Gemeenteblad van Schiedam
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Schiedam | Gemeenteblad 2025, 527591 | delegatie- of mandaatbesluit |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Schiedam | Gemeenteblad 2025, 527591 | delegatie- of mandaatbesluit |
Mandaatbesluit directeur DCMR gemeente Schiedam 2026
Het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester van de gemeente Schiedam,
ieder voor zover het zijn bevoegdheden betreft;
gelet op het bepaalde in afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht, de Gemeentewet en de gemeenschappelijke regeling DCMR Milieudienst Rijnmond 2015;
Aldus vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schiedam in zijn vergadering van 25 november 2025.
de secretaris,
C.E. Bos
de burgemeester,
H.M. Bergmann
Aldus vastgesteld door de burgemeester van de gemeente Schiedam op 25 november 2025.
de burgemeester,
H.M. Bergmann
Bijlage bij artikel 2 van het Mandaatbesluit directeur DCMR gemeente Schiedam 2026
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Artikel 2. Volledige proceslijn
Als in artikel 3 en 4 een bevoegdheid wordt gemandateerd tot het nemen van een besluit, wordt daarmee de volledige proceslijn met betrekking tot dat besluit gemandateerd, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald. Onder de ‘volledige proceslijn’ worden de bevoegdheden in artikel 2.1 t/m 2.7 verstaan.
Artikel 3. Bevoegdheden ter uitvoering van de standaardtaken
Artikel 4. Bevoegdheden ter uitvoering van aanvullende taken
Aanhangsel bij artikel 3 (standaardtaken)
Bouw- en sloopactiviteiten als bedoeld in het Bbl, voor zover gedeputeerde staten het bevoegd gezag zijn op grond van:
Omgevingsplanactiviteiten, bestaande uit milieubelastende-, bouw- of sloopactiviteiten, voor zover gedeputeerde staten het bevoegd gezag zijn op grond van:
Omgevingsplanactiviteiten van provinciaal belang, bestaande uit milieubelastende-, bouw- of sloopactiviteiten.
Het bedrijfsmatig verwijderen van asbest als bedoeld in bijlage I bij het Bbl en asbesthoudende producten uit bouwwerken, en het bedrijfsmatig opruimen van asbest als bedoeld in bijlage I bij het Bbl en asbesthoudende producten vrijgekomen als gevolg van een incident.
Activiteiten met stoffen, preparaten, producten en toestellen waarover regels zijn gesteld bij of krachtens de Wet milieubeheer, voor zover deze worden verricht in samenhang met een milieubelastende activiteit als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Bal.
Bedrijfsmatige activiteiten met betrekking tot:
Het in stand houden van bouwwerken voor zover daarover regels zijn gesteld in artikel 3.84 van het Bbl.
Toelichting Mandaatbesluit directeur DCMR gemeente Schiedam 2026
Het Mandaatbesluit directeur DCMR gemeente Schiedam 2026 vervangt het Mandaatbesluit directeur DCMR gemeente Schiedam 2023. In dit mandaatbesluit staat welke bevoegdheden het college van burgemeester en wethouders (hierna: het college) en de burgemeester aan de directeur van de omgevingsdienst DCMR Milieudienst Rijnmond (hierna: omgevingsdienst) hebben gegeven. Het mandaatbesluit voorziet in een uitbreiding van bevoegdheden van de omgevingsdienst.
De omgevingsdienst is bij gemeenschappelijke regeling ingesteld: de gemeenschappelijke regeling DCMR Milieudienst Rijnmond 2015. De provincie Zuid-Holland en dertien gemeenten in de regio Rijnmond zijn deelnemer van de regeling. De omgevingsdienst voert taken uit onder verantwoordelijkheid van die provincie en gemeenten. Om deze taken uit te kunnen voeren, moeten bevoegdheden aan de omgevingsdienst worden gemandateerd.
