Beleidsregels bijzondere bijstand Gemeente Hollands Kroon 2026

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hollands Kroon

 

gelet op de artikelen 7, eerste lid, onderdeel b, en 35 Participatiewet,

 

besluit:

 

vast te stellen de Beleidsregels bijzondere bijstand Gemeente Hollands Kroon 2026, onder gelijktijdige intrekking van de Beleidsregels bijzondere bijstand Gemeente Hollands Kroon 2025;

 

de Beleidsregels bijzondere bijstand Gemeente Hollands Kroon 2026 op 1 januari 2026 in werking te laten treden;

 

1. Algemeen

1.1 Uitgangspunten

Deze beleidsregels gaan over wat de gemeente kan doen als inwoners bepaalde noodzakelijke kosten niet kunnen betalen. Inwoners zijn in de eerste plaats zelf aan zet als er financiële problemen zijn. Als het inwoners niet lukt om zelf hun kosten te betalen, kan de gemeente hulp bieden. Die hulp heet bijzondere bijstand, en is bedoeld om inwoners te helpen onverwachte noodzakelijke kosten te betalen als ze dat zelf niet meer kunnen. Hoe en wanneer die hulp gegeven kan worden, leggen we in deze beleidsregels uit. Het zijn regels op hoofdlijnen. Per situatie onderzoekt de gemeente wat de beste oplossing is voor het probleem van de inwoner. Dat noemen we maatwerk.

 

1.2 Begrippen

In deze beleidsregels maken we zo weinig mogelijk gebruik van vaktaal, maar soms kan dat niet anders. Sommige begrippen uit de wet zijn namelijk lastig te vertalen. De eerste keer dat we zo’n begrip gebruiken, geven we aan uit welke wet dat begrip komt. Dat begrip heeft in deze beleidsregels dezelfde betekenis als in die wet. Andere begrippen die we in deze beleidsregels gebruiken zijn:

  • bijstandsnorm: de maximum uitkeringsbedragen uit de Participatiewet. Zonder rekening te houden met een verlaging vanwege medebewoners/kostendelers of lage woonlasten. De toepasselijke bijstandsnorm is het uitkeringsbedrag dat afhangt van leeftijd en gezinssituatie. Wel wordt bij het bepalen van de bijstandsnorm rekening gehouden met de bijzondere bijstand voor het levensonderhoud die wordt verleend aan een persoon van 18 t/m 20 jaar (artikel 12 Participatiewet).

  • draagkracht: wat de inwoner zelf kan bijdragen aan de kosten;

  • gemeente: het college van burgemeester en wethouders van Hollands Kroon;

  • inwoner: de persoon die een rechtstreeks belang heeft bij een besluit van de gemeente (de belanghebbende uit art. 1:2 Awb) en zijn gezin (NB In de categoriale inkomensregelingen in hoofdstuk 6 wordt het begrip ‘inwoner’ anders omschreven);

  • meerinkomen: het verschil tussen het inkomen (inclusief vakantiegeld) en de toepasselijke inkomensgrens (afhankelijk van de kostensoort is dat 120% of 100% van de bijstandsnorm1)

  • wet: Participatiewet.

1.3 Voorwaarden

Een inwoner moet voldoen aan een aantal voorwaarden om in aanmerking te komen voor bijzondere bijstand. Die voorwaarden staan in de wet, vooral in de artikelen 15 en 35 van de Participatiewet. De belangrijkste voorwaarden benoemen we hier in het kort.

 

Algemene uitgangspunten

De gemeente beoordeelt de aanvraag om bijzondere bijstand op grond van de uitgangspunten van de Participatiewet, artikel 35 van de Participatiewet en deze beleidsregels.

 

Territorialiteitsbeginsel

Bijstand wordt slechts verstrekt aan Nederlanders en daarmee gelijkgestelden. Kosten die opkomen buiten Nederlands grondgebied vallen buiten het vangnet. Bijzondere bijstand kan daarom alleen worden verleend voor kosten die in Nederland gemaakt zijn en aan Nederland verbonden zijn

 

Geen beroep op een andere voorziening

De inwoner kan in aanmerking komen voor bijzondere bijstand, als géén beroep kan worden gedaan op een andere (voorliggende) voorziening. Het gaat om een voorziening die toereikend (voldoende) en passend in de kosten van de inwoner voorziet en daarom voorgaat op bijzondere bijstand (art. 15 van de wet). Die voorziening moet de inwoner dan eerst aanvragen. Als de kosten volgens die voorziening niet noodzakelijk zijn, dan kan de inwoner voor die kosten ook geen bijzondere bijstand ontvangen.

 

Als voorliggende voorziening zoals bedoeld in artikel 15 van de Participatiewet wordt in ieder geval aangemerkt:

  • a.

    de Wet langdurige zorg;

  • b.

    de Zorgverzekeringswet;

  • c.

    de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

  • d.

    de Wet op de rechtsbijstand;

  • e.

    de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (AWIR).

Wanneer aanvraag indienen

Een verzoek om toekenning van bijzondere bijstand moet worden aangevraagd binnen zes maanden nadat de kosten zich hebben voorgedaan.

In afwijking van het vorenstaande moet de bijzondere bijstand worden aangevraagd voordat de kosten zijn gemaakt wanneer het betreft:

  • duurzame gebruiksgoederen;

  • verhuis- en/of inrichtingskosten;

  • babyuitzet;

  • kosten waarvoor een medisch advies noodzakelijk is.

Noodzakelijke kosten en bijzondere omstandigheden

Bijzondere bijstand wordt alleen verstrekt wanneer er bijzondere omstandigheden zijn die leiden tot noodzakelijke kosten van het bestaan.

 

Noodzakelijke kosten van het bestaan komen normaliter niet voor bijzondere bijstand in aanmerking omdat wordt verwacht dat de aanvrager daarin kan voorzien door te sparen of een lening aan te gaan. Wanneer het college echter oordeelt dat er sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor niet van de aanvrager verwacht kan worden dat hij of zij voor deze noodzakelijke kosten had gereserveerd of hiervoor een lening aangaat, dan wordt bijzondere bijstand verstrekt.

 

De kosten voor alimentatie, de betaling van een boete, geleden of toegebrachte schade, premiebetaling en medische kosten zoals genoemd in artikel 14 van de Participatiewet komen niet voor bijzondere bijstand in aanmerking, behalve wanneer de gemeente oordeelt dat er sprake is van een zeer dringende reden zoals bedoeld in artikel 16 van de Participatiewet.

 

Te weinig draagkracht

De inwoner kan pas in aanmerking komen voor bijzondere bijstand als hij de kosten niet zelf kan betalen. In hoofdstuk 2 wordt uitgelegd wanneer de inwoner de kosten zelf moet betalen.

 

Drempelbedrag

De gemeente hanteert geen drempelbedrag voor de bijzondere bijstand.

 

Kosten door eigen schuld

Als de inwoner de kosten zelf heeft veroorzaakt, dan kan de gemeente besluiten om de bijzondere bijstand als lening te verstrekken. Voor meer informatie hierover wordt u verwezen naar de beleidsregel Onverantwoord interen van vermogen P-wet gemeente Hollands Kroon 2015.

 

1.4 Hoogte van de bijstand

De hoogte van de bijzondere bijstand wordt (individueel) bepaald door de hoogte van de noodzakelijke kosten. Soms zijn er meerdere mogelijkheden om in de kosten te voorzien. Uitgangspunt is dan dat de gemeente bijstand verleent voor de goedkoopste mogelijkheid. Bij het bepalen van de hoogte van de bijzondere bijstand voor de diverse kosten sluiten wij aan bij de meest actuele prijzengids van het Nibud. Van deze hoofdregel kan worden afgeweken, bijvoorbeeld bij woninginrichting gaan we uit van 55% van de actuele prijzengids van NIBUD.

 

1.5 Vorm van bijstand

Bijzondere bijstand betaalt de gemeente in principe ‘om niet’ (als gift). Soms kan bijzondere bijstand als lening worden verstrekt. Dat is bijvoorbeeld zo als de bijstand bestemd is voor de aanschaf van huishoudelijke apparaten als een wasmachine of koelkast.

 

Bijzondere bijstand kan ook een lening zijn, als de inwoner op korte termijn voldoende geld ontvangt om de kosten zelf te betalen, of als de inwoner schuld heeft aan het ontstaan van de kosten of de kosten had kunnen voorkomen. Per situatie bepaalt de gemeente of de bijstand dan als lening wordt verstrekt.

 

De lening moet worden terugbetaald in 36 aaneengesloten maanden. Het bedrag dat de inwoner per maand moet terugbetalen is gelijk aan 5% van de toepasselijke bijstandsnorm.

 

Als de inwoner gedurende 36 maanden volgens afspraak heeft afgelost, dan wordt na die periode de resterende lening omgezet in een gift.

2. Draagkracht

2.1 Hoe wordt de draagkracht berekend?

Wanneer de inwoner een inkomen heeft boven de bijstandsnorm en/of in het bezit is van vermogen, dan moet de gemeente vaststellen welk gedeelte van dat inkomen en/of vermogen de inwoner er zelf kan gebruiken om de kosten te betalen. Dit wordt de financiële draagkracht genoemd. Het deel dat de inwoner niet zelf kan betalen, vergoedt de gemeente vanuit de bijzondere bijstand. Hiervoor geldende de volgende regels:

 

  • 1.

    De studietoeslag wordt wel in aanmerking genomen bij de berekening van de draagkracht voor bijzondere bijstand. Wat de individuele inkomenstoeslag (IIT) betreft, onderzoeken we in ieder geval bij de aanvraag om bijzondere bijstand in de kosten van woninginrichtingen/duurzame gebruiksgoederen en verhuiskosten of er de afgelopen drie maanden een IIT (voorliggende voorziening) is verstrekt, en zo ja waar deze IIT aan is besteed.

  • 2.

    Bij de bepaling van de draagkracht wordt de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a van de wet in anmerking genomen.

  • 3.

    Voor het bepalen van de draagkracht sluit de gemeente aan bij de wet. Inkomsten tellen mee als de inwoner daarover beschikt of redelijkerwijs over kan beschikken.

  • 4.

    Het vrij te laten inkomen zoals bedoeld in artikel 31, tweede lid, van de Participatiewet, wordt buiten beschouwing gelaten, behalve als het gaat om:

    • -

      huurtoeslag, of eigenwoningbijdrage, of een bijzondere bijdrage op grond van de Wet bevordering eigenwoningbezit, en de inwoner vraagt bijstand aan voor woonkosten;

    • -

      pleegvergoedingen, tenzij de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt aangevraagd uitsluitend betrekking hebben op de persoon van de pleegouder en de pleegkinderen op geen enkele wijze hiervan profijt trekken2;

    • -

      inkomsten uit of in verband met werk van een kind dat ten laste van de inwoner komen dat netto op maandbasis hoger is dan € 500,- , en de inwoner vraagt bijstand aan voor kosten van dat kind;

    • -

      vergoedingen en verstrekkingen als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f en onderdeel g, van de Wet op de loonbelasting 1964, en voor deze vergoedingen en verstrekkingen bijstand wordt verleend;

    • -

      giften, voor zover de gemeente dat uit een oogpunt van bijstandverlening verantwoord vindt.

  • 5.

    Voor de vaststelling van het vermogen wordt uitgegaan van het vermogen op de datum van de aanvraag. De regels uit de wet voor het vaststellen van het vermogen gelden ook voor bijzondere bijstand. Als de inwoner een vermogen heeft dat niet hoger is dan de bedragen uit artikel 34 lid 3 van de wet, hoeft de inwoner uit zijn vermogen niets bij te dragen aan de kosten.

  • 6.

    In afwijking van het bepaalde onder punt 5 wordt het vrij te laten vermogen zoals bedoeld in artikel 34, derde lid van de Participatiewet alleen in aanmerking genomen bij de draagkrachtberekening voor zover de aanvraag voor bijzondere bijstand betrekking heeft op:

    • a.

      de aflossing van schulden;

    • b.

      kosten voor woninginrichting en duurzame gebruiksgoederen, of

    • c.

      kosten waarvoor alleen om zeer dringende redenen bijzondere bijstand wordt verleend.

  • 7a.

    Netto-inkomen dat lager is dan 120% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm wordt niet meegenomen bij de berekening van de draagkracht.

  • 7b.

    Netto-inkomen dat hoger is dan 120% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm wordt voor 100% meegenomen bij de berekening van de draagkracht.

  • 8.

    Het netto inkomen hoger dan de van toepassing zijnde bijstandsnorm wordt geheel meegerekend in de draagkrachtberekening wanneer de bijzondere bijstandsaanvraag betrekking heeft op:

    • -

      kosten van woninginrichting;

    • -

      kosten van aanschaf van duurzame gebruiksgoederen;

    • -

      kosten babyuitzet;

    • -

      kosten van levensonderhoud (overbrugging, zakgeldregeling jongeren in inrichting etc.);

    • -

      kosten die te maken hebben met wonen (kosten verhuizing, dubbele huur, huur en woonlasten eigen woning, aanhouden van een woning tijdens een opname in instelling of detentie).

  • 9.

    Met het oog op het vaststellen van de financiële draagkracht gaat het college uit van het inkomen:

    • a.

      over het kalenderjaar voorafgaand aan de bijzondere bijstandsaanvraag, als de aanvraag is gedaan door een zelfstandige;

    • b.

      over de drie kalendermaanden voorafgaand aan de bijzondere bijstandsaanvraag, als de aanvraag is gedaan door een aanvrager met sterk wisselende inkomsten, die niet als zelfstandige werkt;

    • c.

      over de kalendermaand voorafgaand aan de bijzondere bijstandsaanvraag in andere gevallen dan die bedoeld onder a en b.

  • Wijzigingen in het inkomen en het vermogen van de aanvrager tijdens het lopende draagkrachtjaar kunnen leiden tot een herberekening.

  • 10.

    Het bedrag dat tijdens een WSNP-traject en het bedrag dat tijdens gemeentelijke schuldhulpverlening op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening voor de aflossing van schulden wordt gereserveerd, worden bij de draagkrachtbepaling niet als inkomen in aanmerking genomen. Dit betekent dat personen die in een WSPN-traject of in een schuldenregeling op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening zitten, in beginsel geacht worden geen draagkracht te hebben.

     

    NB Als de partner van de belanghebbende niet in het schuldsaneringstraject op grond van de WSNP of een schuldenregeling op basis van de Wet de gemeentelijke schuldhulpverlening zit, dan tellen de inkomsten van de partner wel mee voor het bepalen van de draagkracht. Echter, met de volgende nuancering. Voor de bijzondere bijstand wordt rekening gehouden met de inkomsten van de partner, tenzij de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt aangevraagd uitsluitend betrekking hebben op de persoon die in het schuldhulpverleningstraject zit en de partner op geen enkele wijze hiervan profijt trekt. Bij een aanvraag om bijzondere bijstand in de dieetkosten bijvoorbeeld wordt bij de draagkrachtbepaling het inkomen van de partner niet in aanmerking genomen. Immers, alleen de persoon die in het schuldhulpverleningstraject zit, profiteert van de bijzondere bijstand. Bij een aanvraag om bijzondere bijstand in de kosten van woninginrichting of woonkosten bijvoorbeeld wordt daarentegen wel rekening gehouden met de inkomsten van de partner. Deze inkomsten worden dan bij de draagkrachtbepaling als inkomen in aanmerking genomen. Ook de partner heeft immers in dat geval profijt van de verleende bijzondere bijstand.

  • 11.

    Bij de draagkrachtberekening wordt geen rekening gehouden met het bedrag van het inkomen waarop beslag is gelegd, mits het beslag op correcte wijze en op grond van de door de inwoner volledig verstrekte gegevens is vastgesteld. Dit laatste moet wel worden gecontroleerd. Desgewenst kan hierbij de ondersteuning van het subteam Terugvordering/Verhaal of het team SDV worden ingeroepen.

  • 12.

    Bij de draagkrachtberekening wordt alleen het inkomen en het vermogen van het individu of het gezin betrokken. Er wordt geen rekening gehouden met het inkomen en vermogen van andere inwoners of kostendelers.

  • 13.

    Bij de draagkrachtberekening wordt geen rekening gehouden met de vraag of de inwoner een woonruimte heeft waaraan geen of lage kosten verbonden zijn. Die situaties blijven buiten beschouwing.

  • 14.

    De draagkracht wordt op de volgende wijze verrekend:

    • a.

      De draagkracht uit vermogen wordt het eerst gebruikt.

    • b.

      Bij incidentele verstrekkingen wordt de draagkracht ineens verrekend.

    • c.

      Bij periodieke verstrekkingen wordt de draagkracht evenredig gespreid over de maanden waarin de bijzondere bijstand wordt verstrekt en evenredig verrekend met de kosten. Bij samenloop van incidentele en periodieke bijzondere noodzakelijke kosten wordt de draagkracht bij voorrang verrekend met de incidentele kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt toegekend.

  • 15.

    Soms gelden er andere regels voor het vermogen:

    • a.

      De waarde van een eigen woning telt niet mee, als de inwoner die woning zelf bewoont.

    • b.

      Bij de berekening van het vermogen wordt een bedrag ter hoogte van de ontvangen uitkering vrijgelaten.

    • c.

      Spaargelden opgebouwd tijdens de periode waarin bijstand wordt ontvangen worden in aanmerking genomen. Echter, spaargeld opgebouwd tijdens een WSNP- traject of een schuldregelingstraject op grond van Wet gemeentelijke schuldhulpverlening wordt niet als vermogen meegeteld. Dit spaargeld is immers bestemd om een deel van de schulden af te lossen.

  • 16..

    Vaststellen waarde auto’s

     

    De waarde van een auto telt mee bij de vermogensvaststelling. Van dit uitgangspunt wordt afgeweken, indien:

    • de auto, gelet op de omstandigheden van persoon en gezin, noodzakelijk is (bijvoorbeeld wanneer een van de gezinsleden ernstig lichamelijk gehandicapt is);

    • de auto ouder is dan 10 jaar;

    • de waarde van de auto minder is dan € 3.350,00 (hierbij is aangesloten bij de Regeling kwijtschelding belastingen medeoverheden). Het bedrag van € 3.350,- wordt jaarlijks geïndexeerd.

  • De auto (niet ouder dan 10 jaar) wordt gewaardeerd aan de hand van de ANWB/BOVAG autokoerslijst op internet: http://www.anwb.nl/auto/koerslijst

    Dit gaat als volgt:

    • vul kenteken in;

    • kies de van toepassing zijnde uitvoering;

    • klik verder ( je krijgt dan pagina met nieuwprijzen);

    • klik verder;

    • vul kilometerstand in ( houd 15000 km per jaar aan, dus auto van 4 jaar = 60000 km, auto van 4,5 jaar = 75000 km(= afronding naar boven);

    • klik op bereken;

    • kies in kolom "situatie bij kopen van een auto" de laagste richtprijs;

    • laat € 3.350,00 van de waarde vrij.

  • Hoewel inmiddels in suwinet een tellerstand is opgenomen is besloten om hier op pragmatische gronden in eerste instantie niet van uit te gaan. De tellerstand dateert namelijk van de datum van laatste APK en deze kan voor auto's tussen 4 en 8 jaar al 2 jaar geleden zijn en voor auto's ouder dan 8 jaar 1 jaar geleden. Indien de exacte kilometerstand relevant is voor het recht op uitkering of de klant de waarde/kilometerstand die wordt aangehouden ter discussie stelt staat het een ieder natuurlijk vrij om de daadwerkelijke kilometerstand te verifiëren en aan te houden.

     

    Indien de auto niet is opgenomen in de koerslijst en bij een vermoedelijke aanzienlijke waarde (old- timers) kan een auto-taxateur worden ingeschakeld.

     

    NB: het is niet algemeen gebruikelijk meer dan één auto te hebben, dus bij het in het bezit/op naam hebben van meer dan één auto, maar eenmalig € 3.350,00 aan waarde vrij laten.

     

    Als iemand een auto krijgt als gift dan geldt de "vrijlating" van € 3.350,00 van de waarde niet.

  • 17.

    Begrafenisverzekeringen

     

    Een ieder wordt geacht een verzekering af te hebben gesloten voor de kosten van begrafenis of crematie. Dit kan zijn een verzekering in natura zijn (bijvoorbeeld Dela), een levensverzekering die in contanten uitkeert of een eigen reservering voor die kosten.

     

    Bij een verzekering in natura doen wij niets. Wij nemen deze verzekering niet in aanmerking.

     

    Bij een levensverzekering die is afgesloten om de kosten van een begrafenis of crematie te kunnen dekken geldt dat deze kan worden vrijgelaten indien de levensverzekering alleen bij overlijden wordt uitgekeerd en niet tussentijds afkoopbaar is. Als deze levensverzekering tussentijds afkoopbaar is en de afkoopwaarde gelijk is aan of lager is dan de gemiddelde kosten voor een uitvaart zoals die door het CBS zijn vastgesteld, dan wordt deze afkoopwaarde vrijgelaten.

     

    Wanneer in plaats van een verzekering een bedrag in contanten is gereserveerd voor begrafeniskosten wordt dit alleen onder de volgende voorwaarden niet als vermogen aangemerkt:

    • het geld is uitsluitend bestemd voor de kosten van een uitvaart en mag niet tussentijds opvraagbaar zijn (staat op een aparte rekening);

    • het tegoed alleen bij overlijden kan worden opgenomen (er zal dus een gemachtigde zijn aangewezen die het geld kan opnemen), en;

    • de waarde mag niet bovenmatig hoog zijn.

  • Een tegoed is bovenmatig hoog als het tegoed de gemiddelde kosten voor een uitvaart zoals die door het CBS zijn vastgesteld overstijgt.

2.2 Over welke periode wordt de draagkracht berekend?

Het draagkrachtjaar start op de eerste dag van de maand waarin de kosten zich voordoen.

 

De duur van de draagkrachtperiode wordt vastgesteld voor:

 

  • een periode van 12 maanden als sprake is van variabele inkomsten zoals inkomen uit of in verband met arbeid, alimentatie of uitkeringen (waaronder uit WW of ZW);

  • een periode van 36 maanden als sprake is van een vast inkomen zoals een (aanvullende) bijstandsuitkering, IOAW, IOAZ, Wajong, WIA of AOW al dan niet met een aanvullend pensioen, voor zover het inkomen niet uitstijgt boven de van toepassing zijnde inkomensgrens (afhankelijk van de kostensoort is dat 100 of 120% van de bijstandsnorm);

  • een periode van 12 maanden als sprake is van draagkracht.

De draagkrachtberekening gemaakt met het inkomen en het vermogen zoals die op het moment van de aanvraag aanwezig zijn. Wijzigingen in het inkomen en het vermogen van de aanvrager tijdens het lopende draagkrachtjaar kunnen leiden tot een herberekening. De vastgestelde draagkracht en duur van de draagkrachtperiode kunnen worden herzien indien wijzigingen van de omstandigheden zich voordoen.

 

2.3 Compensatie huur- en zorgtoeslag in het VTLB en bijzondere bijstand

Inleiding

Deze paragraaf beoogt duidelijkheid te verschaffen over de vraag of de compensatie voor huur-, zorgtoeslag, kindgebonden budget of kinderopvangtoeslag, die is opgenomen in het Vrij te laten bedrag (VTLB) bij een schuldenregeling of in een beslagvrije voet bij beslag, als middel moet worden aangemerkt bij een aanvraag voor bijzondere bijstand. De gemeente is van oordeel dat dit niet het geval is. Deze beleidslijn is gebaseerd op het evenredigheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel, de Participatiewet en relevante jurisprudentie.

 

Achtergrond

Personen in een wettelijke schuldenregeling (WSNP of MSNP) leven van het VTLB. Dit bedrag is bedoeld om te voorzien in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. In het VTLB is een component opgenomen ter compensatie van het feit dat deze personen doorgaans geen recht hebben op huur-, zorgtoeslag, kindgebonden budget of kinderopvangtoeslag vanwege hun bruto-inkomen. Deze compensatie voorkomt dat zij financieel slechter af zijn dan personen met een bijstandsuitkering, die wél toeslagen ontvangen.

 

Juridisch kader

 

Participatiewet

Artikel 31 lid 1 Pwet bepaalt dat alle middelen in aanmerking worden genomen bij de beoordeling van het recht op bijstand. Echter, lid 2 biedt ruimte om bepaalde middelen buiten beschouwing te laten indien dit noodzakelijk is voor een juiste toepassing van de wet.

