Besluit tot wijziging van de Wmo en jeugdhulp verordening gemeente Nieuwegein 2020

De raad van de gemeente Nieuwegein;

 

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 14 oktober 2025;

 

gelet op artikel 149 van de Gemeentewet;

 

besluit

 

vast te stellen

 

Besluit tot wijziging van de Wmo en jeugdhulp verordening gemeente Nieuwegein 2020

Artikel I  

A.

Artikel 3.1 derde lid wordt als volgt gewijzigd

 

Na de volgende tekst/opsomming:

 

  • - Informatie en advies;

  • - Lichte hulp en ondersteuning.

wordt toegevoegd:

 

  • Was en strijkservice

B.

Na artikel 3.6 wordt een nieuw artikel ingevoegd dat als volgt luidt:

 

Artikel 3.7 kosten algemene voorziening Wmo

 

De algemene voorziening was- en strijkservice bestaat uit: het wassen en zo nodig strijken van het wasgoed.

 

  • 1.

    Voor de algemene voorziening was- en strijkservice is de inwoner een bijdrage in de kosten verschuldigd. Deze bijdrage is ter hoogte van de kostprijs van de voorziening.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid is de bijdrage voor een inwoner die gebruik maakt van de Wmo-maatwerkvoorziening voor huishoudelijke ondersteuning:

     

    • a.

      € 5,- voor 10 kilo was per week

    • b.

      € 2,50 voor 10 kilo was per week voor inwoners die daarnaast in bezit zijn van een stadspas

  • 3.

    voor inwoners, die reeds wasverzorging ontvangen op grond van het oude recht treden lid 1 en 2 pas drie maanden na bekendmaking in werking.

C

Na artikel 3.2 wordt een nieuw artikel ingevoegd dat luidt:

 

Artikel 3.3 Afwegingskader Eigen Kracht Jeugdhulp

 

  • 1.

    Ouders zijn in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor het gezond en veilig opgroeien van hun kinderen. Jeugdigen en/of ouder(s) komen pas in aanmerking voor een maatwerkvoorziening als zij zelf geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag binnen hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (eigen kracht). Hieronder wordt in ieder geval verstaan:

    • gebruikelijke hulp van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders

    • bovengebruikelijke hulp van ouders voor zover zij beschikbaar en in staat zijn de noodzakelijke hulp te bieden, dit geen (dreigende) overbelasting oplevert en door het bieden van de bovengebruikelijke hulp geen financiële problemen in het gezin ontstaan

    • de ondersteuning vanuit het sociale netwerk

    • het aanspreken van een aanvullende zorgverzekering die is afgesloten

  • 2.

    Gebruikelijke hulp is hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders. In het Burgerlijk Wetboek (artikel 1:247BW) is geregeld dat ouders verplicht zijn een minderjarig kind te verzorgen, op te voeden, te begeleiden en toezicht te bieden. Het gaat om de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijke welzijn en de veiligheid van het kind, maar ook om het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid. Deze plicht voor ouders geldt tot het kind 18 jaar wordt. Daarna geldt een voortgezette onderhoudsplicht voor de kosten van levensonderhoud en studie tot het kind 21 jaar wordt. Beide gelden ook voor een kind met een ziekte, aandoening of beperking. Bij uitval van 1 van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp over. Dit geldt ook bij ouders die uit elkaar zijn. Er wordt dan ook rekening gehouden met de gebruikelijke hulp van de ouder waar de jeugdige niet woont.

  • 3.

    Om vast te stellen of sprake is van gebruikelijke hulp beoordeelt het college of de benodigde hulp uitgaat boven de hulp die een jeugdige van dezelfde leeftijd zonder ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek nodig heeft. Het college houdt hierbij rekening met de volgende factoren:

    • a.

      de leeftijd van de jeugdige

    • b.

      de mate van zorg bij activiteiten en handelingen, de mate van toezicht en de mate van begeleiding/stimulans die een jeugdige van die leeftijd nodig heeft

    • c.

      de aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit van de jeugdige

    • d.

      de mate van planbaarheid van de hulp

    • e.

      de behoeften en mogelijkheden van de jeugdige

  • 4.

    Als er sprake is van gebruikelijke hulp verstrekt het college geen maatwerkvoorziening tot jeugdhulp. Hierop kan (tijdelijk) een uitzondering worden gemaakt als de ouders door (dreigende) overbelasting de gebruikelijke hulp niet kunnen bieden. Er moet dan wel een verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de hulp aan de jeugdige.