Mandaat is de bevoegdheid om in naam van een bestuursorgaan besluiten te nemen (artikel 10:2 van de Algemene wet bestuursrecht, hierna: Awb). Het bestuursorgaan blijft verantwoordelijk en juridisch aanspreekbaar voor een in mandaat genomen besluit. Het besluit geldt alsof het door het bestuursorgaan zelf is genomen. Bij mandateren worden geen bevoegdheden overgedragen. Het blijft voor het bestuursorgaan mogelijk om de bevoegdheid zelf uit te oefenen. Bovendien heeft het bestuursorgaan verschillende sturingsmogelijkheden. Het mandaat kan altijd worden ingetrokken. Verder kan het bestuursorgaan per geval of in het algemeen instructies geven over de uitoefening van de bevoegdheid. De gemandateerde moet het bestuursorgaan ook op verzoek informeren over de uitoefening van het mandaat.
Dit mandaatbesluit is gebaseerd op een model mandaatbesluit dat door AKD in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat is opgesteld. De opdracht voor het opstellen van een model mandaatbesluit is verstrekt in het kader van het Interbestuurlijk Programma Versterking VTH-stelsel (IBP VTH). Hiermee is uitwerking gegeven aan een van de aanbevelingen van de adviescommissie Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving, ook wel de commissie Van Aartsen genoemd. De huidige diversiteit in mandaatbesluiten voor omgevingsdiensten leidt tot inefficiëntie in het toezicht en de handhaving. Met het model mandaatbesluit wordt beoogd uniformiteit aan te brengen in de mandatering van bevoegdheden aan omgevingsdiensten, om op die manier de positie van omgevingsdiensten te versterken.
Uitgangspunten model mandaatbesluit
Aan het model mandaatbesluit liggen de volgende uitgangspunten ten grondslag:
Volledige proceslijn. Uitgangspunt voor het mandaatbesluit is dat de omgevingsdienst onafhankelijk moet kunnen opereren en de nodige bevoegdheden krijgt om haar taken van begin tot eind te kunnen uitvoeren. De directeur komt daarom volledige beslisbevoegdheid toe, tenzij in het mandaatbesluit anders is aangegeven. Dit betekent dat de omgevingsdienst – wanneer een taak aan haar wordt gemandateerd – in beginsel bevoegd is om de besluitvorming voor te bereiden, op de aanvraag te beslissen, het besluit te handhaven en over dit alles zo nodig te procederen.
Mandaat, volmacht én machtiging. In het mandaatbesluit wordt niet alleen voorzien in een mandaat voor de omgevingsdienst, maar ook in een volmacht en machtiging. De omgevingsdienst zal (bijvoorbeeld bij de toepassing van bestuursdwang) immers niet alleen bestuursrechtelijke besluiten moeten nemen (via mandaat), maar ook overeenkomsten moeten sluiten met aannemers (via volmacht) en feitelijke handelingen moeten verrichten ten laste van de opdrachtgever (via machtiging). Dit is ook de reden dat het mandaatbesluit zowel door het college als de burgemeester wordt genomen. De burgemeester vertegenwoordigt de gemeente in en buiten rechte (artikel 171 Gemeentewet). Voor het ondertekenen van een overeenkomst is dus een volmacht nodig van de burgemeester. Het mandaatbesluit voorziet in het verlengde hiervan ook in de mogelijkheid voor ondermandaat en ondervolmacht.
Structuur model mandaatbesluit
Het mandaatbesluit bestaat uit een besluit en een lijst. Uit de lijst blijken de specifieke taken en bevoegdheden die door de gemeente aan de omgevingsdienst worden gemandateerd. Individuele taken, bevoegdheden en processen staan aangegeven in de lijst, die in het mandaatbesluit als ‘bijlage’ wordt aangeduid.
