Gemeenteblad van Leeuwarden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Leeuwarden | Gemeenteblad 2025, 520453 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Leeuwarden | Gemeenteblad 2025, 520453 | beleidsregel |
Beleidsregels Wmo 2026 gemeente Leeuwarden
Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
In deze beleidsregels wordt verstaan onder:
budgetplan: het plan dat de bewoner bij de aanvraag voor een persoonsgebonden budget indient, waarin de keuze voor een persoonsgebonden budget (in plaats van zorg in natura) gemotiveerd wordt en waarin aangegeven wordt aan welke vorm van ondersteuning het budget besteed gaat worden, door wie de ondersteuning geleverd gaat worden en welke activiteiten uit het budget betaald gaan worden.
eigen kracht: de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de bewoner en/of de leefeenheid van de bewoner (zowel voor gebruikelijke hulp als bovengebruikelijke hulp) om, zelf of met personen uit het sociaal netwerk van de bewoner (mantelzorg), de beperking in zelfredzaamheid en participatie of problemen met het zich handhaven in de samenleving op te lossen.
gebiedsteam: een lokaal/regionaal team (vanuit de gemeente) met professionals, dat de bewoner kan ondersteunen bij vragen op het gebied van werk, financiën, opvoeding, wonen, vrije tijd en sport, wet- en regelgeving, vrienden en relaties, zorg, ondersteuning en hulpmiddelen. Dit wordt ook wel (sociaal)wijkteam of dorpenteam, met sociaal werkers en/of meitinkers, genoemd. Zij verzorgen tevens de Toegang voor voorzieningen vanuit de Wmo.
professional: beroepskracht met (middels diploma of ervaringscertificaat) aantoonbare specifieke kennis en vaardigheden ten aanzien van de beperking of problematiek van de bewoner en/of de benodigde ondersteuning én die (aantoonbaar) voldoet aan de in de branche geldende (kwaliteits)eisen én een gericht op de voorziening passende registratie heeft bij de KvK of in loondienst is bij een formele zorgaanbieder. Een beroepskracht voor Jeugdhulp moet daarnaast geregistreerd staan in een relevant beroepsregister, zoals SKJ of BIG.
sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring van de bewoner (familielid, huisgenoot, echtgenoot, voormalig echtgenoot of mantelzorger) of iemand buiten de huiselijke kring waarmee de bewoner een sociale relatie heeft. Onder een sociale relatie verstaan we een relatie met een persoon waarmee de bewoner regelmatig contact onderhoudt en die van betekenis is voor en bijdraagt aan het welzijn en welbevinden van de bewoner.
trekkingsrecht: vorm waarin het PGB beschikbaar wordt gesteld. Het PGB wordt door de gemeente niet overgemaakt naar de bankrekening van de budgethouder, maar naar de bankrekening van de Sociale Verzekeringsbank (SVB). De SVB betaalt de door de budgetbeheerder goedgekeurde declaratie(s) van de zorgaanbieder(s).
vertegenwoordiger: persoon of rechtspersoon die de bewoner, die niet in staat kan worden geacht tot redelijke waardering van zijn belangen ter zake, vertegenwoordigt (conform de Wmo Artikel 1.1.1).
Dit is kan een wettelijk vertegenwoordiger of een gemachtigd vertegenwoordiger zijn.
gemachtigd vertegenwoordiger: iemand uit het sociaal netwerk van de bewoner, die door de bewoner schriftelijk is gemachtigd om bepaalde zaken voor de bewoner te regelen en/of de belangen van de bewoner te behartigen. Het college kan een gemachtigd vertegenwoordiger weigeren als er ernstige bezwaren bestaan tegen deze persoon in relatie tot de machtiging.
zelfredzaamheid: het in staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke Algemene Dagelijkse Levensverrichtingen (ADL) en het voeren van een gestructureerd huishouden.
De noodzakelijke ADL in het kader van zelfredzaamheid betreffen: in en uit bed komen, aan- en uitkleden, bewegen, lopen, gaan zitten en weer opstaan, lichamelijke hygiëne, toiletbezoek, eten/drinken, medicijnen innemen, ontspanning en sociaal contact.
Artikel 2. Aanbod van ondersteuning
De gemeente Leeuwarden biedt de volgende vormen van ondersteuning middels een algemene voorziening:
Cliëntondersteuning: het onafhankelijk geven van informatie, advies en korte ondersteuning, waarbij het belang van de bewoner het uitgangspunt is, ten behoeve van het verkrijgen van (integrale) ondersteuning of het uitoefenen van de rechten van de bewoner hierbij. Een cliëntondersteuner wordt ook wel een vertrouwenspersoon genoemd.
Deze ondersteuning kan informeel (uit het eigen netwerk van de bewoner) of formeel (door een professional) geboden worden.
algemene ondersteuning geboden door een professional die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie of het kunnen handhaven in de samenleving en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, schuldhulpverlening, werk en inkomen.
Binnen de Basisondersteuning wordt vanuit de Wmo ook Praktische Thuisondersteuning, Thuisondersteuning, Dagbesteding en Persoonlijke Verzorging geboden:
Opvang: het bieden van een tijdelijk en veilig onderdak en begeleiding aan een bewoner die, door één of meer problemen, al dan niet gedwongen de thuissituatie heeft verlaten.
Maatschappelijke opvang wordt geboden in situaties waarin sprake is van dakloosheid. Maatschappelijke opvang wordt als algemene voorziening geboden in de vorm van nachtopvang en dagopvang en als individuele maatwerkvoorziening als 24/7 opvang. Vrouwenopvang wordt 24/7 geboden in situaties waarin sprake is van geweld in afhankelijkheidsrelaties, zoals huiselijk geweld. Dit aanbod van ondersteuning is niet alleen bedoeld voor vrouwen. Vrouwenopvang wordt als algemene voorziening geboden bij een crisisplaatsing (maximaal 5 dagen). In alle andere situaties is er sprake van een individuele maatwerkvoorziening.
De gemeente Leeuwarden biedt volgende vormen van ondersteuning middels een individuele maatwerkvoorziening:
Intramuraal beschermd wonen: ondersteuning in de vorm van wonen in een accommodatie van een instelling met daarbij behorende op geplande en ongeplande momenten begeleiding en 24/7 toezicht en 24/7 fysieke aanwezigheid, gericht op het bevorderen van de zelfredzaamheid en participatie van personen met psychische of psychosociale problemen die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving.
Ambulant beschermd wonen: ondersteuning in de vorm van geplande en ongeplande momenten begeleiding met 24/7 bereikbaarheid en beschikbaarheid, gericht op het bevorderen van de zelfredzaamheid en participatie van personen met psychische of psychosociale problemen die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving.
Opvang: het bieden van een tijdelijk en veilig onderdak en begeleiding aan een bewoner die, door één of meer problemen, al dan niet gedwongen de thuissituatie heeft verlaten.
Maatschappelijke opvang wordt geboden in situaties waarin sprake is van dakloosheid. Maatschappelijke opvang wordt als algemene voorziening geboden in de vorm van nachtopvang en dagopvang en als individuele maatwerkvoorziening als 24/7 opvang. Vrouwenopvang wordt 24/7 geboden in situaties waarin sprake is van geweld in afhankelijkheidsrelaties, zoals huiselijk geweld. Dit aanbod van ondersteuning is niet alleen bedoeld voor vrouwen. Vrouwenopvang wordt als algemene voorziening geboden bij een crisisplaatsing (maximaal 5 dagen). In alle andere situaties is er sprake van een individuele maatwerkvoorziening.
De meeste mensen geven zelf vorm aan hun leven en beschikken over voldoende veerkracht om met de fysieke, emotionele en sociale uitdagingen die daarbij horen om te (leren) gaan. Zij gebruiken daarbij hun talenten en vaardigheden en kunnen een beroep doen op hun naasten (familie, vrienden, buurtgenoten) of op vrijwilligers- en maatschappelijke organisaties. Soms is echter ondersteuning door professionals nodig.
Aan kwetsbare mensen die voor korte of langere tijd ondersteuning nodig hebben, bieden we die. Het liefst dichtbij en laagdrempelig toegankelijk, in eigen wijk of dorp. Ondersteuning die past bij de vraag en die aansluit bij de eigen kracht. Hierdoor kan een samenwerking ontstaan tussen bewoners, hun eigen netwerk, de sociale basis en professionals vanuit de basisondersteuning. Daarnaast blijft voor de meest kwetsbare mensen aanvullende ondersteuning beschikbaar.
De Wmo kent taken op het gebied van preventie, sociale samenhang, bevorderen van de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten, bevorderen van de veiligheid en leefbaarheid, voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld, ondersteuning van vrijwilligers en mantelzorgers, het bieden van algemene en maatwerkvoorzieningen. Voor alle geboden ondersteuning geldt dat deze wordt ingezet ter bevordering van zelfredzaamheid en participatie en/of het zich kunnen handhaven in de samenleving, waarin de eigen kracht zo veel als mogelijk wordt ingezet en versterkt en het eigen netwerk zo mogelijk wordt betrokken en versterkt. Dit geldt zowel voor ondersteuning vanuit de sociale basis als voor basisondersteuning en aanvullende ondersteuning. Uitgangspunt hierbij is dat ondersteuning op maat wordt geboden.
Alle mensen die in de gemeente Leeuwarden hun hoofdverblijf hebben, kunnen hun ondersteuningsvraag neerleggen bij de buurt- of dorpskamers. Indien nodig krijgt de aanvrager thuis bezoek. Niet alle mensen vinden op eigen initiatief de weg naar de buurt- of dorpskamers. Medewerkers gaan actief de wijken in en op mensen af wanneer er signalen zijn dat dat nodig is. Die signalen kunnen van bewoners zelf komen of van anderen die een zorg melden. Door de Basisondersteuning wordt de afweging gemaakt of en door wie ondersteuning wordt geboden: de sociale basis, de basisondersteuning of de aanvullende ondersteuning.
De sociale basis bestaat uit bewoners, hun sociaal netwerk, vrijwilligers en wijk- en dorpsorganisaties, die bewoners op alle leefgebieden ondersteunen. De sociale basis is actief op verschillende domeinen, zoals Jeugd, Participatie en Wmo.
Basisondersteuning (algemene voorziening)
Basisondersteuning is een algemene voorziening, waar door professionals ondersteuning aan bewoners wordt geboden. Deze ondersteuning is vrij toegankelijk voor alle bewoners van de gemeente Leeuwarden, ongeacht hun leeftijd.
Om gebruik te kunnen maken van een algemene voorziening kan wel een lichte toets plaats vinden, om te bepalen of de bewoner behoort tot de doelgroep, dan wel of de voorziening passend is.
De bewoner kan van een algemene voorziening gebruik maken zonder besluit van de gemeente (beschikking).
