Gemeenteblad van Staphorst
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Staphorst | Gemeenteblad 2025, 523060 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Staphorst | Gemeenteblad 2025, 523060 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Verordening op de heffing en invordering van riool- en waterzorgheffing 2026
Artikel 1 Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
Artikel 2 Aard van de belasting
Onder de naam “rioolheffing” wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan:
Artikel 6 Maatstaf van heffing
Het aantal kubieke meters leiding- en grondwater dat wordt afgevoerd wordt gesteld op het aantal kubieke meters leidingwater, grondwater en oppervlaktewater dat in de aan het begin van het belastingjaar voorafgaande verbruiksperiode naar het perceel is toegevoerd of is opgepompt. Als de verbruiksperiode niet gelijk is aan een periode van twaalf maanden, wordt de hoeveelheid water door herleiding naar tijdsgelang bepaald. Bij die herleiding wordt een gedeelte van een kalendermaand voor een volle maand gerekend.
Als de belastingplichtige aantoont dat meer dan 20% van de berekende hoeveelheid toegevoerd of opgepompt water niet is afgevoerd, wordt de niet afgevoerde hoeveelheid op de berekende hoeveelheid toegevoerd of opgepompt water in mindering gebracht. De te verminderen hoeveelheid moet aantoonbaar zijn door middel van rapportages van de in het derde lid afgelezen standen.
Als voor het perceel als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, geen waarde volgens hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld, wordt de heffingsmaatstaf van dat perceel bepaald volgens het bepaalde in de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken.
Aan de gebruiker van een perceel, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel b, waarin water is opgepompt of waarin een watermeter en/of een bedrijfsurenteller is geplaatst waarvan de hoeveelheid geloosd afvalwater kan worden afgelezen, wordt jaarlijks een aangiftebiljet ter invulling toegezonden.
Aan de gebruiker van een perceel, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel b, waarin een watermeter ontbreekt en het aantal kubieke meters naar dat perceel toegevoerd leiding- en grondwater niet volgens artikel 6, vijfde lid, kan worden vastgesteld, wordt een aangiftebiljet ter invulling toegezonden.
De belastingplichtige aan wie niet binnen zes maanden na afloop van het belastingjaar het in het vorige lid bedoelde aangiftebiljet is uitgereikt of een aanslag is opgelegd, is gehouden binnen een maand na het verstrijken van de genoemde termijn bij de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar schriftelijk om uitreiking van een aangiftebiljet te verzoeken.
Artikel 11 Ontstaan van de belastingschuld en bepalingen omtrent aanvang en einde van de belastingplicht in de loop van het tijdvak
Als de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, wordt ontheffing verleend over zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het tijdstip van de beëindiging van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. De ontheffing wordt niet eerder verleend dan nadat de belastingplicht is beëindigd.
Artikel 12 Termijnen van betaling
In afwijking van het eerste lid geldt dat,
als een machtiging tot automatische incasso is afgegeven, en het belastingbedrag is € 20,00 of hoger, de belasting als bedoeld in artikel 5, eerste lid, die bij wege van aanslag geheven, moet worden betaald in zoveel gelijke termijnen als er na de maand van dagtekening van het aanslagbiljet nog maanden in het kalenderjaar overblijven, met dien verstande dat het aantal termijnen ten minste drie bedraagt. De eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand die volgt op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later;
De “Verordening riool- en waterzorgheffing 2025” van 12 november 2024 wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 14, tweede lid, genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.
Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Staphorst van 11 november 2025,
Voorzitter,
Griffier,
TOELICHTING BIJ DE “VERORDENING RIOOL- EN WATERZORGHEFFING 2026”
1.1. Vindplaatsen wet- en regelgeving
De rioolheffing is gebaseerd op artikel 228a van de Gemeentewet.
Het doel van de rioolheffing is het genereren van inkomsten, zodat hiermee de kosten worden verhaald die samenhangen met de drie zorgplichten die de gemeente Staphorst volgens de Wet verbreding watertaken heeft.
