Gemeente Rhenen - Subsidieregeling Welzijn Rhenen 2027-2030

Het college van burgemeester en wethouders van gemeente Rhenen;

overwegende dat:

de gemeenteraad de Visie Sociaal Rhenen 2030 ‘Voor elkaar in Rhenen’ heeft vastgesteld in 2023;

de gemeenteraad daarmee heeft vastgesteld welk toekomstbeeld zij voor ogen heeft voor het sociaal domein in Rhenen, Elst en Achterberg;

het gemeentebestuur activiteiten wil stimuleren op de gebieden van vrijwilligersondersteuning, mantelzorgondersteuning, samenlevingsopbouw en jongerenwerk door het verstrekken van subsidies;

gelet op:

titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht;

Algemene Subsidieverordening Rhenen 2025;

besluit:

vast te stellen de Subsidieregeling Welzijn Rhenen 2027-2030.

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

 

 

Artikel 1. Definities

  • 1.

    Tenzij in deze regeling uitdrukkelijk anders wordt vermeld, gelden de voorwaarden en bepalingen in de Asv.

  • 2.

    In deze regeling wordt verstaan onder:

    • a.

      Asv: Algemene Subsidieverordening Rhenen 2025;

    • b.

      Awb: Algemene wet bestuursrecht;

    • c.

      college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rhenen;

    • d.

      penvoerder: de rechtspersoon die namens het samenwerkingsverband optreedt als administratief en communicatief aanspreekpunt richting het college. De penvoerder is belast met het indienen van de aanvraag, het ontvangen van correspondentie en het coördineren van de gezamenlijke rapportages en andere verantwoordingsstukken, zonder dat dit afbreuk doet aan de individuele verantwoordelijkheid van de samenwerkende rechtspersonen voor hun eigen activiteiten en besteding van middelen;

    • e.

      samenwerkingsverband: een groep van twee of meer rechtspersonen die gezamenlijk activiteiten uitvoeren ten behoeve van deze subsidieregeling;

    • f.

      Visie Sociaal Domein: Visie Sociaal Rhenen 2030 ‘Voor elkaar in Rhenen’, vastgesteld op 23 mei 2023.

 

Artikel 2. Doel en toepassingsbereik

  • 1.

    Het doel van deze regeling is het stimuleren van activiteiten op het gebied van het versterken van de samenlevingsopbouw, vrijwilligersondersteuning, mantelzorgondersteuning en jongerenwerk. Hieronder worden de doelen nader gespecificeerd. In de toelichting bij de regeling worden ook subdoelen beschreven. De toelichting maakt integraal onderdeel uit van de regeling.

    • a.

      Versterken van de samenleving

      De subsidieontvanger draagt bij aan het versterken van de zelfredzaamheid van (kwetsbare) inwoners door het bieden van toegankelijke ondersteuning en het aanbieden van passende individuele en collectieve voorzieningen.

      Maatschappelijk doel

      Alle inwoners van Rhenen hebben gelijke kansen om volwaardig mee te kunnen doen en krijgen daarbij waar nodig ondersteuning.

    • b.

      Versterken van vrijwilligerswerk en vrijwillige inzet

      De subsidieontvanger draagt bij aan het bevorderen van samenredzaamheid onder inwoners door het versterken van sociale netwerken, het stimuleren van onderlinge hulp en het vergroten van betrokkenheid binnen buurten en wijken. Vrijwilligerswerk en vrijwillige inzet is hierin onmisbaar.

      Maatschappelijk doel

      Meer inwoners kijken naar elkaar om, ondersteunen elkaar en zetten zich actief in voor hun omgeving.

    • c.

      Versterken van mantelzorgondersteuning

      De subsidieontvanger draagt bij aan toekomstbestendige, toegankelijke en passende ondersteuning van mantelzorgers in de gemeente Rhenen, gericht op het voorkomen van overbelasting, het versterken van eigen regie en het bevorderen van participatie en welzijn.

      Maatschappelijk doel

      Alle inwoners van Rhenen hebben gelijke kansen om volwaardig mee te kunnen doen en krijgen daarbij waar nodig ondersteuning.

    • d.

      Versterken van jongerenwerk

      De subsidieontvanger draagt bij aan dat kinderen en jongeren (0-27 jaar) welkom zijn, kunnen meedoen aan de Rhenense samenleving en gezond en veilig opgroeien. Kinderen en jongeren kunnen zijn wie ze zijn en worden gestimuleerd om hun talenten te ontwikkelen. Niemand valt buiten de boot; alle jeugdigen hebben een toekomst.

      Maatschappelijk doel

      De Rhenense jeugd heeft gelijke kansen om gezond en veilig op te groeien.

  • 2.

    Het bepaalde in deze regeling is enkel van toepassing op het verstrekken van subsidies door het college voor activiteiten zoals opgenomen in artikel 3, voor de periode van 1 januari 2027 tot en met 31 december 2030.

 

Artikel 3. Activiteiten en subsidievereisten

  • 1.

    Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten die bijdragen aan het versterken van de samenlevingsopbouw, vrijwilligersondersteuning, mantelzorgondersteuning én jongerenwerk, voor de periode van 1 januari 2027 tot en met 31 december 2030.

  • 2.

    Geen subsidie wordt verstrekt voor de volgende activiteiten die te maken hebben met:

    • a.

      vervoer;

    • b.

      schulddienstverlening;

    • c.

      arbeidsmarktdienstverlening vanaf het punt van uitvoering van de participatiewet;

    • d.

      ondersteuning op het gebied van financiële bestaanszekerheid;

    • e.

      diensten primair gericht op taal(ondersteuning);

    • f.

      buurtbemiddeling;

    • g.

      cultuur;

    • h.

      huur van locaties voor activiteiten;

    • i.

      sport.

  • 3.

    Om voor subsidie in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      een aanvraag dient invulling te geven aan alle vier de thema’s genoemd in artikel 2 lid 1;

    • b.

      de activiteiten dienen te worden uitgevoerd binnen de looptijd van deze regeling;

    • c.

      de activiteiten dienen te worden uitgevoerd door vrijwilligers en professionals die in staat zijn tot het bieden van welzijnsactiviteiten op de vier thema’s zoals opgenomen in artikel 2 lid 1.

