Gemeenteblad van Capelle aan den IJssel
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Capelle aan den IJssel | Gemeenteblad 2025, 510306 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Capelle aan den IJssel | Gemeenteblad 2025, 510306 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Verordening jeugdhulp Capelle aan den IJssel 2026
De raad van de gemeente Capelle aan den IJssel, gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 23 september 2025; gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.12 en 8.1.1, derde lid, van de Jeugdwet en gezien het advies van de Commissie Samenleving en Economie (SLE),
vast te stellen de Verordening jeugdhulp Capelle aan den IJssel 2026.
Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen
In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
draagkracht: de normale, dagelijkse hulp die ouder(s), andere huisgenoten en/of het sociale netwerk vanuit eigen kracht elkaar onderling kunnen bieden. Ouders moeten de tot hun gezin behorende minderjarige kinderen verzorgen, opvoeden en toezicht op hen houden. Ook al is er sprake van een jeugdige met een ziekte, aandoening of beperking. Het betreft hulp op het gebied van persoonlijke verzorging, begeleiding en verblijf.
wettelijk vertegenwoordigers De wettelijk vertegenwoordiger van een minderjarige is de persoon die op grond van artikel 1:245 e.v. Burgerlijk Wetboek het gezag over het kind uitoefent. Dat kunnen zijn: de ouder met gezag; een voogd (indien het gezag daar is neergelegd) of een instelling / gezinsvoogdijinstelling bij een maatregel van kinderbescherming.
Hoofdstuk 3. Toegang tot de jeugdhulpvoorzieningen
Artikel 3. Toegang jeugdhulp via de gemeente
Als een jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger jeugdhulp zelf wenst in te kopen met een pgb, dient hij daartoe een pgb-plan in als bedoeld in artikel 18. Een door de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger ondertekend pgb-plan wordt aangemerkt als aanvraag voor een pgb.
Als uit het ondersteuningsplan blijkt dat de gezamenlijke conclusie is dat de hulpvraag kan worden opgelost met eigen mogelijkheden en het eigen probleemoplossend vermogen, dan wel door gebruik van een andere of overige voorziening, dan wordt het verslag ondertekend door de jeugdige of de jeugdige en zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger. In dat geval geldt het ondertekende verslag voor zover er een aanvraag was ingediend als intrekking van die aanvraag voor een individuele voorziening.
Artikel 4. Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts
Het college zorgt, overeenkomstig artikel 2.6, eerste lid, aanhef en onderdeel e, van de wet, voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, als en voor zover de jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is.
Jeugdhulp die na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts aan een jeugdige of zijn ouder(s) is verleend door een jeugdhulpaanbieder die geen contract of subsidierelatie met de gemeente heeft, komt, behalve als er voldaan is aan de voorwaarden voor een pgb verstrekking, niet voor vergoeding door de gemeente in aanmerking als het college soortgelijke jeugdhulp kan laten leveren door een jeugdhulpaanbieder waarmee de gemeente wel een contract- of subsidierelatie heeft.
Artikel 5. Toegang jeugdhulp via de gecertificeerde instelling of kinderrechter
Het college zorgt conform de wet voor inzet van de jeugdhulp die de rechter of de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel, die de rechter, het openbaar ministerie, de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts of de directeur van de justitiële inrichting nodig achten bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing, of die de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van jeugdreclassering.
Jeugdhulp die door de gecertificeerde instelling wordt bepaald, betreft geen jeugdhulp van een jeugdhulpaanbieder die geen contract of subsidierelatie met de gemeente heeft als het college soortgelijke jeugdhulp kan laten leveren door een jeugdhulpaanbieder waarmee de gemeente wel een contract- of subsidierelatie heeft.
Hoofdstuk 4: Behandeling van een aanvraag om een individuele voorziening
Artikel 6. Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren
Als bij het college een aanvraag om een individuele voorziening wordt ingediend, voert het college in samenspraak met de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen zes weken, een onderzoek uit overeenkomstig het tweede tot en met zesde lid en maakt zo spoedig mogelijk een afspraak voor een gesprek.
Voordat het onderzoek van start gaat, kunnen de jeugdige of zijn ouder(s) het college een familiegroepsplan verstrekken. Het college brengt hen van deze mogelijkheid op de hoogte en stelt hen gedurende twee weken na de aanvraag in de gelegenheid het plan te overhandigen. Als de jeugdige of zijn ouder(s) daarom verzoeken, zorgt het college voor ondersteuning bij het opstellen van het familiegroepsplan. De termijn van 6 weken, bedoeld in het eerste lid, start vanaf de dag waarop het college het familiegroepsplan heeft ontvangen.
Binnen 6 weken na de datum waarop het college de aanvraag heeft ontvangen, of binnen 6 weken na ontvangst van het familiegroepsplan, verstrekt het college aan de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger een schriftelijke weergave van het uitgevoerde onderzoek en het in verband daarmee gevoerde gesprek. Opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger worden door hen aan het verslag toegevoegd.
Als uit het verslag of de opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger blijkt dat een individuele voorziening is aangewezen of gewenst is, wordt het verslag ondertekend door de jeugdige of de jeugdige en zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger.
Als uit het verslag blijkt dat gezamenlijke conclusie is dat de hulpvraag kan worden opgelost met eigen mogelijkheden en het eigen probleemoplossend vermogen, dan wel door gebruik van een andere of overige voorziening, dan wordt het verslag ondertekend door de jeugdige of de jeugdige en zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger. In dat geval geldt het ondertekende verslag voor zover er een aanvraag was ingediend als intrekking van die aanvraag voor een individuele voorziening.
Artikel 10. Criteria voor toekenning van een individuele voorziening
Onverminderd dat jeugdhulp toegankelijk is na verwijzing door de huisarts, de medisch specialist en de jeugdarts, komt een jeugdige of ouder in aanmerking voor een door het college verleende individuele voorziening als het college van oordeel is dat de jeugdige of ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn en gebruikmaking van een andere of overige voorziening deze noodzaak niet kan verminderen of wegnemen.
Overeenkomstig de definitie van jeugdhulp uit artikel 1.1 van de wet wordt geen individuele voorziening verstrekt voor hulp of ondersteuning aan een jeugdige die niet noodzakelijk is op grond van een psychisch probleem of stoornis, psychosociaal probleem, gedragsprobleem of beperking, maar die voortkomt uit een behoefte die past bij de normale ontwikkeling van de jeugdige van een bepaalde leeftijd. Bij de beoordeling hiervan wordt uitgegaan van het overzicht van normen gebruikelijke zorg voor kinderen met een normale ontwikkeling in verschillende levensfasen zoals opgenomen in bijlage 5 bij de verordening.
Een individuele voorziening jeugdhulp wordt toegekend als de inzet van de voorziening doeltreffend geacht kan worden. De doeltreffendheid beoordeelt het college door vast te stellen of de individuele voorziening wezenlijk bijdraagt aan het oplossen van de hulpvraag en er wordt gewerkt met een bewezen effectieve interventie en nooit met een bewezen niet effectieve interventie.
In situaties waarbij ouders begeleiding, behandeling of ondersteuning ten gevolge van maatschappelijke of eigen psychische of relationele problemen nodig hebben die ondersteunend of voorwaardelijk is voor het oplossen van de hulpvraag van de jeugdige mag van de ouders een inzet worden verwacht dat zij hieraan deelnemen.
Artikel 11. Beoordeling eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen
Een individuele voorziening wordt niet verstrekt als naar het oordeel van het college uit het onderzoek blijkt dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of zijn ouder(s) toereikend zijn om binnen de eigen mogelijkheden, zo nodig met inzet van het sociale netwerk of met ondersteuning van andere (hulpverlenende) instellingen, de hulp te bieden die passend is bij de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouder(s).
