Beleidsregels individuele bijzondere bijstand gemeente Doesburg

 

Hoofdstuk 1 – Algemene Bepalingen Bijzondere Bijstand

Artikel 1 – Begripsbepalingen

  • 1.

    Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, de Algemene wet bestuursrecht (Awb), het Burgerlijk Wetboek (BW) en de Wet op de huurtoeslag.

  • 2.

    Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:

    • a.

      college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Doesburg;

    • b.

      bijstandsnorm: de bijstandsnorm zoals bedoeld in artikel 5, onder c, van de wet, zonder toepassing van artikel 22a van de wet;

    • c.

      belanghebbende: de alleenstaande of het gezin die in aanmerking wenst te komen voor bijzondere bijstand;

    • d.

      draagkracht: het gedeelte van het inkomen of vermogen dat aangewend dient te worden voor financiering van de bijzondere kosten;

    • e.

      draagkrachtperiode: de periode waarover de draagkracht van een belanghebbende wordt vastgesteld;

    • f.

      inkomen: het totale inkomen volgens de artikelen 31 tot en met 33 van de Participatiewet, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 33, vijfde lid, niet van toepassing zijn en de individuele inkomenstoeslag zoals bedoeld in artikel 36 van de Participatiewet is uitgezonderd;

    • g.

      vermogen: het in aanmerking te nemen vermogen volgens artikel 34 van de Participatiewet, waarbij artikel 34, tweede lid, niet van toepassing is;

    • h.

      voorliggende voorziening: een voorziening buiten de Participatiewet, zoals bedoeld in artikel 15 van die wet, waarop een persoon of gezin redelijkerwijs aanspraak kan maken of een beroep kan doen voor het verkrijgen van middelen of het bekostigen van specifieke uitgaven. Daaronder worden mede verstaan een lening bij een commerciële bank, Kredietbank Nederland of een betalingsregeling met een leverancier. De Wet langdurige zorg (Wlz), de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) worden als passende en toereikende voorliggende voorzieningen beschouwd;

    • i.

      woonkosten eigen woning: de tot een bedrag per maand omgerekende som van de verschuldigde hypotheekrente en de in verband met het in eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten, inclusief een bedrag voor groot onderhoud;

    • j.

      woonkosten huurwoning: de op de aanvangsdatum van het lopende huurtoeslagtijdvak per maand geldende maximale huurprijs zoals omschreven in de Wet op de huurtoeslag;

    • k.

      Nibud Prijzengids: de jaarlijks door het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) uitgegeven gids met een overzicht van de prijzen van diverse artikelen en diensten.

Artikel 2 – Voorwaarden bijzondere bijstand

  • 1.

    Aan de verlening van bijzondere bijstand zijn de volgende voorwaarden verbonden:

    • a.

      De belanghebbende heeft de leeftijd van 18 jaar bereikt;

    • b.

      De kosten doen zich daadwerkelijk voor;

    • c.

      De kosten zijn noodzakelijk. Bijzondere bijstand wordt uitsluitend verleend voor noodzakelijke kosten, ter onderscheiding van wenselijke kosten;

    • d.

      De kosten zijn bijzonder. De bijzondere individuele situatie van de belanghebbende en/of zijn huishouden bepaalt of kosten als bijzonder kunnen worden aangemerkt

    • e.

      De kosten kunnen niet door de belanghebbende zelf worden betaald. In deze beleidsregels zijn richtlijnen vastgelegd voor de draagkrachtberekening;

    • f.

      De bijstand wordt aangewend voor het doel waarvoor zij is verstrekt.

  • 2.

    Indien sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid bij de aanvrager, kan de bijzondere bijstand worden verleend als leenbijstand of worden verlaagd, met voorkeur voor een leenbijstand.

  • 3.

    Er bestaat geen recht op bijzondere bijstand indien een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Participatiewet.

Artikel 3 – Moment indienen aanvraag bijzondere bijstand

  • 1.

    Een aanvraag voor bijzondere bijstand kan met terugwerkende kracht worden ingediend tot maximaal 13 weken na de maand waarin de kosten zich hebben voorgedaan.

  • 2.

    Bijzondere bijstand wordt niet verleend voor kosten die langer dan 13 weken vóór de aanvraag zijn gemaakt.

  • 3.

    In afwijking van het eerste lid kan bijzondere bijstand niet met terugwerkende kracht worden aangevraagd voor verhuis- en (her)inrichtingskosten. Deze aanvraag moet voorafgaand aan het maken van de kosten worden ingediend.

