Subsidieregeling samenwerking onderwijs, preventie en jeugdhulp 2026 - 2027

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam,

 

gelezen het voorstel van de wethouder Onderwijs, Cultuur en Evenementen van 25 november 2025 met kenmerk M2507-3126;

 

gelet op artikelen 3, derde lid, 4, tweede lid, 5, tweede lid, 6, derde lid, 7, derde lid, 8 en 12a, van de Subsidieverordening Rotterdam 2014;

 

overwegende, dat het vanuit het beleidskader Heel de Stad 2023-2026 en het beleidskader Nieuw Rotterdams Onderwijsbeleid 2024-2027 gewenst is een nieuwe subsidieregeling vast te stellen voor het verstrekken van eenmalige subsidies voor de samenwerking tussen onderwijs, preventie en jeugdhulp;

 

besluit :

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • -

    aanbieder: door de gemeente Rotterdam gecontracteerde of gesubsidieerde aanbieder preventie, welzijn, jeugdhulp of zorg;

  • -

    bevoegd gezag: bevoegd gezag van een bekostigde school als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 1 van de Wet op de expertisecentra of artikel 1.1. van de Wet voortgezet onderwijs 2020;

  • -

    regulier onderwijs: onderwijs als bedoeld in artikel 2 van de Wet op het primair onderwijs, exclusief het speciaal basisonderwijs, en artikel 1.4. van de Wet voortgezet onderwijs 2020;

  • -

    speciaal onderwijs: onderwijs als bedoeld in artikel 2 van de Wet op de expertisecentra en het speciaal basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs;

  • -

    innovatief: een nieuwe benadering of methode.

Artikel 2 Toepassingsbereik

Deze subsidieregeling is uitsluitend van toepassing op de verstrekking van eenmalige subsidies door het college voor de in artikel 3 bedoelde activiteiten.

Artikel 3 Subsidiabele activiteiten

  • 1.

    Subsidie kan uitsluitend worden verstrekt voor innovatieve activiteiten binnen de grenzen van de gemeente Rotterdam die zich bevinden op het snijvlak van onderwijs, preventie, welzijn, jeugdhulp of zorg, waarbij het bevoegd gezag samenwerkt met ten minste één aanbieder.

  • 2.

    De activiteiten bevorderen de emotionele en sociale ontwikkeling van leerlingen, zijn gericht op drie of meer leerlingen met een hulpvraag of zorgbehoefte, en dragen bij aan:

    • a.

      het behoud van leerlingen op het regulier onderwijs zodat zij niet thuis komen te zitten of naar het speciaal onderwijs hoeven;

    • b.

      het terugkeren naar school van uitgevallen leerlingen; of

    • c.

      het voorkomen van individuele zorg of jeugdhulp voor leerlingen.

  • 3.

    De activiteiten vinden plaats op een school waarvan de kwaliteit van het onderwijs, op basis van het meest recente onderzoek door de Inspectie van het Onderwijs, tenminste als ‘voldoende’ is beoordeeld.

  • 4.

    De activiteiten zijn uiterlijk 31 juli 2027 afgerond.

Artikel 4 Penvoerderschap

  • 1.

    Het bevoegd gezag treedt namens de aanbieder of aanbieders, waarmee wordt samengewerkt, op als penvoerder.

  • 2.

    Subsidie wordt aangevraagd door, verleend aan en verantwoord door de penvoerder.

  • 3.

    Op de penvoerder rusten alle aan de subsidie verbonden verplichtingen, ongeacht welke partij feitelijk is belast met de uitvoering van de daarop betrekking hebbende werkzaamheden.

  • 4.

    Bij de aanvraag wordt een samenwerkingsovereenkomst bijgevoegd, waarin de samenwerkende partijen verklaren dat de penvoerder gemachtigd is om hen in het kader van de subsidieverstrekking in en buiten rechte te vertegenwoordigen, en dat alle gegevens die noodzakelijk zijn voor de verantwoording door de penvoerder van de besteding van de subsidie, op verzoek aan de penvoerder worden verstrekt.

Artikel 5 Kosten die voor subsidie in aanmerking komen

  • 1.

    Voor subsidie komen de redelijk gemaakte kosten in aanmerking die direct verbonden zijn met de uitvoering van een activiteit als bedoeld in artikel 3.

  • 2.