Bij de beoordeling van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen, bedoeld in het eerste lid, neemt het college, gelet op het bepaalde in de artikelen 82 en 247 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, tot uitgangspunt dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen, ook als sprake is van psychische problemen of stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of beperkingen, allereerst bij de ouder(s) zelf ligt en dat de hulp die daarvoor nodig is in beginsel ook door hen geleverd kan worden. Uit het onderzoek kan evenwel blijken dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) tekortschiet, omdat sprake is van:
Gebruikelijke hulp is hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders. Zij zijn namelijk verplicht de tot hun gezin behorende minderjarige jeugdigen te verzorgen, op te voeden, te begeleiden en toezicht op hen te houden. Dit geldt ook als de jeugdige een ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek heeft. Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp over. Dit geldt ook bij gescheiden ouders. Er wordt dan ook rekening gehouden met de gebruikelijke hulp door de ouder waar de jeugdige niet bij woont.
Bij de individuele voorzieningen kan vervoer van en naar de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden, worden toegekend, voor zover het naar het oordeel van het college noodzakelijk wordt geacht in verband met een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid van de betreffende jeugdige, mits niet vanuit andere regelingen of instanties vergoed of anderszins verzekerd.
Indien er sprake is van een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid ten aanzien van het vervoer van en naar een jeugdhulplocatie voorziet het college alleen in dat deel van de vervoersbewegingen dat niet zelf door de ouders en/ of andere personen uit het sociaal netwerk kunnen worden verzorgd.
Vaktherapie wordt uitgevoerd door een vaktherapeut. Dat is een professional die een erkende opleiding op HBO/master niveau voor vaktherapie heeft volbracht. Een erkende opleiding is een door de desbetreffende beroepsvereniging voor vaktherapeutische beroepen (aangesloten bij de Federatie Vaktherapeutische Beroepen) erkende bachelor of masteropleiding in een van de vaktherapeutische beroepen of een door de beroepsverenigingen erkende buitenlandse bachelor of masteropleiding heeft volbracht.
Artikel 15. Kinderopvang, buitenschoolse opvang en onderwijs
Het college kan nadere regels stellen inzake de inzet aanvullende begeleiding in uitzonderlijke situaties, waarin een jeugdige in het kader van de kinderopvang en buitenschoolse opvang extra begeleiding of specialistische begeleiding nodig heeft vanwege opgroei-, opvoedings- en psychische problemen en stoornissen, die niet door medewerkers van de opvang kan worden geboden en niet van ouder(s) kan worden verwacht.
Het is niet toegestaan een overeenkomst af te sluiten met een jeugdhulpaanbieder dan wel een derde (in geval van een pgb) waarin het bieden van de geïndiceerde ondersteuning mede afhankelijk is van de woonruimte die door de organisatie dan wel derde wordt geboden, tenzij het verblijf onderdeel is van de indicatie.
Artikel 17. Inhoud beschikking individuele jeugdhulpvoorziening
Hoofdstuk 5: Aanvullende regels persoonsgebonden budget (pgb)
Artikel 18. Aanvullende regels om in aanmerking te komen voor een pgb
Als een jeugdige of zijn ouder(s) in aanmerking komen voor een individuele voorziening, maar de jeugdhulp zelf wensen in te kopen door middel van een pgb, dienen de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger daartoe een pgb-plan in volgens een door het college ter beschikking gesteld format. In het pgb-plan is opgenomen:
Het college verstrekt een pgb als:
naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort en die de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger van het budget willen betrekken, van goede kwaliteit is en in voldoende mate zal bijdragen aan het bereiken van het in het pgb-plan opgenomen beoogde resultaat.
De volgende voorwaarden zijn van toepassing bij de besteding van een pgb:
het pgb mag worden besteed bij een jeugdhulpaanbieder zowel binnen als buiten de gemeente, maar in ieder geval binnen Nederland. Een pgb mag alleen na voorafgaande schriftelijke toestemming van het college besteed worden in EU-landen; deze jeugdhulpaanbieder dient te voldoen aan het afsprakenkader buitenlands hulpaanbod;
Artikel 20. Onderscheid pgb-jeugdhulpaanbieders
De norm verantwoorde werktoedeling zoals beschreven in het Kwaliteitskader Jeugd is van toepassing op alle in artikel 1 onderscheiden pgb-jeugdhulpaanbieders. Er wordt geen pgb verstrekt indien de jeugdhulpaanbieder niet kan voldoen aan de werktoedeling als vereist op basis van het Kwaliteitskader Jeugdhulp.
Artikel 21. Kwaliteitseisen pgb-jeugdhulpaanbieders
Hoofdstuk 6: Herziening, intrekking, terugvordering en bestrijding misbruik
Het college informeert de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. Dit laat onverlet dat jeugdigen, zijn ouders dan wel budgetbeheerder geacht worden zich voldoende te verdiepen in alle relevante wettelijke kaders, de verordening, beschikkingen en overige voorschriften.
Mede overeenkomstig het bepaalde in artikel 8.1.2, eerste lid, van de wet doen de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb.
Het college treedt na ontvangst van een melding als bedoeld in het vorige lid in overleg met de jeugdhulpaanbieder (dan wel in het geval van een persoonsgebonden budget: met de budgethouder), over de wijze waarop binnen een redelijke termijn wel aan de bij of krachtens de wet gestelde eisen kan worden voldaan.
Artikel 25. Niet meewerken ouder(s)
Als de jeugdige, zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger naar het oordeel van het college niet of onvoldoende meewerkt (meewerken), kan de omvang van de benodigde jeugdhulp niet worden vastgesteld of is de jeugdhulp niet effectief en kan door het college worden besloten geen individuele voorziening te verstrekken, een lagere omvang vast te stellen of een eerder toegekende individuele voorziening in te trekken.
Artikel 29. Controle en onderzoek
De volgende typen onderzoek kunnen worden onderscheiden:
fraudeonderzoek: onderzoek waarbij nagegaan wordt of degene die bij de gemeente of een door het college aangewezen persoon of organisatie een bedrag in rekening brengt voor maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp, valsheid in geschrifte, bedrog, benadeling van rechthebbenden of verduistering pleegt of tracht te plegen ten nadele van de gemeente, met het doel een betaling of een ander voordeel te verkrijgen waarop hij geen recht heeft of kan hebben.
Artikel 30. Rapport toezichthouder over jeugdhulpaanbieder
Voordat het rapport definitief wordt, stelt de toezichthouder de jeugdhulpaanbieder in de gelegenheid van het ontwerprapport kennis te nemen en feitelijke onjuistheden daarover binnen 14 dagen kenbaar te maken. De toezichthouder vermeldt de reactie van de jeugdhulpaanbieder in een bijlage bij het rapport of past het rapport hierop aan.
Artikel 31. Aanwijzing voor jeugdhulpaanbieder of pgb-budgethouder
Indien gebleken is dat door een jeugdhulpaanbieder of een pgb-budgethouder niet wordt voldaan aan een of meer eisen bij of krachtens de wet gestelde regels, start het college een hersteltraject. Dit traject is gericht op de beëindiging van de overtreding(-en) en voorkoming van herhaling van de overtreding(-en).
Artikel 36. Privaatrechtelijke maatregelen en opschorten betaling jeugdhulpaanbieder
De sanctiemogelijkheden op grond van deze verordening kunnen eveneens gepaard gaan met een verzoek van het college aan de Sociale Verzekeringsbank tot geheel of gedeeltelijke beëindiging, weigering of opschorting van een betaling uit het pgb als bedoeld in artikel 2b, zesde lid, van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015.
Artikel 38. Overige maatregelen ter voorkoming oneigenlijk gebruik, misbruik en niet gebruik
Het college maakt met gecontracteerde of gesubsidieerde jeugdhulpaanbieders afspraken over de facturatie, resultaatsturing en accountantscontroles, zodat declaraties en uitbetalingen in overeenstemming zijn met de contractuele afspraken, de leveringsopdracht, de prestatieafspraken en de feitelijk geleverde prestaties.
