Beleidsregel Wet Bibob gemeente Bergen 2026

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen en de burgemeester van de gemeente Bergen, ieder voor zover het zijn bevoegdheden betreft,

 

BESLUITEN:

 

de ‘Beleidsregel Wet Bibob gemeente Bergen 2026’ vast te stellen.

 

Deze beleidsregel legt uit hoe de gemeente Bergen de Wet Bibob uitvoert.

 

Inleiding:

Het doel van de Wet Bibob is om te voorkomen dat de gemeente onbedoeld criminele activiteiten of het witwassen van crimineel verkregen vermogen faciliteert. Bibob staat voor ‘bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.’ De gemeente Bergen voert Bibob-onderzoeken uit bij activiteiten met een verhoogd risico op criminele inmenging. Hiermee wordt gecontroleerd of betrokkenen integer zijn en niet betrokken zijn bij criminele activiteiten. Ook relaties uit iemands zakelijke omgeving kunnen in een Bibob-onderzoek worden meegenomen.

 

Het toepassingsbereik van de Wet Bibob

De gemeente kan een Bibob-onderzoek uitvoeren bij de volgende typen activiteiten:

  • Activiteiten waarvoor een vergunning of ontheffing nodig is: Bijvoorbeeld in risicovolle branches waar de integriteit van aanvragers essentieel is;

  • Activiteiten waarvoor een subsidie wordt aangevraagd: Voor subsidieverstrekkingen aan activiteiten die gevoelig zijn voor misbruik of fraude kan een Bibob-onderzoek worden ingezet;

  • Overheidsopdrachten: Bij aanbestedingen, waarbij integriteit en financiële betrouwbaarheid belangrijk zijn, kan de gemeente een Bibob-onderzoek uitvoeren;

  • Vastgoedtransacties: De gemeente kan een Bibob-onderzoek uitvoeren bij vastgoedverkoop of -verhuur door de gemeente, vooral in gebieden of sectoren met een verhoogd risico op criminele activiteiten.

Gevolgen van een Bibob-onderzoek

De gemeente kan bij gegronde aanwijzingen van crimineel misbruik besluiten geen vergunning, ontheffing, subsidie of overheidsopdracht te verlenen of geen vastgoedtransactie aan te gaan. Ook kan de gemeente besluiten om een verleende vergunning of subsidie in te trekken of een overeenkomst te beëindigen.

 

Begrippenlijst

Eigen ambtelijke informatie : Informatie en gegevens die binnen de gemeente beschikbaar zijn en zijn verzameld in het kader van de gemeentelijke taken. Dit omvat onder meer interne rapporten, gemeentelijke archiefstukken, informatie uit openbare en gesloten bronnen die de gemeente wettelijk mag inzien, en gegevens uit gemeentelijke administraties zoals vergunningaanvragen en handhavingsdossiers. Eigen ambtelijke informatie kan worden gebruikt in een Bibob-onderzoek om de integriteit en betrouwbaarheid van een aanvrager of betrokkene te beoordelen.

 

Bibob-vragenformulier : Het formulier dat een aanvrager moet invullen bij de start van een Bibob-onderzoek. Dit formulier bevat vragen over de achtergrond, financiële situatie, bedrijfsstructuur en betrokken personen of bedrijven van de aanvrager. Het Bibob-vragenformulier is bedoeld om de gemeente de informatie te verschaffen die nodig is om een integriteitsbeoordeling uit te voeren. Het formulier is opgesteld conform de Regeling en de verplichting tot het invullen ervan is vastgelegd in artikel 7a, lid 5 van de Wet Bibob.

 

Zakelijke relatie: persoon die (in)direct leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over, vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan betrokkene, of in een zakelijk samenwerkingsverband tot hem staat of heeft gestaan.

 

Wat is de Wet Bibob?

Het doel van de Wet Bibob is voorkomen dat de gemeente criminele activiteiten of het witwassen van crimineel verdiend geld mogelijk maakt. Bibob staat voor “bevordering integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur”. De gemeente voert daarom een Bibob-onderzoek uit bij activiteiten die een verhoogd risico op criminaliteit hebben. Met dit onderzoek controleert de gemeente iemands integriteit, dus of iemand te vertrouwen is en niet betrokken is bij criminele activiteiten. De gemeente kan ook mensen uit iemands zakelijke omgeving onderzoeken.

 

Wanneer kan de gemeente een Bibob-onderzoek doen?

De gemeente mag alleen een Bibob-onderzoek doen bij de volgende activiteiten:

  • activiteiten waar een vergunning/ontheffing voor nodig is;

  • activiteiten waarvoor een subsidie wordt aangevraagd;

  • opdrachten voor de overheid (overheidsopdrachten);

  • vastgoedtransacties, zoals onder andere het kopen of verkopen van gebouwen of grond van de gemeente.

In de Wet Bibob staat hoe gemeenten het Bibob-onderzoek mogen doen.

 

Wat kunnen de gevolgen zijn van een Bibob-onderzoek?

De gemeente kan bij het vermoeden van crimineel misbruik beslissen geen vergunning, ontheffing, subsidie of overheidsopdracht te geven, of geen vastgoedtransactie te sluiten. Ook kan de gemeente beslissen om een vergunning of subsidie in te trekken of een overeenkomst te stoppen.

 

Hoofdstuk 1: Algemeen

Artikel 1.1 Uitleg begrippen

In deze beleidsregel staan verschillende begrippen. In artikel 1 van de Wet Bibob leest u van de meeste begrippen wat ze betekenen. Daarnaast staan in deze beleidsregel nog enkele andere begrippen. Hieronder leest u wat die begrippen betekenen.

 

  • a.

    Gemeente: in deze beleidsregel verwijst gemeente naar een bestuursorgaan van de gemeente (de burgemeester, het college van burgemeester en wethouders of de gemeenteraad van de gemeente Bergen) of naar de rechtspersoon met een overheidstaak.

  • b.

    Eigen onderzoek: het Bibob-onderzoek dat de gemeente Bergen uitvoert, zoals bedoeld in artikel 7a van de Wet Bibob.

  • c.

    Eigen ambtelijke informatie: Informatie en gegevens die binnen de gemeente beschikbaar zijn en zijn verzameld in het kader van de gemeentelijke taken. Dit omvat onder meer interne rapporten, gemeentelijke archiefstukken, informatie uit openbare en gesloten bronnen die de gemeente wettelijk mag inzien, en gegevens uit gemeentelijke administraties zoals vergunningaanvragen en handhavingsdossiers. Eigen ambtelijke informatie kan worden gebruikt in een Bibob-onderzoek om de integriteit en betrouwbaarheid van een aanvrager of betrokkene te beoordelen.

  • d.

    Parameter: Een waarde of informatie die dient als invoer om de uitkomst ervan te bepalen. Bedoelt om de (mogelijke) uitvoering van een Bibob-onderzoek vast te stellen.