In het mandaatbesluit wordt onderscheid gemaakt tussen standaardtaken (artikel 3 van de lijst) en aanvullende taken (artikel 4 van de lijst). Artikel 18.22 van de Omgevingswet (hierna: Ow) in combinatie met 13.12 van het Omgevingsbesluit (hierna: Ob) schrijft wettelijk voor dat de ‘basistaken’ door gemeenten en provincies in ieder geval aan omgevingsdiensten gemandateerd moeten worden. Tot de basistaken behoren onder meer de voorbereiding van een omgevingsvergunning voor de activiteit milieu, het beoordelen van meldingen en het nemen van beschikkingen met maatwerkvoorschriften of gelijkwaardige maatregelen. Ook behoren tot de basistaken het toezicht op de naleving van die omgevingsvergunningen en van algemene milieuregels en het voorbereiden van handhavingsbeschikkingen voor deze activiteiten. De taken laten zich zeer specifiek omschrijven en luisteren nauw. Om die reden – en om zo nauw mogelijk bij de wettekst aan te sluiten – is ervoor gekozen de basistaken 'beleidsneutraal' uit het Ob in de mandaatlijst over te nemen.
Het is belangrijk om hier te vermelden dat is voorzien in de volledige beslisbevoegdheid voor de basistaken. Daardoor voorziet het mandaatbesluit in feite in een uitbreiding van de wettelijke basistaken. Een voorbeeld kan dit verduidelijken. Een wettelijke basistaak is het voorbereiden van de beslissing op een aanvraag voor de milieubelastende activiteit. In het mandaatbesluit (zie artikel 3 in samenhang met artikel 2 van de lijst) wordt echter (onder meer) ook voorzien in de bevoegdheid om op die aanvraag te beslissen. Daarmee wordt de wettelijke basistaak in feite uitgebreid. Dit is een bewuste keuze vanuit het IBP VTH.
In aanvulling op de basistaken kan een aantal taken vrijwillig worden opgedragen aan de omgevingsdienst (artikel 4 van de lijst). De gemeente kan ervoor kiezen wel of niet aanvullende bevoegdheden aan de omgevingsdienst te mandateren.
Voor de aanvullende taken is aansluiting gezocht bij de bevoegdheden die Schiedam eerder al aan de omgevingsdienst heeft gemandateerd, via het Mandaatbesluit directeur DCMR gemeente Schiedam 2023. Tot deze taken behoren bijvoorbeeld het uitoefenen van bevoegdheden over asbestverwijdering en mobiel puinbreken en het opleggen van gedoogplichten voor het verrichten van onderzoek naar bodemverontreiniging en het uitvoeren van maatregelen voor bodembescherming of nazorg. De volgende bevoegdheden zijn nieuw:
Afwijking van model mandaatbesluit
De gemeente Schiedam wijkt op enkele punten af van het model mandaatbesluit. De belangrijkste punten worden hieronder toegelicht.
Bij de standaardtaken kiest de gemeente ervoor het nemen van een beslissing op bezwaar en alle daarmee samenhangende bevoegdheden vooralsnog niet te mandateren aan de omgevingsdienst. De gemeente blijft eindverantwoordelijk voor de in mandaat genomen (primaire) besluiten. Voor de bezwaarprocedure geldt bovendien dat het op dit moment niet de voorkeur heeft de procedure op te knippen in een deel waarvoor de gemeente verantwoordelijk is en een deel dat door de omgevingsdienst wordt uitgevoerd. Op basis van nieuwe ervaringen en inzichten kan er op een later moment voor worden gekozen deze bevoegdheden alsnog te mandateren. Om die reden is in artikel 3 van de lijst bij de bevoegdheden ‘gereserveerd’ opgenomen.
Verder is de bevoegdheid tot het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen – in afwijking van het model mandaatbesluit - begrensd tot een maximumbedrag van € 250.000. Dit sluit aan bij de financiële voorwaarden die de gemeente intern hanteert.