Hoofdstuk 7. Afstemming met andere voorzieningen
Artikel 39. Voorliggende voorzieningen
Het college verstrekt geen voorziening voor jeugdhulp als er:
naar het oordeel van het college met betrekking tot de problematiek een aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling, met uitzondering van een maatwerkvoorziening inhoudende begeleiding als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; of
Als er meerdere oorzaken ten grondslag liggen aan de betreffende problematiek en daardoor zowel een vorm van zorg, op grond van een recht op zorg als bedoeld bij of krachtens de Wet langdurige zorg of een zorgverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, als een soortgelijke voorziening op grond van de wet kan worden verkregen, is het college gehouden deze voorziening op grond van de wet te treffen.
Artikel 40. Afstemming met voorliggende voorzieningen en andere vormen van hulp en ondersteuning
Het college stemt de jeugdhulp waaraan een jeugdige of een ouder behoefte heeft af op het aanbod van activiteiten, diensten of middelen op grond van andere wetten zodat deze zoveel mogelijk op elkaar aansluiten en ondersteunt de jeugdige en zijn ouder(s) actief bij het verkrijgen van toegang tot de andere voorziening(en) of bij behoud van de continuïteit van de zorg op grond van de benodigde zorg.
Ter uitvoering van het vijfde lid, onderzoekt het college tijdig welke andere voorziening nodig is vanaf de achttiende verjaardag en op welke wijze en vanuit welke andere voorzieningen (Wet maatschappelijke ondersteuning, Wet langdurige zorg, of de Zorgverzekeringswet) deze ondersteuning vanaf het achttiende levensjaar kan worden ingezet.
Hoofdstuk 8. Waarborgen verhouding prijs en kwaliteit Artikel 41. Verhouding prijs en kwaliteit jeugdhulp
Het college bedingt bij de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde aanbieders van preventie, jeugdhulpaanbieders of gecertificeerde instellingen dat zij het verlenen van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering alleen aan derden uitbesteden als zij die derden daarvoor een reële prijs betalen, die tot stand is gekomen met gebruikmaking van de kostprijselementen bedoeld in het eerste lid.
Het eerste en tweede lid gelden voor subsidies slechts voor zover zij worden verstrekt voor de daadwerkelijke verlening van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering aan jeugdigen of hun ouders en de omvang van de subsidie direct of indirect wordt gebaseerd op de hoeveelheid verrichte diensten.
Hoofdstuk 9. Klachten en medezeggenschap
Artikel 43. Betrekken van ingezetenen bij het beleid
Het college stelt jeugdigen en hun ouders en vertegenwoordigers van cliëntgroepen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.
Artikel 46. Overgangsrecht, intrekking oude verordening
Bezwaarschriften gericht tegen besluiten die zijn genomen voor de inwerkingtreding van deze verordening, worden behandeld op grond van Verordening jeugdhulp Capelle aan den IJssel 2026. Hier kan ten gunste van de jeugdige of zijn ouder(s) van worden afgeweken als heroverweging op grond van de Verordening jeugdhulp Capelle aan den IJssel 2018 leidt tot een gunstiger uitkomst.
Bijlagen bij de Verordening jeugdhulp Capelle aan den IJssel 2026
De volgende bijlagen vormen een integraal en onlosmakelijk onderdeel van de verordening.
Bijlage 1: Overzicht vrij toegankelijke voorzieningen.
Bijlage 2: Overzicht niet vrij toegankelijke voorzieningen.
Bijlage 3.1: Normenkader niet vrij toegankelijke voorzieningen
Bijlage 3.2: Normenkader vervoer
Bijlage 4: Normen gebruikelijke zorg voor kinderen met een normale ontwikkeling in verschillende levensfasen
Bijlage 3.1: Normenkader niet vrij toegankelijke voorzieningen
In aanvulling op artikel 2, vierde lid, van Verordening jeugdhulp Capelle aan den IJssel 2026, worden de volgende normen gestel voor de maximale initiële indicatieduur, de maximale inzet in eenheden (dagdelen, uren of minuten) bij de initiële indicatie, de maximale verlenging en de maximale inzet in eenheden (dagdelen, uren of minuten) bij een eventuele verlenging.
Bijlage 3.2 Normenkader vervoer
Voor het vervoer van en naar de Jeugdlocatie worden, in aanvulling op artikel 12, derde lid, onderdeel g, de volgende normen gesteld. Er is geen sprake van een medische noodzaak of beperking in de zelfredzaamheid in de volgende situaties:
Bijlage 4: Normen gebruikelijke zorg van ouders voor kinderen met een normale ontwikkeling in verschillende levensfasen
Bij de toepassing van artikel 10 van de Verordening jeugdhulp Capelle aan den IJssel 2026 gelden de volgende normen ten aanzien van gebruikelijke hulp van ouders voor kinderen met een normale ontwikkeling in verschillende levensfasen van het kind:
2. Normen gemiddelde tijdsbesteding
Bij de toepassing van artikel 10 gelden de volgende normen ten aanzien van de gemiddelde tijdsbesteding aan gebruikelijke hulp van ouders voor kinderen met een normale ontwikkeling in verschillende levensfasen van het kind:
Bijlage 5: Protocol Dyslexie Diagnostiek & Behandeling
In aansluiting op het gestelde in artikel 13, eerste lid volgen wij het Protocol Dyslexie Diagnostiek & Behandeling van het Nederlands Kwaliteitsinstituut Dyslexie, versie 3.0 geldend vanaf 1 januari 2022.
Toelichting Verordening jeugdhulp gemeente Capelle aan den IJssel 2026
Toelichting Hoofdstuk 4: Behandeling van een aanvraag om een individuele voorziening
Artikel 6. Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren
Artikel 7. Deskundig oordeel, advies en voorbereiding van de besluitvorming
Artikel 10. Criteria voor toekenning van een individuele voorziening
Artikel 11. Beoordeling eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen
Artikel 15. Kinderopvang, buitenschoolse opvang en onderwijs
Artikel 17. Inhoud beschikking individuele jeugdhulpvoorziening
Toelichting Hoofdstuk 6: Herziening, intrekking, terugvordering en bestrijding misbruik
Artikel 24. Niet meewerken ouder(s)
Artikel 26. Herziening en verlenging
Artikel 27. Intrekking, opschorting en terugvordering
Artikel 29. Controle en onderzoek
Artikel 30. Rapport toezichthouder over jeugdhulpaanbieder
Artikel 31. Aanwijzing voor jeugdhulpaanbieder of pgb-budgethouder
Artikel 33. Cliëntenstop en verscherpt toezicht bij jeugdhulpaanbieder
Artikel 34. Vervolgonderzoeksrapport
Artikel 35. Handhavingsmaatregelen
Artikel 36. Privaatrechtelijke maatregelen en opschorten betaling jeugdhulpaanbieder
Artikel 37. Meldpunt en register
Artikel 38. Overige maatregelen ter voorkoming oneigenlijk gebruik, misbruik en niet gebruik
Bijlage 1. Overzicht vrij toegankelijke voorzieningen
Bijlage 2. Overzicht niet vrij toegankelijke voorzieningen
Bijlage 3.1. Normenkader niet vrij toegankelijke voorzieningen
Bijlage 3.2. Normenkader vervoer
Bijlage 4. Normen gebruikelijke zorg van voor kinderen met een normale ontwikkeling in verschillende levensfasen
1. Verordening als verplichting op grond van de Jeugdwet
De inhoud van de gemeentelijke verordening is vooral vastgelegd in artikel 2.9 van de Jeugdwet, Dit artikel bepaalt:
De gemeenteraad stelt bij verordening en met inachtneming van het bepaalde bij of op grond van deze wet in ieder geval regels:
Daarnaast is de gemeente ook verplicht door middel van een verordening regels te stellen over de beleidsparticipatie, dit staat beschreven in artikel 2.10 van de Jeugdwet. Ook is de verordening bedoeld als waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp die de gemeente inkoopt, dit staat beschreven in artikel 2.11 van de Jeugdwet. Tot slot kunnen in de verordening voorwaarden rond het verstrekken van een persoonsgebonden budget in het sociaal netwerk worden opgenomen. Dit staat in artikel 8.1.1, derde lid van de Jeugdwet.