 

Artikel 4. Doelgroep

  • 1.

    Subsidie wordt uitsluitend verstrekt aan rechtspersonen, zoals stichtingen, verenigingen of andere maatschappelijke organisaties die actief zijn binnen welzijn en die activiteiten uitvoeren op de gebieden van vrijwilligersondersteuning, mantelzorgondersteuning, samenlevingsopbouw en jongerenwerk.

  • 2.

    Het college verleent slechts voor één aanvraag subsidie voor de integrale uitvoering van de in artikel 3 lid 1 genoemde activiteiten.

  • 3.

    Indien de integrale uitvoering van de activiteiten plaatsvindt door meerdere organisaties gezamenlijk, dienen zij gezamenlijk een aanvraag in. Er zijn dan meerdere subsidieontvangers en één van hen dient als penvoerder de gezamenlijke aanvraag in.

 

Artikel 5. Kosten die wel en niet voor subsidie in aanmerking komen

  • 1.

    Voor subsidie komen uitsluitend de daadwerkelijk gemaakte kosten in aanmerking die:

    • a.

      direct verbonden zijn met de uitvoering van de activiteiten als bedoeld in artikel 3;

    • b.

      naar het oordeel van het college noodzakelijk zijn, en;

    • c.

      gemaakt worden binnen de periode als bedoeld in artikel 3 lid 1.

  • 2.

    Bovenmatige kosten die niet in redelijke verhouding staan tot de aard en omvang van de activiteiten, waaronder ook winstopslagen, niet marktconforme of onredelijke uurtarieven, dividenduitkeringen of reserveringen ten behoeve van winstdoeleinden komen uitdrukkelijk niet voor subsidie in aanmerking.

  • 3.

    Overheadkosten mogen niet hoger zijn dan 10% van de totale subsidiabele kosten en moeten aantoonbaar samenhangen met de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten.

  • 4.

    Indien er sprake is van een samenwerkingsverband met meerdere subsidieontvangers, kunnen kostensoorten worden overgeheveld van de ene naar de andere ontvanger, zolang dit bijdraagt aan efficiënte uitvoering en geen afbreuk doet aan de activiteiten van de gebieden als bedoeld in artikel 3 lid 1.

 

Artikel 6. Subsidieplafond en hoogte van de subsidie

  • 1.

    Het college stelt voor de subsidiabele activiteiten als bedoeld in artikel 3 lid 1, voor de periode als bedoeld in artikel 2 lid 2, het subsidieplafond per kalenderjaar vast op € 754.000, onder voorbehoud van vaststelling hiervan door de gemeenteraad.

  • 2.

    Het college kan het subsidieplafond verlagen conform artikel 5 van de Asv.

  • 3.

    Een verlaging van het plafond geldt ook voor de reeds ingediende aanvraag.

  • 4.

    Het college verstrekt slechts voor één aanvraag subsidie voor de integrale uitvoering van de in artikel 3 lid 1 genoemde activiteiten voor de genoemde periode tot het maximumbedrag van het subsidieplafond.

 

Artikel 7. Wijze van verdeling

  • 1.

    Het college verstrekt op grond van deze regeling ten hoogste één subsidie voor de integrale uitvoering van de in artikel 3 lid 1 genoemde activiteiten.

  • 2.

    Indien meer dan één volledige en tijdige aanvraag wordt ingediend die in aanmerking komt voor subsidie, beoordeelt het college deze individueel op grond van de beoordelingscriteria als genoemd in lid 3. Daarna brengt het college een rangschikking aan in de aanvragen.

  • 3.

    Bij de rangschikking van de aanvragen kent het college punten toe aan de hand van de volgende beoordelingscriteria en tot het daarbij vermelde maximumaantal punten:

    • a.

      relevant en toegankelijk aanbod (weging: 25 punten);

    • b.

      samenwerking met lokale partners en netwerken (weging: 20 punten);

    • c.

      innovatie en creativiteit van het aanbod (weging: 15 punten);

    • d.

      mate van aansluiting bij de Rhenense principes en visie (weging: 10 punten);

    • e.

      ontwikkeling medewerkers (weging: 10 punten);

    • f.

      financiële onderbouwing en haalbaarheid (weging: 10 punten);

    • g.

      monitoring en evaluatie van resultaten (weging: 10 punten).

  • 5.

    Voor de beoordelingscriteria als bedoeld in lid 3 onder a, b en c geldt dat de aanvrager voor elk gebied (samenlevingsopbouw, vrijwilligersondersteuning, mantelzorgondersteuning en jongerenwerk) dient aan te tonen hoe de criteria bijdragen aan de betreffende gebieden.

  • 6.

    De beoordelingscriteria als bedoeld in lid 3 en de wijze van beoordeling zijn nader uitgewerkt in bijlage 1. Deze bijlage maakt onlosmakelijk onderdeel uit van deze regeling.

  • 7.

    Aanvragen worden beoordeeld door het college aan de hand van het beoordelingsformulier zoals opgenomen in bijlage 1.

  • 8.

    Aan de aanvraag kan een score van maximaal 100 punten worden toegekend. Alleen de aanvraag die minimaal 60 punten scoort, komt in aanmerking voor subsidie.

  • 9.

    Op alle beoordelingscriteria moet minimaal 50% van het maximale aantal punten worden behaald.

  • 10.

    Als aanvragen bij de beoordeling gelijk zijn gerangschikt, is degene die de meeste punten op beoordelingscriterium a heeft gehaald, de partij aan wie de subsidie wordt toegekend. Is het aantal punten op beoordelingscriterium a ook gelijk, dan wordt gekeken naar beoordelingscriterium b en zo verder.

  • 11.

    Als ook op alle beoordelingscriteria hetzelfde aantal punten worden behaald, stelt het college de onderlinge rangschikking van die aanvragen vast door middel van loting.

  • 12.

