Erfgoedverordening Helmond 2025

De raad van de gemeente Helmond;

Gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van 19 augustus 2025;

 

gelet op artikel 3.16 van de Erfgoedwet, artikel 149 van de Gemeentewet en de Omgevingswet;

 

besluit

 

vast te stellen de Erfgoedverordening Helmond 2025

 

1. Algemeen

Artikel 1 Definities

In deze verordening en de daarop berustende voorschriften wordt, tenzij anders is bepaald, verstaan onder:

Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit Helmond: de op basis van artikel 17.9 van de Omgevingswet artikel 15 door de gemeenteraad ingestelde commissie, die als taak heeft burgemeester en wethouders op verzoek of uit eigen beweging te adviseren over het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit en dat wat daarmee verband houdt of daaraan kan bijdragen.

Archeologisch monument: terrein dat deel uitmaakt van cultureel erfgoed vanwege de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden en dat overeenkomstig de bepalingen van deze verordening als beschermd gemeentelijk archeologisch monument is aangewezen.

Archeologisch onderzoek: onderzoek naar het bodemarchief, dat wordt verricht volgens de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) door of namens een dienst of instelling die over certificering beschikt.

Archeologische vondst: overblijfsel, voorwerp of ander spoor van menseljke aanwezigheid in het verleden afkomstig van een archeologisch monument.

Bouwhistorisch onderzoek: onderzoek, in een schriftelijke rapportage vastgelegd, naar de bouwgeschiedenis en de bouwhistorische kwaliteit van een monument.

Cultureel erfgoed: uit het verleden geërfde materiele en immateriële bronnen, in de loop van de tijd tot stand gebracht door de mens of ontstaan uit de wisselwerking tussen mens en omgeving, die mensen, onafhankelijk van het bezit ervan, identificeren als een weerspiegeling en uitdrukking van zich voortdurend ontwikkelende waarden, overtuigingen, kennis en tradities, en die aan hen en toekomstige generaties een referentiekader bieden.

Cultuurgoed: roerende zaak die deel uit maakt van cultureel erfgoed.

Gemeentelijke archeologische beleidskaart: kaart waarop de overeenkomstig deze verordening aangewezen gebieden met archeologische waarden en verwachtingen zijn geregistreerd.

Gemeentelijk beschermd beeldbepalend object: een overeenkomstig deze verordening als beschermd beeldbepalend object aangewezen onroerende beeldbepalende zaak die zichtbaar is in de openbare ruimte.

Gemeentelijk beschermd cultuurgoed: cultuurgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet dat als zodanig is aangewezen op grond van artikel 21, eerste lid.

Gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht: groepen van onroerende zaken, als bedoeld in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet, die van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang, wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde en in welke groepen zich meestal één of meer monumenten bevinden en die als zodanig zijn aangewezen op grond van artikel 4, eerste lid.

Gemeentelijk beschermde verzameling: verzameling als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet die als zodanig is aangewezen op grond van artikel 21, tweede lid.

Gemeentelijk erfgoedregister: het register waar in het in overeenstemming met deze verordening aangewezen en beschermd erfgoed is geregistreerd.

Gemeentelijk monument: onroerend of roerend monument, als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet, dat overeenkomstig de bepalingen van deze verordening als beschermd gemeentelijk monument is aangewezen.

Kerkelijk monument: onroerend monument, dat eigendom is van een parochie, een kerkgenootschap, een kerkelijke gemeente, of van een kerkelijke instelling en dat uitsluitend of voor een overwegend deel wordt gebruikt voor de uitoefening van de godsdienst.

Minister: minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

Normaal onderhoud: noodzakelijke reguliere werkzaamheden die gericht zijn op het behoud van monumentale waarde

Omgevingsvergunning: vergunning als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet voor een activiteit met betrekking tot een gemeentelijk monument of een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht.

Rijksmonument: onroerend monument dat is inschreven in het rijksmonumentenregister als bedoeld in artikel 3.3 van de Erfgoedwet.

Verzameling: cultuurgoederen die uit cultuurhistorisch of wetenschappelijk oogpunt bij elkaar horen

Artikel 2 Gemeentelijk erfgoedregister

  • 1.

    Burgemeester en wethouders houden een door eenieder te raadplegen gemeentelijk erfgoedregister bij van krachtens deze verordening aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed inclusief de locaties waaraan krachtens artikel 4.2, eerste lid, van de Omgevingswet in het omgevingsplan de functie cultureel erfgoed is toebedeeld.

  • 2.

    Het gemeentelijk erfgoedregister bevat

    • a.

      gegevens over de inschrijving en ter identificatie van het aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed.

    • b.

      gegevens over door burgemeester en wethouders van de minister ontvangen afschriften van de inschrijving van een rijksmonument in het rijksmonumentenregister als bedoeld in artikel 3.3, verijfde lid, van de Erfgoedwet en instructies als bedoeld in artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet betreffende een locatie met functie-aanduiding rijksbeschermd stads- en dorpsgezicht.

    • c.

      gegevens over door burgemeester en wethouders van gedeputeerde staten ontvangen instructies als bedoeld in artikel 2.33, eerste lid, van de Omgevingswet betreffende een locatie met functie-aanduiding provincieel monument, provinciaal archeologisch monument of provinciaal beschermd stads- en dorpsgezicht.

  • 3.

    Burgemeester en wethouders kunnen ten aanzien van het gemeentelijk cultureel erfgoed wijzigingen aanbrengen in het gemeentelijk erfgoedregister.

2. Aanwijzing gemeentelijk monument

Artikel 3 De aanwijzing tot beschermd gemeentelijk monument

  • 1.

    Burgemeester en wethouders kunnen besluiten een monument of een archeologisch monument dat van bijzonder belang is voor de gemeente vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde aan te wijzen als gemeentelijk monument.

  • 2.

    Dit artikel is niet van toepassing op rijksmonumenten.

Artikel 4 Voornemen tot aanwijzing

  • 1.

    Een voornemen om toepassing te geven aan artikel 3, eerste lid, wordt door burgemeester en wethouders schriftelijk bekend gemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet, met uitzondering van hypotheekhouders.

  • 2.

    Voordat een kerkelijk monument wordt aangewezen, voeren burgemeester en wethouders overleg met de eigenaar.

  • 3.

    Voordat over de aanwijzing als bedoeld in artikel 3, lid 1 een besluit wordt genomen wordt een redengevende beschrijving opgesteld.

  • 4.

    Indien dit door burgemeester en wethouders noodzakelijk wordt geacht, wordt voorafgaand aan de aanwijzing een bouwhistorisch onderzoek opgesteld.

Artikel 5 Voorbescherming

  • 1.