Aanvullende ondersteuning (individuele maatwerkvoorziening)
Aanvullende ondersteuning, in de vorm van een individuele maatwerkvoorziening, kan nodig zijn als na onderzoek blijkt dat de bewoner als gevolg van zijn beperkingen niet op eigen kracht, met behulp van het sociaal netwerk of ondersteuning vanuit de sociale basis of basisondersteuning, voldoende zelfredzaamheid is of voldoende in staat is tot participatie of zich te handhaven in de samenleving (zie ook artikel 10).
Maatwerkvoorzieningen worden individueel aan de bewoner verstrekt.
De ondersteuning voor mantelzorgers is vrij toegankelijk, er worden geen toegangseisen of –criteria gesteld.
Mantelzorgondersteuning wordt in natura verstrekt, tenzij de mantelzorger veel kosten moet maken om zijn mantelzorgtaak te vervullen en deze kosten niet zelf kan dragen. Als een mantelzorger hierdoor onder de bijstandsnorm uitkomt, kan er een aanvraag voor bijzondere bijstand worden gedaan.
Bij mantelzorgondersteuning in natura valt te denken aan:
Voor alle vormen van mantelzorgondersteuning geldt dat de activiteiten gericht zijn op het behouden of herstellen van de balans tussen de draagkracht en draaglast van de mantelzorger.
De gemeente Leeuwarden heeft, naast ondersteuning vanuit de Wmo, ook verschillende regelingen voor voor bewoners met een laag inkomen en een laag eigen vermogen. De regelingen zijn bijvoorbeeld: de AV Frieso Compleet, bijdrage via Samen voor alle kinderen, studietoeslag, individuele inkomenstoeslag, Bijzondere bijstand en Kwijtschelding van gemeentelijke heffingen (zie www.leeuwarden.nl/geldzaken-en-schulden).
De AV Frieso Compleet is een aanvullende zorgverzekering voor de meerkosten van chronisch zieken en gehandicapten, waarvan de gemeente een deel van de premie betaalt. In deze aanvullende verzekering zitten vergoedingen voor de eigen bijdragen Wmo, alternatieve geneeswijzen, tandheelkunde, hulpmiddelen (waaronder brillen) en fysiotherapie.
De individuele inkomenstoeslag is een vrij te besteden geldbedrag die de gemeente 1 keer per jaar, onder bepaalde voorwaarden, verstrekt aan mensen die al 3 jaar of langer moeten leven van een laag inkomen. De hoogte van dit bedrag is afhankelijk van het type huishouden en bedoeld voor de aanschaf of vervanging van duurdere spullen.
De bijzondere bijstand is bedoeld voor mensen die door bijzondere omstandigheden in een situatie terechtkomen, waarin het inkomen onvoldoende is om bepaalde kosten te kunnen betalen. Als daarnaast ook geen beroep gedaan kan worden op het sociaal netwerk, andere daarvoor beschikbare regelingen of eigen vermogen, dan kan bijzondere bijstand worden verstrekt. Bijzondere bijstand is niet alleen bedoeld voor mensen met een uitkering, maar kan door iedereen worden aangevraagd. Er wordt niet alleen gekeken naar de hoogte van het inkomen, maar vooral naar wat iemand te besteden heeft.
Kwijtschelding van gemeentelijke heffingen kan gegeven worden aan mensen met een laag inkomen en een laag eigen vermogen. Kwijtschelding is mogelijk voor de volgende heffingen: afvalstoffenheffing, riool- en waterzorgheffing en onroerend zaak belasting (OZB). De gemeente verleent geen kwijtschelding voor hondenbelasting of een extra container.
Schuldhulpverlening is hulp en advies bij het oplossen van schulden. Dit betreft ook hulp en advies bij vragen over geldzaken, mogelijke regelingen en ondersteuning om iedere maand rond te kunnen komen. Deze ondersteuning wordt geboden vanuit een buurtservicepunt, het financieel adviesloket PING of het gebiedsteam.
Artikel 3. Melding behoefte aan ondersteuning
In afwijking van lid 3 kan een melding voor behoefte aan Hulp bij Huishouden rechtstreeks bij een door de gemeente gecontracteerde zorgaanbieder voor Hulp bij Huishouden worden gedaan. De gecontracteerde zorgaanbieders voor Hulp bij Huishouden zijn een door het college hiertoe aangewezen organisatie om het onderzoek naar de toegankelijkheid en passendheid van een voorziening voor Hulp bij Huishouden te doen.
In afwijking van lid 3 kan een melding van behoefte aan Vrouwenopvang rechtstreeks bij de zorgaanbieder worden gedaan. De zorgaanbieder voor Vrouwenopvang is een door het college hiertoe aangewezen organisatie om het onderzoek naar de toegankelijkheid en passendheid van een voorziening voor Vrouwenopvang te doen.
Indien er sprake is van een bewoner die al bekend is vanwege een eerdere melding van behoefte aan ondersteuning en de situatie is ongewijzigd of het betreft een melding via het transferpunt van het ziekenhuis voor tijdelijke ondersteuning in het huishouden of het betreft een vervanging van een hulpmiddel vanwege technische mankementen, dan kan dit een reden zijn om af te zien van nader onderzoek. Dit dient altijd in overleg en met goedkeuring van de bewoner plaats te vinden.
Artikel 5. Onderzoek naar ondersteuningsbehoefte
Een melding van behoefte aan ondersteuning wordt nader onderzocht op basis van het eventueel aanwezige persoonlijk plan van de bewoner (zie artikel 4), één of meer gesprekken (zie artikel 6) met de bewoner en indien nodig aangevuld met gegevens van reeds betrokken professionals en een (medisch) advies van een deskundige.
Een uitkomst van het onderzoek naar aanleiding van de melding van behoefte aan ondersteuning kan een aanvraag voor een individuele maatwerkvoorziening zijn. Het ondersteuningsplan is de basis voor de aanvraag van een individuele maatwerkvoorziening. De aanvraag voor een individuele maatwerkvoorziening wordt, indien een beschikking is vereist of gewenst (conform Artikel 9, lid 1), vergezeld van een zwaarwegend advies van degene die het onderzoek heeft uitgevoerd.
Voor alle individuele maatwerkvoorzieningen wordt een beschikking afgegeven, met uitzondering van de in Zorg in Natura verstrekte voorzieningen Hulp bij Huishouden, Thuisondersteuning en Dagbesteding. Voor deze voorzieningen ontvangt de bewoner een brief van de organisatie die het onderzoek heeft uitgevoerd.
Indien de bewoner geen medewerking heeft verleend aan een zorgvuldig onderzoek én er is gebleken dat zonder dit onderzoek de toegankelijkheid en passendheid van ondersteuning in de vorm van een individuele maatwerkvoorziening niet is vast te stellen, kan de aanvraag voor een individuele maatwerkvoorziening afgewezen worden.
Indien het een vervoersvoorziening of hulpmiddel in natura betreft, zoals lokaal vervoer, bijzondere fiets, scootmobiel, een rolstoel of hulpmiddel in huis, dan is de looptijd van de beschikking afhankelijk van de gebruiksduur. Voor voorzieningen die verstrekt worden middels een eenmalige PGB is geen looptijd van toepassing.
Voor Intramuraal beschermd wonen, Geclusterd wonen en ThuisBasis geldt een maximale looptijd van 2 jaar. Voor Safehouse geldt een maximale looptijd van 1 jaar, welke niet verlengd kan worden. Voor de Plusmodule (Beschermd wonen) geldt een minimale looptijd van 3 maanden en een maximale looptijd van 1 jaar en voor de module Nazorg (Beschermd wonen) geldt een maximale looptijd van 3 maanden (zie Artikel 22).
Indien een beschikking is afgegeven en het blijkt naderhand dat de geboden ondersteuning onvoldoende bijdraagt aan het te behalen resultaat, de geboden ondersteuning kwalitatief onvoldoende is of de geboden ondersteuning niet rechtmatig is, dan wel dat het resultaat, de kwaliteit en/of de rechtmatigheid niet goed is vast te stellen, kan dit aanleiding zijn voor een (herbeoordelings)onderzoek en/of een wijziging of het intrekken van de beschikking.
Artikel 10. Algemeen toetsings- en afwegingskader
Om te bepalen of ondersteuning in de vorm van een individuele maatwerkvoorziening voor de bewoner toegankelijk en passend is, worden de onderstaande aspecten in de weergegeven volgorde getoetst en/of gewogen:
verantwoordelijke gemeente: Om te bepalen welke gemeente verantwoordelijk is voor het bieden van de ondersteuning wordt nagegaan waar een persoon zijn hoofdverblijf heeft. Een individuele maatwerkvoorziening wordt alleen verstrekt aan een persoon die zijn hoofdverblijf in de gemeente Leeuwarden heeft. In het geval van Beschermd wonen en Opvang is niet het hoofdverblijf leidend, maar de gemeente waar de persoon zich meldt.
De ZRM is een instrument om verschillende dimensies van zelfredzaamheid overzichtelijk in beeld te brengen. De ZRM heeft elf domeinen waarop de mate van zelfredzaamheid wordt beoordeeld. De domeinen van de ZRM zijn: Financiën, Dagbesteding, Huisvesting, Huiselijke relaties, Geestelijke gezondheid, Lichamelijke gezondheid, Verslaving, Activiteiten Dagelijks Leven, Sociaal netwerk, Maatschappelijke participatie en Justitie. Het ouderschaps-supplement omvat de domeinen: Lichamelijke verzorging, Sociaal-emotionele ondersteuning, Scholing en Opvang.
eigen kracht: de mate waarin de bewoner en/of de leefeenheid van de bewoner in staat is om, zelf (gebruikelijke of bovengebruikelijke hulp) of samen met hun sociaal netwerk, of door het aanspreken van een aanvullende verzekering die is afgesloten, het aanvaardbare niveau van zelfredzaamheid en participatie of het zich handhaven in de samenleving kan bereiken of behouden.