    Alleen de aanvraag met de hoogste totaalscore komt in aanmerking voor subsidie, ook als het subsidieplafond nog niet is bereikt. De andere aanvragen worden afgewezen.

 

 

Hoofdstuk 2 Aanvraag en termijnen

 

 

Artikel 8. Aanvraag

  • 1.

    De aanvrager maakt voor de aanvraag gebruik van het door het college voor deze regeling vastgestelde aanvraagformulier.

  • 2.

    Naast het bepaalde in artikel 6 lid 2 en 3 van de Asv legt de aanvrager ook de volgende gegevens over:

    • a.

      de begroting, als bedoeld in artikel 6 lid 2 van de Asv, waarbij ook een plan van aanpak dient te zijn opgenomen die passend en realistisch is bij de begroting;

    • b.

      één of meerdere referenties indien er geen subsidie- of inkooprelatie is (geweest) met de gemeente Rhenen in de afgelopen drie jaar;

    • c.

      indien er sprake is van een samenwerkingsverband: een getekende samenwerkingsovereenkomst of getekende intentieverklaringen van alle samenwerkende rechtspersonen.

  • 3.

    Uit de aanvraag, die is ingediend door de penvoerder namens het samenwerkingsverband, moet per organisatie duidelijk zijn welke activiteiten worden uitgevoerd, welke kosten zijn begroot en wat de hoogte van de aangevraagde subsidie is.

 

Artikel 9. Aanvraagtermijn

Een aanvraag om een subsidie wordt, in afwijking van artikel 7 lid 1 van de Asv, ingediend in de periode van 5 januari 2027 tot en met vrijdag 1 mei 2027.

 

Artikel 10. Beslistermijn

Het college beslist, in afwijking van artikel 8 lid 1 van de Asv, uiterlijk op 1 juli 2027.

 

 

Hoofdstuk 3 Weigeringsgronden

 

 

Artikel 11. Aanvullende weigeringsgronden

Onverminderd het bepaalde in de artikelen 4:25 lid 2 en 4:35 van de Awb en artikel 9 van de Asv kan subsidieverlening worden geweigerd:

  • a.

    als de aanvraag niet voldoet aan de verschillende vereisten als bedoeld in artikel 3, artikel 7 lid 2 en/of op andere wijze in strijd is met bepaling(en) uit deze regeling;

  • b.

    als de aanvraag minder dan 60 punten scoort na beoordeling als bedoeld in artikel 7 lid 7;

  • c.

    als op één of meer van de beoordelingscriteria als bedoeld in artikel 7 lid 3 minder dan 50% van het maximaal te behalen punten is gehaald;

  • d.

    als de aanvraag niet de hoogste totaalscore heeft na beoordeling als bedoeld in artikel 7 lid 11.

 

Hoofdstuk 4 Verplichtingen en betaling

 

 

Artikel 12. Verplichtingen

  • 1.

    Onverminderd het bepaalde in afdeling 4.2.4 van de Awb en de artikelen 12 en 13 van de Asv gelden voor de subsidieontvanger de volgende verplichtingen:

    • a.

      de subsidieontvanger verplicht zich de gesubsidieerde activiteiten uit te voeren conform de ingediende aanvraag en daarbij gevoegde begroting;

    • b.

      de subsidieontvanger dient jaarlijks een jaarrapportage in als bedoeld in artikel 13;

    • c.

      er vindt minimaal twee keer per jaar een voortgangsgesprek plaats tussen de subsidieontvanger en het college als bedoeld in artikel 13;

    • d.

      de subsidieontvanger deelt signalen en trends met het college en draagt bij aan de gezamenlijke leer- en verbetercycli;

    • e.

      de subsidieontvanger zorgt voor een controleerbare administratie en deelt deze met het college indien dit wordt opgevraagd;

    • f.

      de subsidieontvanger is verplicht zorg te dragen dat beroepskrachten en vrijwilligers beschikken over een recente Verklaring Omtrent het Gedrag voor zover gewerkt wordt met kwetsbare personen;

    • g.

      de honorering en de kwalificaties van het personeel in dienst van de subsidieontvanger die een professionele organisatie is, zijn in overeenstemming met de bepalingen van de vigerende CAO Welzijn indien van toepassing;

    • h.

      de subsidieontvanger(s) is voldoende verzekerd tegen risico’s van wettelijke aansprakelijkheid en voor het verlies van roerende en onroerende goederen;

    • i.

      (minimaal één van) de subsidieontvanger(s) beschikt over een klachtenregeling en registreert de klachten. De klachten die betrekking hebben op de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten worden in een jaarverslag vermeld.

  • 2.

    Het college kan nadere verplichtingen opleggen aan de subsidieverlening.

 

Hoofdstuk 5 Verantwoording en vaststelling

 

 

Artikel 13. Jaarrapportage en voortgangsgesprek

  • 1.

    De subsidieontvanger – en bij een samenwerkingsverband de penvoerder namens het samenwerkingsverband – dient met ingang van 2028 jaarlijks – tot en met 2031 – vóór 1 april van het betreffende jaar een jaarrapportage in.

  • 2.

    In de jaarrapportage staat het volgende opgenomen:

    • a.

      in hoeverre de activiteiten zijn uitgevoerd inclusief bereikte resultaten ten opzichte van de doelstellingen (inhoudelijk verslag);

    • b.

      De ingezette middelen en besteding (financieel verslag);

    • c.

      een evaluatie van de maatschappelijke impact;

    • d.

      de mate van betrokkenheid van inwoners en samenwerkingspartners;

    • e.

      een beschrijving van hoe de subsidieontvanger op basis van monitoring bijstuurt.

  • 4.

    De jaarrapportage is SMART (Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch, Tijdgebonden) uitgewerkt en de subsidieontvanger maakt bij de uitwerking gebruik van een erkende verantwoordingsmethodiek.

  • 5.

    Er vindt met ingang van 2027 minimaal twee keer per jaar – tot en met 2030 – een voortgangsgesprek plaats tussen de subsidieontvanger en het college.

  • 6.

    Tijdens het voortgangsgesprek worden de voortgang, samenwerking, signalen uit de samenleving en eventuele bijstellingen besproken.