Artikel 4 – Hoogte van de bijzondere bijstand

De hoogte van de bijzondere bijstand bedraagt niet meer dan de kosten van de goedkoopste adequate voorziening, tenzij in deze beleidsregels anders is bepaald. Bij het vaststellen van de hoogte van de bijzondere bijstand worden de draagkrachtregels, zoals omschreven in de artikelen 7 en 8 van deze beleidsregels, toegepast.

Artikel 5 – Leenbijstand

  • 1.

    Aflossing van leenbijstand geschiedt naar draagkracht. Voor belanghebbenden die een uitkering op grond van de Participatiewet ontvangen, geldt een aflossingspercentage van 5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm inclusief vakantiegeld. Bedraagt het inkomen meer dan de bijstandsnorm, dan wordt het aflossingsbedrag verhoogd met het bedrag dat gelijk is aan de draagkracht.

  • 2.

    De aflossingstermijn bedraagt maximaal 36 maanden, gerekend vanaf de eerste aflossing. Daarna volgt kwijtschelding van de restantlening.

Artikel 6 – Draagkrachtperiode

  • 1.

    De draagkrachtperiode wordt vastgesteld op de eerste dag van de maand waarin de aanvraag is ingediend.

  • 2.

    De draagkrachtperiode wordt vastgesteld voor één jaar.

  • 3.

    Zodra de draagkracht is vastgesteld, wordt deze niet meer aangepast, tenzij sprake is van een substantiële wijziging in de inkomens- en vermogenssituatie van minimaal 15%. In dat geval wordt de draagkrachtperiode opnieuw vastgesteld.

  • 4.

    De draagkracht kan voor een langere periode worden vastgesteld indien aannemelijk is dat de inkomenssituatie gedurende de draagkrachtperiode niet wijzigt. Dit is in ieder geval het geval bij:

    • a.

      Belanghebbenden met een Participatiewet-uitkering voor levensonderhoud;

    • b.

      Belanghebbenden van pensioengerechtigde leeftijd of ouder, voor wie is vastgesteld dat zij geen draagkracht hebben.

  • 5.

    In het geval van periodieke bijzondere bijstand wordt een hercontrole uitgevoerd op de voortgang en het recht op bijzondere bijstand. Deze hercontrole vindt plaats:

    • a.

      Ten minste éénmaal per jaar, tenzij eerder een herbeoordeling nodig is vanwege veranderde omstandigheden die de rechtmatigheid van de bijstand beïnvloeden.

Artikel 7 – Draagkracht uit inkomen

  • 1.

    De draagkracht uit inkomen wordt als volgt berekend:

    • a.

      De draagkracht wordt op nihil gesteld indien het inkomen niet hoger is dan 120% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm;

    • b.

      In afwijking van het bepaalde onder a geldt dat de draagkracht op nihil wordt gesteld indien het inkomen niet hoger is dan 100% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm, wanneer het betreft:

      • i.

        bijzondere bijstand voor de kosten van het levensonderhoud als bedoeld in artikel 12 van de Participatiewet;

      • ii.

        bijzondere bijstand voor woonkosten (woonkostentoeslag);

    • c.

      Bij de bepaling van de draagkracht wordt de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a van de PW buiten beschouwing gelaten.

  • 2.

    Indien het inkomen hoger is dan de van toepassing zijnde bijstandsnorm zoals genoemd in lid 1, wordt de draagkracht uit inkomen als volgt berekend:

    • a.

      25% van het meerinkomen tot € 1.500 per jaar;

    • b.

      50% van het meerinkomen tussen € 1.500 en € 3.000 per jaar;

    • c.

      75% van het meerinkomen boven € 3.000 per jaar;

    • d.

      100% van het in aanmerking te nemen inkomen, inclusief vakantietoeslag, voor zover dit betrekking heeft op woonkosten.

  • 3.

    Tot het inkomen wordt gerekend behaalde opbrengsten uit gokken. Er moet sprake zijn van een goede administratie die de inleg en de behaalde opbrengst aantoont per gokactiviteit. Indien de behaalde opbrengst hoger is dan de hoogte van de inleg wordt dit tot het inkomen gerekend. Indien er geen sprake is van een goede administratie die de inleg en de behaalde opbrengst aantoont per gokactiviteit worden de opbrengst en de inleggelden als inkomen aangemerkt, tenzij op dezelfde datum bij dezelfde gokinstelling zowel geld is ingelegd als uitbetaald. In dat geval wordt alleen de behaalde opbrengst als inkomen aangemerkt.

  • 4.

    Bij zelfstandig ondernemers, wordt de draagkracht berekend op basis van het inkomen over het kalenderjaar voorafgaand aan de aanvraag. Basis hiervoor is primair de (voorlopige) aanslag over dat jaar en secundair de belastingaangifte.

