is bepaald dat mandaat, volmacht en machtiging wordt verleend aan de directeur van de omgevingsdienst. Dit voor het uitoefenen van de bevoegdheden genoemd in de als bijlage bij dit besluit opgenomen lijst, voor zover de uitoefening van deze bevoegdheden noodzakelijk is voor het verrichten van de taken van de omgevingsdienst.

 

In het mandaatbesluit wordt niet alleen voorzien in een mandaat voor de omgevingsdienst, maar ook in een volmacht en machtiging. De omgevingsdienst zal (bijvoorbeeld bij de toepassing van bestuursdwang) immers niet alleen bestuursrechtelijke besluiten moeten nemen (via mandaat). Zij zal ook overeenkomsten moeten sluiten met aannemers (via volmacht) en feitelijke handelingen moeten verrichten ten laste van de opdrachtgever (via machtiging). Het mandaatbesluit voorziet daarvoor ook in de mogelijkheid voor ondermandaat en ondervolmacht.

 

In het vervolg van deze toelichting wordt verder alleen over mandaat gesproken, tenzij er specifiek aanleiding is om over volmacht of machtiging te spreken.

 

Tweede lid

Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de directeur bevoegd is voor de aangelegenheden in het eerste lid schriftelijk ondermandaat, ondervolmacht en ondermachtiging te verlenen aan functionarissen die werkzaam zijn voor de omgevingsdienst. Een ondermandaat vormt een afzonderlijk besluit (artikel 1:3 Awb) dat op de wettelijke wijze bekend moet worden gemaakt. Het mandaatbesluit voorziet niet in voorschriften over hoe en wanneer de directeur kan ondermandateren (of ondervolmacht of ondermachtiging kan verlenen). De directeur is immers belast met de organisatie van de omgevingsdienst. Het is aan de directeur hoe hij de taak of bevoegdheid binnen de omgevingsdienst door anderen laat uitoefenen en de bevoegdheid wenst vorm te geven.

 

Er is in het mandaatbesluit geen bepaling opgenomen over (ondermandatering aan) de plaatsvervangend directeur. Dit is iets wat de omgevingsdienst zelf intern moet regelen. De plaatsvervanger valt immers vanzelf binnen de reikwijdte van het mandaatbesluit, mits deze plaatsvervanger formeel schriftelijk als zodanig is aangewezen.

 

Derde lid

Artikel 10:12 van de Awb bepaalt dat de regels over mandaat (afdeling 10.1.1 Awb) van overeenkomstige toepassing zijn als een bestuursorgaan aan een ander, werkzaam onder zijn verantwoordelijkheid, volmacht verleent tot het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen, of machtiging verleent tot het verrichten van handelingen die noch een besluit, noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn. Artikel 2, derde lid, van het mandaatbesluit bepaalt dat wat er in het mandaatbesluit is bepaald over mandaat van overeenkomstige toepassing is op ondermandaat, volmacht, machtiging, ondervolmacht en ondermachtiging.

 

Artikel 3. Wettelijke kaders en beleid

Omgevingsdiensten zijn uitvoeringsorganisaties. Het vaststellen van beleidskaders en beleidsregels is dan ook voorbehouden aan de gemeentelijke bestuursorganen. Het eerste lid van artikel 3 bepaalt dat de directeur bij de uitoefening van de gemandateerde bevoegdheden binnen die kaders en de geldende regelgeving blijft. Hierbij kan het gaan om beleid, maar ook om handhavingsstrategieën, het omgevingsplan en gemeentelijke verordeningen. Al deze regels kunnen relevant zijn voor de in mandaat uit te oefenen taak of bevoegdheid. Als regelgeving of beleid als bedoeld in het eerste lid wordt vastgesteld of gewijzigd door mandaatgever, geldt op grond van het tweede lid dat over het voornemen daarvoor eerst met de directeur wordt overlegd. Het college zorgt er vervolgens voor dat de directeur beschikt over het beleid, bedoeld in het eerste lid.

 

Artikel 4. Instructies

Op grond van artikel 10:6 van de Awb kan de mandaatgever de gemandateerde per geval of in het algemeen instructies geven over de uitoefening van de gemandateerde bevoegdheid. In de bijlage bij het mandaatbesluit zijn per gemandateerde bevoegdheid instructies opgenomen. In het eerste lid van artikel 4 is geregeld dat de directeur deze instructies in acht neemt bij de uitoefening van de gemandateerde bevoegdheden. Als de mandaatgever dat nodig acht, kunnen aanvullende instructies worden gegeven. Het tweede lid bepaalt dat deze aanvullende instructies schriftelijk en tijdig worden gegeven.