  • 7.

    Eén maal per jaar wordt tijdens het voortgangsgesprek ook de evaluatie van behaalde resultaten besproken.

 

Artikel 14. Eindverantwoording

  • 1.

    Een aanvraag tot vaststelling wordt, in afwijking van artikel 15 lid 2 van de Asv, uiterlijk op 1 juli van het jaar dat volgt op het laatste jaar dat er subsidie is verstrekt – en bij een samenwerkingsverband door de penvoerder namens het samenwerkingsverband – ingediend.

  • 2.

    Een aanvraag tot vaststelling bevat:

    • a.

      een inhoudelijk verslag waaruit blijkt in hoeverre de gesubsidieerde activiteiten zijn uitgevoerd en aan de verplichtingen is voldaan;

    • b.

      een verslag van de bereikte resultaten ten opzichte van de doelstellingen;

    • c.

      een overzicht van de gesubsidieerde activiteiten en de hieraan verbonden uitgaven en inkomsten (financieel verslag) inclusief jaarrekening;

    • d.

      een balans met een toelichting daarop.

  • 3.

    Uit de aanvraag tot vaststelling die is ingediend door de penvoerder namens het samenwerkingsverband moet per organisatie duidelijk zijn welke activiteiten zijn uitgevoerd en in hoeverre er aan de verplichtingen is voldaan. Ook moet per organisatie een overzicht van de gesubsidieerde activiteiten en de eraan verbonden uitgaven en inkomsten inclusief jaarrekening worden overgelegd.

  • 4.

    Artikel 15 lid 4, 5, 6 en 7 van de Asv is onverminderd van toepassing.

 

Artikel 15. Subsidievaststelling

Een subsidie wordt, in afwijking van artikel 16, eerste lid, van de Algemene Subsidieverordening Rhenen 2025 vastgesteld binnen 14 weken na de ontvangst van een volledige aanvraag tot subsidievaststelling.

 

Artikel 16. Bevoorschotting en betaling in gedeelten

In de eerste maand van ieder kwartaal stelt het college een voorschot beschikbaar aan de subsidieontvanger van een vierde van het verleende subsidiebedrag voor het desbetreffende jaar.

 

Hoofdstuk 6 Overige bepalingen

 

 

Artikel 17. Hardheidsclausule

Het college kan bepalingen in deze regeling buiten toepassing verklaren of daarvan afwijken voor zover toepassing, gelet op het doel van de regeling, leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.

 

Artikel 18. Slotbepalingen

  • 1.

    Deze subsidieregeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2026.

  • 2.

    Deze subsidieregeling vervalt met ingang van 31 december 2030.

  • 3.

    Deze subsidieregeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling Welzijn Rhenen 2027-2030.

 

De gemeentesecretaris,

De burgemeester,

P. Bonthuis

G. Kaai

 

 

 

 

 

 

 

Aldus vastgesteld in de vergadering van burgemeester en wethouders d.d. 25 november 2025.

Bijlage 1 Beoordelingsformulier

 

Bij de rangschikking van de aanvragen kent het college punten toe aan de hand van onderstaande beoordelingscriteria en aspecten (subcriteria) tot het daarbij vermelde maximumaantal. In totaal zijn per aanvraag 100 punten te behalen. De aanvraag die de meeste punten haalt, komt in aanmerking voor subsidie.

De beoordeling wordt gedaan door een ambtelijke beoordelingscommissie. Zij maakt gebruik van onderstaand beoordelingsformulier om via een weging tot een score te komen.

De beoordelingscriteria worden gezamenlijk (als geheel) beoordeeld.

 

Beoordelingsformulier

1

Beoordelingscriteria: Relevant en toegankelijk aanbod

(maximum: 25 punten)

0-5 = onvoldoende, 6-10 = matig, 11-20 = voldoende, 21-25 = goed

 

  • De aanvraag beschrijft op welke wijze de organisatie toegankelijke activiteiten en ontmoetingsplekken faciliteert waar inwoners elkaar op een laagdrempelige manier kunnen ontmoeten, ongeacht leeftijd, achtergrond of woongebied.

  • De mate waarin de activiteiten bijdragen aan verbinding tussen inwoners en aan versterking van de lokale samenleving wordt beoordeeld.

  • De aanvraag maakt inzichtelijk hoe het aanbod aansluit bij specifieke lokale behoeften of maatschappelijke vraagstukken binnen de gemeente Rhenen. Daarbij wordt beoordeeld in welke mate het aanbod aansluit op actuele ontwikkelingen, signalen uit het werkveld en de beleidsdoelen in de Visie Sociaal Rhenen 2030.

  • De aanvraag beschrijft concreet hoe het aanbod toegankelijk is voor diverse doelgroepen, waaronder mensen met een beperking, laaggeletterden, inwoners met een beperkt tot geen sociaal netwerk en inwoners met beperkte digitale vaardigheden. Beoordeeld wordt in hoeverre de aanvrager maatregelen neemt om deelname door deze groepen daadwerkelijk te bevorderen.

  • De aanvrager toont aan dat er rekening wordt gehouden met zowel fysieke toegankelijkheid als sociale toegankelijkheid.

 

 

 

Totaal

 

2

Beoordelingscriteria: Samenwerking met lokale partners en netwerken

(maximum: 20 punten)

0-5 = onvoldoende, 6-10 = matig, 11-15 = voldoende, 16-20 = goed

 

  • De aanvraag beschrijft concreet met welke partners de organisatie structureel samenwerkt, zoals Team Jeugd en Gezin, sociaal team, scholen, kerken, sport- en cultuurverenigingen, zorgorganisaties en vrijwilligersinitiatieven.

  • Beoordeeld wordt in hoeverre de samenwerking daadwerkelijk bijdraagt aan een samenhangend aanbod van ondersteuning en activiteiten binnen het sociaal domein.

  • De aanvrager maakt inzichtelijk hoe de organisatie bruggen slaat tussen formele zorgvoorzieningen en informele netwerken van inwoners (zoals mantelzorgers, vrijwilligers en buurtinitiatieven).

