Subsidieregeling voorschoolse educatie en peuteropvang gemeente Bunnik

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bunnik;

gelet op artikel 3, tweede lid van de Algemene subsidieverordening gemeente Bunnik, artikel 163 van

de Wet op het primair onderwijs en het Besluit specifieke uitkeringen gemeentelijk

onderwijsachterstandenbeleid van 1 april 2022;

OVERWEGENDE DAT:

  • investeren in de eerste levensjaren van kinderen een positieve invloed heeft op de start in

het basisonderwijs en latere schoolprestaties;

  • de gemeente jaarlijks een specifieke uitkering voor gemeentelijk

onderwijsachterstandenbeleid van het rijk ontvangt, ter subsidiëring van rechtspersonen die

zorgdragen voor voorschoolse educatie;

  • deze subsidieregeling als doel heeft het beschikbaar stellen van de genoemde specifieke

uitkering als subsidie voor de houders van kindercentra die voorschoolse educatie aan

peuters aanbieden, ten behoeve van een kwalitatief hoogwaardig aanbod van peuteropvang

en voorschoolse educatie in de gemeente Bunnik.

BESLUIT VAST TE STELLEN:

De Subsidieregeling voorschoolse educatie en peuteropvang gemeente Bunnik

Artikel 1 Begripsbepalingen

  • a.

    college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bunnik;

  • b.

    doelgroeppeuter: een kind dat:

  • 1.

    een achterstand heeft in het ontwikkelingsgebied Nederlandse taal vanaf de leeftijd

  • van twee jaar (onder andere te zien aan de negatieve score op Van

  • Wiechenonderzoek item 41 en 42); of

  • 2.

    Nederlands niet als thuistaal heeft en weinig taalaanbod thuis heeft, waardoor de

  • taalontwikkeling tussen tweeënhalf en vierjarige jarige leeftijd een goede start in het

  • basisonderwijs in de weg staat; of

  • 3.

    een sociaal-emotionele achterstand heeft, waardoor er een verhoogd risico is op een

  • Nederlandse taalachterstand.

  • c.

    fiscaal uurtarief: maximaal uurtarief dat de Belastingdienst hanteert voor de vergoeding van

  • de kosten voor kinderopvang (peuteropvang);

  • d.

    gemengde peutergroep: voorschoolse educatie peutergroep die bestaat uit

  • doelgroeppeuters en reguliere peuters;

  • e.

    houder: degene aan wie een onderneming als bedoeld in de Handelsregisterwet 2007

  • toebehoort en die met die onderneming een kindercentrum exploiteert;

  • f.

    kindercentrum: kindercentrum, als bedoeld in artikel 1.1 van de wet kinderopvang, dat

  • gevestigd is in de gemeente Bunnik en dat is opgenomen in het Landelijk Register

  • Kinderopvang;

  • g.

    kinderopvangtoeslag (KOT): de tegemoetkoming van de Belastingdienst bedoeld als

  • gedeeltelijke bijdrage in de kosten voor in het LRK geregistreerde kinderopvang of

  • peuteropvang;

  • h.

    LRK: het Landelijk Register Kinderopvang, als bedoeld in artikel 1.1 van de wet kinderopvang;

  • i.

    ve-locatiesubsidie: bijdrage per gecertificeerde voorschoolse educatie locatie in de gemeente

  • Bunnik;

  • j.

    ouder/verzorger: de bloed- of aanverwanten in opgaande lijn tot en met de 1e graad, de

  • adoptief- of pleegouder van een kind dat opgevangen wordt in een peuterplaats of vepeuterplaats;

  • k.

    ouderbijdrage: inkomensafhankelijke financiële bijdrage die de ouder/verzorger betaalt voor

  • de deelname van hun kind aan een peuterplaats of ve-peuterplaats;

  • l.

    peuter: kind in de leeftijd van twee tot vier jaar;

  • m.

    peuteropvang: kortdurende opvang voor kinderen van 2 tot 4 jaar gericht op

  • ontwikkelingsstimulering en voorbereiding op de basisschool;

  • n.

    peuterplaats: een aanbod aan peuteropvang voor reguliere peuters;