De gemeenteraad kan een aantal punten door het college in nadere regels laten uitwerken. Hierbij is zij gehouden om de wezenlijke en belangrijkste dingen in de verordening op te nemen. In de nadere regels worden alleen onderwerpen uitgewerkt waarvoor in de wet of verordening de grondslag is opgenomen.
Waarom wordt de verordening 2018 aangepast?
De gemeenteraad heeft door vaststelling van de maatregelen uit “Tegen de stroom in” de keuze gemaakt om een transparant en goed toepasbaar normenkader op te stellen voor de uitvoering van de Jeugdwet. We willen voordat jeugdhulp onnodig wordt ingezet eerst naar alternatieven kijken. Binnen de jeugdhulp willen we zo veel mogelijk afschalen waar dit kan. Het streven is om kinderen zoveel mogelijk binnen hun natuurlijke omgeving te zien en te voorzien van thuisgerichte ondersteuning. Het betrekken van gezinnen en het bieden van ondersteuning binnen hun gebruikelijke leefomgeving draagt bij aan de vroegtijdige interventie en voorkoming van escalatie van problematiek. Met deze aanpak gaat de gemeente Capelle terug naar de bedoeling van de Jeugdwet. Jeugdhulp wordt alleen ingezet als het valt binnen de grenzen van de Jeugdwet, als het echt nodig is, en dan doelgericht en niet langer dan nodig. Dit maakt het mogelijk om de steeds schaarser wordende middelen van de gemeente te concentreren op de jeugdigen en ouders die het echt nodig hebben. Deze ontwikkeling leidt tot de wens om de verordening 2018 vanuit de inhoud aan te passen.
Verder gelden ook de volgende, meer technische overwegingen:
Maatwerk en de menselijke maat
De verordening is naar zijn aard gesteld in juridische termen. Bij het opstellen van de aangepaste verordening is, op basis van een suggestie van de Adviesraad Sociaal Domein, vergelijkend onderzoek gedaan naar voorbeelden van gemeenten die korte verordening op hoofdlijnen hebben opgesteld. Daarbij is gebleken dat juist bij deze gemeenten de CRvB heeft geoordeeld dat deze aanpak “onvoldoende rechtszekerheid, althans onvoldoende concrete op de individuele situatie betrekking hebbende duidelijkheid” biedt (ECLI:NL:CRVB:2024:1096). Deze weg kan dus niet gevolgd worden. Het college ziet echter duidelijk het belang om jeugdigen en ouders te ondersteunen met informatiemateriaal waarin de verordening op een niet juridische en begrijpelijke wijze wordt samengevat. Dit krijgt vorm door een aantal factsheets waarin de verschillende onderwerpen uit de verordening worden samengevat.
Voorafgaand aan de specifieke toelichting per artikel wenst het college te benadrukken dat het bij het inzetten van jeugdhulp altijd gaat om een individuele afweging in specifieke individuele omstandigheden. Ieder besluit is dus maatwerk, waarbij altijd het belang van de jeugdige centraal staat. Bij individuele besluiten kan van de gestelde normen worden afgeweken indien daaraan vasthouden voor de jeugdige of zijn ouders gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen. Dit beginsel is verankerd in de hardheidsclausule
De reikwijdte van de jeugdhulpplicht in de jeugdwet vormt al enkele jaren een belangrijk onderwerp in gesprekken over de jeugdhulp. In de Hervormingsagenda Jeugd is de afspraak gemaakt dat de wetgever de wet gaat aanpassen om deze reikwijdte te verduidelijken en af te bakenen c.q. te begrenzen. Dit om ervoor te zorgen dat de jeugdhulp beschikbaar blijft voor de meest kwetsbare gezinnen of gezinnen in de meest kwetsbare situaties. Het doel is om duidelijk te maken wat er wel onder de jeugdhulpplicht valt, in plaats van wat er niet onder valt.
Er is een wetsvoorstel in voorbereiding om een landelijk kader te bieden voor reikwijdte van de jeugdhulpplicht. De planning is om het wetsvoorstel in de loop van 2025 gereed te hebben voor openbare internetconsultatie. De verwachting is dat het daarna nog twee jaar zal duren voordat het voorstel van kracht wordt. Het college zal, zodra duidelijk is wat de strekking en verwachte ingangsdatum is van de geplande wet, beoordelen of een en ander in de verordening moet worden aangepast.
3. Toelichting Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen
In dit artikel worden de omschrijvingen gegeven van de meest voorkomende begrippen. Verder wordt geregeld dat de begrippen die niet zijn omschreven dezelfde betekenis hebben als in de achterliggende wet- en regelgeving. Deze begripsbepalingen zijn integraal van toepassing op deze artikelsgewijze toelichting.
Voor alle duidelijkheid nemen we hier ook de omschrijving op van het begrip jeugdhulp zoals dat in artikel 1.1 van de Jeugdwet is als volgt gedefinieerd:
ondersteuning van en hulp en zorg, niet zijnde preventie, aan jeugdigen en hun ouders bij het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van of omgaan met de gevolgen van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptie gerelateerde problemen;
het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van jeugdigen met een somatische, verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem en die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, en
het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging gericht op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij jeugdigen met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking of een somatische of psychiatrische aandoening of beperking, die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, met dien verstande dat de leeftijdgrens van achttien jaar niet geldt voor jeugdhulp in het kader van jeugdstrafrecht.
De Adviesraad Sociaal Domein heeft gewezen op het gebruik van de term “stoornissen”.
Dit begrip is als juridische term opgenomen in de Jeugdwet. Daardoor wordt het begrip onvermijdelijk ook gebruikt in de verordening en in de artikelsgewijze toelichting. Het college is zich er goed van bewust dat dit begrip als discriminerend of stigmatiserend kan worden ervaren. Het college benadrukt dat het begrip strikt gebruikt wordt om uitvoering te geven aan wetgeving en jurisprudentie en geen maatschappelijk of ander oordeel uitdrukt over jeugdigen die gebruik maken van voorzieningen in de Jeugdwet.
Verordening Jeugdhulp Capelle aan den IJssel 2018
In de toelichting wordt op een aantal punten een vergelijking gemaakt met de Verordening jeugdhulp Capelle aan den IJssel 2018 en/of de Nadere regels jeugdhulp Capelle aan den IJssel 2019. Deze verwijzingen zijn ingekort tot respectievelijk “Verordening 2018” en Nadere regels 2019”.
Het college heeft de uitvoering van de jeugdwet gemandateerd aan het Centrum voor Jeugd en Gezin Capelle aan de IJssel (CJG). Dit is neergelegd in de “Mandaatregeling gemeente Capelle aan den IJssel 2025” en in het “Besluit tot mandatering bevoegdheden aan de directeur van de Stichting Centrum voor jeugd en gezin Capelle aan den IJssel”.
Het CJG biedt vrij toegankelijk hulp en voert de beoordelingstaak voor de toegang namens het college uit. Bij aanvragen voor niet vrij toegankelijke voorzieningen voert het CJG uitsluitend de toegang en het onderzoek uit. De uitvoering van niet vrij toegankelijke voorzieningen zal op geen manier door het CJG worden verricht. De beoordeling voor niet vrij toegankelijke voorzieningen vindt binnen het CJG plaats door onafhankelijke medewerkers van het Besluitteam.