  • 5.

    Voor personen ten aanzien van wie een schuldsaneringsregeling op grond van de WSNP of WGS of een daarmee gelijk te stellen regeling is uitgesproken of executoriaal beslag is gelegd geldt het volgende:

    • a.

      de draagkracht wordt berekend over de middelen waarover de belanghebbende daadwerkelijk vrij kan beschikken; en

    • b.

      bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag wordt geen rekening gehouden met de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt aangevraagd.

  • 6.

    De hoogte van het inkomen wordt als volgt vastgesteld:

    • a.

      bij vaste inkomsten wordt uitgegaan van de gegevens over de maand voorafgaand aan de maand waarin de kosten zich voordoen;

    • b.

      bij wisselende inkomsten wordt uitgegaan van de gegevens over de drie maanden voorafgaand aan de maand waarin de kosten zich voordoen;

    • c.

      bij het vaststellen van het voor de draagkracht in aanmerking te nemen inkomen wordt geen rekening gehouden met buitengewone lasten.

Artikel 8 – Draagkracht uit vermogen

  • 1.

    De draagkracht uit vermogen bedraagt 100% van het in aanmerking te nemen vermogen.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid wordt het vermogen geheel in aanmerking genomen in de volgende situaties:

    • a.

      Uitvaartkosten van een in de bijstand begrepen overleden gezinslid

      Wanneer bijzondere bijstand wordt aangevraagd voor de uitvaartkosten van een gezinslid dat tot de bijstandsuitkering behoorde, wordt het aanwezige vermogen volledig in aanmerking genomen voor zover dit vermogen hoger is dan anderhalf keer de toepasselijke bijstandsnorm;

    • b.

      Beleidsregels individuele bijzondere bijstand gemeente Doesburg

      Autobezit wordt volledig tot het vermogen gerekend indien de auto jonger is dan 7 jaar.

  • 3.

    Indien de vermogensgrens, met inachtneming van het eerste lid, wordt overschreden, wordt de aanvraag om bijzondere bijstand afgewezen.

Artikel 9 – Drempelbedrag

Er geldt geen drempelbedrag als bedoeld in artikel 35 lid 2 Participatiewet.

Hoofdstuk 2 – Bijzondere bijstand voor levensonderhoud

Artikel 10 – Kosten levensonderhoud voor 18, 19 en 20 jarigen niet in een inrichting

  • 1.

    Indien en voor zover een uitwonende persoon van 18, 19 of 20 jaar die niet in een inrichting verblijft hogere algemeen noodzakelijke kosten van bestaan heeft dan voorzien in de norm van de Participatiewet, en de middelen van zijn ouders ontoereikend zijn of hij redelijkerwijs zijn onderhoudsrecht jegens zijn ouders niet kan verhalen, kan het college aanvullende bijzondere bijstand verstrekken.

  • 2.

    Indien bijzondere bijstand wordt toegekend voor de kosten van levensonderhoud als bedoeld in het eerste lid, wordt de hoogte daarvan afgestemd op de norm als bedoeld in artikel 21 van de Participatiewet die zou gelden indien de aanvrager 21 jaar of ouder was.

  • 3.

    Thuiswonende personen van 18, 19 en 20 jaar ontvangen geen aanvullende bijzondere bijstand, omdat hun eigen bijstandsnorm en het onderhoud door de ouders toereikend worden geacht.

  • 4.

    De bijzondere bijstand wordt om niet verleend. Er ontstaat jegens de ouders van de belanghebbende verhaalsrecht, waarbij de kosten van bijstandsverlening voor rekening van de ouders komen.

Artikel 11 – Kosten levensonderhoud voor 18, 19 en 20 jarigen in een inrichting

  • 1.

    Indien en voor zover een persoon van 18, 19 of 20 jaar, in een inrichting verblijft, hogere algemeen noodzakelijke kosten van bestaan heeft dan door de inrichting wordt gedekt, en de middelen van zijn ouders hiertoe ontoereikend zijn of hij redelijkerwijs zijn onderhoudsrecht jegens zijn ouders niet te gelde kan maken, kan het college voor deze kosten bijzondere bijstand verstrekken.

  • 2.

    Indien bijzondere bijstand wordt toegekend voor de kosten van levensonderhoud als bedoeld in het eerste lid, wordt de hoogte daarvan afgestemd op de norm als bedoeld in artikel 21 van de Participatiewet die zou gelden indien de aanvrager 21 jaar of ouder was.

  • 3.