  • De aanvraag laat zien hoe kleine(re) lokale organisaties of burgerinitiatieven worden betrokken in de samenwerking, bijvoorbeeld door partnerschap, doorverwijzing of gezamenlijke activiteiten.

  • De aanvraag beschrijft hoe de organisatie fysiek aanwezig is op toegankelijke en logische plekken voor inwoners (zoals wijkcentra, scholen of ontmoetingsplekken) en daardoor laagdrempelig samenwerkt met andere organisaties en inwoners. Beoordeeld wordt in welke mate de fysieke aanwezigheid de samenwerking en vindbaarheid versterkt.

 

 

 

Totaal

 

3

Beoordelingscriteria: Innovatie en creativiteit van het aanbod

(maximum: 15 punten)

0-3 = onvoldoende, 4-6 = matig, 7-11 = voldoende, 12-15 = goed

 

  • De aanvrager beschrijft concreet welke nieuwe of verbeterde werkwijzen, methodieken of samenwerkingsvormen worden toegepast om in te spelen op actuele maatschappelijke uitdagingen, zoals eenzaamheid, toenemende druk op mantelzorgers, mentale gezondheid, vrijwilligersschaarste of inclusie. Beoordeeld wordt in welke mate de aanpak vernieuwend is binnen de lokale context en aantoonbaar meerwaarde biedt ten opzichte van bestaande werkwijzen.

  • De aanvraag maakt inzichtelijk hoe de organisatie creativiteit inzet in de uitvoering van activiteiten, bijvoorbeeld door innovatieve communicatievormen, gebruik van technologie, nieuwe vormen van ontmoeting of outreachend werken. Beoordeeld wordt in hoeverre de aanpak bijdraagt aan preventie, zelfredzaamheid en samenlevingsopbouw.

 

 

 

Totaal

 

4

Beoordelingscriteria: Mate van aansluiting bij de Rhenense principes en visie

(Weging: 10 punten)

0-2 = onvoldoende, 3-5 = matig, 6-8 = voldoende, 9-10 = goed

 

  • Het aanbod sluit aan bij de vier Rhenense principes (eigen regie, werken vanuit vertrouwen, eenvoud & doen wat nodig is en iedereen doet mee vanuit vermogen) en de visie Sociaal Rhenen 2030. Bijvoorbeeld door in te spelen op veranderende behoeften en trends of door mogelijkheid tot maatwerkoplossingen te bieden per wijk of doelgroep.

  • De principes zijn concreet vertaald in werkwijzen, methodieken en houding van de organisatie.

 

 

 

Totaal

 

5

Beoordelingscriteria: Ontwikkeling medewerkers

(Weging: 10 punten)

0-2 = onvoldoende, 3-5 = matig, 6-8 = voldoende, 9-10 = goed

 

  • De aanvraag maakt inzichtelijk hoe de organisatie zorgt voor voldoende deskundigheid, ervaring en inzet van professionals, vrijwilligers en ervaringsdeskundigen. Beoordeeld wordt in hoeverre de organisatie beschikt over de juiste kennis, competenties en samenstelling van het team om de beoogde maatschappelijke doelen te realiseren.

  • De aanvrager beschrijft welke maatregelen worden getroffen om medewerkers en vrijwilligers passend te begeleiden, te scholen en te ondersteunen in hun werk. Beoordeeld wordt of er structureel wordt geïnvesteerd in deskundigheidsbevordering, reflectie, kennisdeling en het voorkomen van overbelasting.

  • De aanvraag laat zien hoe de organisatie zorgt voor behoud en overdracht van kennis en ervaring, en hoe de kwaliteit van het werk structureel wordt geborgd. Beoordeeld wordt in welke mate de organisatie beschikt over een planmatige aanpak om medewerkers en vrijwilligers betrokken, bekwaam en duurzaam inzetbaar te houden.

 

 

 

Totaal

 

6

Beoordelingscriteria: Financiële onderbouwing en haalbaarheid

(Weging: 10 punten)

0-2 = onvoldoende, 3-5 = matig, 6-8 = voldoende, 9-10 = goed

 

  • De aanvraag bevat een heldere, gespecificeerde en controleerbare begroting die aansluit bij het voorgestelde aanbod en de vier thema’s van de regeling. Beoordeeld wordt of de kosten aannemelijk en marktconform zijn, of de begroting in balans is en of duidelijk is hoe de middelen worden ingezet ten behoeve van de activiteiten.

  • De aanvrager maakt inzichtelijk dat de voorgestelde activiteiten binnen het beschikbare budget uitvoerbaar zijn en dat de verhouding tussen kosten en verwachte resultaten doelmatig is. Beoordeeld wordt of de begroting de uitvoerbaarheid en continuïteit van de activiteiten ondersteunt.

  • De aanvraag vermeldt of en in welke mate de organisatie cofinanciering, fondsen of eigen inkomsten inzet ter ondersteuning van de activiteiten. Beoordeeld wordt in hoeverre sprake is van financiële veerkracht, spreiding van inkomstenbronnen en een gezonde bedrijfsvoering die niet uitsluitend afhankelijk is van gemeentelijke subsidie.

 

 

 

Totaal

 

7

Beoordelingscriteria: Monitoring en evaluatie van resultaten

(Weging: 10 punten)

0-2 = onvoldoende, 3-5 = matig, 6-8 = voldoende, 9-10 = goed

 

  • De aanvraag beschrijft hoe de organisatie de voortgang van activiteiten en de bereikte resultaten structureel volgt en evalueert. Beoordeeld wordt in welke mate de organisatie op basis van deze gegevens tijdig bijstuurt om de kwaliteit en effectiviteit van de uitvoering te verbeteren.

  • De organisatie maakt gebruik van duidelijke, relevante en toetsbare indicatoren om de resultaten in beeld te brengen, zowel kwantitatief (bijv. aantal deelnemers, bereikte doelgroepen) als kwalitatief (bijv. ervaren impact, tevredenheid). Beoordeeld wordt of de gekozen indicatoren geschikt zijn om de maatschappelijke effecten van de activiteiten zichtbaar te maken.