 

Evenredigheidsbeginsel (artikel 3:4 lid 2 Awb )

De nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot het doel ervan. Het aanmerken van de toeslagcompensatie als middel zou ertoe leiden dat mensen in een schuldenregeling minder te besteden hebben dan bijstandsgerechtigden, hetgeen disproportioneel is.

 

Gelijkheidsbeginsel (artikel 1 Grondwet en artikel 14 EVRM)

Personen in een vergelijkbare inkomenspositie (sociaal minimum) dienen gelijk behandeld te worden. Bijstandsgerechtigden ontvangen toeslagen die buiten beschouwing blijven; het is dan onredelijk om de toeslagcompensatie bij schuldenaren wél als middel aan te merken.

 

Rechtspraak

De Centrale Raad van Beroep heeft in uitspraken (o.a. CRvB 12-04-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1683) geoordeeld dat gemeenten bij de beoordeling van bijzondere bijstand rekening moeten houden met het feit dat mensen in een schuldenregeling geen toeslagen ontvangen, en dat het VTLB een bestaansminimum garandeert dat vergelijkbaar is met de bijstandsnorm.

 

Beleidsstandpunt

Wij achten het niet redelijk en niet rechtvaardig om de compensatie voor huur-, zorgtoeslag, kindgebonden budget of kinderopvangtoeslag in het VTLB of de beslagvrije voet als middel aan te merken bij een aanvraag voor bijzondere bijstand. Dit zou leiden tot een ongelijke behandeling van mensen die feitelijk op het sociaal minimum leven, en zou in strijd zijn met het evenredigheidsbeginsel.

3. Hardheidsclausule

Als de inwoner aan de voorwaarden voor bijzondere bijstand voldoet, dan kan hij in aanmerking komen voor bijzondere bijstand. Voldoet de inwoner niet aan de voorwaarden, dan kan hij toch in aanmerking komen voor bijzondere bijstand als er sprake is van ‘zeer dringende redenen’ (artikel 16 van de wet).

 

Vaste rechtspraak is namelijk dat sprake is van zeer dringende redenen als er een acute noodsituatie is en de behoeftige omstandigheden van belanghebbende op geen enkele andere manier is te verhelpen. Het verlenen van bijstand moet onvermijdelijk zijn. Deze rechtspraak is gebaseerd op de wetsgeschiedenis van de voorganger van artikel 16 lid 1 Pw in de Algemene Bijstandswet, Stb. 1963, 284. Vaste rechtspraak is ook dat een noodsituatie acuut is als het gevolg een:

  • levensbedreigende situatie is of

  • blijvend ernstig psychisch of lichamelijk letsel of invaliditeit is.

De CRvB heeft nu namelijk anders bepaald in ECLI:NL:CRVB:2023:985. Bij de vraag of sprake is van zeer dringende redenen speelt ook een rol of het niet verlenen van bijstand voor belanghebbende tot ernstige gevolgen leidt. En dan met name voor zijn/haar gezondheid. De CRvB motiveert nu dat je uit de wetsgeschiedenis van de (voorganger) van artikel 16 lid 1 Pw kan afleiden dat een acute noodsituatie niet alleen beperkt is tot bovenstaande situaties. Dit is dus anders dan waar eerdere rechtspraak van uitgaat.

4. Veel voorkomende kosten

Voor een aantal veelvoorkomende kostensoorten gelden bijzondere regels. Zie paragraaf 4.1 tot en met 4.23.

 

Let op: de voorwaarden voor bijzondere bijstand gelden voor al deze kostensoorten. Dat betekent dat de inwoner in aanmerking komt voor bijzondere bijstand als aan de voorwaarden uit hoofdstuk 1 en 2 is voldaan. Soms gelden er bijzondere regels voor de noodzaak van de kosten of de invulling van bijzondere omstandigheden of de draagkracht. Dit wordt per kostensoort aangegeven.

 

4.1a Bijstand voor jongeren van 18 tot en met 20 jaar, zelfstandig wonend

Omschrijving van de kosten

Bijzondere bijstand is mogelijk voor de jongere van 18 tot en met 20 jaar die zelfstandig woont en niet genoeg inkomen heeft om in de kosten van levensonderhoud te voorzien. Artikel 12 P-wet geeft ruimte om aanvullende bijzondere bijstand voor de kosten van levensonderhoud te geven als de ouder(s) financieel niet willen of kunnen bijdragen. De kostendelersnorm wordt ook bij deze vorm van bijzondere bijstand niet toegepast.

 

Er zijn drie groepen jongeren te onderscheiden:

  • 1.

    De jongere die door omstandigheden noodzakelijk zelfstandig woont en niet genoeg eigen inkomsten heeft.

  • 2.

    De jongere die door omstandigheden noodzakelijk zelfstandig woont en een bijstandsuitkering ontvangt.

  • 3.

    De studerende jongere die door omstandigheden noodzakelijk zelfstandig woont en waarbij de basis toelage tegemoetkoming scholieren (WTOS) niet genoeg is om in de kosten van levensonderhoud te voorzien.

Voorliggende voorzieningen

Ouders zijn tot het 21ste levensjaar onderhoudsplichtig voor hun kinderen. De jongere moet zijn ouders eerst om een bijdrage vragen voordat bijzondere bijstand een optie is. Dit is niet altijd mogelijk. De bijstandsuitkering voor de jongere is laag. Hiermee kan niet worden voorzien in de kosten van levensonderhoud. De basistoelage WTOS is bedoeld voor de kosten van levensonderhoud en hangt niet af van het inkomen. De aanvullende toelage hangt wel af van het inkomen en is bedoeld voor school en boekengeld.

 

Recht op bijzondere bijstand

Er is in ieder geval recht op aanvullende bijzondere bijstand als:

  • de ouders van de jongere in het buitenland wonen en niet bereikbaar zijn;

  • de ouders van de jongere zijn overleden

Er kan recht op aanvullende bijzondere bijstand zijn als:

  • De relatie tussen de jongere en de ouders ernstig is verstoord (een grondig onderzoek door de consulent is nodig, informatie van hulpverlener en/of wederhoor bij de ouders).

  • De jongere al geruime tijd zelfstandig woont en in redelijkheid niet verwacht kan worden dat hij terug gaat naar de ouders (onderhoudsplicht geldt dan wel).

  • Andere situaties die het zelfstandig wonen noodzakelijk maken.

De opsomming is niet limitatief. De rechter heeft beleid waarin de bijzondere bijstand zich beperkt tot bepaalde situaties afgekeurd.

 

De bijzondere bijstand kan volgens artikel 12 van de P-wet gegeven worden aan:

  • alleenstaanden van 18 tot en met 20 jaar;

  • alleenstaande ouders van 18 tot en met 20 jaar;

  • gehuwden waarvan één van beide partners 18 tot en met 20 jaar is.

Bewijs

Het onderzoek naar het recht op bijzondere bijstand is gelijk aan het onderzoek voor een aanvraag voor een bijstandsuitkering volgens de P-wet.

 

Hoogte bijzondere bijstand

De hoogte van de bijzondere bijstand is het verschil tussen de basistoelage WTOS of de norm waar recht op is volgens de leeftijd en de norm waarop recht zou bestaan als de jongere of beide partners 21 jaar zouden zijn (artikel 21 en 22a P-wet) min 15% van de norm. Het verschil tussen het minimum jeugdloon en de bijstandsuitkering is anders te groot en de stimulans om te gaan werken te klein. De eventuele bijdrage van de ouders die de jongere zelf ontvangt en de inkomsten van de jongere houden wij in op de bijstand.

 

Ingangsdatum

Gelijk aan de beoordeling voor de bijstandsuitkering.

 

Vorm bijzondere bijstand

  • om niet

  • belastbare bijzondere bijstand

  • verhaal op onderhoudsplichtige ouders

De Participatiewet in balans

In de nieuwe Participatie heeft de wetgever besloten de norm voor aanvullende bijstand voor jongeren tot 21 jaar te harmoniseren en deze aanvullende norm via de algemene bijstand te verstrekken in plaats van via de bijzondere bijstand. In de nieuwe Participatiewet wordt de norm dus geharmoniseerd, waarbij ruimte blijft om af te wijken indien noodzakelijk (art. 18 lid 1 Participatiewet). De wetgever heeft gekozen voor een normbedrag waardoor de optelsom van algemene bijstand plus aanvulling op basis van het voorgestelde normbedrag terecht komt op een waarde vergelijkbaar met 90% van het netto inkomen van een 18-jarige op basis van wettelijk minimum jeugdloon met een 36-urige werkweek (€ 929,68, inclusief vakantiebijslag). Het voorgestelde normbedrag voor aanvullende algemene bijstand is één vast bedrag, te weten € 634,48 netto per maand (peildatum: 1 januari 2023). Gemeenten kunnen hiervan afwijken, met dien verstande dat het totale bedrag aan algemene bijstand

inclusief de aanvulling nooit hoger kan zijn dan de bijstandsnorm voor personen van 21-jaar en ouder in een vergelijkbare situatie.

 

In de nieuwe wet is de volgende tekst opgenomen:

“Aan artikel 20 wordt twee leden toegevoegd, luidende:

  • 3.

    Voor belanghebbenden van 18, 19 of 20 jaar verhoogt het college de norm met een bedrag van € 634,48, indien die belanghebbende voor de kosten van levensonderhoud geen beroep kan doen op zijn ouders, omdat:

    • a.

      de middelen van de ouders daartoe niet toereikend zijn; of

    • b.

      deze persoon redelijkerwijs het onderhoudsrecht jegens de ouders niet te gelde kan maken.

  • 4.

    De norm, bedoeld in het derde lid, in combinatie met de normen, bedoeld in het eerste en tweede lid, is niet hoger dan de norm, bedoeld in artikel 21, die geldt voor een 21-jarige of ouder, doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, in een vergelijkbare situatie.”

NB

De beleidsregels vervat in paragraaf 4.1a worden ingetrokken met ingang van de datum waarop artikel 20, de leden 3 en 4, van de Participatiewet in balans in werking treden.

 

Beleidsregels kunnen alleen in werking treden (of worden ingetrokken) na bekendmaking (artikel 3:40 Awb). Je mag in de regeling opnemen dat de intrekking pas van kracht wordt bij een toekomstige gebeurtenis, zoals de inwerkingtreding van een wet. Dit voorkomt dat je beleidsregels voortijdig intrekt, terwijl de wet nog niet in werking is getreden.

Dit is verstandig, omdat:

  • Het voorkomt een regulatoir vacuüm: een situatie waarin er tijdelijk geen regeling van toepassing is.

  • Het biedt rechtszekerheid voor burgers en bedrijven.

  • Het is bestuurlijk zorgvuldig en voorkomt verwarring over de geldende regels.

4.1b Bijzondere bijstand voor jongeren van 18 tot en met 20 jaar in een inrichting

Omschrijving van de kosten

Jongeren van 18, 19 of 20 jaar die in een inrichting verblijven hebben geen recht op de bijstandsuitkering volgens artikel 13 lid 2 onder a van de P-wet. De wetgever is van mening dat het geven van bijzondere bijstand in deze situatie geschikter is dan het geven van een uitkering voor levensonderhoud. Het gaat bij verblijf in een inrichting om kosten waarin de inrichting niet voorziet. Voor personen van 21 jaar en ouder is er een aparte norm bij verblijf in een inrichting. De kostendelersnorm wordt ook bij deze vorm van bijzondere bijstand niet toegepast. Ouders zijn tot het 21ste levensjaar onderhoudsplichtig voor hun kinderen.

 

Deze paragraaf heeft tot doel om duidelijkheid te bieden over de verstrekking van bijzondere bijstand aan jongeren van 18 tot en met 20 jaar die verblijven in een inrichting en geen recht hebben op algemene bijstand op grond van artikel 13 lid 2 sub a van de Participatiewet.

 

De doelgroep betreft jongeren van 18 tot en met 20 jaar die:

  • verblijven in een inrichting zoals bedoeld in artikel 1 sub f van de Participatiewet;

  • geen of onvoldoende beroep kunnen doen op hun ouders voor de noodzakelijke kosten van het bestaan, bijvoorbeeld wegens:

    • overlijden van de ouders;

    • plaatsing buiten het gezin op grond van de Jeugdwet;

    • onvindbaarheid of onbereikbaarheid van de ouders;

    • een ernstig verstoorde ouder-kindrelatie.

Indien de inrichting voorziet in zak- en kleedgeld, wordt dit beschouwd als een toereikende voorliggende voorziening in de zin van artikel 15 van de Participatiewet. In dat geval wordt geen bijzondere bijstand verstrekt voor deze kosten.

 

Indien bijzondere bijstand wordt verstrekt voor zak- en kleedgeld, wordt de hoogte bepaald op basis van:

  • de norm voor personen van 21 jaar of ouder die in een inrichting verblijven (artikel 23 lid 1 sub a Participatiewet), vermeerderd met het bedrag genoemd in artikel 23 lid 2 sub a;

  • kinderbijslag of andere middelen die voor de jongere beschikbaar zijn, worden in mindering gebracht op de bijzondere bijstand.

De bijzondere bijstand wordt in beginsel om niet verstrekt, tenzij sprake is van een situatie waarin een lening passend is op grond van artikel 48 van de Participatiewet.

Wordt bijzondere bijstand verstrekt voor zak- en kleedgeld? Dan moet over dit bedrag belastingen en premies worden betaald.

 

Naast zak- en kleedgeld kan ook bijzondere bijstand worden verleend voor:

  • bewindvoeringskosten (indien noodzakelijk en aantoonbaar);

  • eventueel: aanvullende kosten zoals reiskosten of communicatiekosten, mits onderbouwd.

De aanvraag wordt individueel beoordeeld. De jongere of diens vertegenwoordiger dient aan te tonen dat:

  • er sprake is van noodzakelijke kosten van het bestaan;

  • er geen toereikende voorliggende voorziening is;

  • er geen of onvoldoende draagkracht is bij de ouders.

4.1c Normwijziging verblijf in inrichting

Omschrijving van de kosten

Dit onderdeel geeft een richtlijn voor het moment waarop de norm bij verblijf in inrichting ingaat. Opnames in een inrichting kunnen kort zijn of kunnen vaker achter elkaar plaatsvinden. Het is niet wenselijk om de norm steeds meteen om te zetten en bijzondere bijstand te beoordelen voor de vaste lasten. Wij gebruiken daarom een richtlijn voor het moment waarop de norm bij verblijf in inrichting ingaat. Hierbij wordt maatwerk geleverd als de omstandigheden van het geval erom vragen.

 

Als de inrichting buiten de gemeente is, is er sprake van ‘ tijdelijk verblijf buiten de gemeente’. De algemene en eventueel bijzondere bijstand blijven wij geven vanuit onze gemeente zolang terugkeer naar de woning een reële optie is. Hierover kan informatie worden opgevraagd, bijvoorbeeld een behandelplan.

 

Aanpassing van de norm bij opname in een inrichting vindt als volgt plaats:

  • Bij kortdurende opnames, die doorgaans betrekking hebben op een verblijf in een algemeen ziekenhuis, wordt de bestaande norm ongewijzigd voortgezet.

  • Duurt het verblijf langer dan drie maanden, dan wordt de bijstand na 3 maanden vanaf de opnamedatum aangepast. De normering van artikel 23 P-wet is dan van toepassing.

  • In het laatste geval wordt tevens bezien of er aanleiding is om bijzondere bijstand te verstrekken in de woonlasten. Hierbij moet wel rekening worden gehouden met de lagere verbruikslasten. De betreffende leverancier moet benaderd worden met een verzoek om herziening van het voorschotbedrag.

  • Indien al direct duidelijk is dat er sprake is van een permanente opname dan wordt de norm direct overeenkomstig artikel 23 Participatiewet vastgesteld.

Het komt regelmatig voor dat het verblijf in een inrichting gecombineerd wordt met een beperkt verblijf elders. Dit zal doorgaans het geval zijn in de weekends. Bijvoorbeeld een alleenstaande brengt de weekends door bij ouders of partner.

De norm voor zak- en kleedgeld voorziet niet in de kosten van voeding, huisvesting, verwarming of onderhoud van een woning. Omdat het gaat om algemene kosten kan hiermee rekening gehouden worden door tijdens de weekends de bijstand te baseren op de norm die geldt bij het niet verblijven in een inrichting.

Voorbeeld: een alleenstaande verblijft gedurende 5 dagen per week in de inrichting en 2 dagen per week thuis. De uitkering is dan als volgt:

  • 5/7 x bijstandsnorm bij verblijf in inrichting + 2/7 x norm alleenstaande (kostendelersnorm is van toepassing).

Richtlijn: een weekend bestaat uit drie dagen indien de klant vrijdag vóór 12 uur vertrekt uit de inrichting en zondag ná 12 uur weer terugkeert.

 

4.1d Doorbetaling vaste lasten bij verblijf in inrichting en detentie

Bij een opname in een inrichting is de norm voor zak- en kleedgeld van toepassing. Het betalen van de vaste lasten (huur, energie, water) kan niet uit deze lage norm. Als de woning niet is opgezegd, lopen deze kosten gewoon door.

In artikel 1, sub j, van de Participatiewet wordt onder inrichting het navolgende verstaan:

  • een instelling die zich blijkens haar doelstelling en feitelijke werkzaamheden richt op het bieden van verpleging of verzorging aan aldaar verblijvende hulpbehoevenden;

  • een instelling die zich blijkens haar doelstelling en feitelijke werkzaamheden richt op het bieden van slaapgelegenheid, waarbij de mogelijkheid van hulpverlening of begeleiding gedurende meer dan de helft van ieder etmaal aanwezig is.

Als het gaat om een tijdelijke opname waarbij de intentie is dat de aanvrager na opnameperiode terugkeert naar de woning, kan bijzondere bijstand verstrekt voor de volgende kosten:

  • -

    de huur (na aftrek huurtoeslag);

  • -

    nota gas en elektriciteit (eventueel rekening houden met verlaagd voorschotbedrag);-

  • -

    nota water (omgerekend naar maandbedrag);-

  • -

    premie inboedelverzekering (omgerekend naar maandbedrag);

  • -

    afvalstoffenheffing (omgerekend naar maandbedrag)

  • -

    basisabonnement tv/internet indien aanvrager in weekend naar huis gaat.

Het netto inkomen hoger dan de van toepassing zijnde bijstandsnorm wordt geheel meegerekend in de draagkrachtberekening

 

Ingangsdatum

De bijzondere bijstand wordt verstrekt vanaf het moment dat de klant een inkomen naar zak- en kleedgeldnorm krijgt.

 

Deels in inrichting, deels thuis

Het komt regelmatig voor dat het verblijf in een inrichting gecombineerd wordt met een beperkt verblijf elders. Dit zal doorgaans het geval zijn in de weekends. Bijvoorbeeld een alleenstaande brengt de weekends door bij ouders of partner.

De norm voor zak- en kleedgeld voorziet niet in de kosten van voeding, huisvesting, verwarming of onderhoud van een woning. Omdat het gaat om algemene kosten kan hiermee rekening gehouden worden door tijdens de weekends de bijstand te baseren op de norm die geldt bij het niet verblijven in een inrichting.

Voorbeeld: een alleenstaande verblijft gedurende 5 dagen per week in de inrichting en 2 dagen per week thuis. De uitkering is dan als volgt:

  • 5/7 x bijstandsnorm bij verblijf in inrichting + 2/7 x norm alleenstaande (kostendelersnorm is van toepassing).

Richtlijn: een weekend bestaat uit drie dagen indien de klant vrijdag vóór 12 uur vertrekt uit de inrichting en zondag ná 12 uur weer terugkeert.

 

Duur bijstand

De bijzondere bijstand duurt maximaal 6 maanden. Deze periode kan worden verlengd met maximaal 6 maanden, als het volgens de gemeente nodig is om het verblijf in de inrichting te verlengen.

 

De bijzondere bijstand wordt maandelijks betaald.

 

Detentie

Ingevolge artikel 13 lid 1sub a Participatiewet heeft geen recht op bijstand degene aan wie rechtens zijn vrijheid is ontnomen. Voor de kosten van het aanhouden van woning in de periode van detentie, kan daarom geen bijzondere bijstand worden verstrekt. Het is de eigen verantwoordelijkheid van belanghebbende om eventueel een regeling te treffen.

 

Wanneer tijdens de detentieperiode iemand geen middelen heeft om de woonlasten te betalen, bestaat de kans dat diegene zijn of haar woning verliest. Omdat het niet maatschappelijk gewenst is dat (ex-)gedetineerden na een korte detentieperiode geen beschikking meer hebben over een zelfstandige woning, kan onder bepaalde voorwaarden bijzondere bijstand worden verstrekt. Dit is buitenwettelijke gemeentelijke beleid.

 

Onder woonlasten wordt het volgende verstaan: bij een huurwoning de kosten van huur minus de eventuele huurtoeslag en bij een woning in eigendom de hypotheekrente verminderd met de voorlopige teruggave van belastingen. De voorschotnota’s voor gas, licht en water vallen ook onder de woonkosten verstaan de periodieke kosten voor aanhouden van de woning (de huur).

 

Voorwaarden

  • -

    de bijzondere bijstand wordt voor een detentieperiode van maximaal 3 maanden toegekend (mag ook over meerdere, kortere detentieperiodes tot totaal drie maanden);

  • -

    alle financiële reserves dienen te worden aangewend om de woonkosten zelf te betalen. De vermogensvrijlating als bedoeld in artikel 34 van de wet is daarom niet van toepassing;

  • -

    het netto inkomen hoger dan de van toepassing zijnde bijstandsnorm wordt geheel meegerekend in de draagkrachtberekening.

NB De eerste voorwaarde moet aldus worden uitgelegd, dat ingeval de detentie langer dan drie maanden duurt geen bijzondere bijstand kan worden toegekend in de kosten van doorbetaling vaste lasten.

 

De bijzondere bijstand wordt maandelijks betaald.

 

4.1e Bijzondere bijstand bij gedwongen opname (Wvggz/Wzd)

  • 1.

    Doelgroep

    Deze beleidsregel is van toepassing op personen die:

    • -

      Gedwongen zijn opgenomen op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) of de Wet zorg en dwang (Wzd);

    • -

      Rechtens van hun vrijheid zijn beroofd;

    • -

      Geen of onvoldoende middelen van bestaan hebben.

  • 2.

    Recht op bijstand

    Conform artikel 13 lid 3 Participatiewet behouden personen die rechtens van hun vrijheid zijn beroofd het recht op bijstand, mits zij aan de overige voorwaarden voldoen.

  • 3.

    Voorliggende voorzieningen

    De kosten van verblijf in de instelling worden vergoed via de Zorgverzekeringswet (Zvw) of de Wet langdurige zorg (Wlz).

    Er is geen voorliggende voorziening voor algemene bestaanskosten zoals kleding, zakgeld of persoonlijke uitgaven.

    Voor personen jonger dan 21 jaar geldt de onderhoudsplicht van ouders (Burgerlijk Wetboek).

  • 4.

    Bijzondere bijstand

    Bijzondere bijstand kan worden verstrekt voor noodzakelijke kosten die voortvloeien uit de opname en niet uit de normbedragen kunnen worden voldaan.

     

    De hoogte van de bijstand is gebaseerd op:

    • -

      Artikel 23 Participatiewet voor personen van 21 jaar en ouder;

    • -

      Artikel 20 lid 1 onder a en b Participatiewet voor personen van 18 tot en met 20 jaar;

    • -

      Inclusief de toeslag op grond van artikel 23 lid 2 Participatiewet.

  • 5.

    Bewijs en maatwerk

    De aanvrager dient een bewijs van opname te overleggen (bijv. beschikking of verklaring van de instelling).

    Indien het overleggen van bewijs niet tijdig lukt, wordt maatwerk toegepast op basis van de omstandigheden.

  • 6.

    Vorm van de bijstand

    De bijzondere bijstand wordt in beginsel om niet verstrekt.

    Bij jongeren tot 21 jaar kan verhaal op onderhoudsplichtige ouders plaatsvinden.

    De bijstand is in beginsel belastbaar.

  • 7.

    Inlichtingenplicht

    De algemene inlichtingenplicht uit de Participatiewet is van toepassing

4.2 Medische kosten

Voor vergoeding van noodzakelijke medische en paramedische kosten kan de inwoner een beroep doen op de Zorgverzekeringswet (ZVW) en de Wet langdurige zorg (Wlz). Bovendien kan de inwoner deelnemen aan de collectieve zorgverzekering. Het is daarom niet nodig om voor medische kosten bijzondere bijstand te verstrekken. De gemeente verleent ook geen bijstand voor:

  • medische behandelingen met een experimenteel karakter;

  • behandelingen of verrichtingen in het buitenland;

  • het verplichte en vrijwillige eigen risico en de eigen bijdrage* op grond van de ZVW;

  • de premie van de basis- of aanvullende zorgverzekering op grond van de ZVW;

  • medische kosten, als de inwoner niet (verplicht) verzekerd is op grond van de ZVW; en voor

  • medische kosten die niet worden vergoed op grond van de ZVW of de Wlz.