  • e.

    Bibob-vragenformulier: Het formulier dat een aanvrager moet invullen bij de start van een Bibob-onderzoek. Dit formulier bevat vragen over de achtergrond, financiële situatie, bedrijfsstructuur en betrokken personen of bedrijven van de aanvrager. Het Bibob-vragenformulier is bedoeld om de gemeente de informatie te verschaffen die nodig is om een integriteitsbeoordeling uit te voeren. Het formulier is opgesteld conform de Regeling en de verplichting tot het invullen ervan is vastgelegd in artikel 7a, lid 5 van de Wet Bibob.

  • f.

    Zakelijke relatie: Persoon die (in)direct leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over, vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan betrokkene, of in een zakelijk samenwerkingsverband tot hem staat of heeft gestaan.

  • g.

    Rechtspersoon met een overheidstaak: De gemeente Bergen.

  • h.

    RIEC: Het Regionaal Informatie- en Expertise Centrum zoals bedoeld in artikel 28, lid 2 onder d van de Wet Bibob.

  • i.

    Landelijk Bureau Bibob (LBB): Het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, zoals bedoeld in artikel 8 van de wet. De gemeente kan dit bureau vragen om een Bibob-advies te geven.

Artikel 1.2 De gemeente mag afwijken van deze beleidsregel

In deze beleidsregel heeft de gemeente Bergen omschreven in welke gevallen het een Bibob-onderzoek uitvoert. Ook in andere gevallen kan de gemeente een Bibob-onderzoek uitvoeren als zij dat nodig vindt. De gemeente kan dit doen zolang het zich aan de Wet Bibob en andere wetten houdt.

Hoofdstuk 2: Publiekrechtelijke beschikkingen

In dit hoofdstuk leest u wanneer de gemeente de Wet Bibob kan gebruiken bij aanvragen voor publiekrechtelijke beschikkingen, zoals vergunningen en subsidies.

Artikel 2.1 Wanneer past de gemeente de Wet Bibob toe als iemand een vergunning aanvraagt?

  • 1.

    De gemeente voert een eigen Bibob-onderzoek uit als het een aanvraag ontvangt voor één van de volgende vergunningen:

    • a.

      Alcoholwetvergunning zoals bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet voor horecabedrijven, behalve paracommerciële rechtspersonen;

    • b.

      Exploitatievergunningen op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Bergen, waaronder mede wordt bedoeld de exploitatie van coffeeshops, seksbedrijven, escortbedrijven, speelgelegenheden en speelautomatenhallen;

    • c.

      Vergunning voor het verrichten van een bedrijfsmatige activiteit binnen een gebouw, gebied of bedrijfsmatige activiteit dat door de burgemeester op grond van artikel 2:32a lid 2 van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Bergen is aangewezen;

    • d.

      Vergunningen voor vechtsportevenementen.

  • 2.

    De gemeente kan een eigen Bibob-onderzoek uitvoeren als het een aanvraag ontvangt voor één van de onderstaande vergunningen. De gemeente zal dit Bibob-onderzoek uitvoeren als ook één of meerdere van de situaties onder lid 3 van dit artikel voorkomen;

    • a.

      Een vergunning zoals bedoeld in artikel 5.1 van de Omgevingswet voor:

      • -

        een bouwactiviteit;

      • -

        een omgevingsplanactiviteit;

      • -

        een milieubelastende activiteit.

    • b.

      Evenementenvergunning zoals bedoeld in artikel 2:24 e.v. van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Bergen;

    • c.

      Omzettingsvergunning of splitsingsvergunning zoals bedoeld in artikel 21 en 22 van de Huisvestingswet;

    • d.

      Vergunningen voor verhuur van reguliere woonruimten in een aangewezen gebied of verhuur van verblijfsruimten aan arbeidsmigranten zoals bedoeld in artikel 5, lid 1 van de Wet goed verhuurderschap, onderdeel a of b.

  • 3.

    De gemeente zal een eigen Bibob-onderzoek uitvoeren voor de vergunningaanvragen uit lid 2 als:

    • a.

      de vergunning is aangevraagd voor één of meerdere activiteiten en/of projecten die vallen binnen de intern vastgestelde parameters;

    • b.

      de vergunning is aangevraagd voor één of meerdere activiteiten en/of projecten die vallen onder de risicoactiviteiten (zie bijlage 1);

    • c.

      de locatie waarvoor de vergunning is aangevraagd een risicogebied is (zie bijlage 2).

  • 4.

    De gemeente kan een eigen Bibob-onderzoek uitvoeren als het een aanvraag ontvangt voor één van de onderstaande vergunningen.

    • a.

      Alcoholwetvergunning voor slijterijbedrijven zoals bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet;

    • b.

      Bijschrijving (dag)leidinggevende op Alcoholwetvergunning zoals bedoeld in artikel 30a en 30b van de Alcoholwet;

    • c.

      Aanwezigheidsvergunning kansspelautomaat zoals bedoeld in artikel 30b van de Wet op de kansspelen;

    • d.

      Alcoholwetvergunning zoals bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet voor paracommerciële rechtspersonen zoals bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet;

    • e.

      Overige vergunningaanvragen waarbij de gemeente de Wet Bibob mag uitvoeren, maar die niet in deze beleidsregel of bijlage 1 (risicoactiviteiten) of bijlage 2 (risicogebieden) staan.

  • 5.

    De gemeente zal een eigen Bibob-onderzoek uitvoeren voor de vergunningaanvragen uit lid 4 als:

    • a.

      de gemeente dit nodig vindt door eigen (ambtelijke) informatie of informatie die de gemeente kreeg van één van de partners van het samenwerkingsverband RIEC;

    • b.

      de gemeente een tip of een bericht heeft ontvangen van het Landelijk Bureau Bibob, zoals bedoeld in artikel 11 van de Wet Bibob;

    • c.

      de gemeente een tip heeft ontvangen van de officier van justitie, een ander bestuursorgaan dat de Wet Bibob mag uitvoeren, of een rechtspersoon met een overheidstaak die de Wet Bibob mag uitvoeren, zoals bedoeld in artikel 26 van de Wet Bibob.

  • 6.

    De gemeente voert meestal geen eigen Bibob-onderzoek uit voor aanvragen van overheidsinstanties, semi-overheidsinstanties of woning(bouw)corporaties die onder de Woningwet vallen. Bij zulke aanvragen kan de gemeente wel een eigen Bibob-onderzoek uitvoeren als één van de situaties uit lid 3 van dit artikel voorkomen.

Artikel 2.2 Wanneer past de gemeente de Wet Bibob toe als iemand al een vergunning heeft (verleende vergunning)?

  • 1.

    De gemeente start een eigen onderzoek bij verleende vergunningen als beide situaties hieronder voorkomen:

    • a.