  • De aanvraag laat zien hoe inwoners actief worden betrokken bij monitoring en evaluatie, bijvoorbeeld door feedback, gesprekken, participatiepanels of co-creatie. Beoordeeld wordt 1) in hoeverre de ervaringen van inwoners worden meegenomen bij het verbeteren van het aanbod en 2) in welke mate de organisatie haar monitorings- en evaluatieactiviteiten afstemt op de gemeentelijke systematiek van gegevensverzameling en beleidsevaluatie, zodat informatie kan worden gebruikt voor gezamenlijke leer- en verbeterdoeleinden.

  • De aanvraag toont aan dat de gebruikte methodiek voldoende inzicht biedt in de doelgroepen, de aard van de activiteiten, de voortgang en de effecten, en dat deze wetenschappelijk erkend is.

 

 

 

Totaal

 

Weging

Uitleg

Goed

De aanvraag is op dit onderdeel duidelijk, volledig en concreet en er is sprake van een positief onderscheidend vermogen, met betrekking tot de criteria. De aanvraag voegt een meerwaarde toe aan datgene dat wordt beoordeeld. Een ‘goed’ ontvangt een aanvraag alleen als de aanvraag iets bijzonders heeft opgenomen en het college positief verrast met de activiteit.

Voldoende

De subsidieaanvraag is op dit onderdeel duidelijk, volledig en concreet en voldoet aan de criteria. Antwoorden voegen echter geen meerwaarde toe.

Matig

De subsidieaanvraag is op dit onderdeel onvoldoende duidelijk en/of concreet geformuleerd. Een deel van de gevraagde informatie ontbreekt of is inhoudelijk niet geheel relevant en/of voldoet niet geheel aan het criterium. De wijze van invulling beantwoordt niet alle vragen en/of roept (ook) vragen op.

Onvoldoende

De subsidieaanvraag is op dit onderdeel onvoldoende dan wel niet (juist) geformuleerd. De gevraagde informatie (of een wezenlijk deel daarvan) ontbreekt, is inhoudelijk niet relevant of voldoet niet aan het criterium. De wijze van invulling is niet compleet, niet overtuigend en roept vragen op.

 

Toelichting bij Subsidieregeling Welzijn Rhenen 2027-2030

Algemeen

De gemeenteraad heeft in 2023 de Visie Sociaal Rhenen 2030 ‘Voor elkaar in Rhenen’ vastgesteld. Daarin is vastgelegd welk toekomstbeeld zij voor ogen heeft voor het sociaal domein in Rhenen, Elst en Achterberg. Er zijn in de visie vijf pijlers geformuleerd, namelijk:

• Gezond en vitaal

• Ontmoeten en verbinden

• Passende en toegankelijke voorzieningen

• Aantrekkelijke leefomgeving

• Leren, werken en ontwikkelen

 

Deze pijlers zijn vertaald in vier thema’s met maatschappelijke doelen en subdoelen voor welzijn. Met de inzet van deze regeling wil de gemeente activiteiten stimuleren die bijdragen aan het behalen van de doelen en subdoelen op het gebied van samenlevingsopbouw, vrijwilligersondersteuning, mantelzorgondersteuning en jongerenwerk. Daarbij staat integrale uitvoering centraal: alleen een aanvraag waarin voor elk van de vier thema’s activiteiten zijn opgenomen, komt voor subsidie in aanmerking. Samenwerking kan daarbij een belangrijke rol spelen. Omdat de uitvoering van deze thema’s onlosmakelijk met elkaar verbonden is, wordt de subsidie verstrekt aan één integrale aanvraag (eventueel ingediend door een samenwerkingsverband met een penvoerder). Hiermee wordt versnippering voorkomen en samenwerking gestimuleerd. Stichtingen, verenigingen en andere maatschappelijke organisaties die aan de voorwaarden voldoen, kunnen een aanvraag (al dan niet als samenwerkingsverband) indienen.

 

 

Artikelsgewijs

Artikel 2

Lid 1

Het doel van deze regeling is het stimuleren van activiteiten op het gebied van het versterken van de samenlevingsopbouw, vrijwilligersondersteuning, mantelzorgondersteuning en jongerenwerk. Aanvragen dienen invulling te geven aan alle vier de genoemde thema’s. Alleen de aanvraag waarin voor elk van de vier thema’s activiteiten zijn opgenomen, komt voor subsidie in aanmerking.

 

Het gaat om de volgende maatschappelijke doelen en subdoelen.

 

1. Versterken van de samenleving

De subsidieontvanger draagt bij aan het versterken van de zelfredzaamheid van (kwetsbare) inwoners door het bieden van toegankelijke ondersteuning en het aanbieden van passende individuele en collectieve voorzieningen.

Maatschappelijk doel

Alle inwoners van Rhenen hebben gelijke kansen om volwaardig mee te kunnen doen en krijgen daarbij waar nodig ondersteuning.

Subdoelen

• Meer inwoners voelen zich betrokken bij en verbonden met de Rhenense samenleving.

• Meer inwoners doen actief mee aan de Rhenense samenleving.

• Meer inwoners redden zichzelf in het dagelijks leven.

• Meer inwoners voelen zich veilig op straat.

 

2. Versterken van vrijwilligerswerk en vrijwillige inzet

De subsidieontvanger draagt bij aan het bevorderen van samenredzaamheid onder inwoners door het versterken van sociale netwerken, het stimuleren van onderlinge hulp en het vergroten van betrokkenheid binnen buurten en wijken. Vrijwilligerswerk en vrijwillige inzet is hierin onmisbaar.

Maatschappelijk doel

Meer inwoners kijken naar elkaar om, ondersteunen elkaar en zetten zich actief in voor hun omgeving.

Subdoelen

• Meer inwoners van Rhenen doen actief mee aan de samenleving.

• Meer vrijwilligers(organisaties) voelen zich ondersteund bij hun inzet, onder andere door goede informatievoorziening.

• Meer inwoners vinden een passende vrijwilligersfunctie.

• Meer vrijwilligers(organisaties) voelen zich gewaardeerd om hun inzet.