  • o.

    reguliere peuter: een peuter die woont in de gemeente Bunnik en die gebruik maakt van

  • peuteropvang;

  • p.

    subsidie: de aanspraak op financiële middelen, door een bestuursorgaan verstrekt met het

  • oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager;

  • q.

    subsidieuurtarief: het uurtarief dat de gemeente hanteert bij het berekenen van de subsidie;

  • r.

    subsidieverantwoording: inzichtelijk maken welke prestatieafspraken zijn gerealiseerd

  • inclusief de daaraan verbonden kosten;

  • s.

    toezichthouder: de toezichthouder als bedoeld in artikel 1.61 van de Wet kinderopvang;

  • t.

    verzamelinkomen: door de Belastingdienst gehanteerde term voor het jaarinkomen van

  • ouders/verzorgers uit box 1, box 2 en box 3 verminderd met de aftrekposten. Het betreft

  • hier het jaarinkomen van het gezin;

  • u.

    Ve: voorschoolse educatie, zijnde kortdurende opvang met een aanbod voor kinderen van

  • tweeënhalf tot vier jaar waarin op gestructureerde en samenhangende wijze activiteiten

  • worden aangeboden gericht op het stimuleren van de ontwikkeling van kinderen op het

  • gebied van rekenen, taal en motoriek en op het stimuleren van de sociaal-emotionele

  • ontwikkeling;

  • v.

    ve-peuterplaats: een aanbod van voorschoolse educatie voor doelgroeppeuters.

  • w.

    Pilot ve geïntegreerd in dagopvang: voorschoolse educatie wordt aangeboden in een

  • reguliere kinderdagopvangsetting. Per dag van elf uur opvang wordt zes uur ve geboden en

  • vijf uur reguliere kinderdagopvang welke ouders/verzorgers bekostigen, dit is in 2025 gestart

  • als pilot, in 2026 wordt de pilot verlengt;

  • x.

    kinderdagopvang: reguliere kinderdagopvang, opvang van jonge kinderen gedurende de dag.

  • Een hele dag bestaat uit elf uur opvang.

  •  

Artikel 2 Toepassingsbereik

Het bepaalde in deze subsidieregeling is uitsluitend van toepassing op de verstrekking van subsidies

voor de in artikel 3 bedoelde activiteiten.

 

Artikel 3 Doelgroep

  • 1.

    Subsidie wordt uitsluitend verstrekt aan de houder van een kindercentrum dat peuteropvang of

  • ve aanbiedt in de gemeente Bunnik:

    • a.

      waar ve wordt geboden aan een doelgroeppeuter, waarvan de ouders/verzorgers niet in

  • aanmerking komen voor kinderopvangtoeslag;

    • b.

      waar ve wordt geboden aan een doelgroeppeuter, waarvan de ouders/verzorgers wel in

  • aanmerking komen voor kinderopvangtoeslag;

    • c.

      waar peuteropvang wordt geboden aan een reguliere peuter, waarvan de ouders/verzorgers

  • niet in aanmerking komen voor kinderopvangtoeslag;

  • 2.

    Om in aanmerking te komen voor subsidieverlening op grond van lid 1 sub a en b dient het

  • kindercentrum maximaal 640 uur ve per jaar per peuter aan te bieden, verdeeld over drie dagen

  • per week. Dit komt neer op zestien uur per week, 640 uur ve : 40 weken (52 weken min de twaalf

  • vakantieweken gedurende het jaar).

  • 3.

    In afwijking van lid 2 komt eveneens voor subsidieverlening in aanmerking de omstandigheid

  • waarin een peuter twaalf uur per week ve volgt op een locatie waar ve is geïntegreerd in de

  • dagopvang (pilot die is gestart in 2025 en wordt gecontinueerd in 2026), wanneer

  • ouders/verzorgers van de peuter daaraan behoefte hebben.

  • 4.

    Onverminderd het bepaalde in lid 3 blijft het aanbod van zestien uur per week, verdeeld over

  • drie dagen beschikbaar, mochten ouders/verzorgers van de peuter op een later moment toch

  • zestien uur ve willen afnemen.