Personen binnen de leefeenheid van een bewoner zijn zelf primair verantwoordelijk voor het functioneren van het huishouden, de zelfredzaamheid en de participatie of het zich kunnen handhaven in de samenleving van de leden van die leefeenheid, ook als er sprake is van beperkingen of problemen. En de ondersteuning die daarbij nodig is kan in beginsel ook door hen geleverd worden, tenzij blijkt dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de leefeenheid tekort schiet, omdat er sprake is van:
Om te bepalen of er sprake is van (dreigende) overbelasting wordt ook gekeken welke mogelijkheden de leefeenheid heeft om (dreigende) overbelasting op te heffen. Hierbij mag verwacht worden dat de leefeenheid werk en sociaal maatschappelijke activiteiten herinricht door deze activiteiten te beperken, verminderen of anders te organiseren. Hierbij wordt rekening gehouden met:
gebruikelijke hulp: de mate waarin de bewoner met ondersteuning van vanuit de leefeenheid het aanvaardbare niveau van zelfredzaamheid en participatie of het zich handhaven in de samenleving kan bereiken of behouden. Bij gebruikelijke hulp worden de volgende uitgangspunten gehanteerd:
bovengebruikelijke hulp: de mate waarin door de leefeenheid meer dan gebruikelijke hulp geboden kan worden. Indien de leefeenheid de mogelijkheden (kennis en vaardigheden) heeft om meer dan gebruikelijke hulp zelf te bieden, hiervoor beschikbaar is en dit niet leidt tot overbelasting, is geen aanvullende ondersteuning vanuit de Wmo noodzakelijk.
mantelzorg: de mate waarin er een sociaal netwerk is en de personen uit het sociaal netwerk van de bewoner bereid en in staat zijn om mantelzorg te bieden en de mate waarin de mantelzorgers hierbij ondersteuning nodig hebben om (dreigende) overbelasting tegen te gaan. Dit wordt bepaald door de totale belasting (gebruikelijke hulp, bovengebruikelijke hulp, mantelzorg, werk en persoonlijke omstandigheden) van de mantelzorgers. Mantelzorg is een vorm van ondersteuning die niet afdwingbaar is door de overheid. Er mag niet een bijdrage van mantelzorgers worden verlangd die ten koste gaat van (het zoeken naar) werk, inkomen of welzijn.
andere voorzieningen: de mogelijkheden voor de bewoner om gebruik te maken van algemeen gebruikelijke voorzieningen, algemene voorzieningen en/of voorzieningen vanuit andere wetgeving zoals kinderopvang, ziektekostenverzekering, de Zorgverzekeringswet, de Wet langdurige zorg, de Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen en arbeidsvoorzieningen voor aangepast werk of dagbesteding vanuit de Zorgverzekeringswet, WIA, Wajong of Participatiewet.
algemeen gebruikelijke voorzieningen: de mate waarin het voor de bewoner als persoon een algemeen gebruikelijke voorziening betreft. Een algemeen gebruikelijke voorziening wordt in principe door de bewoner zelf bekostigd.
Bij het bepalen of een noodzakelijke voorziening -voor de bewoner als persoon- een algemeen gebruikelijke voorziening betreft, worden de volgende aspecten gewogen:
vorm van ondersteuning: om te bepalen welke vorm van ondersteuning voor de bewoner toegankelijk en passend is, worden, naast de toetsing/weging van lid 1 t/m 12 in dit artikel en het toetsings- en afwegingskader van de specifieke individuele maatwerkvoorziening (artikel 13 t/m artikel 23), de volgende uitgangspunten gehanteerd:
goedkoopst adequate voorziening: de mate waarin de voorziening voor de bewoner duurzaam bijdraagt aan het behalen van het resultaat. Er mag geen sprake zijn van een anti-revaliderende werking of vergroting van beperkingen als gevolg van de verstrekking van een voorziening.
Zijn meer mogelijkheden adequaat, dan wordt gekozen voor de, naar objectieve maatstaven, goedkoopste voorziening (vanuit de Wmo of andere wetten binnen het Sociaal Domein). Hierbij wordt ook rekening gehouden met de gebruiksduur en intensiteit van het gebruik. Voorzieningen die (op termijn) kostenverhogend werken, zonder dat zij de voorziening passender maken, komen niet voor toekenning in aanmerking.
individuele maatwerkvoorziening: Om te bepalen of een bewoner in aanmerking komt voor een individuele maatwerkvoorziening worden lid 1 t/m 13 van dit artikel en het specifieke afwegingskader van de betreffende individuele maatwerkvoorzieningen (artikel 13 t/m 23) gehanteerd.
Een individuele maatwerkvoorziening (ZIN of PGB) is pas aan de orde als na onderzoek blijkt dat de bewoner niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met bovengebruikelijke hulp, met mantelzorg, met andere voorzieningen, vrijwilligers en/of algemene voorzieningen voldoende in staat is om het aanvaarbare niveau van zelfredzaamheid en participatie of het zich handhaven in de samenleving te bereiken of te behouden. Indien een bewoner in aanmerking komt voor een individuele maatwerkvoorziening wordt, mede op basis van het gestelde in artikel 11 Verstrekkingsvorm en Artikel 12. Persoonsgebonden budget, een keuze gemaakt voor ZIN of PGB.
Op Maat: indien de bewoner specifiek op zijn situatie aangepaste ondersteuning nodig heeft, kan Op Maat als voorziening worden ingezet. Belangrijk hierbij is of de bestaande regels of procedures een onbedoeld of ongewenst effect hebben (hardheidsclausule). Op Maat wordt gemotiveerd (legitimatie) ingezet met behulp van een maatwerkplan. Dit kan als een doorbraak nodig is die bijdraagt aan het gewenste resultaat (perspectief). Dit kan als reguliere routes en voorzieningen geen of onvoldoende een passende oplossing zijn of wanneer er meer snelheid nodig is om het gewenste resultaat te bereiken. Op Maat bestaat in de volgende (combinatie van) vormen:
In aanvulling van lid 2 wordt bij de verstrekking van een voorziening die in bruikleen wordt verstrekt, zoals een hulpmiddel en traplift in natura, door de bewoner met de leverancier een bruikleenovereenkomst aangegaan. In de bruikleenovereenkomst worden rechten en plichten vastgelegd met betrekking tot het gebruik van de voorziening.
Artikel 12. Persoonsgebonden budget
Om te bepalen of een persoonsgebonden budget (PGB) voor de bewoner toegankelijk en passend is en conform de daarvoor opgestelde regels wordt besteed, worden de volgende aspecten getoetst en/of gewogen:
Om in aanmerking te komen voor een PGB dient te zijn voldaan aan de volgende voorwaarden:
De bewoner dan wel zijn vertegenwoordiger is vaardig om in de rol van budgetbeheerder alle aan de PGB verbonden taken op een verantwoorde wijze uit te voeren. De PGB-vaardigheid wordt getoetst met behulp van de door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport uitgegeven “Checklist 10-punten PGB-vaardigheid” en bijbehorende “Handreiking voor toetsing (minimale) PGB-vaardigheid”.
De taken die behoren bij het PGB zijn:
Het ondersteuningsaanbod dat met een PGB wordt ingekocht is veilig, doeltreffend en persoonsgericht. Formele ondersteuning vanuit een PGB kan alleen worden ingekocht bij zorgaanbieders die voldoen aan dezelfde kwaliteitseisen die gelden voor zorgaanbieders die vanuit ZIN ondersteuning bieden, zie ook het Kwaliteitskader Sociaal Domein gemeente Leeuwarden op de website www.leeuwarden.nl/wmo.
Indien het een PGB voor Beschermd wonen betreft, dient de zorgaanbieder ook te voldoen aan de gestelde kwaliteitseisen zoals vermeld op de website www.sdfryslan.nl.
In aanvulling op lid 1 sub c noemen we de uitvoerder van de PGB taken de budgetbeheerder. De budgetbeheerder is (eind)verantwoordelijk voor alle taken die bij het budgetbeheer behoren. In het geval een wettelijk vertegenwoordiger is aangesteld kan alleen voor een PGB worden gekozen als de wettelijk vertegenwoordiger toestemming geeft voor de keuze van een PGB én de wettelijk vertegenwoordiger (eind of mede) verantwoordelijk wil en kan zijn voor het budgetbeheer. In het geval meerdere personen de taken van een budgetbeheerder op zich nemen, dient het budgetbeheer in onderlinge afstemming te gebeuren.
In aanvulling op lid 1 sub c dient in het geval van een gemachtigd vertegenwoordiger samen met het PGB budgetplan, een relevante en geldige Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) ingeleverd te worden. Deze VOG mag bij een eerste aanvraag voor ondersteuning vanuit de Wmo niet ouder zijn dan 3 maanden en vanaf een eerste aanvraag maximaal 5 jaar en 3 maanden oud.
De budgetbeheerder dient een (financieel) onafhankelijke positie te hebben ten aanzien van de zorgaanbieder die formele ondersteuning biedt. De budgetbeheerder mag niet worden betaald voor het beheer door de zorgaanbieder. De budgetbeheerder mag niet tevens de (formele of informele) zorgaanbieder zijn, tenzij het een gezaghebbende ouder van een jeugdige betreft.
Met een PGB kan de bewoner, als voldaan is aan de voorwaarden, zelf individuele maatwerkvoorzieningen inkopen. De zelfgekozen zorgaanbieder kan in bepaalde gevallen passender zijn.
De bewoner voert met een PGB zelf regie over zijn eigen ondersteuning.
De bewoner kan met een PGB kiezen voor formele ondersteuning en/of informele ondersteuning (zie artikel 1 Begripsbepalingen).
Inzet van informele ondersteuning met een vergoeding vanuit een PGB kan alleen in situaties waarin:
Indien vanuit een PGB informele ondersteuning wordt ingezet moet er samen met het PGB budgetplan een relevante en geldige Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) ingeleverd worden. Deze VOG mag bij een eerste aanvraag voor ondersteuning vanuit de Wmo niet ouder zijn dan 3 maanden en vanaf een eerste aanvraag maximaal 5 jaar en 3 maanden oud.
De volgende bestedingsregels gelden voor een PGB:
Na het overlijden van de bewoner mag, indien niet teruggevallen kan worden op het sociaal netwerk, vooractiviteiten verband houdend met het overlijden uitgevoerd door de zorgaanbieder maximaal een gemiddeld maandbedrag (berekend over de laatste drie gewerkte maanden) door de zorgaanbieder gedeclareerd worden.
De bewoner die langer dan 4 weken (28 dagen) naar het buitenland gaat en dan ondersteuning in het buitenland wil inkopen, moet toestemming vragen aan het college.
Het inkopen van ondersteuning in het buitenland is in uitzonderlijke situaties maximaal 13 weken per kalenderjaar toegestaan. Het PGB wordt dan aangepast aan het tarief dat gehanteerd wordt in het land waar men gedurende deze periode verblijft, met een maximum van het binnen de gemeente Leeuwarden vastgestelde PGB tarief.
De bewoner mag, naar zijn of haar behoefte, de ene periode meer ondersteuning inkopen dan de andere periode, zolang het totaal beschikte budget (per kalenderjaar) niet wordt overschreden. De bewoner is verplicht om per periode een factuur in te dienen over de werkelijk ontvangen uren ondersteuning. Het afspreken van een vast maandloon is niet toegestaan.
Het PGB wordt door de gemeente niet overgemaakt naar de bankrekening van de bewoner, maar naar de bankrekening van de Sociale Verzekeringsbank (SVB).
Dit is wettelijk geregeld om misbruik en oneigenlijk gebruik van PGB tegen te gaan.
De SVB betaalt de door de budgetbeheerder goedgekeurde declaratie(s) van de zorgaanbieder(s).
Deze regeling, trekkingsrecht geheten, geldt voor alle gemeenten.