 

3. Versterken van mantelzorgondersteuning

De subsidieontvanger draagt bij aan toekomstbestendige, toegankelijke en passende ondersteuning van mantelzorgers in de gemeente Rhenen, gericht op het voorkomen van overbelasting, het versterken van eigen regie en het bevorderen van participatie en welzijn.

Maatschappelijk doel

Alle inwoners van Rhenen hebben gelijke kansen om volwaardig mee te kunnen doen en krijgen daarbij waar nodig ondersteuning.

Subdoelen

• Inwoners ervaren erkenning en waardering voor hun zorgtaken en voelen zich daarin niet alleen staan.

• Meer mantelzorgers ervaren een betere balans tussen het eigen leven en de zorgtaken die daarvan onderdeel zijn.

• Alle mantelzorgers hebben toegang tot mogelijkheden die hen helpen hun zorgtaken vol te houden.

• Meer mantelzorgers voelen zich fysiek en emotioneel gesteund.

• Meer mantelzorgers ervaren steun van hun sociale omgeving.

 

4. Versterken van jongerenwerk

De subsidieontvanger draagt bij aan dat kinderen en jongeren (0-27 jaar) welkom zijn, kunnen meedoen aan de Rhenense samenleving en gezond en veilig opgroeien. Kinderen en jongeren kunnen zijn wie ze zijn en worden gestimuleerd om hun talenten te ontwikkelen. Niemand valt buiten de boot; alle jeugdigen hebben een toekomst.

Maatschappelijk doel

De Rhenense jeugd heeft gelijke kansen om gezond en veilig op te groeien.

Subdoelen

• Meer jongeren zijn in staat om uitdagingen en problemen zelf en/of met steun van hun sociaal netwerk aan te gaan.

• Meer jongeren hebben toegang tot passende ondersteuning die bijdragen aan hun persoonlijke ontwikkeling en welzijn.

• Meer jongeren voelen zich gezien en gewaardeerd, en kunnen betekenis geven aan hun rol in de samenleving.

• Meer jongeren hebben gelijke kansen om gezond op te groeien en zijn zich bewust van de risico’s (zoals alcohol- en middelengebruik en sociale media).

• Meer jongeren voelen zich veilig in hun leefomgeving en zijn bereid om zich in te zetten voor een ander en de samenleving.

 

Lid 2

Subsidie wordt verstrekt voor de periode van 1 januari 2027 tot en met 31 december 2030. De subsidie is (dus) tijdelijk. Na afloop van deze periode eindigt de subsidie voor de activiteiten. Er bestaat geen aanspraak op voortzetting of verlenging van de subsidie voor dezelfde activiteiten.

 

Artikel 3

Lid 1

Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten die bijdragen aan het versterken van de samenlevingsopbouw, vrijwilligersondersteuning, mantelzorgondersteuning én jongerenwerk, voor de periode van 1 januari 2027 tot en met 31 december 2030. Het is van belang dat met de activiteiten invulling wordt gegeven aan de wettelijke taken die de gemeente heeft op het gebied van het sociaal domein. Daarnaast is van belang dat de activiteiten in lijn zijn met en bijdragen aan het behalen van de gemeentelijke doelstellingen in de volgende beleidskaders:

• Visie Sociaal Rhenen 2030

• Verordening Maatschappelijke Ondersteuning gemeente Rhenen 2019

• Verordening Jeugdhulp gemeente Rhenen 2025

• Beleid mantelzorgondersteuning 2018 – 2023 (voortgezet t/m 2026)

• Kaders Inclusief Samenleven 2024 – 2029

• Vrijwilligers ondersteuningsbeleid Rhenen 2022-2025

• Algemene Subsidieverordening Rhenen 2025

• Uitvoeringsagenda Samen Bouwen aan Wonen met Zorg en Welzijn

 

Lid 3

Alleen de aanvraag waarin voor elk van de vier thema’s activiteiten zijn opgenomen, komt voor subsidie in aanmerking. Dit betekent dat wanneer een organisatie niet zelfstandig invulling kan geven aan alle vier de thema’s, er samenwerking gezocht zal moeten worden.

 

De activiteiten dienen te worden uitgevoerd binnen de looptijd van de regeling. Dat betekent dat de activiteiten starten vanaf 1 januari 2027 en invulling geven tot en met 31 december 2030.

 

De activiteiten dienen te worden uitgevoerd door vrijwilligers en/of professionals die in staat zijn om activiteiten binnen welzijn uit te voeren. Dat betekent dat, indien nodig ten aanzien van de activiteiten en doelgroep, professionals en/of vrijwilligers beschikken over de juiste en relevante diploma’s, kwalificaties en ervaringen.

 

Artikel 4

Subsidie wordt verleend voor de integrale uitvoering van de in artikel 3 lid 1 genoemde activiteiten. Het college verleent slechts aan één aanvraag subsidie. Alleen de aanvraag waarin voor elk van de vier thema’s activiteiten zijn opgenomen, komt voor subsidie in aanmerking.

Een rechtspersoon die zelfstandig invulling kan geven aan de vier thema’s kan een aanvraag indienen.

Een rechtspersoon die niet zelfstandig invulling kan geven aan de vier thema’s, zal moeten gaan samenwerken. Er zijn dan meerdere subsidieontvangers en één van hen dient als penvoerder de aanvraag in namens het samenwerkingsverband. De penvoerder fungeert als centraal aanspreekpunt voor het college en dient de subsidieaanvraag namens het samenwerkingsverband in. Ook ontvangt deze de correspondentie en coördineert de gezamenlijke rapportages en andere verantwoordingsstukken namens het samenwerkingsverband.

De penvoerder is niet inhoudelijk of financieel verantwoordelijk voor de uitvoering van alle activiteiten binnen het samenwerkingsverband; iedere deelnemer blijft verantwoordelijk voor de eigen activiteiten en bijbehorende kosten.