    Met ingang van de datum waarop de eigenaar van een monument de kennisgeving van het voornemen tot aanwijzing als beschermd gemeentelijk monument ontvangt tot het moment dat de registratie als bedoeld in artikel 2 plaatsheeft of vaststaat dat het monument niet wordt aangewezen, zijn de artikelen 11 tot en met 14 onder paragraaf 3 van overeenkomstige toepassing.

  • 2.

    De voorbescherming vervalt op het moment van inschrijving van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister.

Artikel 6 gemeentelijke adviescommissie

  • 1.

    Burgemeester en wethouders vragen over het voornemen om toepassing te geven aan artikel 3, eerste lid, advies aan de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit Helmond zoals bedoeld in artikel 17.9 van de Omgevingswet en Verordening op de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit Helmond 2023.

  • 2.

    De Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit Helmond betrekt in ieder geval de leden die deskundig zijn op het gebied van de monumentenzorg bij het advies.

  • 3.

    De Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit brengt binnen acht weken na ontvangst van de adviesaanvraag schriftelijk en gemotiveerd verslag uit.

Artikel 7 Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit

  • 1.

    Op een voornemen tot aanwijzing dient te worden besloten binnen 26 weken na de dag dat het voornemen tot aanwijzing bekend is gemaakt.

  • 2.

    De aanwijzing bevalt in ieder geval de plaatselijke aanduiding van het gemeentelijk monument, de datum van aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een redengevende omschrijving van het gemeentelijke monument of het archeologisch monument.

Artikel 8 Mededeling en registratie aanwijzingsbesluit

  • 1.

    De aanwijzing als bedoeld in artikel 3, eerste lid, wordt schriftelijk bekend gemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet, met uitzondering van hypotheekhouders.

  • 2.

    Indien om aanwijzing is verzocht wordt deze schriftelijk bekend gemaakt aan de verzoeker.

  • 3.

    Burgemeester en wethouders verwerken de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister.

Artikel 9 Aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument

  • 1.

    In een spoedeisend geval kunnen burgemeester en wethouders een monument of een archeologisch monument aanwijzen als voorlopig gemeentelijk monument. In afwijking van artikel 6 wordt in dat geval aan de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit Helmond advies gevraagd over de vastgestelde aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument of archeologisch monument.

  • 2.

    Een aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument of archeologisch monument vervalt na 26 weken of zoveel eerder als burgemeester en wethouders een besluit hebben genomen over de aanwijzing als bedoeld in artikel 3, eerste lid.

  • 3.

    Paragraaf 3 is van overeenkomstige toepassing vanaf het moment dat zakelijk gerechtigden schriftelijk in kennis worden gesteld van het besluit van burgemeester en wethouders tot aanwijzing van het monument als voorlopig gemeentelijk monument.

  • 4.

    Artikel 8 is van overeenkomstige toepassing op deze aanwijzing.

Artikel 10 Wijziging of intrekken van de aanwijzing

  • 1.

    Het college kan ten aanzien van gemeentelijke monumenten en voorlopige gemeentelijke monumenten wijzigingen aanbrengen in het gemeentelijk erfgoedregister.

  • 2.

    Als de wijziging ziet op het schrappen uit het register is hoofdstuk 2 van overeenkomstige toepassing, tenzij het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan.

  • 3.

    Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het gemeentelijke monument of het gemeentelijke archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft is ingeschreven in het rijksmonumentenregister of een provinciaal erfgoedregister als bedoeld in artikel 3.17, derde lid, van de Erfgoedwet of een omgevingsverordening als bedoeld in artikel 2.6 van de Omgevingswet. Het vervallen van de aanwijzing wordt direct bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister.

3. Bescherming gemeentelijk monument

Artikel 11 Instandhoudingsbepalingen gemeentelijk monument

Het is verboden een beschermd gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen, of daar aan onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is.

Artikel 12 Omgevingsvergunning gemeentelijk monument

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders een gemeentelijk monument:

    • a.

      te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen, of

    • b.

      te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op:

    • a.

      de uitvoering van normaal onderhoud, voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur van het monument niet wijzigen.

    • b.

      alleen inpandige veranderingen van een onderdeel van het monument dat, naar oordeel van burgemeester en wethouders, uit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft.

    • c.

      Het binnen een monument dat als begraafplaats in gebruik is met inachtneming van de monumentale waarden:

      • I.

        plaatsen van grafmonumenten, met inbegrip van het tijdelijk verwijderen daarvan en het bijwerken van het opschrift.

      • II.

        doen van begravingen of asbijzettingen.

      • III.

        ruimen van graven waarvan het grafmonument niet is beschermd als gemeentelijk monument.

  • 3.

    Burgemeester en wethouders kunnen in het belang van de monumentenzorg nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden aan een gemeentelijk monument. Deze regels kunnen mede inhouden een vrijstelling van het verbod, bedoeld in het eerste lid, of een plicht tot het melden van handelingen bedoeld in het tweede lid van dit artikel.

  • 4.

    Zo nodig kunnen burgemeester en wethouders nadere gegevens eisen, om te bepalen of de belangen van het monument voldoende worden gewaarborgd.

  • 5.

    Burgemeester en wethouders zenden direct een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om omgevingsvergunning aan de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit.

  • 6.

    De termijn waarbinnen advies door de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit wordt uitgebracht bedraagt twee weken vanaf het moment dat het plan in haar vergadering is behandeld.

Artikel 13 Weigeringsgronden

  • 1.

    De vergunning kan slechts worden verleend indien het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet.

  • 2.

    Een omgevingsvergunning voor een kerkelijk monument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet wordt niet verleend zonder overeenstemming met de eigenaar.

Artikel 14 Intrekken van de vergunning

De vergunning kan door het bevoegd gezag worden ingetrokken indien:

  • a.

    blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend;

  • b.

    blijkt dat de vergunninghouder de voorschriften verbonden aan de vergunning niet naleeft;

  • c.

    de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zodanig zijn gewijzigd, dat het belang van het beschermde gemeentelijk monument zwaarder dient te wegen.

4. Aanwijzing en bescherming als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht

Artikel 15 Aanwijzing als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht

  • 1.

    De gemeenteraad kan, op voorstel van burgemeester en wethouders stads- of dorpsgezichten aanwijzen als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht.

  • 2.

    Burgemeester en wethouders vragen over het voornemen tot aanwijzing van een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezichten advies aan de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit Helmond. Artikel 6, tweede en derde lid, is overeenkomstig van toepassing.

  • 3.

    De gemeenteraad beslist binnen 26 weken na verzending van het voorstel, bedoeld in het tweede lid.

  • 4.

    Een aangewezen gemeentelijke stads- of dorpsgezicht wordt direct opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister.

  • 5.

    De gemeenteraad stelt ter bescherming van een op grond van het eerste lid aangewezen gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht een omgevingsplan als bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet vast.

  • 6.

    Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd stads- of dorpsgezicht kan hiertoe een termijn worden gesteld.

  • 7.