      De gemeente krijgt een melding dat de persoon die de vergunning heeft gekregen de vergunning op naam van iemand anders wil zetten (wijziging aanvrager of vergunninghouder)

      én

    • b.

      Eén of meerdere activiteiten waarvoor de vergunning geldt een risicoactiviteit is (zie bijlage 1) en/of in een risicogebied gebeuren (zie bijlage 2). Bij omgevingsvergunningen kan dit alleen als aan de voorwaarden is voldaan van artikel 5.40 van de Omgevingswet (bevoegdheid tot wijziging voorschriften omgevingsvergunning en intrekking omgevingsvergunning).

  • 2.

    De gemeente kan een eigen onderzoek starten bij een verleende vergunning als:

    • a.

      de gemeente de activiteit of het gebied waarvoor de vergunning geldt na het verlenen van de vergunning heeft toegevoegd aan de risicoactiviteiten (zie bijlage 1) of risicogebieden (zie bijlage 2);

    • b.

      de leidinggevende(n) en/of zeggenschaphebbende(n) van de persoon die de vergunning heeft gekregen is/zijn veranderd;

    • c.

      de gemeente dit nodig vindt door eigen ambtelijke informatie en/of informatie van één van de partners van het samenwerkingsverband RIEC.

    • d.

      de gemeente een tip heeft ontvangen van het Landelijk Bureau Bibob zoals bedoeld in artikel 11 van de Wet Bibob;

    • e.

      de gemeente een tip heeft ontvangen van de officier van justitie, een ander bestuursorgaan dat de Wet Bibob mag uitvoeren, of een rechtspersoon met een overheidstaak die de Wet Bibob mag uitvoeren, zoals bedoeld in artikel 26 van de Wet Bibob.

Artikel 2.3 Wanneer past de gemeente de Wet Bibob toe bij subsidies?

De gemeente start een eigen Bibob-onderzoek bij een aanvraag voor een subsidie of een (deels) goedgekeurde subsidie zoals bedoeld in de algemene subsidieverordening als:

  • a.

    de activiteit waarvoor de subsidie geldt onder één of meer van de risicoactiviteiten valt (zie bijlage 1) en/of in een van de risicogebieden gebeurt (zie bijlage 2);

  • b.

    de aanvraag valt binnen de intern vastgestelde parameters;

  • c.

    de gemeente dit nodig vindt door eigen (ambtelijke) informatie en/of informatie van één van de partners van het samenwerkingsverband RIEC;

  • d.

    de gemeente een tip heeft ontvangen van het Landelijk Bureau Bibob, zoals bedoeld in artikel 11 van de Wet Bibob;

  • e.

    de gemeente een tip heeft ontvangen van de officier van justitie, een ander bestuursorgaan dat de Wet Bibob mag uitvoeren of een rechtspersoon met een overheidstaak die de Wet Bibob mag uitvoeren, zoals bedoeld in artikel 26 van de Wet Bibob.

Artikel 2.4 Wat gebeurt er als iemand weigert de Bibob-vragenformulieren (helemaal) in te vullen?

  • 1.

    Gaat het om een aanvraag voor een vergunning of subsidie? Dan kan de gemeente beslissen de aanvraag niet te behandelen. Dit staat in artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

  • 2.

    Gaat het om een verleende vergunning, ontheffing of subsidie? Dan kan de gemeente de vergunning, ontheffing of subsidie intrekken. Het weigeren om vragenformulieren (helemaal) in te vullen wordt vanuit de Bibob wetgeving namelijk gezien als ernstig gevaar zoals bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob.

Hoofdstuk 3: Privaatrechtelijke transacties

In dit hoofdstuk leest u wanneer de gemeente de Wet Bibob kan gebruiken bij privaatrechtelijke transacties, zoals bij vastgoedtransacties of overheidsopdrachten.

Artikel 3.1 Hoe past de gemeente de Wet Bibob toe bij vastgoedtransacties?

De gemeente kan een Bibob-onderzoek doen als de gemeente zelf een vastgoedtransactie doet, zoals het kopen of verkopen van een gebouw of een stuk grond. De gemeente moet de betrokkene laten weten wanneer het een eigen Bibob-onderzoek doet en/of het Landelijk Bureau Bibob om advies vraagt. De gemeente kan deze informatie bijvoorbeeld in de verkoopleidraad zetten en/of dit aangeven bij de start van de onderhandelingen.

 

De gemeente neemt een integriteitsclausule op in het contract voor de vastgoedtransactie. Hierin staat dat de gemeente het contract kan ontbinden als uit een Bibob-onderzoek blijkt dat de andere partij niet integer is zoals bedoelt in artikel 9, lid 3 van de Wet Bibob..

 

De gemeente start een eigen Bibob-onderzoek als:

  • a.

    het vastgoedobject, zoals een gebouw of een stuk grond, gebruikt wordt of gebruikt gaat worden voor één of meerdere activiteiten die vallen onder de risicoactiviteiten (zie bijlage 1) en/of gebeuren in één van de risicogebieden (zie bijlage 2);

  • b.

    de vastgoedtransactie valt binnen de intern vastgestelde parameters;

  • c.

    het gebouw belangrijk is voor hoe de omgeving eruitziet (beeldbepalend is);

  • d.

    de gemeente het risico loopt veel geld te verliezen met de transactie;

  • e.

    de gemeente dit nodig vindt door eigen (ambtelijke) informatie en/of informatie van één van de partners van het samenwerkingsverband RIEC;

  • f.

    de gemeente een tip of een bericht heeft ontvangen van het Landelijk Bureau Bibob zoals bedoeld in artikel 11 van de Wet Bibob;

  • g.

    de gemeente een tip heeft ontvangen van de officier van justitie, een ander bestuursorgaan dat de Wet Bibob mag uitvoeren, of een rechtspersoon met een overheidstaak die de Wet Bibob mag uitvoeren, zoals bedoeld in artikel 26 van de Wet Bibob.

Artikel 3.2 Hoe past de gemeente de Wet Bibob toe bij overheidsopdrachten?

De gemeente kan een Bibob-onderzoek doen bij overheidsopdrachten zoals bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en bij zorgovereenkomsten vanuit de Jeugdwet en/of de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo).

 

De gemeente moet de partijen die meedoen aan een aanbesteding of die een betaalovereenkomst willen sluiten met de gemeente, laten weten wanneer het een eigen Bibob-onderzoek doet en/of het Landelijk Bureau Bibob om advies vraagt. De gemeente zet deze informatie in (aanbestedings)documenten.

 

De gemeente neemt een integriteitsclausule op in het contract. Daarin zet de gemeente dat het onder het contract uit kan als uit een Bibob-onderzoek blijkt dat één of meer uitsluitingsgronden van toepassing zijn als bedoelt is artikel 9 van de Wet Bibob.

  • 1.