Het aantal door de zorgaanbieder gewerkte en betaalde uren mag niet afwijken van het Arbeidstijdenbesluit en mag indien het Arbeidstijdenbesluit niet van toepassing is, niet meer bedragen dan veertig uur per week. Bij het vaststellen of deze veertig uur per week overschreden wordt kan ook betrokken worden de hoeveelheid uren aan ondersteuning die deze persoon, al dan niet via een PGB, levert aan andere personen of gezinsleden en/of het aantal uren dat elders gewerkt wordt dan vanuit de Wmo.
De bewoner dient de in lid 23 genoemde documenten gedurende vijf jaar te bewaren en als daarom wordt gevraagd (een kopie van) de stukken aan de gemeente verstrekken.
De gemeente kan de stukken opvragen bij een steekproefsgewijze controle op de kwaliteit en/of rechtmatigheid van het PGB of een controle naar aanleiding van signalen over onjuiste besteding van het PGB door de bewoner en/of de zorgaanbieder
Artikel 13. Hulp bij Huishouden
Om te bepalen of Hulp bij Huishouden voor de bewoner toegankelijk en passend is worden, naast het Algemene toetsings- en afwegingskader, de volgende aspecten getoetst en/of gewogen:
gebruikelijke hulp: indien er andere personen binnen de eigen leefeenheid zijn die de benodigde schoonmaakwerkzaamheden in huis kunnen verrichten, komt de bewoner niet in aanmerking voor Hulp bij Huishouden. Alleen bij langdurige fysieke afwezigheid, tenminste 7 etmalen aaneengesloten, is er niet of in mindere mate sprake van de inzetbaarheid van gebruikelijke hulp.
Bij het bepalen wat gebruikelijke hulp is in de situatie van de bewoner, worden de uitgangspunten in het algemeen toetsings- en afwegingskader (artikel 10, lid 5) en de mogelijke bijdrage van kinderen gewogen.
De bijdrage die van kinderen in het schoonhouden van het huis wordt gevraagd is afhankelijk van de leeftijd. Van kinderen tot 5 jaar wordt geen bijdrage in het huishouden gevraagd.
Van kinderen tussen 5-12 jaar wordt een lichte bijdrage gevraagd in de vorm van opruimen, tafel dekken/afruimen, afwassen/afdrogen, een kleine boodschap doen, kleding in de wasmand doen e.d.
Van kinderen tussen 13-17 jaar wordt een grotere bijdrage gevraagd. Van hen wordt tevens verlangd dat zij hun eigen kamer op orde houden (opruimen, stofzuigen, bed verschonen e.d.).
Van jong volwassenen tussen 18-23 jaar wordt verlangd dat zij een bijdrage leveren die in omvang overeenkomt met een éénpersoonshuishouden, hetgeen gelijk staat aan 2 uur uitstelbare activiteiten en 3 uur niet-uitstelbare activiteiten per week.
Algemeen gebruikelijke voorzieningen:
Technische hulpmiddelen zoals een wasmachine, droogtrommel, afwasautomaat of (robot)stofzuiger zijn algemeen gebruikelijke huishoudelijke apparatuur. Als dergelijke apparaten niet aanwezig zijn maar wel een oplossing kunnen bieden voor het probleem, dan gaat de aanschaf van deze hulpmiddelen in beginsel voor het verstrekken van de individuele maatwerkvoorziening hulp bijhuishouden.
Artikel 14. (Praktische) Thuisondersteuning
Om te bepalen of en welke vorm(en) van Thuisondersteuning voor de bewoner toegankelijk en passend is worden, naast het Algemene toetsings- en afwegingskader, de volgende aspecten getoetst en/of gewogen:
aard van de beperking: Er dient sprake te zijn van matige of zware beperkingen op het gebied van zelfredzaamheid, gedragsproblemen, psychisch functioneren en/of oriëntatie en geheugen.
Er is sprake van matige beperkingen als zelfstandig nemen van besluiten niet vanzelfsprekend is, waardoor de bewoner ondersteuning nodig heeft bij het regelen van dagelijkse bezigheden en bij het aanbrengen van dagelijkse routine en structuur, niet goed begrijpt wat anderen zeggen en zichzelf niet begrijpelijk kan maken.
Er is sprake van zware beperkingen als complexe taken moeten worden overgenomen, het uitvoeren van eenvoudige taken moeilijk gaat, de bewoner niet in staat is zelfstandig problemen op te lossen en/of besluit(en) te nemen, moeite heeft met communiceren en afhankelijk is van regie van anderen voor het voeren van de regie.
de taken waarbij de bewoner ondersteuning nodig heeft:
De volgende taken vallen onder Praktische Thuisondersteuning:
Huishoudelijke taken: schoonmaakwerkzaamheden, wasverzorging, verzorging (warme) maaltijden.
Huishoudelijke taken worden in principe vanuit de voorziening Hulp bij Huishouden geboden, tenzij:
er regie over de organisatie van het huishouden nodig is, als er geen sprake is van overname. Regie wordt geboden aan mensen die wel zelf in staat zijn om huishoudelijke taken uit te voeren, maar stimulans of toezicht of begeleiding nodig hebben bij het plannen en structureren van taken in het huishouden.
Praktische ondersteuning valt geheel onder de Basisondersteuning. Thuisondersteuning valt deels onder de Basisondersteuning en deels onder de Aanvullende ondersteuning.
Landelijk ondersteuningsaanbod: Naast de Thuisondersteuning die vanuit de gemeente Leeuwarden geboden wordt, is landelijke specialistische zorg beschikbaar voor mensen met een zintuigelijke beperking (ernstige visuele beperking, vroegdoofheid, doofblind). Deze ondersteuning wordt slechts door enkele zorgaanbieders in Nederland geleverd.
Opvang kinderen: voor de (tijdelijke of gedeeltelijke) overname van de zorg voor kinderen kan ook gebruik gemaakt worden van kinderopvang/ buitenschoolse opvang, mede op basis van een sociaal medische indicatie, of (deeltijd) pleegzorg vanuit de Jeugdwet. Afgewogen wordt wat, gelet op de leeftijd van de kinderen en de (on)mogelijkheden van de ouder(s) en/of hun netwerk de goedkoopst adequate ondersteuning is.
Om te bepalen of ondersteuning vanuit de basisondersteuning of aanvullende ondersteuning het meest passend is, worden de onderstaande inhoudelijke criteria gebruikt voor het in kaart brengen van de ondersteuningsbehoefte. Deze aspecten worden in onderlinge samenhang gewogen.
Artikel 15. Persoonlijke verzorging
Om te bepalen of Persoonlijke verzorging voor de bewoner toegankelijk en passend is, worden, naast het Algemene toetsings- en afwegingskader, de volgende aspecten getoetst en/of gewogen:
aard van de beperking: er is sprake van een verstandelijke, zintuigelijke of psychiatrische beperking (niet medische oorzaak), waardoor de bewoner niet in staat is zichzelf te verzorgen. De behoefte aan ondersteuning bij de persoonlijke verzorging hangt samen met de behoefte aan begeleiding hierbij.
de taken waarbij de bewoner ondersteuning nodig heeft: Taken die onder persoonlijke verzorging vallen, zijn ondersteuning bij de algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL), waaronder in en uit bed komen, aan- en uitkleden, bewegen, lopen, gaan zitten en weer opstaan, lichamelijke hygiëne (wassen/douchen), toiletbezoek, eten en drinken, medicijnen innemen.
gebruikelijke hulp: Bij het bepalen wat gebruikelijke hulp is in de situatie van de bewoner, worden de uitgangspunten in het algemeen toetsings- en afwegingskader (artikel 10, lid 5) en de mogelijke bijdrage van kinderen gewogen.
In kortdurende situaties vallen alle taken onder gebruikelijke hulp van partners. In langdurende situaties betreft gebruikelijke hulp alleen taken op het gebied van medicatie.
Voor kortdurende situaties vallen alleen niet-lijfgebonden taken, zoals eten en drinken en medicatie, onder gebruikelijke hulp voor volwassen huisgenoten. Voor kinderen tot 18 jaar wordt geen bijdrage in de persoonlijke verzorging van huisgenoten gevraagd.
andere voorzieningen: de Zorgverzekeringswet en de Wet langdurige zorg. Indien de persoonlijke verzorging verband houdt met de behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop valt de persoonlijke verzorging onder de Zorgverzekeringswet. Dit betreft de behoefte aan persoonlijke verzorging op basis van de grondslagen psychogeriatrisch, lichamelijke beperking of somatische aandoening. Deze mensen kunnen gebruik maken van de wijkverpleging op grond van de ZvW.
Om te bepalen of ondersteuning vanuit de basisondersteuning of aanvullende ondersteuning het meest passend is, worden de onderstaande inhoudelijke criteria gebruikt voor het in kaart brengen van de ondersteuningsbehoefte. Deze aspecten worden in onderlinge samenhang gewogen.
Artikel 16. Kortdurend Verblijf
Om te bepalen of en welke vorm van Kortdurend Verblijf voor de bewoner toegankelijk en passend is worden, naast het Algemene toetsings- en afwegingskader, de volgende aspecten getoetst en/of gewogen:
omvang van de ondersteuning: Er is maximaal drie etmalen per week gemiddeld ondersteuning met verblijf noodzakelijk. De ondersteuning voor de andere etmalen worden vanuit (boven) gebruikelijke hulp en/of mantelzorg in de thuissituatie geboden.
Het is daarbij mogelijk dat, ten behoeve van vakantie van de mantelzorger, etmalen gespaard worden en achtereenvolgend worden gebruikt.
benodigde ondersteuning: het tijdelijk overnemen van de zorg die in de thuissituatie geboden wordt vanuit (boven) gebruikelijk hulp of mantelzorg, ter ontlasting van de leefeenheid en/of mantelzorger oftewel respijtzorg.
Kortdurend verblijf wordt geboden met en zonder zorg, per dagdeel of per etmaal.
Indien een bewoner persoonlijke verzorging en/of verpleging vanuit de Zorgverzekeringswet krijgt, dan maakt de bewoner altijd gebruik van een kortdurend verblijf zonder zorg (vanuit de Wmo).
Het volgende onderscheid in de vorm van zorg is aangebracht:
Om te bepalen of en welke vorm van Dagbesteding voor de bewoner toegankelijk en passend is, worden, naast het Algemene toetsings- en afwegingskader, de volgende aspecten getoetst en/of gewogen:
aard van de beperking: Er is sprake van een fysieke, zintuiglijke, verstandelijke beperking of chronische fysieke, psychische of sociale problemen, waardoor de bewoner niet (geheel) in staat is om zelfstandig of met behulp van de eigen leefomgeving invulling te geven aan de dag. De bewoner kan vanwege zijn beperkingen (nog of tijdelijk) niet of niet meer (vrijwilligers)werk verrichten of gebruik maken van onderwijs.