    De bijzondere bijstand wordt om niet verleend. Er ontstaat jegens de ouders van de belanghebbende verhaalsrecht, waarbij de kosten van bijstandsverlening voor rekening van de ouders komen.

Hoofdstuk 3 – Diverse Kosten

Artikel 12 – Beschermingsbewind

  • 1.

    Er bestaat recht op bijzondere bijstand voor kosten van beschermingsbewind, indien de kantonrechter heeft vastgesteld dat beschermingsbewind noodzakelijk is.

  • 2.

    Er bestaat geen recht op bijzondere bijstand indien een voorliggende voorziening aanwezig is.

  • 3.

    De hoogte van de bijzondere bijstand wordt gebaseerd op het door de kantonrechter vastgestelde bedrag en de tarievenlijst van het LOVCK (Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren).

  • 4.

    De bijzondere bijstand wordt om niet verstrekt en kan maandelijks aan de klant worden betaald op de beheerrekening die bewindvoerder beheerd.

  • 5.

    Aan de bijzondere bijstand kunnen verplichtingen op grond van artikel 55 van de Participatiewet worden verbonden, waaronder medewerking aan een schuldregeling of onderzoek naar financiële leerbaarheid.

Artikel 13 – Mentorschap

  • 1.

    Er bestaat recht op bijzondere bijstand voor kosten van mentorschap, indien de kantonrechter een mentor heeft benoemd.

  • 2.

    De hoogte van de bijzondere bijstand wordt gebaseerd op het door de kantonrechter vastgestelde bedrag en de tarievenlijst van het LOVCK (Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren).

  • 3.

    De bijzondere bijstand wordt om niet verstrekt en kan direct aan de klant worden betaald op de beheerrekening die bewindvoerder beheerd.

  • 4.

    Aan de bijstand kunnen verplichtingen op grond van artikel 55 Participatiewet worden verbonden, waaronder medewerking aan het mentorschap.

Artikel 14 – Curatele

  • 1.

    Er bestaat recht op bijzondere bijstand voor kosten van curatele, indien de kantonrechter curatele heeft uitgesproken.

  • 2.

    De hoogte van de bijzondere bijstand wordt gebaseerd op het door de kantonrechter vastgestelde bedrag en de tarievenlijst van het LOVCK (Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren).

  • 3.

    De bijzondere bijstand wordt om niet verstrekt en kan direct aan de klant worden betaald op de beheerrekening die bewindvoerder beheerd.

  • 4.

    Aan de bijstand kunnen verplichtingen op grond van artikel 55 Participatiewet worden verbonden, zoals medewerking aan het curateletraject.

Artikel 15 – Rechtsbijstand

  • 1.

    Voor zover een voorliggende voorziening aanwezig is, zoals de Wet op de rechtsbijstand, de Wet tarieven burgerlijke zaken of een rechtsbijstandsverzekering, bestaat geen recht op bijzondere bijstand.

  • 2.

    Bijzondere bijstand kan worden verstrekt voor de eigen bijdrage op grond van een toevoeging volgens de Wrb, voor griffierechten en voor andere door de wet of kantonrechter vastgestelde noodzakelijke kosten, mits een diagnosedocument van het Juridisch Loket of een vergelijkbaar bewijs wordt overgelegd.

  • 3.

    De volgende kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking:

    • a.

      Vertaalkosten;

    • b.

      reiskosten van belanghebbende voor het bijwonen van rechtszittingen;

    • c.

      Proceskosten;

    • d.

      kosten gemaakt in de bezwaarfase, anders dan de eigen bijdrage op grond van de Wrb.

  • 4.

    De bijstand wordt om niet verstrekt.

  • 5.

    Aan de bijstand kunnen verplichtingen worden verbonden, zoals het overleggen van betalingsbewijzen en, indien van toepassing, een rechterlijk vonnis.

Artikel 16 – Legeskosten regulier, legeskosten verblijfsvergunningen en naturalisatie

Er bestaat geen recht op bijzondere bijstand voor legeskosten, ook niet voor de kosten van het verlengen van verblijfsvergunning en naturalisatie.

Artikel 17 – Schulden

Voor kosten die verband houden met schulden bestaat geen recht op bijzondere bijstand. Indien bijzondere bijstand voor deze kosten wordt aangevraagd, wordt de aanvrager doorverwezen naar de schulddienstverlening.