    De gemeente start vóór het aangaan van het contract een eigen Bibob-onderzoek als:

    • a.

      één of meerdere activiteiten van de overheidsopdracht onder de risicoactiviteiten vallen (zie bijlage 1) of gebeuren in één van de risicogebieden (zie bijlage 2);

    • b.

      De overheidsopdracht valt binnen intern vastgestelde parameters;

    • c.

      de gemeente dit nodig vindt door eigen (ambtelijke) informatie en/of informatie van een van de partners van het samenwerkingsverband RIEC;

    • d.

      de gemeente een tip of een bericht heeft ontvangen van het Landelijk Bureau Bibob, zoals bedoeld in artikel 11 van de Wet Bibob;

    • e.

      de gemeente een tip heeft ontvangen van de officier van justitie, of een ander bestuursorgaan dat de Wet Bibob mag uitvoeren, of een rechtspersoon met een overheidstaak die de Wet Bibob mag uitvoeren, zoals bedoeld in artikel 26 van de Wet Bibob;

    • f.

      de gemeente informatie of een tip (zie onderdeel b tot en met d) heeft ontvangen over een onderaannemer.

  • 2.

    Als één of meer van de situaties onder lid 1, sub a t/m e, voorkomen tijdens het uitvoeren van het contract kan de gemeente ook een eigen Bibob-onderzoek starten.

Artikel 3.3 Wat gebeurt er als iemand weigert mee te werken aan het Bibob-onderzoek?

Als iemand weigert om de Bibob-vragenformulieren (helemaal) in te vullen, dan kan de gemeente beslissen om geen vastgoedtransactie of overheidsopdracht te sluiten met die persoon. Hetzelfde geldt als iemand weigert om informatie te geven aan het Landelijk Bureau Bibob. De gemeente moet informatie hierover in documenten voor de vastgoedtransactie of de overheidsopdracht zetten, bijvoorbeeld in de Verkoopleidraad of aanbestedingsdocumenten.

Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 4.1 Inwerkingtreding

Dit beleid treedt in werking op 1 januari 2026. Tegelijkertijd komt het eerder vastgestelde ‘Bibob-beleid gemeente Bergen 2021’ te vervallen.

Artikel 4.2 Citeertitel

Deze beleidsregel kan worden aangehaald als de Beleidsregel Wet Bibob gemeente Bergen 2026.

Aldus besloten door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen in zijn vergadering van 25 november 2025,

J. J. (Joyce) de Hondt

de secretaris

J.H.M. (Jaap) Bond

burgemeester

Aldus besloten door de burgemeester van de gemeente Bergen op 25 november 2025,

J.H.M. (Jaap) Bond

de burgemeester

Bijlage 1: Risicoactiviteiten

 

In deze bijlage staan activiteiten waar de gemeente Bergen – als dat kan – een Bibob-onderzoek voor wil doen. Voor deze activiteiten bestaat een verhoogd risico op criminaliteit of het witwassen van crimineel verdiend geld.

 

Hoe zijn de risicoactiviteiten bepaald?

In de lijst met risicoactiviteiten staan de volgende activiteiten:

  • -

    Activiteiten die onder de Wet Bibob vallen, zoals activiteiten waar een alcoholwetvergunning voor nodig is of sommige milieu- of bouwactiviteiten. Sinds 2013 vallen ook vastgoedtransacties onder de Wet Bibob en sinds 2022 ook (zorg)aanbestedingen. Deze activiteiten vallen onder de Wet Bibob omdat bij deze activiteiten volgens de overheid een verhoogd risico is op criminaliteit. De overheid maakt hiervoor gebruik van een onderzoek van criminoloog / emeritus hoogleraar Cyrille Fijnaut (hierna: Fijnaut) (zie ook ‘Activiteiten die de overheid heeft toegevoegd aan de Wet Bibob’).

  • -

    Activiteiten waarvoor in de gemeente Bergen een vergunning nodig is. Gemeenten mogen ervoor kiezen om voor sommige activiteiten een vergunning verplicht te maken (vergunningplicht voor aan te wijzen bedrijfsmatige activiteiten ter bestrijding van ondermijning). De gemeente heeft besloten dat er een vergunning nodig is voor die activiteiten om problemen zoals overlast of onveilige situaties aan te pakken.

  • -

    Activiteiten waar de gemeente negatieve ervaringen mee heeft. Denk bijvoorbeeld aan problemen met sommige zorgbureaus (zorgfraude), uitzendbureaus of duurzaamheidsprojecten. De gemeente kan ook activiteiten die heel veel voorkomen in een gebied toevoegen aan de lijst.

De overheid heeft er bewust voor gekozen om geen definitieve lijst met risicoactiviteiten te maken, maar gemeenten de vrijheid te geven om zelf activiteiten toe te voegen. Ze kunnen dat bijvoorbeeld doen als uit onderzoek blijkt dat ook andere branches in hun gemeente een verhoogd risico hebben op criminaliteit. Met een definitieve lijst zou ook het risico bestaan dat criminelen overstappen naar andere branches die buiten de Wet Bibob vallen.

 

Activiteiten die de overheid heeft toegevoegd aan de Wet Bibob

Voor het bepalen van de risicoactiviteiten heeft de overheid het onderzoek van Fijnaut gebruikt1. Fijnaut heeft vier criteria omschreven waarmee je kunt bepalen of een branche een verhoogd risico heeft op criminaliteit:

 

  • 1.

    Zijn criminelen goed bekend met de branche?

  • 2.

    Is het makkelijk om als bedrijf onderdeel te worden van de branche?

  • 3.

    Is er veel concurrentie tussen kleine bedrijven waarin veel contant geld aanwezig is?

  • 4.

    Heeft de branche vage, ingewikkelde en soms tegenstrijdige regels?

Op basis van deze criteria heeft de overheid eerst alleen de volgende branches onder de Wet Bibob laten vallen: horeca, bouwsector, autobranche, textielindustrie, de afvalverwerkingsbranche, de transportsector, prostitutie- en seksbedrijven en de goksector. Later heeft de overheid daar de volgende branches aan toegevoegd: coffeeshops, bedrijven die drugs of andere stoffen die onder de Opiumwet vallen produceren of verhandelen en de ICT-sector2.

In 2010 voegde de overheid daar nog de volgende branches aan toe: uitzendbranche, evenementenbranche, belwinkels, headshops, kansspelautomatenbranche en de vastgoedsector. De reden hiervoor was het onderzoek voor de Evaluatie- en Uitbreidingswet Bibob in 2010. Later voegde de overheid nog de vuurwerksector en kamerverhuur toe3. Ook voegde het sommige niet-vergunningplichtige sectoren als belwinkels, massagesalons en avondkappers toe4. Deze sectoren hebben het risico gebruikt te worden voor het witwassen van geld, ontduiken van belasting en andere soorten van criminaliteit. Dit komt deels doordat er veel contant geld aanwezig is en het makkelijk is om onderdeel te worden van de branche (Fijnaut-criteria 2 en 3).