*Voor sommige zorgkosten uit het basispakket moet de verzekerde een eigen bijdrage betalen (artikelen 2.30 t/m 2.37 Regeling Zorgverzekeringswet). Dit kan een vast bedrag zijn. Een percentage van de kosten. Of een bijbetaling. De eigen bijdrage geldt bijvoorbeeld voor kraamzorg en hoortoestellen. Zowel eigen bijdragen als het eigen risico op grond van de ZVW komen niet in aanmerking voor bijzondere bijstand.

 

Het bedrag van het verplichte eigen risico kan worden meeverzekerd met het pakket Compleet+.

De klant heeft ook een andere optie. Als de klant verwacht het eigen risico voor een kalenderjaar op te maken, en hij niet in één keer een groot bedrag wil betalen, dan kan hij zijn eigen risico in tien termijnen gespreid betalen. Op de website van Univé kan hij hiertoe een verzoek indienen.

 

Bijzondere bijstand voor de kosten van het verplicht eigen risico is niet mogelijk. Deze kosten worden gerekend tot de incidenteel voorkomende algemene noodzakelijke kosten van het bestaan waarvoor gespaard kan worden van een bijstandsuitkering. Afwijking kan alleen bij zeer dringende redenen.

 

Het vrijwillig eigen risico is een keuze. Tegenover het eigen risico staat een lagere premie. Vergoeding van de kosten van het vrijwillige risico is niet mogelijk.

 

Dringende redenen

Bijstand voor medische kosten is niet mogelijk als de kosten bewust buiten de voorliggende voorziening zijn gelaten. Als er dringende redenen zijn kan er afgeweken worden van deze regel (artikel 16 P-wet). Voor meer informatie hierover worden jullie verwezen naar hoofdstuk 3 van deze beleidsregels. Ook het handboek van Schulinck bevat informatie over dit onderwerp.

 

4.2a Eigen bijdrage Wlz en eigen bijdrage Wmo

Er kan geen bijzondere bijstand worden verleend voor de eigen bijdrage Wmo en eigen bijdrage Wlz.

 

De eigen bijdrage voor zorg vanuit de Wlz of voor maatwerkvoorzieningen op grond van de Wmo 2015 wordt met toepassing van het Besluit langdurige zorg (Blz) respectievelijk het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 vastgesteld en is afhankelijk van het inkomen en vermogen van een belanghebbende. En dat is precies de reden dat bijzondere bijstand voor deze kosten niet aan de orde kan zijn. De afstemming van de hoogte van de eigen bijdrage op de individuele inkomenssituatie van een belanghebbende maakt dat eigen bijdragen voor Wlz-zorg en Wmo-maatwerkvoorzieningen altijd ‘financieel draagbaar’ zijn. En dat betekent weer dat de voorliggende voorzieningen (in dit geval dus de Wlz en de Wmo 2015) toereikend en passend zijn te achten. Aanvragen bijzondere bijstand voor deze eigen bijdragen kunnen dan ook worden afgewezen op grond van artikel 15 lid 1, eerste volzin, van de wet. Bevestiging voor dit standpunt kan gezocht worden in de jurisprudentie: CRvB 25-04-2017, nr. 15/7831 WWB (eigen bijdrage Wlz), en Rechtbank Overijssel 17-07-2017, nr. AWB 17/568 (eigen bijdrage Wmo). Bijstandsverlening voor deze eigen bijdrage bijdragen zou dan alleen aan de orde kunnen zijn in geval van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16 van de wet.

 

4.2b Niet of niet genoeg verzekerd

Iedere Nederlander is verplicht om een basisverzekering voor ziektekosten af te sluiten. Als iemand niet verzekerd is kan diegene een boete krijgen. Het is niet verplicht om een aanvullende verzekering af te sluiten. Dit is een eigen keuze. Het afsluiten van een aanvullende verzekering wordt wel tot de verantwoordelijkheid van de belanghebbende gerekend. Gelet op het inkomen is het onverantwoord om niet aanvullend verzekerd te zijn. Hoge (onverwachte) zorgkosten zijn moeilijk op te vangen met een inkomen op bijstandsniveau.

 

Wanneer de inwoner niet of niet goed genoeg verzekerd is en een beroep doet op de bijzondere bijstand voor kosten die hij hierdoor heeft, kan er een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid zijn. De aanvraag kan worden afgewezen omdat er een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid is. De bijzondere bijstand kan worden gegeven in de vorm van een lening (artikel 48 lid 2 onder b van de wet) als de kosten op medische gronden wel noodzakelijk en niet uit te stellen zijn.

 

Als het niet hebben van een verzekering niet verwijtbaar is, kan er bijzondere bijstand worden gegeven voor kosten die medisch gezien noodzakelijk zijn.

 

Voorwaarde van schuldhulpverlening bij premieachterstand

Als er een premieachterstand is waardoor er geen aanvullende verzekering kan worden afgesloten, dan is het zo snel mogelijk oplossen van de achterstand van belang. Zo kan de belanghebbende zo snel mogelijk weer voldoende verzekerd zijn en kan een beroep op bijzondere bijstand voor medische kosten in de toekomst worden voorkomen.

 

Toelating tot de aanvullende verzekering is niet mogelijk zolang belanghebbende geregistreerd staat bij het Zorginstituut Nederland. Bij de start van een schuldenregeling wordt de registratie ongedaan gemaakt en is het afsluiten van een aanvullende zorgverzekering weer mogelijk. Voorwaarde is wel dat de gehele schuld moet zijn afbetaald c.q. gesaneerd. Dit kan wel per zorgverzekeraar verschillen. Het is dus raadzaam om dit even te checken bij de desbetreffende zorgverzekeraar. Het afsluiten van een aanvullende zorgverzekering kan vaak niet gedurende het kalenderjaar, maar alleen in november/december.

 

Aan het toekennen van de bijzondere bijstand in deze gevallen, moet daarom de verplichting verbonden worden om zelf de achterstand in te lopen en als dat niet mogelijk is hulp te zoeken. Wij verwijzen hiervoor naar schulphulpverlening. In de beschikking wordt opgenomen dat er bij een volgende aanvraag voor medische kosten, gecontroleerd wordt of er gebruik gemaakt is van schuldhulpverlening. Als dat niet het geval is kan dat een reden zijn voor afwijzing van de aanvraag.

 

Vrije keuze voor verzekeraar – vergoeding conform pakket Compact

Iedereen is vrij in de keuze van de zorgverzekering en het aanvullende pakket. Wij verwachten dat er een aanvullende verzekering wordt gekozen. Als de aanvullende verzekering minder vergoed dan het pakket compact van Univé, dan kan de vergoeding aangevuld worden tot de hoogte van de vergoeding die gegeven wordt volgens het pakket compact.

 

4.3a Kosten met een medische kant

Kledingslijtage en bewassing

Het is mogelijk dat een inwoner extra kosten moet maken voor het wassen of aanschaffen van kleding, als gevolg van een ziekte of beperking. Die inwoner kan in aanmerking komen voor bijzondere bijstand als aan de voorwaarden is voldaan. De gemeente vraagt medisch advies aan om vast te stellen of de inwoner vaker dan gemiddeld kleding moet aanschaffen of moet wassen. Voor het vaststellen van de extra kosten sluit de gemeente aan bij de normbedragen voor waskosten uit de Nibud-prijzengids. De gemeente gaat ervan uit dat ouders van kinderen tot 4 jaar geen extra kledingkosten voor die kinderen maken.

 

Ouders met een thuiswonend gehandicapt kind van 3 tot 18 jaar oud hebben recht op dubbele kinderbijslag als voor het kind een CIZ-indicatie is afgegeven. De dubbele kinderbijslag is een voorliggende voorziening voor de extra kosten voor kleding, schoenen en/of beddengoed.

De mogelijke aftrek bij de belastingdienst wordt niet als voorliggende voorziening beschouwd.

De duur van de periodieke bijzondere bijstand hangt af van de duur van de indicatie. Afhankelijk van de individuele situatie wordt er na een jaar een heronderzoek gedaan naar de verhoogde kosten.

 

Dieetkosten

Extra kosten voor een noodzakelijk dieet worden niet vergoed door de zorgverzekering. De gemeente kan bijzondere bijstand voor dieetkosten verstrekken als aan de voorwaarden is voldaan. De gemeente vraagt medisch advies aan om vast te stellen of de inwoner een speciaal dieet moet volgen en daar extra kosten voor moet maken. Voor het vaststellen van de extra kosten sluit de gemeente aan bij de normbedragen voor voeding uit de Nibud-prijzengids.

 

Stookkosten

Het kan nodig zijn dat de inwoner zijn woning extra moet verwarmen als gevolg van ziekte of beperking. De gemeente kan bijzondere bijstand voor die extra kosten verstrekken als aan de voorwaarden is voldaan. De gemeente vraagt medisch advies aan om vast te stellen of de inwoner de woning extra moet verwarmen. Is het nodig dat de inwoner de woning extra verwarmt? Dan gaat de gemeente ervan uit dat die extra kosten per graad warmer 7% bedragen van de normbedragen voor verwarming per huishouden uit de Nibud-prijzengids.

 

4.3b Kosten in verband met gezondheid

Extra kosten maaltijdvoorziening

De extra kosten van de warme maaltijd ten opzichte van de prijzen in de NIBUD-prijzengids.

Hoogte, duur en betaling bijzondere bijstand

  • De hoogte is gelijk aan de extra kosten ten opzichte van de Nibudprijzengids. Dit om te voorkomen dat er maaltijden afgenomen worden van leveranciers die hoge prijzen rekenen.

  • Wat de duur betreft waarvoor bijzondere bijstand kan worden verleend, wordt verwezen naar paragraaf 2.2.

  • De bijzondere bijstand wordt op declaratiebasis betaald.

  • Als de kosten maandelijks hetzelfde zijn, kan de bijzondere bijstand als periodieke bijstand per maand worden betaald, zonder dat er nota’s ingeleverd hoeven te worden. Er wordt dan één keer per jaar onderzoek gedaan naar de hoogte van de kosten. Dit wordt op initiatief van de consulent gedaan. Zolang er niets veranderd hoeft te worden, is een nieuwe beschikking niet nodig.

De bijzondere bijstand wordt om niet gegeven.

 

Pedicurekosten

 

Voorwaarden

De gemeente kan bijzondere bijstand voor pedicurekosten toekennen onder de volgende voorwaarden:

 

  • De pedicurebehandeling moet medisch noodzakelijk zijn. Dit moet worden aangetoond met een verklaring van een arts, podotherapeut of medisch specialist.

  • De kosten worden niet (volledig) vergoed via de basis- of aanvullende zorgverzekering.

  • De afwijzing of overzicht van de zorgverzekeraar dient te worden overgelegd.

  • De kosten moeten aantoonbaar zijn middels een offerte of factuur van een erkende

  • pedicurepraktijk.

  • De kosten kunnen niet op een andere manier worden vergoed.

  • Alleen de behandelingen van een erkende pedicure worden vergoed.

Kenmerken van een erkende pedicure

 

Registratie bij ProVoet of Stipezo

 

ProVoet is de landelijke brancheorganisatie voor pedicures. Een pedicure die hierbij is aangesloten, voldoet aan bepaalde kwaliteitsnormen.

 

Stipezo is een stichting die medische pedicures certificeert.

 

Een erkende pedicure heeft een AGB-code (Algemeen GegevensBeheer-code), waarmee zorgverzekeraars kunnen controleren of de behandelaar bevoegd is.

Een erkende pedicure toont vaak haar diploma’s (bijv. Medisch Pedicure) en certificaten in de praktijk of op de website.

 

Je kunt erkende pedicures vinden via:

 

Hoogte vergoeding

 

De gemeente vergoedt maximaal tien pedicurebehandelingen per kalenderjaar jaar tot een maximumbedrag van € 30,- per behandeling .

 

Abonnement Wonen Plus Welzijn

Als veel praktische zaken niet zo gemakkelijk meer gaan is een helpende hand vaak welkom. Voor een klein bedrag per maand kan de klant een Thuisabonnement afsluiten. Hiermee is het mogelijk gebruik te maken van de hieronder vermelde diensten, die worden uitgevoerd door deskundige vrijwilligers.

 

Mogelijkheden van ondersteuning

  • klein onderhoud in de tuin

  • klussen in en om huis

  • boodschappen

  • belastingopgave

  • administratie

  • formulieren

  • computer

  • medicijnbezorging

  • vervoer

  • het aanvragen van maaltijden thuis

  • informatie en advies over wonen, welzijn en zorg (ook een afspraak bij u thuis is mogelijk).

De kosten zijn niet hoog (rondom de € 5,00 per maand).

 

Geen bijzondere bijstand

Voor deze kosten wordt geen bijzondere bijstand verleend. Deze beleidskeuze is gebaseerd op de volgende overwegingen:

  • -

    Volgens artikel 35 van de Participatiewet is bijzondere bijstand bedoeld voor noodzakelijke kosten van het bestaan die voortkomen uit bijzondere omstandigheden en die niet uit eigen middelen kunnen worden betaald. De diensten binnen het Thuisabonnement (zoals hulp bij administratie, vervoer, tuinonderhoud, etc.) zijn nuttig en ondersteunend, maar worden doorgaans niet als strikt noodzakelijk aangemerkt in juridische zin.

  • -

    Het gaat hier om algemeen gebruikelijke kosten. Kosten die veel mensen zelf dragen en die niet uitzonderlijk zijn, komen niet in aanmerking voor bijzondere bijstand. Een abonnement op welzijnsdiensten valt hier doorgaans onder, net als bijvoorbeeld kosten voor een telefoonabonnement of lidmaatschap van een vereniging. Bijzondere bijstand is niet bedoeld voor algemeen gebruikelijke uitgaven die binnen het bestedingspatroon van de doelgroep passen.

4.4 Woonkosten

Woonkosten moet de inwoner uit het maandelijkse inkomen betalen. Soms is dat lastig, omdat de kosten hoog zijn en er geen huurtoeslag mogelijk is. Onder bepaalde voorwaarden kan de inwoner dan in aanmerking komen voor bijzondere bijstand.

 

Woonkostentoeslag bij huur

Voor de huur van een woning kan de inwoner in principe huurtoeslag krijgen. Bijzondere bijstand is daarom meestal niet mogelijk. In twee situaties is dat anders. De gemeente kan bijzondere bijstand in de vorm van woonkostentoeslag verstrekken, als de inwoner geen huurtoeslag kan krijgen:

  • a.

    over de eerste maand huur; of

  • b.

    omdat de huur te hoog is.

Eerste maand huur

Huurtoeslag gaat in op de eerste dag van de maand, mits de inwoner op die eerste dag al op dat adres was ingeschreven. Anders gaat de huurtoeslag een maand later in. Als dat het geval is, kan de gemeente bijzondere bijstand verstrekken ter hoogte van de niet ontvangen huurtoeslag over de gebroken eerste maand, vanaf de dag van inschrijving.

 

Te hoge huur

Als huurtoeslag niet mogelijk is omdat de huur te hoog is, kan de gemeente bijzondere bijstand in de vorm van woonkostentoeslag verstrekken.

De gemeente berekent de woonkostentoeslag als volgt:

  • welke huurtoeslag kan maximaal worden verkregen voor deze woning, met deze huur? Dat bedrag kan als bijzondere bijstand worden verstrekt;

  • hoeveel hoger dan de maximale huurgrens voor de huurtoeslag is de huur van deze woning? Voor die hogere huur kan dan ook bijzondere bijstand worden verstrekt.

  • beide bedragen worden opgeteld en samen als woonkostentoeslag verstrekt.

Onder ‘huur’ verstaan we de rekenhuur huur. Dat is de huur die voor de huurtoeslag meetelt. Zie ook: https://www.belastingdienst.nl/wps/wcm/connect/nl/huurtoeslag/content/welke-huur-telt-mee-voor-huurtoeslag

 

De gemeente verstrekt de woonkostentoeslag voor maximaal 12 maanden. De inwoner is in die periode verplicht om:

  • a.

    actief te zoeken naar goedkopere woonruimte waarvoor wel recht bestaat op huurtoeslag;

  • b.

    als woningzoekende ingeschreven te staan bij minimaal twee woonruimteverdeelsystemen, bijvoorbeeld Woonmatch Kop van Noord-Holland;

  • c.

    een adviesgesprek aan te vragen bij de gemeente Hollands Kroon over wonen (team Woonurgentie/spoedzoekers); en

  • d.

    te handelen overeenkomstig het advies van het team Woonurgentie/spoedzoekers.

In het advies van het team Woonurgentie/spoedzoekers staat vermeld welke acties de inwoner kan ondernemen om zo snel mogelijk andere geschikte woonruimte te vinden.

De woonkostentoeslag kan met twaalf maanden worden verlengd wanneer de inwoner geen goedkopere woonruimte heeft gevonden en de gemeente vindt dat dit de inwoner niet te verwijten is. De consulent toets de aanvraag aan de criteria onder b, c en d.

 

De woonkostentoeslag kan telkens voor maximaal een jaar worden verlengd. Voor hoelang de woonkostentoeslag wordt gegeven, hangt af van de omstandigheden van het geval en is dus maatwerk. Er kan tijdelijk worden afgezien van de verplichting om goedkopere woonruimte te zoeken, als er bijzondere omstandigheden zijn.

 

In de volgende situaties wordt geen woonkostentoeslag toegekend:

  • De huur van een woning met een huurprijs boven de maximum huurprijs van de huurtoeslag, waarbij de woning geaccepteerd is tijdens een periode waarin de inwoner aangewezen was op een inkomen op of rond het sociaal minimum of op een tijdstip waarop reeds bekend was dat hij op termijn mogelijk aangewezen zou zijn op een inkomen op of rond het sociaal minimum.

  • Huur voor een niet zelfstandige wooneenheid (de huur van een kamer). Een zelfstandige wooneenheid is een woning met een eigen toegangsdeur, die van binnen en buiten op slot kan. In de woning moet op zijn minst aanwezig zijn: een eigen woon(slaap)kamer, een eigen keuken met aanrecht, aan- en afvoer voor water en een aansluitpunt voor een kooktoestel en een eigen toilet met waterspoeling.

  • De kosten verbonden aan het wonen in een stacaravan, pension, hotel of bed&breakfast. De huur wordt voor deze situaties uitdrukkelijk buiten de Wet op de huurtoeslag gelaten.

  • De situatie dat de huurtoeslag te laat is aangevraagd, waardoor de huurtoeslag niet wordt gekregen, of met ingang van een latere datum.

Het inkomen van de inwoner boven de bijstandsnorm telt volledig mee als draagkracht. Het vermogen boven de vermogensgrens telt volledig mee bij het berekenen van de woonkostentoeslag.

 

Woonkostentoeslag bij eigen woning

Een inwoner die een eigen huis bewoont kan geen huurtoeslag krijgen. De gemeente kan toch woonkostentoeslag verstrekken als:

  • a.

    het om een woning gaat waarvoor de inwoner huurtoeslag zou kunnen krijgen als die woning gehuurd was, los van de hoogte van de huur, en als

  • b.

    de woonkosten hoger zijn dan de basishuur die voor de woning van de inwoner geldt op grond van de Wet op huurtoeslag. De basishuur is een drempelbedrag. Zijn de woonkosten lager, dan kan geen woonkostentoeslag worden verstrekt.

De gemeente berekent de woonkostentoeslag op dezelfde manier als bij een huurwoning met hoge huur. De volgende woonkosten worden daarbij meegeteld:

  • a.

    de kosten van de hypotheekrente, na aftrek van de teruggaaf Inkomstenbelasting voor die kosten), en

  • b.

    de zakelijke lasten van de woning, zoals premie opstalverzekering en onroerende zaakbelasting.

  • c.

    onderhoudskosten van de woning.

De term "onderhoudskosten" verwijst hier naar de kosten die noodzakelijk zijn om de woning in bewoonbare staat te houden. Dit kan bijvoorbeeld gaan om:

  • groot onderhoud aan dak, gevel of fundering;

  • vervanging van installaties (zoals cv-ketel);

  • herstel van gebreken die de veiligheid of leefbaarheid beïnvloeden.

De onderhoudskosten voor de eigen woning zijn per 01-07-2012 voor het laatst gepubliceerd in Schulinck. Vanaf die datum worden de laatst gepubliceerde bedragen verhoogd met het percentage van de consumentenprijsindex. De geïndexeerde onderhoudskosten voor een eigen woning per juli 2025 bedragen ongeveer €157,07 per maand. Dit is gebaseerd op het oorspronkelijke bedrag van €110,00 per juli 2012, verhoogd met de jaarlijkse consumentenprijsindex (CPI) tot en met 2025. De geïndexeerde toeslag voor appartementen per juli 2025 bedraagt ongeveer €27,64 per maand. Dit komt bovenop de eerder berekende onderhoudskosten van €157,07, wat het totaal voor een appartement op €184,71 per maand brengt.

 

Om de woonkostentoeslag te kunnen berekenen zijn de volgende bewijsstukken nodig:

  • de akte van de hypotheek + bewijs van maandelijks te betalen rente;

  • de aanslag onroerende zaakbelasting (WOZ-beschikking);

  • de gegevens over het erfpachtcanon;

  • de aanslag waterschapsheffing, voor het eigenaarsdeel;

  • de rekening van de premie opstalverzekering;

  • de rekening van de vereniging van eigenaren;

  • de premies/subsidies die belanghebbende krijgt omdat hij een eigen huis heeft;

  • bewijs aanvraag voorlopige teruggave belastingdienst in geval dat er nog geen voorlopige teruggave is;

  • de beslissing voorlopige teruggave van de belastingdienst.

Als de teruggave van de belastingdienst volgens een voorlopige teruggave wordt ontvangen, dan wordt het direct op de hypotheekrente in mindering gebracht. Wordt er geen voorlopige teruggave ontvangen, dan wordt de aanvrager verplicht om de voorlopige teruggave alsnog aan te vragen, zodat het alsnog direct op de rente in mindering wordt gebracht.

 

Na vaststelling van de hoogte van de zakelijke lasten en onderhoudskosten van de woning, wordt de woonkostentoeslag net zoals bij “bijzondere bijstand voor huur” berekend. De hoogte van de woonkostentoeslag wordt herberekend per 1 juli van enig jaar omdat de hoogte van de huurtoeslag dan ook verandert.

 

De gemeente verstrekt de woonkostentoeslag voor maximaal 12 maanden. De inwoner is in die periode verplicht om:

  • a.

    actief te zoeken naar goedkopere woonruimte waarvoor wel recht bestaat op huurtoeslag;

  • b.

    als woningzoekende ingeschreven te staan bij minimaal twee woonruimteverdeelsystemen , bijvoorbeeld Woonmatch Kop van Noord-Holland;

  • c.

    een adviesgesprek aan te vragen bij de gemeente Hollands Kroon over wonen (team Woonurgentie/spoedzoekers); en

  • d.

    te handelen overeenkomstig het advies van het team Woonurgentie/spoedzoekers.

In het advies van het team Woonurgentie/spoedzoekers staat vermeld welke acties de inwoner kan ondernemen om zo snel mogelijk andere geschikte woonruimte te vinden.

 

De woonkostentoeslag kan alleen verlengd worden als de huurder zich maximaal heeft ingespannen om een andere woonruimte te zoeken en hiervan bewijs kan laten zien. De woonkostentoeslag kan telkens voor maximaal een jaar worden verlengd. Voor hoelang de woonkostentoeslag wordt gegeven, hangt af van de omstandigheden van het geval en is dus maatwerk.

Er kan tijdelijk worden afgezien van de verplichting om goedkopere woonruimte te zoeken als er bijzondere omstandigheden zijn.

 

De woonkostentoeslag is een maandelijks bedrag ‘om niet’ (als gift).

De woonkostentoeslag wordt in afwijking van het vorenstaande in de vorm van een lening verstrekt, indien de noodzaak van de kosten verwijtbaar is of als belanghebbende binnen een korte termijn over genoeg middelen beschikt (artikel 48 lid 2 sub a en b van de P-wet).

 

De bijzondere bijstand wordt niet ten laste van de krediethypotheek gebracht. Zie artikel 50 lid 2 van de P-wet. Dit is alleen mogelijk voor de bijstandsuitkering.

