Besluit tot wijziging van de beleidsregels Wmo en jeugdhulp gemeente Nieuwegein 2020

Het college van de gemeente Nieuwegein;

 

gelet op de Wmo en Jeugdhulpverordening gemeente Nieuwegein 2020;

 

besluit

 

vast te stellen

 

Besluit tot wijziging van de beleidsregels Wmo en jeugdhulp gemeente Nieuwegein 2020

Artikel I  

A.

Artikel 2.2.5

 

De eerste zin van de 2e alinea wordt als volgt gewijzigd:

 

Voor kortdurende zorgsituaties wordt een beroep gedaan op de eigen kracht, (boven)gebruikelijke hulp, hulp van personen uit het sociaal netwerk en/of algemeen gebruikelijk, algemene of andere voorzieningen.

 

B

Artikel 3.1 Eigen kracht

 

De derde alinea wordt als volgt gewijzigd:

 

Bij jeugdhulp betekent eigen kracht dat ouders in de eerste plaats zelf verantwoordelijk zijn voor het gezond en veilig opgroeien van hun kinderen. Kunnen zij zelf een oplossing vinden binnen hun eigen mogelijkheden of probleemoplossend vermogen, dan is de inzet van een maatwerkvoorziening op grond van de Jeugdwet niet nodig. Hieronder wordt in ieder geval verstaan:

 

  • 1.

    gebruikelijke hulp van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders

  • 2.

    bovengebruikelijke hulp van ouders voor zover zij beschikbaar en in staat zijn de noodzakelijke hulp te bieden, dit geen (dreigende) overbelasting oplevert en door het bieden van de bovengebruikelijke hulp geen financiële problemen in het gezin ontstaan

  • 3.

    de ondersteuning vanuit het sociale netwerk

  • 4.

    het aanspreken van een aanvullende zorgverzekering die is afgesloten

Het vierde voorbeeld wordt als volgt gewijzigd:

 

Een ouder van een kind met een autismestoornis die zich aanmeldt bij een online-praatgroep van andere ouders van kinderen met autisme om zijn zorgen over de opvoeding aan zijn kind te delen; daardoor is gespecialiseerde opvoedondersteuning niet nodig.

 

C

Artikel 3.2 Gebruikelijke hulp

 

De eerste alinea wordt als volgt gewijzigd:

 

Gebruikelijke hulp is de hulp die huisgenoten (zoals bijvoorbeeld een partner, ouders, inwonende volwassen kinderen) op grond van algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid geacht worden elkaar te bieden, omdat ze als leefeenheid gezamenlijk een woning bewonen en op grond daarvan een gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor elkaar en het functioneren van het huishouden. Voor jeugdigen geldt dit geldt ook bij ouders die uit elkaar zijn. Er wordt dan ook verwacht dat de gebruikelijke hulp geboden wordt door de ouder waar de jeugdige niet woont. Voor welk deel van de ondersteuningsvraag gebruikelijke hulp als (deel)oplossing kan worden aangemerkt, wordt bepaald door:

 

  • Wat naar algemene aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van een huisgenoot.

  • De intensiteit van de ondersteuningsbehoefte.

  • De verwachte duur van de ondersteuningsbehoefte (zie ook paragraaf 2.2.5).

  • De veerkracht, de belastbaarheid, deskundigheid en de leeftijd van de huisgenoot in relatie tot de aard, de intensiteit en verwachte duur van de ondersteuningsbehoefte.

De derde alinea wordt als volgt gewijzigd:

 

Hulp die in omvang en intensiteit de gebruikelijke hulp substantieel overstijgt, wordt aangemerkt als bovengebruikelijke hulp. Als deze bovengebruikelijke hulp geboden wordt door een huisgenoot, wordt dit ook als mantelzorg gezien (zie ook paragraaf 3.4.1). Maatstaven die worden gehanteerd om te bepalen wat de bovengebruikelijke hulp is, worden in hoofdstuk 5 en 6 nader beschreven. Alleen wanneer er sprake is van bovengebruikelijke hulp en/of de gebruikelijke hulp niet geboden kan worden in verband met beperkte veerkracht/overbelasting of onvoldoende deskundigheid van de huisgenoot, kan een maatwerkvoorziening Wmo worden ingezet. Mits hiervoor geen beroep kan worden gedaan op de eigen kracht van de inwoner, hulp van personen uit het sociaal netwerk, algemeen gebruikelijke, andere of algemene voorzieningen.