Uit onderzoek blijkt verder dat criminele organisaties in Nederland aanwezig zijn in de horecabranche, groothandel en detailhandel (zoals de import en export van fruit), de vastgoedsector, de prostitutie, de transportsector en de verhuur van motorvoertuigen5. Daarom zijn ook die branches opgenomen in de lijst met risicoactiviteiten.

 

Wanneer voert de gemeente een Bibob-onderzoek uit bij deze risicoactiviteiten?

De gemeente kan alleen een Bibob-onderzoek doen bij publiekrechtelijke beschikkingen (zoals vergunningen of subsidies) of privaatrechtelijke transacties (zoals overheidsopdrachten en vastgoedtransacties).

Voor onderstaande activiteiten is niet altijd een vergunning nodig. Als er geen vergunning nodig is voor een activiteit, kan de gemeente de Wet Bibob niet direct uitvoeren. Wel kan het zijn dat de gemeente nog andere beslissingen moeten nemen om die activiteit mogelijk te maken, zoals een omgevingsvergunning geven of een vastgoedtransactie sluiten. Als dat zo is, kan de gemeente de Wet Bibob toch nog uitvoeren.

Het is de bedoeling dat de gemeente het Bibob-onderzoek zo vroeg mogelijk uitvoert. Anders kan het lastig zijn om een beslissing terug te draaien, bijvoorbeeld bij vastgoedtransacties. Ook geeft dit de betrokkene die de activiteit wil uitvoeren snel duidelijkheid.

De gemeente probeert het aantal Bibob-onderzoeken per betrokkene zo klein mogelijk te houden. Toch moet de gemeente soms meerdere keren een Bibob-onderzoek doen bij een betrokkene.

 

Lijst van risicoactiviteiten

 

In onderstaande lijst staan de risicoactiviteiten die gelden in de gemeente Bergen. Ze zijn verdeeld over categorieën.

 

Horeca-activiteiten

Voor deze activiteiten is meestal een vergunning nodig vanuit de Alcoholwet of de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van de gemeente, zoals de exploitatievergunning voor openbare inrichtingen.

  • 1.

    Horecabedrijven

  • 2.

    Hotel/pensions, of andere locaties om te overnachten

  • 3.

    Coffeeshops

  • 4.

    Shishalounges

  • 5.

    Zaalverhuur

De rechter heeft in verschillende uitspraken over horecabedrijven6 geoordeeld dat algemeen bekend is dat deze sector een verhoogd risico heeft op criminaliteit. Zie ook de memorie van toelichting van de Wet Bibob7.

 

Recreatie en vrije tijd

Voor deze activiteiten kan een vergunning nodig zijn vanuit de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van de gemeente. Ook kan er een combinatie zijn met andere activiteiten, bijvoorbeeld wanneer er ook horeca op een recreatiepark aanwezig is. Dan is er meestal een vergunning nodig.

  • 1.

    Recreatieparken

  • 2.

    Jachthavens

  • 3.

    Evenementen

  • 4.

    Speelautomatenhallen/gamecenters/casino’s

  • 5.

    Fitnessbedrijven/sportscholen

  • 6.

    Sporthallen/-complexen

  • 7.

    Commerciële sportactiviteiten

Prostitutie

Voor deze activiteit is een vergunning nodig vanuit de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van de gemeente. Voor deze activiteit geldt ook vaak een maximum aantal per gebied. Soms is ook een wijziging van het omgevingsplan nodig om deze activiteit op een locatie mogelijk te maken.

  • 1.

    Prostitutie- en seksbedrijven

  • 2.

    Escortbedrijven

  • 3.

    Seksbioscopen

  • 4.

    Erotische massagesalons

De rechter heeft in verschillende uitspraken over prostitutiebedrijven8 geoordeeld dat het algemeen bekend is dat deze sector een verhoogd risico heeft op criminaliteit. Zie ook de memorie van toelichting van de Wet Bibob9.

 

Detailhandel en dienstverlening

Voor deze activiteiten is meestal geen vergunning nodig, behalve als de gemeente een vergunning verplicht heeft gemaakt. Soms staat in het Omgevingsplan dat voor deze activiteiten een vergunning voor een omgevingsplanactiviteit moet worden aangevraagd.

  • 1.

    Smartshops/headshops/giftshops

  • 2.

    Wellnesscentra/zonnestudio’s

  • 3.

    Kappers/barbershops/nagelstudio’s/tattooshops

  • 4.

    Belwinkels

  • 5.

    Goudinkoopbedrijven

  • 6.

    Pandjeshuizen

  • 7.

    Verhuur van transportmiddelen (auto’s, (bestel)bussen, deelvoertuigen)

  • 8.

    Darkstores

Wonen

Voor deze activiteiten is meestal een omgevingswetvergunning nodig, bijvoorbeeld voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit. Ook kunnen er vergunningen nodig zijn vanuit de Huisvestingswet, de Wet goed verhuurderschap of regels van de gemeente.

  • 1.

    Kamerverhuurbedrijven (inclusief omgevingsvergunningen voor kamerverhuur- en/of logiespanden met meerdere kamers)

  • 2.

    Omzetten/splitsen van woningen/panden voor kamerverhuur of realisatie van (meerdere) woonruimten

  • 3.

    Aanpassen kantoorpanden (naar woningen en/of kamers)

  • 4.

    Opvang vluchtelingen

  • 5.

    Huisvesting van arbeidsmigranten

Opslag

Als voor deze activiteiten gebouwd moet worden, is er vaak een omgevingsvergunning nodig. Ook moet het omgevingsplan misschien veranderd worden.

  • 1.

    Garageboxen/opslagruimtes

  • 2.

    Bedrijfsverzamelgebouwen

Milieubelastende activiteiten

Voor deze activiteiten is meestal een vergunning nodig vanuit de Omgevingswet (vergunning voor een milieubelastende activiteit en/of omgevingsplanactiviteit):

  • 1.

    (gevaarlijke) Afvalbewerking en -verwerking

  • 2.

    Afvalrecycling

  • 3.

    Mestverwerking

  • 4.

    Sloop- en/ of asbestverwijdering

  • 5.

    Autodemontage

  • 6.

    Vuurwerkopslag/ transport

  • 7.

    Datacenters

Zorg, welzijn en opleiden

Deze activiteiten gebeuren soms via een overheidsopdracht en soms kan er een subsidie voor worden aangevraagd. Ook is er soms een vergunning voor nodig vanuit de Omgevingswet.

  • 1.

    Het aanbieden van zorg (inclusief aanbieden van zorgwoningen)

  • 2.

    Re-integratie-activiteiten

  • 3.

    Het aanbieden van particuliere schoolactiviteiten

  • 4.