  • 5.

    Gaat het om hulp die de gebruikelijke hulp overstijgt, zijn de ouders in eerste instantie nog steeds verantwoordelijk voor het bieden van deze bovengebruikelijke hulp. Het college beoordeelt dan of van ouders verwacht mag worden dat ze deze hulp bieden, zoals in lid 1 staat weergegeven. Het college maakt hierbij onderscheid tussen kortdurende en langdurende situaties:

    • Kortdurend: er is uitzicht op herstel van het (gezondheids)probleem en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de jeugdige. Het gaat hierbij over een aaneengesloten éénmalige periode van maximaal drie maanden in één kalenderjaar.

    • Langdurend: het gaat om chronische situaties waarbij naar verwachting de jeugdhulp langer dan drie maanden nodig is of voor meerdere periodes van drie maanden in één kalenderjaar.

  • 6.

    Het college verwacht van ouders dat zij in kortdurende situaties de bovengebruikelijke hulp bieden, tenzij de ouders door (dreigende) overbelasting de hulp niet kunnen bieden. Er moet dan wel een verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de hulp aan de jeugdige.

  • 7.

    Bij de beoordeling in langdurige situaties houdt het college rekening met de volgende factoren:

    • a)

      de aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit van de jeugdige

    • b)

      de frequentie en patroon van de handelingen

    • c)

      de mate van planbaarheid van de hulp

    • d)

      het lichamelijk en geestelijk welzijn van de ouders

    • e)

      de manier van omgaan van ouders met de problemen van de jeugdige

    • f)

      vaardigheden van de ouders om zelf hulp te bieden (bijvoorbeeld een verpleegachtergrond)

    • g)

      of er sprake is van problematiek bij de ouders, zoals relationele problemen of schulden

    • h)

      welke verplichtingen de ouders hebben, bijvoorbeeld voor werk en sociale verplichtingen

    • i)

      het belang van ouders om een inkomen uit arbeid te krijgen en het eventueel ontstaan van financiële problemen

    • j)

      de woonsituatie

    • k)

      de samenstelling van het gezin en de relatie tussen de gezinsleden (bijvoorbeeld of er sprake is van een wettelijke stiefouder of niet)

    • l)

      is er een sociaal netwerk en zo ja, wat zijn de mogelijkheden en de bereidheid van het sociaal netwerk om de jeugdige of zijn ouders te ondersteunen

    • m)

      overige individuele omstandigheden die door jeugdige en ouders worden ingebracht

  • 8.

    Als bovengenoemde factoren niet leiden tot problemen bij het kunnen verlenen van de hulp door de ouders, bij de beschikbaarheid van de ouders voor het verlenen van de hulp, bij de belasting van de ouders en bij de financiële situatie van de ouders wordt van hen verwacht dat zij de bovengebruikelijke hulp (eventueel deels) verlenen. Het college verstrekt dan geen maatwerkvoorziening tot jeugdhulp.

  • 9.

    Bij (dreigende) overbelasting geldt nog het volgende:

    • Er moet een verband zijn tussen de overbelasting en de zorg aan de jeugdige.

    • Als de overbelasting zit op spanningen door het werk (bijvoorbeeld door te veel uren werken of stress) of door andere factoren buiten de zorg van de jeugdige om, moet de ouder eerst een oplossing zoeken in de oorzaak van die spanningen.

    • Bij een aanvraag voor een maatwerkvoorziening tot jeugdhulp bekijkt het college wat wordt gedaan om die spanningen te verminderen.

    • Als de (dreigende) overbelasting kan worden verminderd door het herinrichten van het werk of andere sociale/maatschappelijke activiteiten wordt dit eerst van de ouder verwacht.

    • Het verlenen van hulp aan je kind gaat voor op sociale/maatschappelijke activiteiten.

    • Als er sprake is van (dreigende) overbelasting van de ouder wordt de afgegeven voorziening in de vorm van een pgb beëindigd. Een andere zorgverlener moet het verlenen van hulp overnemen om de overbelasting te stoppen. Dit kan in de vorm van ZIN of weer in de vorm van een Pgb.

  • 10.

    Als ouders een beroep kunnen doen op het sociale netwerk voor het bieden van ondersteuning bij de benodigde hulp aan de jeugdige wordt van hen verwacht dat ze hier gebruik van maken. De ondersteuning die het sociale netwerk biedt, valt onder de eigen kracht. Het college verstrekt hiervoor geen maatwerkvoorziening tot jeugdhulp.

  • 11.