    Niet voor subsidie in aanmerking komen kosten:

    • a.

      die voorafgaand aan de indiening van de aanvraag zijn gemaakt;

    • b.

      voor de aanschaf van materiële activa.

Artikel 6 Hoogte van de subsidie

Een subsidie bedraagt ten hoogste:

  • a.

    € 30.000 voor een aanvraag door een penvoerder die in samenwerking met één aanbieder een aanvraag indient;

  • b.

    € 50.000 voor een aanvraag door een penvoerder die in samenwerking met meerdere aanbieders een aanvraag indient.

Artikel 7 Subsidieplafond

Voor subsidieverlening op grond van deze regeling geldt een subsidieplafond van € 410.000.

Artikel 8 Wijze van verdeling

  • 1.

    Verstrekking van subsidie vindt plaats in volgorde van de door het college aangebrachte rangschikking, totdat het subsidieplafond is bereikt.

  • 2.

    Bij de rangschikking van de aanvragen kent het college punten toe aan de hand van de systematiek in de bijlage behorende bij deze subsidieregeling.

  • 3.

    Indien aan twee of meer aanvragen hetzelfde puntenaantal is toegekend en het subsidieplafond met deze aanvragen overschreden zou worden, gaat de aanvraag met het hoogste puntenaantal voor het aantal leerlingen dat wordt bereikt door de activiteiten voor.

  • 4.

    Indien de aanvragen ook hiervoor hetzelfde puntenaantal hebben behaald, wordt door middel van loting de plaats in de rangschikking bepaald.

  • 5.

    Indien door honorering van een aanvraag het subsidieplafond wordt overschreden, wordt die aanvraag geheel afgewezen.

  • 6.

    Een aanvraag wordt alleen meegenomen in de rangschikking indien er minimaal twee punten worden behaald voor de kwaliteit van het projectplan, bedoeld in beoordelingscriterium 3 van de bijlage.

Artikel 9 Aanvraag

  • 1.

    De aanvraag wordt digitaal ingediend via www.rotterdam.nl/subsidies onder gebruikmaking van het daar beschikbaar gestelde aanvraagformulier.

  • 2.

    De penvoerder dient bij de aanvraag een projectplan in dat tenminste bevat:

    • a.

      een omschrijving van de activiteiten inzake:

      • 1°.

        het innovatieve karakter van de activiteiten;

      • 2°.

        hoeveel leerlingen en welke leerlingen met de activiteiten worden bereikt;

      • 3°.

        het beoogde doel en resultaat van de activiteiten; en

      • 4°.

        hoe de samenwerking tussen het bevoegd gezag en de aanbieder of aanbieders vorm krijgt;

    • b.

      een planning van de activiteiten;

    • c.

      een omschrijving van de projectorganisatie;

    • d.

      een sluitende begroting, die in ieder geval een omschrijving bevat van een eigen bijdrage in financiële middelen of in natura;

    • e.

      een beschrijving hoe de aanvrager beoogt de activiteiten te continueren, wanneer de subsidie op grond van deze regeling is geëindigd.

  • 3.

    De penvoerder overlegt bij de aanvraag een samenwerkingsovereenkomst met de betrokken aanbieder of aanbieders als bedoeld in artikel 4, vierde lid.

Artikel 10 Aanvraagtermijn

Een aanvraag wordt uiterlijk op 13 februari 2026 ingediend.

Artikel 11 Beslistermijn

Het college beslist binnen acht weken na het sluiten van de aanvraagtermijn, welke beslistermijn met twaalf weken kan worden verlengd.

Artikel 12 Aanvullende weigeringsgronden

De subsidie wordt geweigerd als:

  • a.

    de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd plaatsvinden op een school waarvan de kwaliteit van het onderwijs door de Inspectie van het Onderwijs, op basis van haar meest recente onderzoek, als ‘zeer zwak’ of ‘onvoldoende’ is beoordeeld;

  • b.

    de activiteiten al volledig uit rijksbijdragen bekostigd kunnen worden;

  • c.

    voor dezelfde activiteiten reeds een subsidie door het college is verstrekt op grond van de Subsidieregeling samenwerking onderwijs, preventie en jeugdhulp 2025;

  • d.

    er geen sprake is van een eigen bijdrage aan de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd, in financiële middelen of in natura;

  • e.

    de eigen bijdrage aan de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd, uitsluitend bestaat uit het beschikbaar stellen van ruimte.