 

Het inkomen van de inwoner boven de bijstandsnorm wordt volledig meegeteld als draagkracht. Het vermogen boven de vermogensvrijlating telt volledig mee bij het berekenen van de woonkostentoeslag.

 

Verhuizing, eerste huisvesting, eerste huur, waarborgsom en administratiekosten

Bij verhuizing of eerste huisvesting moet de inwoner vaak extra woonkosten maken, zoals het betalen van een waarborgsom, vooruitbetaling van de eerste huur en administratiekosten. Deze kosten moeten uit het maandelijkse inkomen worden betaald. De inwoner kan (behalve in uitzonderlijke situaties) in principe niet in aanmerking komen voor bijzondere bijstand.

 

4.5 Uitvaartkosten

De kosten van een begrafenis of crematie moet de inwoner betalen uit de eventuele nalatenschap en een uitvaartverzekering van de overleden persoon. Als de inwoner de overblijvende kosten niet kan betalen, kan de gemeente bijzondere bijstand verstrekken, als de inwoner erfgenaam is en meebetaalt aan de uitvaart. Uitgangspunt is dat bijstand wordt verleend tot maximaal het erfrechtelijk deel van de overblijvende kosten. Voor de hoogte van de te vergoeden bedragen sluit de gemeente aan bij de bedragen zoals die in de actuele prijzengids van het Nibud staan en op de site van www.uitvaart.nl.

 

NB Er bestaat geen recht op bijzondere bijstand voor de kosten van of die te maken hebben met een begrafenis in het buitenland (territorialiteitsbeginsel).

 

De volgende kosten worden als noodzakelijk gezien:

  • legeskosten overlijdensakte

  • maximaal 50 rouwkaarten

  • het werk van de uitvaartverzorger

  • eenvoudige kist

  • grafrechten (voor een algemeen graf, niet voor een graf in eigendom)

  • rouwauto met maximaal 1 volgauto

  • opbaren in rouwcentrum

  • eenvoudige grafzerk

Als niet noodzakelijke kosten worden gezien:

  • rouwadvertentie

  • kosten eredienst en/of kosten voor de culturele en religieuze gewoontes

  • koffietafel etc.

Hoogte bijzondere bijstand

Zoals vermeld is uitgangspunt is dat bijstand wordt verleend tot maximaal het erfrechtelijk deel van de overblijvende kosten. Hiermee wordt het volgende bedoeld. De hoogte van de bijzondere bijstand is de hoogte van de bijdrage die belanghebbende moet leveren aan de crematie of begrafenis. Hierbij wordt rekening gehouden met het aantal personen die ook in aan de kosten moeten bijdragen vanwege hun band met de overledene. De berekening is dus: de hoogte van de kosten van de begrafenis/crematie gedeeld door het aantal personen die hierin bij dienen te dragen.

 

Vorm bijzondere bijstand

De bijzondere bijstand wordt om niet gegeven, tenzij de erfenis nog niet is vastgesteld. Uit de erfenis komen waarschijnlijk middelen. Er wordt in dat geval bijzondere bijstand in de vorm van een lening gegeven (art. 48, lid 2 onder a P-wet).

 

4.6 Duurzame gebruiksgoederen (huishoudelijke apparaten, meubels etc.)

De inwoner kan in aanmerking komen voor bijzondere bijstand in de kosten van aanschaf of vervanging van een duurzaam gebruiksgoed. Als belanghebbende verwijtbaar niet of onvoldoende heeft gepaard, heeft de bijzondere bijstand de vorm van een geldlening. Over een periode van maximaal drie jaar betaalt belanghebbende maandelijks 5% van de bijstandsnorm inclusief vakantiegeld terug. Nadat iemand zich aan de aflossingsverplichting heeft gehouden, wordt het restantbedrag kwijtgescholden. Dit wordt in de beschikking gezet.

 

Als belanghebbende geen verwijt kan worden gemaakt dat hij niet of onvoldoende heeft gespaard, dan wordt de bijzondere bijstand om niet (als gift) verleend.

 

De hoogte van de bijzondere bijstand wordt bepaald aan de hand van de richtprijzen uit de actuele prijzengids van het Nibud (inclusief verwijderingsbijdrage). Voor de hoogte van de bijzondere bijstand houden wij 55% van de Nibudprijzengids aan.

 

4.7 Woninginrichting

Kosten van woninginrichting kunnen bestaan uit:

  • een complete inrichting, meestal bij toewijzing van een woning aan statushouders; of

  • een gedeeltelijke inrichting na verhuizing of echtscheiding.

  • vervanging van inboedel of stoffering door slijtage (dit is geregeld in paragraaf 4.7).

Voor de kosten van woninginrichting kan worden gespaard van de bijstandsnorm en/of kan worden betaald van de individuele inkomenstoeslag. Als er geen spaargeld is maken wij de volgende keuze:

  • bijstand om niet als er niet verwijtbaar niet (genoeg) gespaard is;

  • bijstand in de vorm van een lening als er verwijtbaar niet (genoeg) gespaard is en de noodzakelijke verhuizing daardoor niet kan.

Statushouder:

Van statushouders die zich vanuit een Asielzoekerscentrum in een woning vestigen, kan niet verwacht worden dat zij reserveren. Zij krijgen bijzondere bijstand voor een complete inrichting. Hiervan wordt 20% om niet gegeven en 80% in de vorm van een lening. Het deel wat om niet wordt gegeven, is voor stofferingskosten. Voor deze kosten mag volgens vaste jurisprudentie geen geldlening worden verstrekt. Dit is omdat stoffering vaak niet meegenomen kan worden als iemand verhuist. Voor de hoogte van de bijzondere bijstand voor een complete woninginrichting houden wij 55% van de Nibudprijzengids aan. De verhouding geldlening/om niet is afgestemd op de Nibudprijzengids.

 

Over een periode van maximaal drie jaar betalen zij 5% van de bijstandsnorm inclusief vakantiegeld terug voor het gedeelte van de bijzondere bijstand wat als lening is gegeven. Nadat iemand zich aan de aflossingsverplichting heeft gehouden, wordt het restantbedrag kwijtgescholden. Dit wordt in de beschikking gezet.

 

Volledige dan gedeeltelijke woninginrichting of vervanging

Bij gedeeltelijke inrichting na verhuizing of echtscheiding houden we voor de hoogte van de bijzondere bijstand 55% van de Nibudprijzengids aan. Wij gaan er in het algemeen vanuit dat de klant kiest voor de goedkoopst mogelijke optie.

 

Witgoed

Inwoners wordt gestimuleerd om voor duurzame, energiezuinige opties te kiezen. Daarom houden we rekening met de keuze van de klant om voor een duurzame optie te kiezen bij witgoed, minimaal energielabel A. Er wordt bij een aanvraag rekening gehouden met de levensduur van het witgoed wat vervangen moet worden, zowel bij eerste als opvolgende aanvragen.

 

Stofferingskosten

Onder stofferingskosten vallen kosten als verf en alles wat iemand niet mee kan nemen naar een nieuwe woning bij verhuizing. Deze kosten mogen volgens de vaste jurisprudentie door de aard van de kostensoort niet in de vorm van een lening worden verstrekt, en wordt daarom altijd om niet gegeven.

 

Als niet noodzakelijk wordt gezien:

De kosten voor de 1ste woninginrichting. Wij gaan er vanuit dat iedereen hiervoor geld spaart omdat deze kosten te voorzien zijn.

 

Vorm bijzondere bijstand

  • Bij de statushouder deels om niet (20%) en deels als lening (80%);

  • Geldlening als er verwijtbaar niet (genoeg) gespaard is;

  • Om niet als er niet verwijtbaar niet (genoeg) gespaard is.

Dwangsommen IND

Als iemand een aanvraag doet voor een verblijf in Nederland, moet de IND binnen een bepaalde tijd een beslissing nemen op die aanvraag. Dit is de wettelijke beslistermijn. Als de IND niet binnen deze wettelijke termijn beslist, kan het zijn dat we een geldbedrag moeten betalen aan de aanvrager: een dwangsom. Deze dwangsommen worden bij de draagkrachtberekening als middel in aanmerking genomen.

 

4.8 Babyuitzet

In overleg met de aanstaande ouder(s) wordt bekeken wat er noodzakelijk is. Uitgangspunt is dat de onderstaande spullen tweedehands worden aangeschaft. Dit kan bijvoorbeeld via Marktplaats, kringloopwinkel, Arker Boetje in Middenmeer of via advertenties in de supermarkt.

Het gaat om de volgende artikelen:

  • bedje inclusief matras

  • box

  • maxi cosi

  • combiwagen

Wij verlenen geen bijzondere bijstand voor spullen die al aanwezig zijn. Als het om een 2e of daaropvolgende kind gaat, gaan wij er vanuit dat een babypakket en eventueel een bedje genoeg is. Of en wat genoeg is in het geval van een tweede of daaropvolgend kind, is afhankelijk van de leeftijd van het oudere kind en de omstandigheden van het geval.

 

Als er geen spaargeld is om de kosten van te betalen, wordt de volgende keuze gemaakt:

  • bijzondere bijstand wordt verleend in de vorm van een lening als er verwijtbaar niet (genoeg) gespaard is;

  • bijzondere bijstand wordt verleend om niet (als gift) als belanghebbende ter zake geen verwijt kan worden gemaakt.

Babybox 1 van de Stichting babyspullen

Via Stichting babyspullen kunnen aanstaande ouders die weinig geld hebben een gratis babybox krijgen. Dit kan via www.stichtingbabyspullen.nl. Dit is geen vorm van bijzondere bijstand en kan buiten ons om worden geregeld/ingezet.

De babybox wordt geleverd door verzending van het verwijsformulier die op de website staat. De hulpverlener van de belanghebbende vult deze in en verstuurt de verwijsbrief. Dit kan ook iemand vanuit de gemeente zijn. De babybox wordt thuis bezorgd. Voor de verzendkosten moet de ontvanger € 6,95 betalen. Voor de verzendkosten wordt geen bijzondere bijstand gegeven. Het is een klein bedrag wat vanuit een bijstandsuitkering betaald moet kunnen worden.

Inhoud van het pakket: kleertjes van maat 50 tot en met 68 en de meest noodzakelijke spullen zoals een fles met speen, een molton, een laken, een slaapzak, luiers etc.

 

4.9 Rechtsbijstand

De Wet op de rechtsbijstand is een voorliggende voorziening voor de kosten van rechtsbijstand, maar voor de eigen bijdrage en het griffierecht is er geen voorliggende voorziening. De CrvB (uitspraak 31-10-2006 nr. 06/3262 WWB) is van mening dat de eigen bijdrage en griffiekosten gezien kunnen worden als bijzondere noodzakelijke kosten van het bestaan waarvoor bij het ontbreken van draagkracht, bijzondere bijstand kan worden gegeven. De noodzaak van de kosten staat vast volgens de beoordeling van de Raad voor de rechtsbijstand.

 

De inwoner die een advocaat toegewezen krijgt op grond van de Wet op de rechtsbijstand, betaalt doorgaans een eigen bijdrage. Voor die eigen bijdrage is dus bijzondere bijstand mogelijk. De inwoner kan voor andere vormen van rechtsbijstand in principe geen bijzondere bijstand krijgen. De gemeente verstrekt ook geen bijzondere bijstand voor:

  • a.

    de proceskosten van de tegenpartij, als de inwoner deze kosten moet betalen;

  • b.

    vertaalkosten (de advocaat kan gebruik maken van het gesubsidieerde vertaalbureau);

  • c.

    reiskosten voor het bijwonen van rechtszittingen van bestuursrechters; of voor

  • d.

    de kosten die de inwoner maakt vanwege een ingediend bezwaarschrift, zoals reiskosten voor het bijwonen van een hoorzitting of kosten van ondersteuning door een adviseur.

  • e.

    kosten rechtsbijstand waarvoor de Raad voor de rechtsbijstand een afwijzing heeft gegeven omdat de procedure als niet noodzakelijk wordt gezien volgens de voorwaarden;

  • f.

    kosten rechtsbijstand van procedures die zijn ontstaan uit uitoefening van zelfstandig bedrijf en beroep (omdat deze kosten volgens de Wet rechtsbijstand niet noodzakelijk zijn);

Hoogte van de bijzondere bijstand voor rechtsbijstand

Als de Raad voor de Rechtsbijstand (hierna: de Raad)een toevoeging verleent, krijgt de belanghebbende in bepaalde zaken een korting van € 61,- (bedrag 2024) op zijn eigen bijdrage. Voorheen was dit een korting indien iemand eerst bij het Juridisch Loket was geweest. Sinds maart 2020 past de Raad deze korting automatisch toe, ook als belanghebbende niet bij het Juridisch Loket bent geweest.

 

Je krijgt geen korting op de eigen bijdrage in:

  • -

    een strafzaak;

  • -

    een asielzaak;

  • -

    een bestuurlijke sanctie;(opent in nieuw venster)

  • -

    (hoger) beroep bij een hogere rechter;

cassatie bij de Hoge Raad.

 

De korting geldt ook niet bij een:

  • -

    Mediationtoevoeging;

  • -

    Lichte adviestoevoeging.

NB Het komt voor dat een bezwaar- of beroepsprocedure gevoerd wordt tegen de gemeente. Volgens het Besluit proceskosten moeten de proceskosten worden vergoed. Als de rechter de gemeente veroordeelt tot betaling van de proceskosten dan wordt in de uitspraak vermeld dat de gemeente de griffierechten moet vergoeden aan belanghebbende. Als de gemeente al bijzondere bijstand heeft verleend voor die kosten, dan is dat dubbel. De medewerker die de beroepszaak afhandelt, controleert of er bijzondere bijstand verstrekt is. Als dat het geval is, wordt het griffierecht niet voor de tweede keer betaald.

 

4.10 Griffierechten

De inwoner met een toegevoegde advocaat kan in aanmerking komen voor bijzondere bijstand voor de griffierechten die de inwoner moet betalen om een procedure te voeren. Heeft de inwoner geen toevoeging op grond van de Wet op de rechtsbijstand, dan beoordeelt de gemeente per situatie of de procedure noodzakelijk is. Is dat zo, dan is bijzondere bijstand mogelijk voor de griffierechten als ook aan de andere voorwaarden voor bijzondere bijstand is voldaan.

 

Let op: als de rechter de tegenpartij veroordeelt in de kosten van de procedure, dan vordert de gemeente de bijzondere bijstand van de inwoner terug.

 

Let op in de beschikking opnemen dat belanghebbende ons informeert over de uitslagprocedure

 

4.11 Bewindvoering, curatele en mentorschap

Als een belanghebbende vanwege persoonlijke eigenschappen of financiële omstandigheden niet in staat is om zijn financiële of persoonlijke belangen zelf te behartigen kan de rechter een bewindvoerder, mentor of curator aanwijzen om de belangen te behartigen. Er is geen voorliggende voorziening voor deze kosten. De rechter bepaalt dat er een bepaalde vorm van belangenbehartiging nodig is door bewind, mentorschap of curatorschap in te stellen. De noodzaak staat hiermee vast. Dit blijkt uit constante jurisprudentie.

 

Voor de kosten van een curator, bewindvoerder of mentor kan bijzondere bijstand worden aangevraagd op grond van de Participatiewet. Indien door de rechtbank een beschikking is afgegeven waarin curatele, bewind of mentorschap is uitgesproken, komen de daarmee samenhangende kosten in beginsel in aanmerking voor bijzondere bijstand.

 

De hoofdregel is dat bijzondere bijstand uitsluitend wordt verstrekt op aanvraag en niet met terugwerkende kracht. Uitzondering hierop vormt de verstrekking van periodieke bijzondere bijstand, waarbij het college bevoegd is om bijstand te verlenen met terugwerkende kracht tot maximaal zes maanden voorafgaand aan de datum van de aanvraag.

 

Indien de aanvraag wordt ingediend later dan zes maanden na de datum van de rechterlijke uitspraak, geldt de datum van indiening van de aanvraag als ingangsdatum voor de bijzondere bijstand.

 

Voorbeeld:

Een aanvraag wordt ingediend op 10 maart 2025. De beschikking van de rechtbank dateert van januari 2024. De bewindvoerder verzoekt om bijzondere bijstand met terugwerkende kracht, omdat er gedurende enige tijd geen voorziening in de kosten heeft plaatsgevonden. Aangezien de aanvraag binnen zes maanden voorliggende periode valt, kan bijzondere bijstand worden toegekend met ingang van 10 oktober 2024.

 

Bij aanwezigheid van draagkracht in het inkomen wordt bijzondere bijstand toegekend tot het einde van het draagkrachtjaar, in dit geval tot 1 maart 2026.

Indien er geen draagkracht aanwezig is, kan bijzondere bijstand worden toegekend voor een periode van maximaal 36 maanden, met als einddatum 1 maart 2028.

 

Bij de indiening van een eerste aanvraag voor bijzondere bijstand ten behoeve van de kosten van bewindvoering, curatele of mentorschap, waarbij een recente beschikking van de rechtbank is overgelegd, hanteert het college de volgende uitgangspunten voor het bepalen van de ingangsdatum.

De ingangsdatum van de bijzondere bijstand wordt vastgesteld op de 1e of de 16e van de maand, conform de beloningsregeling voor professionele bewindvoerders, mentoren en curatoren zoals vastgelegd in de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren.

  • Indien de beschikking van de rechtbank is gedateerd vóór de 16e van de maand, wordt de ingangsdatum vastgesteld op de 1e van die maand.

  • Indien de beschikking is gedateerd op of ná de 16e van de maand, wordt de ingangsdatum vastgesteld op de 16e van die maand.

Voor WSNP-bewindvoerdersloon wordt geen bijzondere bijstand verstrekt. Deze kosten worden verrekend met de boedelafdracht en indien dit niet mogelijk is vergoedt Bureau WSNP deze kosten aan de WSNP-bewindvoerder.

 

Wanneer een onder bewind, mentorschap of curatele gestelde burger een inkomen op bijstandsniveau heeft, wordt bijzondere bijstand verstrekt voor het loon van de bewindvoerder, mentor of curator en voor de eenmalige extra kosten, zoals in- en uitstapkosten en griffierecht.

Deze eenmalige extra kosten, komen alleen voor vergoeding in aanmerking als deze zijn bekrachtigd door de rechter. Berekening van een hoger tarief vanwege problematische schulden is toegestaan wanneer de rechter dit in de beschikking heeft opgenomen.

 

Wat de kosten van de bewindvoering betreft, geldt nog het volgende. De maandelijkse kosten van bewindvoering moeten in eerste instantie meegenomen worden in de berekening van het vrij te laten bedrag (vtlb) en de aflossingscapaciteit:

  • indien de kosten volledig kunnen worden verrekend, wordt er geen bijstand verstrekt;

  • indien de kosten gedeeltelijk kunnen worden verrekend, wordt er over het resterende deel bijstand verstrekt;

  • indien de kosten niet kunnen worden verrekend, wordt er bijstand verstrekt voor de volledige kosten.

Naast de jaarbeloning kunnen professionele curators, bewindvoerders en mentoren in voorkomende gevallen ook aanspraak maken op een forfaitaire beloning voor bepaalde incidentele werkzaamheden. De kosten in verband met deze incidentele werkzaamheden kunnen in aanmerking komen voor bijzondere bijstand. Een machtiging van de rechter dient in dat geval aan het college te worden overgelegd.

 

Wanneer de aanvrager die onder curatele is gesteld, zelf om de curatele heeft verzocht, komen de kosten voor publicatie in de landelijke dagbladen in aanmerking voor bijzondere bijstand.

 

Voor de vergoeding van de tarieven sluit de gemeente aan bij de “Regeling indexering beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren” zoals deze jaarlijks wordt gepubliceerd in de Staatscourant.

 

Bankkosten

Bewindvoerders mogen sinds 2020 een keer per jaar bankkosten in rekening brengen. Deze kosten kunnen voor bijzondere bijstand in aanmerking komen. Bewindvoerders hebben voor deze extra kosten geen keuze en ook geen mogelijkheid om deze te vermijden. Met deze verhoging is ook geen rekening gehouden in de regeling beloning die door de minister is vastgesteld.

 

Het is niet mogelijk de aanvraag om bijzondere bijstand in de bankkosten af te wijzen, op de grond dat deze kosten dienen te worden gerekend tot de, incidenteel voorkomende, algemene kosten van het bestaan en daarom in beginsel dienen te worden voldaan uit het inkomen. Niet iedereen heeft namelijk deze kosten. Deze kosten kunnen dan ook niet gerekend worden tot de, incidenteel voorkomende, algemene kosten van het bestaan.

 

4.12 Budgetbeheer

Als een belanghebbende door persoonlijke eigenschappen of financiële omstandigheden niet in staat is om zijn zaken zelf goed te regelen kan hij een beroep doen op een persoon of instelling om zijn zaken te behartigen. Voor het budgetbeheer worden kosten in rekening gebracht.

Er is geen voorliggende voorziening aanwezig. De kosten kunnen worden aangemerkt als bijzondere kosten van het bestaan waarvoor bijzondere bijstand gegeven kan worden als er geen draagkracht is.

 

Er is recht op bijzondere bijstand voor de kosten van budgetbeheer als het budgetbeheer noodzakelijk is en de belanghebbende niet in staat is om zelf de zaken te regelen. Anders dan bij bewindvoering kan er niet zonder meer van worden uitgegaan dat de kosten noodzakelijk zijn. De noodzaak van budgetbeheer stellen wij vast aan de hand van de situatie van belanghebbende. Als borging dat de inwoner de juiste hulp krijgt, wordt bij toekenning van de bijzondere bijstand altijd advies ingewonnen bij een consulent Schulddienstverlening over nut en noodzaak van de inzet van budgetbeheer en het voorgenomen pakket.

 

Daarnaast wordt in geval van problematische schulden een plan van aanpak vanuit het team Schulddienstverlening gemaakt met daarin een tijdspad waarin naar een minder zwaar pakket wordt gewerkt en indien mogelijk het volledig afbouwen van budgetbeheer. Dit bevordert het traject naar financiële zelfredzaamheid van de klant en voorkomt onnodig aanhouden van een zwaarder en duurder budgetbeheerpakket.

 

De budgetbeheerder moet een deskundige en professioneel werkende instelling zijn. Hij beheert namelijk de gelden van de belanghebbende. Daarom verdient het de voorkeur dat de budgetbeheerder is aangesloten bij een branchevereniging, bijvoorbeeld de NVVBS.

 

De hoogte van de bijzondere bijstand is gelijk aan de echt gemaakte kosten, dus de hoogte van het pakket wat belanghebbende nodig heeft bij de betreffende budgetbeheerder

 

De bijzondere bijstand wordt om niet gegeven. De vergoeding voor de budgetbeheerder wordt maandelijks betaald.

 

4.13 Reiskosten

In deze paragraaf wordt aangegeven hoe de bevoegdheid tot het verstrekken van bijzondere bijstand voor reiskosten wordt ingevuld.

 

Reiskosten in verband met inburgering

Op dit moment vallen reiskosten nog niet binnen de financiële afspraken tussen gemeenten en het Rijk. Indien gewenst, kunnen gemeenten reiskosten voor inburgeraars financieren uit de bijzondere bijstand.

 

Reiskosten zijn algemene noodzakelijke kosten van het bestaan, die in beginsel uit het eigen inkomen voldaan dienen te worden. Bijzondere omstandigheden kunnen echter met zich meebrengen dat toch bijstand verleend dient te worden. Voor het volgen van een traject in het kader van de Wet inburgering 2013 en 2021 kan voor de gehele duur van het traject bijzondere bijstand worden verleend voor reiskosten.

 

Reiskosten bezoek arts, specialist of andere medische of paramedische hulpverlener

Voor reiskosten in verband met een bezoek aan een arts, ziekenhuis of andere medische of paramedische hulpverlener kan bijzondere bijstaand worden verleend, indien:

  • Eén van de gezinsleden minimaal 2 keer per maand naar een arts, ziekenhuis of andere medische of paramedische hulpverlener moet reizen. De reiskosten worden dus vanaf 2 keer per maand vergoed.

  • Als het nodig is dat een gezinslid meereist, worden ook de reiskosten van dit gezinslid vergoed.

