Gemeenteblad van Ridderkerk
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ridderkerk | Gemeenteblad 2025, 521671 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ridderkerk | Gemeenteblad 2025, 521671 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Verordening rechtspositie raads- en commissieleden Ridderkerk 2026
De raad van de gemeente Ridderkerk;
gelezen het voorstel van het presidium van 23 september 2025;
gelet op de artikelen 95, eerste en tweede lid, 96, eerste en tweede lid, en 97, 98, 99 van de Gemeentewet en de artikelen 3.1.1, vijfde lid, 3.1.3, eerste lid, 3.1.4, eerste lid, 3.1.8, eerste lid, 3.1.9, eerste lid, 3.3.2, 3.3.3, tweede lid, 3.4.1, eerste lid, en 3.4.2 en 3.3.8 van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers;
Verordening rechtspositie raads- en commissieleden Ridderkerk 2026
In deze verordening wordt verstaan onder:
commissielid: lid van een commissie als bedoeld in de artikelen 82, 83 en 84 van de Gemeentewet, dat niet tevens raadslid is of ambtenaar die als zodanig tot lid van een commissie is benoemd. Tot de leden van een commissie als bedoeld in artikel 82 van de Gemeentewet behoren de burgerleden, zoals bedoeld in de Verordening op de raadsvoorbereiding 2023 Ridderkerk.
Artikel 4. Nadere regels niet-partijpolitiek georiënteerde scholing raads- en commissieleden
Een raads- of commissielid dat wil deelnemen aan niet-partijpolitiek georiënteerde scholing in verband met de vervulling van zijn functie als bedoeld in artikel 3.3.3 Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers, dient daartoe, uiterlijk drie maanden na betaling, een gemotiveerde aanvraag in bij de griffier.
Artikel 5. Informatie- en communicatievoorzieningen raads- en commissieleden
Een raads- of commissielid tekent een bruikleenovereenkomst wanneer hem ten laste van de gemeente voor de duur van de uitoefening van zijn functie informatie- en communicatievoorzieningen ter beschikking worden gesteld als bedoeld in artikel 3.3.2 Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers. De griffier stelt namens het college het model van de bruikleenovereenkomst vast.
Een raads- of commissielid levert na beëindiging van zijn functie de ter beschikking gestelde informatie- en communicatievoorzieningen in bij de gemeente. Een raads- of commissielid kan de ter beschikking gestelde informatie- en communicatievoorzieningen na schoning aan het einde van een raadsperiode overnemen tegen vergoeding van de resterende waarde van de voorzieningen in het economisch verkeer.
Artikel 6. Aanwijzing als eindheffingsbestanddeel
Als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 worden verder aangewezen de vergoedingen, tegemoetkomingen en verstrekkingen, genoemd in deze verordening, voor zover deze worden gerekend tot een vergoeding, tegemoetkoming of verstrekking als bedoeld in artikel 31a, tweede lid, onderdelen a tot en met h, van de Wet op de Loonbelasting 1964.
Artikel 7. Betaling vaste vergoedingen
Tenzij het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers of de Rechtspositieregeling decentrale politieke ambtsdragers anders bepalen, vindt de betaling van de vergoeding van commissieleden, bedoeld in artikel 3.4.1 het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers maandelijks plaats met inachtneming van een vergoeding per bijgewoonde vergadering.
Artikel 8. Betaling en declaratie van onkosten
Tenzij het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers of de Rechtspositieregeling decentrale politieke ambtsdragers anders bepalen, vindt de betaling van kosten die op grond van deze verordening voor vergoeding of tegemoetkoming in aanmerking komen plaats door betaling vooruit uit eigen middelen.
Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 20 november 2025,
de griffier,
O. Vliegenthart
de voorzitter,
C.A. Oosterwijk
Toelichting Verordening rechtspositie raads- en commissieleden Ridderkerk 2026
In de wet en nadere regelgeving zijn alle van belang zijnde onderwerpen geregeld betreffende de rechtspositie van gemeentelijke politieke ambtsdragers. In de Gemeentewet is aangegeven dat de nadere invulling van de rechtspositie van raads- en commissieleden alsmede de financiële voorzieningen moet worden geregeld bij of krachtens de wet (AMvB en ministeriële regeling). Deze nadere regeling is vastgelegd in het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers. In de Rechtspositieregeling decentrale politieke ambtsdragers zijn de (onkosten)vergoedingen nader uitgewerkt.
