Beleidsregels brede ondersteuning Wet hersteloperatie toeslagen gemeente Eemsdelta 2026

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eemsdelta; 

gelet op de artikelen 2.21 van de Wet hersteloperatie toeslagen;

artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht;

regeling specifieke uitkering gemeentelijke hulp aan gedupeerden kinderopvangtoeslagproblematiek 2021;

besluit vast te stellen:

Beleidsregels brede ondersteuning Wet hersteloperatie toeslagen gemeente Eemsdelta 2026

HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1. Definities

In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

  • bedreigende situatie: gedwongen woningontruiming, beëindiging van de levering van gas, elektriciteit, stadsverwarming of water, gedwongen beëindiging van de zorgverzekering, ernstig belemmerende psychische omstandigheden of een soortgelijke acute crisissituatie;

  • college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eemsdelta;

  • gezin: gezin als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder c, van de Participatiewet waarbij onder het kind ook het thuiswonende kind of pleegkind van achttien jaar of ouder valt van de persoon, bedoeld in artikel 2.21, eerste lid, van de wet of hun partner;

  • hulpvraag: formulering van de behoefte aan brede ondersteuning dat passend is om de doelstellingen, genoemd in artikel 2, tweede lid, te kunnen bereiken;

  • inwoner: degene die als ingezetene in de basisregistratie personen van de gemeente ingeschreven is;

  • kindregeling: herstelregeling op grond van afdeling 2.2 van de wet waarmee een tegemoetkoming en brede ondersteuning wordt geboden aan kinderen van gedupeerde ouders;

  • leefgebieden: de vijf leefgebieden, genoemd in artikel 2.21, eerste lid, van de wet, zijnde financiën, gezin, werk, wonen en zorg;

  • reguliere ondersteuning: andere gemeentelijke ondersteuning binnen het sociaal domein dan brede ondersteuning;

  • toekennen: verlenen van de aanspraak op een voorziening;

  • UHT: Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen;

  • verstrekken: feitelijk verschaffen van een toegekende voorziening;

  • voorziening: materiële voorziening als bedoeld in artikel 13 of immateriële voorziening als bedoeld in artikel 14;

  • wet: Wet hersteloperatie toeslagen.

HOOFDSTUK 2. DOEL, UITZONDERINGEN EN DOELGROEP BREDE ONDERSTEUNING

Artikel 2. Doel van de brede ondersteuning

  • 1.

    De brede ondersteuning is gericht op:

  • a.

    het ondersteunen van de aanvrager bij het maken van een nieuwe start in het kader van herstel als bedoeld in artikel 2.21, vierde lid, van de wet; en

  • b.

    het bijdragen aan het herstel van vertrouwen van de aanvrager in de overheid.

  • 2.

    De onderstaande doelstellingen op de leefgebieden bieden een indicatieve beschrijving van de situatie die de betrokkene naar het oordeel van het college in staat stelt om een nieuwe start te kunnen maken voor zover haalbaar op individueel niveau van rechthebbende. Noodzaak en wens zijn aparte zaken. Hulp moet noodzakelijk zijn.

Leefgebied 

Doelstelling 

Omschrijving doelstelling 

Wonen 

Passende woning 

Veilige en betaalbare plek om te wonen 

Financiën 

Financieel vaardig en in balans 

In staat zijn om een financieel gezonde huishouding te voeren 

Gezin 

Veilige leefomgeving 

Samenleven en opgroeien in een veilige omgeving waarbinnen kinderen zich kunnen ontwikkelen 

Zorg 

Positieve gezondheid 

Welzijn vanuit lichamelijke en geestelijke gezondheid 

Werk 

Werkzekerheid 

Duurzaam kunnen participeren in een arbeidsproces met minimaal de beschikking over een startkwalificatie 

Artikel 3. Uitzonderingen brede ondersteuning

Geen onderdeel van de brede ondersteuning zijn:

  • a.

    vormen van algemene inkomensaanvulling of inkomensondersteuning;