NB Geen recht op bijzondere bijstand in de reiskosten als beroep kan worden gedaan op de Regeling vergoeding ziekenvervoer

Deze regeling houdt het volgende in. Valt een behandeling onder de basisverzekering? Dan kan een belanghebbende een vergoeding krijgen voor de reiskosten van en naar zijn behandeling. Belanghebbende krijgt dan een vergoeding tot 200 km per enkele reis als:

  • hij zich alleen met een rolstoel kan verplaatsen;

  • hij een nierdialyse krijgt;

  • hij een oncologische behandeling met chemo-, radio- of immunotherapie krijgt;

  • hij niet alleen kan reizen door uw visuele beperking;

  • hij geriatrische revalidatiezorg krijgt;

  • zijn kind intensieve kindzorg krijgt en vervoer naar een verpleegkundig kinderdagverblijf medisch noodzakelijk is;

  • hij voor behandeling van een langdurige ziekte of aandoening per 12 maanden meer dan 1000 km enkele reis aflegt van zijn huis naar de behandeling (hardheidsclausule);

  • hij deelneemt aan dagbehandeling die in een groepsverband wordt gegeven. Bijvoorbeeld een zorgprogramma voor oudere mensen met complexe aandoeningen (somatische en/of psychische). Of voor mensen met een niet-aangeboren hersenafwijking, een verstandelijke beperking of een progressieve, degeneratieve neurologische aandoening (zoals de ziekte van Parkinson, de ziekte van Huntington en MS).

NB Om een vergoeding voor ziekenvervoer te ontvangen, heeft belanghebbende altijd toestemming nodig van de zorgverzekeraar.

 

Op grond Basisverzekering worden de volgende vergoedingen verstrekt:

  • eigen vervoer: € 0,37 per km (de snelste weg volgens Routenet)

  • bijkomende kosten eigen vervoer (bijvoorbeeld tol, tunnel en veerboot): 100%

  • openbaar vervoer (2e klasse): 100%

  • gecontracteerde taxivervoerder: 100%

Er geldt in 2024 een eigen bijdrage van € 118 voor ziekenvervoer per auto, taxi of openbaar vervoer. Dit was € 113 in 2023. Daarnaast geldt het eigen risico.

 

De eigen bijdragen op grond van de Zvw komen niet in aanmerking voor bijzondere bijstand. De Zvw en de Wlz zijn volgens de constante jurisprudentie voor de kosten van (para) medische zorg een passende en toereikende voorliggende voorziening (artikel 15 Participatiewet).

 

Reiskosten bezoek familieleden ziekenhuis en inrichting

Als gezinsleden in een ziekenhuis of een inrichting buiten Hollands Kroon worden verpleegd, is er bijzondere bijstand mogelijk voor de reiskosten. Het gaat hier om reiskosten in verband met het bezoek aan de partner van belanghebbende en de ten laste van belanghebbende of diens partner komend (pleeg)kind en (pleeg)kinderen.

 

Ten aanzien van het aantal noodzakelijk geachte bezoeken geldt de volgende regel:

  • Bij terminale ziekte, verpleging op een intensive care en bij zieke kinderen, elke dag voor maximaal twee personen die direct tot het gezin behoren.

  • Bij overige ziekenhuisopnames, tweemaal per week voor twee personen die direct tot het gezin behoren.

  • Bij opname in een inrichting, eenmaal per week voor twee personen die direct tot het gezin behoren.

Wegens sociale en/of medische redenen kan van deze aantallen worden afgeweken.

 

NB Bij zieke kinderen is het verblijf in een Ronald McDonald huis vaak goedkoper dan de reiskosten die gemaakt moeten worden. Ouders betalen een eigen bijdrage van € 15 per kamer per nacht. De werkelijke kosten van een overnachting liggen veel hoger: € 75 per kamer, per nacht. Het verschil wordt betaald door donateurs en sponsoren. De goedkoopste oplossing verdient de voorkeur.

 

Reiskosten bezoek familieleden in detentie:

Er is bijzondere bijstand mogelijk voor deze kosten, als het gaat om reiskosten in verband met bezoek aan gedetineerde gezinsleden in de eerste graad. Het gaat hierbij ook om pleegkinderen. Zodra de gedetineerde met weekendverlof mag komt de bijzondere bijstand voor de reiskosten van familieleden te vervallen. De gedetineerde kan voor reiskosten geen beroep doen op de bijzondere bijstand.

 

Wanneer de gedetineerde in een halfopen of open inrichting verblijft, komen de reiskosten voor familiebezoek niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Voor reiskosten wegens bezoek aan een in het buitenland gedetineerd gezins- of familielid wordt geen bijzondere bijstand verstrekt.

 

Frequentie eenmaal per week per gezinslid.

 

Reiskosten omgangsregeling:

Als de ouders na echtscheiding niet in dezelfde woonplaats wonen, brengt de omgangsregeling kosten met zich mee. Deze kosten behoren in beginsel tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan en worden uit de norm betaald. Bijzondere bijstand is dus niet mogelijk. De kosten van de kinderen komen altijd ten laste van de verzorgende ouder.

 

Het recht van het kind op contact met de ouders en van het recht op gezinsleven is geen reden om tot bijstandsverlening over te gaan. Volgens de vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) dienen namelijk de reis- en verblijfkosten die een kind in het kader van een omgangsregeling maakt ten laste te komen van de ouder tot wiens gezin het kind behoort (de verzorgende ouder).

Soms komt het voor dat de verzorgende ouder, ook na aanhoudende verzoeken, weigert de reiskosten te betalen. Dan is het voor de niet-verzorgende ouder alleen mogelijk de kinderen te ontvangen als deze zelf de reiskosten betaalt. Als deze ouder bijstandsafhankelijk is en aannemelijk kan maken (d.m.v. brief jeugdzorg of advocaat) alles te hebben gedaan om de ex-partner tot medewerking te bewegen, maar het toch zonder resultaat blijft, is bijzondere bijstand mogelijk.

Voor de bezoekfrequentie kan aangesloten worden bij de omgangsregeling zoals deze door de rechter is vastgelegd.

 

Reiskosten uit huis geplaatste kinderen:

Als kinderen onder Bureau Jeugdzorg vallen en er een kinderbeschermende maatregel is getroffen, kan bij Bureau Jeugdzorg een beroep worden gedaan op een reiskostenvergoeding. Eenmaal per maand kan een vergoeding voor reiskosten verstrekt worden. Indien meer bezoek wenselijk is zal dit door de begeleider van Bureau Jeugdzorg bekeken worden, incidenteel is meer vergoeding voor reiskosten mogelijk via Bureau Jeugdzorg.

 

Als het kind in een instelling verblijft die onder de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (Awbz-instelling) verblijft is er geen vergoeding mogelijk vanuit Bureau Jeugdzorg.

 

Als een kind niet thuis verblijft is het soms wel mogelijk om kinderbijslag te ontvangen. Als er veel kosten zijn voor een uitwonend kind kan soms tweemaal kinderbijslag worden toegekend (zie voorliggende voorzieningen).

 

Als er geen beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening is bijzondere bijstand voor reiskosten mogelijk. Voor de bezoekfrequentie wordt aangesloten bij de bezoekregeling zoals bepaald door de instelling.

 

Reiskosten in verband met sociale contacten

Als er geen familieleden of vrienden in de omgeving van de gemeente Hollands Kroon wonen zullen reiskosten gemaakt moeten worden voor de sociale contacten. Deze kosten vallen onder de incidenteel voorkomende noodzakelijke kosten van het bestaan en zullen vanuit het gewone inkomen moeten worden voldaan.

 

Reiskosten deelname re-integratietraject

Personen die van de gemeente ondersteuning krijgen bij de arbeidsinschakeling, komen niet aanmerking voor bijzondere bijstand in de reiskosten in verband met deelname aan een re-integratietraject of activiteiten gericht op arbeidsinschakeling. Deze kosten komen ten laste van het werkdeel.

 

Wijze van vergoeden:

Reiskosten worden alleen vergoed als de reisafstand enkele reis meer dan 5 km bedraagt.

 

De reisafstand wordt bepaald aan de hand van www. Routenet.nl op basis van de kortste route.

 

Bij de bepaling van de hoogte van de bijstand wordt uitgegaan van een reis per openbaar vervoer (2e klas). Bij periodieke kosten wordt bijzondere bijstand verstrekt voor een NS-voordeelurenkaart, waarna met korting gereisd kan worden. Per aanvraag zal bezien moeten worden of reizen met een voordeelurenkaart uit kan.

 

Soms is het gebruik van een auto wegens het ontbreken van goed openbaar vervoer echter toch noodzakelijk. Bij het vaststellen gaan we uit van de door de overheid vaststelde belastingvrije kilometervergoeding. Let op: als meerdere gezinsleden samen reizen moet er rekening mee worden gehouden dat zij samen per kunnen auto reizen en dus de kosten kunnen delen.

 

Bewijs

  • Bezoek aan gedetineerden: verklaring Penitentiaire inrichting.

  • Bezoek aan een gezinslid in ziekenhuis: verklaring van opname (begin en einddatum) in ziekenhuis.

  • Bezoek aan een inrichting bij opname van gezinsleden: verklaring van de inrichting.

  • Bezoek aan artsen etc.: afsprakenoverzicht van het ziekenhuis of de hulpverlener.

  • Bij eigen bijdrage bij reiskosten met speciale medische indicatie: afwijzingsbrief van de verzekering waarin staat dat ze die betreffende kosten zelf moeten betalen vanuit eigen bijdrage

Uitbetaling

De bijzondere bijstand wordt om niet gegeven.

De bijzondere bijstand wordt pas betaald na inlevering van de treinkaartjes, afsprakenkaarten dan wel een verklaring van de instelling. De aanvrager moet deze maandelijks toesturen bij periodieke kosten. Het vorenstaande lijdt uitzondering bij bijzondere bijstand in reiskosten in verband inburgering. In dat geval wordt de bijzondere bijstand vooraf uitbetaald.

 

4.14 Reiskosten woon-werkverkeer, inburgering, reclassering of naar opleiding ten behoeve van niet-bijstandsklanten

Voor reiskosten van de inwoner voor woon- werkverkeer als de werkgever deze niet of niet helemaal vergoedt, is bijzondere bijstand mogelijk. Het gaat om inwoners die geen bijstandsuitkering van de gemeente ontvangen. Inwoners met een bijstandsuitkering kunnen namelijk via re-integratie een vergoeding voor deze kosten krijgen. De vergoeding stopt als er geen noodzaak meer is.

 

Voor reiskosten van de inwoner van en naar de opleiding is bijzondere bijstand mogelijk als er geen recht is op vergoeding vanuit DUO of school. Het gaat om inwoners die geen bijstandsuitkering van de gemeente ontvangen. Inwoners met een bijstandsuitkering kunnen namelijk via re-integratie een vergoeding voor deze kosten krijgen. De vergoeding stopt als de opleiding stopt.

 

Voor reiskosten van en naar reclassering kan ook bijzondere bijstand worden aangevraagd.

 

Reiskosten worden alleen vergoed als de reisafstand enkele reis meer dan 5 km bedraagt. De reisafstand wordt bepaald aan de hand van www. Routenet.nl op basis van de kortste route.

 

Hoogte bijzondere bijstand

  • Auto: de hoogte die de overheid vaststelt als belastingvrije kilometervergoeding. Let op: als meerdere gezinsleden samen reizen moet er rekening mee worden gehouden dat zij samen per kunnen auto reizen en dus de kosten kunnen delen.

  • OV: de goedkoopste vorm van reizen.

Voorliggende voorzieningen

  • Hele of gedeeltelijke vergoeding door de werkgever

  • In geval de reiskosten niet betaald kunnen worden door beslaglegging, WSNP of schuldenregeling is het laten aanpassen van de beslagvrije voet of vrij te laten bedrag een voorwaarde die maximaal gebruikt moet worden.

  • Voor reiskosten van en naar de opleiding is het studentenreisproduct via DUO voorliggend. De student kan dit krijgen bij het volgen van een voltijd opleiding MBO, HBO of universiteit of een duale opleiding (HBO of universiteit). Diegene dient wel jonger dan 30 te zijn voor de studiefinanciering ingaat. Voor deeltijd- of BBL opleidingen (MBO) kan geen studentenreisproduct worden verkregen van DUO.

  • De WTOS is geen voorliggende voorziening voor reiskosten van en naar een opleiding. Dit is volgens vaste jurisprudentie.

4.15 Reiskosten kinderen in het voortgezet onderwijs

Het gaat om reiskosten van huis naar school van kinderen die voortgezet onderwijs volgen en waarvan de school op een afstand van minimaal 15 kilometer (enkele reis) vanaf het woonadres ligt.

 

Onder voortgezet onderwijs wordt het navolgende verstaan: het voortgezet onderwijs omvat het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo), het hoger algemeen voortgezet onderwijs (havo), het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo) en het praktijkonderwijs. Het vwo, havo, vmbo en praktijkonderwijs vallen onder de Wet op het voortgezet onderwijs.

 

Voorliggende voorzieningen

Vanaf 1 januari 2017 is voor mbo-studenten onder de 18 jaar het studentenreisproduct (ov-jaarkaart) een voorliggende voorziening.

 

De volgende zaken worden niet gezien als voorliggende voorzieningen:

  • Kindgebonden budget;

  • Meedoen Hollands Kroon is ook geen voorliggende voorziening. Het is niet bedoeld voor reiskosten van en naar school;

  • De WTOS is geen voorliggende voorziening voor reiskosten. Dit is volgens vaste jurisprudentie;

Van ouders verwachten wij dat zij een bepaald bedrag per maand uitgeven aan de reiskosten van hun kind(eren). Dat bedrag is bepaald op € 45,- per maand per gezin. Hierbij is uitgegaan van wat een gezin normaal gemiddeld uitgeeft voor woon-school-verkeer.

 

Recht op bijzondere bijstand

Er is recht op bijzondere bijstand voor de reiskosten voor voortgezet onderwijs van huis naar school en terug als:

  • de school de dichtstbijzijnde school is waar geschikt onderwijs gevolgd kan worden

  • De afstand van huis naar school meer is dan 15 kilometer enkele reis (fietsafstand). De afstand van de kortste route wordt berekend via www.routenet.nl

  • De reiskosten meer zijn dan € 45,00 per maand

Hoogte bijzondere bijstand

Tijdens de schoolvakanties wordt geen vergoeding gegeven.

  • De bijzondere bijstand betalen wij per maand voor maximaal 10 maanden per jaar.

  • Bij de start van het schooljaar (of de maand waarin de vergoeding start) berekenen wij hoe hoog de kosten gemiddeld per maand zijn. Daarvoor kijken wij op de websites van vervoerders of vragen wij een bewijs van de kosten.

  • De reiskosten van het eerste kind worden vergoed met de aftrek van € 45,- per maand.

  • De reiskosten van volgende kinderen worden helemaal vergoed.

4.16 Kosten kinderopvang

Omschrijving van de kosten

Het gaat om de kosten van:

  • Het inschrijfgeld bij de kinderopvangorganisatie;

  • De kosten van bemiddeling van de gastouderorganisatie;

  • Overblijfkosten op school.

De eigen bijdrage die de ouder moet betalen:

  • Volgens de Wet kinderopvang door werk

  • Voor kinderopvang voor sociaal medische indicatie

  • Voor kinderopvang voor de Voor- en vroegschoolse educatie

  • Voor de eigen bijdrage voor de peuteropvang (dagopvang) die aangeboden wordt door de kinderopvangcentra voor maximaal 7 uren per week

Voorliggende voorzieningen

Voor kosten die te maken hebben met re-integratie is vergoeding volgens de Beleidsregel ‘ondersteunende voorzieningen re-integratie’ een voorliggende voorziening. Verder is er geen voorliggende voorziening voor deze kosten.

 

Recht op bijzondere bijstand

Er is recht op bijzondere bijstand als het gaat om de hierboven genoemde kosten. De noodzaak wordt aangenomen als door de belastingdienst de kinderopvangtoeslag is toekend. Is dit niet het geval dan beoordelen wij per geval de noodzaak. Het Rijk stelt een maximum uurtarief voor kinderopvang vast. Wij geven voor de gehele kosten bijzondere bijstand.

 

Bewijs

Voor kinderopvang en buitenschoolse opvang

  • Beslissing van de dienst Toeslagen over de vergoeding van de kinderopvang

    of

  • Gegevens van het inkomen en het contract met de kinderopvangorganisatie op grond waarvan met een proefberekening de vergoeding van de dienst Toeslagen kan worden berekend

  • Nota van het inschrijfgeld en nota of bewijs van de kinderopvangorganisatie waarin staat hoeveel bemiddelingskosten betaald moeten worden

Voor kinderopvang voor VVE en SMI

  • Contract met de kinderopvangorganisatie

  • Nota van de kinderopvangorganisatie waarin staat wat de ouder moet betalen

  • Bij het wijkteam wordt de SMI/VVE indicatie opgevraagd voor de vaststelling van de noodzaak en de duur van de bijzondere bijstand

Voor overblijfkosten

  • Nota van de school waarin staat hoeveel er betaald moet worden en hoe vaak het kind of de kinderen overblijven

Hoogte bijzondere bijstand

  • Het hele bedrag van het inschrijfgeld kinderopvangorganisatie

  • Alle kosten van bemiddeling van de gastouderorganisatie

  • Vergoeding van alle overblijfkosten gedurende een schooljaar

  • Vergoeding van de hele eigen bijdrage Wet kinderopvang gedurende een kalenderjaar

  • Complete vergoeding van de eigen bijdrage SMI en VVE tijdens de duur van de indicatie. Bij een VVE indicatie is dit meestal een kalenderjaar en een SMI indicatie wordt vaak steeds voor een half jaar afgegeven door de wijkteammedewerker.

Vorm bijzondere bijstand

  • Om niet

  • Op verzoek betalen wij de bijzondere bijstand aan de opvangorganisatie

Regels voor aanvrager

  • De gemeente op de hoogte houden van aanpassing of beëindiging van de kinderopvang of overblijven op school;

  • De eigen bijdrage volgens de Wet kinderopvang betalen wij maandelijks. Een maandelijkse nota inleveren is niet nodig;

  • Het geld wordt gebruikt waarvoor het bedoeld is. Dit kan gecontroleerd worden.

4.17 Kindgebonden budget alleenstaande ouder kop voor minderjarige ouder(s) (<18)

Omschrijving van de kosten

  • Kosten van levensonderhoud van de baby van een tienermoeder die bij haar ouders inwoont.

  • Kosten van levensonderhoud van een weggelopen minderjarige die inwoont bij familie of vrienden en die niet wordt onderhouden door de ouders of de mensen bij wie hij/zij inwoont.

Voorliggende voorziening

In beide gevallen is de Jeugdwet de voorliggende voorziening en is verwijzing naar het wijkteam de aangewezen weg.

 

Tienermoeder

Voor de baby van de tienermoeder is de onderhoudsplicht van de vader een voorliggende voorziening. De ouders van de tienermoeder zijn niet onderhoudsplichtig voor de baby (kleinkind). Er is geen recht op de alo-kop, omdat de ouders toeslagpartner zijn. De eventuele onderhoudsbijdrage die de tienermoeder ontvangt van de vader wordt in mindering gebracht op de bijzondere bijstand.

 

Weggelopen minderjarige

Voor de weggelopen minderjarige die inwonend is, is de onderhoudsplicht van de ouder de voorliggende voorziening. Er wordt alleen bijzondere bijstand gegeven als zij de onderhoudsplicht niet of niet genoeg nakomen. De eventuele onderhoudsbijdrage die de minderjarige ontvangt van de vader wordt in mindering gebracht op de bijzondere bijstand.

 

Er zijn nog twee ander voorliggende voorzieningen:

Pleeggeld

Voor het kind dat niet bij de ouders kan wonen, kan door de verzorgers een pleeggeldvergoeding worden aangevraagd bij het Bureau Pleegzorg Nederland. Het bureau beoordeelt of er een indicatie is en als dat het geval is ontvangt de verzorger een pleeggeldvergoeding.

 

Voogdij

Voogdij is gezag over een minderjarig kind dat niet door de ouders wordt uitgeoefend, maar door iemand anders. De voogd neemt het recht en de plicht om voor een kind te zorgen over van de ouder(s). Voogdij kan door 1 voogd of door 2 voogden samen worden uitgeoefend. Als de voogdij door twee voogden wordt uitgeoefend zijn de voogden onderhoudsplichtig. Als één voogd is de voogd niet onderhoudsplichtig.

 

Beoordeling van het recht en behandeling van aanvraag

Tienermoeder

Voor bijstand aan de baby van de tienermoeder hoeven er geen dringende redenen te zijn. Er moet worden onderzocht of de baby financieel onderhouden wordt. Is dat niet het geval dan is daarmee de noodzaak aangetoond.

 

Aanvraag en beslissing

  • De uitkering wordt gegeven aan de baby.

  • Het verzoek van de moeder om bijstand voor haar baby te ontvangen, wordt ambtshalve opgevat als een aanvraag van de baby.

  • De moeder moet het inlichtingenformulier voor een aanvraag levensonderhoud invullen en ondertekenen.

  • Tijdens de afhandeling van de aanvraag wijzen wij de moeder op het feit dat zij haar kind moet aanmelden bij de zorgverzekering. Dit wordt in de beschikking gezet.

Weggelopen minderjarige

Dringende redenen

Alleen bij zeer dringende redenen kan er bijzondere bijstand gegeven worden. Na een gesprek met de jongere zal dan allereerst bekend moeten worden of er een beroep gedaan kan worden op de jeugdhulpverlening en zo nee waarom niet. Daarvoor wordt de jongere verwezen naar het wijkteam. Vervolgens zal nagegaan moeten worden met welke hulpverleners er contact is en zal er informatie over de situatie ingewonnen moeten worden bij de hulpverleners. Als de jongere daar geen toestemming voor geeft, betekent het feitelijk dat er geen bijstand gegeven kan worden. De jongere heeft feitelijk geen goed argument voor het weigeren van contact met een hulpverlener. Ook contact met de ouders is belangrijk. Het verhaal van de jongere is één kant van het verhaal. Er zullen jongeren zijn die niet willen dat er contact met de ouders wordt opgenomen, omdat zij bijvoorbeeld niet willen dat de verblijfplaats bekend wordt. De jongere kan daarvoor redenen hebben, maar dat moet dan wel met een geloofwaardig verhaal worden onderbouwd.

Voordat bij hoge uitzondering bijzondere bijstand wordt gegeven, zal de hele situatie goed in beeld worden gebracht. De leeftijd van de jongere speelt ook een rol.

 

Recht op bijzondere bijstand

Er is recht op bijzondere bijstand in plaats van de alo-kop in de volgende situaties:

  • 1.

    De tienermoeder wordt onderhouden door haar ouders. Als de ouders van de tienermoeder de baby niet onderhouden dan verlenen wij bijzondere bijstand aan de baby voor het gemis van de alo-kop. Het bedrag van de alo-kop is het bedrag dat extra nodig is in het gezin door aanwezigheid van de minderjarige. De tienermoeder heeft geen recht op de alo-kop, omdat de ouder(s) van de tienermoeder toeslagpartners zijn (is). De tienermoeder heeft wel recht op kinderbijslag maar dit is geen voorliggende voorziening voor de kosten van levensonderhoud.

  • 2.

    De tienermoeder is jonger dan 18 jaar en is dus geen toeslagpartner voor het gezin waar zij inwoont. De tienermoeder heeft recht op kindgebonden budget met alleenstaande ouderkop. De tienermoeder en het gezin bepalen samen hoeveel zij bijvoorbeeld aan kostgeld betaalt.

Hoogte en duur van de bijzondere bijstand

  • De hoogte van de bijzondere bijstand is gelijk aan de alo-kop en wordt als periodieke bijzondere bijstand betaald.

  • De onderhoudsbijdrage van de vader van de baby of de ouders van de weggelopen minderjarige die betaald wordt aan belanghebbende wordt in mindering gebracht op de bijzondere bijstand.

  • De bijzondere bijstand wordt betaald aan de tienermoeder. De bijzondere bijstand voor de weggelopen minderjarige wordt betaald aan de minderjarige.

  • De bijzondere bijstand stopt op het moment dat de belanghebbende 18 jaar wordt of verhuisd.

  • Controle op veranderingen in de situatie vindt plaats door uitwisseling gegevens met gemeente BRP.

4.18 Broodnoodvoorziening voor jongeren tijdens zoektijd van 4 weken

De doelgroep

Personen van jonger dan 27 jaar, kunnen niet eerder dan 4 weken na datum melding een aanvraag doen. In de zoektijd (1e zoektijd of na verlenging) is er nog geen aanvraag voor een bijstandsuitkering en dus ook geen mogelijkheid voor een voorschot.