 

Voor de Jeugdwet geldt dat alleen een maatwerkvoorziening jeugdhulp kan worden ingezet wanneer ouders de (boven)gebruikelijke hulp niet kunnen bieden vanwege beperkte veerkracht/overbelasting of onvoldoende deskundigheid. Mits hiervoor geen beroep kan worden gedaan op hulp van personen uit het sociaal netwerk, algemene of andere voorzieningen.

 

D

Artikel 3.5.2 Afbakening Zvw

 

De vierde alinea wordt als volgt gewijzigd:

 

Afbakening Jeugdwet- Zvw

 

Als een jeugdige voor een ondersteuningsvraag in aanmerking komt voor zorg vanuit de Zvw, wordt geen maatwerkvoorziening op grond van de Jeugdwet toegekend. Als de jeugdige en/of de ouders een aanvullende zorgverzekering hebben die de benodigde hulp (deels) vergoedt, wordt van ouders of de jeugdige verwacht dat zij deze aanspreken. Het college verstrekt dan geen maatwerkvoorziening tot jeugdhulp of alleen een aanvullende voorziening voor het gedeelte dat niet wordt vergoed. Hiervoor geldt tevens de plicht tot afstemming.

 

E

Artikel 3.6 Algemene voorziening

 

De derde alinea wordt als volgt gewijzigd. De zin met als aanhef ”Denk bijvoorbeeld aan ....eenzaamheid “wordt vervangen door:

 

“Een voorbeeld van een algemene voorziening is de was- en strijkservice”. Zin erna blijf intact.

 

Er wordt een nieuw artikel ingevoegd dat als volgt luidt:

 

3.6.1 Afwegingskader Was en Strijkservice

 

Alle inwoners kunnen gebruik maken van de algemene voorziening was- en strijkservice tegen het reguliere tarief. Inwoners met een Wmo indicatie huishoudelijke ondersteuning kunnen gebruik maken van de was- en strijkservice tegen een gereduceerd tarief. Voor inwoner met een stadspas is er een korting op het gereduceerde tarief. Inwoners die gebruik maken van Wederkeer tegen een gereduceerd tarief (evt. met korting) kunnen maximaal 1 waszak van in totaal 10 kilo per week laten wassen (voor 2 wasmachines was). In uitzonderingsgevallen kan hiervan worden afgeweken. De hoogte van de bijdrage is vastgelegd in de Wmo jeugdhulpverordening gemeente Nieuwegein 2020. De gereduceerde kosten voor een waszak zijn lager dan de kosten voor thuis wassen, zoals door het Nibud berekend. De kosten voor thuis wassen bestaan onder andere uit kosten voor water, elektra, wasmiddel en afschrijving van de machine.

 

De algemene voorziening was- en strijkservice kan mogelijk niet geschikt zijn voor alle inwoners. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de situatie wanneer er méér was is dan gebruikelijk als gevolg van ernstige incontinentie, of in de situatie wanneer iemand chemotherapie heeft of wanneer er sprake is van besmet wasgoed. Het wassen kan dan alsnog onder de maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning vallen. Dit wordt individueel beoordeeld door het sociaal wijkteam.