Het verbeteren en/of aanleren van vaardigheden ter bevordering van de zelfredzaamheid en participatie met als doel op termijn (sociaal of arbeidsmatig) te kunnen meedoen naar vermogen in de vorm van beschut, begeleid of ondersteund werk, betaald werk, vrijwilligerswerk of deelname aan buurt- en dorpsactiviteiten, (sport) activiteiten via verenigingen en dergelijke.
andere voorzieningen: beschikbare en voor de bewoner passende mogelijkheden voor invulling van de dag door deelname aan buurt- of dorpsactiviteiten en/of (sport)activiteiten via verenigingen, het doen van vrijwilligerswerk en ondersteuning vanuit het UWV of gemeente met betrekking tot werk en opleiding. Een geleidelijke doorgroei vanuit Dagbesteding vanuit de Wmo naar activiteiten op het gebied van (vrijwilligers)werk en participatie is mogelijk.
Aanvullende ondersteuning: Specialistische ondersteuning die bijdraagt aan het behouden of bevorderen van zelfredzaamheid en participatie.
Om te bepalen welke vorm van dagbesteding nodig is, wordt gekeken naar de mate van benodigde structuur en omgeving, de mogelijkheid tot mix in de doelgroep en benodigde deskundigheid (zie toelichting).
Om te bepalen of ondersteuning vanuit de basisondersteuning of aanvullende ondersteuning het meest passend is, worden de onderstaande inhoudelijke criteria gebruikt voor het in kaart brengen van de ondersteuningsbehoefte. Deze aspecten worden in onderlinge samenhang gewogen.
Om te bepalen of een Woonvoorziening voor de bewoner toegankelijk en passend is, worden, naast het Algemene toetsings- en afwegingskader, de volgende aspecten getoetst en/of gewogen:
betreffende woonruimte: Alleen ruimten die bestemd zijn voor de elementaire activiteiten (zie lid 1) komen in aanmerking voor een woonvoorziening. Hobby-, werk- of recreatieruimte vallen hier niet onder.
Een woonvoorziening voor andere ruimten kan wel worden verstrekt:
In een algemene ruimte van een wooncomplex, om de woning voor de bewoner bereikbaar en toegankelijk te maken. De woonvoorzieningen die voor een algemene ruimte kunnen worden verstrekt, zijn: automatische deuropeners, extra trapleuningen bij een portiekwoning en hellingbanen van de openbare weg naar de toegang van het gebouw.
Een woonvoorziening kan worden verstrekt aan de bewoner die in een woonwagen of op een woonschip of binnenschip woont, indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden in verband met de duurzaamheid van de voorzieningen:
Een woonwagen en een woonschip moeten een technische levensduur van tenminste nog vijf jaar hebben. Ook de stand- en ligplaats moet nog zeker vijf jaar blijven bestaan, behoudens wijzigingen die buiten de invloedsfeer van de bewoner liggen.
De hoofdbewoner van een woonwagen moet over een bewoningsvergunning beschikken.
Om in aanmerking te komen voor woningsanering (vervanging van vloerbedekking) dient aan de volgende voorwaarden te zijn voldaan:
De vervanging van het artikel medisch gezien op zeer korte termijn noodzakelijk is.
In principe gaat het bij woningsanering om het vervangen van de vloerbedekking in de slaapkamer.
De woonkamer kan ook worden gesaneerd, maar alleen als de betreffende inwoner jonger dan vier jaar is. Voor het vervangen van gordijnen of behang in de slaap- of woonkamer worden geen saneringskosten verstrekt. Het nut hiervan is volgens het Longfonds nauwelijks aantoonbaar.
meest goedkope en adequate oplossing: Om te bepalen of een woonvoorziening in de vorm van een woningaanpassing dan wel, in plaats van een woningaanpassing, een financiële tegemoetkoming voor verhuiskosten de meest goedkoop adequate oplossing is, worden de volgende elementen in onderlinge samenhang gewogen:
benodigde woningaanpassing: is de benodigde woningaanpassing, om de ergonomische belemmeringen in het gebruik van de woning op te lossen, (technisch) mogelijk. Indien de benodigde woningaanpassing technisch niet mogelijk is en/of de ergonomische belemmeringen onvoldoende kunnen worden opgelost door aanpassingen in de eigen woning, dan is verhuizen naar een andere geschiktere woonruimte de enige adequate oplossing.
termijn beschikbaarheid: is de belemmering in het gebruik van de woning binnen een medisch aanvaardbare termijn op te lossen. In een aantal gevallen kan verhuizing de belemmering veel sneller oplossen.
Is een aangepaste of eenvoudig aan te passen woning binnen een medisch aanvaardbare termijn beschikbaar of vrij te maken.
kosten: de kosten van de aanpassing van de huidige woning en de kosten van verhuizing, inclusief kosten voor eventuele woningaanpassingen van de nieuwe woning en/of eventuele voorziening voor huurderving, worden vergeleken, om te kunnen bepalen wat de goedkoopst adequate oplossing is. Tevens wordt hierbij meegewogen welke woningaanpassingen voor de huidige woning al zijn uitgevoerd/verstrekt en de noodzaak tot het aanvullend verstrekken van andere voorzieningen.
woonlastenconsequenties: gewogen wordt of de financiële gevolgen van een verhuizing binnen aanvaardbare grenzen valt. Daarbij wordt een vergelijking gemaakt tussen de woonlasten voor de huidige woning en nieuwe woning. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kosten voor een huurwoning en koopwoning, zoals (de mogelijkheid tot) huurtoeslag en kosten van onderhoud, verzekering, belastingen en heffingen naast hypotheeklasten van een eigen woning en eventueel financieel gevolg van een verplichte verkoop van een woning.
verhuiskosten: Indien verhuizen, in plaats van een woningaanpassing vanwege de ergonomische belemmeringen in het gebruik van de huidige woning, de meest goedkope en adequate oplossing is, wordt aan de bewoner een financiële tegemoetkoming voor verhuiskosten verstrekt. Dit betreft de noodzakelijke extra kosten in verband met verhuizing, zoals de kosten van de huur van een verhuiswagen of een verhuisbedrijf, vloerbedekking, raambekleding, verf en behang. Een financiële tegemoetkoming voor verhuiskosten wordt vastgesteld op basis van de begroting (budgetplan) van de bewoner met de werkelijke kosten, gebaseerd op de grootte van de leefeenheid en de NIBUD prijzengids als richtlijn, met een maximum zoals vastgesteld in de Verordening Wmo van de gemeente Leeuwarden.
kosten tijdelijke huisvesting: Indien als gevolg van het realiseren van een vanuit de Wmo verstrekte woningaanpassing aan de huidige woning of de te betrekken woning sprake is van dubbele woonlasten (voor het tijdelijk betrekken van een woonruimte of het langer aanhouden van de te verlaten woonruimte), kan een financiële tegemoetkoming voor de extra kosten verstrekt worden. Deze voorziening kan voor maximaal 6 maanden verstrekt worden voor de goedkoopste woning, op basis van de werkelijke kosten met een maximum zoals vastgesteld in de Verordening Wmo van de gemeente Leeuwarden.
algemeen gebruikelijke voorzieningen:
verhuiskosten: Verhuiskosten zijn algemeen gebruikelijk, tenzij ergonomische belemmeringen in de woning, als gevolg van de beperking of problematiek van de bewoner, bij de algemeen dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een huishouden, het noodzakelijk maken om te verhuizen naar een adequate woning of een woning die meer geschikt is om aan te passen.
woonvoorzieningen in (levensloopbestendige)woningen voor ouderen of gehandicapten: Algemeen gebruikelijk is dat bewoners in (levensloopbestendige) woningen voor ouderen of gehandicapten kunnen beschikken over de voor ouderen of gehandicapten benodigde voorzieningen, zoals (drempelloze) toegankelijkheid van woonruimten met rollator of rolstoel, inloopdouche, een lift en elektrische deuropeners. Van de woningeigenaar (verhuurder) wordt verwacht deze woonvoorzieningen te bieden.
Een bewoner van een woning die specifiek te huur is aangeboden als woning voor ouderen of gehandicapten, mag verwachten dat deze is ingericht op het adequaat kunnen wonen voor ouderen of gehandicapten.
renovatie: Renovatie van woonvoorzieningen, die onder normale omstandigheden vervangen zouden moeten worden omdat ze technisch of economisch afgeschreven zijn, wordt in beginsel als algemeen gebruikelijk beschouwd, mits de kosten hiervan kunnen worden gedragen met een inkomen op minimumniveau. De gemeente Leeuwarden hanteert de afschrijvingstermijn die is vastgesteld door de huurcommissie in het ’Beleidsboek huurverhoging na woningverbetering’, deze is voor een keuken 15 jaar, een toilet 15 jaar en een badkamer 25 jaar.
Om te bepalen welke voorzieningen onder algemeen gebruikelijke voorzieningen kunnen vallen volgt hieronder een (niet limitatieve) opsomming.
Daarbij dient altijd een afweging plaats te vinden conform het Algemeen toetsings- en afwegingskader artikel 10, lid 10.
Om te bepalen of een Rolstoel als voorziening voor de bewoner toegankelijk en passend is, worden, naast het Algemene toetsings- en afwegingskader, de volgende aspecten getoetst en/of gewogen:
wijze gebruik: een rolstoel wordt verstrekt indien de bewoner, vanwege zijn beperking en het aanvaardbare niveau van zelfredzaamheid en participatie, een rolstoel nodig heeft voor:
Indien de bewoner zich wel lopend kan verplaatsen in en om de woning maar voor korte afstanden van de woning rolstoelafhankelijk is vanwege zijn beperking, is er ook sprake van structureel gebruik.
Voor incidenteel en kortdurend gebruik wordt in principe geen rolstoel verstrekt. Hiervoor kan de bewoner gebruik maken van de uitleenservice van een thuiszorgwinkel.
Om te bepalen of een Sportvoorziening voor de bewoner toegankelijk en passend is, worden, naast het Algemene toetsings- en afwegingskader, de volgende aspecten getoetst en/of gewogen:
andere voorzieningen: Wlz, Zvw, Uwv, uitleenservice (o.a. via Uniek Sporten Uitleen), sporthulpmiddelen van sportvereniging, sponsoring, crowdfunding of fondsen (bijvoorbeeld: Het Gehandicapte kind, Foppe Fonds, Dirk Kuyt Foundation, Esther Vergeer Foundation, Johan Cruyff Foundation, Jeugdfonds Sport en Cultuur).
Artikel 21. Vervoersvoorziening
Om te bepalen of een Vervoersvoorziening voor de bewoner toegankelijk en passend is, worden, naast het Algemene toetsings- en afwegingskader, de volgende aspecten getoetst en/of gewogen:
vervoersbehoefte: De bewoner heeft ten behoeve van zijn zelfredzaamheid en participatie een zelfstandige vervoersbehoefte voor korte en/of langere afstand en kan hiervoor vanwege zijn beperking geen gebruik maken van algemene (gebruikelijke) voorzieningen, zoals een fiets, brommer of scooter, auto en/of het openbaar vervoer. De gebruikskosten van een (eigen) auto zijn tevens algemeen gebruikelijk.