Artikel 18 – Vrijwillig budgetbeheer buiten schuldregelingstraject

Voor kosten die verband houden met vrijwillig budgetbeheer buiten een schuldregelingstraject bestaat geen recht op bijzondere bijstand. Belanghebbende kan hiervoor doorverwezen worden naar Kredietbank Nederland, waarmee de gemeente Doesburg samenwerkt. Deze vorm van budgetbeheer wordt door de gemeente Doesburg uitsluitend aan inwoners van Doesburg aangeboden via Kredietbank Nederland. Kredietbank Nederland beoordeelt of er sprake is van een noodzaak tot budgetbeheer. Indien deze noodzaak wordt vastgesteld en wordt voldaan aan de overige voorwaarden die zijn vastgelegd in de afspraken tussen de Kredietbank Nederland en de gemeente Doesburg, kan belanghebbende budgetbeheer buiten een schuldregelingstraject ontvangen.

Artikel 19 – Babyuitzet

Voor de kosten van babyspullen bestaat geen recht op bijzondere bijstand. Belanghebbende kan worden doorverwezen naar Stichting Babyspullen, die op verzoek van een verloskundige of hulpverlener een babyuitzet verzorgt voor inwoners die hier zelf niet in kunnen voorzien.

Hoofdstuk 4 – Medische kosten

Artikel 20 – Medische kosten

  • 1.

    Voor medische kosten bestaat geen recht op bijzondere bijstand, omdat deze behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. De Zvw, de Wlz en de Wmo gelden als toereikende en passende voorliggende voorzieningen als bedoeld in artikel 15, lid 1, van de Participatiewet.

  • 2.

    Voor de kosten van het verplichte eigen risico van de zorgverzekering wordt geen bijzondere bijstand verstrekt.

  • 3.

    Voor de eigen bijdrage Wlz is het niet mogelijk om bijzondere bijstand te verstrekken. De eigen bijdrage is geheel afgestemd op het inkomen van de belanghebbende en wordt geacht uit het inkomen te worden voldaan.

  • 4.

    Voor de eigen bijdrage Wmo is het niet mogelijk bijzondere bijstand te verstrekken.

  • 5.

    Behoudens de in deze beleidsregels opgenomen uitzonderingen, zoals genoemd in artikel 21, bestaat geen recht op bijzondere bijstand voor extra kosten die verband houden met een chronische ziekte of handicap. De tegemoetkoming voor chronisch zieken en/of gehandicapten en de Zvw/Wlz worden als passende en toereikende voorliggende voorzieningen aangemerkt.

  • 6.

    In afwijking van lid 1 kan bijzondere bijstand worden verstrekt voor de medische kosten als bedoeld in artikel 21 van deze beleidsregels.

Artikel 21 – Meerkosten als gevolg van medische noodzaak of behoefte aan ondersteuning op één of meerdere leefgebieden

  • 1.

    Het college kan voor de beoordeling van de noodzaak van de verstrekking van bijzondere bijstand voor medische kosten een extern medisch advies aanvragen. De belanghebbende dient hieraan zodanig medewerking te verlenen, dat de externe adviseur in staat is om tijdig en zorgvuldig een advies te geven aan het college.

  • 2.

    Wanneer uit een medisch advies blijkt dat er sprake is van meerkosten als gevolg van medische noodzaak of behoefte aan ondersteuning op één of meerdere leefgebieden, en indien van toepassing de tegemoetkoming voor chronisch zieken en/of gehandicapten aantoonbaar ontoereikend is, kan bijzondere bijstand worden verstrekt voor de volgende kosten:

    • a.

      Extra stookkosten:

      • i.

        Voor hogere energiekosten in verband met medische omstandigheden kan bijzondere bijstand worden verstrekt;

      • ii.

        De meerkosten worden berekend door het feitelijke verbruik van de belanghebbende te vergelijken met het gemiddelde verbruik van een vergelijkbaar huishouden in een vergelijkbaar woningtype, zoals opgenomen in de Nibud Prijzengids;

    • b.

      Meerkosten van speciale (sport)kleding, bewassing of slijtage van kleding en beddengoed:

      • i.

        Meerkosten van speciale (sport)kleding, bewassing of slijtage van kleding en beddengoed als gevolg van een handicap of langdurige ziekte komen in aanmerking voor bijzondere bijstand;

      • ii.

        De hoogte van de bijzondere bijstand is gelijk aan het verschil tussen de feitelijke kosten en de gebruikelijke kosten, zoals opgenomen in de Nibud Prijzengids;

    • c.

      Tandheelkundige hulp

      • i.

        Voor tandheelkundige hulp wordt de Zorgverzekeringswet (Zvw) aangemerkt als passende en toereikende voorliggende voorziening;

      • ii.

        In geval van kostbare vervangingen van tanden en/of kiezen, die niet of slechts gedeeltelijk worden vergoed door de Zvw en, indien van toepassing, een aanvullende verzekering, wordt uitsluitend bijzondere bijstand verstrekt voor de kosten die verband houden met het plaatsen van een volledige gebitsprothese.