 

F

Artikel 5.1.2 Normenkader, onder kopje 2 wasverzorging wordt gehele tekst vervangen door:

 

Van de inwoner verwachten we dat hij voor het verzorgen van de was zoveel mogelijk gebruik maakt van voorliggende voorzieningen, zoals de was- en strijkservice (Wederkeer). Indien dit echt niet mogelijk is, kan het resultaat wasverzorging worden geïndiceerd. Voorbeelden van deze uitzonderingssituaties zijn dat een inwoner (tijdelijk) chemotherapie heeft, waarbij de was separaat gewassen moet worden of bij zeer ernstige (fecale) incontinentie waarbij er dusdanig veel wasgoed is dat de was- en strijkservice niet geschikt is. Het gaat hierbij om het wassen, drogen en strijken van bovenkleding en/of, indien noodzakelijk, om het wassen en drogen van bed- en linnengoed. Het doel van dit resultaat is dat de inwoners beschikt over schone kleding en schoon bedden en linnengoed. Het gaat hier uitsluitend over normale kleding voor alledag. De verzorging van de was, zoals bedoeld binnen dit resultaatgebied, omvat het behandelen van vlekken, het wassen, het drogen en vouwen van de was en het terugleggen van kleding en beddengoed in de kast. De uiteindelijke invulling hiervan is aan de inwoner in overleg met de aanbieder. Verwacht mag worden dat de inwoner beschikt over een wasmachine en zoveel mogelijk strijkvrije kleding. Het voorkomen van extra was kan bijvoorbeeld door incontinentiemateriaal of anti-allergieproducten te gebruiken. Ook de aanschaf van een droger of het kopen van kleding die niet gestreken hoeft te worden kan bijdragen aan het voorkomen van extra waswerkzaamheden. Bedden- en linnengoed wordt in principe niet gestreken.

 

Ondersteuning ten behoeve van dit resultaat wordt geboden als een inwoner een belemmering heeft bij het op orde en schoonhouden van het linnen en/of beddengoed en kleding. Verwacht mag worden dat de inwoner beschikt over een wasmachine, dit behoort tot de verantwoordelijkheid van de inwoner.

 

Uiteraard wordt ook hierbij eerst gekeken wat er op eigen kracht of met hulp van personen uit het sociaal netwerk kan worden opgelost (denk aan eigen keuze voor strijkvrije kleding of zittend strijken als staan een probleem vormt). Wanneer de was overgenomen dient te worden, wordt in de eerste instantie verwezen naar de was- en strijkservice.

 

G

 

Hoofdstuk 6 Maatwerkvoorzieningen Jeugdhulp

 

De tweede alinea wordt als volgt gewijzigd:

 

Zoals al gesteld in hoofdstuk 1 en 3, worden maatwerkvoorzieningen Jeugdhulp enkel toegekend wanneer deze de jeugdige in staat stellen om veilig en gezond op te groeien, zijn of haar deelname aan het maatschappelijk verkeer bevorderen en/of zelfredzaamheid vergroten. Dit kan dus ook door een ouder in zijn opvoedrol te versterken. Jeugdigen en/of ouder(s) komen pas in aanmerking voor een maatwerkvoorziening als zij zelf geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag binnen hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (eigen kracht). Hieronder wordt in ieder geval verstaan:

 

  • gebruikelijke hulp van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders

  • bovengebruikelijke hulp van ouders voor zover zij beschikbaar en in staat zijn de noodzakelijke hulp te bieden, dit geen (dreigende) overbelasting oplevert en door het bieden van de bovengebruikelijke hulp geen financiële problemen in het gezin ontstaan

  • de ondersteuning vanuit het sociale netwerk

  • het aanspreken van een aanvullende zorgverzekering die is afgesloten

H

 

Artikel 6.1 (Boven)gebruikelijke hulp

 

De derde, vierde en vijfde alinea wordt als volgt gewijzigd:

 

In het Burgerlijk Wetboek (artikel 1:247BW) is geregeld dat ouders verplicht zijn een minderjarig kind te verzorgen, op te voeden en toezicht te bieden. Het gaat om de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijke welzijn en de veiligheid van het kind, maar ook om het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid. Deze plicht voor ouders geldt tot het kind 18 jaar wordt. Daarna geldt een voortgezette onderhoudsplicht voor de kosten van levensonderhoud en studie tot het kind 21 jaar wordt. Beide gelden ook voor een kind met een ziekte, aandoening of beperking. Bij uitval van 1 van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp over. Dit geldt ook bij ouders die uit elkaar zijn. Er wordt dan ook rekening gehouden met de gebruikelijke hulp van de ouder waar de jeugdige niet woont.