    Als de jeugdige en/of de ouders een aanvullende zorgverzekering hebben die de benodigde hulp (deels) vergoedt, wordt van ouders verwacht dat zij deze aanspreken. Het college verstrekt dan geen maatwerkvoorziening tot jeugdhulp of alleen een aanvullende voorziening voor het gedeelte dat niet wordt vergoed.

D

Artikel 3.3 Aanvullende criteria maatwerkvoorziening wordt artikel 3.4 Aanvullende criteria maatwerkvoorziening

 

Artikel 3.4 Aanvullende criteria maatwerkvoorziening Wmo wordt artikel 3.5 Aanvullende criteria maatwerkvoorziening Wmo

 

Artikel 3.5 Bijdrage kosten voorzieningen Wmo wordt artikel 3.6 Bijdrage kosten voorzieningen Wmo

 

Artikel 3.6 kosten algemene voorziening Wmo wordt art 3.7 kosten algemene voorziening Wmo

 

E

Verwijderen bijlage 1 ‘stappenplan bepaling verantwoordelijke gemeente’ uit de verordening.

 

F

Artikel 2.4 Verslaglegging onderzoek wordt als volgt gewijzigd:

 

Het woord ‘doelenplan’ wordt vervangen door het woord ‘ondersteuningsplan’.

 

G

Artikel 2.5 Aanvraag en beschikking maatwerkvoorziening wordt als volgt gewijzigd:

 

Het woord ‘doelenplan’ wordt vervangen door het woord ‘ondersteuningsplan’.

 

H

Artikel 3.1, zesde lid wordt als volgt gewijzigd:

 

  • 6.

    Een maatwerkvoorziening Jeugdhulp als bedoeld in het tweede lid, omvat voor zover het naar het oordeel van het college noodzakelijk is, ook het vervoer van en naar de locatie waar de jeugdhulp geboden wordt. Uitgangspunt is dat ouder(s) zelf verantwoordelijk zijn voor vervoer van de jeugdige van en naar de jeugdhulpaanbieder. Het college beoordeelt, overeenkomstig met artikel 3.3, in elke individuele situatie of er specifieke omstandigheden zijn waardoor de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of zijn ouder(s) onvoldoende zijn om de eigen verantwoordelijkheid voor het vervoer op zich te nemen.

I

Na artikel 4.2.1. wordt een nieuw lid ingevoegd dat als volgt luidt:

 

Artikel 4.2.2.

 

We maken binnen de tarieven voor PGB’s onderscheid tussen formele hulp en informele hulp.

 

  • a.

    Van formele hulp is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van bloed-of aanverwanten in de 1e of 2e graad van de cliënt:

     

    • -

      personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of

    • -

      personen die aangemerkt zijn als zelfstandige zonder personeel (ZZP). Daarnaast moeten ze ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken.

    • -

      Als het om Jeugdhulp gaat dan geldt aanvullend: personen die onder toezicht staan van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) en die ingeschreven staan in het register, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG-register) en/of artikel 5.2.1 van het Besluit Jeugdwet (SKJ-register), voor het uitoefenen van een beroep voor het verlenen van Jeugdhulp.

  • b.

    Van informele hulp is sprake wanneer de hulp verleend wordt door onderstaande personen:

     

    • -

      Als de hulp geboden wordt door een bloed-of aanverwant in de 1e of 2e graad van de budgethouder, is altijd sprake van informele hulp.

    • -

      Als de hulp wordt verleend door een andere persoon dan beschreven in lid 4.2.2. onder a., is sprake van informele hulp.

J

Artikel 4.2, tweede lid wordt vervangen en komt als volgt te luiden:

 

''We maken binnen de tarieven voor PGB’s onderscheid tussen formele hulp en informele hulp:

Van formele hulp is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van bloed-of aanverwanten in de 1e of 2e graad van de cliënt:

 

  • personen die vanuit een instelling worden ingezet die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en die beschikken over de relevante diploma’s, vergelijkbaar met waaraan personeel bij aanbieders vanuit zorg in natura (ZIN) moeten voldoen en die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of

  • personen die aangemerkt zijn als zelfstandige zonder personeel (ZZP). Daarnaast moeten ze ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, vergelijkbaar met waaraan personeel bij aanbieders vanuit zorg in natura (ZIN) moeten voldoen.

  • Als het om Jeugdhulp gaat dan geldt aanvullend: personen die onder toezicht staan van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) en die ingeschreven staan in het register, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG-register) en/of artikel 5.2.1 van het Besluit Jeugdwet (SKJ-register), voor het uitoefenen van een beroep voor het verlenen van Jeugdhulp.