    Dit artikel is niet van toepassing op een beschermd stads- of dorpsgezicht dat via instructies de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht heeft, of dat is aangewezen op grond van artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet.

Artikel 16 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht

  • 1.

    De gemeenteraad kan, op voorstel van burgemeester en wethouders, een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 15, eerste lid, wijzigen of intrekken. Artikel 15, tweede en derde lid, is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het stads- of dorpsgezicht waarop aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan.

  • 2.

    Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het stads- of dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft wordt aangewezen als beschermd stads- of dorpsgezicht op grond van een instructie als bedoeld in artikel 2.33, eerste lid, of artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet.

  • 3.

    Burgemeester en wethouders verwerken de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing direct in het gemeentelijk erfgoedregister.

Artikel 17 Verbodsbepaling en aanvraag omgevingsvergunning

  • 1.

    Het is in een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht verboden om zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te slopen.

  • 2.

    De omgevingsvergunning kan in ieder geval worden geweigerd als naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet aannemelijk is dat op korte termijn op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.

  • 3.

    De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet.

  • 4.

    Het eerste lid is niet van toepassing op het slopen ingevolge een verplichting als bedoeld in de artikelen 13, 13a of 13b van de Woningwet of ingevolge een verplichting zoals gesteld in een maatwerkvoorschrift op grond van artikel 3.5 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

5. Aanwijzing en bescherming als gemeentelijk beschermd beeldbepalend object

Artikel 18 Aanwijzing als gemeentelijk beschermd beeldbepalend object

  • 1.

    Burgemeester en wethouders kunnen besluiten een onroerende zaak aan te wijzen als beschermd beeldbepalend object.

  • 2.

    Burgemeester en wethouders vragen over het voornemen tot aanwijzing van gemeentelijke beschermde beeldbepalende objecten advies aan de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit Helmond. Artikel 6, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 3.

    Burgemeester en wethouders beslissen binnen 26 weken na verzending van het voorstel, bedoeld in het tweede lid.

  • 4.

    Een aangewezen gemeentelijk beeldbepalend object wordt direct opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister.

Artikel 19 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk beschermd beeldbepalend object

  • 1.

    Burgemeester en wethouders kunnen een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 18, eerste lid, wijzigen of intrekken. Artikel 18 , tweede en derde lid, is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het beeldbepalend object waarop aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan.

  • 2.

    Burgemeester en wethouders verwerken de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing direct in het gemeentelijk erfgoedregister.

Artikel 20 Verbodsbepaling en aanvraag omgevingsvergunning

  • 1.

    Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gemeentelijk beschermd beeldbepalend object geheel of gedeeltelijk te slopen.

  • 2.

    De omgevingsvergunning kan in ieder geval worden geweigerd als naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet aannemelijk is dat op korte termijn op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.

  • 3.

    De vergunning kan slechts worden verleend indien het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet.

  • 4.

    Het eerste lid is niet van toepassing op het slopen ingevolge een verplichting als bedoeld in de artikelen 13, 13a of 13b van de Woningwet of ingevolge een verplichting zoals gesteld in een maatwerkvoorschrift op grond van artikel 3.5 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

6. Aanwijzing gemeentelijk beschermd cultuurgoed of gemeentelijk beschermde verzameling

Artikel 21 Aanwijzing als gemeentelijk beschermd cultuurgoed of gemeentelijk beschermde verzameling

  • 1.

    Burgemeester en wethouders kunnen besluiten een cultuurgoed dat van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis of uitzonderlijke schoonheid is en dat als onvervangbaar en onmisbaar behoort te worden behouden voor het gemeentelijk cultuurbezit en dat in eigendom is van de gemeente of dat aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd aan te wijzen als gemeentelijk beschermd cultuurgoed.

  • 2.

    Burgemeester en wethouders kunnen besluiten een verzameling van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis, die als geheel of door een of meer van de cultuurgoederen die een wezenlijk onderdeel van de verzameling zijn, als onvervangbaar en onmisbaar behoort te worden behouden voor het gemeentelijk cultuurbezit en die in eigendom is van de gemeente of die aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd aan te wijzen als gemeentelijk beschermde verzameling.

  • 3.

    Voor de aanwijzing van een cultuurgoed of een verzameling die aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd is toestemming van de eigenaar vereist.

  • 4.

    Over het voornemen van een aanwijzing, bedoeld in het eerste of tweede lid, alsmede over de vervreemding van een gemeentelijk beschermd cultuurgoed of een gemeentelijk beschermde verzameling of over het afstand doen van de zorg daarvoor vragen burgemeester en wethouders advies aan een commissie als bedoeld in artikel 4.18 van de Erfgoedwet.

  • 5.

    Dit artikel is niet van toepassing op:

    • a.

      door de minister beschermde cultuurgoederen en beschermde verzamelingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet, en

    • b.

      cultureel erfgoed dat is aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet.

  • 6.

    Burgemeester en wethouders verwerken de aanwijzing van een beschermd cultuurgoed of een beschermde verzameling direct in het gemeentelijk erfgoedregister.

Artikel 22 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk beschermd cultuurgoed of gemeentelijk beschermde verzameling

  • 1.

    Burgemeester en wethouders kunnen een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 21, eerste of tweede lid, wijzigen of intrekken. Artikel 21, vierde lid, is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het gemeentelijk beschermd cultuurgoed of de gemeentelijk beschermde verzameling waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan.

  • 2.

    Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het gemeentelijk beschermd cultuurgoed of de gemeentelijk beschermde verzameling waarop de aanwijzing betrekking heeft wordt aangewezen als:

    • a.

      door de minister beschermd cultuurgoed of beschermde verzameling als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet, of

    • b.

      beschermd cultureel erfgoed op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet.

  • 3.

    Burgemeester en wethouders verwerken de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing direct in het gemeentelijk erfgoedregister.

7. Archeologie

Artikel 23 Gemeentelijke archeologische beleidskaart

  • 1.

    De gemeenteraad kan gebieden, waarvan het algemeen belang wegens hun betekenis voor de archeologische monumentenzorg vermoed wordt, op grond van historische gegevens, door archeologische vondsten, landschapshistorisch onderzoek of door ander onderzoek aannemelijk gemaakt, aanwijzen als gebied met archeologische waarde of verwachting.

  • 2.

    Burgemeester en wethouders registreren de gebieden met archeologische waarde of verwachting op de gemeentelijke archeologische beleidskaart.

  • 3.

    Deze kaart bevat:

    • a.

      de plaatselijke aanduiding;

    • b.

      de datum van aanwijzing;

    • c.

      de gebiedsbegrenzing, en

    • d.

      een beschrijving van het gebied met de motivatie voor de archeologische en cultuurhistorische waarden.

  • 4.

    De gemeenteraad kan regels opstellen over de mate van verstoring die per categorie, van de op de gemeentelijke archeologische beleidskaart aangegeven verwachtingen is toegestaan.

