Financiële verordening Horst aan de Maas 2025

De raad van de gemeente Horst aan de Maas;

 

gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van 23 september 2025,

gemeentebladnummer 2025.079b;

 

gelet op het bepaalde in de Gemeentewet artikel 212;

 

b e s l u i t :

 

Vast te stellen de volgende verordening:

 

Financiële verordening Horst aan de Maas 2025

 

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepaling

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • -

    Afdeling Iedere organisatorische eenheid binnen de gemeentelijke organisatie met een eigen rechtstreekse verantwoordelijkheid aan de directie.

  • -

    Inkomsten: Totaal van de baten vóór onttrekking reserves.

  • -

    Overheidsbedrijf: Onderneming met privaatrechtelijke rechtspersoonlijkheid, niet een personenvennootschap met rechtspersoonlijkheid, waarin een publiekrechtelijke rechtspersoon, al dan niet samen met een of meer andere publiekrechtelijke rechtspersonen, in staat is het beleid te bepalen of een onderneming in de vorm van een personenvennootschap, waarin een publiekrechtelijke rechtspersoon deelneemt.

  • -

    Administratie: Het systematisch verzamelen, vastleggen, verwerken en verstrekken van informatie ten behoeve van het besturen, functioneren en beheersen van de gemeentelijke organisatie en de verantwoording die daarover moet worden afgelegd.

  • -

    Rechtmatigheidsverantwoording: De rapportage van burgemeester en wethouders waarbij zij aangeven in welke mate de totstandkoming van de financiële beheershandelingen en de vastlegging daarvan overeenstemmen met de relevante wet- en regelgeving.

  • -

    Financiële rechtmatigheid: rechtmatig totstandkoming van de baten, lasten en balansmutaties in overeenstemming met de begroting en met relevante wettelijke voorschriften, waaronder de gemeentelijke verordeningen.

  • -

    Rechtmatigheidsfout: baten, lasten of balansmutaties die niet rechtmatig tot stand zijn gekomen, waarbij relevante wettelijke voorschriften niet juist zijn toegepast.

  • -

    Onduidelijkheid: oordeel van college van B&W waaruit blijkt dat niet met zekerheid is vast te stellen of een baat, last of balansmutatie rechtmatig tot stand is gekomen doordat de regels zelf niet duidelijk zijn.

  • -

    Onzekerheid: de regels zijn wel duidelijk, maar het is niet zeker of deze in de praktijk juist zijn toegepast.

Hoofdstuk 2. Begroting en verantwoording

Artikel 2. Vaststelling programma-indeling en paragrafen

  • 1.

    De Raad bepaalt aan het begin van elke raadsperiode de programma-indeling voor die periode.

  • 2.

    De Raad geeft aan over welke onderwerpen zij extra informatie wil en waarover zij afspraken wil maken, naast de verplichte onderdelen in de begroting en de jaarrekening.

Artikel 3. Inrichting begroting en jaarstukken

  • 1.

    In de begroting geeft het College van de nieuwe investeringen per investering aan wat het benodigde (bruto) investeringskrediet is. Voor de lopende investeringen wordt het geautoriseerde investeringskrediet en de raming van de realisatie in het lopende boekjaar weergegeven. In de jaarrekening laat het College zien hoeveel, van het goedkeurde krediet, is gerealiseerd en wat de verwachte totale kosten en opbrengsten zijn van de investeringen.

  • 2.

    In de begroting wordt, in aanvulling op het bepaalde in artikel 20 en artikel 21 van het BBV provincies en gemeenten, inzicht gegeven in de meerjarenraming, de investeringen en de grondexploitaties.

  • 3.

    Gelijktijdig met de jaarstukken legt het College aan de Raad een projectenrapportage voor. Hierin staat inhoudelijk en financieel, de actuele stand van de majeure ruimtelijk-fysieke projecten opgenomen en de grondexploitaties.

  • 4.

    In de jaarstukken nemen we verschillenanalyses op en lichten we deze toe als er sprake is van een verschil per saldo per programma van € 50.000 of meer. Verdere uitwerking hiervan is opgenomen in de nota planning en control, die hierbij leidend is.

  • 5.

    In het overzicht van de incidentele baten en lasten per programma, specificeren we per programma alle posten vanaf € 50.000 afzonderlijk.