4. Toelichting Hoofdstuk 2: Vormen van jeugdhulp
Artikel 2. Vormen van jeugdhulp
In de verordening wordt onderscheid gemaakt tussen vrij toegankelijke voorzieningen en niet vrij-toegankelijke voorzieningen op het gebied van jeugdhulp.
Een deel van de hulpvragen kan worden beantwoord met een vrij-toegankelijke voorziening. Hier kunnen de jeugdige en/of zijn ouders gebruik van maken zonder dat zij daarvoor een verwijzing of een besluit van de gemeente nodig hebben. Vrij toegankelijke voorzieningen worden uitgevoerd door het CJG en andere in de gemeente werkzame organisaties. Bij een vrij toegankelijke voorzieningen zal altijd worden beoordeeld of de voorziening een gepaste oplossing biedt voor de hulpvraag van de jeugdigen en de ouders. Voor een vrij toegankelijke voorziening wordt geen beschikking afgegeven.
Daarnaast kent de gemeente niet vrij-toegankelijke voorzieningen die alleen na een onderzoek door medewerkers van het CJG of door een wettelijke verwijzer toegankelijk zijn. Hierbij wordt wel een beschikking afgegeven.
Als uitvloeisel van artikel 2.9, onder a, van de Jeugdwet, wordt in lid 1 en 2 van dit artikel en in de bijlagen 1 en 2 bij de verordening een overzicht gegeven van de voorzieningen die in deze drie groepen in ieder geval beschikbaar zijn. Van verschillende genoemde vormen van jeugdhulp bestaan diverse varianten. Welke variant wordt ingezet zal steeds afhankelijk zijn van de uitkomst van het onderzoek en de betreffende situatie en de specifieke behoeften van de jeugdige en zijn ouders.
Het uitgangspunt van de gemeente is er voldoende aanbod moet zijn van jeugdhulpverleners met een culturele, religieuze of andere achtergrond die aansluit bij die van de jeugdigen en de ouders. Het CJG heeft een brede samenstelling in het medewerkersbestand. De lokale inkoop van niet vrij toegankelijke jeugdhulp heeft de vorm van een toetredingsregeling die voldoende ruimte biedt voor jeugdhulpaanbieders van iedere achtergrond. Ook in de regionale contractering via de Gemeenschappelijke Regeling Jeugdzorg Rijnmond (GRJR) is diversiteit een belangrijk uitgangspunt.
Uit de parlementaire geschiedenis bij de wet volgt dat de gemeenteraad, ter uitvoering van het bepaalde in artikel 2.9, van de wet, in de verordening (op geaggregeerd niveau) kan sturen op duur, omvang en frequentie van individuele voorzieningen (Kamerstukken II 2013/14, 33 684, nr. 3, p. 148 en Kamerstukken II 2013/14, 33 684, nr. 10, p. 40). In het raadsbesluit ‘Tegen de stroom in” van 8 juli 2024 heeft de gemeente de keuze gemaakt om hier inderdaad op te sturen. Dit wordt uitgewerkt in lid 3 en in bijlage 3.1 bij de verordening.
Op grond van artikel 2.6, eerste lid, onder a, van de wet is het aan het college om zorg te dragen voor een kwalitatief en kwantitatief aanbod. In het vierde lid is bepaald over welke elementen het college in het kader van zijn inkoop- of subsidierelatie met de jeugdhulpaanbieders afspraken moet maken. Deze afspraken dragen bij aan duidelijkheid over het beschikbare voorzieningenpakket. De kwaliteitseisen waaraan jeugdhulpaanbieders moeten voldoen vloeien rechtstreeks voort uit de wet. Deze zijn verder uitgewerkt in de aanbestedingen en de overeenkomsten voor lokale jeugdhulp en in de contractering via de Gemeenschappelijke Regeling Jeugdhulp Rijnmond.
5. Toelichting Hoofdstuk 3: Toegang tot jeugdhulpvoorzieningen
Artikel 3. Toegang jeugdhulp via de gemeente
Dit artikel regelt de toegang tot jeugdhulp via de gemeente. Dit artikel regelt in algemene zin het toegangs- en besluitvormingsproces en de daaraan verbonden beslistermijnen. Het college is daarbij verantwoordelijk voor de inzet van de noodzakelijke voorzieningen op het gebied van jeugdhulp en bevoegd om de toegang tot jeugdhulp te verlenen op grond van de wet. De toegang tot de jeugdhulp is door de gemeente neergelegd bij het CJG.
Jeugdigen en ouders kunnen bij het college terecht met hun hulpvraag. Terecht kunnen betekent ook dat zij geholpen worden bij het vaststellen van wat de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouders is. Het college is (mede)verantwoordelijk voor het verkennen of verhelderen van de hulpvraag. Dat kan door het voeren van een of meer gesprekken. Voor de verstelling van de te hanteren termijnen is pas sprake van een aanvraag vanaf het moment dat de gemeente een duidelijk, schriftelijk verzoek om hulp heeft ontvangen (ECLI:NL:CRVB:2018:1783) .Een mondelinge melding of hulpvraag een eerste contact met het CJG is nog géén formele aanvraag (ECLI:NL:CRVB:2020:1570 en ECLI:NL:CRVB:2022:1227). Bij het gehele proces wordt overeenkomstig de jurisprudentie medewerking van de jeugdige of de ouders verlangd (ECLI:NL:CRVB:2019:276).
Als de jeugdige oen/of zijn ouders jeugdhulp in de vorm van zorg in natura niet passend vinden en zelf jeugdhulp willen inkopen door middel van een pgb dan zullen zij daartoe in het kader van de aanvraag ook een door hen zelf op te stellen pgb-plan in moeten dienen. Als de jeugdige of zijn ouders ook een budgetbeheerder willen aanwijzen dan dienen zij binnen acht weken na de aanvraag een vertegenwoordiger te vinden die naar het oordeel van het college voldoet aan alle eisen die deze verordening hieraan stelt.
In dit geval wordt in algemene zin tien weken redelijk geacht om een besluit te nemen. Jeugdigen en ouders hebben in beginsel namelijk de gelegenheid om tot twee weken na de aanvraag een familiegroepsplan in te dienen. Dit plan betrekt het college vervolgens bij het onderzoek. Om dit onderzoek zorgvuldig uit te kunnen voeren én het plan hierbij te kunnen betrekken, kan als uitgangspunt worden gehanteerd dat het onderzoek uiterlijk zes weken na ontvangst van de aanvraag uitgevoerd moet zijn. Vervolgens heeft het college nog twee weken om de beschikking af te geven. Zodoende wordt een totale doorlooptijd van tien weken redelijk geacht. In uitzonderlijke gevallen kan deze gemotiveerd worden verlengd met nog eens maximaal acht weken. Hierbij moet gedacht worden een complexe casussen, of aan situaties waarin informatie moet worden verkregen van andere instanties.
Het college is verantwoordelijk voor de inzet van de noodzakelijke voorzieningen op het gebied van jeugdhulp. Een individuele voorziening wordt altijd toegekend (of afgewezen) op basis van een beschikking. Deze verplichting vloeit ook voort uit de Algemene Wet Bestuursrecht (Awb).
Deze bepaling regelt de toeleiding naar jeugdhulp in spoedsituaties of crisissituaties. In gevallen waar onmiddellijke start van de hulp nodig is (en het besluit niet kan worden afgewacht) kan het besluit tot inzet van een individuele voorziening genomen worden na de daadwerkelijke start van de hulp. Het besluit tot inzetten van de hulp moet vervolgens binnen 4 weken na de start van de hulp zijn vastgelegd in een beschikking.