  • 5.

    Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om de gemeentelijke archeologische beleidskaart te wijzigen, indien op basis van archeologisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse een andere verwachtingswaarde op archeologische vondsten is, dan in eerdere instantie werd aangenomen.

Artikel 24 Vangnet archeologie

  • 1.

    Het is verboden de bodem te verstoren in een archeologisch monument of een gebied waar aantoonbaar archeologische vondsten of waarden worden verwacht als in het daar vigerende omgevingsplan niet is voldaan aan artikel 5.130 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, tenzij:

    • a.

      voor de activiteit een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste of tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet is verleend;

    • b.

      het de verstoring betreft van een archeologisch monument, waarde of verwachting die is aangegeven op de gemeentelijke archeologische waardenkaart, de provinciale archeologische waardenkaart of de landelijke indicatieve kaart van archeologische waarden en het verrichten van de activiteiten geen strijd oplevert met door burgemeester en wethouders vastgestelde regels over de toegestane mate van verstoring;

    • c.

      de activiteit plaatsvindt op basis van een deugdelijke beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening wordt gehouden en onevenredige schade voor archeologische waarden wordt voorkomen, of;

    • d.

      met een vooronderzoek is aangetoond dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn en dat dit onderzoek door burgemeester en wethouders is beoordeeld en akkoord bevonden.

  • 2.

    Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen over het verrichten van archeologisch onderzoek.

8. Overige bepalingen

Artikel 25 Strafbepaling

Overtreding van het bepaalde in de artikelen 11 en 12, eerste lid wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie of hechtenis van ten hoogste drie maanden.

Artikel 26 Toezichthouders

Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de bij besluit van college van burgemeester en wethouders aangewezen personen of instanties.

9. Slotbepalingen

Artikel 27 Inwerkingtreding

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na bekendmaking.

  • 2.

    De beschermde gemeentelijke monumenten, aangewezen en geregistreerd op de monumentenlijst op grond van de Monumentenverordening Helmond 2009, worden geacht aangewezen en geregistreerd te zijn overeenkomstig de bepalingen van deze verordening.

  • 3.

    Aanvragen om vergunning die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding van deze verordening, worden afgehandeld met inachtneming van de Monumentenverordening Helmond 2009.

Artikel 28 Intrekken oude verordening

De Erfgoedverordening Helmond 2011, vastgesteld op 1 maart 2011, wordt ingetrokken op het moment dat de Erfgoedverordening Helmond 2025 in werking treedt.

Artikel 29 Overgangsrecht

  • 1.

    Een krachtens Erfgoedverordening Helmond 2011 aangewezen en geregistreerd gemeentelijke monument, worden geacht aangewezen en geregistreerd te zijn overeenkomstig de bepalingen van deze verordening.

  • 2.

    Aanvragen en bezwaren die zijn ingediend voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze verordening worden afgehandeld met inachtneming van de Erfgoedverordening Helmond 2011.

Artikel 30 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Erfgoedverordening Helmond 2025.

Aldus vastgesteld in zijn openbare raadsvergadering van 7 oktober 2025.

De raad voornoemd,

De voorzitter,

de griffier,

Toelichting  

Inleiding

Het gemeentelijk erfgoedbeleid verandert. Vooral de bundelingen van wetgeving in één Erfgoedwet en de inwerkingtreding van de Omgevingswet stimuleren zowel een meer integraal gemeentelijk erfgoedbeleid als de erkenning dat erfgoed een integraal onderdeel is van (de kwaliteit van) de fysieke leefomgeving. Door de invoering van deze twee wetten is het bereik van de gemeentelijke erfgoedverordening in vergelijking met voorgaande verordening breder. Het betreft nu monumenten én cultuurgoederen.

 

Een groot deel van de regels in de Erfgoedverordening wordt geleidelijk aan geïmplementeerd in het Omgevingsplan. Tot de tijd dat Helmond een compleet gebiedsdekkend Omgevingsplan heeft (uiterlijk eind 2031) is de gemeenteraad bevoegd om tijdens de overgangsperiode een erfgoedverordening vast te stellen met regels over de fysieke leefomgeving. Deze bevoegdheid staat in artikel 3.16 van de Erfgoedwet. Artikel 2.8 onder B van de Invoeringswet Omgevingswet regelt dat deze erfgoedverordening geen regels over de fysieke leefomgeving mag hebben. Dit artikel uit de Invoeringswet treedt echter pas in werking aan het eind van de overgangsfase naar het omgevingsplan. Tijdens de overgangsfase mag de gemeente de aanwijzing en bescherming van erfgoed volledig regelen via de erfgoedverordening.

 

In de Erfgoedvisie Samen aan de Slag die in 2023 door de raad is vastgesteld zijn de erfgoedambities benoemd. Een van de ambities is de uitbreiding van het beschermingsinstrumentarium met de aanpassing van de Erfgoedverordening Helmond 2011. Volgens de verordening uit 2011 is het alleen mogelijk om (archeologische) monumenten aan te wijzen en te beschermen. De uitbreiding in de Erfgoedverordening 2025 heeft vorm gekregen door het aan deze verordening toevoegen van onderwerpen zoals de aanwijzing en bescherming van gemeentelijk beschermde stads- of dorpsgezichten, gemeentelijk beschermde beeldbepalende objecten en gemeentelijk beschermde cultuurgoederen en verzamelingen.

 

Reikwijdte

De Erfgoedwet integreert vanaf juli 2016 de Regeling materieelbeheer museale voorwerpen 2013, de Wet verzelfstandiging museale diensten, de Monumentenwet 1988, de Wet tot behoud van cultuurbezit, de Uitvoeringswet UNESCO-verdrag 1970 inzake onrechtmatige invoer, uitvoer of eigendomsoverdracht van cultuurgoederen en de Wet tot teruggave cultuurgoederen afkomstig uit bezet gebied. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is daaruit het onderdeel Monumentenwet 1988 vervallen en overgegaan naar de Omgevingswet.

In aansluiting op de Erfgoedwet is gekozen voor een brede Erfgoedverordening die conform het begrip ‘cultureel erfgoed’ ziet op zowel onroerend cultureel erfgoed (monumenten en stads- en dorpsgezichten en beeldbepalende objecten) als roerend cultureel erfgoed (cultuurgoederen).

 

Deze verordening ziet in beginsel niet meer op archeologie. Archeologische waarden moesten ook voor de Omgevingswet worden geborgd via het ruimtelijke spoor (bestemmingsplannen).

Omdat er binnen de gemeente nog bestemmingsplannen zijn waarin de bescherming van archeologische monumenten niet is opgenomen, die volgens de Omgevingswet deel uitmaken van het (tijdelijk) omgevingsplan, is in het overgangsrecht een vangnetbepaling opgenomen (artikel 24).