Artikel 4. Kaders begroting en meerjarenraming

Het College biedt vóór 1 juli aan de Raad een kaderbrief aan die de gemeenteraad in staat stelt om een kaderstellend debat te voeren over de belangrijkste beleidsmatige speerpunten en geeft het college en de ambtelijke organisatie beleidsmatige richtlijnen en uitgangspunten mee voor het opstellen van de begroting. In de door de raad vastgestelde nota planning en control staat de opzet en inhoud van de kaderbrief beschreven.

Artikel 5. Autorisatie begroting en investeringskredieten

  • 1.

    De Raad autoriseert met het vaststellen van de begroting de baten en de lasten per programma.

  • 2.

    Het college kan na vaststelling van een begroting binnen een programma budgettair neutraal budgetten verschuiven.

  • 3.

    Bij de begrotingsbehandeling autoriseert de Raad de nieuwe investeringen door het vaststellen van de begroting. Voor nieuwe investeringskredieten die niet met het vaststellen van de begroting zijn geautoriseerd, wordt een apart raadsvoorstel aangeboden aan de Raad.

  • 4.

    Bij een (dreigende) onvoorziene overschrijding van een investeringskrediet van € 50.000 of meer legt het college een begrotingswijziging voor aan de raad.

  • 5.

    Nieuw beleid waarvoor budget/krediet nodig is, komt in de eerstvolgende kaderbrief en/of begroting. Of indien nodig leggen we dit via een apart raadsvoorstel voor aan de raad.

  • 6.

    Naast de najaarsrapportage bedoeld in artikel 6, lid 1 informeert het college de Raad met een raadsinformatiebrief over de financiële gevolgen van de gemeentefonds-circulaires. Deze gevolgen verwerken we in de begroting.

  • 7.

    Voor een investering legt het College, vóór het aangaan van verplichtingen, een voorstel aan de Raad voor om het investeringskrediet beschikbaar te stellen.

  • 8.

    Als de Raad de projectenrapportage bij de jaarstukken vaststelt, gaat zij akkoord met de inhoud. De Raad stelt dan ook de kredieten inclusief voorgestelde mutaties beschikbaar.

  • 9.

    Gelijktijdig met de begroting legt het College aan de Raad een herzieningsrapportage voor waarin relevante wijzigingen in de grondexploitaties worden toegelicht.

  • 10.

    De in de begroting opgenomen personeelslasten kunnen via een budgettair neutrale begrotingswijziging worden herverdeeld over de verschillende programma’s binnen de begroting gedurende het jaar. Het afdelingshoofd wordt gemandateerd om deze budgettair neutrale wijziging door te voeren. Mocht de budgettair neutrale wijziging afdelingsoverstijgend zijn, dan wordt het DT gemandateerd.

Artikel 6. Najaarsrapportage

  • 1.

    Het College informeert de Raad via najaarsrapportage over de voortgang van de uitvoering van de budgetten uit de lopende (meerjaren)begroting en stelt de raad in de gelegenheid deze budgetten indien nodig aan te passen. In de door de raad vastgestelde nota planning en control staat de opzet en inhoud van de najaarsrapportage beschreven.

  • 2.

    In de najaarsrapportage licht het college afwijkingen op de oorspronkelijke ramingen van de baten en lasten per programma en investeringskredieten in de begroting groter dan € 50.000 toe.

Artikel 7. Jaarstukken

Tegelijk met de jaarstukken biedt het College de Raad ook het voorstel aan over de bestemming van het jaarrekeningresultaat.

Artikel 8. Informatieplicht

Conform de nota Grondbeleid wordt de Raad bij strategische verwerving van onroerende zaken van € 500.000 of meer vooraf geïnformeerd via het senriorenconvent.

Artikel 9. EMU-saldo

Als het Rijk aan de gemeente laat weten dat alle gemeenten samen te veel hebben uitgegeven volgens de EMU-norm (volgens artikel 3, lid 6 van de Wet houdbare overheidsfinanciën), informeert het College de Raad of een aanpassing van de begroting nodig is. Als een aanpassing nodig is, doet het College een voorstel om de begroting te wijzigen.

Hoofdstuk 3. Rechtmatigheidsverantwoording

Artikel 10. Verantwoordings- en rapporteringsgrens rechtmatigheidsverantwoording

  • 1.

    De Raad bepaalt hoe zij via de paragraaf bedrijfsvoering in de begroting en de jaarstukken, naast de verplichte onderdelen, geïnformeerd wil worden over de rechtmatigheid.