    Religieuze instellingen

Duurzaamheid en transitie

Voor deze activiteiten is soms een omgevingsvergunning nodig, bijvoorbeeld voor bouwactiviteiten. Ook kan er soms een subsidie voor worden aangevraagd.

  • 1.

    Energieproductie (inclusief (mest)vergisters, windmolens, zonneparken, enzovoort)

  • 2.

    Activiteiten voor uitkoop- en opkoopregelingen (in verband met onder andere stikstof)

Bijlage 2: Risicogebieden

 

In deze bijlage vindt u de gebieden die volgens de gemeente Bergen een risicogebied zijn. Dit zijn bijvoorbeeld nieuwe bedrijventerreinen, gebieden die opgeknapt worden en gebieden waarvan de gemeente vermoedt dat er criminele activiteiten gebeuren. De gemeente vindt het nodig om een Bibob-onderzoek te doen voor activiteiten binnen die gebieden.

 

De gemeente mag niet voor alle activiteiten binnen deze gebieden een Bibob-onderzoek doen. De gemeente mag zo’n onderzoek alleen doen als de activiteit onder de Wet Bibob valt. Dat is als er een vergunning nodig is voor de activiteit, als het om een vastgoedtransactie gaat of een overheidsopdracht.

 

Aangewezen risicogebieden:

Op het moment van vaststelling zijn er geen aangewezen risicogebieden.

 

Toelichting: hoe past de gemeente Bergen de Wet Bibob toe?

Deze toelichting legt de stappen uit die de gemeente zet bij een Bibob-onderzoek. Soms voert de gemeente het onderzoek anders uit. Dit mag, zolang de gemeente zich aan de wet houdt.

 

De gemeente begint altijd met een eigen Bibob-onderzoek. Als dit onderzoek niet genoeg informatie oplevert om een beslissing te nemen, kan de gemeente ook het Landelijk Bureau Bibob om advies vragen. Dit bureau heeft toegang tot meer informatie dan de gemeente.

 

Ook kan de gemeente tijdens het onderzoek hulp vragen aan het Regionaal Informatie- en Expertise Centrum (RIEC).

 

In de beleidsregel Wet Bibob staat wanneer de gemeente een eigen Bibob-onderzoek kan starten. Soms gebruikt de gemeente eigen ambtelijke informatie bij dit onderzoek. Het kan zijn dat de gemeente deze informatie heeft gekregen uit één of meerdere (gesloten) bronnen, zoals gegevens van de politie. De gemeente houdt zich hierbij altijd aan de Wet Bibob.

 

Gaat het om een privaatrechtelijke overeenkomst? Dan gelden de afspraken in het (algemene) inkoopbeleid van de gemeente, de (algemene) verkoopvoorwaarden van de gemeente en contracten. Deze beleidsregel is een aanvulling op die afspraken.

 

Eigen Bibob-onderzoek door de gemeente

De gemeente start altijd met een eigen Bibob-onderzoek. De gemeente voert hiervoor onderstaande stappen uit.

 

De betrokkene moet een Bibob-vragenformulier invullen

Wanneer de gemeente een eigen Bibob-onderzoek start, vraagt het de betrokkene om het Bibob-vragenformulier in te vullen en in te leveren bij de gemeente. De betrokkene moet ook alle documenten (bijlagen) inleveren waar in het vragenformulier om wordt gevraagd. Deze documenten gelden als bewijs voor de antwoorden.

 

Als de betrokkene de aanvraag doet voor een nieuwe beschikking, zoals een vergunning of subsidie, maken de Bibob-vragenformulieren onderdeel uit van de aanvraag voor de vergunning of subsidie.

 

De gemeente voert daarna de volgende acties uit:

  • 1.

    De gemeente controleert en onderzoekt alle informatie die de betrokkene heeft ingevuld op het Bibob-vragenformulier en alle toegevoegde documenten (bijlagen).

  • 2.

    De gemeente controleert en onderzoekt extra informatie die de betrokkene heeft ingeleverd bij de gemeente als de gemeente hierom heeft gevraagd.

  • 3.

    De gemeente doet onderzoek naar informatie over de betrokkene en de omgeving van de betrokkene in open bronnen waar iedereen toegang toe heeft, zoals de Kamer van Koophandel en het Kadaster.

De gemeente kan de volgende extra gegevens opvragen

  • Politiegegevens (zie artikel 4.3 onder l van het Besluit politiegegevens);

  • Justitiële gegevens, zoals een strafblad;

  • Informatie van het Landelijk Bureau Bibob, zoals bedoeld in artikel 11a van de Wet Bibob;

  • Informatie van de Rijksbelastingdienst zoals bedoeld in artikel 7c van de Wet Bibob;

De gemeente kan deze extra informatie opvragen van de betrokkene zoals bedoeld in artikel 1, lid 1 van de Wet Bibob, maar (met uitzondering van de politiegegevens) ook van Bibob-relaties van de betrokkene. Daaronder vallen de volgende personen:

  • degene die direct of indirect leiding geeft of heeft gegeven aan de betrokkene;

  • degene die direct of indirect zeggenschap heeft of heeft gehad over de betrokkene;

  • degene die direct of indirect vermogen geeft of heeft gegeven aan de betrokkene;

  • degene die als leidinggevende, beheerder, bedrijfsleider of vervoersmanager staat vermeld op de aangevraagde of al gegeven beschikking;

  • degene die met de betrokkene gelijk kan worden gesteld door zijn invloed op de betrokkene.

De betrokkene moet de volgende informatie geven over hoe hij het project of de activiteit financiert:

De financiering van het project of de activiteit moet aannemelijk en inzichtelijk zijn. Dit betekent dat geloofwaardig moet zijn dat de betrokkene het geld heeft en dat duidelijk moet zijn waar het geld vandaan komt. Daarom gelden de volgende regels:

 

Optie 1: De betrokkene gebruikt eigen vermogen

De betrokkene moet kunnen bewijzen dat hij het geld heeft en waar het vandaan komt. Ook als de betrokkene met contant geld betaalt.

 

Optie 2: De betrokkene gebruikt vreemd vermogen

In dit geval moet de betrokkene de volgende documenten inleveren:

  • Een lenings- of schenkingscontract waarop staat wat de voorwaarden voor de lening of schenking zijn. Dit contract moet in het Nederlands zijn, of vertaald zijn naar het Nederlands.

  • Documenten die de identiteit van de (indirecte) geldgever bewijzen:

    • o

      Geldig identiteitsbewijs

    • o

      Adres en woonplaats

    • o

      Gegevens over de natuurlijke personen (aandeelhouders) als de financiering door rechtspersonen gebeurt.

  • Documenten waaruit blijkt waar het geld van de geldgever vandaan komt en om hoeveel geld het gaat. Denk aan overeenkomsten, jaaropgaven, loonstroken en belastingaangiftes.