 

Ondersteuningsvraag van de ouder

 

Vanuit het perspectief van de ouder, is gebruikelijke hulp de hulp die de ouder naar algemeen aanvaarde opvattingen bij het opvoeden van het kind mag verwachten van de (ex-)partner of eventuele andere meerjarige huisgenoten en ook waar nodig en mogelijk zelf kan uitvoeren.

 

Zoals aangegeven in paragraaf 3.2 wordt hulp die in omvang en intensiteit de gebruikelijke hulp substantieel overstijgt, aangemerkt als bovengebruikelijke hulp. Ouders zijn in eerste instantie nog steeds verantwoordelijk voor het bieden van bovengebruikelijke hulp. Alleen wanneer er sprake is van (dreigende) overbelasting bij de ouders en de (boven)gebruikelijke hulp niet door het sociaal netwerk of een voorliggende voorziening geboden kan worden, kan een maatwerkvoorziening worden ingezet. Er moet dan wel een verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de hulp aan de jeugdige.

 

I

6.1.1. Eigen kracht bij een bovengebruikelijke ondersteuningsvraag

 

Het artikel wordt als volgt gewijzigd:

 

Op grond van de Jeugdwet (artikel 2.3 lid 1 van de Jeugdwet) hoeft het college geen voorziening Jeugdhulp te treffen wanneer de jeugdige of de ouders in staat zijn de problemen zelf op te lossen. Dit wordt in de praktijk ook wel ‘eigen kracht’ genoemd en is gebaseerd op het principe dat ouders op de eerste plaats zelf verantwoordelijk zijn voor het gezond en veilig opgroeien van hun kinderen en dus ook voor het oplossen van problemen die zich daarbij voordoen.

 

Om te bepalen of sprake is van voldoende eigen kracht van ouders, hanteert het college de volgende hulpvragen:

 

  • 1.

    Is de ouder (en/of het sociaal netwerk) in staat de noodzakelijke hulp te bieden?

  • 2.

    Is de ouder (en of het sociaal netwerk) beschikbaar om de noodzakelijke hulp te bieden?

  • 3.

    Levert het bieden van de hulp overbelasting van de ouder op?

  • 4.

    Levert het bieden van de hulp financiële problemen op?

Wanneer uit het onderzoek naar deze factoren blijkt dat de ouder de benodigde hulp kan bieden zonder dat dit tot problemen leidt op één van deze terreinen, dan kan het college concluderen dat er sprake is van voldoende eigen kracht. Ook bij een bovengebruikelijke hulpvraag hoeft in dat geval geen maatwerkvoorziening Jeugdhulp te worden ingezet.

 

Kortom, ouders zijn in beginsel zelf verantwoordelijk voor (boven)gebruikelijke hulp.

 

Wanneer uit het onderzoek blijkt dat het bieden van bovengebruikelijke hulp overbelasting van de ouder oplevert, hanteert het college als uitgangspunt dat in die situatie geen maatwerkvoorziening Jeugdhulp in de vorm van een pgb kan worden toegekend voor ondersteuning aan het kind geboden door de overbelaste ouder. Zie ook paragraaf 4.4.4.

 

J

6.1.3 (Dreigende) overbelasting of gebrek aan deskundigheid

 

De eerste zin van de tweede alinea wordt als volgt gewijzigd:

 

Zo kan het voorkomen dat een ouder door de zorg voor zijn/haar kind overbelast is geraakt of niet over de juiste vaardigheden beschikt en daardoor niet (langer) in staat is de (boven)gebruikelijke hulp aan het kind te bieden.

 

De laatste zin van de zevende alinea wordt als volgt gewijzigd:

 

Ook hier geldt dat dit enkel kan, wanneer de ondersteuningsvraag onvoldoende kan worden opgelost op eigen kracht, hulp van personen uit het sociaal netwerk, algemeen gebruikelijke, andere en/of algemene voorzieningen.