Een aanvraag kan leiden tot de ook door de ouders/vertegenwoordigers gedragen conclusie dat het de hulpvraag kan worden opgepakt binnen de eigen draagkracht. Of er kan een andere of overige voorziening worden ingezet. In die situatie geldt het door de ouders/vertegenwoordigers ondertekende verslag als intrekking van de aanvraag.
Artikel 4. Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts
De wet regelt dat de jeugdhulp toegankelijk is na een verwijzing door de huisarts, de jeugdarts en/of de medisch specialist. Na een dergelijke verwijzing staat echter nog niet vast welke specifieke behandelvorm van jeugdhulp (dus bijvoorbeeld welke therapie) een jeugdige of zijn ouder precies nodig heeft. Een jeugdige kan op dat moment terecht bij de jeugdhulpaanbieders die de gemeente heeft gecontracteerd. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder zelf zijn die op basis van zijn professionele autonomie na de verwijzing beoordeelt welke voorziening precies nodig is (de behandelvorm), hoe vaak iemand moet komen (de omvang) en hoe lang (de duur). Bij deze beoordeling dient de jeugdhulpaanbieder zich te houden aan de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie. Deze afspraken zien op hoe de gemeente haar regierol kan waarmaken en op de omvang van het pakket. Deze afspraken zullen verder ook ingaan op hoe de artsen en de gemeentelijke toegang goed van elkaar op de hoogte zijn van de doorverwijzing of behandeling van een kind, zodat de integrale benadering rond het kind en het principe van 1 gezin – 1 regisseur – 1 plan, met name bij meervoudige problematiek, kan worden geborgd en er geen nieuwe ‘verkokering’ zal plaatsvinden, waarbij professionals niet goed van elkaar weten dat zij bij het gezin betrokken zijn. Daarnaast zal de jeugdhulpaanbieder rekening moeten houden met de regels die in deze verordening zijn gesteld. Deze verordening regelt welk aanbod van de gemeente alleen via verwijzing of met een besluit van de gemeente toegankelijk is en stuurt op collectief niveau op de omvang en duur van de beschikte individuele voorzieningen. De bepalingen in de verordening over het onderzoek naar de hulpvraag zijn onverkort op jeugdhulpaanbieders van toepassing, ook bij de toegang via de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist.
In Capelle aan den IJssel aan alle huisartsen een Praktijkondersteuner Huisarts GGZ Jeugd en Gezin (POH) gekoppeld. Een verwijzing naar een jeugdhulpaanbieder gaat altijd in overleg met de POH. De POH neemt samen met huisarts het besluit voor een verwijzing. De huisarts kan vervolgens de verwijzing via het Zorgdomein invoeren. De POH volgt de cliënt t/m aanmelding bij de jeugdhulpbieder.
De huisarts, medisch specialist en jeugdarts moeten in beginsel verwijzen naar een door de gemeente gecontracteerde jeugdhulpaanbieder. Als de jeugdige of zijn ouders na een verwijzing door de huisarts kiezen voor een jeugdhulpaanbieder van die geen contract of subsidierelatie met de gemeente heeft, en de gemeente soortgelijke jeugdhulp wel kan laten leveren door een jeugdhulpaanbieder waarmee zij een contract of subsidierelatie heeft, is de gemeente niet gehouden de andere keuze te vergoeden (Kamerstukken II, 2013/14, 33 684, nr. 3, p. 149). De gemeente bepaalt bij de medische verwijsroute niet welke jeugdhulp moet worden geleverd, maar heeft wel de regie over wie de jeugdhulp verleent (ECLI:NL:RBOBR:2020:1761). De verordening sluit vergoeding van deze kosten in een dergelijke situatie dan ook uit. De jeugdige of zijn ouders kunnen in een situatie als deze wel een pgb aanvragen. Het college zal deze aanvraag dan beoordelen op basis van de aan de verkrijging van een pgb gestelde voorwaarden.
Van dit uitgangspunt kan enkel worden afgeweken als het college heeft ingestemd met de levering van de jeugdhulp door een jeugdhulpaanbieder die niet is gecontracteerd of gesubsidieerd. Deze instemming dient voorafgaand aan de zorgverlening schriftelijk te worden verkregen. De instemming van het college is geen automatisme. Er zal sprake moeten zijn van een bijzondere situatie die dit rechtvaardigt.
Ook na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts is een jeugdhulpaanbieder gehouden aan hetgeen volgt uit de contract- of subsidierelatie met de gemeente. Ook is hij gehouden aan hetgeen volgt uit deze verordening. Dit betekent concreet dat hij zich onder meer houdt aan het beoordelingskader in deze verordening en het stappenplan van de CRvB volgt. Ook dient hij zich in beginsel te beperken tot de inzet van individuele voorzieningen die in artikel 2, en daarbij behorende bijlagen zijn opgesomd. Hiermee legt de verordening een koppeling tussen de beschikbare vormen van individuele voorzieningen en de toegang via de medische verwijsroute.
Artikel 5. Toegang jeugdhulp via de gecertificeerde instelling of kinderrechter
Jeugdhulp kan ook worden ingezet op initiatief van een gecertificeerde instelling. Gecertificeerde instellingen voeren kinderbeschermingsmaatregelen uit. Dit zijn (voorlopige) voogdij maatregelen en (voorlopige) ondertoezichtstellingen. Daarnaast voeren zij de jeugdreclasseringsmaatregelen uit. In het kader van de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclasseringsmaatregel kan de gecertificeerde instelling bepalen dat jeugdhulp nodig is (dit staat in artikel 3.5, eerste lid van de Jeugdwet). Bij jeugdreclassering is het niet alleen de gecertificeerde instelling die deze bevoegdheid heeft, ook andere instanties kunnen besluiten dat jeugdhulp nodig is. Deze andere instanties zijn de rechter, de officier van justitie, de directeur van de justitiële jeugdinrichting (JJI) en de selectiefunctionaris van de JJI.
De gemeente is er verantwoordelijk voor dat de jeugdhulp wordt ingezet die de gecertificeerde instelling nodig acht ter uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel. Ook in het kader van de jeugdreclassering moet de gemeente ervoor zorgen dat de jeugdhulp wordt ingezet die de rechter, het Openbaar Ministerie, de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting of de gecertificeerde instelling nodig acht. Hier geldt dus een leveringsplicht van de gemeente (dit staat in artikel 2.4, tweede lid onderdeel b Jeugdwet). Ook hier geldt dat de gecertificeerde instelling in beginsel gebonden is aan de jeugdhulp die de gemeente heeft ingekocht.
Als de kinderrechter een (voorlopige) ondertoezichtstelling of een (voorlopige) voogdijmaatregel uitspreekt en daardoor er geen ouder meer het gezag heeft, wijst hij gelijktijdig in de beschikking aan welke gecertificeerde instelling de maatregel gaat uitvoeren. De Raad voor de Kinderbescherming geeft in zijn verzoekschrift een concreet advies over welke gecertificeerde instelling dat moet zijn. De Raad voor de Kinderbescherming neemt een gecertificeerde instelling in zijn verzoekschrift op die na overleg met de gemeente en gezien de concrete omstandigheden van het geval hiervoor het meest geschikt lijkt. De Raad voor de Kinderbescherming is verplicht om hierover met de gemeente te overleggen.
6. Toelichting Hoofdstuk 4: Behandeling van een aanvraag om een individuele voorziening
Artikel 6. Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren
Voor een zorgvuldig te nemen besluit is het van belang dat alle relevante feiten en omstandigheden van de specifieke hulpvraag worden onderzocht. Daarbij is het van belang dat het onderzoek in samenspraak met de jeugdige en zijn ouders dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger wordt verricht. Voor een zorgvuldig onderzoek is veelal persoonlijk contact nodig om een goed beeld van de jeugdige en zijn ouders en de gezinssituatie te krijgen. Het ligt daarom ook voor de hand dat er één of meerdere gesprekken gevoerd worden met de jeugdige en zijn ouders dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger.