1.3. Karakter van de rioolheffing
Het aantal gemeentelijke watertaken was voorheen maar beperkt en betrof voornamelijk de zorg voor de riolering, die daarbij vooral het belang van de volksgezondheid diende. De vroegere rioolrechten als middel van kostenverhaal had hierdoor alleen betrekking op de kosten die gemeente voor haar eigen rioleringsstelsel maakte.
In de tweede helft van de 20e eeuw zien we steeds vaker langdurige droge periodes waarin korte periodes met intensieve neerslag voorkomen. Hierdoor ontstond het idee dat we anders moeten omgaan met de overlast die dit veroorzaakt in de publieke ruimte en de schade die aan particuliere eigendommen ontstaat.
Door de komst van de Wet verbreding watertaken in 2008 werd het aantal gemeentelijke watertaken uitgebreid. Gemeenten kregen door deze nieuwe wet te maken met drie zorgplichten:
de zorgplicht voor afvalwater betreft vooral de inzameling en het transport van afvalwater naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie (rioleringszorg). Het zuiveren van afvalwater en het weer ter beschikking stellen van schoon water aan de waterleidingbedrijven is een taak van de waterschappen gebleven, gemeenten zorgen ervoor dat het afvalwater ter beschikking komt van de rioolwaterzuiveringsinstallaties die door de waterschappen worden beheerd.
De uitbreiding van de gemeentelijke taken had eveneens gevolgen voor de financiering van deze taken. Gemeenten mogen nu op een andere manier hun kosten verhalen. De vroegere rioolrechten werden vervangen door de rioolheffing. Hierdoor werd het mogelijk om de kosten die de gemeente maakt in verband met de twee eerste zorgplichten, die nieuw werden voor gemeenten, te gaan verhalen en mee te nemen in de rioolheffing.
Weliswaar staat tegenover deze nieuwe heffing geen individueel aanwijsbare tegenprestatie meer, maar de rioolheffing heeft wel het karakter van een bestemmingsheffing. De gemeente mag via de rioolheffing alleen de kosten verhalen die met de drie genoemde zorgplichten samenhangen. De totale opbrengst van de rioolheffing mag niet hoger zijn dan 100% van de totale kosten die door de gemeente voor deze zorgplichten in een begrotingsjaar worden geraamd.
1.4. De inrichting van de heffing
De rioolheffing kent in de gemeente Staphorst meerdere tariefsoorten. Welke tariefsoort van toepassing is, wordt bepaald door het type perceel. In de gemeente Staphorst kennen we bij de rioolheffing de volgende tariefsoorten:
De onder c. genoemde percelen zijn weliswaar niet aangesloten op de gemeentelijke riolering maar hebben daarvan wel profijt van de aanwezigheid van dat stelsel. Vanuit deze percelen wordt immers hemel- en grondwater afgevoerd dat via een indirecte weg uiteindelijk de gemeentelijke riolering bereikt. Het is hierdoor van belang ook deze percelen in de heffing van de rioolheffing te betrekken.
Bij percelen die alleen hemel- en/of grondwater afvoeren ontbreekt behalve de rioolaansluiting, eveneens de wateraansluiting. Het is dan niet mogelijk om met behulp van de gegevens van het waterbedrijf een hoeveelheid afvalwater te bepalen die als grondslag voor de rioolheffing kan worden gebruikt. Hoewel het aantal percelen dat alleen hemel- en/of grondwater afvoert relatief beperkt is, kennen zij wel een grote verscheidenheid. Dit maakt de keuze van een goed toepasbare grondslag niet eenvoudig, omdat voor deze percelen de toepassing van een vast bedrag niet redelijk is te noemen. Zo’n tarief hoeft zich immers niet te richten naar de dienst of de prestatie die door de gemeente wordt geleverd.
In de gemeente Staphorst is daarom de keuze gemaakt om voor percelen die alleen hemel- en/of grondwater afvoeren, de rioolheffing naar de hoogte van de WOZ-waarde van het perceel te heffen. Een dergelijke waarde geeft voor de eigenaar of de gebruiker van een perceel immers de mate van (financiële) belang weer dat die eigenaar heeft bij een behoorlijke door de gemeente uitgevoerde rioleringszorg. Ontstaat aan een perceel financiële- of vermogensschade doordat de gemeente haar zorgplichten niet of niet behoorlijk heeft uitgevoerd, dan is de schade bij een perceel waarvan de WOZ-waarde hoger doorgaans groter dan van een perceel dat een lagere WOZ-waarde kent.