Artikel 13 Verplichtingen

Aan de penvoerder wordt de verplichting opgelegd mee te werken aan een door of namens het college uitgevoerde evaluatie van de gesubsidieerde activiteiten.

Artikel 14 Verantwoording subsidies

  • 1.

    De subsidie wordt vastgesteld nadat de aanvraag tot vaststelling is ingediend.

  • 2.

    De inhoudelijke subsidieverantwoording bevat een eindrapportage met een overzicht van de gerealiseerde resultaten ten opzichte van de met de activiteiten beoogde resultaten, waarin wordt beschreven in hoeverre de resultaten:

    • a.

      hebben geleid tot de beschreven gewenste effecten en de ondersteuning aan leerlingen; en

    • b.

      hebben bijgedragen aan de samenwerking tussen het bevoegd gezag en de aanbieder of aanbieders.

Artikel 15 Inwerkingtreding en vervalbepaling

Deze subsidieregeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het gemeenteblad waarin zij wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 augustus 2027, met dien verstande dat de regeling van toepassing blijft op subsidies die krachtens deze regeling zijn verleend.

Artikel 16 Citeertitel

Deze subsidieregeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling samenwerking onderwijs, preventie en jeugdhulp 2026 - 2027.

Aldus vastgesteld in de vergadering van 25 november 2025.

De secretaris,

G.J.D. Wigmans

De burgemeester,

C.J. Schouten

Dit gemeenteblad ligt ook ter inzage bij het Concern Informatiecentrum Rotterdam (CIC): 010-267 2514 of bir@rotterdam.nl

Bijlage als bedoeld in artikel 8, tweede en zesde lid, van de Subsidieregeling samenwerking onderwijs, preventie en jeugdhulp 2026 - 2027

 

Beoordelingssystematiek

Beoordelingscriterium

1

De onderwijssoort waarop de activiteiten zijn gericht:

  • a.

    regulier onderwijs: 5 punten;

  • b.

    regulier en speciaal onderwijs: 5 punten;

  • c.

    speciaal onderwijs: 2 punten.

2

Het aantal aanbieders waarmee het bevoegd gezag samenwerkt:

  • a.

    één aanbieder: 2 punten;

  • b.

    twee of meer aanbieders: 5 punten.

3

De kwaliteit van het ingediende projectplan als bedoeld in artikel 9, wordt beoordeeld op:

  • a.

    de mate waarin de uitwerking realistisch en uitvoerbaar is;

  • b.

    de mate waarin de uitwerking concreet is beschreven.

Puntenverdeling

 

Onvoldoende: 0 punten

Onder de maat, met substantiële punten van kritiek waarbij de kritische punten de overhand hebben. Het projectplan is niet realistisch en uitvoerbaar, of niet concreet.

 

Laag: 2 punten

Matig, met een aantal substantiële punten van kritiek. Het projectplan is onvoldoende realistisch en uitvoerbaar of onvoldoende concreet.

 

Midden: 4 punten

Positief, met enkele lichte punten van kritiek. Het projectplan is voldoende realistisch en uitvoerbaar, en voldoende concreet, maar mist onderbouwing of enkele details.

 

Hoog: 8 punten

Uitsluitend positief, er zijn geen punten van kritiek. Het projectplan is realistisch en uitvoerbaar, en concreet; het projectplan is duidelijk en goed onderbouwd.

4

Diversiteit in samenstellingen van aanbieders of bevoegd gezagen:

  • a.

    de aanvraag zorgt ten opzichte van de andere aanvragen niet voor diversiteit in de samenstellingen van de samenwerkingen van aanbieders of bevoegde gezagen: 0 punten;

  • b.

    de aanvraag zorgt ten opzichte van de andere aanvragen voor diversiteit in samenstellingen van samenwerkingen van aanbieders of bevoegde gezagen: 2 punten.

5

Het aantal leerlingen dat wordt bereikt door de activiteiten:

  • a.

    3 - 9 leerlingen: 2 punten;

  • b.

    10 - 20 leerlingen: 5 punten;

  • c.

    > 20 leerlingen: 8 punten.