Een voorschot is alleen mogelijk voor jongeren die vallen onder het begrip uitgenodigde vluchteling of statushouder (artikel 41, 8e lid P-wet).

Jongeren die uit de WW komen, kunnen zich 4 weken voor afloop van de WW-uitkering melden. De aanvraag kan dan worden gedaan op het moment dat de WW-uitkering stopt. Als de WW-er zich niet 4 weken voor afloop van de WW meldt, doet dezelfde situatie zich voor,

 

Recht op bijzondere bijstand

Er is niet genoeg saldo aanwezig op de rekeningen van de aanvrager. De laatste afschriften moeten worden getoond of er moet digitaal inzage gegeven worden. Er kan geen beroep gedaan worden op ouders, gezinsleden of familie voor een bijdrage.

 

De hoofdregel is dat er geen bijstand gegeven wordt als er nog geen aanvraag voor een bijstandsuitkering is. De broodnoodvoorziening wordt als uitzondering gegeven. Er wordt rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de aanvrager. De aanwezigheid van kinderen is een omstandigheid waarmee wij rekening houden.

 

De hoogte van de broodnoodvoorziening

Het bedrag dat wij geven is bedoeld voor de eerste levensbehoeften en is zo laag mogelijk.

In ieder geval geven wij niet meer dan 90% van de bijstandsnorm waarop de aanvrager waarschijnlijk recht heeft.

 

Vorm van bijstand en afhandeling

De broodnoodvoorziening geven wij in de vorm van een lening volgens artikel 48, 2e lid onder a van de P-wet. In het besluit nemen wij de regel op dat moet worden terugbetaald. Terugbetaling vindt in 1 keer plaats. Als uitzondering kan terugbetalen in termijnen. Als de bijstandsuitkering na de zoektijd niet wordt gegeven, wordt de zaak aan Terugvordering en Verhaal gegeven voor incasso. Na wanbetaling wordt de lening op de standaard manier veranderd in een vordering.

 

4.19 Overbruggingsuitkering

In de praktijk kan zich de situatie voordoen dat een bijstandsgerechtigde in acute financiële problemen raakt en daardoor de periode tot de volgende uitbetaling niet meer kan overbruggen. Ook kan het gaan om de verandering van een weekbetaling naar een maandbetaling van de inkomsten. De Participatiewet biedt geen mogelijkheid om voorschotten te geven aan belanghebbenden die een bijstandsuitkering ontvangen. Het inkomen – uit werk of een uitkering – is genoeg om in de kosten van levensonderhoud te voorzien.

 

Voorliggende voorzieningen

Het reguliere inkomen is toereikend. Als hoofdregel geldt dat een overbruggingsuitkering niet mogelijk is. Een overbruggingsuitkering is dus altijd een uitzondering. Uitbetalen van opgebouwde tegoed aan vakantiegeld is een optie.

 

Recht op bijzondere bijstand

Er is één situatie waarin wij een overbrugging standaard geven. Dat is voor de statushouder die zich vanuit een asielzoekerscentrum in de gemeente vestigt en die een uitkering volgens de

Participatiewet gaat ontvangen. Er is dan een overgang van een laag wekelijks inkomen naar een maandelijks inkomen.

Deze overbruggingsuitkering wordt ook aan statushouders gegeven bij gezinshereniging waarbij de partner overkomt. Dit is voor de periode waarin de bijstandsnorm aangepast moet worden van alleenstaandennorm naar de gehuwdennorm. Omdat de uitkering pas achteraf wordt uitbetaald ontstaat er namelijk een gat tussen de alleenstaandennorm en de gehuwdennorm. Dit gedeelte wordt in de vorm van een voorschot op de gehuwdennorm verstrekt.

Bij de start van de uitkering is het geven van een voorschot na 4 weken verplicht. Het voorschot verrekenen wij in één keer met de uitkering. In de situatie dat er bij de start van de uitkering geen geld beschikbaar is voor levensonderhoud en de verrekening in één keer tot problemen leidt, verrekenen wij het voorschot in termijnen.

 

Hoogte bijzondere bijstand

  • De statushouder ontvangt een overbrugging die gelijk is aan één maanduitkering zonder vakantiegeld. Op de overbruggingsuitkering wordt de eerste maand huur ingehouden en doorbetaald aan de verhuurder.

  • In de overige situaties is de hoogte van het bedrag maatwerk.

Vorm bijzondere bijstand

  • De bijzondere bijstand wordt om niet gegeven. Bijstand in de vorm van een lening volgens artikel 48 lid 2 van de P-wet is in de jurisprudentie uitgesloten.

4.20 Kindgebondenbudget alleenstaande ouder kop

Omschrijving van de kosten

De alleenstaande ouder die een bijstandsuitkering heeft, heeft vanaf 01-01-2015 recht op een extra kindgebonden budget. Dit heet de alleenstaande ouderkop (alo-kop). Het is een regeling die door de belastingdienst Toeslagen wordt gegeven. Deze alo-kop is in de plaats gekomen van de norm voor een alleenstaande ouder. De alleenstaande ouder heeft vanaf 01-01-2015 recht op de norm voor een alleenstaande. De alleenstaande ouderkop is een voorziening die bedoeld is voor de kosten van levensonderhoud. Het recht wordt door de belastingdienst beoordeeld volgens de Algemene wet inkomensregelingen (Awir).

 

Voorliggende voorzieningen

De alleenstaande ouderkop is een voorliggende voorziening ten opzichte van de P-wet voor de kosten van levensonderhoud. Er zijn situaties waarin de alleenstaande ouder geen recht heeft op de alo-kop en in die situaties geven wij in bijzondere gevallen bijzondere bijstand voor de kosten van levensonderhoud in aanvulling op de normbijstand voor een alleenstaande.

 

Recht op bijzondere bijstand

Er is recht op bijzondere bijstand in plaats van de alo-kop in de volgende situaties:

  • 1.

    De alleenstaande ouder heeft volgens de bepalingen van de Awir een toeslagpartner en heeft daardoor geen recht op de alo-kop. De toeslagpartner kan als medebewoner onderdeel uitmaken van het huishouden van de alleenstaande ouder, maar kan ook een partner zijn die elders woont (duurzaam gescheiden maar er is nog geen verzoek om echtscheiding bij de rechtbank ingeleverd, opgenomen in een inrichting). Door gebruik te maken van de rekenhulp op de site van de belastingdienst Toeslagen kan worden nagegaan of er een Toeslagpartner is.

  • 2.

    Er is wel recht op de alo-kop, maar het recht gaat in op de eerste van de maand volgend op de maand waarin de bijstandsuitkering is gegeven. Dat kan bij een nieuwe toekenning of een mutatie tijdens de uitkering.

Hoogte en duur van de bijzondere bijstand

In de situatie onder 1:

De hoogte van de bijzondere bijstand is gelijk aan de alo-kop en wordt als periodiek bijzondere bijstand betaald.

De bijzondere bijstand wordt gestopt, zodra er geen toeslagpartner meer is of de partner die elders verblijft zich weer bij het gezin voegt.

Controle op veranderingen in de situatie vindt plaats door uitwisseling gegevens met gemeente BRP.

 

In de situatie onder 2:

De hoogte van de bijzondere bijstand is gelijk aan de hoogte van de alo-kop waar recht op zou zijn, over het deel van de maand waarover recht op bijstandsuitkering bestaat.

 

Bewijs

Het onderzoek en de vaststelling van het recht is hetzelfde als bij de aanvraag voor een bijstandsuitkering volgens de P-wet.

 

Vorm bijzondere bijstand

De bijzondere bijstand wordt om niet gegeven.

In situatie 1: belaste bijzondere bijstand (kosten van levensonderhoud)

In situatie 2: De bijzondere bijstand wordt uitbetaald als incidentele bijstand.

 

Regels voor aanvrager

De inlichtingenplicht die geldt voor personen die een bijstandsuitkering ontvangen, geldt hier ook.

Veranderingen in de situatie moeten zo snel mogelijk worden doorgegeven.

 

4.21 Kosten dubbele huur en verhuiskosten

Het gaat om de kosten van de verhuizing van de inboedel en de kosten van de dubbele huur bij een noodzakelijke verhuizing.

 

Voorliggende voorzieningen

Vanaf het moment dat bekend is dat er een noodzaak is om te verhuizen, mag er verwacht worden dat er gespaard wordt voor de kosten. Ook de individuele inkomenstoeslag kan gebruikt worden voor deze kosten.

 

De Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO) is een voorliggende voorziening als de woning waarin belanghebbende woont niet aangepast kan worden en verhuizing naar een aangepaste woning de oplossing is. In dat geval kunnen de verhuiskosten door de WMO vergoed worden.

 

Recht op bijzondere bijstand

Er bestaat recht op bijzondere bijstand als de verhuizing noodzakelijk is. Bij een medische indicatie moet de vraag beantwoord worden of het een verhuizing is die door de WMO kan worden vergoed. Is dat niet het geval dan kan er in bepaalde situaties een onafhankelijke derde advies gevraagd worden. Er zijn ook situaties die zo duidelijk zijn dat een advies niet nodig is. De sociale noodzaak voor de verhuizing kan verschillend zijn. De consulent beschrijft in het rapport de noodzaak van de verhuizing.

 

De volgende kosten zien wij als noodzakelijk:

  • De huur van een bus voor de verhuizing van de inboedel. Denk hierbij bijvoorbeeld ook aan een meubelbak met laadklep en steekwagen. Hierbij moet worden gekozen voor de goedkoopst mogelijke optie.

  • Kosten van een verhuizing door een verhuisbedrijf zijn alleen noodzakelijk als er geen andere oplossing is. Denk hierbij aan hulp vanuit de omgeving.

  • De kosten van dubbele huur bij een verhuizing binnen de gemeente.

Niet noodzakelijke kosten:

  • De kosten van dubbele huur bij een verhuizing buiten de gemeente.

Bewijs

  • Bewijs van inschrijving bij de woningbouwvereniging of een ander document waaruit blijkt vanaf wanneer er gezocht/uitgezien is naar een andere woning

  • (Pro forma) nota van de huur van de bus of verhuisbedrijf

  • Huurcontract en huurspecificatie voor het vaststellen van de hoogte van de dubbele huur

Vorm bijzondere bijstand

  • Om niet als er geen spaargeld is, omdat sparen niet mogelijk was.

  • Geldlening (art. 48, lid 2 onder b P-wet) als er wel gespaard had kunnen worden voor de noodzakelijke verhuizing.

Regels voor aanvrager

  • Inleveren van de nota van de huur van de bus of verhuisbedrijf als deze nog niet aanwezig was op het moment van het krijgen van de bijzondere bijstand

  • Het geld wordt uitgegeven waarvoor het bedoeld is. Dit kan gecontroleerd worden.

4.22 Legeskosten

Het college moet ook bij een aanvraag om bijzondere bijstand toetsen of een belanghebbende behoort tot de kring der rechthebbenden. Een belanghebbende zal dus recht op bijstand moeten hebben (artikel 11 leden 2 en 3 Participatiewet). Zie voor meer informatie hierover:

"Vreemdelingen".

 

Voorliggende voorzieningen

Een bestaande kredietmogelijkheid bij de gemeentelijke Kredietbank is een voorliggende voorziening voor legeskosten in verband met de verkrijging van vreemdelingendocumenten.

Zie bijvoorbeeld: CRvB 22-5-2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA7108.

 

Recht op bijzondere bijstand

Het college moet een aanvraag om bijzondere bijstand voor legeskosten voor verblijfsvergunningen of naturalisatie beoordelen aan de hand van de vier vragen van artikel 35 Participatiewet. Hiervoor geldt natuurlijk wel dat eerst moet worden beoordeeld of sprake is van een voorliggende voorziening en belanghebbende voldoet aan de overige voorwaarden van het recht op bijstand.

 

In principe geldt de hoofdregel dat voor legeskosten voor een verblijfsvergunning geen bijzondere bijstand wordt verleend. Deze kosten behoren immers tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Een belanghebbende moet deze kosten in beginsel uit de bijstandsnorm voldoen.

 

4.23 Aanvulling op WTOS

Omschrijving van de kosten

De tegemoetkoming scholieren is voor studenten van 18 jaar of ouder die voltijd dagonderwijs volgen. Hieronder valt niet het beroepsonderwijs of hoger onderwijs. Het gaat om vmbo, havo, vwo en voortgezet speciaal onderwijs. De hoogte van de basistoelage WTOS vanuit DUO voor levensonderhoud hangt niet af van het inkomen. De toelage wordt elk half jaar door de overheid vastgesteld (per 1 januari en 1 juli). De aanvullende toelage WTOS vanuit DUO is wel afhankelijk van de situatie van de ouders voor jongeren tot en met 20 jaar.

Voor jongeren van 18 tot en met 20 jaar gaan wij er van uit dat de ouders bijdragen in de kosten van levensonderhoud van het kind. Dit is de wettelijke onderhoudsplicht. Als de ouders financieel niet kunnen of willen bijspringen dan kan er bijzondere bijstand gegeven worden als aanvulling op de basistoelage WTOS. Voor alle gevallen kan onder bepaalde voorwaarden een aanvullende tegemoetkoming WTOS bij DUO worden aangevraagd. Als deze niet wordt toegekend, of niet toereikend is, kan ook aanvullende bijzondere bijstand voor levensonderhoud worden verstrekt.

 

Voorliggende voorzieningen

  • Voor thuiswonende studenten van 18 tot en met 20 jaar bestaat de voorliggende voorziening uit de onderhoudsplicht van de ouders. De jongere die een aanvulling op zijn basistoelage aanvraagt zal dus eerst aan de ouders een bijdrage moeten vragen.

  • Er kan in bepaalde gevallen een aanvullende tegemoetkoming WTOS vanuit DUO worden verstrekt. Deze is voorliggend. Deze is niet in alle gevallen genoeg. Deze aanvulling kan berekend worden via Rekenhulp tegemoetkoming scholieren van DUO.

  • Voor studenten van 21 jaar en ouder is er verder geen voorliggende voorziening.

Recht op bijzondere bijstand

Er is recht op (aanvullende) bijzondere bijstand als:

  • De ouders van de student door hun financiële situatie het inkomen van het kind tot 21 jaar niet aan kunnen vullen. Dat is in ieder geval het geval als de ouders een inkomen hebben dat even hoog is als de bijstandsuitkering. Is het inkomen hoger, dan maken wij een draagkrachtberekening;

  • Er geen aanvullende tegemoetkoming WTOS mogelijk is, of deze niet genoeg is;

  • De student van 21 jaar en ouder heeft ongeacht het inkomen van de ouders recht op een aanvulling. Er is namelijk geen wettelijke onderhoudsplicht meer voor de ouders voor kinderen van 21 jaar of ouder. Wel kan er recht zijn op een aanvullende tegemoetkoming WTOS.

Geen verhaal op de ouders

Wij gaan er vanuit dat ouders die genoeg financiële middelen hebben, het thuiswonende kind tot 21 jaar onderhouden. Het onderzoek naar de draagkracht van ouders maakt daarom onderdeel uit van het recht op de bijzondere bijstand bij kinderen tot 21 jaar. Als er draagkracht bij de ouders aanwezig is om aan de onderhoudsplicht te voldoen, dan bestaat er geen recht op de aanvullende bijzondere bijstand. De onderhoudsplicht van de ouders geldt dan als voorliggende voorziening. In uitzonderingsgevallen waarbij de relatie tussen ouder(s) en kind hierom vraagt, kan hiervan af worden geweken. De relatie tussen ouder en kind wordt dan onderzocht.

 

Bewijs

  • Het onderzoek naar het recht op bijzondere bijstand is hetzelfde als het onderzoek bij een aanvraag voor een bijstandsuitkering volgens de P-wet.

  • Besluit DUO aanvullende toelage WTOS, eventueel achteraf als de aanvrager nog in afwachting is van DUO.

Hoogte bijzondere bijstand

  • Wij vullen het inkomen aan tot de voor de leeftijd en situatie geldende bijstandsnorm. Als de kostendelersnorm van toepassing is, wordt deze norm aangehouden.

  • De inkomsten worden zoals bij een bijstandsuitkering in mindering gebracht

  • Bij het in afwachting zijn van het besluit DUO aanvullende toelage WTOS, wordt de hoogte van de bijzondere bijstand berekend via Rekenhulp tegemoetkoming scholieren van DUO.

Vorm bijzondere bijstand

  • De bijzondere bijstand wordt om niet gegeven

  • Belastbare bijzondere bijstand

5. Categoriale Bijzondere bijstand

Algemeen

Voor categoriale bijzondere bijstand stellen wij vast dat de inwoner tot een bepaalde doelgroep hoort. De noodzaak van de kosten onderzoeken wij niet, dit nemen wij aan.

 

Vanaf 01-01-2015 is categoriale bijzondere bijstand alleen nog mogelijk voor deelname aan een collectieve zorgverzekering en de vergoeding van (een deel van) de premie van die verzekering (artikel 35 lid 3 P-wet).

 

Univé collectieve zorgverzekering gemeenten

Doelgroep zijn personen met een inkomen tot 130% van de bijstandsnorm zoals genoemd in de Participatiewet. Het vermogen laten we hierbij buiten beschouwing.

 

De verzekering

Het aanbod van Univé bestaat voor nieuwe verzekerden vanaf 01-01-2023 uit drie pakketten:

  • Compact;

  • Compleet;

  • Compleet +

Hoogte gemeentelijke bijdrage

De gemeentelijke bijdrage is een vast percentage van de bedragen van de pakketten.

  • Compact: 15%

  • Compleet: 20%

  • Compleet +: 20%

  • Andere gemeenten vragen wat zij geven.

De voordelen van de collectieve zorgverzekering gemeenten

  • Verzekering die toegang biedt tot goede en betaalbare zorg voor inwoners met een laag inkomen.

  • Vergoedingen op maat voor inwoners met een lage, middel of hoge zorgvraag.

  • Belangrijke vergoedingen zijn verzekerd: tandheelkunde, fysiotherapie, brillen, orthodontie en eigen bijdrage WMO.

  • Regeling verplicht eigen risico.

  • Geen gezondheidscheck door de verzekeraar.

  • Gemeente doet een bijdrage in de premie.

  • Univé geeft een betalingsachterstand door aan de gemeente en bij achterstand wordt de premie op de uitkering ingehouden en doorbetaald aan Univé. Voor cliënten zonder periodieke uitkering van de gemeente is deze dienstverlening niet mogelijk.

De duur van de deelname aan de verzekering

  • Zolang het inkomen lager is dan 130%van de bijstandsnorm

  • Gebruik maken van de collectieve verzekering bij een hoger inkomen is niet mogelijk, omdat er dan niet meer gesproken kan worden van een minimum inkomen. Er vindt jaarlijks een controle plaats op het inkomen.

  • Afmelden voor het gemeentepakket wordt per 1 januari van het daarop volgende kalenderjaar gedaan als het (gezamenlijk) inkomen te hoog is.

  • Bij een verhuizing buiten de gemeente wordt de deelnemer de maand na de verhuizing afgemeld.

6. Overzicht wijzigingen 2025

Inleiding

Generiek inkomensbeleid is de verantwoordelijkheid van het Rijk. Periodiek wordt door het ministerie van SZW het sociaal minimum vastgesteld. Dit is gelijk aan de geldende/toepasselijke bijstandsnorm – eventueel aangevuld met kinderbijslag – en voor mensen van de pensioengerechtigde leeftijd gelijk aan de AOW. Deze norm geldt voor alle burgers van Nederland.

 

Door bijzondere omstandigheden kan zich de situatie voordoen dat deze uitkeringsnorm niet volledig toereikend is om bepaalde noodzakelijke uitgaven te doen. Als een persoon voor dergelijke kosten geen beroep kan doen op een voorliggende voorziening (zoals huurtoeslag of

Studiefinanciering of WTOS ), kan de gemeente individuele bijzondere bijstand verstrekken. Hierbij moet worden vastgesteld of de uitgaven noodzakelijk zijn, daadwerkelijk gemaakt zijn en voortkomen uit bijzondere omstandigheden. Bij het vaststellen levert de gemeente maatwerk. Dit betekent dat de gemeente die voorziening biedt die past bij de hulpvraag van de burger.

 

Bijzondere bijstand is financieel en beleidsmatig gedecentraliseerd aan gemeenten, omdat op lokaal niveau – dichtbij de burger – maatwerk kan worden geboden rekening houdend met individuele en lokale omstandigheden. Dit vraagt redelijk en consistent beleid met een flexibele uitvoering waarin de dienstverlening telkens afgestemd wordt op de individuele situatie van de burger. Gemeenten bezien de hele situatie waarin de burger zich bevindt en maken een inschatting wat het individu op dat moment nodig heeft. De gemeente Hollands Kroon doet dit zo efficiënt mogelijk, laat geen willekeur bestaan en hanteert de juridische kaders die zijn uitgewerkt in het Handboek Bijzondere Bijstand Hollands Kroon 2024.

 

Herijking bijzonder bijstandsbeleid

Gedurende de periode van 1 januari tot en met 31 augustus 2024 heeft een interne ambtelijke werkgroep, bestaande uit een beleidsadviseur en drie inkomensconsulenten van het team Inkomen, de herijking van het bijzondere bijstandsbeleid ter hand genomen. Inkomensconsulenten hebben aangeven dat het bijzondere bijstandsbeleid dat -zoals reeds vermeld- is vastgelegd in het Handboek Bijzondere Bijstand Hollands Kroon 2024 soms onduidelijk, onvolledig en voor meerdere uitleg vatbaar is.

 

Gemeenten zorgen met hun eigen armoedebeleid voor steun van mensen met een laag inkomen. Onder armoedebeleid valt de bijzondere bijstand, de gemeentelijke minimaregelingen (regeling Meedoen, zwemlesregeling en computerregeling) de schuldhulpverlening en kwijtschelding van de gemeentelijke belastingen. De middelen voor armoedebestrijding zijn per definitie schaars en gemeenten zijn daarom genoodzaakt deze middelen zo doelmatig mogelijk in te zetten. De gemeente kan het geld immers maar een keer uitgeven. Bovengenoemde werkgroep heeft tijdens de herijking van het bijzondere bijstandsbeleid naast de rechtmatigheid ook kritisch gekeken naar de doelmatigheid. Het streven moet erop zijn gericht dat de beschikbare middelen voor de bijzondere bijstand zo worden ingezet dat zo veel mogelijk inwoners met een laag inkomen optimaal worden ondersteund. De extra aandacht voor de doelmatigheid van het bijzondere bijstandsbeleid is mede ingegeven door het ‘ravijnjaar 2026’. Dit ‘ravijnjaar’ wordt gekenmerkt door een drastische daling van de rijksbijdragen per inwoner. Deze veranderingen zullen volgens berichten in de media een grote impact hebben op de financiële slagkracht van gemeenten.

 

Aangezien het streven erop is gericht om op termijn het minimabeleid van de gemeenten van de regio Noordkop zoveel als mogelijk te harmoniseren, is tijdens de herijking ook gekeken naar het beleid van de gemeenten Schagen, Texel en Den Helder.

 

De herijking van het bijzondere bijstandsbeleid heeft geresulteerd in 21 wijzigingsvoorstellen die hieronder nader worden toegelicht.

 

1. Stimulansz model beleidsregels bijzondere bijstand

Het beleid met betrekking tot de bijzondere bijstand is in de gemeente Hollands Kroon - zoals reeds vermeld- neergelegd in het Handboek Bijzondere Bijstand. Dit handboek biedt een praktisch kader voor de uitvoering van de bijzondere bijstand en geeft antwoord op vragen als: Hoe zit het met de toekenning van bijstand voor medische kosten? Welk inkomen telt mee voor het berekenen van de draagkracht van een inwoner?

 

De in dit handboek opgenomen beleidsregels zijn vaak onnodig complex opgesteld. Hierdoor is het voor de inkomensconsulenten zo nu en dan een uitdaging om maatwerk aan de inwoners te geven. Om voor een glasheldere uitvoering te zorgen, is het cruciaal dat zowel de inkomensconsulenten als inwoners uit de voeten kunnen met de beleidsregels. Het opstellen van de regels in voor iedereen begrijpelijke taal helpt hierbij. In het Stimulansz-model is ervoor gekozen om de beleidsregel en de toelichting bij elkaar te plaatsen, waardoor de inkomensconsulenten en inwoners de ‘regel’ en het ‘waarom’ tegelijk lezen. Dit voorkomt onnodige misverstanden. Verder is de tekst van dit model op B2-niveau geschreven, zodat de gemiddelde lezer snapt wat de bedoeling is. Uw college wordt daarom voorgesteld aansluiting te zoeken bij het Stimulansz-model voor de beleidsregels bijzondere bijstand.