Hoofdlijnen gemeentelijke verordening
In deze verordening zijn alleen bepalingen opgenomen inzake de rechtspositie van raadsleden en leden van gemeentelijke commissies zover die niet dwingend geregeld zijn in hogere wet- en regelgeving. De grondslag hiervoor is te vinden in de Gemeentewet en het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers en de Rechtspositieregeling decentrale politieke ambtsdragers. Bij de moderniserings- en harmoniseringsoperatie (Staatsblad 15 oktober 2018), betreffende de rechtspositiebesluiten voor decentrale politieke ambtsdragers zijn er wederom een aantal bepalingen imperatief in hogere wet- en regelgeving vastgelegd. De overweging hierbij is dat het bestuurlijk wenselijk is om de voorzieningen zoals vergoedingen, tegemoetkomingen en andere rechtspositionele aanspraken voor decentrale politieke ambtsdragers dwingendrechtelijk in hogere wet- en regelgeving vast te leggen om politieke discussies te voorkomen. Dit betekent dat er voor gemeenten minder ruimte is om lokaal bij verordening van wettelijke regelingen af te wijken.
Als een gemeente besluit om bij verordening voorzieningen voor politieke ambtsdragers te regelen, zijn een aantal regels van belang.
In artikel 99 Gemeentewet is bepaald dat ’buiten hetgeen hun bij of krachtens de wet is toegekend’, ontvangen de leden van de raad en/of door de raad ingestelde commissie (in de zin van artikel 82, 83 of 84 Gemeentewet) als zodanig geen andere vergoedingen en tegemoetkomingen ten laste van de gemeente. Deze verordening vormt een (nadere) uitwerking van de bij of krachtens de wet toegekende vergoedingen en tegemoetkomingen.
De arbeidsverhoudingen en fiscale positie
Raadsleden en commissieleden hebben geen dienstbetrekking bij de gemeente. De gemeente is dus niet de werkgever. Dat betekent bijvoorbeeld dat zij voor zover het betreft het raadslidmaatschap niet vallen onder de werknemersverzekeringen zoals de Werkloosheidswet (WW), Ziektewet (ZW) en de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA). Omdat er geen sprake is van een dienstbetrekking vallen raads- en commissieleden niet onder de Wet op de loonbelasting 1964 maar worden hun inkomsten belast in de Wet inkomstenbelasting 2001. Wel kunnen raads- en commissieleden opteren voor de loonbelasting als voorheffing door samen met de gemeente te kiezen voor het fictief werknemerschap, het zogenaamde opting-in. Het fictief werknemerschap kan worden aangevraagd met behulp van een opting-in verklaring bij de Belastingdienst.
Als de raads- en commissieleden en gemeente niet kiezen voor het fictief werknemerschap, dan geldt dat de onkostenvergoedingen en raadsvergoeding als inkomsten moeten worden verantwoord en mogen de (beroeps)kosten die worden gemaakt worden afgetrokken. Het resultaat zal het raads- of commissielid moeten verantwoorden in de aangifte inkomstenbelasting, onder de post inkomsten uit overige werkzaamheden. De gemeente dient jaarlijks alle betalingen en verstrekkingen voor de raads- en commissieleden die niet als fictief werknemerschap te kwalificeren zijn op grond van deze verordening aan de Belastingdienst doorgeven middels een formulier IB-47. Omdat raads- en commissieleden op persoonlijke titel worden gekozen, zijn zij niet aan te merken als (fiscaal) ondernemer. Er hoeft dan ook geen VAR-verklaring / Modelovereenkomst ZZP overgelegd te worden aan de gemeente.
De Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa) is niet van toepassing op raads- en commissieleden.