 

Artikel 5. Informeren en afstemmen

Het eerste lid van dit artikel bepaalt dat voorafgaand aan de uitoefening van een bevoegdheid waarvoor in dit besluit mandaat is verleend, in bepaalde gevallen eerst overleg wordt gepleegd met het college. Het gaat daarbij om het geval dat wordt afgeweken van een door de mandaatgever gegeven instructie (onderdeel a), de uitoefening van de bevoegdheid naar verwachting grote politieke of maatschappelijke gevolgen kan hebben (onderdeel b) of wordt voorzien dat de uitoefening tot aansprakelijkstelling van de gemeente zal leiden (onderdeel c). Het overleg is gericht op het bereiken van overeenstemming.

 

Als dit overleg ertoe leidt dat de directeur het verleende mandaat in een bepaald geval niet wenst uit te oefenen of het college het mandaat in een bepaald geval intrekt, informeert het college de raad hierover. Dit is geregeld in het tweede lid van artikel 5. Het is aan het college om te bepalen hoe het de raad informeert.

 

Artikel 6. Overgangsrecht

Artikel 6 regelt het overgangsrecht. Op de uitoefening van bevoegdheden op grond van het overgangsrecht bij de Ow, in samenhang met het recht zoals dit gold voor inwerkingtreding van de Ow, blijft het oude mandaatbesluit van vóór de Ow van toepassing. Het overgangsrecht in de Ow voorziet er waar nodig in dat het oude recht blijft gelden tot anders wordt bepaald. Hiermee wordt niet alleen het overgangsrecht uit hoofdstuk 22 van de Ow bedoeld, maar breder: ook het overgangsrecht dat is opgenomen in bijvoorbeeld de AMvB’s, Invoerings- en Aanvullingswetten/besluiten.

 

Bijlage

 

Basistaken

De basistaken van omgevingsdiensten hebben in de Ow een plaats gekregen in paragraaf 13.2.3 van het Ob. In artikel 13.12 van het Ob is het basispakket van de omgevingsdiensten opgenomen. Artikel 13.12, eerste lid, van het Ob bepaalt voor welke taken de colleges van burgemeesters en wethouders en gedeputeerde staten ervoor moeten zorgen dat deze door de omgevingsdienst worden verricht. Het gaat om zes categorieën (a t/m f), die gekoppeld worden aan één of meerdere categorieën die worden opgesomd in bijlage VI van het Ob. Het gaat bijvoorbeeld om het voorbereiden van beslissingen op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor milieubelastende activiteiten als bedoeld in hoofdstuk 3 en 19 van het Besluit activiteiten leefomgeving (hierna: het ‘Bal’). Dit met uitzondering van omgevingsvergunningen voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten en de gevallen in categorie 1, tweede lid (artikel 13.12 lid 1, onder a, Ob). Deze uitzonderingen vallen, net als de toepassing van de Wet Bibob, niet in het basispakket.

 

Omzetting basistaken naar standaardtaken

De basistaken uit artikel 13.12 van het Ob zijn overgenomen in artikel 3 van de mandaatlijst. Dit artikel wordt aangeduid met ‘bevoegdheden ter uitvoering van de standaardtaken’. De basistaken laten zich zeer specifiek omschrijven en luisteren nauw. Om die reden – en om zo nauw mogelijk bij de wettekst aan te sluiten – zijn de basistaken zoveel mogelijk ‘beleidsneutraal’ uit het Ob in de mandaatlijst overgenomen. Om te voorkomen dat de omgevingsdienst en de gemeente het Ob er steeds op moeten naslaan, zijn de categorieën uit de bijlage bij het Ob (daar bijlage VI) overgenomen in bijlage 2. Daarbij moet worden vermeld dat er een bewuste uitbreiding heeft plaatsgevonden, door niet alleen de voorbereiding van bepaalde besluiten maar het gehele besluitvormingstraject met betrekking tot deze besluiten (inclusief het nemen ervan) aan de omgevingsdienst te mandateren. Het uitgangspunt is namelijk dat de omgevingsdienst zoveel mogelijk zelfstandig en in de volledige proceslijn opereert.