1.5. Samenhang met het Gemeentelijk Rioleringsplan
Bij de rioolheffing bestaat een belangrijke samenhang met het Gemeentelijk Rioleringsplan en het hiervan afgeleide Kostendekkingsplan Riolering dat voor de periode 2023 – 2026 door de gemeenteraad is vastgesteld. In dit plan zijn de kosten voor een periode van vier jaar in beeld gebracht. Dit is vervolgens vertaald naar het tarief dat in deze jaren aan rioolheffing in de gemeente Staphorst wordt geheven. Het tarief blijft in de genoemde periode in beginsel ongewijzigd. Een deel van de te maken kosten worden uit het saldo van de voorziening gedekt.
2 Wijzigingen ten opzichte van de vorige verordening
2.1. Vastgestelde tariefswijzigingen
De tarieven van de rioolheffing zijn ten opzichte van het vorige jaar ongewijzigd gebleven.
In de vastgestelde verordening zijn – ten opzichte van de verordening van het vorig jaar - geen inhoudelijke wijzigingen aangebracht. Wel zijn, waar dat mogelijk was, teksten van artikelen beter leesbaar gemaakt. Hierbij is gebruikgemaakt van de nieuwste versie van de modelverordening riool- en waterzorgheffing van de VNG.
Artikel 1 Begripsomschrijvingen
In dit artikel wordt een omschrijving gegeven van een aantal begrippen die voor de heffing van de rioolheffing relevant zijn.
Artikel 2 Aard van de belasting
In dit artikel wordt een beschrijving gegeven van de gemeentelijke watertaken en de zorgplichten die hiermee samenhangen.
Artikel 3 Belastbaar feit en belastingplicht
Dit artikellid regelt de omschrijving van het belastbare feit.
Het tweede lid regelt de aanwijzing van de belastingplichtige in een aantal bijzondere situaties. Dit artikellid wijst de belastingplichtige aan als het gaat om:
Artikel 4 Voorwerp van de belasting
Het voorwerp van de belasting is een perceel.
In het tweede lid wordt geregeld wat onder het begrip perceel moet worden verstaan. Hierbij wordt eveneens stilgestaan bij het onderscheid tussen percelen die een onroerende zaak zijn en percelen die als roerende zaak worden aangemerkt.
Betreft het perceel een roerende zaak, dan wordt aansluiting gezocht bij de jurisprudentie die zich rondom de roerendezaakbelastingen in den lande heeft gevormd. In het tweede lid is ook een regeling gegeven hoe moet worden omgegaan als een perceel uit meerdere zelfstandig te gebruiken gedeelten bestaat, of wanneer meerdere van die gedeelten bij één en dezelfde gebruiker in gebruik zijn (samenstelbepaling).
In dit artikel zijn enkele vrijstellingen opgenomen die bij de heffing van de rioolheffing worden toegepast.
Artikel 6 Maatstaf van heffing
Het eerste lid regelt de drie heffingsmaatstaven die bij de heffing van de rioolheffing worden toegepast. Hiervoor is in deze toelichting al op deze heffingsmaatstaven ingegaan. Daarom blijft hier een verdere toelichting achterwege.
Het tweede lid geeft aan hoe de hoeveelheid leiding-, grond- of oppervlaktewater moet worden bepaald dat in een kalenderjaar naar de riolering wordt toegevoerd. Dit is van belang voor de percelen die als niet als woning in gebruik zijn. Om de hoeveelheid te bepalen wordt gebruikgemaakt van de verbruiksgegevens die jaarlijks door Vitens worden aangeleverd. Als bij een perceel een verbruiksperiode geen periode van twaalf maanden is, dan wordt de hoeveelheid door herleiding naar tijdsgelang bepaald, zodat bij de heffing van de rioolheffing steeds wordt uitgegaan van een periode van twaalf maanden.