 

Artikelsgewijs

Alleen die bepalingen die nadere toelichting behoeven worden hieronder behandeld.

 

1. Algemeen

Artikel 1 Definities

De wettelijke definities uit artikel 1.1 van de Erfgoedwet gelden onverkort voor de begrippen die gebruikt worden in deze verordening, nu deze verordening berust op artikel 3.16 van de Erfgoedwet en daarom in samenhang met de Erfgoedwet moet worden gelezen.

 

Artikel 2 Gemeentelijk erfgoedregister

Het gemeentelijk erfgoedregister heeft betrekking op al het gemeentelijk (beschermd) aangewezen cultureel erfgoed als dat volgens deze verordening is gebeurd.

Lid 2 a, b en c regelen wat er in het erfgoedregister wordt bijgehouden.

Het gaat om door het gemeentebestuur zelf aangewezen monumenten, stads- of dorpsgezichten, beeldbepalende objecten, cultuurgoederen of verzamelingen.

 

Daarnaast is geregeld dat ook informatie over rijksmonumenten die in de gemeente zijn gelegen in het gemeentelijk erfgoedregister worden opgenomen. Op grond van de Erfgoedwet ontvangen burgemeester en wethouders deze informatie in afschrift van de minister bij de inschrijving in het rijksmonumentenregister. Het kan ook gaan om informatie via instructies als bedoeld in artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet betreffende een locatie met de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- en dorpsgezicht.

 

Ook is geregeld dat door burgemeester en wethouders van gedeputeerde staten ontvangen instructies als bedoeld in artikel 2.33, eerste lid, van de Omgevingswet betreffende een locatie met de functie-aanduiding provinciaal monument, provinciaal archeologisch monument of provinciaal beschermd stads- en dorpsgezicht in het gemeentelijke erfgoedregister kunnen worden opgenomen.

 

Gelet op de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken (hierna: Wkpb) zijn publiekrechtelijke beperkingen op onroerende zaken sinds 2021 geregistreerd in de Basisregistratie kadaster publiekrechtelijke beperkingen (hierna: BRK-PB). Dit geldt ook voor gemeentelijke monumenten en gemeentelijk beschermde stads- of dorpsgezichten. Beperkingen werden niet alleen meer op kadastrale percelen geregistreerd, maar ook op basis van Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG)-objecten (bijvoorbeeld een woning of een bedrijfspand), Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT)-objecten (bijvoorbeeld een brug) en vrije contouren (bijvoorbeeld een verontreinigingscontour).

Onder de Omgevingswet is het de bedoeling dat bestaande ruimtelijke beperkingen te zien zijn in het Digitaal Stelsel Omgevingswet. Dit geldt ook voor nog aan te wijzen nieuwe beperkingenbesluiten met name op basis van het omgevingsplan. Levering aan de openbare registers en bijhouding in de BRK-PB komt voor deze besluiten dan te vervallen. De beperkingen die vóór de inwerkingtreding Omgevingswet in de BRK-PB zijn opgenomen, komen te vervallen wanneer ze worden vervangen door nieuwe beperkingenbesluiten op basis van de Omgevingswet.

 

Lid 3 geeft burgemeester en wethouders de mogelijkheid om administratieve wijzigingen door te voeren, die niet onder een wijzigingsbesluit vallen zoals opgenomen in de erfgoedverordening. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan huisnummerwijziging of kadastrale perceelnummerwijziging.

 

2. Aanwijzing gemeentelijk monument

Artikel 3 Aanwijzing als gemeentelijk monument

Dit artikel regelt de toekenning van de status van gemeentelijk monument of archeologisch monument (een tuin en een park vallen binnen het begrip ‘monument’, natuurlandschap niet). De aanwijzing vraagt een belangenafweging tussen het met de aanwijzing te dienen belang en de overige bij de aanwijzing betrokken belangen, waaronder planologische en/of economische belangen of het gebruik van het monument of archeologisch monument. Deze formulering is ontleend aan artikelen 3.1, eerste lid, en 3.16, tweede lid, van de Erfgoedwet.

 

Burgemeester en wethouders hebben beleidsvrijheid bij de aanwijzing van een monument of archeologisch monument als gemeentelijk beschermd monument.; er geldt bovendien niet zoiets als de voorheen gehanteerde vijftigjarengrens voor monumenten.

Bij de afweging van belangen die daarbij een rol spelen moeten ook de belangen van het gebruik ten opzichte van de te beschermen monumentale waarde uitdrukkelijk en gemotiveerd naar voren komen. Bij de voorbereiding van een aanwijzing moeten deze belangen worden onderzocht.

 

Artikel 2 van de Erfgoedverordening van 2011 (vergelijkbaar met het oude artikel 2, eerste lid, van de Monumentenwet 1988) over het gebruik van het monument, keert echter niet terug in deze verordening. Voor de aanwijzing als gemeentelijk monument voegt de bepaling over het gebruik van het monument geen belang toe dat niet al op grond van artikel 3:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) dient te worden meegewogen. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State gaat het bij een besluit over de aanwijzing als beschermd monument om de afweging van het algemeen belang dat is gemoeid met de bescherming van het cultureel erfgoed tegen de belangen die de eigenaar heeft bij al dan niet aanwijzing. Het gebruik van het monument wordt beschouwd als een aspect van de belangen van de eigenaar en behoeft daarom niet afzonderlijk te worden benoemd.

 

Artikel 4 Voornemen tot aanwijzing

Lid 1 regelt dat voor alle zakelijke gerechtigden op de betreffende onroerende zaken ontvangst van het voornemen van een aanwijzing door burgemeester en wethouders van belang is, niet alleen voor de eigenaar.

Onder zakelijk gerechtigden vallen in principe ook de ingeschreven hypothecaire schuldeisers. In het verleden is echter gebleken dat de namen, rechtspersoon en adressen van ingeschreven hypothecaire schuldeisers vaak niet meer kloppen, waardoor de kennisgevingen de hypothecaire schuldeisers niet bereiken. Om deze reden is ervoor gekozen om hypothecaire schuldeisers, voor zover dit op basis van de hypothecaire overeenkomst noodzakelijk is, via de hypotheekgevers (eigenaren) in kennis te laten stellen van het voornemen tot aanwijzing omdat zij wel beschikken over de juiste gegevens.

 

Lid 2 regelt dat voor de aanwijzing van kerkelijke monumenten voorafgaand overleg is vereist met de eigenaar. Het gaat dan per definitie om een monument dat eigendom is van een kerkgenootschap, een zelfstandig onderdeel daarvan, een lichaam waarin kerkgenootschappen zijn verenigd, of van een ander genootschap op geestelijke grondslag en dat uitsluitend of voor een overwegend deel wordt gebruikt voor het gezamenlijk belijden van de godsdienst of levensovertuiging (artikel 1.1 van de Erfgoedwet). Dit lid stemt overeen met de vergelijkbare eis in artikel 3.1 van de Erfgoedwet en artikel 16.58 van de Omgevingswet en doet recht aan de bijzondere positie van het kerkelijk monument als plaats voor het gezamenlijk belijden van godsdienst of levensovertuiging. Dit geldt naast de algemene regel van artikel 4:8 van de Awb op grond waarvan belanghebbenden zoals eigenaren moeten worden gehoord.