Besluiten over het voeren van rechtsgedingen, waaronder het instellen van (hoger) beroep, en bezwaar- en administratieve beroepsprocedures tegen besluiten van andere bestuursorganen worden eveneens niet gemandateerd. Het betreft een ruime bevoegdheid die ook intern in de gemeentelijke organisatie niet volledig is gemandateerd.
Bij de aanvullende taken kiest de gemeente ervoor besluiten over milieueffectrapportages voor projecten als bedoeld in paragraaf 16.4.2 Ow, voor zover betrekking hebbend op omgevingsvergunningen voor milieubelastende activiteiten, niet te mandateren aan de omgevingsdienst. Dergelijke besluiten hangen in de regel samen met grotere ruimtelijke herontwikkeling, waarbij ook ruimtelijke besluiten genomen worden. Het is een beleidsmatige en bestuurlijke beslissing om dit niet te mandateren.
Ook het afgeven van gedoogverklaringen wordt niet gemandateerd aan de omgevingsdienst. Het afgeven van gedoogverklaringen is het afwijken van wet- en regelgeving. Het is een beleidsmatige en bestuurlijke beslissing om dit niet te mandateren.
Instemming directeur omgevingsdienst
Als een gemandateerde – zoals in dit geval de directeur van de omgevingsdienst – niet werkzaam is onder verantwoordelijkheid van de mandaatgever, moet de gemandateerde instemmen met de mandaatverlening (artikel 10:4 lid 1 Awb). Het mandaatbesluit vereist dus de instemming van de directeur van de omgevingsdienst. Instemming kan ook blijken uit de feitelijke uitoefening van het mandaat (ABRvS 14 februari 2007, ECLI:NL:RVS:2007:AZ8450).
In gezamenlijk overleg kan worden bepaald of, hoe en wanneer dit mandaatbesluit wordt geëvalueerd.
Dit artikel bevat een omschrijving van de begrippen die in het mandaatbesluit worden gebruikt. Uitgangspunt in dit mandaatbesluit is dat regels uit de Awb niet worden herhaald (‘lean and mean’). Dat geldt ook voor de begripsbepalingen.
Artikel 2. Mandaat, volmacht en machtiging
Het eerste lid van dit artikel vormt de kern van het mandaatbesluit. Hierin is bepaald dat mandaat, volmacht en machtiging wordt verleend aan de directeur van de omgevingsdienst. Dit voor het uitoefenen van de bevoegdheden genoemd in de als bijlage bij dit besluit opgenomen lijst, voor zover de uitoefening van deze bevoegdheden noodzakelijk is voor het verrichten van de taken van de omgevingsdienst.
In het mandaatbesluit wordt niet alleen voorzien in een mandaat voor de omgevingsdienst, maar ook in een volmacht en machtiging. De omgevingsdienst zal (bijvoorbeeld bij de toepassing van bestuursdwang) immers niet alleen bestuursrechtelijke besluiten moeten nemen (via mandaat). Zij zal ook overeenkomsten moeten sluiten met aannemers (via volmacht) en feitelijke handelingen moeten verrichten ten laste van de opdrachtgever (via machtiging). Het mandaatbesluit voorziet daarvoor ook in de mogelijkheid voor ondermandaat en ondervolmacht.
In het vervolg van deze toelichting wordt verder alleen over mandaat gesproken, tenzij er specifiek aanleiding is om over volmacht of machtiging te spreken.
Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de directeur bevoegd is voor de aangelegenheden in het eerste lid schriftelijk ondermandaat, ondervolmacht en ondermachtiging te verlenen aan functionarissen die werkzaam zijn voor de omgevingsdienst. Een ondermandaat vormt een afzonderlijk besluit (artikel 1:3 Awb) dat op de wettelijke wijze bekend moet worden gemaakt. Het mandaatbesluit voorziet niet in voorschriften over hoe en wanneer de directeur kan ondermandateren (of ondervolmacht of ondermachtiging kan verlenen). De directeur is immers belast met de organisatie van de omgevingsdienst. Het is aan de directeur hoe hij de taak of bevoegdheid binnen de omgevingsdienst door anderen laat uitoefenen en de bevoegdheid wenst vorm te geven.