  • b.

    ondersteuning op andere leefgebieden dan bedoeld in artikel 1 en 2;

  • c.

    vergoeding van schade als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de wet;

  • d.

    vergoeding van schulden, tenzij het gaat om vergoeding van betalingsachterstanden in een bedreigende situatie en onder de voorwaarde dat er ook aanvullende voorzieningen worden ingezet om herhaling van een bedreigende situatie te voorkomen;

  • e.

    kosten voor voorzieningen die zijn gemaakt voordat een aanvraag is ingediend tenzij sprake was van een bedreigende situatie; of

  • f.

    kosten voor een advocaat bij het ontvangen van vergoeding van schade als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de wet.

Artikel 4. Doelgroep brede ondersteuning

  • 1.

    Het college verleent in beginsel toegang tot brede ondersteuning aan inwoners van de gemeente Eemsdelta die onder de personenkring van artikel 2.21, eerste en tweede lid, van de wet vallen en die niet eerder met brede ondersteuning een nieuwe start hebben kunnen maken. Er zijn uitzonderlijke situaties denkbaar die het wenselijk maken om brede ondersteuning aan te kunnen bieden aan een rechthebbende die voldoet aan een van bovenstaande criteria, maar niet woonachtig (meer) is in de gemeente Eemsdelta. In die gevallen zal in afstemming met de desbetreffende woongemeente en de rechthebbende naar een oplossing worden gezocht.

  • 2.

    Het college kan ook toegang tot brede ondersteuning verlenen aan een aanvrager die valt onder de personenkring van artikel 2.21, eerste en tweede lid, van de wet, maar geen inwoner is als sprake is van een verhuizing, detentie of andere bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2.21, derde lid, van de wet. De aanvrager wordt in dat geval gelijkgesteld met een inwoner.

  • 3.

    Het college verleent ook brede ondersteuning aan het gezin van de aanvrager die op grond van het eerste lid is toegelaten tot de brede ondersteuning. De samenstelling van het gezin op het moment van de aanvraag is leidend.

Artikel 5. Brede ondersteuning voor een minderjarige

Het college verleent toegang tot brede ondersteuning aan een minderjarige die in aanmerking komt voor de kindregeling als deze:

  • a.

    jonger is dan zestien jaar en onder het gezag van een inwoner staat;

  • b.

    jonger is dan zestien jaar en feitelijk verblijft op grond van de Basisregistratie Personen bij de ouder die één van de gezaghebbers is; of

  • c.

    zestien jaar of ouder is en zelf inwoner is.

HOOFDSTUK 3. AANVRAAG, EERSTE GESPREK EN VASTSTELLING HULPVRAAG

Artikel 6. Aanvraag brede ondersteuning

  • 1.

    Een aanvraag voor toegang tot brede ondersteuning aan het college kan schriftelijk worden ingediend bij het Meldpunt Gedupeerden Toeslagenaffaire van de gemeente Eemsdelta.

  • 2.

    Het college stelt vast of de inwoner behoort tot de in artikel 4, eerste lid, genoemde doelgroep en daarmee in aanmerking komt voor brede ondersteuning bij de UHT.

  • 3.

    Indien een inwoner bij de UHT heeft aangegeven in aanmerking te willen komen voor brede ondersteuning, ontvangt het college de contactgegevens van de inwoner via het gegevensportaal van de UHT. De datum van ontvangst van de gegevens via het gegevensportaal van de UHT wordt gelijkgesteld met het indienen van de aanvraag.

Artikel 7. Eerste gesprek en vaststelling hulpvraag

  • 1.

    Nadat een aanvraag bij het college is ingediend, nodigt het college de aanvrager binnen vier weken uit voor een eerste gesprek.

  • 2.

    De aanvrager bepaalt of het eerste gesprek op locatie plaatsvindt of bij de aanvrager thuis.

  • 3.