  • Bankafschriften waaruit blijkt dat de betrokkene het geld heeft ontvangen.

  • Betaalt de betrokkene met contant geld? Dan moet de betrokkene laten zien hoe hij aan dit geld komt.

  • Maakt de betrokkene gebruik van crowdfunding of andere manieren om via een platform geld op te halen bij een groep mensen? Dan kan de gemeente het platform verplichten de identiteit van de uiteindelijke vermogensverschaffers bekend te maken aan de betrokkene of de gemeente.

Onderzoek door het Landelijk Bureau Bibob

De gemeente kan ook het Landelijk Bureau Bibob een onderzoek laten doen. Het Landelijk Bureau Bibob heeft toegang tot meer informatie dan de gemeente, zoals internationale informatie en informatie van inlichtingendiensten. Een onderzoek door het Landelijk Bureau Bibob heeft daarom meer invloed op een betrokkene en de privacy van een betrokkene dan een onderzoek door de gemeente. De gemeente laat het Landelijk Bureau Bibob daarom alleen een onderzoek doen als zij dit echt nodig vindt.

 

De gemeente kan het Landelijk Bureau Bibob (LBB) onderzoek laten doen in de volgende gevallen:

  • a.

    De gemeente heeft nog vragen over de integriteit van de betrokkene en/of de omgeving van de betrokkene, zoals bedoeld in artikel 3, lid 4 van de Wet Bibob;

  • b.

    De gemeente heeft nog vragen over de bedrijfsstructuur van één of meerdere bedrijven die te maken hebben met de beschikking, overheidsopdracht of vastgoedtransactie;

  • c.

    De gemeente heeft nog vragen over de financiering van de activiteiten;

  • d.

    Het Landelijk Bureau Bibob adviseert de gemeente om hen onderzoek te laten doen naar de betrokkene, zoals bedoeld in artikel 11 van de Wet Bibob;

  • e.

    De gemeente heeft een tip ontvangen van de officier van justitie, of een ander bestuursorgaan, of een rechtspersoon met een overheidstaak, zoals bedoeld in artikel 26 van de Wet.

Een betrokkene kan geen bezwaar maken of in beroep gaan tegen een adviesvraag bij het Landelijk Bureau Bibob. De betrokkene kan de aanvraag wel altijd intrekken.

 

Wanneer besluit de gemeente om geen vergunning of subsidie te geven, of geen vastgoedtransactie of overheidsopdracht te sluiten?

De gemeente beoordeelt zelf, of met een advies van het Landelijk Bureau Bibob, of het een negatief of positief besluit neemt. In de Wet Bibob staat hoe de gemeente moet omgaan met de kans op criminele activiteiten. Als die kans erg groot is, heeft de Wet Bibob het over ‘een ernstige mate van gevaar’. Als de kans kleiner is heeft de Wet Bibob het over ‘een mindere mate van gevaar’.

 

Vergunningen en subsidies

In de volgende gevallen kan de gemeente beslissen om een aanvraag voor een vergunning of subsidie niet te behandelen. Of een al verleende vergunning of subsidie in te trekken. Dit kan de gemeente doen volgens artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht en op grond van artikel 3 en artikel 4 van de Wet Bibob.

  • De betrokkene werkt niet mee aan het eigen Bibob-onderzoek van de gemeente. Bijvoorbeeld door het Bibob-vragenformulier niet of niet helemaal in te vullen, en/of niet alle gevraagde bewijzen mee te sturen. Ook niet nadat de gemeente de betrokkene tijd heeft gegeven om de missende informatie aan te vullen.

  • De betrokkene heeft expres informatie weggelaten van het Bibob-formulier of foute informatie gegeven. Dit is strafbaar volgens artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht. Als de gemeente denkt dat de betrokkene dit heeft gedaan, kan de gemeente aangifte doen bij de politie.

  • De betrokkene heeft niet goed genoeg kunnen bewijzen dat hij het geld voor de activiteit heeft en hoe hij aan dit geld is gekomen.

  • De betrokkene werkt niet mee aan het onderzoek van het Landelijk Bureau Bibob. Bijvoorbeeld door de gevraagde informatie of bewijzen niet te geven. Of door niet naar waarheid te antwoorden.

  • Uit het Bibob-onderzoek blijkt dat er een ernstig mate van gevaar is, zoals bedoeld in artikel 3, lid 1 van de Wet Bibob. Als de vergunning of subsidie al gegeven is, kan de gemeente deze intrekken.

  • Is er geen ernstige mate van gevaar, maar een mindere mate van gevaar, zoals bedoeld in artikel 3, lid 1 van de Wet Bibob? Dan kan de gemeenten extra voorschriften (regels) opleggen voor de vergunning of subsidie. Die extra voorschriften moeten ervoor zorgen dat het gevaar voor criminele activiteiten verdwijnt of kleiner wordt. Als de betrokkene zich niet aan deze regels houdt, kan de gemeente de vergunning of subsidie intrekken.

  • Is er wel een ernstige mate van gevaar, maar vindt de gemeente het weigeren of intrekken van de vergunning of subsidie een te zware beslissing ? Ook dan kan de gemeente extra regels opleggen. Die extra regels moeten ervoor zorgen dat het gevaar voor criminele activiteiten verdwijnt of kleiner wordt. Als de betrokkene zich niet aan deze regels houdt, kan de gemeente de vergunning of subsidie intrekken.

Vastgoedtransacties

In de volgende gevallen kan de gemeente beslissen om een geen vastgoedtransactie te sluiten. Of het contract te verbreken dat na de vastgoedtransactie is gesloten. De gemeente moet die optie wel in het contract hebben opgenomen.

  • De betrokkene werkt niet mee aan het eigen Bibob-onderzoek van de gemeente. Bijvoorbeeld door het Bibob-vragenformulier niet of niet helemaal in te vullen, en/of niet alle gevraagde bewijzen mee te sturen. Ook niet nadat de gemeente de betrokkene tijd heeft gegeven om de missende informatie aan te vullen.

  • De betrokkene heeft expres informatie weggelaten van het Bibob-formulier of foute informatie gegeven. Dit is strafbaar volgens artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht. Als de gemeente denkt dat de betrokkene dit heeft gedaan, kan de gemeente aangifte doen bij de politie.

  • De betrokkene heeft niet goed genoeg kunnen bewijzen dat hij het geld voor de activiteit heeft en hoe hij aan dit geld is gekomen.

  • De betrokkene werkt niet mee aan het onderzoek van het Landelijk Bureau Bibob. Bijvoorbeeld door de gevraagde informatie of bewijzen niet te geven. Of door niet naar waarheid te antwoorden.

  • Er is minimaal een mindere mate van gevaar dat de vastgoedtransactie wordt gebruikt voor het witwassen van crimineel geld of vermogen.

  • Er is minimaal een mindere mate van gevaar dat in of met het gebouw of de grond strafbare activiteiten zullen gebeuren.