Uitgangspunt is dat volwassenen en kinderen vanaf 12 jaar een zelfstandige vervoersbehoefte hebben. Kinderen jonger dan 5 jaar hebben geen zelfstandige vervoersbehoefte, omdat de ouders hen kunnen meenemen zonder dat een voorziening hoeft te worden getroffen.
Kinderen van 5 tot en met 11 jaar hebben in beginsel ook geen zelfstandige vervoersbehoefte, zij worden bij het zich verplaatsen bijna steeds begeleid door de ouders.
vorm van de vervoersvoorziening: Op basis van de vervoersbehoefte en de aard van de beperking van de bewoner wordt bepaald welke voorziening of welke combinatie van voorzieningen het meest passend is. We kennen de volgende vervoersvoorzieningen:
bijzondere (aangepaste) fiets: Een bijzondere (aangepaste) fiets is een vervoersvoorziening die voorziet in een vervoersbehoefte in de directe omgeving van de eigen woning. Een bijzondere fiets is een fiets die speciaal bedoeld of aangepast is voor iemand met een beperking (handicap), zoals een driewielfiets en (aankoppelbare)handbike.
scootmobiel: Een scootmobiel is een vervoersvoorziening die voorziet in een vervoersbehoefte in de directe omgeving van de eigen woning. Deze vervoersvoorziening kan indien nodig gecombineerd worden met lokaal vervoer. Om te bepalen of een scootmobiel voor de bewoner een passende voorziening is en welke scootmobiel passend is, worden de volgende aspecten gewogen:
Wat is de goedkoopst adequate voorziening.
Afhankelijk van de vervoersbehoefte en de beperking van de bewoner wordt beoordeeld wat de goedkoopst adequate scootmobiel is en daarmee ook welke maximum snelheid en actieradius volstaat.
Indien de bewoner een duurdere scootmobiel wenst, betaalt de bewoner het meerdere zelf.
De kosten van service, onderhoud en reparatie maken onderdeel uit van de verstrekking van de voorziening, tenzij de schade als gevolg van verwijtbaar gedrag of nalatigheid is ontstaan. De kosten voor de reparatie van de voorziening als gevolg van verwijtbaar gedrag of nalatigheid zijn voor rekening van de bewoner zelf. De kosten van het opladen van een scootmobiel worden beschouwd als algemeen gebruikelijke kosten en zijn voor rekening van de bewoner zelf.
lokaal vervoer: lokaal vervoer is een vervoersdienst die voorziet in een vervoersbehoefte voor korte of langere afstanden. Indien de bewoner een indicatie heeft kan de bewoner een vervoerspas voor het lokaal vervoer krijgen, waarmee tegen een lager tarief kan worden gereisd. Zonder indicatie kan de bewoner ook van het lokaal vervoer gebruik van maken, maar is dan het marktconform tarief verschuldigd.
Om te bepalen of lokaal vervoer voor de bewoner een passende voorziening is, worden de volgende aspecten gewogen:
vervoersgebied: Het vervoersgebied is in principe maximaal 25 kilometer vanuit het woonadres.
Indien het lokaal vervoer de vervoersbehoefte onvoldoende compenseert, zal beoordeeld worden of naast of in plaats van deze voorziening een andere voorziening verstrekt moet worden.
Het verstrekken van een indicatie voor lokaal vervoer buiten het vervoersgebied gebeurt slechts wanneer een bewoner een belangrijk contact net buiten het vervoersgebied heeft dat noodzakelijk is, bijvoorbeeld om vereenzaming te voorkomen.
Indien de bewoner zonder indicatie reist buiten het vervoersgebied betaalt de bewoner hiervoor het marktconform tarief.
Voor vervoer buiten het vervoersgebied kan de bewoner gebruik maken van Valys (landelijke vervoersaanbieder).
omvang: De omvang (vervoersbundel) voor het lokaal vervoer wordt op maat, in de vorm van een vervoersbundel, vastgesteld op basis van de aard van de beperking, de vervoersbehoefte en het gebruik van andere vervoersvoorzieningen, met in principe een maximum van 1.500 kilometer per jaar. Een indicatie voor een grotere omvang van vervoer kan afgegeven worden indien er sprake is van een grote omvang van individueel noodzakelijk vervoer én hiervoor geen gebruik gemaakt kan worden van andere voorzieningen.
Indien een bewoner ook een hulpmiddel als vervoersvoorziening verstrekt krijgt, is de omvang van het lokaal vervoer in principe maximaal 750 kilometer.
aanvullende indicaties: mede afhankelijk van de aard van de beperking kan een extra aanvullende indicatie verstrekt worden.
Er zijn een aantal beperkingen, die specifieke vereisten aan het vervoer(smiddel) stellen, deze zijn:
individueel vervoer: gelijktijdig vervoer van de bewoner met anderen leidt tot een onaanvaardbaar hoog gezondheidsrisico voor de bewoner en/of medereizigers, vanwege een psychische aandoening of ziekte of behandeling sterk verminderde weerstand of ernstige (long)aandoening). Individueel vervoer kan alleen ingezet worden op basis van een medische indicatie.
instap via lift: de bewoner, niet zijnde een rolstoelinzittende, heeft vanwege een fysieke beperking ernstige moeite met instappen en kan alleen gelijkvloers met een lift in het voertuig instappen.
Indien de bewoner al een indicatie heeft voor een OV-begeleiderspas (van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu) wordt altijd beoordeeld of een aanvullende indicatie nodig is voor het lokaal vervoer, zoals een indicatie van kamer-tot-kamer of begeleider op medische indicatie.
De begeleider op (medische) indicatie reist gratis mee op een ‘vervoerspas met begeleiding’. Zonder (medische) indicatie kan een begeleider ook gebruik maken van het vervoerssysteem, maar dan is een bijdrage per rit verschuldigd.
autoaanpassing: Indien de bewoner aangewezen is op een eigen auto als vervoersmiddel én er als gevolg van de beperking van de bewoner een autoaanpassing naar het oordeel van de gemeente noodzakelijk is, kan deze als voorziening verstrekt worden. Een autoaanpassing wordt niet preventief verstrekt. Om te bepalen of de bewoner in aanmerking komt voor een autoaanpassing, worden de volgende aspecten gewogen:
De te maken kosten van de autoaanpassing staan in redelijke verhouding tot het gebruik, de geldigheidsduur van het rijbewijs, de verwachte levensduur en technische staat van de auto. Indien een auto ouder is dan acht jaar en er meer dan 75.000 kilometer mee is gereden, is een technische keuring van de auto door een onafhankelijke instantie (bijvoorbeeld de ANWB) nodig om te kunnen beoordelen of de aanpassing nog verantwoord is.
Algemeen gebruikelijke autoaanpassingen: Een aantal autoaanpassingen zijn algemeen gebruikelijk, zoals stuurbekrachtiging, rembekrachtiging, automatische versnelling, een auto met hoge instap, een (verstelbare) autostoel met een goed zitcomfort en/of zithouding. Van de bewoner wordt verwacht dat bij de aanschaf van een auto rekening heeft gehouden met de op dat moment aanwezige of voorzienbare beperkingen en daarbij voldoende aandacht heeft besteed aan de genoemde algemeen gebruikelijke mogelijkheden.
gehandicaptenparkeerplaats: Indien een bewoner een gehandicaptenkaart voor een bestuurder heeft, dan kan de bewoner een gehandicaptenparkeerplaats aanvragen.
Voor de aanvraag van een gehandicaptenparkeerkaart, de bijhorende medische keuring en de gehandicapten parkeerplaats dient de bewoner apart leges te betalen. De kosten voor de aanleg van een gehandicaptenparkeerplaats worden vanuit de Wmo bekostigd.
andere voorzieningen: Indien een vervoersvoorziening (bijzondere fiets, scootmobiel, taxivervoer of autoaanpassing) nodig is om werk goed te kunnen doen of onderwijs te kunnen volgen, dan dient deze voorziening bij het UWV te worden aangevraagd.
Indien begeleiding bij het openbaar vervoer noodzakelijk is, kan de landelijke OV-begeleiderskaart aangevraagd worden.
Indien vervoer noodzakelijk is voor medische ritten (van en naar ziekenhuis, zorgverlener, instelling), kan vervoer onder de Zorgverzekeringswet vallen en dient het vervoer bij de zorgverzekeraar aangevraagd te worden.
Indien een loopfiets noodzakelijk is kan deze via de Zorgverzekeraar aangevraagd worden.
Indien vervoer van en naar dagbesteding noodzakelijk is, valt het vervoer onder de verantwoordelijkheid van de zorgaanbieder. Heeft de bewoner een indicatie vanuit de Wet langdurige zorg (Wlz) dan valt al het vervoer van en naar begeleiding of behandeling onder de Wlz. Lokaal vervoer vanuit de Wmo kan dan alleen geïndiceerd worden voor sociaal vervoer.
Voor vervoer van en naar het werk of (beroeps)onderwijs voor mensen met een beperking kan gebruik gemaakt worden van reiskostenvergoeding via de werkgever dan wel van een regeling of voorziening via het UWV dan wel Leerlingenvervoer.
Om te bepalen of Beschermd wonen voor een persoon toegankelijk en passend is worden, naast het algemene afwegingskader, de volgende aspecten getoetst en/of gewogen:
aard van de beperking: De persoon heeft een psychische en/of psychosociale problematiek, die tot dusdanig belemmeringen leidt in het dagelijks functioneren, dat hij niet meer in staat is tot zelfstandig wonen en deel te nemen aan de maatschappij, dan wel hierbij 24/7 toezicht en 24/7 fysieke aanwezigheid of 24/7 bereikbaarheid en beschikbaarheid van ondersteuning nodig heeft, en (nog) onvoldoende regie heeft op alle of het merendeel van de leefdomeinen van de ZRM.
verantwoordelijke gemeente: De gemeente/regio waar een persoon zich meldt doet het onderzoek naar de ondersteuningsbehoefte en benodigde ondersteuning. In onderlinge afstemming kan de gemeente/regio waar de persoon zich meldt het onderzoek overlaten aan de gemeente/regio waar de persoon zijn hoofdverblijf heeft (gemeente/regio van herkomst).