 

Artikel 5 Voorbescherming

Het is wenselijk ook ten aanzien van gemeentelijk monumenten in voorbescherming te voorzien. Dat gebeurt met dit artikel. De voorbescherming start zodra burgemeester en wethouders het voornemen tot aanwijzing hebben bekendgemaakt aan de zakelijk gerechtigden. De voorbescherming voor gemeentelijk monumenten is gebaseerd op artikel 1 van de Wkpb en vergelijkbaar met de voorbescherming voor rijksmonumenten die voortvloeide uit artikel 5 van de Monumentenwet 1988, dat onder de Omgevingswet blijft gelden voor rijksmonumenten. De voorbescherming van rijksmonumenten loopt onder de Omgevingswet via de definities ‘voorbeschermd rijksmonument’ en ‘rijksmonumentenactiviteit’ en de vergunningplicht in artikel 5.1, eerste lid, onder b, van de Omgevingswet. Een rijksmonumentenactiviteit is vergunningplichtig en betreft gelet op de definitie ook voorbeschermde rijksmonumenten.

 

Artikel 6 Advies gemeentelijke adviescommissie

Op basis van artikel 17.9 van de Omgevingswet is een gemeente verplicht een gemeentelijke adviescommissie in te stellen die tot taak heeft te adviseren over de aanvragen om een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit, voor zover het andere dan archeologische monumenten betreft. Gemeenten mogen meer adviestaken voor de fysieke leefomgeving aan de commissie geven. In Helmond heeft de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit Helmond een breder takenpakket gekregen. Ze adviseert naast de adviestaak voor een rijksmonumentenactiviteit, ook over het gemeentelijk belang van aspecten als cultureel erfgoed, architectonische kwaliteit van bouwwerken, stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van natuur en landschap. In de commissie zijn een aantal leden deskundig op het gebied van cultureel erfgoed. Het takenpakket van de gemeentelijke adviescommissie is geregeld in de Verordening op de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit Helmond | Lokale wet- en regelgeving

 

Artikel 7 Termijn advies en aanwijzingsbesluit

In dit artikel wordt de termijn en inhoud van het aanwijzingsbesluit geregeld. Voor de termijn is aangesloten bij de termijn die gehanteerd wordt in de Erfgoedwet (artikel 3.2, derde lid).

In lid 2 is aangegeven welke gegevens het aanwijsbesluit minimaal moet bevatten.

 

Artikel 8 Mededeling en registratie aanwijzingsbesluit

Lid 1 van dit artikel geldt naast de algemene verplichting tot bekendmaking van besluiten op basis van de Awb. Ontvangst van de aanwijzing door burgemeester en wethouders is voor alle zakelijk gerechtigden van belang, niet alleen voor de eigenaar.

Onder zakelijk gerechtigden vallen ook hypothecaire schuldeisers.

In het verleden is echter gebleken dat de namen, rechtspersoon en adressen van ingeschreven hypothecaire schuldeisers vaak niet meer kloppen, waardoor de kennisgevingen de hypothecaire schuldeisers niet bereiken. Om deze reden is ervoor gekozen om hypothecaire schuldeisers, voor zover dit op basis van de hypothecaire overeenkomst noodzakelijk is, via de hypotheekgevers (eigenaren) in kennis te laten stellen van het voornemen tot aanwijzing omdat zij wel beschikken over de juiste gegevens.

 

De registratie van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister genoemd in lid 3 is slechts een administratieve verrichting en niet een besluit.

 

Artikel 9 Aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument

Dit artikel biedt burgemeester en wethouders de mogelijkheid om in spoedeisende gevallen een monument of archeologisch monument als gemeentelijk monument aan te wijzen. In dat geval wordt de adviescommissie zoals bedoeld in artikel 6, lid 1 pas ingeschakeld na de voorlopige aanwijzing. De bescherming van hoofdstuk 3 geldt echter vanaf het moment dat belanghebbenden schriftelijk in kennis zijn gesteld van de voorlopige aanwijzing. Een bezwaarschrift heeft dus geen opschortende werking en daarmee kan de voorlopige aanwijzing dus niet eenvoudig omzeild worden. Als de aanwijzing definitief wordt door de opname in het erfgoedregister loopt deze bescherming door. Als de aanwijzing wordt afgekeurd vervalt de (voor)bescherming.

 

Artikel 10 Wijziging of intrekken van de aanwijzing

Lid 1 bepaalt dat burgemeester en wethouders gerechtigd zijn om ambtshalve wijzigingen te kunnen aanbrengen in het erfgoedregister. Het betreft met name administratieve, taalkundige correcties en aanvullingen op de redengevende omschrijving, die geen gevolgen hebben voor de omvang van de bescherming.

 

Lid 2 regelt dat voor het schrappen uit het register van een aanwijzing als gemeentelijk monument dezelfde procedure geldt als bij de aanwijzing daarvan.

 

Lid 3 regelt dat de aanwijzing als gemeentelijk monument vervalt zodra een monument is opgenomen in het rijksmonumentenregister, in een provinciaal erfgoedregister of een provinciale omgevingsverordening.

Noord-Brabant kent vooralsnog geen provinciale monumenten.

 

3. Bescherming gemeentelijk monument

Artikel 11 Instandhoudingsbepalingen gemeentelijk monument

Dit artikel is voor gemeentelijke monumenten naar analogie met artikel 11, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 geschreven, zoals dat is gewijzigd door artikel 10.18 van de Erfgoedwet, met inbegrip van de instandhoudingsplicht die daarbij is geïntroduceerd. Het regelt de instandhouding van gemeentelijke monumenten.

 

Het verbod op beschadigen en vernielen van rijksmonumenten en voorbeschermde rijksmonumenten wordt onder de Omgevingswet geregeld in artikel 13.12 van het Besluit activiteiten leefomgeving (hierna: Bal).

 

Artikel 12 Omgevingsvergunning gemeentelijk monument

Dit artikel is oorspronkelijk gebaseerd op artikel 2.2 van de Wabo en vanwege het overgangsrecht tot en met 2029 inhoudelijk zoveel mogelijk gelijk gebleven. Wel is een bepaling conform artikel 3.11 van het Bal onder andere handelend over rijksmonumentenactiviteiten bij begraafplaatsen en grafmonumenten toegevoegd.

 

Lid 3 regelt dat burgemeester en wethouders voor de boordeling van een aanvraag omgevingsvergunning nadere gegevens van de aanvrager kunnen vereisen, waaronder een onderzoek naar bouwhistorie, architectuurhistorie, interieurhistorie of tuinhistorie.