  • 2.

    In de rechtmatigheidsverantwoording in de jaarrekening is een overzicht opgenomen van de rechtmatigheidsfouten en onzekerheden in het kader van financiële rechtmatigheid.

  • 3.

    Voor zover het totaalbedrag aan rechtmatigheidsfouten én onzekerheden hoger is dan de verantwoordingsgrens van 2%, worden deze opgenomen in de rechtmatigheidsverantwoording in de jaarrekening.

  • 4.

    In de paragraaf bedrijfsvoering in de jaarrekening worden lastenoverschrijdingen per programma, investeringskrediet en mutatie reserve (fouten of onduidelijkheden) groter dan het bedrag van € 150.000 (= rapporteringsgrens) toegelicht.

Artikel 11. Voorwaardencriterium

  • 1.

    Het voorwaardencriterium is het criterium van rechtmatigheid, dat betrekking heeft op de eisen die worden gesteld bij de uitvoering van de financiële beheershandelingen. De eisen/voorwaarden zijn afkomstig uit diverse wet- en regelgeving en hebben betrekking op aspecten als doelgroep, termijn, grondslag, administratieve bepalingen, normbedragen, bevoegdheden, bewijsstukken, recht, hoogte en duur. Alleen de aspecten recht, hoogte en duur zijn onderdeel van de financiële rechtmatigheidscontrole.

  • 2.

    Het College biedt de Raad jaarlijks uiterlijk op 1 december ter vaststelling een normenkader rechtmatigheid aan. Dit normenkader bestaat uit alle relevante gemeentelijke (interne) wet- en regelgeving waaruit financiële beheershandelingen kunnen voortvloeien.

Artikel 12. Begrotingscriterium

  • 1.

    Het begrotingscriterium is een criterium van rechtmatigheid dat betrekking heeft op de grenzen van de baten en lasten in de door de Raad geautoriseerde begroting van exploitatie en investeringskredieten en de hiermee samenhangende programma’s, waarbinnen de financiële beheershandelingen tot stand moeten zijn gekomen.

  • 2.

    De begrotingsrechtmatigheid wordt beoordeeld op het niveau waarop de begroting door de Raad is geautoriseerd, zoals is opgenomen in artikel 5.

  • 3.

    Bij investeringsprojecten wordt de begrotingsrechtmatigheid beoordeeld op het niveau van het totaal beschikbaar gestelde krediet. Een overschrijding van het jaarbudget, passend binnen het totaal bedrag van het krediet, wordt daarmee als rechtmatig beschouwd.

  • 4.

    Uitgangspunt is dat iedere afwijking van de begroting, op niveau van programma, als onrechtmatig wordt beschouwd. Afwijkingen worden als acceptabel aangemerkt in de volgende situaties:

    • a.

      Er is sprake van een overschrijding van de programmalasten en/of investering waarbij direct gerelateerde inkomsten de overschrijding compenseren.

    • b.

      Er is sprake van een overschrijding van de programmalasten op een open-einde regeling.

    • c.

      Er is sprake van onderschrijding van de programmalasten en/of programmabaten en deze wordt in de jaarrekening toegelicht.

    • d.

      Er is sprake van een overschrijding van de programmabaten en deze wordt toegelicht in de jaarrekening.

    • e.

      Er is sprake van een afwijking van minder dan € 150.000.

  • 5.

    Begrotingsonrechtmatigheden die niet acceptabel zijn worden opgenomen in de rechtmatigheidsverantwoording (voor zover de verantwoordingsgrens voor afzonderlijke fouten of onduidelijkheden is overschreden). Deze niet acceptabele onrechtmatigheden worden toegelicht in de paragraaf bedrijfsvoering in de jaarrekening.

  • 6.

    Voor begrotingsafwijkingen geldt dat deze tijdig zijn vastgesteld als ze zijn opgenomen in de jaarrekening en deze jaarrekening door de Raad wordt vastgesteld.

Artikel 13. Misbruik en oneigenlijk gebruik-criterium

  • 1.

    Het misbruik en oneigenlijk gebruik-criterium is het criterium van rechtmatigheid, dat betrekking heeft op het voorkomen, detecteren en corrigeren van misbruik en oneigenlijk gebruik van overheidsgelden en gemeentelijke eigendommen bij financiële beheershandelingen.