Bij een aantal percelen wordt gebruikgemaakt van een pompinstallatie, waarbij de hoeveelheid benodigde water uit de grond wordt opgepompt. Het gaat doorgaans om bedrijven die grote hoeveelheden water nodig hebben, die vanuit hun eigen grond leverbaar is. Voor het mogen oppompen van water is een vergunning nodig van de Provincie Overijssel. Eén van de vereisten waarmee vergunninghouders worden geconfronteerd is dat hoeveelheden opgepompt water door de vergunninghouder goed geregistreerd moeten worden. De provincie wil immers op deze manier de gevolgen van het onttrekken van water voor de natuur en de leefomgeving in de gaten houden.
De hoeveelheid opgepompt water wordt meestal berekend aan de hand van een watermeter. Ook wordt wel gebruikgemaakt van een zogenoemde bedrijfsurenteller. In het laatste geval gaat het om een pompinstallatie die steeds met een vaste capaciteit hoeveelheid op te pompen water in werking is. De bedrijfsurenteller geeft dan het aantal uren aan dat de pompinstallatie in gebruik is geweest. De hoeveelheid opgepompt water wordt dan bepaald door het aantal uren dat de installatie in werking geweest te vermenigvuldigen met de hoeveelheid water die per uur door de betreffende installatie kan worden opgepompt.
Kan de hoeveelheid water die is opgepompt niet aan de hand van een watermeter of een bedrijfsurenteller worden vastgesteld, dan regelt het vijfde lid dat die hoeveelheid water wordt bepaald op basis van het watergebruik dat bij vergelijkbare percelen heeft plaatsgehad.
In het merendeel van de gevallen wordt alle water die wordt toegevoerd naar een perceel, ook weer via de gemeentelijke riolering afgevoerd. Bij de bepaling van de heffingsmaatstaf geldt deze vanzelfsprekend ook als uitgangspunt. In een beperkt aantal gevallen wordt toegevoerd water in een productieproces gebruikt, waardoor een deel van die toegevoerde hoeveelheid niet meer via de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd. Hierbij valt te denken aan onder andere aan een broodfabriek, waar het grootste deel van het water uiteindelijk in het eindproduct van de fabriek terechtkomt. Het is in dergelijke gevallen niet redelijk om de heffingsmaatstaf vast te stellen op de hoeveelheid water die naar het perceel is toegevoerd. Het tarief zou zich dan niet meer richten naar het gebruik dat van de gemeentelijke riolering wordt gemaakt.
In deze gevallen kan de gebruik een verzoek indienen als meer dan 20% van de hoeveelheid toegevoerd water niet via de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd. In dat geval wordt die hoeveelheid bepaald op de werkelijke hoeveelheid afgevoerd water. Het vierde lid gaat in hoe dit moet gebeuren.
Percelen die alleen hemel- of grondwater afvoeren, kennen volgens het zesde lid de WOZ-waarde als heffingsmaatstaf. Als in een belastingjaar geen WOZ-waarde kan worden bepaald, dan wordt voor de rioolheffing van dat jaar de waarde bepaald op dezelfde manier bepaald zoals een WOZ-waarde volgens de Wet WOZ wordt bepaald.
De tarieven van de rioolheffing worden onderscheiden in drie groepen percelen, te weten woningen, niet-woningen en percelen die niet zijn aangesloten op de riolering en die alleen hemel- en grondwater afvoeren. Hiervoor is in de paragrafen 1.4 en 2.1 al uitgebreid ingegaan op dit onderscheid. Daarom blijft nu een toelichting over de inhoud van het eerste en derde lid op deze plaats achterwege.
Bij de berekening van de rioolheffing geldt voor veehouderijen een uitzondering. Bij deze bedrijven wordt de hoeveelheid water op maximaal 750 m3 gesteld. De achterliggende gedachte hierbij is, dat bedrijfsafvalwater niet op de gemeentelijke riolering mag worden geloosd. Door de mate van vervuiling van dit afvalwater vergt het zuiveren daarvan een te grote inspanning, zodat dit door het waterschap niet wordt toegestaan. Wel mag het afvalwater worden geloosd dat vanuit de tot het perceel behorende woning. In de praktijk heeft de woning geen afzonderlijke watermeter. Om die reden wordt de aanslag voor een veehouderij gerekend tot maximaal 750 m3.