Hoofdstuk 5 – Woon, verhuis- en inrichtingskosten

Artikel 22 – Doorbetaling vaste lasten bij kortdurend verblijf in een inrichting

  • 1.

    Bijzondere bijstand kan worden verstrekt voor het aanhouden van een huurwoning tijdens tijdelijke opname in een inrichting, niet zijnde een penitentiaire inrichting, voor een maximum van 90 dagen. De bijzondere bijstand wordt verstrekt vanaf het moment waarop de norm van de alleenstaande wordt gewijzigd naar de norm die geldt tijdens verblijf in een inrichting.

  • 2.

    Bij permanente opname in een inrichting wordt tijdelijk bijzondere bijstand voor de woonkosten van een huurwoning verstrekt voor een periode van ten hoogste 90 dagen.

  • 3.

    Er bestaat geen recht op bijzondere bijstand voor de kosten van het aanhouden van een huurwoning tijdens detentie of verblijf in een penitentiaire inrichting.

Artikel 23 – Verhuiskosten

  • 1.

    Verhuiskosten behoren tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten en moeten worden betaald uit het eigen inkomen, hetzij door reservering vooraf, hetzij door gespreide betaling achteraf.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid kan op individuele gronden een verhuiskostenvergoeding worden aangevraagd in de gemeente van vertrek.

Artikel 24 – Woonkostentoeslag huurder

  • 1.

    Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor de woonkosten van een huurwoning, voor zover de belanghebbende geen of onvoldoende aanspraak kan maken op huurtoeslag op grond van de Wet op de huurtoeslag. Bijzondere bijstand kan tevens worden verleend wanneer de belanghebbende als gevolg van een substantiële inkomensdaling tijdelijk niet in staat is de vaste woonlasten van de huurwoning te voldoen.

  • 2.

    De hoogte van de bijzondere bijstand wordt bepaald aan de hand van het in Grip op Participatiewet van Schulinck opgenomen berekeningsformulier. Voor zover de huur hoger is dan de maximale rekenhuurgrens (het bedrag dat bij de berekening van de huurtoeslag wordt gehanteerd), wordt de woonkostentoeslag berekend alsof de huur gelijk is aan de maximale rekenhuurgrens.

  • 3.

    Aan de bijzondere bijstand in de vorm van woonkostentoeslag wordt, met toepassing van artikel 55 van de Participatiewet, de verplichting verbonden dat de belanghebbende:

    • a.

      een beroep doet op de Wet op de huurtoeslag, voor zover dat mogelijk is; of

    • b.

      indien geen of onvoldoende beroep op de Wet op de huurtoeslag kan worden gedaan, binnen een periode van zes maanden verhuist naar een goedkopere, passende woning. Deze termijn kan door het college eenmaal met ten hoogste zes maanden worden verlengd.

  • 4.

    Indien het college de verhuisplicht heeft opgelegd als bedoeld in het derde lid, onderdeel b, wordt van de belanghebbende in ieder geval verwacht dat deze:

    • a.

      binnen één maand na de eerste toekenning van de bijzondere bijstand een urgentieverklaring aanvraagt;

    • b.

      zich binnen één maand na de eerste toekenning van de bijzondere bijstand inschrijft als woningzoekende bij Entree en deze inschrijving handhaaft gedurende de gehele periode dat woonkostentoeslag wordt ontvangen; en

    • c.

      gedurende de periode van bijstandsverlening aantoonbare activiteiten verricht om een passende woning of woonruimte te vinden en te accepteren.

  • 5.

    Onder aantoonbare activiteiten als bedoeld in het vierde lid, onderdeel c, wordt in ieder geval verstaan dat de belanghebbende maandelijks op minimaal vijf passende woningen reageert bij woningbouwverenigingen of op de particuliere markt, ook buiten de gemeente Doesburg.

  • 6.

    Onder passende woningen of woonruimten als bedoeld in dit artikel worden in ieder geval verstaan woningen of woonruimten:

    • a.

      met woonlasten die lager zijn dan of gelijk aan de maximale rekenhuurgrens zoals gehanteerd bij de huurtoeslag; en

    • b.

      die naar algemene maatstaven passen bij de gezinssituatie van de belanghebbende.

Artikel 25 – Woonkostentoeslag eigenaar

  • 1.

    Als de aanvrager door een terugval in het inkomen niet meer in staat is de kosten verbonden aan de eigen woning te voldoen bestaat er recht op bijzondere bijstand.

  • 2.