 

Toelichting op de Subsidieregeling samenwerking onderwijs, preventie en jeugdhulp 2026 - 2027

Algemeen

Elke leerling is uniek, verdient aandacht en heeft leerrecht. Voor sommigen is er alleen net iets meer nodig. Dit kan variëren van ondersteuning vanuit school of het samenwerkingsverband passend onderwijs, tot ondersteuning door een schoolmaatschappelijk werker of een jeugdhulpverlener. De tekorten aan zorg- en onderwijsprofessionals nemen echter toe en de zorgvragen verlangen steeds meer maatwerk. Door- en uitstroom tussen onderwijs en zorgplekken lopen vast, verwijzingen naar het (voortgezet) speciaal onderwijs nemen toe en het aantal thuiszitters en vrijstellingen van de leerplicht ook. Terwijl het uitgangspunt in het funderend onderwijs is om toe te werken naar inclusiever onderwijs, waarbij kinderen en jongeren met en zonder extra ondersteuning samen met elkaar in de buurt naar school gaan. En om, waar mogelijk, in alle onderwijssectoren meer preventie in te zetten in plaats van zwaardere jeugdhulp.

 

Om deze problemen op te lossen, zijn drie domeinen betrokken bij het creëren van oplossingen: onderwijs, preventie en jeugdhulp. De samenwerking tussen deze domeinen blijft in de praktijk lastig door verschillende wet- en regelgeving, financieringsstromen en bekostigingskaders. Volgens het college zijn daarom innovatieve oplossingen nodig: meer inzet voor groepen leerlingen in plaats van individuele (zorg)trajecten, een sterke preventieve en pedagogische basis stimuleren in het onderwijs en onderwijs op zorgplekken realiseren en vice versa. De oplossingen die bedacht worden, vallen vaak tussen verschillende wet- en regelgeving en gemeentelijke kaders in.

 

Deze subsidieregeling stimuleert innovatieve activiteiten op het snijvlak van onderwijs, preventie, welzijn, jeugdhulp of zorg.

 

Artikelsgewijs

 

Artikel 3 Subsidiabele activiteiten

De subsidieregeling probeert de samenwerking tussen onderwijs, preventie, welzijn, jeugdhulp of zorg te stimuleren, zodat kinderen of jongeren zoveel mogelijk op het regulier onderwijs terecht kunnen, of kunnen blijven. Of om te voorkomen dat kinderen of jongeren worden doorverwezen naar het speciaal basisonderwijs, het (voortgezet) speciaal onderwijs of jeugdhulp. Vanwege de druk op het onderwijs, de jeugdhulp en de zorg, is er behoefte aan innovatieve activiteiten om doorbraken te forceren.

Met innovatief wordt bedoeld dat er ten aanzien van de activiteiten sprake is van een nieuwe benadering of methode. En dat de activiteiten iets oplossen waar bestaande structuren en wet- en regelgeving geen oplossing bieden.

Daarbij richten de activiteiten zich niet op een individuele leerling, maar op een groep leerlingen in de context van de schoolomgeving. Het centraal stellen van de individuele ondersteuningsbehoefte en het inrichten van zorgstructuren die vertrekken vanuit het individu versterken namelijk de medicalisering. Voor inclusief onderwijs is het belangrijk om juist bij die context te starten. Uitgangspunt vanuit deze theorie is: wat kunnen we in de context veranderen zodat ondersteuningsbehoeften niet meer aan het individu toegeschreven hoeven te worden?

 

Artikel 4 Penvoerderschap

De penvoerder is het bevoegd gezag met wie het college de subsidierelatie aangaat. Deze is volledig verantwoordelijk voor de naleving van alle subsidieverplichtingen en voor de subsidieverantwoording. Dit betekent dat het aan de penvoerder is om ervoor te zorgen dat de andere deelnemer(s) de penvoerder hiertoe van de juiste informatie voorziet (voorzien).

 

Artikel 5 Kosten die voor subsidie in aanmerking komen

Kosten zijn redelijk als:

  • ze noodzakelijk zijn voor de subsidiabele activiteit;

  • ze gebaseerd zijn op marktconforme prijzen en tarieven;

  • de specificaties van aan te schaffen goederen of diensten (en daarmee de kosten) niet hoger zijn dan nodig is voor de subsidiabele activiteit.

Het is belangrijk dat wordt onderbouwd dat de kosten, die voor subsidie worden opgevoerd, redelijk zijn. Voor elke opgevoerde kostenpost moet worden onderbouwd waarom deze kosten nodig zijn. Ook moet worden onderbouwd waarom bijvoorbeeld niet wordt volstaan met een eenvoudiger, goedkoper product of dienst, met een lager ingeschaalde arbeidskracht, een minder dure expert of met minder uren.