  • 5.

    Voor subsidieverlening op grond van lid 1 sub c dient het kindercentrum minimaal zes uur per

  • week en maximaal 12 uur per week peuteropvang aan te bieden tot een maximum van 320 uur

  • op jaarbasis, verdeeld over minimaal 2 dagen per week.

  • 6.

    Een subsidieaanvraag wordt alleen in behandeling genomen indien:

    • a.

      de (doelgroep)peuter volgens de gemeentelijke basisadministratie ingezetene is van de

  • gemeente Bunnik;

    • b.

      het kindercentrum is gevestigd in gemeente Bunnik en is gecertificeerd voor ve en als

  • zodanig is geregistreerd in het LRK.

Artikel 4 Subsidiabele kosten

  • 1.

    Het college kan voor de volgende kosten een subsidie toekennen:

    • a.

      de kosten per uur van een gecontracteerde (ve-)peuterplaats;

    • b.

      de locatiesubsidie;

    • c.

      de kosten van een hbo geschoold pedagogisch beleidsmedewerker.

  • 2.

    Onder de kosten als bedoeld in het eerste lid sub a vallen onder meer: extra taakuren om het ve

  • programma uit te voeren (extra tutoring peuter, monitoring ontwikkeling kinderen,

  • voorbereiden, uitvoeren en evalueren van onderdelen van het ve-programma), stimuleren

  • ouderbetrokkenheid, coördinatie en managementuren, taakuren voor (warme)overdracht,

  • participeren in ve-overleg, proactief samenwerken met samenwerkingspartners, signalering en

  • oudergesprekken en scholing.

  • 3.

    Onder de subsidie als bedoeld in het eerste lid sub b vallen onder meer: het voldoen aan alle

  • wettelijke eisen, het waarborgen van een ve-locatie in alle kernen van gemeente Bunnik, de

  • uitvoering van (ve-)activiteiten en huisvesting.

  • 4.

    Onder de kosten als bedoeld in het eerste lid sub c vallen de loonkosten van de hbo geschoolde

  • pedagogisch beleidsmedewerker voor de taken ter uitvoering van de Wet Innovatie en Kwaliteit

  • Kinderopvang.

Artikel 5 Berekening subsidiebedrag en tarieven

  • 1.

    Het subsidiebedrag per jaar voor de in artikel 3 lid 1 sub a en b genoemde doelgroep wordt

  • berekend als volgt: aantal uren per week x aantal weken x subsidie-uurtarief voor ve, verminderd

  • met de berekende inkomensafhankelijke ouderbijdrage conform artikel 7.

  • 2.

    Het subsidiebedrag per jaar voor de in artikel 3 lid 1 sub c genoemde doelgroep wordt berekend

  • als volgt: aantal uren per week x aantal weken x het subsidie uurtarief voor peuteropvang,

  • verminderd met de berekende inkomensafhankelijke ouderbijdrage conform artikel 7.

  • 3.

    Het subsidie uurtarief voor 2026 voor ve bedraagt € 12,57.

  • 4.

    Het subsidie uurtarief voor 2026 voor peuteropvang bedraagt € 12,47.

  • 5.

    De ve-locatiesubsidie voor 2026 bedraagt per ve locatie € 6.464,-

  • 6.

    De subsidie voor de inzet van een pedagogisch beleidsmedewerker in de ve bedraagt € 590,- per

  • ve-doelgroepkind (peildatum 1 februari van het subsidiejaar).

  • 7.

    Het college stelt jaarlijks de subsidie tarieven vast.

Artikel 6 Subsidieplafond

  • 1.

    De gemeenteraad stelt jaarlijks bij de begroting het subsidieplafond vast gebaseerd op de

  • specifieke uitkering Onderwijsachterstandenbeleid en de beschikbare gemeentelijke

  • middelen voor voorschoolse voorzieningen (peuteropvang).

  • 2.

    De verdeling van de subsidie geschiedt, totdat het subsidieplafond is bereikt, in de volgende

  • volgorde:

    • a.