  • 2.

    Het College zorgt voor regels om misbruik en oneigenlijk gebruik van gemeentelijke regelingen en eigendommen te voorkomen. Deze regels staan in de diverse verordeningen en beleidsregels.

Hoofdstuk 4. Financieel beleid

Artikel 14. Waardering en afschrijving vaste activa

  • 1.

    Immateriële en materiële vaste activa worden afgeschreven volgens de methode en de termijnen zoals opgenomen in bijlage 1 afschrijvingsbeleid bij deze verordening.

  • 2.

    Kosten voor het afsluiten van geldleningen worden direct ten laste van de exploitatie gebracht.

Artikel 15. Waardering debiteuren en voorziening voor oninbare vorderingen

  • 1.

    Voor de vorderingen op verbonden partijen en derden vormen we jaarlijks een voorziening wegens oninbaarheid op basis van een individuele beoordeling op inbaarheid van de openstaande vorderingen.

  • 2.

    Voor openstaande vorderingen betreffende:

    • a.

      onroerendezaakbelastingen;

    • b.

      precariobelasting;

    • c.

      (water)toeristenbelasting;

    • d.

      rioolheffing;

    • e.

      afvalstoffenheffing

    • f.

      leges;

    • g.

      vermakelijkheidsretributie;

    • h.

      bijstandsverstrekking,

  • wordt, met uitzondering van individuele vorderingen groter dan € 25.000, een voorziening wegens oninbaarheid gevormd ter grootte van het historische percentage van oninbaarheid.

Artikel 16. Reserves en voorzieningen

  • 1.

    In de programmabegroting en in de jaarstukken vindt geen toerekening van rente over de reserves en voorzieningen plaats.

  • 2.

    Minstens één keer per vier jaar wordt gekeken of de nota reserves en voorzieningen aangepast moet worden. Als dat nodig is, legt het College de nota reserves en voorzieningen voor aan de Raad ter vaststelling. Deze nota behandelt in ieder geval:

    • a.

      de vorming en besteding van reserves; en

    • b.

      de vorming en besteding van voorzieningen.

  • 3.

    Bij een voorstel voor de instelling van een bestemmingsreserve wordt minimaal aangegeven:

    • a.

      het specifieke doel van de reserve

    • b.

      de voeding van de reserve;

    • c.

      de maximale hoogte van de reserve; en

    • d.

      de maximale looptijd.

  • 4.

    Als een bestemmingsreserve voor een investering niet binnen de afgesproken tijd wordt gebruikt waarvoor het is bedoeld, dan valt de bestemmingsreserve vrij en wordt deze aan de algemene reserve vrij aanwendbaar toegevoegd.

Artikel 17. Kostprijsberekening

  • 1.

    Voor het bepalen van de geraamde kostprijs van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, en van goederen, werken en diensten van de gemeente, die worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden, wordt een systeem van kostentoerekening gehanteerd. Bij de kostentoerekening worden naast de directe kosten zoveel als mogelijk de indirecte kosten (overhead) betrokken, die samenhangen met de door de gemeente verleende diensten.

  • 2.

    Bij de directe kosten worden betrokken de bijdragen aan en onttrekkingen van voorzieningen voor de noodzakelijke vervanging van de betrokken activa, de kapitaallasten van de in gebruik zijnde activa en voor rioolheffing en afvalstoffenheffing de compensabele belasting over de toegevoegde waarde (BTW).

  • 3.

    De overheadkosten worden toegerekend aan activiteiten welke geheel of deels worden bekostigd met een specifieke uitkering of subsidie.

  • 4.

    De indirecte kosten van rechten en heffingen worden berekend door de personeelskosten die betrekking hebben op de genoemde rechten /heffingen te verhogen met een opslagpercentage voor overhead. Dit opslagpercentage wordt berekend door het saldo van baten en lasten van de overhead te delen door de totale personeelskosten (excl. overhead) van de gemeente.

  • 5.

    Voor de toerekening van directe en indirecte kosten tussen Noord-Limburgse gemeenten gelden de tarieven zoals genoemd in de notitie “Tarieven Regionale Samenwerking Noord Limburgse gemeenten”.

  • 6.