 

K

Artikel 6.5 Jeugdhulpvervoer

 

Na de eerste alinea wordt een nieuw alinea ingevoegd dat luidt:

 

Uitgangspunt is dat ouder(s) zelf verantwoordelijk zijn voor vervoer van de jeugdige van en naar de jeugdhulpaanbieder. Het college beoordeelt in elke individuele situatie of er specifieke omstandigheden zijn waardoor de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of zijn ouder(s) onvoldoende zijn om de eigen verantwoordelijkheid voor het vervoer op zich te nemen.

 

L

Bijlage 5 Behoeften en vaardigheden kind zonder beperking per levensfase en -gebied

 

De tabel vervalt.

 

M

Bijlage 6 Richtlijn bovengebruikelijke tijdsinvestering (minuten) handelingen persoonlijke verzorging jeugdigen vervalt

 

N

Bijlage 7 Afwegingskader eigen kracht jeugdhulp vervalt

 

O

Er wordt een nieuw bijlage ingevoegd dat luidt:

 

Bijlage 6 Zorgplicht ouders

 

Ouders hebben een zorgplicht voor hun kinderen. Het verlenen van de gebruikelijke zorg voor een kind valt altijd onder de eigen kracht. De richtlijnen van gebruikelijke zorg zijn nader uitgewerkt, maar dit betreft een niet limitatieve lijst.

 

  • De zorgplicht (gebruikelijke zorg) voor kinderen van 0 tot en met 4 jaar:

    • o

      Kunnen niet zonder toezicht van volwassenen.

    • o

      Hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotore ontwikkeling.

    • o

      Moeten volledig verzorgd worden; aan- en uitkleden, eten en wassen.

    • o

      Zijn tot 4 jaar niet zindelijk.

    • o

      Hebben begeleiding nodig bij hun sport/spel- en vrijetijdsbesteding, hebben dit niet in verenigingsverband.

    • o

      Zijn niet in staat zich zonder begeleiding in het verkeer te begeven.

  • De zorgplicht (gebruikelijke zorg) voor kinderen van 5 tot en met 11 jaar:

    • o

      Hebben een reguliere dagbesteding op school.

    • o

      Kunnen niet zonder toezicht van volwassenen.

    • o

      Hebben toezicht nodig (en nog maar weinig hulp) bij hun persoonlijke verzorging.

    • o

      Hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotore ontwikkeling.

    • o

      Zijn overdag zindelijk en 's nachts merendeels ook.

    • o

      Sport- en hobbyactiviteiten in verenigingsverband, gemiddeld 2x per week.

    • o

      Hebben bij hun vrijetijdsbesteding alleen begeleiding nodig in het verkeer wanneer zij van en haar hun activiteiten gaan.

  • De zorgplicht (gebruikelijke zorg) voor kinderen van 12 tot en met 17 jaar:

    • o

      Hebben geen hulp (en maar weinig toezicht) nodig bij hun persoonlijke verzorging.

    • o

      Hebben geen voortdurend toezicht nodig van volwassenen;

    • o

      Kunnen vanaf 12 jaar enkele uren alleen gelaten worden;

    • o

      Kunnen vanaf 16 jaar dag en nacht alleen gelaten worden;

    • o

      Kunnen vanaf 18 jaar zelfstandig wonen

    • o

      Sport- en hobbyactiviteiten in verenigingsverband, onbekend aantal keer per week.

    • o

      Hebben bij hun vrijetijdsbesteding geen begeleiding nodig in het verkeer.

    • o

      Hebben tot 18 jaar een reguliere dagbesteding op school/opleiding.

    • o

      Hebben begeleiding en stimulans nodig bij ontplooiing en ontwikkeling (bv. huiswerk).

Dit besluit treedt in werking op de dag na bekendmaking.

Aldus vastgesteld in de collegevergadering van 14 oktober 2025.

Ellie Liebregts

secretaris

Marijke Huijbregts-van Beukering

burgemeester

Naar boven