Artikel 2. Toelage raadslid als lid onderzoekscommissie
Het recht op de toelage voor de onderzoekscommissie is vastgelegd in het rechtspositiebesluit. De hoogte van de toelage moet in een verordening geregeld worden. De toelage is per jaar maximaal driemaal de maandelijkse vergoeding voor de werkzaamheden, bedoeld in artikel 3.1.1, eerste lid, Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers. Voor de leden van de onderzoekscommissie is de toelage per jaar maximaal 3x de maandelijkse vergoeding voor raadsleden. Jaarlijks kan de vergoeding voor raadsleden bij ministeriële regeling worden verhoogt. Opgenomen is een vast bedrag per maand, dat thans de maximale toelage mag zijn. De budgettaire gevolgen worden meegenomen in het voorstel tot instellen van een dergelijke commissie, als dat aan de orde is.
In artikel 3.1.2 van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers is geregeld dat een raadslid dat lid van een vertrouwenscommissie, voor de duur van de activiteiten van de commissie, recht heeft op een toelage per maand (wordt bij ministeriële regeling jaarlijks verhoogd). Het recht en de hoogte van de toelage vloeien voort uit het besluit en zijn daarom niet in deze verordening opgenomen. Als er een vertrouwenscommissie bij verordening wordt ingesteld, hebben de leden recht op genoemde toelage. Bij een voorstel tot instelling van een vertrouwenscommissie wordt ook voorgesteld een budget vast te stellen dat nodig is voor de benoemingsprocedure.
Artikel 3. Verzekering raadsleden voor arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden
Op grond van artikel 3.1.9 bestaat de aanspraak voor raadsleden om jaarlijks een bedrag te ontvangen ter hoogte van het bedrag van de vergoeding van hun werkzaamheden voor een maand, waarmee zij voorzieningen kunnen treffen ter zake van arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden. Het bedrag dient als compensatie voor het feit dat volksvertegenwoordigers vaak een deel van de werkweek voor de volksvertegenwoordiging bezig zijn en daardoor in hun hoofdfunctie minder pensioen kunnen opbouwen. De keuze voor deze voorziening was voorheen aan de gemeenteraad, waarbij gold dat als bij verordening hiervoor werd gekozen, deze tegemoetkoming werd toegekend aan alle leden van die raad. In de praktijk bleek deze verordenende bevoegdheid echter te leiden tot politiek gedrag dat een inhoudelijke discussie in de weg stond. Ook bleek er behoefte te zijn aan flexibilisering in die zin dat de voorziening daadwerkelijk voor pensioenvoorziening kan worden ingezet en dat deze dus niet ook van toepassing is op de ambtsdragers die al met pensioen zijn.
Gelet op deze twee bezwaren is vanaf 2025 gekozen voor een centrale, voor alle betrokken volksvertegenwoordigers geldende regeling, met dien verstande dat degenen die de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt, hierop geen aanspraak meer kunnen maken. Deze norm is goed verdedigbaar gelet op het doel van de voorziening. Voor degene die de AOW-leeftijd heeft bereikt, is het onmogelijk zich alsnog te verzekeren voor pensioen, nabestaandenpensioen of arbeidsongeschiktheid. De grens is gelegd bij de AOW-gerechtigde leeftijd en niet bij de daadwerkelijke pensioendatum. De keuze hiervoor is ingegeven door het feit dat een eventuele eerdere pensioendatum een in de privésfeer genomen beslissing is. Bovendien zijn door deze grens de administratieve lasten voor de decentrale overheden zo laag mogelijk. De AOW-datum is namelijk kenbaarder dan de individuele pensioendatum. De administratieve lasten blijven ook beperkt omdat er in de gekozen opzet niet inhoudelijk beoordeeld hoeft te worden of de vergoeding daadwerkelijk is ingezet voor een voorziening voor arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden. Het zou bovendien de vraag zijn wie verantwoordelijk wordt voor deze controle, en wanneer die controle zou moeten plaatsvinden (alleen bij de eerste toekenning of jaarlijks).