    De hoogte van de bijzondere bijstand wordt bepaald aan de hand van het in Grip op Participatiewet van Schulinck opgenomen berekeningsformulier.

  • 3.

    Aan de bijzondere bijstand wordt met toepassing van artikel 55 van de Participatiewet de verplichting verbonden om de woning te verkopen, tenzij dit op grond van de individuele situatie onwenselijk of onaanvaardbaar is.

  • 4.

    Van het derde lid wordt afgeweken als het aannemelijk is dat aanvrager binnen een periode van zes maanden, met de mogelijkheid om deze termijn eenmaal met nog eens zes maanden te verlengen, weer zelf kan voorzien in de kosten.

Artikel 26 – Inrichtingskosten

  • 1.

    In dit artikel wordt verstaan onder:

    • a.

      Duurzame gebruiksgoederen: huisraad en apparatuur bestemd voor duurzaam gebruik, zoals meubels, bedden, matrassen, koelkast, kooktoestel en wasmachine;

    • b.

      Stoffering: kosten voor vloerbedekking, gordijnen, behang en verf.

  • 2.

    De kosten van duurzame gebruiksgoederen en stoffering behoren tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Deze kunnen worden voldaan uit inkomen door middel van reservering dan wel gespreide betaling achteraf. Dit betekent dat er geen bijstandsverlening mogelijk is voor deze kosten.

  • 3.

    Bijzondere bijstand op grond van artikel 35 van de Participatiewet wordt uitsluitend verstrekt indien:

    • a.

      sprake is van bijzondere omstandigheden die de kosten noodzakelijk maken; en

    • b.

      belanghebbende niet over voldoende draagkracht beschikt om deze kosten zelf te betalen; en

    • c.

      belanghebbende redelijkerwijs niet heeft kunnen reserveren voor deze kosten; en

    • d.

      geen passende lening bij Kredietbank Nederland of een andere kredietverstrekker kan verkrijgen.

  • 4.

    Onder bijzondere omstandigheden wordt in ieder geval verstaan:

    • a.

      een onvoorziene verhuizing binnen korte tijd om zwaarwegende sociale redenen;

    • b.

      eerste huisvesting na verblijf in een opvangvoorziening (bijvoorbeeld AZC).

  • 5.

    Er bestaat geen recht op bijzondere bijstand als er een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening, zoals een lening bij een commerciële bank, de Kredietbank Nederland, of een voorziening krachtens de Wet maatschappelijke ondersteuning (bijvoorbeeld bij woningaanpassingen of verhuizing om medische redenen).

  • 6.

    De hoogte van de te verstrekken bijzondere bijstand, indien het niet gaat om een volledige woninginrichting, wordt bepaald aan de hand van de richtprijzen zoals opgenomen in de Nibud Prijzengids, waarbij maximaal 60% van de richtprijs wordt gehanteerd. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat belanghebbende tweedehands goederen kan aanschaffen.

  • 7.

    Bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen wordt verstrekt in de vorm van leenbijstand.

  • 8.

    Bijzondere bijstand voor stoffering wordt verstrekt om niet tot een maximaal bedrag van € 1.750,00, dat jaarlijks wordt geïndexeerd op basis van de Consumentenprijsindex (CPI) van het CBS, met afronding op € 50,00.

  • 9.

    Per huishouden wordt slechts éénmaal bijzondere bijstand voor inrichtingskosten verstrekt.

  • 10.

    Indien het verzoek om bijzondere bijstand betrekking heeft op een volledige inrichting van een kamer die gehuurd wordt op basis van een commerciële huurovereenkomst, wordt aan een alleenstaande een bedrag van maximaal € 1.500,00 (inclusief stoffering) verstrekt.

  • 11.

    Indien het verzoek betrekking heeft op een volledige inrichting van een huurwoning, wordt aan een alleenstaande maximaal € 4.700,00 (inclusief stoffering) verstrekt.

  • 12.

    Indien het gezin waarvoor bijzondere bijstand voor een volledige woninginrichting wordt verzocht uit meerdere personen bestaat, gelden de volgende maximale bedragen:

    Gezinssamenstelling

    Totaalbedrag (incl. stoffering)

    Alleenstaande kamerbewoner

    € 1.500,00

    Alleenstaande zelfst. huisvesting

    € 4.700,00

    2 personen

    € 5.300,00

    3 personen

    € 5.800,00

    4 personen

    € 6.500,00

    5 personen e.v.

    Vanaf 5 personen iedere extra persoon + € 500,00

  • 13.