 

2. Beleidsregels inzake de draagkrachtbepaling

De huidige beleidsregels met betrekking tot de draagkrachtbepaling zijn weinig gestructureerd en vaak voor meerdere uitleg vatbaar. De beleidsregels met betrekking tot dit onderdeel zijn daarom herschreven, in die zin dat er 17 heldere, eenduidige vuistregels zijn geformuleerd aan de hand waarvan de draagkracht wordt bepaald. Het beleid inzake de draagkracht wordt zo op een meer geordende wijze aan de inwoner en de inkomensconsulent gepresenteerd, waardoor het beter uitvoerbaar is en misverstanden worden voorkomen.

 

3. Spaargeld opgebouwd tijdens de bijstand

Spaargelden opgebouwd tijdens de periode waarin bijstand wordt ontvangen worden niet als vermogen in aanmerking genomen (artikel 34 lid 2 onderdeel c Participatiewet). Een belanghebbende moet wel middels controleerbare en verifieerbare gegevens aantonen dat het vermogen is gespaard uit de bijstand.

 

Voor de bijzondere bijstand kan het college ervoor kiezen om spaargeld opgebouwd tijdens de periode waarin bijstand is ontvangen als vermogen bij de draagkrachtbepaling in aanmerking te nemen. In het huidige handboek wordt voor de bijzondere bijstand spaargeld opgebouwd tijdens de bijstand buiten beschouwing gelaten. Uit de uitvoeringspraktijk is echter naar voren gekomen dat een aantal klanten in ons bestand dat onder bewind staat maandelijks aanzienlijke bedragen spaart. Dit heeft vaak tot het gevolg dat het vermogen van deze cliënten op den duur uitstijgt boven de op hen van toepassing zijnde vermogensgrens. Voorgesteld wordt dit beleid te wijzigen, in die zin dat voor de bijzondere bijstand spaargeld opgebouwd tijdens de bijstand bij de draagkrachtbepaling wel als vermogen in aanmerking wordt genomen. Dit kan dus betekenen dat een aanvraag bijzondere bijstand van een bijstandsgerechtigde wordt afgewezen omdat hij over voldoende middelen beschikt (het in de bijstand opgebouwde spaargeld tezamen met de reeds aanwezige vermogensbestanddelen zijn hoger dan de van toepassing zijnde vermogensgrens). Vanuit het perspectief van de belastingbetaler valt niet in te zien waarom een schaars goed als bijzondere bijstand moet worden ingezet in situaties waarin de klant kennelijk over voldoende middelen (lees: spaargeld) beschikt om zelf in de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt aangevraagd te voorzien. Voor alle duidelijkheid, deze nieuwe beleidsregel geldt voor alle personen die bijzondere bijstand aanvragen en is dus niet alleen van toepassing op personen die onder bewind staan.

 

Echter, spaargeld opgebouwd tijdens een WSNP- traject of een schuldregelingstraject op grond van Wet gemeentelijke schuldhulpverlening wordt niet als vermogen meegeteld. Dit spaargeld is immers bestemd om een deel van de schulden af te lossen.

 

4. Pleegvergoeding in relatie tot draagkrachtbepaling

Ingevolge artikel 31 lid 2 sub a Participatiewet worden middelen die een belanghebbende ontvangt ten behoeve van levensonderhoud van niet in de bijstand begrepen personen niet tot de middelen gerekend. Het gaat hier bijvoorbeeld om pleegvergoedingen. Deze pleegvergoeding wordt dus niet op de bijstandsuitkering gekort. Echter, bij de bijzondere bijstand mag de gemeente deze pleegvergoeding wel tot de middelen van de belanghebbende rekenen. De gemeente heeft hier dus beleidsvrijheid. Volgens het huidige beleid wordt voor de bijzondere bijstand de pleegvergoeding bij de draagkrachtbepaling niet als middel in aanmerking genomen. Er wordt dus met deze pleegvergoeding geen rekening gehouden. Voorgesteld wordt dit beleid te wijzigen. Alvorens inhoudelijk op dit wijzigingsvoorstel in te gaan, wordt eerst in het kort de pleegvergoeding nader toegelicht.

 

Pleegouders kunnen een vergoeding krijgen voor de kosten van de verzorging en opvoeding van hun pleegkind. De pleegouder vraagt deze pleegvergoeding aan bij de organisatie die het kind bij deze ouder heeft geplaatst. Deze organisatie keert de vergoeding ook uit.

 

De pleegvergoeding is een basisbedrag dat de overheid jaarlijks vaststelt. Hoe hoog het basisbedrag is, hangt af van de leeftijd van het pleegkind. Maandelijks wordt het bedrag uitbetaald. De pleegzorgvergoedingen voor 2024 zijn:

0 t/m 8 jaar: € 722,92

9 t/m 11 jaar: € 732,53

12 t/m 15 jaar: € 797,63

16 t/m 17 jaar: € 880,71

jaar en ouder € 889,70

 

De pleegvergoeding is bedoeld om normale en terugkerende kosten voor het opvoeden van pleegkinderen te bekostigen. Zo kan de pleegouder het geld bijvoorbeeld gebruiken voor eten en meubilair, kleding en schoenen van de pleegkinderen. De pleegzorgvergoeding mag ook gebruikt worden voor uiterlijke verzorging (bijvoorbeeld toiletartikelen of een bezoek aan de kapper). Ook kan de pleeggeldvergoeding besteed worden aan kleine onderwijskosten (pennen, schriften, agenda etc.), reiskosten voor een schoolbezoek, reiskosten voor een familiebezoek van de pleegkinderen, zakgeld, sport en/of ontspanning en vakantiekosten.

 

Pleegkinderen hebben tot hun 21e jaar recht op pleegzorg. Soms hebben pleegkinderen na hun 21e jaar nog behoefte aan pleegzorg met ondersteuning en begeleiding. Ze kunnen dan tot hun 23e jaar een beroep doen op voortgezette pleegzorg. Zolang het pleegkind pleegzorg krijgt, ontvangt de pleegouder een pleegvergoeding.

 

Heeft de pleegouder een meerderjarig pleegkind? Dan is het pleegkind in sommige gevallen fiscale partner van de pleegouder. Dit kan invloed hebben op de hoogte van toeslagen die de pleegouder ontvangt, zoals huur-, zorg- of kinderopvangtoeslag. Pleegkinderen en hun verzorgende ouders kunnen aan de Belastingdienst vragen om het fiscaal partnerschap te veranderen. Hierdoor telt de Belastingdienst de inkomens van het 18-jarige pleegkind en ouder niet meer op bij het bepalen van de inkomstenbelasting en het recht op toeslagen.

 

De pleegvergoeding heeft -zoals vermeld- geen invloed op de eventuele bijstandsuitkering van de pleegouder. Ook hoeft de pleegouder de vergoeding niet op te geven als deze huur- of zorgtoeslag aanvraagt. De vergoeding is belastingvrij. Het maakt niet uit hoeveel pleegkinderen de pleegouder heeft. De Belastingdienst beschouwt de pleegvergoeding als kostenvergoeding.

 

In sommige situaties kan de pleegouder een extra toeslag voor pleegzorg ontvangen. Bijvoorbeeld als deze zorgt voor een kind met een handicap of als deze voor drie of meer pleegkinderen zorgt. De extra toelage is maximaal €4,65 per dag per situatie in 2024. Deze toeslag kan de pleegouder voor verschillende doeleinden gebruiken. Zo gebruiken veel pleegouders een pleegzorgvergoeding om een huishoudelijke hulp in te huren. De pleegouder kan er ook voor kiezen om dit extra geld te gebruiken om een nieuw (huishoudelijk) apparaat aan te schaffen of nieuw meubilair te kopen. Met meerdere kinderen in huis worden apparaten en meubels intensiever gebruikt, waardoor ze sneller slijten en eerder aan vervanging toe zijn.

 

Gelet op het vorenstaande wordt voorgesteld het beleid op dit punt te wijzigen, in die zin dat voor de bijzondere bijstand voortaan wel rekening wordt gehouden met de pleeggeldvergoeding(en), tenzij de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt aangevraagd uitsluitend betrekking hebben op de persoon van de pleegouder en de pleegkinderen op geen enkele wijze hiervan profijt trekken. Bij een aanvraag om bijzondere bijstand in de dieetkosten van de pleegouder bijvoorbeeld wordt bij de draagkrachtbepaling de pleegvergoeding niet als middel in aanmerking komen. Immers, alleen de pleegouder profiteert van de bijzondere bijstand. Bij een aanvraag om bijzondere bijstand in de kosten van woninginrichting of woonkosten bijvoorbeeld wordt daarentegen wel rekening gehouden met de pleegvergoeding. Deze wordt dan bij de draagkrachtbepaling als inkomen in aanmerking genomen. Ook de pleegkinderen hebben immers in dat geval profijt van de aan de pleegouder verleende bijzondere bijstand.

 

5. Kostendelersnorm toepassen bij draagkrachtbepaling

Op dit moment wordt de kostendelersnorm niet toegepast bij draagkrachtbepaling bijzondere bijstand. Voorgesteld wordt de kostendelersnorm wel te gaan toepassen bij de draagkrachtbepaling. Aan dit voorstel liggen de volgende overwegingen ten grondslag. Met de invoering van de systematiek van de kostendelersnorm heeft de wetgever beoogd rekening te houden met de voordelen van het delen van kosten binnen één huishouden en wordt een stapeling van uitkeringen binnen een huishouden voorkomen. Daarbij vindt de wetgever het van groot belang dat het lonend blijft om op zoek te gaan naar regulier werk. De invoering van de kostendelersnorm draagt volgens de wetgever hieraan bij. Voor personen die de kosten kunnen delen met anderen zijn de algemene kosten van het bestaan dus lager. Dit betekent bijvoorbeeld dat hij een lager bedrag aan huur, water en verwarming betaalt. De draagkracht van deze persoon is door het kunnen delen van de woonkosten hoger. Hierdoor zal er meer kunnen worden gereserveerd om zelf te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende kosten van het bestaan en kan het college een eventuele aanvraag om bijzondere bijstand wegens aanwezigheid van voldoende draagkracht afwijzen.

 

6. Draagkracht en vrij te laten vermogen

Voor de vaststelling van het vermogen wordt uitgegaan van het vermogen op de datum van de aanvraag. De regels uit de wet voor het vaststellen van het vermogen gelden ook voor bijzondere bijstand. Als de inwoner een vermogen heeft dat niet hoger is dan de bedragen uit artikel 34 lid 3 van de wet, hoeft de inwoner uit zijn vermogen niets bij te dragen aan de kosten. In afwijking van deze hoofdregel wordt het vrij te laten vermogen zoals bedoeld in artikel 34, derde lid, van de Participatiewet alleen in aanmerking genomen bij de draagkrachtberekening voor zover de aanvraag voor bijzondere bijstand betrekking heeft op:

  • de aflossing van schulden;

  • kosten voor woninginrichting en duurzame gebruiksgoederen, of

  • kosten waarvoor alleen om zeer dringende redenen bijzondere bijstand wordt verleend.

7. Geen draagkracht bij WSNP-traject of schuldregeling op grond van Wgs

Als een belanghebbende is toegelaten tot de Wet schuldsanering natuurlijke personen( Wsnp), kan het college volgens de constante jurisprudentie alleen de draagkracht berekenen over middelen waarover belanghebbende daadwerkelijk de beschikking heeft (zie CRvB 01-02-2005). Als de Wsnp van toepassing is, dan kan een belanghebbende alleen daadwerkelijk beschikken over de middelen die buiten de boedel vallen. Het gaat dan om het vrij te laten bedrag (vtlb). Het vtlb bestaat uit de beslagvrije voet en verhogingen daarvan op grond van het vtlb-rapport. Het vtlb ligt op of rond het bijstandsniveau. Dit betekent dat belanghebbende geen draagkracht heeft.

 

Voor de vaststelling van de draagkracht van een belanghebbende die is toegelaten tot de gemeentelijke schuldhulpverlening en in het kader van het minnelijk traject een schuldregeling heeft gesloten met zijn schuldeisers hoeft geen aansluiting gezocht te worden bij de bepaling van de draagkracht in de Wsnp. In het huidige Handboek is niet duidelijk vastgelegd welke keuze de gemeente Hollands Kroon heeft gemaakt. Voorgesteld wordt in de nieuwe beleidsregels vast te leggen dat het bedrag dat tijdens een gemeentelijke schuldhulpverlening op grond van de Wgs voor de aflossing van schulden wordt gereserveerd niet als inkomen in aanmerking wordt genomen. Personen die in het WSNP- traject zitten, verkeren in nagenoeg dezelfde omstandigheden als personen die in een schuldregelingstraject zitten op grond van Wgs. Beide personen hebben immers de beschikking over het vtlb dat qua hoogte op of rond van het sociaal minimum ligt. Het is uit oogpunt van het gelijkheidsbeginsel niet verdedigbaar om bij een WSNP-traject wel en bij een schuldregelingstraject op grond van de Wgs niet de draagkracht te berekenen over middelen waarover belanghebbende daadwerkelijk de beschikking heeft.

 

8. Verrekening draagkracht

Het huidige handboek bevat geen duidelijke regels over de verrekening van de draagkracht. Voorgesteld wordt hierover het volgende vast te stellen: “De draagkracht wordt op de volgende wijze verrekend:

  • d.

    De draagkracht uit vermogen wordt het eerst gebruikt.

  • e.

    Bij incidentele verstrekkingen wordt de draagkracht ineens verrekend.

  • f.

    Bij periodieke verstrekkingen wordt de draagkracht evenredig gespreid over de maanden waarin de bijzondere bijstand wordt verstrekt en evenredig verrekend met de kosten.

  • g.

    Bij samenloop van incidentele en periodieke bijzondere noodzakelijke kosten wordt de draagkracht bij voorrang verrekend met de incidentele kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt toegekend.”

9. Waarde auto’s

Uit de uitvoeringspraktijk blijkt steeds vaker dat auto’s van 7 jaar of ouder nog een aanzienlijke marktwaarde vertegenwoordigen. De huidige richtlijn, inhoudende dat auto’s ouder dan 7 jaar niet worden meegeteld bij de vermogensvaststelling, is door de tijd ingehaald. Voorgesteld wordt deze richtlijn als volgt te wijzigen. “De waarde van een auto telt mee bij de vermogensvaststelling. Van dit uitgangspunt wordt afgeweken, indien:

  • de auto, gelet op de omstandigheden van persoon en gezin, noodzakelijk is (bijvoorbeeld wanneer een van de gezinsleden ernstig lichamelijk gehandicapt is);

  • de auto ouder is dan 10 jaar;

  • de waarde van de auto minder is dan € 3.350,00. Hierbij is aangesloten bij de Regeling kwijtschelding belastingen medeoverheden. Het bedrag van € 3.350,- wordt jaarlijks geïndexeerd.

De auto (niet ouder dan 10 jaar) wordt gewaardeerd aan de hand van de ANWB/BOVAG autokoerslijst op internet: http://www.anwb.nl/auto/koerslijst.”

 

Nieuw is dat rekening wordt gehouden met situaties waarin een auto, gelet op de omstandigheden van persoon en gezin, noodzakelijk is. De voorgestelde beleidswijziging houdt dus enerzijds een inperking en anderzijds een verruiming in ten opzichte van het huidige beleid.

 

Voor alle duidelijkheid, deze beleidsregel geldt ook bij de algemene bijstand.

 

10. Begrafenisverzekeringen

De beleidsregels inzake de draagkrachtbepaling in relatie tot begrafenisverzekeringen waren niet heel duidelijk. In de nieuwe beleidsregels zijn hierover de volgende vuistregels opgenomen:

  • a.

    Bij een begrafenisverzekering in natura doen wij niets. Wij nemen deze verzekering niet in aanmerking.

  • b.

    Bij een levensverzekering die is afgesloten om de kosten van een begrafenis of crematie te kunnen dekken geldt dat deze kan worden vrijgelaten indien de levensverzekering alleen bij overlijden wordt uitgekeerd en niet tussentijds afkoopbaar is. Als deze levensverzekering tussentijds afkoopbaar is en de afkoopwaarde gelijk is aan of lager is dan de gemiddelde kosten voor een uitvaart zoals die door het CBS zijn vastgesteld, dan wordt deze afkoopwaarde vrijgelaten.

  • c.

    Wanneer in plaats van een verzekering een bedrag in contanten is gereserveerd voor begrafeniskosten wordt dit alleen onder de volgende voorwaarden niet als vermogen aangemerkt:

    • het geld is uitsluitend bestemd voor de kosten van een uitvaart en mag niet tussentijds opvraagbaar zijn (staat op een aparte rekening);

    • het tegoed alleen bij overlijden kan worden opgenomen (er zal dus een gemachtigde zijn aangewezen die het geld kan opnemen), en

    • het tegoed mag niet bovenmatig hoog zijn.

Een tegoed is bovenmatig hoog als het tegoed de gemiddelde kosten voor een uitvaart zoals die door het CBS zijn vastgesteld overstijgt.

 

Voor alle duidelijkheid, bovengenoemde richtlijnen gelden ook voor de algemene bijstand.

 

11. Duur draagkrachtperiode

De regels die in het huidige handboek zijn opgenomen met betrekking tot de duur van de draagkracht zijn verouderd en uit het oogpunt van rechtmatigheid zeker niet zonder risico’s aangezien binnen de huidige regels de draagkrachtperiode voor onbepaalde tijd kan worden vastgesteld. In de nieuwe beleidsregels worden hierover de volgende regels opgenomen:

“Het draagkrachtjaar start op de eerste dag van de maand waarin de kosten zich voordoen.

De duur van de draagkrachtperiode wordt vastgesteld voor:

  • een periode van 12 maanden als sprake is van variabele inkomsten zoals inkomen uit of in verband met arbeid, alimentatie of uitkeringen (waaronder uit WW of ZW);

  • een periode van 36 maanden als sprake is van een vast inkomen zoals een (aanvullende) bijstandsuitkering, IOAW, IOAZ, Wajong, WIA of AOW al dan niet met een aanvullend pensioen, voor zover het inkomen niet uitstijgt boven de van toepassing zijnde inkomensgrens (afhankelijk van de kostensoort is dat 100 of 120% van de bijstandsnorm);

  • een periode van 12 maanden als sprake is van draagkracht.”

12. Geen bijzondere bijstand voor eigen bijdrage Wlz en eigen bijdrage Wmo

In de nieuwe beleidsregels wordt expliciet vastgelegd dat bijzondere bijstand in de kosten van de eigen bijdrage Wlz en Wmo niet mogelijk is. Binnen het huidige beleid was dit wel mogelijk. Dit is buitenwettelijk begunstigend beleid.

 

De voorgestelde beleidskeuze kan als volgt worden onderbouw. De eigen bijdrage voor zorg vanuit de Wlz of voor maatwerkvoorzieningen op grond van de Wmo 2015 wordt met toepassing van het Besluit langdurige zorg (Blz) respectievelijk het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 vastgesteld en is afhankelijk van het inkomen en vermogen van een belanghebbende. En dat is precies de reden dat bijzondere bijstand voor deze kosten niet aan de orde kan zijn. De afstemming van de hoogte van de eigen bijdrage op de individuele inkomenssituatie van een belanghebbende maakt dat eigen bijdragen voor Wlz-zorg en Wmo-maatwerkvoorzieningen altijd ‘financieel draagbaar’ zijn. En dat betekent weer dat de voorliggende voorzieningen (in dit geval dus de Wlz en de Wmo 2015) toereikend en passend zijn te achten. Aanvragen bijzondere bijstand voor deze eigen bijdragen kunnen dan ook worden afgewezen op grond van artikel 15 lid 1, eerste volzin Participatiewet. Bevestiging voor dit standpunt kan gezocht worden in de jurisprudentie: CRvB 25-04-2017, nr. 15/7831 WWB (eigen bijdrage Wlz), en Rechtbank Overijssel 17-07-2017, nr. AWB 17/568 (eigen bijdrage Wmo). Bijstandsverlening voor deze eigen bijdrage zou dan alleen aan de orde kunnen zijn in geval van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16 Participatiewet.

 

13. Kosten met een medische kant (kosten kledingslijtage, stookkosten en dieetkosten)

Met betrekking tot kosten van kledingslijtage en bewassing, stookkosten en dieetkosten was nog geen beleid ontwikkeld. In de nieuwe beleidsregels worden hierover richtlijnen opgenomen. Deze komen -kort gezegd- op het volgende neer: de gemeente vraagt een medisch advies aan en sluit voor het vaststellen van de extra kosten aan bij de normbedragen uit de Nibud-prijzengids.

 

14. Pedicurekosten

In de nieuwe beleidsregels wordt vastgelegd dat voor deze kosten geen bijzondere bijstand meer wordt verstrekt. Dit beleidsstandpunt kan als volgt worden onderbouwd. Pedicurekosten die niet op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) worden vergoed, komen niet in aanmerking voor bijzondere bijstand, tenzij er sprake is van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16 Participatiewet. Wordt in de Zvw of de Wlz een bewuste beslissing genomen over de noodzakelijkheid van de voorziening? Dan moet de Participatiewet zich bij die keuze aansluiten. Medische of paramedische kosten die op grond van de Zvw of Wlz niet worden vergoed, komen daarom normaal ook niet in aanmerking voor bijzondere bijstand. Dan moet namelijk worden aangenomen dat een bewuste beslissing is genomen over de omvang van de genees- en heelkundige hulp. Niet valt in te zien waarom voor paramedische kosten als pedicurekosten een uitzondering zou moeten worden gemaakt.

 

15. Kosten thuisabonnement Wonen Plus Welzijn

Voorgesteld wordt voor deze kosten geen bijzondere bijstand meer te verlenen. De kosten zijn dermate laag, dat in redelijkheid van de belanghebbende kan worden gevergd dat hij deze kosten uit de bijstandsuitkering betaalt.

 

16. Aanhouden eigen woning detentie

Ingevolge artikel 13 lid 1sub a Participatiewet heeft geen recht op bijstand degene aan wie rechtens zijn vrijheid is ontnomen. Voor de kosten van het aanhouden van woning in de periode van detentie, kan daarom geen bijzondere bijstand worden verstrekt. Het is de eigen verantwoordelijkheid van belanghebbende om eventueel een regeling te treffen.

 

Wanneer tijdens de detentieperiode iemand geen middelen heeft om de woonlasten te betalen, bestaat de kans dat diegene zijn of haar woning verliest. Omdat het maatschappelijk niet gewenst is dat ex-gedetineerden na een korte detentieperiode geen beschikking meer hebben over een zelfstandige woning, wordt voorgesteld om contra legem onder de volgende voorwaarden bijzondere bijstand te verlenen voor deze kosten:

  • de bijzondere bijstand wordt voor een detentieperiode van maximaal 3 maanden toegekend (mag ook over meerdere, kortere detentieperiodes tot totaal drie maanden);

  • alle financiële reserves dienen te worden aangewend om de woonkosten zelf te betalen. De vermogensvrijlating als bedoeld in artikel 34 van de wet is daarom niet van toepassing;

  • het netto inkomen hoger dan de van toepassing zijnde bijstandsnorm wordt geheel meegerekend in de draagkrachtberekening.

Dit is buitenwettelijk begunstigend beleid. Aansluiting is gezocht bij het beleid van de gemeente Den Helder.

 

17. Mentorschap, curatele en bewindvoering

Het huidige beleid wordt aangevuld met de volgende regels:

  • Naast de jaarbeloning kunnen professionele curators, bewindvoerders en mentoren in voorkomende gevallen ook aanspraak maken op een forfaitaire beloning voor bepaalde incidentele werkzaamheden. De kosten in verband met deze incidentele werkzaamheden kunnen in aanmerking komen voor bijzondere bijstand. Een machtiging van de rechter dient in dat geval aan het college te worden overgelegd.

  • Wanneer de aanvrager die onder curatele is gesteld, zelf om de curatele heeft verzocht, komen de kosten voor publicatie in de landelijke dagbladen in aanmerking voor bijzondere bijstand.

  • Bewindvoerders mogen sinds 2020 een keer per jaar bankkosten in rekening brengen. Deze kosten kunnen voor bijzondere bijstand in aanmerking komen. Bewindvoerders hebben voor deze extra kosten geen keuze en ook geen mogelijkheid om deze te vermijden. Met deze verhoging is ook geen rekening gehouden in de regeling beloning die door de minister is vastgesteld. Voorgesteld wordt in de nieuwe beleidsregels op te nemen dat voor deze kosten bijzondere bijstand kan worden verleend. Dit is conform het advies van Schulinck.