 

Aanvullende taken

De toelichting op het Ob vermeldt expliciet dat het vrijstaat om – buiten het basispakket – meer taken aan de omgevingsdienst op te dragen. De aanvullende taken staan omschreven in artikel 4 van de lijst met de titel ‘bevoegdheden ter uitvoering van de aanvullende taken’. In de aanvullende taken wordt onderscheid gemaakt tussen de categorieën vergunningverlening, Omgevingswet, milieu overig en overig. Tot de categorie vergunningverlening behoren bijvoorbeeld het nemen van besluiten als bedoeld in afdeling 5.1 van de Ow, anders dan de milieubelastende activiteit (artikel 4.1 van de lijst).

 

Opgemerkt wordt dat zich in artikel 4.1 een (bewuste) doublure bevindt: in feite vallen alle handelingen die horen bij het vergunningtraject voor milieubelastende activiteiten binnen het basispakket. Hieronder vallen onder meer het verlenen, voorbereiden, actualiseren, wijzigen, intrekken, handhaven van de milieubelastende activiteit. De milieubelastende activiteit is aanvullend in artikel 4.1 opgenomen. Dit om er geen onduidelijkheid over te laten bestaan dat deze taak expliciet aan de omgevingsdienst wordt opgedragen. Voor de volledigheid en om te voorkomen dat een klein deel van de milieubelastende activiteit tussen wal en schip raakt is de activiteit ook in artikel 4.1 opgenomen. In een werkplan wordt nader gespecificeerd welke taken de omgevingsdienst concreet uitvoert.

 

Volledige proceslijn

Voor zowel de standaardtaken (artikel 3 van de lijst) als de aanvullende taken (artikel 4 van de lijst) geldt het uitgangspunt van een volledige proceslijn: de omgevingsdienst moet onafhankelijk kunnen opereren. Voor zover uit de lijst volgt dat de directeur voor een bevoegdheid mandaat wordt verleend, geldt dat de directeur voor die bevoegdheid volledige beslisbevoegdheid toekomt, tenzij anders is aangeduid. Dit volgt uit artikel 2 van de lijst. Onder de volledige proceslijn wordt verstaan: het nemen van besluiten (artikel 2.1), toezicht en handhaving (artikelen 2.2 t/m 2.4) en het voeren van procedures (artikelen 2.5) en overige (artikel 2.6 en 2.7). Onder het voorbereiden en nemen van besluiten (artikel 2.1) valt zowel het beslissen op de aanvraag, als de voorbereiding van de besluitvorming, het horen, terinzagelegging en bekendmaking. Maar het gaat bijvoorbeeld ook om het verlengen van beslistermijnen. Ook het actualiseren en reviseren van vergunningen, beslissen over wijzigingen en het intrekken van besluiten valt hieronder.

 

Bij de volledige proceslijn voor toezicht en handhaving gaat het om het uitoefenen van toezicht (artikel 2.2 van de lijst), het aanwijzen van personen hiervoor (artikel 2.3) en het nemen van handhavingsbesluiten en bijbehorende besluitvorming, bedoeld in hoofdstuk 4 en 5 van de Awb (artikel 2.4). Onder deze laatste categorie vallen in ieder geval, maar niet alleen het opleggen van handhavingsbesluiten (last onder bestuursdwang en last onder dwangsom), inclusief het ten uitvoer brengen van bestuursdwang en spoedeisende bestuursdwang, het besluiten over invordering en kostenverhaal (inclusief besluiten over uitstel van betaling of matiging), maar ook het intrekken van vergunning als sanctie en de besluiten als bedoeld in titel 4.4 van de Awb (bestuursrechtelijke geldschulden). Ook kan hieronder worden verstaan het besluiten op verzoeken van derden om bestuursrechtelijk handhavend op te treden. Dit is echter steeds gekoppeld aan hetgeen waarvoor in artikel 3 en 4 van de mandaatlijst mandaat is verleend.

 

Tot slot behoort tot de volledige proceslijn de categorie voeren van procedures (artikel 2.5 van de lijst). Hieronder vallen in ieder geval, maar niet alleen het instellen van pro forma en incidenteel (hoger) beroep, het indienen van stukken en verweerschriften. Ook behoren hiertoe het indienen van verzoeken om geheimhouding op grond van artikel 8:29 van de Awb, handelingen die nodig zijn na een tussenuitspraak of een bestuurlijke lus en het vragen om uitstel voor proceshandelingen. Het gaat hier alleen om proceshandelingen die nodig zijn om de gemandateerde taken van de omgevingsdienst te verrichten.

 

In artikel 2.6 van de lijst is een vangnetbepaling opgenomen voor het verrichten van handelingen op grond van of krachtens de Awb en in artikel 2.7 voor het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen en feitelijke handelingen, voor de uitvoering van hetgeen waarvoor mandaat verleend is.

Naar boven