Van informele hulp is sprake wanneer de hulp verleend wordt door onderstaande personen:

 

  • Als de hulp geboden wordt door een bloed-of aanverwant in de 1e of 2e graad van de budgethouder, is altijd sprake van informele hulp.

  • Als de hulp wordt verleend door een andere persoon dan beschreven in lid 4.2.2. onder a., is sprake van informele hulp''

Artikel 4.2 tweede lid (oud) wordt artikel 4.2 derde lid en komt als volgt te luiden:

 

Na de aanhef (ongewijzigd) wordt het kopje formele zorg toegevoegd

 

Sub c (oud) wordt sub a

 

Sub d (oud) wordt als sub b

 

Kopje informele zorg wordt na sub b toegevoegd :

 

Sub c en d komen als volgt te luiden:

 

  • c.

    De hoogte van het pgb voor informele jeugdhulp en informele ondersteuning vanuit de Wmo is niet minder dan het wettelijk minimumloon, inclusief vakantietoeslag.

  • d.

    Voor informele hulp die per dagdeel of etmaal wordt vergoed, wordt maximaal 50% vergoed van het zorg in natura-tarief.

K

Artikel 4.3 lid 5 wordt geschrapt.

 

artikel 4.3 lid 6 (oud) wordt lid 5

 

Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na die van de bekendmaking.

Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van 27 november 2025.

Jan Karens

griffier

Marijke Huijbregts-van Beukering

Voorzitter

Toelichting bij wmo jeugdhulp verordening

Onderdeel B

 

Een nieuw artikel 3.7 is ingevoegd over de was- en strijkservice als algemene voorziening. Aan inwoners wordt een bijdrage gevraagd voor deze algemene voorziening. Inwoners met een Wmo indicatie voor huishoudelijke hulp betalen een gereduceerd tarief.

 

Tweede lid: In dit lid staat de hoogte van de bijdrage vermeld voor de inwoners met een indicatie voor huishoudelijke hulp. Indien zij daarnaast in het bezit zijn van een stadspas ligt de bijdrage nog lager.

 

In het derde lid is het overgangsrecht vermeld. Het overgangsrecht heeft betrekking op inwoners die voor de wijziging al wasverzorging ontvangen van een aanbieder huishoudelijke hulp als onderdeel van de maatwerkvoorziening Hulp bij het Huishouden (HO) op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015);

Daarnaast heeft het overgangsrecht betrekking op inwoners die voor de wijziging al wasverzorging ontvangen via de diensten van Wederkeer, als onderdeel van de maatwerkvoorziening Hulp bij het Huishouden (HO) op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015).

Voor deze inwoners geldt een overgangstermijn van drie maanden vanaf de datum van beëindiging van de wasverzorging, als onderdeel van de maatwerkvoorziening HO.

 

Onderdeel C

 

Na de toelichting op het artikel 3.2 wordt een toelichting op het artikel 3.3 Afwegingskader Eigen Kracht Jeugdhulp ingevoegd dat luidt:

 

De verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen ligt allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf. Van ouders mag worden verwacht dat zij de nodige aanpassingen doen om de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen te realiseren. Dat kan betekenen dat zij hun eigen loopbaanplannen, de wijze waarop zij hun betaalde arbeid hebben georganiseerd of hun financiële situatie moeten bijstellen om voor het kind beschikbaar te zijn en de noodzakelijke hulp te bieden. Als uit zorgvuldig uitgevoerd onderzoek blijkt dat de noodzakelijke hulp met eigen mogelijkheden en het eigen probleemoplossend vermogen kan worden geboden, hoeft het college geen voorziening te treffen. Ouders behoren de tot hun gezin behorende minderjarige kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht op hen te houden, ook als het kind een ziekte, aandoening of beperking heeft. Ook bovengebruikelijke hulp kan in beginsel van ouders worden verwacht, zo blijkt uit rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep. Deze oordeelde dat de ouder, die haar baan had opgezegd in verband met de zorg voor haar kind, de zorg aankon en verleende en het dus van haar mocht worden verwacht. Er was sprake van voldoende eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen.

 

Bij ouders die uit elkaar zijn geldt als uitgangspunt dat beide ouders met gezag verantwoordelijk zijn voor het bieden van ondersteuning. Ook stiefouders zijn verantwoordelijk voor het bieden van ondersteuning aan tot het gezin behorende (stief)kinderen.