 

Artikel 13 Weigeringsgronden

In lid 1 ligt op grond van de belangenafweging die moet worden gemaakt tevens vast dat rekening wordt gehouden met het gebruik van het monument.

In lid 2 is voor wat betreft de vereiste overeenstemming met de eigenaar van een kerkelijk monument aangesloten bij artikel 3.2a van de Wabo. Dit geldt ook deels voor artikel 16.58 van de Omgevingswet, maar er is geen gebruik gemaakt van het eerste lid van dit artikel waarin wordt gesproken over “overleg” en niet over “overeenstemming” omdat dit de kerkelijke eigenaar minder rechten geeft.

 

4. Aanwijzing en bescherming als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht

Artikel 15 Aanwijzing als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht

Een gemeentelijk beschermd stad- of dorpsgezicht is een gebied van lokaal belang met een bijzonder cultuurhistorisch karakter vanwege de historische samenhang.

 

Dit artikel geeft de mogelijkheid aan de gemeenteraad om gemeentelijke stads- en dorpsgezichten aan te wijzen, die vervolgens krachtens het omgevingsplan moeten worden beschermd.

 

Lid 7 geeft aan dat lid 1 tot en met 6 niet van toepassing is op een stads- of dorpsgezicht dat via instructies de functie-aanduiding rijksbeschermd heeft op grond van artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet, of provinciaal beschermd heeft op grond van artikel 2.33, eerste lid, van de Omgevingswet.

 

Artikel 16 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht

Dit artikel bepaalt o.a. dat bij wijziging (van niet-ondergeschikte aard) van een aanwijzing en bij intrekking van de status als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht dezelfde procedure geldt als bij de aanwijzing daarvan.

In lid 2 is bepaald dat een aanwijzing vervalt zodra het stads- of dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking door de minister of een provincie wordt aangewezen als beschermd stads- en dorpsgezicht.

De registratie van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister genoemd in lid 3 is slechts een administratieve verrichting en niet een besluit.

 

Artikel 17 Verbodsbepaling en aanvraag omgevingsvergunning

Artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo gaf de gemeente de mogelijkheid om op basis van hun verordening het slopen in een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht aan een omgevingsvergunningplicht te onderwerpen. Daaraan is hier uitvoering gegeven.

Artikel 5.1, aanhef en onder a, van de Omgevingswet geeft gemeenten de mogelijkheid een dergelijke verplichting op te nemen als een omgevingsplanactiviteit in het omgevingsplan. Totdat het omgevingsplan is aangepast, kan het verbod in de Erfgoedverordening blijven staan, in aanvulling op het overgangsrecht ten aanzien van de 2.2 van de Wabo activiteiten. De Omgevingswet regelt in de artikelen 22.2, 22.8 en 2.1a van het Omgevingsbesluit het overgangsrecht.

 

5. Aanwijzing en bescherming als gemeentelijk beschermd beeldbepalend object

Artikel 18 Aanwijzing als gemeentelijk beschermd beeldbepalend object

Een gemeentelijk beschermd beeldbepalend object is een gebouw of object, geen beschermd monument zijnde, dat van belang is voor het aanzicht van een bepaald gebied. Het vormt een belangrijk onderdeel van de identiteit of het karakter van de omgeving. Het is van belang voor de stedenbouwkundige- of landschappelijke samenhang.

 

Dit artikel geeft de mogelijkheid aan het college van burgemeester en wethouders om gemeentelijke beeldbepalende objecten aan te wijzen, die vervolgens krachtens het omgevingsplan worden beschermd.

De registratie van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister genoemd in lid 4 is slechts een administratieve verrichting en niet een besluit.

 

Artikel 19 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk beschermd beeldbepalend object

Dit artikel bepaalt dat bij wijziging (van niet-ondergeschikte aard) van een aanwijzing en bij intrekking van de status als gemeentelijk beschermd beeldbepalend object dezelfde procedure geldt als bij de aanwijzing daarvan.

Bij een wijziging van ondergeschikte betekenis kan o.a. gedacht worden aan administratieve wijzigingen zoals de verandering van bijvoorbeeld straatnamen of huisnummers.

 

Artikel 20 Verbodsbepaling en aanvraag omgevingsvergunning

Totdat de gemeente een compleet omgevingsplan heeft, kunnen tijdelijke regels gelden die de bescherming van beeldbepalende objecten regelen.

 

6. Aanwijzing gemeentelijk beschermd cultuurgoed of gemeentelijk beschermde verzameling

Artikel 21 Aanwijzing gemeentelijk beschermd cultuurgoed of gemeentelijk beschermde verzameling

Dit artikel maakt het mogelijk dat topstukken van het gemeentelijk cultuurbezit worden aangewezen als gemeentelijk beschermde cultuurgoederen of gemeentelijk beschermde verzamelingen, voor zover deze niet al voor het Nederlandse cultuurbezit als beschermde cultuurgoederen zijn aangewezen door de minister op grond van artikel 3.7 van de Erfgoedwet of door gedeputeerde staten op grond van de provinciale erfgoedverordening krachtens artikel 3.17 van de Erfgoedwet. De formele gevolgen van een aanwijzing van een cultuurgoed of verzameling als gemeentelijk beschermd cultuurgoed of gemeentelijk beschermde verzameling zijn beperkt:

Ingevolge artikel 2 van deze verordening zullen ze ingeschreven dienen te worden in het gemeentelijk erfgoedregister en er geldt, in aanvulling op artikel 4.18 van de Erfgoedwet, een adviesverplichting bij een eventuele vervreemding daarvan door de gemeente of wanneer de gemeente afstand wil doen van het eigendom of de zorg voor het cultuurgoed dat of de verzameling die aan haar was toevertrouwd. De aanwijzing heeft daarnaast vooral een symbolische betekenis en geeft uitdrukking aan het belang dat de gemeente stelt in het betreffende cultuurgoed of de betreffende verzameling.

 

De aanwijzing van gemeentelijk beschermde cultuurgoederen en verzamelingen kan uitsluitend betrekking hebben op cultuurgoederen en verzamelingen die in eigendom zijn van de gemeenten of cultuurgoederen en verzamelingen waarvan de zorg aan de gemeente is toevertrouwd. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn bij cultuurgoederen die door de gemeente in bruikleen zijn verkregen uit collecties van derden. Voor aanwijzing van dergelijke cultuurgoederen is overeenstemming met de eigenaar een vereiste. Burgemeester en wethouders moeten verder in het geval van een schenking, erfstelling, legaat of aankoop eventuele beperkende of andere juridische voorwaarden in acht nemen.