In het nieuwe derde lid is opgenomen dat de aanspraak geldt tot de datum waarop betrokkene de AOW-leeftijd heeft bereikt. Net zoals dat in het tweede lid is bepaald voor degene wiens lidmaatschap van het vertegenwoordigend orgaan in de loop van een jaar begint of eindigt, wordt het bedrag naar evenredigheid van de duur van het lidmaatschap toegekend.
Ten slotte is de formulering “eenmaal per jaar” veranderd in “per jaar”. Uit de praktijk kwam namelijk de wens naar voren navorderingen zoveel mogelijk te willen vermijden. Met deze formulering wordt de keuze om het bedrag in zijn geheel of in maandelijkse termijnen uit te betalen aan het overheidsorgaan gelaten, terwijl de aanspraak hetzelfde blijft. Gekozen is voor een maandelijkse betaling.
Artikel 4. Nadere regels niet-partijpolitiek georiënteerde scholing raads- en commissieleden
Voor raads- en commissieleden is expliciet bepaald dat de kosten voor niet-partijpolitiek georiënteerde functionele scholing, zoals deelname aan congressen en opleidingen, ten laste kunnen worden gebracht van de gemeente. Partijpolitieke scholing komt niet voor vergoeding door de gemeente in aanmerking. De inhoud van de scholing is bepalend of deze al dan niet partijpolitiek georiënteerd is. Wanneer scholing verzorgd wordt door een politieke partij betekent dat niet automatisch dat die scholing partijpolitiek georiënteerd is.
Om in aanmerking te komen voor vergoeding van de scholingskosten, moet gemotiveerd worden dat het gaat om functiegerichte scholing. Scholing is functiegericht als zij beoogt de voor de functie benodigde vakkennis en vaardigheden te verwerven dan wel actueel te houden. Scholing is partijpolitiek georiënteerd als zij geheel of gedeeltelijk tot doel heeft betrokkene op te leiden in het gedachtegoed van de desbetreffende partij.
Artikel 5. Informatie- en communicatievoorzieningen
Ten laste van de gemeente wordt aan een raadslid, commissielid voor de duur van de uitoefening van zijn functie de noodzakelijke informatie- en communicatievoorzieningen ter beschikking gesteld. Onder informatie- en communicatievoorzieningen wordt ook verstaan een smartphone, een computer en de daarbij behorende (internet)abonnementen. Er mag slechts één computer verstrekt worden. Er wordt verstrekt op basis van een bruikleenovereenkomst. Onder voorwaarden is de griffier door het college al gemandateerd tot het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen en kan hij het model van de bruikleenovereenkomst vaststellen.
Een computer is een desktop, laptop, tablet- of minicomputer. Een smartphone is niet te kwalificeren als computer.
In bruikleen verstrekte voorzieningen worden na beëindiging van de functie van raadslid of commissielid ingeleverd. De raads- en commissieleden kunnen deze voorzieningen aan het einde van de raadsperiode onder voorwaarden overnemen. De voorwaarden zijn opgenomen in de Circulaire van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 29 maart 2022, 2022- 0000173050.
Artikel 6. Aanwijzing als eindheffingsbestanddeel
In het kader van de werkkostenregeling op grond van artikel 31 Wet op de Loonbelasting 1964 zijn een aantal vergoedingen in het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers en de verordening aangewezen als eindheffingsbestanddeel. De gemeente draagt in dat geval de loonbelasting, waardoor de vergoeding belastingvrij (netto) aan de politieke ambtsdrager kan worden overgemaakt. Anders worden deze door de Belastingdienst als loon gezien en moet hierover bij de politieke ambtsdragers loonbelasting worden ingehouden. In het kader van de werkkostenregeling kan in de financiële administratie worden aangegeven of een verstrekking of vergoeding onder de gerichte vrijstellingen, intermediaire kosten of onder de nihil-waarderingen valt.
Gemeenten mogen daarnaast een verstrekking of vergoeding in de vrije ruimte - tot een vastgesteld percentage fiscale loonsom - onderbrengen zonder fiscale consequenties. Indien de grens wordt overschreden, zal de gemeente 80% eindheffing moeten betalen.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-521671.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.