Er is in het mandaatbesluit geen bepaling opgenomen over (ondermandatering aan) de plaatsvervangend directeur. Dit is iets wat de omgevingsdienst zelf intern moet regelen. De plaatsvervanger valt immers vanzelf binnen de reikwijdte van het mandaatbesluit, mits deze plaatsvervanger formeel schriftelijk als zodanig is aangewezen.
Artikel 10:12 van de Awb bepaalt dat de regels over mandaat (afdeling 10.1.1 Awb) van overeenkomstige toepassing zijn als een bestuursorgaan aan een ander, werkzaam onder zijn verantwoordelijkheid, volmacht verleent tot het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen, of machtiging verleent tot het verrichten van handelingen die noch een besluit, noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn. Artikel 2, derde lid, van het mandaatbesluit bepaalt dat wat er in het mandaatbesluit is bepaald over mandaat van overeenkomstige toepassing is op ondermandaat, volmacht, machtiging, ondervolmacht en ondermachtiging.
Artikel 3. Wettelijke kaders en beleid
Omgevingsdiensten zijn uitvoeringsorganisaties. Het vaststellen van beleidskaders en beleidsregels is dan ook voorbehouden aan de gemeentelijke bestuursorganen. Het eerste lid van artikel 3 bepaalt dat de directeur bij de uitoefening van de gemandateerde bevoegdheden binnen die kaders en de geldende regelgeving blijft. Hierbij kan het gaan om beleid, maar ook om handhavingsstrategieën, het omgevingsplan en gemeentelijke verordeningen. Al deze regels kunnen relevant zijn voor de in mandaat uit te oefenen taak of bevoegdheid. Als regelgeving of beleid als bedoeld in het eerste lid wordt vastgesteld of gewijzigd door mandaatgever, geldt op grond van het tweede lid dat over het voornemen daarvoor eerst met de directeur wordt overlegd. Het college zorgt er vervolgens voor dat de directeur beschikt over het beleid, bedoeld in het eerste lid.
Op grond van artikel 10:6 van de Awb kan de mandaatgever de gemandateerde per geval of in het algemeen instructies geven over de uitoefening van de gemandateerde bevoegdheid. In de bijlage bij het mandaatbesluit zijn per gemandateerde bevoegdheid instructies opgenomen. In het eerste lid van artikel 4 is geregeld dat de directeur deze instructies in acht neemt bij de uitoefening van de gemandateerde bevoegdheden. Als de mandaatgever dat nodig acht, kunnen aanvullende instructies worden gegeven. Het tweede lid bepaalt dat deze aanvullende instructies schriftelijk en tijdig worden gegeven.
Artikel 5. Informeren en afstemmen
Het eerste lid van dit artikel bepaalt dat voorafgaand aan de uitoefening van een bevoegdheid waarvoor in dit besluit mandaat is verleend, in bepaalde gevallen eerst overleg wordt gepleegd met het college. Het gaat daarbij om het geval dat wordt afgeweken van een door de mandaatgever gegeven instructie (onderdeel a), de uitoefening van de bevoegdheid naar verwachting grote politieke of maatschappelijke gevolgen kan hebben (onderdeel b) of wordt voorzien dat de uitoefening tot aansprakelijkstelling van de gemeente zal leiden (onderdeel c). Het overleg is gericht op het bereiken van overeenstemming.
Als dit overleg ertoe leidt dat de directeur het verleende mandaat in een bepaald geval niet wenst uit te oefenen of het college het mandaat in een bepaald geval intrekt, informeert het college de raad hierover. Dit is geregeld in het tweede lid van artikel 5. Het is aan het college om te bepalen hoe het de raad informeert.