Beschermd wonen (Intramuraal beschermd wonen, Geclusterd wonen, Safehouse en ThuisBasis) kan vanuit de gemeente Leeuwarden/regio Fryslân worden geboden aan personen die hun hoofdverblijf in de gemeente /regio (gaan) hebben. Beschermd wonen is een landelijk toegankelijke voorziening, dat betekent dat personen gebruik kunnen maken van de voorziening in elke gemeente/regio. Als een persoon zich wil gaan vestigen in een andere gemeente/regio, waar de persoon tevens gaat verblijven in een locatie van Beschermd wonen, dient deze zich in de betreffende gemeente/regio ook in te schrijven in de BRP. Als een persoon tijdelijk Intramuraal beschermd gaat wonen in een andere regio, omdat alleen daar passende ondersteuning geboden kan worden, maar binnen een jaar terugkeert naar de gemeente/regio van herkomst, dan blijft de gemeente/regio van herkomst financieel verantwoordelijk. Uitgangspunt is dat personen geplaatst worden in een voorziening voor Beschermd wonen in de gemeente/regio van herkomst, dan wel in de gemeente/regio waar een traject in Beschermd wonen voor de persoon de meeste kans van slagen heeft. Hierbij wordt in ieder geval de volgende factoren betrokken:
de behoefte aan een specifieke aanpak of een specifieke voorziening.
Indien tijdens of uit het onderzoek blijkt dat in een andere gemeente/regio teen traject de grootste kans van slagen heeft, wordt contact met deze gemeente/regio opgenomen én deze gemeente/regio betrokken bij het onderzoek én vindt overdracht plaatsmet noodzakelijke informatie, waaronder het onderzoeksverslag. Bij verschil van mening over het wel of niet overdragen van een persoon, spannen gemeenten/regio’s zich maximaal in om tot een oplossing te komen. Indien gemeenten of regio’s niet tot een oplossing komen kan een verschil voorgelegd worden aan de Geschillencommissie Sociaal Domein. Tot het moment van overdracht blijft de gemeente/regio waar de persoon zijn hoofdverblijf heeft financieel verantwoordelijk voor het bieden van Beschermd wonen.
Indien een persoon wel in de gemeente/regio verblijft maar geen binding met de gemeente/regio heeft, wordt in samenspraak met de persoon, zorgaanbieder en het betrokken gebiedsteam gezocht naar mogelijkheden om de persoon te plaatsen in een voorziening voor Beschermd wonen in de gemeente/regio waar een traject de meeste kans van slagen heeft.
benodigde ondersteuning: Om te bepalen welke vorm van Beschermd wonen passend is wordt gekeken naar de ondersteuningsbehoefte. De volgende ondersteuning wordt hierbij onderscheiden:
Intramuraal beschermd wonen (gemiddeld 14-20 uur per week)
Er is sprake van (ernstige) psychische en/of psychosociale problematiek, mogelijk gecombineerd met psychiatrische problematiek, verslavingsproblematiek of verstandelijke beperking.
Er is behoefte aan intensieve en veelal onplanbare ondersteuning in de vorm van wonen in een accommodatie van een aanbieder met daarbij behorende 24/7 toezicht en 24/7 fysieke aanwezigheid. De persoon is niet in staat om zelf hulp te vragen of zijn hulpvraag uit te stellen. De ondersteuning is gericht op het vergroten van de zelfredzaamheid en participatie dan wel op stabilisatie. De ondersteuning wordt individueel of in groepsverband geboden op meerdere leefdomeinen van de ZRM en kan bestaan uit het tijdelijk overnemen van taken, het coachen en aanleren van vaardigheden of het motiveren en stimuleren daarvan, steeds afgestemd op de eigen mogelijkheden en talenten van de persoon. Er wordt waar mogelijk toegewerkt naar uitstroom naar zelfstandig(er) wonen.
Ambulant beschermd wonen – Geclusterd wonen (gemiddeld 8-14 uur per week)
Er is sprake van psychische en/of psychosociale problematiek. Er is behoefte aan onplanbare ondersteuning in de vorm van groepswonen voor personen van 16 jaar met daarbij behorend 24/7 bereikbaarheid en beschikbaarheid. De persoon is in staat om hulp te vragen en beschikt over basisvaardigheden om zelfstandig te wonen en deel te nemen aan de samenleving. De ondersteuning is gericht op het vergroten van de zelfredzaamheid en participatie. De ondersteuning wordt individueel of in groepsverband geboden op meerdere levensdomeinen van de ZRM en kan bestaan uit het coachen en aanleren van vaardigheden of het motiveren en stimuleren daarvan, steeds afgestemd op de mogelijkheden en talenten van de persoon. Er wordt toegewerkt naar het (opnieuw) zelfstandig wonen al dan niet met ThuisBasis of lokale ondersteuning.
Ambulant beschermd wonen – Safehouse
Er is sprake van (complexe) psychische en/of psychosociale problematiek in combinatie met een verslavingsproblematiek. Er is behoefte aan ondersteuning in de vorm van een veilige, gezonde en abstinente woonomgeving in een huiselijke omgeving met gelijkgestemden, met daarbij 24/7 bereikbaarheid en beschikbaarheid en een aanbod van een dagprogramma en/of dagbesteding. De ondersteuning is gericht op het aanleren en oefenen van vaardigheden die essentieel zijn voor blijvend herstel na een verslaving en het leren omgaan met de complexe problematiek.
Ambulant beschermd wonen – ThuisBasis (gemiddeld 8-12 uur per week)
Er is sprake van psychische en/of psychosociale problematiek. Er is behoefte aan veelal planbare ondersteuning en 24/7 bereikbaarheid en beschikbaarheid voor ongeplande ondersteuning. De persoon bezit een aan basisvaardigheden om thuis te (blijven) wonen. De persoon is in staat om hulp te vragen. De ondersteuning wordt individueel geboden op meerdere levensdomeinen van de ZRM en kan bestaan uit het coachen en aanleren van vaardigheden, het motiveren en het stimuleren daarvan, steeds afgestemd op de eigen mogelijkheden en talenten van de persoon. Er wordt toegewerkt naar zelfstandig wonen met zo nodig lokale ondersteuning.
Aanvullend op Intramuraal beschermd wonen kan de Plusmodule geïndiceerd worden. Dit kan als er sprake is van verergering van de problematiek van de bewoner met een ontregeling die langere tijd aanhoudt, waardoor tijdelijke extra inzet van begeleidingsuren of specialistische ondersteuning, zoals een gedragswetenschapper, noodzakelijk is en de gemiddelde reguliere ondersteuningsuren hiervoor onvoldoende zijn.
De ondersteuning is gericht op het voorkomen van verdere achteruitgang of escalatie, die anders kan leiden tot een onveilige situatie.
Module Nazorg – ambulante ondersteuning (13 uur in 3 maanden)
Als een bewoner uitstroomt uit Intramuraal beschermd wonen, Geclusterd wonen of ThuisBasis naar lokale ondersteuning en de bewoner behoefte heeft aan Nazorg kan dit gedurende een periode van 3 maanden worden ingezet om de kans van slagen naar wonen met lokale ondersteuning te vergroten. Nazorg biedt de mogelijkheid voor een warme en geleidelijke overdracht, met de ruimte voor de bewoner om vanuit de bestaande vertrouwensrelatie een nieuwe vertrouwensrelatie op te bouwen.
Module Verblijf kind bij ouder:
Aanvullend op Intramuraal beschermd wonen kan de Module Verblijf kind bij ouder geïndiceerd worden. Het verblijf van een of meer kinderen bij de ouder in Intramuraal beschermd wonen brengt voor de zorgaanbieder vaak meerkosten met zich mee die niet zijn voorzien in de tarieven die zijn vastgesteld. Het gaat daarbij om meerkosten op het gebied van huisvesting, facilitaire voorzieningen en indien nodig (begeleiding bij) basiszorg (ADL) als de ouder niet in staat is om het kind zelfstandig hierbij voldoende te ondersteunen. Als tegemoetkoming in deze meerkosten is de module Verblijf kind bij ouder. Indien er bij opgroei- en/of opvoedingsproblematiek van het kind meer ondersteuning nodig is, dan dient in het kader van de Jeugdwet een aanvraag voor ondersteuning worden gedaan.
Module Dagbesteding (maximaal 6 dagdelen, bij uitzondering maximaal 9 dagdelen)
Aanvullend op Intramuraal beschermd wonen, Geclusterd wonen of ThuisBasis kan de module Dagbesteding geïndiceerd worden, als er sprake is van (nog) onvoldoende competenties om zelfstandig maatschappelijk te participeren. Er wordt eerst onderzocht welke alternatieven er zijn, zoals betaald werk, beschut werk, vrijwilligerswerk, scholing of sociale activiteiten (sport, hobby, buurtactiviteit).
Module Vervoer bij Dagbesteding:
Aanvullend op de module Dagbesteding kan de module Vervoer bij Dagbesteding geïndiceerd worden, als de bewoner vanwege een (medische) beperking niet in staat is zelfstandig de locatie van dagbesteding te bereiken.
Er wordt eerst onderzocht welke mogelijkheden er voor de bewoner zijn om zelfstandig naar de dagbesteding te gaan. Dit kan bijvoorbeeld lopend, met een hulpmiddel (rollator, rolstoel, scootmobiel), met eigen vervoer (fiets, brommer/scooter, auto) of met het openbaar vervoer zijn.
Zorgverzekeringswet: Deze wet financiert zorg waarbij een psychiater of arts in de directe nabijheid noodzakelijk is. Het wonen maakt een integraal onderdeel uit van de behandeling. Het eerste jaar met verblijf en behandeling wordt bekostigd via een Diagnose Behandelcombinatie (DBC), evenals de daaropvolgende twee jaren.
Wet Langdurige Zorg: Deze wet voorziet in langdurige intramurale zorg voor personen die een blijvende behoefte hebben aan permanent toezicht of 24/7 zorg in de nabijheid. Dit geldt doorgaans voor de rest van iemands leven en onderscheidt zich van de tijdelijke aard van beschermd wonen vanuit de Wmo.
Jeugdwet: Deze wet regelt en financiert Jeugdhulp voor jeugdigen tot 18 jaar. In sommige gevallen kan Jeugdhulp na de 18e worden verstrekt. De gemeente of (in het kader van strafrecht) de rechtbank beslist over de jeugdige na zijn 18e in aanmerking komt voor Jeugdhulp, op basis van de regelgeving in de Jeugdwet.
Om te bepalen of Opvang voor de bewoner toegankelijk en passend is worden, naast het Algemene toetsings- en afwegingskader, de volgende aspecten getoetst en/of gewogen:
aard beperking: de persoon is niet in staat zich te handhaven in de samenleving of heeft te maken met geweld in een afhankelijkheidsrelatie. Opvang is geen passende voorziening, indien er sprake is van:
Noodzaak van ondersteuning bij het uitvoeren van elementaire activiteiten, zoals persoonlijke verzorging en basale huishoudelijke taken.