    Indien er sprake is van een echtscheiding of daarmee vergelijkbare situatie, wordt bij de vaststelling van de hoogte van de noodzakelijke kosten ervan uitgegaan dat belanghebbende over de helft van de echtelijke inboedel kan beschikken.

  • 14.

    De in lid 12 genoemde bedragen worden jaarlijks geïndexeerd op basis van de Consumenten Prijs Index van het CBS, met afronding op € 50,00.

Artikel 27 – Eerste huur en waarborgsom

  • 1.

    Het college verstrekt geen bijzondere bijstand voor de kosten van een eerste huur omdat deze kosten behoren tot de incidenteel noodzakelijke kosten van het bestaan.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid kan het college bijzondere bijstand verlenen voor de kosten van de eerste maandhuur indien er in het individuele geval sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals genoemd in het derde lid.

  • 3.

    Tot bijzondere omstandigheden worden in ieder geval gerekend:

    • a.

      Een eerste verhuizing van statushouders;

    • b.

      Een niet voorzienbare en noodzakelijke verhuizing als gevolg een verhuisverplichting in verband met de verstrekking van een woonkostentoeslag;

    • c.

      Een verhuizing als gevolg van een onveilige situatie.

  • 4.

    De verstrekte bijzondere bijstand voor de eerste huur wordt om niet verstrekt en direct overgemaakt naar de verhuurder/woningstichting.

  • 5.

    Voor de waarborgsom kan leenbijstand worden verstrekt.

Hoofdstuk 6 – Reiskosten

Artikel 28 – Reiskosten

  • 1.

    Reiskosten behoren tot de algemene kosten van het bestaan. Slechts indien sprake is van buitengewone reiskosten kan bijzondere bijstand worden verleend. Van buitengewone reiskosten is sprake indien:

    • a.

      de afstand ten minste 10 kilometer enkele reis bedraagt; en

    • b.

      de kosten voortvloeien uit het noodzakelijk bezoeken van een gezinslid (waaronder pleegkind) of een familielid in de eerste of tweede graad dat is opgenomen in een ziekenhuis of inrichting, dan wel in detentie verblijft.

  • 2.

    Voor ziekenhuis- of inrichtingsbezoek worden de kosten van maximaal tweemaal de retourprijs voor een persoon per week, op basis van de prijs van het Openbaar Vervoer.

  • 3.

    Voor bezoek aan een gedetineerde worden de kosten van maximaal één retour per maand per persoon vergoed, op basis van de prijs van het Openbaar Vervoer.

  • 4.

    Kinderen tot 12 jaar die recht hebben op bijzondere bijstand voor reiskosten, worden geacht onder begeleiding van een meerderjarige te reizen.

  • 5.

    Voor leerlingen die onderwijs volgen aan een Internationale Schakelklas (ISK) kan bijzondere bijstand worden verstrekt voor noodzakelijke reiskosten, voor zover deze niet op een andere manier worden vergoed (zoals via leerlingenvervoer) en de afstand tot de school meer dan 10 kilometer bedraagt. De hoogte van vergoeding is op basis van de prijs van het Openbaar Vervoer.

Hoofdstuk – Slotbepalingen

Artikel 29 – Overgangsrecht

Aanvragen om bijzondere bijstand die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding van deze (nieuwe) beleidsregels worden beoordeeld op grond van de voorgaande beleidsregels te weten: de ‘Beleidsregels individuele bijzondere bijstand gemeente Doesburg’ vastgesteld op 27 maart 2018 en nadien op 10 november 2022 gewijzigd. Dit geldt ook voor bezwaarschriften die worden ingediend tegen besluiten die genomen zijn op grond van de (oude) Beleidsregels, tenzij de nieuwe Beleidsregels gunstiger zijn.

Artikel 30 – Hardheidsclausule

  • 1.

    In bijzondere situaties kan het college afwijken van het bepaalde in deze beleidsregels indien toepassing van deze beleidsregels tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

  • 2.

    In alle gevallen waarin deze beleidsregels niet voorzien beslist het college.

Artikel 31 – Inwerkingtreding en Citeertitel

  • 1.

    Deze beleidsregels kunnen worden aangehaald als ‘Beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Doesburg’.

  • 2.

    Met de inwerkingtreding van deze beleidsregels worden de ‘Beleidsregels individuele bijzondere bijstand gemeente Doesburg’, vastgesteld op 27 maart 2018 en nadien gewijzigd op 11 november 2022 ingetrokken.

  • 3.

    Deze beleidsregels treden in werking met ingang van 1 januari 2026.

Aldus vastgesteld door het college op 25 november 2025.

De secretaris,

P. Werkman

De burgemeester,

A.C. Hofland

Naar boven