      Aanvragen voor (ve-)peuteropvanglocaties waarvoor in het jaar voorafgaand aan de

  • aanvraag gemeentelijke subsidie peuteropvang en/ of voorschoolse educatie is

  • verleend.

    • b.

      Aanvragen voor nieuwe (ve-)peuteropvanglocaties van houders die in het jaar

  • voorafgaand aan de aanvraag geen gemeentelijke subsidie voor peuteropvang en/of

  • voorschoolse educatie hebben ontvangen.

Artikel 7 Ouderbijdrage

  • 1.

    De houder brengt voor deelname van de peuter aan het ve-programma peuteropvang dan wel

  • aan de reguliere peuteropvang een ouderbijdrage in rekening bij de ouder/verzorger.

  • 2.

    De ouderbijdrage voor ve als bedoeld in artikel 3 lid 1 sub a is inkomensafhankelijk tot aan het

  • fiscaal uurtarief en is beperkt tot 50% van de ve-uren per maand.

  • 3.

    De ouderbijdrage voor ve als bedoeld in artikel 3 lid 1 sub b is gelijk aan het fiscaal uurtarief en is

  • beperkt tot 50% van de ve-uren per maand.

  • 4.

    De ouderbijdrage voor reguliere peuteropvang als bedoeld in artikel 3 lid 1 sub c is

  • inkomensafhankelijk tot aan het fiscaal uurtarief.

  • 5.

    De hoogte van de in lid 2 en 4 genoemde inkomensafhankelijke ouderbijdrage wordt door de

  • houder bepaald op basis van het verzamelinkomen van het voorgaande kalenderjaar volgens de

  • Kinderopvangtoeslagtabel van het Rijk.

  • 6.

    Ten behoeve van de vaststelling van de inkomensafhankelijke ouderbijdrage leveren de

  • ouders/verzorgers een inkomensverklaring van de Belastingdienst aan bij de houder en

  • ondertekenen een verklaring dat zij niet in aanmerking komen voor kinderopvangtoeslag zodat

  • de houder kan vaststellen dat de ouders/verzorgers geen recht hebben op kinderopvangtoeslag.

Artikel 8 Aanvraag en vaststelling subsidie

  • 1.

    Indien- en behandeltermijnen:

    • a.

      De subsidieaanvraag wordt uiterlijk 1 oktober voorafgaand aan het jaar waarvoor

  • subsidie wordt aangevraagd ingediend. Het college kan in individuele gevallen wegens

  • bijzondere omstandigheden een andere datum vaststellen. Bij een niet tijdige indiening

  • van de aanvraag kan het college besluiten de aanvraag niet te behandelen.

    • b.

      De aanvraag voor de subsidievaststelling wordt uiterlijk 1 mei in het jaar volgend op het

  • subsidiejaar ingediend.

    • c.

      De beslistermijn is tien weken voor zowel de aanvraag voor de verlening als de aanvraag

  • voor de vaststelling van de subsidie.

  • 2.

    In afwijking van artikel 21, lid 1 sub b van de Algemene subsidieverordening gemeente Bunnik

  • wordt de vaststelling van de subsidie berekend op basis van het werkelijke aantal in het

  • subsidiejaargecontracteerde (ve-)peuterplaatsen. Daaronder wordt verstaan het aantal

  • contracturen per werkelijk gecontracteerde (ve)peuterplaats, het gehanteerde subsidieuurtarief,

  • en de totaal in rekeninggebrachte ouderbijdragen op basis van het door de gemeente

  • aangeleverde registratieformulier.

  • 3.

    Bij de aanvraag tot vaststelling van de subsidie levert de houder, naast het aantal

  • gecontracteerde (ve-)peuterplaatsen, een inhoudelijk jaarverslag over het subsidiejaar, waarin

  • beschreven is op welke wijze invulling is gegeven aan de ondersteuning aan (doelgroep)peuters,

  • hoe gewerkt is aan de kwaliteit van ve en de algehele uitvoering van ve inclusief de onder artikel

  • 10 genoemde verplichtingen. In het inhoudelijk jaarverslag is tevens beschreven op welke wijze

  • de inzet van de pedagogisch beleidsmedewerker in de ve heeft bijgedragen aan de

  • kwaliteitsverbetering van ve.