 

Eerste lid

Het eerste lid geeft invulling aan de hiervoor geformuleerde uitgangspunten. Daarbij wordt een ruime beoordelingsruimte aan het college toegekend. Het college maakt in de individuele situatie een beoordeling van de mogelijkheden en neemt daarbij de geformuleerde uitgangspunten als basis.

 

Tweede lid

De inzet van ‘gebruikelijke hulp’ is het uitgangspunt bij de uitvoering van de wet. De in het Burgerlijk Wetboek (in de artikelen 1:82 en 1:247 BW) verankerde eigen verantwoordelijkheid van ouders en de jeugdige om problemen op te lossen, staat voorop. Daarbij geldt dat het aan ouders is om de tot hun gezin behorende minderjarig kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht op hen te houden. Als de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen toereikend zijn, wordt geen maatwerkvoorziening verstrekt, zo bepaalt het eerste lid.

 

Derde lid

Hier worden de factoren benoemd waarmee het college bepaalt of de hulp gebruikelijk is.

 

Vierde lid

In het vierde lid wordt aangegeven dat het gezin in beginsel verantwoordelijk is voor de gebruikelijke hulp. Als blijkt dat de draagkracht van het gezin de draaglast aankan is er geen noodzaak voor het college om een voorziening op basis van de wet toe te kennen.

 

Vijfde, zesde, zevende en achtste lid:

De inzet van ‘bovengebruikelijke hulp’ is in eerste instantie de verantwoordelijkheid van de ouders. Als de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen toereikend zijn om de bovengebruikelijke hulp te bieden, wordt geen maatwerkvoorziening verstrekt. In het vijfde lid wordt aangegeven dat er rekening wordt gehouden met de duur van de situatie bij het bepalen van de eigen mogelijkheden. In de zesde lid wordt aangegeven dat ouders in beginsel verantwoordelijk zijn bij kortdurende situaties. In de zevende lid wordt aangegeven dat bij langdurige situaties er rekening wordt gehouden met de draagkracht en belastbaarheid van ouders. In het zevende lid, punt b wordt aangegeven dat er rekening gehouden wordt met de frequentie en patroon van de handelingen. Dat betekent dat handelingen die meelopen in het normale patroon van dagelijkse zorg voor een jeugdige, zoals drie keer eten per dag, kunnen als gebruikelijke hulp worden aangemerkt. Denk bijvoorbeeld aan het geven van medicijnen tijdens de maaltijden. In het zevende lid, punt f wordt aangegeven dat er rekening gehouden wordt met de vaardigheden van de ouders om zelf hulp te bieden (bijvoorbeeld een verpleegachtergrond). Maar voor handelingen die gericht zijn op het ontwikkelen van vaardigheden wordt geen maatwerkvoorziening verstrekt binnen de gezinsrelatie, zoals de ouder-kindrelatie, aangezien dit valt onder gebruikelijke opvoedverantwoordelijkheid. In de achtste lid wordt aangegeven dat als de factoren benoemd in lid 7 niet tot problemen leiden bij het kunnen verlenen van de bovengebruikelijke hulp door ouders, de beschikbaarhied van ouders om de bovengebruikelijke hulp te verlenen, de belasting van ouders en de financiële situatie van ouders, dat er geen maatwerkvoorziening verstrekt wordt.

 

Negende lid

De negende lid gaat over overbelasting of dreigende overbelasting, waardoor geen (boven)gebruikelijke hulp kan worden verwacht totdat deze belasting of dreigende overbelasting is opgeheven. Onderzocht moet worden welke mogelijkheden de ouder(s) hebben (heeft) om de overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen. Onder andere mag verwacht worden dat zij bereid zijn maatschappelijke activiteiten te beperken en betaalde arbeid aan te passen om zo de overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen.

 

Tiende lid

Tot het sociale netwerk behoren andere personen binnen de kring van familie, vrienden, kennissen en bekenden die van betekenis zijn voor- en bijdragen aan het welzijn en welbevinden van de jeugdige of zijn ouder(s). Het college zal concreet moeten beoordelen welke hulp zij kunnen bieden, waardoor er geen of in mindere mate een beroep gedaan hoeft te worden op een maatwerkvoorziening. De jeugdige en de ouder(s) verlenen, op grond van hun medewerkingsplicht, medewerking aan dit onderzoek.