    Tijdens het eerste gesprek wordt samen met de aanvrager, aan de hand van de doelstellingen, bedoeld in artikel 2, tweede lid, de situatie van de aanvrager op de leefgebieden op het moment van de aanvraag vastgesteld en wordt gezamenlijk bepaald wat diens hulpvraag is.

HOOFDSTUK 4. BESLUIT OP DE AANVRAAG EN PLAN VAN AANPAK

Artikel 8. Besluit op de aanvraag

  • 1.

    Het college zorgt dat de aanvrager binnen maximaal acht weken na het eerste gesprek een beschikking ontvangt. De beschikking bevat:

  • a.

    een verlening van toegang tot brede ondersteuning met een plan van aanpak dat minstens op hoofdlijnen is vastgesteld; of

  • b.

    een gemotiveerde weigering van de toegang tot brede ondersteuning.

  • 2.

    Het college kan de termijn uit het eerste lid voor het opstellen van een plan van aanpak met maximaal vier weken verlengen.

Artikel 9. Het opstellen van het plan van aanpak

  • 1.

    Het college stelt samen met de aanvrager het plan van aanpak op. Daarbij vormt de situatie van de aanvrager op het moment van de aanvraag en de hulpvraag het startpunt.

  • 2.

    In het plan van aanpak wordt vastgelegd:

    • a.

      hoe stapsgewijs en integraal naar de doelstellingen voor het maken van een nieuwe start door de aanvrager op de leefgebieden wordt toegewerkt; en

    • b.

      welke voorzieningen worden toegekend om de aanvrager op passende, adequate en duurzame wijze in staat te stellen deze doelstellingen te bereiken.

Artikel 10. Aanvullend schuldhulpverleningsaanbod jongeren

  • 1.

    Het plan van aanpak bevat een aanvullend schuldhulpverleningsaanbod, zoals bedoeld in artikel 3, vierde lid, van de Regeling specifieke uitkering gemeentelijke hulp aan gedupeerden kinderopvangtoeslagproblematiek 2021, als de aanvrager:

  • a.

    achttien jaar of ouder is;

  • b.

    in aanmerking komt voor de kindregeling;

  • c.

    naar het oordeel van het college in een problematische schuldsituatie zit; en

  • d.

    diens aanvraag heeft ingediend binnen de termijn, bedoeld in artikel 3, vierde lid, Regeling specifieke uitkering gemeentelijke hulp aan gedupeerden kinderopvangtoeslagproblematiek 2021.

  • 2.

    Het college begeleidt de aanvrager bij het inzichtelijk maken van diens financiële situatie.

Artikel 11. Het wijzigen van het plan van aanpak

  • 1.

    Het college kan tot twee jaar na het eerste gesprek het plan van aanpak in samenspraak met de aanvrager aanvullen of nieuwe of andere voorzieningen toekennen. Bij materiële voorzieningen is deze termijn beperkt tot zes maanden na het eerste gesprek.

  • 2.

    Een aanvrager kan mondeling of schriftelijk een verzoek indienen bij het Meldpunt Gedupeerden Toeslagenaffaire van de gemeente Eemsdelta om het plan van aanpak te wijzigen. Artikel 8, eerste lid, is op deze aanvraag van overeenkomstige toepassing.

  • 3.

    Als de aanvrager het college verzoekt een aanvullende voorziening toe te kennen, toetst het college dit verzoek aan de artikelen 12, tweede lid, 13 en 14.

  • 4.

    De in het plan van aanpak vastgestelde doelstellingen wijzigt het college niet, tenzij zich gedurende de uitvoering van het plan van aanpak nieuwe feiten en omstandigheden voordoen die wijziging noodzakelijk maken.

HOOFDSTUK 5. TOEKENNEN EN VERSTREKKEN VAN VOORZIENINGEN

Artikel 12. Voorzieningen

  • 1.