    Het percentage van de omslagrente voor de toerekening van rente voor de financiering van de in gebruik zijnde activa wordt jaarlijks met de begroting vastgesteld. Uitzondering hierop is de omslagrente die wordt toegerekend aan het taakveld riolering; hierbij wordt aansluiting gezocht bij het rentepercentage zoals is opgenomen in het kostendekkingsplan van het Gemeentelijk rioleringsplan (GRP), danwel het Programma Groen-Blauw-Klimaatadaptatie.

  • 7.

    In afwijking van het zesde lid wordt bij een (door)verstrekte lening voor de bepaling van de rentekosten van de inzet van vreemd vermogen in de kostprijs uitgegaan van de rente van de lening die voor de financiering van de verstrekte lening is aangetrokken. Deze rente wordt verhoogd met een opslag voor het debiteurenrisico.

  • 8.

    In afwijking van het eerste lid worden bij vennootschapsbelastingplichtige activiteiten alleen de rentekosten voor de inzet van vreemd vermogen aan de kostprijs toegerekend.

Artikel 18. Prijzen economische activiteiten

  • 1.

    Voor de levering van goederen, diensten of werken aan overheidsbedrijven en derden en met welke bijbehorende activiteiten de gemeente in concurrentie met marktpartijen treedt, wordt tenminste de geraamde integrale kostprijs in rekening gebracht. Bij afwijking doet het College vooraf voor elk van deze activiteiten afzonderlijk een voorstel voor een raadsbesluit, waarin het publiek belang van de activiteit wordt gemotiveerd.

  • 2.

    Indien er sprake is van verkoop, verpachting of vervreemding van gemeentelijke eigendommen zal dit plaats vinden via een openbare procedure. Het College heeft de mogelijkheid om gemotiveerd hier van af te wijken, voor zover dit past in het Didam-arrest.

  • 3.

    Bij het verstrekken van leningen of garanties aan overheidsbedrijven en derden brengt de gemeente de geraamde integrale kosten - eventueel met risico-opslag - in rekening. Bij afwijking doet het College vooraf een voorstel voor een raadsbesluit, waarin het publiek belang van de lening of garantie wordt gemotiveerd.

  • 4.

    Bij het verstrekken van kapitaal door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden gaat het College uit van een vergoeding van tenminste de geraamde integrale kosten van de verstrekte middelen. Bij afwijking doet het College vooraf een voorstel voor een raadsbesluit, waarin het publiek belang van de kapitaalverstrekking wordt gemotiveerd.

  • 5.

    Raadbesluiten met de motivering van het publiek belang als bedoeld in het vorige lid zijn niet nodig als sprake is van:

    • a.

      leveringen van goederen, diensten of werken en het verstrekken van leningen, garanties en kapitaal aan andere overheden voor zover deze leveringen en verstrekkingen zijn bedoeld voor de uitoefening van de publieke taak door die andere overheid;

    • b.

      een bevoordeling van activiteiten in het kader van een bij wet opgedragen publiekrechtelijke taak;

    • c.

      een bevoordeling van activiteiten in het kader van een toegekend bijzonder of uitsluitend recht waarvoor prijsvoorschriften gelden;

    • d.

      een bevoordeling van sociale werkplaatsen;

    • e.

      een bevoordeling van onderwijsinstellingen;

    • f.

      een bevoordeling van publieke media-instellingen; en

    • g.

      een bevoordeling die valt onder de reikwijdte van de staatssteunregels van het Werkingsverdrag van de Europese Unie en daarmee verenigbaar is.

Artikel 19. Vaststelling hoogte belastingen, rechten, heffingen en prijzen

Het College doet de Raad jaarlijks een voorstel voor de hoogte van de gemeentelijke tarieven voor de belastingen en heffingen in het opvolgend jaar.

Artikel 20. Financieringsfunctie

  • 1.

    Het College stelt een treasurystatuut vast waarin de doelstellingen, uitgangspunten en richtlijnen van de financieringsfunctie worden opgenomen. De Raad ontvangt hiervan een exemplaar. Tenminste eens per vier jaar wordt beoordeeld of het statuut moet worden geactualiseerd.

  • 2.

    Het College stelt een Regeling garantstelling en verstrekking van geldleningen voor een publieke taak vast. Tenminste eens per vier jaar wordt beoordeeld of deze regeling geactualiseerd moet worden.

Artikel 21. Inkoop en aanbesteding.

De regels voor inkoop en aanbesteding worden door het College vastgelegd in de nota inkoop- en aanbestedingsbeleid. Minstens één keer per vier jaar wordt beoordeeld of de nota moet worden geactualiseerd.