 

Kosten die voorafgaand aan de indiening van de aanvraag zijn gemaakt komen niet voor subsidie in aanmerking. Voorbeelden van materiële activa die niet voor subsidie in aanmerking komen zijn beeld- en geluidsapparatuur, laptops, computers, digiboards, software, installaties, meubilair e.d..

 

Artikel 8 Wijze van verdeling

Het college hanteert een tender om te bepalen welke aanvragen in aanmerking komen voor subsidie. De aanvragen worden beoordeeld aan de hand van de systematiek in de bijlage. Hieronder volgt een toelichting op de beoordelingscriteria in de bijlage.

 

  • 1.

    Vanwege de beweging naar inclusief onderwijs en de druk op het speciaal onderwijs, kunnen de meeste punten behaald worden indien de activiteiten op het regulier onderwijs plaatsvinden.

  • 2.

    Het heeft de voorkeur dat er met meerdere aanbieders samengewerkt wordt, zodat de verschillende expertises elkaar versterken en er meer kennisuitwisseling plaatsvindt.

  • 3.

    De kwaliteit van het ingediende projectplan wordt beoordeeld op:

    • a.

      de mate waarin de uitwerking realistisch en uitvoerbaar is: is het projectplan realistisch en uitvoerbaar; en is het met de bijgeleverde begroting de verwachting dat de activiteiten uitgevoerd kunnen worden, en bij succes, ook geborgd kunnen worden.

    • b.

      de mate waarin de uitwerking concreet is beschreven: zijn de activiteiten en beoogde resultaten concreet beschreven of zijn het meer abstracte ideeën, waarbij het niet helemaal duidelijk is wat de resultaten zullen zijn, of hoe de samenwerking eruit komt te zien.

Bij de beoordeling op criterium 3 wordt gebruik gemaakt van een waarderingsschaal in woorden (hoog, midden, laag en onvoldoende) als conclusie van de inhoudelijke beoordeling op dit criterium. Deze waarderingsschaal is een hulpmiddel voor een zorgvuldige en evenwichtige beoordeling. Aan de waarderingsschaal in woorden zijn cijfers (punten) gekoppeld.

  • 4.

    Het college vindt het belangrijk dat domeinoverstijgend (onderwijs, jeugdhulp, zorg, preventie en welzijn) samengewerkt wordt. Door meer verschillende partijen en type aanvragen te hebben, is de kans groter dat er een ‘olievlek’ effect ontstaat waarbij onderwijs, jeugdhulp, zorg, preventie en welzijn steeds meer in gezamenlijkheid tot integrale oplossingen voor leerlingen kunnen komen. Door verschillende activiteiten en verschillende samenstellingen van samenwerkende partijen, kan het college beter onderzoeken wat in de praktijk het meest effectief en efficiënt is. De subsidieregeling sluit niet uit dat dezelfde penvoerder meerdere aanvragen doet of dat dezelfde aanbieder met meerdere penvoerders een aanvraag doet.

  • 5.

    Doel is om zoveel mogelijk leerlingen te bereiken, aansluitend bij de behoefte van de leerlingen.

De aanvraag die de hoogste totaalbeoordeling heeft (na toekenning punten, weging en met inachtneming van het zesde lid) wordt als eerste gehonoreerd. Daarna volgt de aanvraag met de op een na hoogste totaalbeoordeling, en zo verder, totdat het subsidieplafond is bereikt.

 

In het geval dat meerdere aanvragen een gelijke score behalen en het subsidieplafond zou worden overschreden door inwilliging van deze aanvragen, wordt de rangschikking tussen deze aanvragen bepaald door het criterium ‘het aantal leerlingen dat wordt bereikt met de activiteiten’. Het initiatief dat de meeste leerlingen weet te bereiken, zal dan hoger eindigen in de rangorde. Mochten aanvragen ook op dat criterium een gelijke score hebben, dan wordt de rangschikking tussen deze aanvragen bepaald door middel van loting.