Artikel 6 regelt het overgangsrecht. Op de uitoefening van bevoegdheden op grond van het overgangsrecht bij de Ow, in samenhang met het recht zoals dit gold voor inwerkingtreding van de Ow, blijft het oude mandaatbesluit van vóór de Ow van toepassing. Het overgangsrecht in de Ow voorziet er waar nodig in dat het oude recht blijft gelden tot anders wordt bepaald. Hiermee wordt niet alleen het overgangsrecht uit hoofdstuk 22 van de Ow bedoeld, maar breder: ook het overgangsrecht dat is opgenomen in bijvoorbeeld de AMvB’s, Invoerings- en Aanvullingswetten/besluiten.
De basistaken van omgevingsdiensten hebben in de Ow een plaats gekregen in paragraaf 13.2.3 van het Ob. In artikel 13.12 van het Ob is het basispakket van de omgevingsdiensten opgenomen. Artikel 13.12, eerste lid, van het Ob bepaalt voor welke taken de colleges van burgemeesters en wethouders en gedeputeerde staten ervoor moeten zorgen dat deze door de omgevingsdienst worden verricht. Het gaat om zes categorieën (a t/m f), die gekoppeld worden aan één of meerdere categorieën die worden opgesomd in bijlage VI van het Ob. Het gaat bijvoorbeeld om het voorbereiden van beslissingen op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor milieubelastende activiteiten als bedoeld in hoofdstuk 3 en 19 van het Besluit activiteiten leefomgeving (hierna: het ‘Bal’). Dit met uitzondering van omgevingsvergunningen voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten en de gevallen in categorie 1, tweede lid (artikel 13.12 lid 1, onder a, Ob). Deze uitzonderingen vallen, net als de toepassing van de Wet Bibob, niet in het basispakket.
Omzetting basistaken naar standaardtaken
De basistaken uit artikel 13.12 van het Ob zijn overgenomen in artikel 3 van de mandaatlijst. Dit artikel wordt aangeduid met ‘bevoegdheden ter uitvoering van de standaardtaken’. De basistaken laten zich zeer specifiek omschrijven en luisteren nauw. Om die reden – en om zo nauw mogelijk bij de wettekst aan te sluiten – zijn de basistaken zoveel mogelijk ‘beleidsneutraal’ uit het Ob in de mandaatlijst overgenomen. Om te voorkomen dat de omgevingsdienst en de gemeente het Ob er steeds op moeten naslaan, zijn de categorieën uit de bijlage bij het Ob (daar bijlage VI) overgenomen in bijlage 2. Daarbij moet worden vermeld dat er een bewuste uitbreiding heeft plaatsgevonden, door niet alleen de voorbereiding van bepaalde besluiten maar het gehele besluitvormingstraject met betrekking tot deze besluiten (inclusief het nemen ervan) aan de omgevingsdienst te mandateren. Het uitgangspunt is namelijk dat de omgevingsdienst zoveel mogelijk zelfstandig en in de volledige proceslijn opereert.
De toelichting op het Ob vermeldt expliciet dat het vrijstaat om – buiten het basispakket – meer taken aan de omgevingsdienst op te dragen. De aanvullende taken staan omschreven in artikel 4 van de lijst met de titel ‘bevoegdheden ter uitvoering van de aanvullende taken’. In de aanvullende taken wordt onderscheid gemaakt tussen de categorieën vergunningverlening, Omgevingswet, milieu overig en overig. Tot de categorie vergunningverlening behoren bijvoorbeeld het nemen van besluiten als bedoeld in afdeling 5.1 van de Ow, anders dan de milieubelastende activiteit (artikel 4.1 van de lijst).