Hoofdstuk 5. Paragrafen bij de begroting en jaarstukken

Artikel 22. De jaarrekening en begroting bevat minimaal de verplichte paragrafen uit het BBV

  • 1.

    We nemen conform de BBV de verplichte paragrafen op in de begroting en jaarrekening en op de plek waar deze zijn voorgeschreven.

  • 2.

    Daarnaast kan de raad nog aanvullende paragrafen laten opnemen.

Hoofdstuk 6. Financiële organisatie en financieel beheer

Artikel 23. Administratie

De administratie is zodanig van opzet en werking, dat zij in ieder geval dienstbaar is voor:

  • a.

    het sturen en het beheersen van activiteiten en processen in de gemeente als geheel en per afdeling;

  • b.

    het verstrekken van informatie over ontwikkelingen in de omvang van de vaste activa, voorraden, vorderingen en schulden;

  • c.

    het verschaffen van informatie over uitputting van de toegekende budgetten en investeringskredieten en voor het maken van kostencalculaties;

  • d.

    het verschaffen van informatie over indicatoren met betrekking tot de gemeentelijke productie van goederen en diensten en de maatschappelijke effecten van het gemeentelijke beleid;

  • e.

    het afleggen van verantwoording over de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en regelgeving; en

  • f.

    de controle van de registratie van gegevens als zodanig en van de daaraan ontleende informatie, alsmede voor de controle op de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en regelgeving.

Artikel 24. Financiële organisatie

Het College zorgt voor:

  • a.

    een eenduidige indeling van de gemeentelijke organisatie en een eenduidige toewijzing van de gemeentelijke taken aan de afdelingen;

  • b.

    een adequate scheiding van taken, functies, bevoegdheden, verantwoordelijkheden;

  • c.

    de verlening van mandaten en volmachten voor het aangaan van verplichtingen ten laste van de toegekende budgetten en investeringskredieten. Het College stelt hiervoor een regeling budgetbeheer vast. Tenminste eens per vier jaar wordt beoordeeld of deze regeling moet worden geactualiseerd;

  • d.

    de interne regels voor taken en bevoegdheden, de verantwoordingsrelaties en de bijbehorende informatievoorziening van de financieringsfunctie;

  • e.

    de te maken afspraken met de afdelingen over de te leveren prestaties, de daarvoor beschikbare middelen en de wijze en frequentie van rapportage over de voortgang van de activiteiten en uitputting van middelen;

  • f.

    de kostenverdeelsleutels voor het toewijzen van de lasten en baten aan de taakvelden;

  • g.

    de interne regels voor de inkoop en de aanbesteding van goederen, werken en diensten;

  • h.

    het beleid en de interne regels voor de steunverlening en de toekenning van subsidies aan ondernemingen en instellingen;

  • i.

    het beleid en de interne regels voor het voorkomen van fraude van gemeentelijke regelingen en eigendommen, zodat aan de eisen van rechtmatigheid, controle en verantwoording wordt voldaan;

Artikel 25. Interne controle

  • 1.

    Het College zorgt voor de jaarlijkse interne toetsing van de getrouwheid van de informatieverstrekking en de rechtmatigheid van de beheershandelingen. Bij afwijkingen rapporteert het College daarover in de rechtmatigheidsverantwoording en informeert het College de raad over genomen maatregelen tot herstel van de tekortkomingen in de paragraaf Bedrijfsvoering.

  • 2.

    Het College zorgt voor de systematische controle van de administratie en de ontwikkeling van de bezittingen en het financieel vermogen van de gemeente met dien verstande dat de waardepapieren, de voorraden, de uitstaande leningen, de debiteurenvorderingen, de liquiditeiten, de opgenomen leningen, de kortlopende schulden en de vorderingen van crediteuren jaarlijks worden gecontroleerd. Bij afwijkingen in de administratie neemt het College maatregelen tot herstel van de tekortkomingen.

Hoofdstuk 7. Slotbepalingen

Artikel 26. Intrekken oude verordening en overgangsrecht

De Financiële verordening gemeente Horst aan de Maas 2023 wordt ingetrokken, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de jaarrekening en het jaarverslag en bijbehorende stukken van het boekjaar 2024.

Artikel 28. Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking op de dag na de bekendmaking en werkt terug tot en met 1 januari 2025.