18. Budgetbeheer

Het bijzondere bijstandsbeleid inzake het budgetbeheer wordt als volgt aangevuld. Voorgesteld wordt in de nieuwe beleidsregels de volgende regel op te nemen: “De budgetbeheerder moet een deskundige en professioneel werkende instelling zijn. Hij beheert namelijk de gelden van de belanghebbende. Daarom verdient het de voorkeur dat de budgetbeheerder is aangesloten bij een branchevereniging.“

 

19. Bijzondere bijstand in relatie tot reiskosten

Het beleid op het gebied van de reiskosten is op vier punten aangevuld. Er zijn de volgende aanvullende regels opgesteld:

  • -

    inburgering: op dit moment vallen reiskosten nog niet binnen de financiële afspraken tussen gemeenten en het Rijk. Indien gewenst, kunnen gemeenten reiskosten voor inburgeraars financieren uit de bijzondere bijstand. In de nieuwe beleidsregels wordt de volgende regel opgenomen: “Reiskosten zijn algemene noodzakelijke kosten van het bestaan, die in beginsel uit het eigen inkomen voldaan dienen te worden. Bijzondere omstandigheden kunnen echter met zich meebrengen dat toch bijstand verleend dient te worden. Voor het volgen van een traject in het kader van de Wet inburgering 2013 en 2021 kan voor de gehele duur van het traject bijzondere bijstand worden verleend voor de reiskosten”.

  • -

    omgangsregeling: de reiskosten van de kinderen komen altijd ten laste van de verzorgende ouder.

  • -

    uithuisgeplaatste kinderen: als kinderen onder Bureau Jeugdzorg vallen en er een kinderbeschermende maatregel is getroffen, kan bij Bureau Jeugdzorg een beroep worden gedaan op een reiskostenvergoeding. Als het kind in een instelling verblijft die onder de Wet langdurige zorg (Wlz) valt, is er geen vergoeding mogelijk vanuit Bureau Jeugdzorg. Als een kind niet thuis verblijft is het soms wel mogelijk om kinderbijslag te ontvangen. Als er veel kosten zijn voor een uitwonend kind kan soms tweemaal kinderbijslag worden toegekend. Als er geen beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening is bijzondere bijstand voor reiskosten mogelijk. Voor de bezoekfrequentie wordt aangesloten bij de bezoekregeling zoals bepaald door de instelling.

  • -

    Sociale contacten: reiskosten die verband houden met het onderhouden van sociale contacten dienen uit het inkomen te worden voldaan. Voor deze kosten wordt dan ook geen bijzondere bijstand verleend.

20. Computerregeling aanpassen aan reguliere omstandigheden

Ingevolge het huidige beleid geven wij bij een inkomen tot 110% van de bijstandsnorm een vergoeding voor een computer voor schoolgaande kinderen (€ 450,-). Het gezin met schoolgaande kinderen vanaf het 3e jaar basisonderwijs tot 18 jaar heeft recht op één laptop per schoolgaand kind in het 3e jaar basisonderwijs of hoger tot 18 jaar. Er kan eens in de vijf jaar per kind een bedrag voor een laptop gegeven worden.

 

Vroeger werd er één computer per gezin verstrekt. Toen in maart 2020 in Nederland corona uitbrak en alle kinderen, in verband met de door het Rijk getroffen maatregelen om de coronabesmettingen te beteugelen, vanuit huis digitaal onderwijs moesten gaan volgen, is besloten de regeling te verruimen in die zin dat aan ieder schoolgaand kind uit een gezin met een inkomen tot 110% een computer kan worden verstrekt. Nu wij de periode van corona achter ons hebben gelaten en alle kinderen weer normaal school gaan, achten wij het redelijk om uit het oogpunt van doelmatigheid de regeling aan te passen aan de nieuwe situatie.

 

In de voorgestelde regeling wordt een onderscheid gemaakt tussen een computervoorziening ten behoeve van kinderen die naar de basisschool gaan en een computervoorziening voor kinderen die voortgezet onderwijs volgen. Een computervoorziening bestaat uit een laptop en muis.

 

Het college verstrekt een computervoorziening basisschool, indien de belanghebbende:

  • a.

    op de peildatum een inwoner is;

  • b.

    een inkomen heeft dat gedurende een periode van drie maanden voorafgaande aan de maand waarop de aanvraag is ingediend gemiddeld lager is dan 110% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5, onderdeel c, van de wet;

  • c.

    gedurende een periode van drie maanden voorafgaande aan de maand waarop de aanvraag is ingediend over een vermogen beschikt dat niet hoger is dan de in artikel 34, tweede lid, onderdeel b, en derde lid, van de wet bedoelde vermogensgrens;

  • d.

    op de peildatum een kind heeft dat in groep 3 of hoger zit van de basisschool of een speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs of een school voor speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra.

Het college verstrekt een computervoorziening voortgezet onderwijs, indien de belanghebbende:

  • a.

    op de peildatum een inwoner is;

  • b.

    een inkomen heeft dat gedurende een periode van drie maanden voorafgaande aan de maand waarop de aanvraag is ingediend gemiddeld lager is dan 110% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5, onderdeel c, van de wet;

  • c.

    gedurende een periode van drie maanden voorafgaande aan de maand waarop de aanvraag is ingediend over een vermogen beschikt dat niet hoger is dan de in artikel 34, tweede lid, onderdeel b, en derde lid, van de wet bedoelde vermogensgrens;

  • d.

    op de peildatum een kind heeft dat voortgezet onderwijs volgt als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs.

Het belangrijkste verschil tussen deze twee voorzieningen is dat de eerste voorziening per gezin wordt verstrekt en de tweede per kind. Ter verduidelijking van het voorgaande het volgende voorbeeld. Als een gezin twee kinderen heeft die naar de basisschool gaan, dan wordt er één computervoorziening verstrekt. Als een gezin drie kinderen heeft die naar de basisschool gaan en twee die voortgezet onderwijs volgen, dan wordt er één computervoorziening verstrekt ten behoeve van de drie kinderen die naar de basisschool gaan en twee computervoorzieningen voor de twee kinderen die voortgezet onderwijs volgen. Dit gezin krijgt in totaal dus drie computervoorzieningen (lees: drie laptops).

 

Aan dit verschil ligt de volgende overweging ten grondslag. Kinderen op de basisschool hebben ten behoeve van hun schoolwerk minder vaak een computer nodig en gebruiken deze minder intensief dan kinderen die voortgezet onderwijs volgen. Kinderen uit een gezin die naar de basisschool gaan, worden daarom geacht hun computer te kunnen delen. Dit geldt echter niet voor kinderen die voortgezet onderwijs volgen. Daarom wordt aan ieder kind uit een gezin met een laag inkomen dat voortgezet onderwijs volgt een computervoorziening verstrekt.

 

De computervoorziening wordt verstrekt in de vorm van een financiële tegemoetkoming. Deze financiële tegemoetkoming bedraagt maximaal € 450,- en wordt een keer in de vijf jaar verstrekt. De computervoorziening wordt dus niet in natura verstrekt.

 

21. Categoriale inkomensregeling (Computerregeling, Regeling leszwemmen en Meedoen)

De minimaregeling Meedoen, de Computerregeling ten behoeve van schoolgaande kinderen uit minimagezinnen en de Regeling leszwemmen diploma A voor kinderen uit minimagezinnen zijn ondergebracht in hoofdstuk 6 van de nieuwe beleidsregels bijzondere bijstand. De regelingen worden dus beschouwd als bijzondere bijstand. Dit is echter vanuit juridisch oogpunt bezien niet juist.

 

Gemeentelijke categoriale regelingen, zowel in de bijzondere bijstand als daarbuiten zijn vrijwel niet meer mogelijk. De wetgever heeft nadrukkelijk gesteld dat er geen ruimte (meer) is voor eigen gemeentelijk categoriaal beleid inzake bijzondere inkomensaanvulling, omdat het Rijk geen ongerichte vergoeding van kosten meer wenst, waarvan slechts aannemelijk is dat ze zijn gemaakt. Na inwerkingtreding van de Participatiewet blijft als categoriale bijzondere bijstand slechts één kostensoort over, namelijk de Collectieve Aanvullende Zorgverzekering (CAV) of een tegemoetkoming in de premie van een aanvullende zorgverzekering.

 

Algemeen, generiek inkomensbeleid is dus voorbehouden aan het Rijk. De wetgever heeft er echter voor gekozen de verstrekking van voorzieningen voor maatschappelijke participatie, zoals de stadspas en de webshop Meedoen, te behouden, omdat bij deze vorm van ondersteuning duidelijk is waaraan de bijdrage van het college door de belanghebbende wordt besteed. Er is daardoor geen sprake van ongerichtheid van de ondersteuning. Het doel van de stadspas en webwinkel Meedoen is niet primair inkomensondersteuning, maar het stimuleren van het gebruik maken van voorzieningen en deelname aan activiteiten. Ook de Computerregeling schoolgaande kinderen uit minimagezinnen en de Regeling Leszwemmen voor het Nationale Zwemdiploma A voor kinderen uit minimagezinnen kunnen worden aangemerkt als voorzieningen voor maatschappelijke participatie.

 

De verstrekking van voorzieningen voor maatschappelijke participatie valt echter niet onder de bijstand, maar is gebaseerd op artikel 108 van de Gemeentewet. Dit artikel in de Gemeentewet biedt autonomie aan gemeentebesturen bij het inrichten van de ‘gemeentelijke huishouding’. Het college kan dus op grond van een verordening die is gebaseerd op artikel 108 van de Gemeentewet aan de burgers van de gemeente een voorziening verstrekken voor deelname aan culturele, maatschappelijke en sportieve activiteiten. Dit betekent dat de drie genoemde regelingen in een op artikel 108 van de Gemeentewet gebaseerde verordening moeten worden opgenomen.

 

De regels met betrekking tot Meedoen, de computervoorziening en het leszwemmen voor diploma A moeten dus in een verordening worden vastgelegd, de Verordening Voorzieningen voor maatschappelijke participatie genaamd. Aanvankelijk was het de bedoeling dat deze verordening in september/oktober 2024 aan de raad zou worden voorgelegd. Het college heeft besloten medio 2025 met het oog op het ravijnjaar 2026 de inkomensgrenzen van Meedoenregeling en de zwemlesregeling te heroverwegen. Ook zullen in het kader van de regionale samenwerking de minimaregelingen van de gemeenten uit de regio Noordkop zoveel als mogelijk worden geharmoniseerd. Om te voorkomen dat twee keer de gang naar de raad moet worden gemaakt, is besloten genoemde verordening pas in september/oktober 2025 aan de raad voor te leggen.

 

Gemeentepolis en categoriale bijzondere bijstand

Categoriale bijzondere bijstand wijkt af van individuele bijzondere bijstand. Dat komt omdat voor belanghebbenden die behoren tot de aangewezen categorie niet nagegaan hoeft te worden of de kosten ook daadwerkelijk noodzakelijk zijn of gemaakt zijn. Door te horen tot een aangewezen categorie is het al aannemelijk dat die persoon zich in bijzondere omstandigheden bevindt die leiden tot bepaalde noodzakelijke kosten van bestaan. En waarin de algemene bijstand niet voorziet en de aanwezige draagkracht te boven gaat.

 

Het categoriaal toekennen van bijzondere bijstand is sinds de invoering van de Participatiewet beperkt tot één kostensoort. Namelijk een collectieve aanvullende zorgverzekering of een tegemoetkoming in de kosten van de premie van zo'n verzekering. Deze kostensoort komt in aanmerking voor het verlenen van categoriale bijzondere bijstand omdat de wetgever vindt dat bij deze vorm van ondersteuning duidelijk is waaraan de bijdrage van het college door de belanghebbende wordt besteed. Er is daardoor geen sprake van ongerichtheid van de ondersteuning.

 

Het college kan categoriale bijzondere bijstand verlenen in de vorm van een collectieve aanvullende zorgverzekering (ook wel gemeentepolis of gemeentepakket genoemd). In dat geval sluit het college zelf een contract met de zorgverzekeraar. Maar het college kan ook categoriale bijzondere bijstand verlenen in de vorm van een tegemoetkoming in de kosten van de premie van een collectieve aanvullende zorgverzekering.

 

De gemeente Hollands Kroon heeft gekozen voor de eerste optie. De gemeente Hollands Kroon biedt in samenwerking met Univé een collectieve zorgverzekering aan voor inwoners met een inkomen tot 130% van de bijstandsnorm. Het vermogen laten we hierbij buiten beschouwing.

Het aanbod van Univé bestaat voor nieuwe verzekerden vanaf 01-01-2023 uit drie pakketten:

  • Compact

  • Compleet

  • Compleet +.

De gemeentelijke bijdrage is een vast percentage van de bedragen van de pakketten.

  • Compact: 15%

  • Compleet: 20%

  • Compleet +: 20%

Hieronder treft u per pakket aan hoe de zorgpremie die de inwoner moet betalen is opgebouwd.

De premieopbouw Compact

Zorg Geregeld polis

€ 147,30

Univé Gemeentepakket Compact

€ 24,40

Totaal

€ 171,70

Af Collectiviteitskorting

€ 0,00

Af gemeentelijke bijdrage

€ 24,40

Totaal

€ 147,30

In de gemeente Schagen bedraagt de gemeentelijke bijdrage € 10,- en in de gemeente Den Helder

€ 17,50.

 

De premieopbouw Compleet

Zorg Geregeld polis

€ 147,30

Univé Gemeentepakket Compact

€ 54,25

Totaal

€ 201,55

Af Collectiviteitskorting

€ 0,00

Af gemeentelijke bijdrage

€ 40,31

Totaal

€ 161,24

In de gemeente Den Helder bedraagt de gemeentelijke bijdrage € 35,-. De gemeente Schagen heeft geen Compleet.

 

De premieopbouw Compleet+

Zorg Geregeld polis

€ 147,30

Univé Gemeentepakket Compact

€ 83,15

Totaal

€ 230,45

Af Collectiviteitskorting

€ 0,00

Af gemeentelijke bijdrage

€ 46,09

Totaal

€ 184,36

In de gemeente Schagen bedraagt de gemeentelijke bijdrage € 37,48 en in de gemeente Den Helder € 35,-.

 

Uit bovenstaand overzicht volgt dat de gemeentelijke bijdrage van de gemeente Hollands Kroon hoger is dan die van de gemeenten Schagen en Den Helder. Eind 2025 wordt het minimabeleid van de gemeenten in de regio Noordkop geharmoniseerd. In het kader van deze harmonisatie is het streven er ook op gericht om de gemeentelijke bijdragen met betrekking tot de gemeentepolis te harmoniseren.

 

13 november 2024

 

Werkgroep Herijking Bijzondere Bijstandsbeleid

7. Overzicht wijzigingen 2026

In de maand november 2025 heeft de gemeenteraad van de gemeente Hollands Kroon de Verordening voorzieningen voor maatschappelijke participatie gemeente Hollands Kroon vastgesteld.

 

Als gevolg van hiervan diende hoofdstuk 6 uit de Beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Hollands Kroon 2025, genaamd Categoriale inkomensregelingen, te worden geschrapt.

Het college heeft hiertoe de Beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Hollands Kroon 2026 vastgesteld, onder gelijktijdige intrekking van de Beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Hollands Kroon 2025.

 

De Beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Hollands Kroon 2026 zijn op 1 januari 2026 in werking getreden.

 

Onderbouwing van bovengenoemde besluiten van het college en de raad

In het bijzondere bijstandsbeleid van de gemeente Hollands Kroon, dat is neergelegd in het document genaamd Beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Hollands Kroon 2025, zijn de volgende minimaregelingen opgenomen:

  • de regeling Meedoen;

  • de Computerregeling voor schoolgaande kinderen uit minimagezinnen;

  • de regeling Leszwemmen voor het Nationale Zwemdiploma A voor kinderen uit minimagezinnen.

De regelingen worden dus beschouwd als onderdeel van het bijzondere bijstandsbeleid. Dit is echter vanuit juridisch oogpunt bezien niet juist.

 

Gemeentelijke categoriale regelingen, zowel in de bijzondere bijstand als daarbuiten zijn vrijwel niet meer mogelijk. De wetgever heeft nadrukkelijk gesteld dat er geen ruimte (meer) is voor eigen gemeentelijk categoriaal beleid inzake bijzondere inkomensaanvulling, omdat het Rijk geen ongerichte vergoeding van kosten meer wenst, waarvan slechts aannemelijk is dat ze zijn gemaakt. Na inwerkingtreding van de Participatiewet blijft als categoriale bijzondere bijstand slechts één kostensoort over, namelijk de Collectieve Aanvullende Zorgverzekering (CAV) of een tegemoetkoming in de premie van een aanvullende zorgverzekering.

 

Algemeen, generiek inkomensbeleid is dus voorbehouden aan het Rijk. De wetgever heeft er echter voor gekozen de verstrekking van voorzieningen voor maatschappelijke participatie, zoals de webshop Meedoen, te behouden, omdat bij deze vorm van ondersteuning duidelijk is waaraan de bijdrage van het college door de belanghebbende wordt besteed. Er is daardoor geen sprake van ongerichtheid van de ondersteuning. Het doel van de webwinkel Meedoen is niet primair inkomensondersteuning, maar het stimuleren van het gebruik maken van voorzieningen en deelname aan activiteiten. Ook de Computerregeling schoolgaande kinderen uit minimagezinnen en de regeling Leszwemmen voor het Nationale Zwemdiploma A voor kinderen uit minimagezinnen kunnen worden aangemerkt als voorzieningen voor maatschappelijke participatie.

 

De verstrekking van voorzieningen voor maatschappelijke participatie valt – zoals vermeld- niet onder de bijstand, maar is gebaseerd op artikel 108 van de Gemeentewet. Dit artikel in de Gemeentewet biedt autonomie aan gemeentebesturen bij het inrichten van de ‘gemeentelijke huishouding’. Het college kan dus op grond van een verordening die is gebaseerd op artikel 108 van de Gemeentewet aan de inwoners van de gemeente een voorziening verstrekken voor deelname aan culturele, maatschappelijke en sportieve activiteiten. Dit betekent dat bovengenoemde drie regelingen in een op artikel 108 van de Gemeentewet gebaseerde verordening moesten worden opgenomen.

 

Andere wijzigingen die in de Beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Hollands Kroon 2026 zijn opgenomen

 

Pedicurekosten

 

In de Beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Hollands Kroon 2025 was vastgelegd dat voor de pedicurekosten geen bijzondere bijstand meer wordt verleend. Dit beleidsstandpunt werd als volgt onderbouwd. “Pedicurekosten die niet op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) worden vergoed, komen niet in aanmerking voor bijzondere bijstand, tenzij er sprake is van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16 Participatiewet. Wordt in de Zvw of de Wlz een bewuste beslissing genomen over de noodzakelijkheid van de voorziening? Dan moet de Participatiewet zich bij die keuze aansluiten. Medische of paramedische kosten die op grond van de Zvw of Wlz niet worden vergoed, komen daarom normaal ook niet in aanmerking voor bijzondere bijstand. Dan moet namelijk worden aangenomen dat een bewuste beslissing is genomen over de omvang van de genees- en heelkundige hulp. Niet valt in te zien waarom voor paramedische kosten als pedicurekosten een uitzondering zou moeten worden gemaakt.

 

In CRVB:2014:3731 heeft de CRvB geoordeeld over de weigering van de aanvraag voor de kosten van zes pedicurebehandelingen. Het college weigert de aanvraag en handhaaft dat besluit in bezwaar. Daaraan ligt ten grondslag dat er sprake is van een voorliggende voorzieningen, in casu de Zorgverzekeringswet, en er geen sprake van een zeer dringende reden als bedoeld in artikel 16 WWB. De CRvB heeft over de toepassing van artikel 15 WWB het volgende overwogen. De WWB heeft, gelet op artikel 15 lid 1 tweede volzin, geen functie als binnen de voorliggende voorziening een bewuste beslissing is genomen over de noodzaak van vergoeding van bepaalde kostensoorten in het algemeen of in een specifieke situatie. Worden binnen de voorliggende voorziening dergelijke beslissingen genomen, dan moet daarbij voor de toepassing van de WWB worden aangesloten (CRVB:2011:BU8263). De prestaties en vergoedingen op grond van de Zorgverzekeringswet voor medische en paramedische kosten zijn aan te merken als een aan de WWB voorliggende, toereikende en passende voorzieningen. In deze regelgeving is in het algemeen een bewuste keuze gemaakt over de noodzaak van het vergoeden van deze kosten (CRVB:2010:BM2959). Uit het Besluit zorgverzekering (Stb. 2005, 389) blijkt dat pedicurekosten niet onder paramedische kosten kunnen worden geschaard. Het college heeft de aanvraag dan ook ten onrechte afgewezen op artikel 15 WWB. In artikel 2.6 uit dat Besluit staat namelijk, aldus de CRvB, het volgende: “Paramedische zorg omvat fysiotherapie, oefentherapie, logopedie, ergotherapie en diëtetiek.” De pedicurekosten worden in dit artikel niet genoemd. De uitspraak is gewezen onder de WWB maar heeft zijn gelding niet verloren, nu de wettelijke bepaling in kwestie in de PW niet is gewijzigd.

 

Ons nieuwe beleid inzake de pedicurekosten is dus in strijd met de wet. Besloten is het oude beleid inzake de pedicurekosten weer van stal te halen en vast te leggen in de Beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Hollands Kroon 2026, met verdien verstande dat het aantal pedicurebehandelingen dat per jaar wordt vergoed, is verlaagd van dertien naar tien behandelingen per jaar. De gemeente vergoedt maximaal tien pedicurebehandelingen per kalenderjaar jaar tot een maximumbedrag van € 30,- per behandeling. Tevens is in het beleid geregeld wat precies onder een ‘erkende pedicure’ moet worden verstaan.

 

Compensatie huur- en zorgtoeslag in het VTLB en de beoordeling van bijzondere bijstand

In paragraaf 2.3 van de beleidsregels hebben wij beleid geformuleerd over de vraag of de compensatie voor huur- en zorgtoeslag, die is opgenomen in het Vrij te laten bedrag (VTLB) bij een schuldenregeling, als middel moet worden aangemerkt bij een aanvraag voor bijzondere bijstand. De gemeente is van oordeel dat dit niet het geval is. Deze beleidslijn is gebaseerd op het evenredigheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel, de Participatiewet en relevante jurisprudentie.

 

Wij achten het niet redelijk en niet rechtvaardig om de compensatie voor huur- en zorgtoeslag in het VTLB als middel aan te merken bij een aanvraag voor bijzondere bijstand. Dit zou leiden tot een ongelijke behandeling van mensen die feitelijk op het sociaal minimum leven, en zou in strijd zijn met het evenredigheidsbeginsel.

 

Bijzondere bijstand voor jongeren 18 t/m 20 jaar zelfstandig wonend

Dit onderwerp is geregeld in paragraaf 4.1 van deze beleidsregels. In de nieuwe PW heeft de wetgever besloten de norm voor aanvullende bijstand voor jongeren tot 21 jaar te harmoniseren en deze aanvullende norm via de algemene bijstand te verstrekken in plaats van via de bijzondere bijstand. In de nieuwe PW wordt de norm dus geharmoniseerd, waarbij ruimte blijft om af te wijken indien noodzakelijk (art. 18 lid 1 Pw). De wetgever heeft gekozen voor een normbedrag waardoor de optelsom van algemene bijstand plus aanvulling op basis van het voorgestelde normbedrag terecht komt op een waarde vergelijkbaar met 90% van het netto inkomen van een 18-jarige op basis van wettelijk minimum jeugdloon met een 36-urige werkweek (€ 929,68, inclusief vakantiebijslag). Het voorgestelde normbedrag voor aanvullende algemene bijstand is één vast bedrag, te weten € 634,48 netto per maand (peildatum: 1 januari 2023). Gemeenten kunnen hiervan afwijken, met dien verstande dat het totale bedrag aan algemene bijstand inclusief de aanvulling nooit hoger kan zijn dan de bijstandsnorm voor personen van 21-jaar en ouder in een vergelijkbare situatie.

NB

De beleidsregels vervat in paragraaf 4.a. worden ingetrokken met ingang van de datum waarop artikel 20, de leden 3 en 4, van de Participatiewet in balans in werking treden.

Aldus vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hollands Kroon op 30 september 2025.

Burgemeester en wethouders

secretaris,

H. van der Woude

de burgemeester,

A. van Dam

Naar boven