Dit betreft een afrondingsregel.
Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.
In dit artikel is de wijze van heffing geregeld, waarbij de rioolheffing door middel van een aanslagbiljet geheven.
Het eerste lid regelt de aangifteplicht voor gebruikers van percelen waarbij water uit de grond wordt opgepompt.
Voor percelen waarin een watermeter ontbreekt en de hoeveelheid afvalwater evenmin kan worden bepaald als bedoeld in artikel 6, vijfde lid, van de verordening, bestaat er een aangifteplicht. Hierdoor wordt de gebruiker van een perceel in de gelegenheid gesteld om de hoeveelheid afgevoerd afvalwater aan te geven.
In sommige situaties is niet mogelijk om in het kalenderjaar al een hoeveelheid afvalwater te bepalen. In dergelijke gevallen kan de aanslag rioolheffing voor dat jaar nog niet in het jaar worden opgelegd. De inhoud van het derde lid regelt dat de gebruiker van zo’n perceel dan verplicht is om na afloop van het kalenderjaar om uitreiking van een aangiftebiljet te verzoeken. Met de gegevens die met het ingevulde aangiftebiljet worden aangeleverd, kan de hoogte van de aanslag van het vorige belastingjaar alsnog worden bepaald en alsnog worden opgelegd.
Artikel 11 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang
In dit artikellid is geregeld dat de rioolheffing is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar. Dit maakt het mogelijk om deze aanslag voor dit tarief al direct na het begin van het belastingjaar al voor het hele jaar op te leggen.
Niet in alle gevallen is een gebruiker al direct vanaf het begin van het kalenderjaar in een woning aanwezig. Als een nieuwe bewoner zich pas in de loop van het jaar in een woning vestigt, en dan pas de gebruiker wordt, dan begint de belastingplicht pas vanaf dat moment in het kalenderjaar. De belastingplicht begint dan pas op de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin de nieuwe belastingplichtige in de woning trekt. De aanslag wordt dan niet voor heel jaar opgelegd maar voor een deel daarvan. Dat deel van het jaar bestaat dan uit het aantal volle maanden dat er nog in een jaar resteert.
Als de gebruiker in de loop van dat jaar uit een perceel vertrekt, dan eindigt de belastingplicht al in de loop van het kalenderjaar. De belasting wordt dan geheven naar het aantal maanden dat iemand het perceel in gebruik heeft gehad. In de meeste gevallen is al in het begin van het belastingjaar een aanslag opgelegd. Die eerder opgelegde aanslag wordt dan gecorrigeerd door een ontheffingsbesluit. De ontheffing wordt dan verleend voor zoveel twaalfde gedeelten van het aanslagbedrag, als er na het vertrek uit het perceel nog volle kalendermaanden in een kalenderjaar overblijven.
Het tweede en derde vindt geen toepassing, als een belastingplichtige in de loop van het jaar verhuist en binnen de gemeente Staphorst weer een ander perceel in gebruik neemt. Dit is een efficiencymaatregel waardoor de aanslag die in het begin van het belastingjaar was opgelegd, ook voor het nieuw betrokken perceel blijft gelden. In dergelijke gevallen is het bedrag van een te verlenen ontheffing is immers even hoog als het bedrag van de aanslag die voor een nieuw betrokken perceel wordt opgelegd. In dergelijke gevallen blijft daarom het verlenen van de ontheffing en het weer opleggen van een aanslag achterwege.
Artikel 12 Termijnen van betaling
In de meeste gevallen zijn er voor een belastingplichtige meerdere heffingen van toepassing. Getracht worden de WOZ-beschikking en de aanslagen rioolheffing, onroerendezaakbelastingen, rioolheffing en hondenbelasting zoveel mogelijk gezamenlijk op één aanslagbiljet op te leggen. Hierdoor heeft de belastingplichtige al aan het begin van het belastingjaar een overzicht van de omvang van zijn belastingverplichtingen van dat jaar aan de gemeente Staphorst.