Het is verplicht om – als meer dan 1 partij betrokken is bij de aanvraag - of een samenwerkingsovereenkomst of een intentieverklaring af te sluiten. Aangeraden wordt om bij samenwerking een samenwerkingsovereenkomst af te sluiten waarin afspraken staan opgenomen. Een intentieverklaring is ook toegestaan.

 

Artikel 5

Dit artikel bepaalt welke kosten voor subsidie in aanmerking komen en welke niet. Het uitgangspunt is dat de gemeente uitsluitend subsidie verleent voor daadwerkelijk gemaakte, noodzakelijke en aantoonbare kosten die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten. Dit is van belang voor een zorgvuldige en doelmatige besteding van publieke middelen.

 

Lid 2

Dit lid sluit bovenmatige kosten uit, oftewel uitgaven die niet in redelijke verhouding staan tot de aard en omvang van de gesubsidieerde activiteiten. Het college wil voorkomen dat subsidies leiden tot winstvorming of overcompensatie. Het college beoordeelt of kosten redelijk zijn door te kijken naar marktconforme tarieven, gangbare kostenniveaus binnen het sociaal domein en proportionaliteit.

 

Lid 3

Overheadkosten zijn de algemene organisatiekosten die indirect samenhangen met de uitvoering van activiteiten, zoals administratie, huisvesting en facilitaire zaken van de organisatie of stichting (eigen hoofdkantoor/pand), ICT of bestuursondersteuning. Deze kosten mogen niet meer bedragen dan 10% van de totale subsidiabele kosten, zodat het grootste deel van de subsidie direct bijdraagt aan de activiteiten. Overheadkosten moeten bovendien aantoonbaar samenhangen met de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten.

 

Lid 4

Er is ruimte voor budgetflexibiliteit in kostensoorten tussen ontvangers wanneer er sprake is van een samenwerking. Dit om de doelmatigheid, efficiëntie en kwaliteit van de uitvoering van de activiteiten te bevorderen. De budgetflexibiliteit mag geen afbreuk doen aan de (andere) activiteiten die bijdragen aan het versterken van de samenlevingsopbouw, vrijwilligersondersteuning, mantelzorgondersteuning en/of jongerenwerk. Ook dienen de activiteiten, zoals opgenomen in de aanvraag, te worden uitgevoerd. Bij essentiële wijzigingen, dient de ontvanger het college te informeren.

 

Artikel 7

Dit artikel regelt de wijze waarop het college de aanvragen beoordeelt en rangschikt. Alleen tijdig ingediende, ontvankelijke en volledige aanvragen worden beoordeeld en in de rangschikking meegenomen. Aanvragen die niet voldoen aan de vereisten van artikel 3 van de regeling, te laat zijn ingediend en/of niet compleet zijn, worden niet beoordeeld.

 

Lid 3

Hier zijn de inhoudelijke beoordelingscriteria opgenomen met het daarbij behorende maximumaantal punten. Deze criteria weerspiegelen de beleidsdoelen van de gemeente op het gebied van welzijn en de uitgangspunten van de Visie Sociaal Rhenen 2030 ‘Voor elkaar in Rhenen’. De weging zorgt ervoor dat de aanvragen die het best aansluiten bij de beoordelingscriteria hoger scoren.

Het beoordelingsformulier in bijlage 1 bevat de nadere uitwerking van deze criteria in zogenoemde subcriteria en wordt ook als beoordelingsformulier door de beoordelingscommissie gehanteerd. Dit om ervoor te zorgen dat aanvragen op een transparante en objectieve wijze worden beoordeeld (lid 3).

 

Lid 7

Dit bevat een minimale kwaliteitseis: alleen aanvragen die ten minste 60 punten behalen, komen in aanmerking voor subsidie. Hiermee wordt geborgd dat de subsidie uitsluitend wordt toegekend aan aanvragen van voldoende kwaliteit en passend bij de doelstellingen van de regeling.

Ook moet op alle criteria minimaal 50% van het maximaal aantal te behalen punten worden behaald.

 

Lid 8 en 9

Hierin is de situatie geregeld waarin aanvragen een gelijke score behalen en de wijze waarop de subsidie uiteindelijk wordt verleend. Als twee of meer aanvragen gelijk scoren, wordt gekeken naar de score op criterium a. Als daar ook een gelijke score is gehaald, wordt gekeken naar criterium b (en zo verder).

Als op alle criteria individueel een gelijke score wordt behaald, bepaalt loting de volgorde van rangschikking.

Vervolgens geldt dat uitsluitend de hoogst gerangschikte aanvraag voor subsidie in aanmerking komt, ook als het subsidieplafond nog niet volledig wordt benut. Dit sluit aan bij het integrale karakter van de regeling: er wordt één subsidie verleend voor de totale uitvoering, niet meerdere deelsubsidies voor afzonderlijke activiteiten.

 

Artikel 12

De verplichtingen opgenomen in dit artikel gelden voor de subsidieontvangers. Ook wanneer er wordt samengewerkt in een samenwerkingsverband gelden de verplichtingen voor alle partijen, tenzij anders aangegeven. In het kader van efficiëntie kunnen nadere afspraken gemaakt worden met betrekking tot bepaalde verplichtingen wanneer sprake is van een samenwerkingsverband. Bijvoorbeeld dat de penvoerder namens het samenwerkingsverband signalen en trends met het college deelt.

 

Artikel 13

Lid 3

Als erkende verantwoordingsmethodieken worden bij voorkeur het Kwaliteitskompas Sociaal Werk of het KPI-model Sociaal Werk bedoeld.

 

Artikelen 13 en 14

In het kader van efficiëntie kunnen nadere afspraken gemaakt worden met betrekking tot de tussentijdse rapportages, voortgangsgesprekken en eindverantwoording wanneer sprake is van een samenwerkingsverband.

 

Artikel 16

Het college maakt aan iedere subsidieontvanger het bedrag over. Ook wanneer er sprake is van een samenwerkingsverband, betaalt het college de afzonderlijke partijen. Als partijen hier zelf afspraken over maken, is dat ook toegestaan. Voorbeeld: één partij ontvangt het geld en zorgt ervoor dat de samenwerkingspartners hun deel ontvangen.

 

Naar boven