Mocht tijdens die gesprekken blijken dat het beter is om de aanvraag aan te passen, dan kan dit gedurende het onderzoek gebeuren. Een aanvraag hoeft dus niet afgewezen te worden als tijdens het onderzoek blijkt dat de oorspronkelijke aanvraag en oplossingsrichting bij nader inzien niet (volledig) passend zijn.
Op grond van artikel 2.5, van de wet informeert het college jeugdigen, ouders en pleegouders tijdig over de mogelijkheid om gebruik te maken van een vertrouwenspersoon. Ter verduidelijking van deze tijdige informatieverplichting is deze verplichting in het tweede lid opgenomen. Op grond van artikel 4.1.1, van het Besluit Jeugdwet heeft de informatie die het college verstrekt over de mogelijkheid gebruik te maken van de diensten van een vertrouwenspersoon in ieder geval betrekking op:
Voor de functie van vertrouwenspersoon doet het college een beroep op het landelijke Klachtenportaal Zorg. De cliëntondersteuning is door het college neergelegd bij de Stichting Welzijn Capelle (SWC).
Op grond van artikel 2.2.4, van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning 2015 (Wmo 2015), stelt het college onafhankelijke cliëntondersteuning beschikbaar. Op grond van artikel 2.3.2, derde lid, van de Wmo 2015, wijst het college op de mogelijkheid om hier gebruik van te maken. Deze cliëntondersteuning beperkt zich niet tot de Wmo 2015, maar strekt zich onder andere ook uit tot de wet. Daarom is in het tweede lid, ter verduidelijking, deze informatieverplichting opgenomen.
Ouders hebben het recht een zelf (al dan niet met ondersteuning) opgesteld familiegroepsplan in te dienen. Het college betrekt dit plan bij zijn onderzoek. Om dit mogelijk te maken is er een termijn van twee weken gesteld om een familiegroepsplan in te dienen bij het college. Ouders kunnen om een langere termijn verzoeken als zij instemmen met het aanhouden van de beslistermijn gedurende de extra tijd die zij nodig hebben om het familiegroepsplan bij het college in te dienen.
Het is mogelijk dat een jeugdige of zijn ouders, na het indienen van de aanvraag tot de conclusie komt dat een (verder) onderzoek niet nodig is. Bijvoorbeeld omdat de jeugdige of zijn ouders zelf een oplossing heeft gevonden, of geholpen is met een algemene voorziening. Zij kunnen in dat geval hun aanvraag intrekken dor het ondertekenen van het verslag. Het college hoeft in di geval geen besluit meer te nemen.
De wet schept een jeugdhulpplicht voor gemeenten, maar die geldt alleen als de jeugdige en zijn ouders er zelf niet uitkomen. De jeugdhulp is bedoeld om de eigen kracht van de jeugdige en zijn ouders te versterken en om het gezin en andere mensen die dichtbij de jeugdige staan te leren om de jeugdige (nog) beter te helpen en te verzorgen, zodat de jeugdige gezond en veilig op kan groeien en zo goed mogelijk mee kan doen in de maatschappij (ECLI:NL:2017:1477). Een zorgvuldig onderzoek vereist het achtereenvolgens doorlopen van de volgende stappen:
Stap 1: Inventariseer de vraag.
Wat is de jeugdhulpvraag van de jeugdige of zijn ouders? In dit verband moet opgemerkt worden dat uit artikel 1.1, van de wet voortvloeit dat jeugdhulp niet alleen de hulp aan de jeugdige is, maar ook dat de ouder zelf in aanmerking kan komen voor jeugdhulp. Hierbij wordt ook nadrukkelijk gekeken naar hoe de situatie is ontstaan waarom de jeugdige of zijn ouders nu een beroep doen op de gemeente.
Stap 2: Breng de onderliggende problematiek zorgvuldig in kaart leg dat vast.
Welke opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen zijn er? Bij deze stap in het onderzoek wordt nadrukkelijk ook beoogd om de oorzaken van de waargenomen problematiek in de context van de systeem- en gezinsdynamiek in kaart te brengen.
Stap 3: Stel de aard en de omvang van de noodzakelijke hulp vast.
De vraag of hulp noodzakelijk is en zo ja, met welke omvang moet, met inachtneming van de bevindingen uit de eerste twee stappen, worden beantwoord op een wijze die rekening houdt met de leeftijd en het ontwikkelingsniveau van de jeugdige, alsmede (zoveel mogelijk) met de godsdienstige gezindheid, levensovertuiging en culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders, met als doelstelling dat de jeugdige gezond en veilig kan opgroeien, dat hij kan groeien naar zelfstandigheid en dat hij voldoende zelfredzaam kan zijn en maatschappelijk kan participeren.
Stap 4: Kijk wat de discrepantie tussen noodzaak en eigen kracht is.
Onderzoek naar de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en van het sociale netwerk. Kan de op basis van de eerste drie stappen als noodzakelijk bepaalde hulp hiermee al dan niet volledig kan worden ondervangen? Anders gezegd: het bepalen van de verhouding van de draagkracht tot de draaglast.
Stap 5: Stel vast welke voorziening de geconstateerde discrepantie adequaat oplost.
Het is deze discrepantie tussen zorgvuldig geïnventariseerde noodzaak en eigen kracht die uiteindelijk de jeugdhulpplicht concretiseert, welke op het college rust.
Ten aanzien van de afstemmingsplicht in lid 5 onderdeel e valt te denken aan een voorziening die een jeugdige ontvangt op grond van de Wmo 2015, Wet langdurige zorg (Wlz), de Zorgverzekeringswet (Zvw) of een voorziening op het gebied van het passend onderwijs.
Als de jeugdige of zijn ouder(s) een familiegroepsplan aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek. Bij het onderzoek wordt ook de jeugdige zoveel mogelijk betrokken en gehoord. Hiermee wordt artikel 12, van het Verdrag inzake de rechten van het kind in acht genomen. Op grond van de Wet geneeskundige behandelingsovereenkomst mogen jeugdigen vanaf 16 jaar over de eigen behandeling een beslissing nemen en is het mede afhankelijk van de wens van de jongere of de ouders al dan niet geïnformeerd mogen worden door de behandelaar.
Artikel 7. Deskundig oordeel, advies en voorbereiding van de besluitvorming
Het college is op grond van artikel, 2.3 eerste lid, van de wet verantwoordelijk voor het waarborgen van een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen jeugdhulpvoorziening. Voor iedere stap geldt dat het college de deskundigheid inzet die nodig is om de stap goed af te kunnen ronden. Ook kan (medisch) advies worden ingezet om bepaalde medische stukken te laten beoordelen. Als dit noodzakelijk is voor het onderzoek, zal de jeugdige of zijn ouder(s) hieraan mee moeten werken, omdat anders niet vastgesteld kan worden hoe een hulpvraag opgelost kan worden. De verschillende stadia van onderzoek vragen op die stadia aangepaste deskundigheid.
In artikel 2.1, van het Besluit Jeugdwet is nader uitgewerkt dat het gaat om relevante deskundigheid met betrekking tot:
Het college moet ervoor zorgen dat de deskundigheid gewaarborgd is en dat deze naar discipline van deskundigheid concreet kenbaar is voor de hulpvrager. De rechtspraak over de wet vereist dat adviseurs beschikken over de voor het uitbrengen van hun adviezen noodzakelijke deskundigheid en dat dit vereiste wordt vastgelegd in de verordening (ECLI:NL:CRVB:2024:1097). Adviezen worden uitgebracht door of onder verantwoordelijkheid van een adviseur die beschikt over een registratie bij Stichting Kwaliteitsregister Jeugd in het kwaliteitsregister jeugd, een registratie bij het Nederlands Instituut van Psychologen in het register Kinder- en Jeugdpsychologen, of een registratie op grond van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in het BIG-register. Daarmee is vastgesteld welke vakbekwaamheid van hen verwacht mag worden en is gezekerd dat de (eindverantwoordelijke) adviseur zich toetsbaar opstelt. Geregistreerden in de betreffende registers vallen namelijk onder het tuchtrecht.