 

Er kan op grond van deze verordening geen sprake zijn van de aanwijzing van cultuurgoederen van derden als gemeentelijk beschermde cultuurgoederen of verzamelingen, zonder toestemming van de eigenaar. Er bestaat onvoldoende wettelijke grondslag om bij verordening een juridisch beschermingsregime eenzijdig aan een andere eigenaar op te leggen, zoals dat geldt voor de op rijksniveau beschermde cultuurgoederen (zie hoofdstuk 4 van de Erfgoedwet). Van een eventuele aanwijzing zou daardoor geen enkele beschermde werking uitgaan. Daarom is ervan afgezien een aanwijzingsbevoegdheid voor burgemeester en wethouders te creëren.

 

Artikel 22 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk beschermd cultuurgoed of gemeentelijk beschermde verzameling

Dit artikel bepaalt o.a. dat bij wijziging (van niet-ondergeschikte aard) van een aanwijzing en bij intrekking van de status als gemeentelijk beschermd cultuurgoed of gemeentelijk beschermde verzameling dezelfde adviesprocedure geldt als bij onder meer de aanwijzing daarvan. Over het voornemen daartoe vragen burgemeester en wethouders advies aan een commissie als bedoeld in artikel 4.18 van de Erfgoedwet.

Lid 2 bepaald dat een aanwijzing vervalt zodra het cultuurgoed of de verzameling waarop de aanwijzing betrekking door de minister op een provincie wordt aangewezen als beschermd cultuurgoed of beschermde verzameling.

De registratie van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister genoemd in lid 3 is slechts een administratieve verrichting en niet een besluit.

 

7. Archeologie

Artikel 23 Gemeentelijke archeologische beleidskaart

In 2017 is een gemeentelijke archeologische beleidskaart vastgesteld. Dit beleid is gaandeweg opgenomen in bestemmingsplannen en zal overgaan in het omgevingsplan. In de loop der jaren heeft echter een groot aantal archeologische onderzoek plaatsgevonden waardoor nadere archeologische kennis is verkregen. De gemeentelijke archeologische beleidskaart vormt de basis voor archeologiebepalingen in bestemmingsplannen en het omgevingsplan en voor het vangnet archeologie in artikel 24 van deze verordening. Om deze reden is het belangrijk om de vastgestelde kaart actueel te houden.

Om de beleidskaart waar nodig te herzien is aan het college de bevoegdheid toegekend om op basis van uitgevoerd onderzoek de archeologische verwachtingen aan te passen. Veelal zullen de aanpassingen betrekking hebben op gebieden waar uit onderzoek is gebleken dat geen archeologische resten (meer) aanwezig zijn. In uitzonderlijke gevallen zullen de verwachtingen en/of regels voor besluitvorming hieromtrent aan de gemeenteraad worden voorgelegd.

 

Artikel 24 Vangnet archeologie

Op grond van artikel 38a Monumentenwet en artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening diende in het bestemmingsplan in de toelichting bij het bestemmingsplan een beschrijving opgenomen te worden van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Met de invoering van deze verplichting was de bescherming archeologische waarden in beginsel ruimtelijk geborgd. Alle bestemmingsplannen die na 2007 zijn geactualiseerd, moeten in principe voldoen aan deze eis. Er waren echter nog bestemmingsplannen van kracht van vóór de invoering van deze eisen. Om, mede gelet op de verplichtingen van het Verdrag van Valletta, ook voor de gronden waar deze ‘oude’ bestemmingsplannen nog gelden de bescherming van archeologische waarden te verzekeren, is dit artikel opgenomen. De strekking van dit artikel is te waarborgen dat mogelijk in deze gronden aanwezige archeologische waarden niet worden verstoord, tenzij daaraan aandacht is besteed die gelijkwaardig is aan waartoe artikel 5.130 van het Besluit kwaliteit leefomgevingverplicht, door middel van de verwachtingskaarten, een omgevingsvergunning of eigen onderzoek dat aan die eisen kan voldoen.

Artikel 22.4 van de Omgevingswet bevat een overgangsbepaling. Verder bepaalt artikel 22.8, onder a, van de Omgevingswet dat gemeenten slechts beschermingsmaatregelen in hun omgevingsplan mogen opnemen inzake bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten.

 

Lid 2 regelt dat burgemeester en wethouders nadere regels kunnen stellen over het verrichten van archeologisch onderzoek. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan regels m.b.t. een programma van eisen of een plan van aanpak. Lid 2 wordt, gelet op het vervallen van artikel 38 van de Monumentenwet 1988 en het inwerking treden van de Omgevingswet, rechtstreeks onderdeel van het tijdelijk omgevingsplan.

 

8. Overige bepalingen

Artikel 25 Strafbepaling

De strafbaarstelling geldt in aanvulling op de Omgevingswet en de Wet economische delicten (hierna: Wed). Het handelen zonder vergunning zoals vereist op grond van de artikelen 11, 12, 17 en 20, eerste lid, is strafbaar gesteld in de Wed (artikel 1a, onderdeel 2).

 

Artikel 154, tweede lid, van de Gemeentewet bepaalt dat de maximale boete die de gemeenteraad op overtreding van verordeningen kan stellen een geldboete van de tweede categorie is.

 

Artikel 25 verwijst naar de artikelen 11 en 12. Artikel 11 bevat de instandhoudingsverplichting van een gemeentelijk monument, zolang deze regel of verplichting nog niet in het omgevingsplan is opgenomen. Als wordt gehandeld in strijd met de instandhoudingsverplichting en de verbodsbepalingen, geldt deze strafbaarstelling en kan een boete worden opgelegd. Artikel 12 geeft burgemeester en wethouders de mogelijkheid om nadere regels te stellen in het belang van de monumentenzorg met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden aan een gemeentelijk monument. Als die nadere regels worden overtreden, geldt deze strafbaarstelling en kan een boete worden opgelegd.

 

Artikel 26 Toezichthouders

Toezichthouders zijn personen die bij of krachtens wettelijk voorschrift belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift (artikel 5:11 Awb). Toezichthouders kunnen zowel individueel als categoraal worden aangewezen. In de artikelen 5:15 tot en met 5:19 Awb worden bevoegdheden aan toezichthouders toegekend.

 

Op basis van artikel 5:15 Awb is een toezichthouder bevoegd elke plaats te betreden met uitzondering van woningen zonder toestemming van de bewoner. 'Plaats' is daarbij een ruim begrip en omvat niet alleen erven en andere terreinen, maar ook gebouwen (niet-woningen). Uit artikel 5.13 van de Wabo volgt dat de ambtenaren die op grond van artikel 22, eerste lid, belast zijn met het toezicht op de naleving ter zake van het bepaalde bij of krachtens de Wabo, voor zover het betreft activiteiten als bedoeld in artikel 2.2, daarnaast ook bevoegd zijn, met medeneming van de benodigde apparatuur, een woning te betreden zonder toestemming van de bewoner. Dit laatste wordt in artikel 18.7 van de Omgevingswet geregeld.

Naar boven