    Het college verstrekt aan de aanvrager de immateriële en materiële voorzieningen die in het plan van aanpak zijn toegekend. Bij het bepalen welke voorzieningen worden ingezet, wordt onderscheid gemaakt tussen wens en noodzaak. De inzet van voorzieningen en/of middelen moet naar het oordeel van het college redelijkerwijs nodig zijn om het gestelde doel te bereiken.

  • 2.

    Bij het toekennen van de voorzieningen houdt het college onder andere rekening met:

  • a.

    de vaardigheden van de aanvrager;

  • b.

    de draagkracht en financiële armslag van de aanvrager;

  • c.

    de omvang en de samenstelling van het huishouden van de aanvrager;

  • d.

    het duurzame karakter van de voorziening; en

  • e.

    de wijze waarop de voorziening de aanvrager in staat stelt om de doelstellingen uit het plan van aanpak te bereiken.

Artikel 13. Materiële voorzieningen

  • 1.

    Een materiële voorziening is een zaak die noodzakelijk is om belemmeringen van de aanvrager bij het bereiken van de doelstellingen uit het plan van aanpak weg te nemen of te beperken.

  • 2.

    Het college kan materiële voorzieningen tot zes maanden na het eerste gesprek toekennen. De feitelijke verstrekking van voorzieningen kan na deze periode nog plaatsvinden.

Artikel 14. Immateriële voorzieningen

  • 1.

    Een immateriële voorziening is een vorm van hulpverlening of een dienst die nodig en passend is voor de ontwikkeling van kennis, kunde, vaardigheden of andere competenties van de aanvrager voor het bereiken van de doelstellingen uit het plan van aanpak.

  • 2.

    Het college kan immateriële voorzieningen tot twee jaar na het eerste gesprek toekennen. De feitelijke verstrekking van voorzieningen kan na deze periode nog plaatsvinden.

Artikel 15. Verstrekking

  • 1.

    Als de inzet van één of meerdere voorzieningen onderdeel uitmaakt van het plan van aanpak, verstrekt het college deze in beginsel in natura.

  • 2.

    Voorzieningen die worden toegekend vanuit de brede ondersteuning welke leiden tot een toename van het vermogen waarover de rechthebbende beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, worden niet tot de middelen, bedoeld in artikel 31 van de Participatiewet, gerekend.

  • 3.

    De volgende zaken worden niet vergoed vanuit de brede ondersteuning:

  • a.

    Verkeersboetes.

  • b.

    Cosmetische ingrepen.

  • c.

    Auto- en motorvoertuigen.

  • d.

    Verbouwingen en/of aanpassingen aan de woning.

  • e.

    Energiekosten.

  • f.

    Vakanties.

  • g.

    Nieuw gemaakte schulden na 1 juni 2021.

  • h.

    Kosten door ontstane schade na onvoorziene gebeurtenissen.

  • i.

    Luxegoederen.

  • j.

    Wmo-voorzieningen en Jeugdarrangementen op basis van de Jeugdwet.

  • 4.

    Er worden vanuit de brede aanpak geen schulden betaald als onderdeel van het plan van aanpak. Hierop zijn 2 uitzonderingen:

    • a.

      Jongeren en jongvolwassenen die in aanmerking komen voor het saneren van (problematische) schulden als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Regeling specifieke uitkering gemeentelijke hulp aan gedupeerden kinderopvangtoeslagproblematiek 2021.

    • b.

      Het voorkomen van bedreiging van de eerste levensbehoefte(n). Het college doet in dat geval wat nodig is om de dreiging te voorkomen.

Artikel 16. Medewerking aanvrager

  • 1.

    Het college kan, voordat de voorziening wordt toegekend via het plan van aanpak, de aanvrager om medewerking vragen om te kunnen bepalen of een beoogde voorziening aan de artikelen 12, tweede lid, 13 en 14 voldoet.

  • 2.