Door de combinatie van meerdere belastingsoorten kan het totaalbedrag van het aanslagbiljet wel oplopen. De belastingplichtige die een aanslag opgelegd krijgt kan voor de betaling van het aanslagbiljet kiezen voor:
het afgeven van een machtiging voor automatische incasso. Het totaalbedrag van het aanslagbiljet wordt verdeeld over zoveel termijnen als er nog volle maanden in een jaar resteren. Hierbij geldt als uitgangspunt dat het volledige totaalbedrag aan het einde van het jaar is voldaan. In de meeste gevallen wordt het aanslagbiljet in januari verzonden, waardoor het totaalbedrag in elf termijnen kan worden afgeschreven. Wordt een aanslagbiljet pas in het laatste kwartaal van het jaar opgelegd, dan gelden er drie termijnen;
Als een machtiging voor automatische incasso is afgegeven komt het voor dat een termijnbedrag niet kan worden afgeschreven. In de meeste gevallen is het beschikbare saldo van de bankrekening niet voldoende om een termijnbedrag af te schrijven. De belastingschuldige wordt hierover per brief geïnformeerd. Het bedrag van de niet-geïncasseerde termijn wordt dan bij de eerstvolgende termijn meegenomen. Mocht dit nogmaals gebeuren, dan wordt de automatische incasso voor het lopende jaar beëindigd. Door de automatische incasso tussentijds te beëindigen wordt voorkomen dat aan het einde van het jaar nog een groot restbedrag openstaat.
In deze situaties wordt het aantal betalingstermijnen teruggebracht tot hetzelfde aantal termijnen die gelden voor belastingschuldigen die geen machtiging hebben afgegeven. Op het moment van beëindigen van de automatische incasso is het totaalbedrag dan meestal wel geheel vervallen. Het openstaande bedrag is daarmee ineens geheel verschuldigd geworden. In die gevallen wordt een betalingsherinnering toegezonden. Blijft betaling wederom uit, dan worden indien nodig de gebruikelijke invorderingsmiddelen (aanmaning, dwangbevel en zo nodig beslaglegging) ingezet.
In de belastingheffing hebben we soms te maken met zogenaamde “bestuurlijke boetes”. Dit betreft bijvoorbeeld een verhoging bij een navorderingsaanslag, omdat de belastingplichtige niet heeft voldaan aan bepaalde wettelijke verplichtingen. In de belastingpraktijk van de gemeente Staphorst komt eigenlijk bijna nooit voor. Voor de situaties waarin dit wel nodig is, is dit artikellid hier opgenomen.
De Algemene Termijnenwet is ook van toepassing op gemeentelijke belastingen. Deze wet regelt onder andere hoe bij beslis- of betalingstermijnen omgegaan moet worden met feestdagen en dergelijke. Gemeenten zijn niet verplicht om deze wet te volgen. Om deze reden is de werking van deze wet hier niet overgenomen.
Dit artikel regelt de intrekking van de oude verordening als er weer een nieuwe verordening wordt vastgesteld. Hierbij is eveneens overgangsrecht geregeld. Het is mogelijk dat een nieuwe verordening nog niet in werking is getreden, bijvoorbeeld omdat deze nieuwe verordening nog niet op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. In dat geval blijft de oude verordening gewoon gelden, zodat heffing in dat geval wel mogelijk blijft.
In het eerste lid wordt het moment van inwerkingtreding van de nieuwe, opvolgende belastingverordening geregeld. Eigenlijk worden belastingverordeningen steeds al vóór het begin van het volgende belastingjaar vastgesteld en ook officieel bekendgemaakt. Gelet op het eerste lid zou de nieuwe verordening dan gelijk in werking treden. Volgens het tweede lid is daarom een datum van ingang van de heffing van toepassing. De verordening treedt daarom pas in werking op 1 januari 2026.
Een citeertitel vereenvoudigt de verwijzing naar een bepaalde verordening. Meestal is een citeertitel korter dan de volledige naam van een verordening. In de citeertitel wordt veelal het jaartal genoemd waarvoor de verordening van toepassing is of – als deze meerdere jaren geldt - het jaar waarin deze geldig is geworden.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-523060.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.