Opgemerkt wordt dat zich in artikel 4.1 een (bewuste) doublure bevindt: in feite vallen alle handelingen die horen bij het vergunningtraject voor milieubelastende activiteiten binnen het basispakket. Hieronder vallen onder meer het verlenen, voorbereiden, actualiseren, wijzigen, intrekken, handhaven van de milieubelastende activiteit. De milieubelastende activiteit is aanvullend in artikel 4.1 opgenomen. Dit om er geen onduidelijkheid over te laten bestaan dat deze taak expliciet aan de omgevingsdienst wordt opgedragen. Voor de volledigheid en om te voorkomen dat een klein deel van de milieubelastende activiteit tussen wal en schip raakt is de activiteit ook in artikel 4.1 opgenomen. In een werkplan wordt nader gespecificeerd welke taken de omgevingsdienst concreet uitvoert.
Voor zowel de standaardtaken (artikel 3 van de lijst) als de aanvullende taken (artikel 4 van de lijst) geldt het uitgangspunt van een volledige proceslijn: de omgevingsdienst moet onafhankelijk kunnen opereren. Voor zover uit de lijst volgt dat de directeur voor een bevoegdheid mandaat wordt verleend, geldt dat de directeur voor die bevoegdheid volledige beslisbevoegdheid toekomt, tenzij anders is aangeduid. Dit volgt uit artikel 2 van de lijst. Onder de volledige proceslijn wordt verstaan: het nemen van besluiten (artikel 2.1), toezicht en handhaving (artikelen 2.2 t/m 2.4) en het voeren van procedures (artikelen 2.5) en overige (artikel 2.6 en 2.7). Onder het voorbereiden en nemen van besluiten (artikel 2.1) valt zowel het beslissen op de aanvraag, als de voorbereiding van de besluitvorming, het horen, terinzagelegging en bekendmaking. Maar het gaat bijvoorbeeld ook om het verlengen van beslistermijnen. Ook het actualiseren en reviseren van vergunningen, beslissen over wijzigingen en het intrekken van besluiten valt hieronder.
Bij de volledige proceslijn voor toezicht en handhaving gaat het om het uitoefenen van toezicht (artikel 2.2 van de lijst), het aanwijzen van personen hiervoor (artikel 2.3) en het nemen van handhavingsbesluiten en bijbehorende besluitvorming, bedoeld in hoofdstuk 4 en 5 van de Awb (artikel 2.4). Onder deze laatste categorie vallen in ieder geval, maar niet alleen het opleggen van handhavingsbesluiten (last onder bestuursdwang en last onder dwangsom), inclusief het ten uitvoer brengen van bestuursdwang en spoedeisende bestuursdwang, het besluiten over invordering en kostenverhaal (inclusief besluiten over uitstel van betaling of matiging), maar ook het intrekken van vergunning als sanctie en de besluiten als bedoeld in titel 4.4 van de Awb (bestuursrechtelijke geldschulden). Ook kan hieronder worden verstaan het besluiten op verzoeken van derden om bestuursrechtelijk handhavend op te treden. Dit is echter steeds gekoppeld aan hetgeen waarvoor in artikel 3 en 4 van de mandaatlijst mandaat is verleend.
Tot slot behoort tot de volledige proceslijn de categorie voeren van procedures (artikel 2.5 van de lijst). Hieronder vallen in ieder geval, maar niet alleen het instellen van pro forma en incidenteel (hoger) beroep, het indienen van stukken en verweerschriften. Ook behoren hiertoe het indienen van verzoeken om geheimhouding op grond van artikel 8:29 van de Awb, handelingen die nodig zijn na een tussenuitspraak of een bestuurlijke lus en het vragen om uitstel voor proceshandelingen. Het gaat hier alleen om proceshandelingen die nodig zijn om de gemandateerde taken van de omgevingsdienst te verrichten.
In artikel 2.6 van de lijst is een vangnetbepaling opgenomen voor het verrichten van handelingen op grond van of krachtens de Awb en in artikel 2.7 voor het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen en feitelijke handelingen, voor de uitvoering van hetgeen waarvoor mandaat verleend is.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-527591.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.