    Indien het college de noodzaak en de omvang van de verstrekking van een voorziening onvoldoende kan vaststellen, kan een huisbezoek plaatsvinden. Het huisbezoek kan een beter beeld opleveren over met name de woon- en leefsituatie van de rechthebbende in relatie tot de brede ondersteuning. Een huisbezoek vindt in overleg met de rechthebbende en aangekondigd plaats. Als de rechthebbende het huisbezoek niet op prijs stelt, heeft deze het recht om het huisbezoek te weigeren. Weigering kan van invloed zijn op de brede ondersteuning indien weigering ertoe leidt dat het college onvoldoende in staat wordt gesteld om vast te stellen wat de rechthebbende nodig heeft voor het kunnen maken van een nieuwe start.

Artikel 17. Weigeren voorzieningen

Het college weigert het toekennen van een voorziening als:

  • a.

    de gevraagde voorziening al vóór het eerste gesprek is gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij er na het indienen van de aanvraag maar vóór het eerste gesprek sprake was van een bedreigende situatie waarvoor de voorziening noodzakelijk was;

  • b.

    de voorziening niet aan de artikelen 12, tweede lid, 13 en 14 voldoet; of

  • c.

    de aanvrager niet de medewerking, bedoeld in artikel 16 heeft verleend en het college daardoor niet kan vaststellen of de beoogde voorziening aan de artikelen 12, tweede lid, 13 en 14 voldoet.

HOOFDSTUK 6. BEËINDIGING BREDE ONDERSTEUNING EN OVERDRACHT

Artikel 18. Beëindiging van de brede ondersteuning

  • 1.

    In aanvulling op artikel 2.21, lid 4 sub b en lid 6, van de wet eindigt de brede ondersteuning als de aanvrager:

  • a.

    om beëindiging van de brede ondersteuning verzoekt; of

  • b.

    niet binnen een redelijke termijn van de brede ondersteuning gebruik heeft gemaakt en niet reageert op een oproep van het college om hier alsnog gebruik van te maken.

  • 2.

    Het college nodigt de aanvrager bij de beëindiging van de brede ondersteuning uit voor een gesprek om de actuele situatie van de aanvrager op de leefgebieden te bespreken.

Artikel 19. Overdracht van hulpverlening

Als de aanvrager bij de beëindiging van de brede ondersteuning de doelstellingen uit het plan van aanpak niet heeft bereikt en het plan van aanpak niet expliciet in een overdracht naar reguliere ondersteuning voorziet, dan zorgt het college in samenspraak met de aanvrager alsnog voor een warme overdracht vanuit de brede ondersteuning.

Artikel 20. Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in deze beleidsregels, indien strikte toepassing ervan zou leiden tot een onevenredige benadeling van een belanghebbende of tot een uitkomst die kennelijk onredelijk is.

HOOFDSTUK 7. SLOTBEPALINGEN

Artikel 21. Klachten

Als rechthebbenden op brede ondersteuning niet tevreden zijn over de manier waarop zij worden of zijn ondersteund (denk aan kwaliteit van de ondersteuning, bejegening etc.) dan kijken we of het kan helpen om een onafhankelijke cliëntondersteuner, een ervaringsdeskundige of de ombudsman in te schakelen. Daarnaast staat de reguliere klachtenroute van de gemeente Eemsdelta open.

Artikel 22. Bezwaar en beroep

Het toekennen van niet vrij toegankelijke voorzieningen veronderstelt altijd een verleningsbeslissing op basis van een beoordeling door de gemeente van de persoonlijke situatie en behoeften. Dit doet het college - of de gemandateerde namens het college – via het plan van aanpak en een beschikking. Dit betekent ook dat bezwaar- en beroep openstaat binnen de gestelde termijn.

Artikel 23. Inwerkingtreding

Deze beleidsregels treden in werking op 1 januari 2026.

Artikel 24. Citeertitel

Deze beleidsregels worden aangehaald als Beleidsregels brede ondersteuning Wet hersteloperatie toeslagen gemeente Eemsdelta 2026.

 

 

 

Het college van burgemeester en wethouders,

de secretaris,

Klaas van der Wal

de burgemeester,

Ben Visser

Naar boven