  • 4.

    In afwijking van artikel 21 van de Algemene subsidieverordening gemeente Bunnik wordt de

  • verantwoording altijd vergezeld van een accountantsverklaring, dit kan zijn een

  • beoordelingsverklaring of een controleverklaring, specifiek over de gesubsidieerde activiteiten.

Artikel 9 Aanvullende weigeringsgrond

Het college kan weigeren subsidie te verlenen indien door de toezichthouder één of meer

overtredingen zijn geconstateerd van de voorwaarden voor de wettelijke basiskwaliteit van

kindercentra en van voorschoolse educatie zoals opgenomen in de Wet kinderopvang en het Besluit

basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie.

Artikel 10 Verplichtingen van gesubsidieerde kindercentra

  • 1.

    Het kindercentrum dient te voldoen aan alle voorschriften voor de basiskwaliteit van

  • kindercentra, gesteld bij of krachtens de wet.

  • 2.

    Het kindercentrum levert aan de gemeente per kwartaal gegevens aan over de bezette reguliere

  • peuterplaatsen in het kindercentrum, de ontvangen ouderbijdragen en het aantal deelnemende

  • peuters met het door de gemeente aangeleverde registratieformulier en bespreekt per kwartaal

  • de voortgang met de gemeente.

  • 3.

    Het kindercentrum stimuleert actief ouderbetrokkenheid zodat ouders/verzorgers gestimuleerd

  • worden om hun kind in de thuissituatie handreikingen te geven voor een goede taalontwikkeling.

  • 4.

    Het kindcentrum dient tevens te voldoen aan onderstaande verplichtingen inzake ve-peuters:

    • a.

      Het kindercentrum werkt mee aan een warme overdracht van doelgroeppeuters aan de

  • basisschool, ondersteund door het overdrachtsformulier;

    • b.

      Het kindercentrum stimuleert maximale deelname aan ve. Indien ouders/verzorgers

  • structureel geen gebruik maken van (delen van) het ve-aanbod, past het kindercentrum het

  • contract van de ouder/verzorger aan;

    • c.

      De groepen met doelgroeppeuters zijn zo veel mogelijk gemengd samengesteld, met nietdoelgroeppeuters en doelgroeppeuters. De houder spant zich in om doelgroepkinderen

  • veelvuldig in contact te laten komen met andere, taalrijke kinderen en laat middels het

  • jaarlijks, kwalitatief verslag zien hoe dit is gedaan;

    • d.

      Het kindercentrum is actief deelnemer aan door de gemeente geïnitieerde overleggen, zoals de vve-werkgroep;

    • e.

      Het kindercentrum houdt zich aan de resultaatafspraken ve en levert gegevens aan voor de monitoring daarvan;

    • f.

      Het kindercentrum levert aan de gemeente per kwartaal gegevens aan over de bezette vepeuterplaatsen in het kindercentrum, de ontvangen ouderbijdragen en het aantal

  • deelnemende ve-peuters met het door de gemeente aangeleverde registratieformulier en

  • bespreekt per kwartaal de voortgang van ve met de gemeente.

Artikel 11 Slotbepalingen

  • 1.

    Deze subsidieregeling treedt in werking op 1-1-2026.

  • 2.

    De Subsidieregeling voorschoolse educatie en peuteropvang gemeente Bunnik geldend van 1 februari 2025 tot en met 31 december 2025 wordt ingetrokken.

  • 3.

    De subsidieregeling voorschoolse educatie en peuteropvang gemeente Bunnik geldend van 1 februari 2025 tot en met 31 december 2025 blijft van toepassing op subsidies verstrekt op grond van die subsidieregeling en op ontvankelijke aanvragen om subsidie die zijn ingediend voor inwerkingtreding van deze subsidieregeling.

  • 4.

    Deze subsidieregeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling voorschoolse educatie en

  • peuteropvang gemeente Bunnik.

 

Aldus vastgesteld in de vergadering van 18 november 2025

De secretaris De burgemeester

Naar boven