Toegang tot een voorziening voor Opvang kan worden geweigerd wanneer een persoon zich (na toegang tot de voorziening) niet houdt aan de huisregels van een voorziening.
verantwoordelijke gemeente: De gemeente/regio waar een persoon zich meldt doet het onderzoek naar de ondersteuningsbehoefte en benodigde ondersteuning. In onderlinge afstemming kan de gemeente/regio waar een persoon zich meldt het onderzoek overlaten aan de gemeente/regio waar de persoon zijn hoofdverblijf heeft (gemeente/regio van herkomst). Opvang kan vanuit de centrumgemeente Leeuwarden worden geboden aan personen die hun hoofdverblijf in de gemeente Leeuwarden/regio Fryslân hebben. De persoon dient wel te beschikken over de Nederlandse nationaliteit of houdt als vreemdeling rechtmatig verblijf in Nederland in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000.
Opvang is een landelijk toegankelijke voorziening, dat betekent dat personen gebruik kunnen maken van de voorziening in elke gemeente/regio. De gemeente waar de persoon daadwerkelijk de ondersteuning ontvangt en dus in een locatie van Opvang verblijft, is financieel verantwoordelijk. De persoon dient zich in de gemeente waar de persoon feitelijk zal gaan verblijven in een voorziening voor Opvang ook in te schrijven in de BRP.
Uitgangspunt is dat personen geplaatst worden in een voorziening voor Opvang in de gemeente/regio van herkomst, dan wel in de gemeente/regio waar een traject in de Opvang voor de persoon de meeste kans van slagen heeft. Hierbij worden in ieder geval de volgende factoren betrokken:
De behoefte aan een specifieke aanpak of een specifieke voorziening.
Indien tijdens of uit het onderzoek blijkt dat in een andere gemeente/regio een traject de grootste kans van slagen heeft, wordt contact met deze gemeente/regio opgenomen én deze gemeente/regio betrokken bij het onderzoek én vindt overdracht plaats met de noodzakelijke informatie, waaronder het onderzoeksverslag.
Bij verschil van mening over het wel of niet overdragen van een persoon, spannen gemeenten/regio’s zich maximaal in om tot een oplossing te komen. Indien gemeenten of regio’s niet tot een oplossing komen kan een verschil voorgelegd worden aan de Geschillencommissie Sociaal Domein. Tot het moment van overdracht blijft de gemeente/regio waar de persoon zijn hoofdverblijf heeft financieel verantwoordelijk voor het bieden van Opvang.
Artikel 24. Schending inlichtingenplicht
Bij signalen dan wel een vermoeden van schending inlichtingenplicht, conform de verordening artikel 16 lid 2 en 3, is de gemeentelijke toezichthouder bevoegd onderzoek te verrichten. De bewoner, de PGB budgetbeheerder en de zorgaanbieder(s) zijn verplicht aan dit onderzoek mee te werken en alle relevante informatie ten behoeve van dit onderzoek schriftelijk en/of mondeling aan de gemeentelijke toezichthouder te verstrekken.
Het college kan bij geconstateerde schending inlichtingenplicht een besluit tot verstrekking van een individuele maatwerkvoorziening geheel of gedeeltelijk intrekken en kan daarbij tevens de bewoner verplichten de individuele maatwerkvoorziening in te leveren, dan wel de bewoner de mogelijkheid bieden om de met het PGB aangeschafte voorziening in te leveren.
Aanvullend op lid 2 kan het college, bij geconstateerde opzettelijke schending inlichtingenplicht, van de bewoner en van degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldwaarde vorderen van de ten onrechte genoten individuele maatwerkvoorziening of het ten onrechte genoten PGB.
Indien de beschikking voor een PGB is gewijzigd of ingetrokken vanwege toerekenbaar handelen van de zorgaanbieder die ten laste van het PGB formele of informele ondersteuning levert, ontstaat een vordering op die zorgaanbieder. De vordering bedraagt het bedrag gelijk aan het door de zorgaanbieder, vanwege het toerekenbaar handelen, ten laste van het PGB ten onrechte ontvangen bedrag. Dit derdenbeding is onherroepelijk en blijft ook na beëindiging van de zorgovereenkomst van kracht.
Voor zover de belanghebbende beschikt over vermogen (waaronder wordt verstaan alle aan de belanghebbende in eigendom toebehorende roerende en onroerende zaken en vermogensrechten) dat nauw samenhangt met de ontstaansgrond van de vordering, wordt teruggevorderd ten laste van het vermogen voor zover het vermogen na aftrek van alle schulden, uitgezonderd de gemeentelijke vorderingen, een bedrag van € 1.500,- te boven gaat.
BIJLAGE – RICHTLIJN OMVANG HULP BIJ HUISHOUDEN (behorend bij Artikel 13)
Bij de start van de Wmo (in 2007) heeft het CIZ een richtlijn Indicatieadvisering Hulp bij het Huishouden en Praktische Thuisondersteuning opgesteld. In 2011 is door de MO-zaak naar aanleiding van jurisprudentie, ervaringen uit de praktijk en de modelverordening van de VNG een herziene versie van de richtlijn opgesteld.
Bureau HHM ontwikkelde, op basis van onafhankelijk en objectief onderzoek, het Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2019. Dit normenkader is herzien in 2025, Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2025.
Het HHM-normenkader wordt in de gemeente Leeuwarden gebruikt als richtlijn voor het bepalen van de benodigde omvang van de individuele maatwerkvoorziening Hulp bij Huishouden.
De basis van het nieuwe normenkader ligt in:
De normering bij de resultaten betreft een omschreven gemiddelde situatie, bij een volledige overname door een professional, en wordt beschouwd als richtlijn. De uiteindelijke omvang wordt altijd op maat vastgesteld door te bekijken:
De normtijden op jaarbasis zijn omgerekend naar normtijden per week. Dat betekent dat ook voor activiteiten die bijvoorbeeld één keer in de 6 weken worden gedaan, dit omgerekend is naar een tijd per week. De professionele hulp verdeelt, in overleg met de bewoner, zelf de uit te voeren werkzaamheden en beschikbaar gestelde tijd over de weken heen, zodat uiteindelijk alle activiteiten ten behoeve van het vastgestelde resultaat worden uitgevoerd.
In het normenkader is naast de directe tijd ook de benodigde indirecte tijd meegenomen.
Met het normenkader kan een verantwoord niveau van een schoon, opgeruimd en georganiseerd huishouden worden gerealiseerd. Persoonlijke opvattingen van bewoners of professionals over de duur of frequentie van de activiteiten kunnen anders zijn, maar zijn niet van invloed op de vast te stellen omvang van de benodigde ondersteuning. Dit normenkader is dan leidend als richtlijn, omdat deze op basis van onderzoek met vele bewoners en professionals tot stand is gekomen.
Er kan sprake zijn van factoren die maken dat een situatie niet gemiddeld is en maken dat minder of meer inzet nodig is door een hogere of lagere frequentie van activiteiten of dat meer tijd nodig is per keer dat een activiteit wordt uitgevoerd. Deze factoren zijn:
Mogelijkheden van bewoner zelf:
De fysieke mogelijkheden van de bewoner om bij te dragen aan de uit te voeren activiteiten. Dit hangt af van het kunnen bewegen, lopen, bukken en omhoog reiken, het vol kunnen houden van activiteiten, het kunnen overzien wat moet gebeuren en daadwerkelijk tot actie kunnen komen. Ook speelt de trainbaarheid en leerbaarheid van de bewoner mee.
Samenstelling van het huishouden: het aantal personen en leeftijd van leden in het huishouden.
Als er sprake is van een huishouden van twee personen is geen extra inzet nodig. Dit is bijvoorbeeld wel het geval als zij gescheiden slapen, waardoor een extra slaapkamer in gebruik is. Het kan ook betekenen dat er minder ondersteuning nodig is, omdat de partner een deel van de activiteiten uit kan voeren (gebruikelijke hulp). De aanwezigheid van een kind of kinderen kan leiden tot extra noodzaak van inzet van ondersteuning. Dit is mede afhankelijk van de leeftijd en leefstijl van de betreffende kinderen en van de bijdrage die het kind levert in de huishouding (gebruikelijke hulp –leeftijdsafhankelijk).
Als er inwonende kinderen zijn, zijn er vaak ook meer ruimtes in gebruik. Een kind kan eventueel ook een bijdrage leveren in de vorm van bovengebruikelijke hulp en daarmee de benodigde extra inzet beperken of opheffen. Een partner of een kind kunnen ook bijzonderheden kennen (ziekte of beperking) die maken dat extra inzet van ondersteuning nodig is.
Huisdieren: door de aanwezigheid van een of meer huisdieren in het huishouden, kan door meer vervuiling extra inzet nodig zijn. Een huisdier veroorzaakt niet altijd extra benodigde inzet (een goudvis in een kom, een niet verharende hond e.d.). Een huisdier heeft vaak ook een functie ten aanzien van participatie en eenzaamheidsbestrijding. Met de bewoner moet in voorkomende gevallen overleg plaats vinden over het aantal of de aard van huisdieren en welke gevolgen hiervan wel of niet ‘voor rekening’ van de gemeente komen. Als er sprake is van veel huisdieren of (ernstig) vervuiling veroorzakende huisdieren dient de bewoner zelf een oplossing te zoeken, door het aantal terug te brengen of zelf aanvullende ondersteuning in te kopen.
Inrichting van de woning: extra inzet nodig door bijvoorbeeld extra veel beeldjes of fotolijstjes in de woonkamer of een groot aantal meubelstukken in de ruimte. Het gaat dan alleen om extreme situaties, waarin de inrichting een aanzienlijke extra ondersteuning vergt. Hierbij dient nader overleg met de bewoner plaats te vinden over wie wat doet in het huishouden.
Omvang van de woning: een grote woning kan, maar hoeft niet persé meer inzet te vragen.
Een extra grote oppervlakte van de in gebruik zijnde ruimtes kan meer inzet vergen om bijvoorbeeld stof te zuigen, maar kan het stofzuigen ook makkelijker maken omdat je makkelijk overal omheen kunt werken. Een extra slaapkamer die daadwerkelijk in gebruik is als slaapkamer vergt, mede afhankelijk van de samenstelling van het huishouden, extra inzet. Het uitgangspunt is dat alleen de kamers die structureel in gebruik zijn, worden schoongehouden.
Om de totale omvang van de ondersteuning te bepalen wordt de benodigde ondersteuningstijd van verschillende resultaten vastgesteld. Deze resultaten zijn:
Een huis is schoon en leefbaar indien het normaal bewoond en gebruikt kan worden en voldoet aan basale hygiëne-eisen. De bewoner moet gebruik kunnen maken van de woonkamer, eigen slaapvertrek, de keuken, sanitaire ruimtes en gang/trap. Het schoonhouden van de buitenruimte bij het huis (ramen, tuin, balkon ect.) maken geen onderdeel uit van Hulp bij Huishouden.
Schoon staat voor: een basishygiëne borgen, waarbij vervuiling van het huis en gezondheidsrisico’s van bewoners worden voorkomen.
Leefbaar staat voor: opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-520453.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.