  • De gemeente is ervan overtuigd dat de betrokkene mogelijk niet integer is door ernstige strafbare activiteiten waarmee de betrokkene te maken heeft.

  • De gemeente is ervan overtuigd dat er strafbare activiteiten zijn uitgevoerd om het gebouw of de grond te verkrijgen.

Overheidsopdrachten

In de volgende gevallen kan de gemeente beslissen om geen overheidsopdracht te geven. Of het contract voor deze overheidsopdracht te verbreken. De gemeente moet die optie wel in het contract hebben opgenomen.

  • De betrokkene werkt niet mee aan het eigen Bibob-onderzoek van de gemeente. Bijvoorbeeld door het Bibob-vragenformulier niet of niet helemaal in te vullen, en/of niet alle gevraagde bewijzen mee te sturen. Ook niet nadat de gemeente de betrokkene tijd heeft gegeven om de missende informatie aan te vullen.

  • De betrokkene heeft expres informatie weggelaten van het Bibob-formulier of foute informatie gegeven. Dit is strafbaar volgens artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht. Als de gemeente denkt dat de betrokkene dit heeft gedaan, kan de gemeente aangifte doen bij de politie.

  • De betrokkene heeft niet goed genoeg kunnen bewijzen dat hij het geld voor de activiteit heeft en hoe hij aan dit geld is gekomen.

  • De betrokkene werkt niet mee aan het onderzoek van het Landelijk Bureau Bibob. Bijvoorbeeld door de gevraagde informatie of bewijzen niet te geven. Of door niet naar waarheid te antwoorden.

  • Uit het Bibob-onderzoek blijkt dat de betrokkene misschien niet integer is. De gemeente kan dan beslissen dat de partij niet mee mag doen aan de aanbesteding volgens de Aanbestedingswet 2012.

  • Bij contracten zoals bedoeld in de Jeugdwet en/of de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo) kan de informatie uit het Bibob-onderzoek reden voor de gemeente zijn om het contract niet te sluiten of te verbreken.

Hoe snel krijgt de betrokkene de uitslag van het onderzoek?

De gemeente moet binnen een bepaalde periode reageren op de aanvraag van een betrokkene voor een beschikking. Ook het Landelijk Bureau Bibob moet binnen een bepaalde periode reageren op een vraag van de gemeente voor een extra Bibob-onderzoek. In sommige gevallen krijgen de gemeente en het Landelijk Bureau Bibob meer tijd.

Als de gemeente een advies aanvraagt bij het Landelijk Bureau Bibob, dan krijgt de gemeente meer tijd om op de aanvraag te reageren. De periode wordt verlengd met het aantal dagen dat het Landelijk Bureau Bibob nodig heeft om dit advies te geven. De dag dat het Landelijk Bureau Bibob de aanvraag in behandeling neemt telt als dag 1, en de dag dat de gemeente het advies heeft ontvangen telt als de laatste dag. De periode hiertussen mag niet meer dan 8 weken zijn (zie artikel 15, lid 1 van de Wet Bibob).

Lukt het het Landelijk Bureau Bibob niet binnen 8 weken een advies te geven aan de gemeente? Dan kan het de periode verlengen met maximaal 4 weken (zie artikel 15, lid 3 van de Wet Bibob). De gemeente laat het de betrokkene direct weten als dit gebeurt.

Mist het Landelijk Bureau Bibob nog informatie om het onderzoek uit te voeren? Dan vraagt het dit op bij de betrokkene, de gemeente of een andere organisatie. De periode die het Landelijk Bureau Bibob moet wachten op deze extra informatie gaat niet af van het totaal van 8 weken dat het Landelijk Bureau Bibob heeft om een advies te geven. Ook de gemeente krijgt deze periode erbij om op de aanvraag te reageren.

 

Informatieplicht van de gemeente

Als de gemeente het Landelijk Bureau Bibob een onderzoek laat doen, moet de gemeente dit in een brief laten weten aan de betrokkene. De gemeente laat de betrokkene ook weten dat dit betekent dat de gemeente meer tijd krijgt om over de aanvraag van de betrokkene te beslissen (zie artikel 31 Wet Bibob). Een kopie van die brief voegt de gemeente toe aan de vraag om een advies bij het Landelijk Bureau Bibob.

De gemeente moet de betrokkene een kopie van het advies van het Landelijk Bureau Bibob geven als dit advies reden was voor de gemeente om:

  • een aanvraag voor een beschikking te weigeren;

  • een verleende beschikking in te trekken;

  • extra voorschriften (regels) op te leggen voor de beschikking.

De gemeente moet die kopie ook aan andere personen geven als die zijn onderzocht (derden, zoals bedoeld in artikel 28 en 33 van de Wet Bibob) en de informatie over deze personen onderdeel heeft uitgemaakt van de beslissing van de gemeente. De gemeente mag alleen de onderdelen die over hen gaan met hen delen.

De betrokkene en anderen die de kopie hebben ontvangen moeten de informatie hieruit geheim houden (geheimhoudingsplicht). De gemeente laat dit in een brief aan hen weten (zie artikel 28 Wet Bibob).

 

Reageren op een negatief besluit naar aanleiding van een Bibob -onderzoek

Komt er een negatief besluit na het onderzoek? Dan mogen de betrokkene en andere personen die zijn onderzocht hierop reageren, zoals bedoeld in artikel 33 van de Wet Bibob.

 

Andere rechten en plichten van de gemeente

Gebruiken van Bibob-advies (en informatie uit eigen onderzoek)

De gemeente mag een advies van het Landelijk Bureau Bibob en informatie uit het eigen onderzoek vijf jaar lang gebruiken voor een andere beslissing.

 

Aantekening maken in het Bibob-register

Het Bibob-register zorgt ervoor dat verschillende overheidsorganisaties informatie met elkaar kunnen delen. De gemeente maakt een aantekening in het Bibob-register, zoals bedoeld in artikel 7a, lid 7 en 8 van de Wet Bibob, als:

  • uit het eigen Bibob-onderzoek van de gemeente blijkt dat de betrokkene een gevaar vormt.

  • de gemeente vermoedt dat de betrokkene de aanvraag heeft ingetrokken omdat de gemeente de Wet Bibob uitvoert.

Tippen andere gemeenten en/of rechtspersonen

De gemeente tipt andere gemeenten of rechtspersonen met een overheidstaak als het denkt dat zij informatie over betrokkenen moeten hebben, zoals bedoeld in artikel 26 van de Wet Bibob.

 

Delen van gegevens met andere gemeenten en/of rechtspersonen

De gemeente deelt Bibob-informatie met andere gemeenten en/of rechtspersonen met een overheidstaak als zij daarom vragen, zoals bedoeld en onder de voorwaarden in artikel 28, lid 2 onder m van de Wet Bibob.

Naar boven