 

Elfde lid

Op het moment dat ouders een aanvullende verzekering hebben afgesloten op basis waarvan zij (al dan niet gedeeltelijk) recht hebben op hulp (gefinancierd) vanuit de verzekeraar, dan moeten zij daar eerst gebruik van maken. Het gaat hierbij om een al afgesloten verzekering. Dit verplicht ouders niet tot het afsluiten van een aanvullende verzekering, zodat zij daar vervolgens een beroep op zouden kunnen doen.

 

Onderdeel E

 

Artikel 1 Begripsbepalingen wordt als volgt gewijzigd:

 

Hoofdverblijf

Soms is het lastig te bepalen wat het hoofdverblijf van een inwoner is. Bij twijfel kan de plaats waar per jaar de meeste nachten worden doorgebracht, beschouwd worden als de plaats waar iemand zijn hoofdverblijf heeft. Dit kan een rol spelen als iemand meerdere plaatsen heeft waar een groot deel van het jaar wordt doorgebracht. Indien de inwoner met een briefadres in de basisregistratie personen ingeschreven staat, gaat het om het feitelijk woonadres.

 

Onderdeel F

 

Artikel 2.4 Verslaglegging onderzoek wordt als volgt gewijzigd:

 

Het woord ‘doelenplan’ wordt vervangen door het woord ‘ondersteuningsplan’.

 

Onderdeel G

 

Artikel 2.5 Aanvraag en besluit maatwerkvoorziening wordt als volgt gewijzigd:

 

Het woord ‘doelenplan’ wordt vervangen door het woord ‘ondersteuningsplan’.

 

Onderdeel H

 

Artikel 3.1, zesde lid wordt als volgt gewijzigd:

 

Het vervoer van de jeugdige van en naar de locatie waar jeugdhulp geboden wordt, kan ook onderdeel van de maatwerkvoorziening Jeugdhulp zijn. Als uitgangspunt geldt dat de ouders in beginsel zelf verantwoordelijk zijn voor het vervoer. Dat vervoer moet dan wel noodzakelijk zijn in verband met een medische noodzaak of met beperkingen in de zelfredzaamheid van de jeugdige. Dit betekent dat het vervoer noodzakelijk moet zijn om de locatie van de jeugdhulp te kunnen bereiken Om te benadrukken dat het college daarbij de eigen verantwoordelijkheid van ouders als uitgangspunt neemt, wordt expliciet gemaakt dat het college in elke individuele situatie een afweging moet maken of er specifieke omstandigheden zijn waardoor er (ondanks de eigen verantwoordelijkheid van de ouders) een vervoersvoorziening moet worden verstrekt. Wanneer de ouders in staat zijn de jeugdige zelf te vervoeren, is er sprake van ‘eigen kracht’ die aan de toekenning van een vervoersvoorziening in de weg staat.

 

Onderdeel I

 

Artikel 4.2, eerste en tweede lid wordt als volgt gewijzigd:

 

Op grond van artikel 2.1.3 tweede lid, onder b. van de Wmo en artikel 2.9 onderdeel c. van de Jeugdwet dient bij verordening de essentialia te worden vastgesteld voor het bepalen van de hoogte van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb. Het betreft de substantiële materiële norm- en kaderstelling, in de vorm van een berekeningswijze voor het bepalen van de hoogte van pgb’s, die iedere keer als uitgangspunt genomen wordt.

 

Een op basis van deze berekeningswijze vastgesteld budget moet de inwoner in staat stellen de benodigde ondersteuning van derden te betrekken. Met dien verstande dat het college het pgb gedeeltelijk kan weigeren wanneer de kosten van het pgb hoger zijn dan de maatwerkvoorziening in natura. De hoogte van een pgb wordt in belangrijke mate bepaald door wat het de gemeente zou kosten als het de betreffende maatwerkvoorziening in natura zou verstrekken (‘de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst passende maatwerkvoorziening in natura’). De tarieven die de gemeente voor zorg in natura overeen is gekomen met aanbieders maken onderdeel uit van de nadere regels. De hoogte bedraagt maximaal de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst passende maatwerkvoorziening in natura. Zoals blijkt uit het tweede lid onder a. en b. kan in de berekeningswijze voor het bepalen van de hoogte van het pgb een percentage van het uurtarief in natura worden gehanteerd. Het college is bevoegd een lager tarief dan het tarief in natura voor de berekening als uitgangspunt te hanteren, aangezien een solistisch (zelfstandig) werkende aanbieder bijvoorbeeld met aanzienlijk lagere overheadkosten ondersteuning kan bieden dan de grotere aanbieders die namens het college de zorg in natura verlenen.

Naar boven