 

Als door honorering van een aanvraag het subsidieplafond zou worden overschreden, wordt die aanvraag in zijn geheel afgewezen. Bijvoorbeeld: als er nog € 20.000 binnen het subsidieplafond resteert, en een aanvrager heeft € 30.000 aangevraagd is er onvoldoende budget om de aanvraag te honoreren; in dat geval zal die aanvraag niet gedeeltelijk (voor het resterende budget van € 20.000) worden ingewilligd, maar geheel worden afgewezen.

 

Artikel 9 Aanvraag

In dit artikel staan de (drempel)eisen waaraan een aanvraag moet voldoen.

 

De aanvrager is zelf verantwoordelijk voor het tijdig, correct en volledig invullen van de aanvraag. Het college gaat uit van de in/bij de aanvraag vermelde informatie. Alleen tijdige en complete aanvragen tellen mee bij de beoordeling, en worden gerangschikt. Het (inhoudelijk) wijzigen of aanvullen van een aanvraag na sluiting van de aanvraagtermijn is niet toegestaan; aanvullingen en wijzigingen na de sluitingsdatum, zullen niet worden meegenomen in de beoordeling.

 

Het projectplan moet beschrijven op welke manier het bevoegd gezag samen met de aanbieder(s) kan zorgen voor continuering van de activiteiten zonder deze subsidie. Zo wil het college stimuleren dat de initiatieven levensvatbaar zijn en een structurele oplossing bieden.

 

Artikel 10 Aanvraagtermijn

Bij deze tenderprocedure geldt een ‘harde’ sluitingsdatum. Dat betekent dat aanvragen die zijn ingediend na de sluiting van de aanvraagtermijn zullen worden afgewezen. Het college zal geen uitstel verlenen voor het indienen van een aanvraag op grond van deze subsidieregeling. Dat is immers in strijd met het gelijke speelveld dat in het tendersysteem centraal staat.

 

Artikel 12 Aanvullende weigeringsgronden

In dit artikel staan aanvullende weigeringsgronden, die gelden naast de weigeringsgronden van artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 8 van de Subsidieverordening Rotterdam 2014.

 

Het college vindt het belangrijk dat de basisondersteuning op school op orde is. Hierbij gaat het in elk geval om de volgende zaken: de basiskwaliteit is volgens de onderwijsinspectie voldoende, de onderwijsondersteuning op school is goed georganiseerd en de school kan preventieve en licht curatieve interventies aanbieden. Omdat het moeilijk is vast te stellen wanneer de basis op orde is, is de eis dat de inspectie van het Onderwijs de school niet heeft beoordeeld als ‘zeer zwak’ of ‘onvoldoende’. Deze subsidie is namelijk een aanvulling op de ondersteuning die al op de school hoort te zijn, en is niet bedoeld ter vervanging hiervan, of om de basisondersteuning op orde te krijgen.

 

Aanvragen waarbij geen sprake is van een eigen bijdrage of cofinanciering zullen worden afgewezen. De eigen bijdrage kan bestaan uit financiële middelen en uit inzet in natura. Onder een bijdrage in natura wordt bijvoorbeeld verstaan: gratis bijdragen verleend in de vorm van inzet van medewerkers (tijd en kennis) die in dienst zijn van de penvoerder. Als de eigen bijdrage alleen bestaat uit het beschikbaar stellen van ruimte wordt de aangevraagde subsidie geweigerd.

 

Activiteiten die al volledig gefinancierd worden door het Rijk, omdat de activiteiten onder de taken vallen van het onderwijs op basis van de Wet op het primair onderwijs, Wet voortgezet onderwijs 2020 of de Wet op de expertisecentra, komen niet in aanmerking voor deze subsidie. Dit betekent dat wettelijke (ondersteunende) onderwijstaken niet gesubsidieerd worden op grond van deze regeling, omdat dit niet onder de verantwoordelijkheid van het college valt en deze activiteiten zich niet op het snijvlak van onderwijs, preventie, welzijn, jeugdhulp of zorg bevinden, waarvoor de subsidie bedoeld is.

 

Activiteiten waarvoor subsidie geweigerd zal worden betreffen bijvoorbeeld: remedial teaching, onderwijsbegeleiding bij leerachterstanden of bij lezen, taal of rekenen als gevolg van dyslexie of dyscalculie. Maar ook: activiteiten ten behoeve van de schoolorganisatie of onderwijsondersteunende werkzaamheden die rechtstreeks verband houden met het onderwijsleerproces en die enkel gericht zijn op het bevorderen van een optimale schoolloopbaan van leerlingen.

Naar boven