  • 2.

    Deze verorordening wordt aangehaald als Financiële verordening gemeente Horst aan de Maas 2025.

Aldus besloten in de openbare vergadering van 18 november 2025.

De raad voornoemd,

De voorzitter,

drs. R.F.I. Palmen

De griffier,

mr. R.J.M. Poels

Bijlage 1: Afschrijvingsbeleid bij de financiële verordening Horst aan de Maas 2025

 

Algemene uitgangspunten:

  • Alle investeringen te activeren.

  • Voor investeringen met een vervaardigings- of verkrijgingsprijs kleiner dan € 50.000 geldt een afschrijvingstermijn van 1 jaar, in het jaar van investeren.

  • Alle investeringen worden lineair afgeschreven met ingang van het jaar volgend op de gereedmelding van de te activeren investering.

  • De raad heeft de mogelijkheid bij raadsbesluit een andere afschrijvingstermijn te benoemen als de onderstaande afschrijvingstermijnen niet toereikend zijn.

  • Bij aankoop van onroerende zaken worden de ondergrond en de opstallen afzonderlijk geactiveerd. De enige uitzondering hierop is wanneer de opstallen onlosmakelijk zijn verbonden met de ondergrond en het zeer onwaarschijnlijk is dat de ondergrond ooit nog als afzonderlijk actief beschikbaar komt. Denk hierbij bijvoorbeeld aan wegen. Op gronden wordt niet afgeschreven. De opstallen worden afgeschreven conform de hierna volgende afschrijvingstermijnen.

Afschrijvingsduur:

Immateriële vaste activa

Kosten voor onderzoek en ontwikkeling worden in maximaal 5 jaar afgeschreven.

 

(Im)materiële vaste activa

Voorgesteld wordt om de materiële vaste activa met economisch nut, evenals de onder de immateriële vaste activa geactiveerde bijdragen in investeringen van derden, af te schrijven in maximaal:

  • a.

    40 jaar: nieuwbouw woonruimten en schoolgebouwen

  • b.

    40 jaar: nieuwbouw kantoren, bedrijfsgebouwen, sporthallen en gymzalen

  • c.

    40 jaar: nieuwbouw zwembad: hoofddraagconstructie

  • d.

    20 jaar: nieuwbouw, renovatie zwembad: buitenschilafwerking en installaties

  • e.

    25 jaar: gemeenschapshuizen en sozen

  • f.

    25 jaar: renovatie, restauratie en aankoop woonruimten en schoolgebouwen

  • g.

    25 jaar: renovatie, restauratie en aankoop kantoren, bedrijfsgebouwen, sporthallen en gymzalen

  • h.

    20 jaar: nieuwbouw, renovatie kleedlokalen en kantine (bij buitensportaccommodaties)

  • i.

    25 jaar: aanleg parkeervoorzieningen.

  • j.

    20 jaar: motorvaartuigen

  • k.

    15 jaar: technische installaties in bedrijfsgebouwen,

  • l.

    10 jaar: veiligheidsvoorzieningen bedrijfsgebouwen, telefooninstallaties, kantoormeubilair, schoolmeubilair; aanleg tijdelijke terreinwerken, nieuwbouw tijdelijke woonruimten en bedrijfsgebouwen, groot onderhoud woonruimten en bedrijfsgebouwen

  • m.

    10 jaar: zware transportmiddelen; aanhangwagens en schuiten

  • n.

    10 jaar: personenauto's, lichte motorvoertuigen

  • o.

    10 jaar: automatiseringsvoorzieningen

  • p.

    40 jaar: onderbouw (zandlaag met drainage) bij kunst(gras)velden en tennisbanen

  • q.

    20 jaar: sporttechnische laag bij kunst(gras)velden en tennisbanen

  • r.

    10 jaar: toplaag bij kunst(gras)velden en tennisbanen

  • s.

    20 jaar: natuurgras(sport)velden

  • t.

    Riolering: de afschrijvingstermijnen volgens GRP zijn van toepassing.

Voorgesteld wordt om de materiële vaste activa met maatschappelijk nut, af te schrijven in maximaal:

  • a.

    30 jaar: aanleg wegen

  • b.

    20 jaar: reconstructie wegen

  • c.

    20 jaar: aanleg fietspaden

  • d.

    20 jaar: openbare verlichting

Naar boven