Het derde lid waarborgt de zorgvuldige voorbereiding van besluiten over de toekenning of afwijzing van jeugdhulp, door te bepalen dat (medewerkers van) de organisatie die de jeugdhulp uitvoert, niet ook adviseert en/of besluit over het al dan niet toekennen van niet vrij toegankelijke jeugdhulp (ECLI:NL:CRVB:2024:1096). Het CJG voert zelf geen niet vrij toegankelijke voorzieningen uit en er bestaat ook geen voornemen daartoe. De beoordeling voor de niet vrij toegankelijke voorzieningen vindt binnen het CJG plaats door onafhankelijke medewerkers van het Besluitteam.
Daarnaast blijft het college – in het kader van een zorgvuldige voorbereiding van het besluit – ook altijd verplicht om zich ervan te vergewissen of het advies concludent is, dat wil zeggen of inzichtelijk is op grond van welke vormen van onderzoek en op basis van welke gegevens de adviseur tot zijn bevindingen is gekomen, of de gegevens actueel en betrouwbaar zijn, of het onderzoek volledig is geweest en met de juiste deskundigheid is uitgevoerd en of de uit het onderzoek getrokken conclusies logisch voortvloeien uit het onderzoek.
Het college is verplicht de identiteit vast te stellen van de jeugdige en zijn ouders. Dit is noodzakelijk ten behoeve van het vaststellen van de rechtmatigheid: komt de eventuele inzet van jeugdhulp bij de juiste persoon terecht. Deze bepaling voorziet hierin.
Het tweede lid bepaalt limitatief welke identiteitsbewijzen kunnen worden gebruikt voor het vaststellen van de identiteit van personen zonder de Nederlandse nationaliteit.
De identificatieplicht doet er niet aan af dat de gemeente een taak heeft ten aanzien van jeugdigen die geen rechtmatig verblijf in Nederland hebben. Dit is geregeld in artikel 1.2 van het Besluit Jeugdwet. De CRvB oordeelde verder dat jeugdhulp niet uitgesloten is voor ongedocumenteerde kinderen, zolang zij feitelijk in Nederland verblijven en de gevraagde jeugdhulp noodzakelijk is (ECLI:NL:CRVB:2017:505 en ECLI:NL:CRVB:2018:2497). De identiteit van de jeugdige moet, zo goed als dat kan, ook voor deze groep worden vastgesteld.
In het kader van het onderzoek naar aanleiding van een hulpvraag, vindt een gesprek plaats. De bevindingen van het onderzoek en hetgeen in het gesprek aan de orde is gekomen, worden vastgelegd in een verslag. De jeugdige en zijn ouders krijgen daarbij de gelegenheid om eventuele opmerkingen of aanvullingen aan het verslag toe te voegen, voordat het college dit verslag gebruikt als basis voor haar besluitvorming. Vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid vergewist het college zich ervan dat de jeugdige en diens ouders de uitleg over de uitkomsten van het onderzoek, zoals neergelegd in het verslag, hebben begrepen.
De voorwaarde van ondertekening en terugsturen van het verslag ziet op het compleet maken van de aanvraag. De ondertekening is immers een vormvoorschrift voor die aanvraag (artikel 4:2, eerste lid, van de Awb). Daarnaast moet ook duidelijk zijn wat er precies wordt aangevraagd, de aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd (artikel 4:2, eerste lid, onder c, van de Awb). De oorspronkelijke hulpvraag hoeft immers niet hetzelfde te zijn als de jeugdhulpvoorziening die uiteindelijk nodig is en wordt aangevraagd. Het is ook mogelijk dat de jeugdige of zijn ouders het niet eens zijn met de uitkomsten van het onderzoek van het college en vinden dat zij wel zijn aangewezen op een individuele voorziening, of dat zij vinden dat zij een andere individuele voorziening nodig hebben dan de individuele voorziening die het college op basis van het onderzoek aangewezen acht. De jeugdige en zijn ouders doen dan een afwijkende aanvraag, die schriftelijk voldoende concreet moet zijn voor het college om een besluit op te kunnen nemen.
Het vierde lid stelt buiten twijfel dat ondertekening van het verslag ook nodig is als het college en (de ouders of wettelijk vertegenwoordiger van) de jeugdige het erover eens zijn dat de hulpvraag kan worden opgelost op eigen kracht, door het sociaal netwerk, door een andere voorziening of overige voorziening. In dat geval wordt de aanvraag niet verder doorgezet. De hulpvraag is namelijk opgelost en een individuele voorziening is niet nodig. Het verslag dient hier als weergave van het onderzoek en daarmee is de hulpvraag opgelost. Het ondertekende verslag geldt dan, voor zover er een aanvraag ligt, als intrekking van de aanvraag om een individuele voorziening, zodat het college op grond van de Awb ook niet langer gehouden is een besluit te nemen.
Artikel 10. Criteria voor toekenning van een individuele voorziening
In artikel 2.9, aanhef en onder a, van de jeugdwet is onder meer bepaald dat de gemeenteraad bij verordening regels moet stellen over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen, met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening. Daaraan is onder andere in dit artikel uitvoering gegeven, met de kanttekening dat het bij het verstrekken van een individuele voorziening altijd op maatwerk aankomt.
Het eerste lid bevat de algemene beoordelingscriteria om in aanmerking te komen voor een individuele voorziening op grond van de wet. Deze criteria worden in volgende leden en artikelen verder uitgewerkt.
Jeugdhulp is in artikel 1.1, van de wet gedefinieerd. Met deze definitie wordt de taak van de gemeente in algemene zin afgebakend. Niet alle hulp en zorg, bevordering van deelname aan het maatschappelijk verkeer en ondersteuning bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging ten behoeve van een jeugdige valt onder de definitie van jeugdhulp. Om onder jeugdhulp te vallen moet er een psychisch probleem of stoornis, psychosociaal probleem, gedragsprobleem of beperking aan de behoefte ten grondslag liggen. Deze bepaling maakt duidelijk dat de gemeente niet verantwoordelijk is voor het bieden van hulp en ondersteuning op grond van de wet als de noodzaak van die hulp en ondersteuning van de jeugdige past bij het normale ontwikkelingspatroon van die jeugdige, gezien zijn leeftijd. In bijlage 4 bij de verordening zijn de normen opgenomen voor de gebruikelijke zorg van ouders voor kinderen met een normale ontwikkeling in verschillende levensfasen.
Inzet van een individuele voorziening vormt een laatste vangnet. Eerst wordt gekeken naar de mogelijkheid om de noodzaak voor de inzet van jeugdhulp te verminderen of weg te nemen met een andere of overige voorziening. Voorwaarde is wel dat deze voorziening daadwerkelijk beschikbaar is en passend en toereikend is voor de hulpvraag. Een andere of overige voorziening waarvoor bijvoorbeeld een wachtlijst geldt terwijl de hulp aan de jeugdige niet kan wachten, is geen voorziening die aan deze criteria voldoet. Omgekeerd, als de jeugdige wel even kan wachten voordat hij daadwerkelijk van de voorziening gebruik kan maken, dan voldoet de voorziening wel aan deze criteria.
Als er wel een individuele voorziening nodig is, dan kiest het college de goedkoopst adequate voorziening. Ook dan is van belang dat de jeugdige hier voor hem tijdig gebruik van kan maken. Dit betreft een individuele beoordeling van de situatie van de jeugdige en het gezin.
Het vijfde, zesde en zevende lid sluiten aan bij de rechtspraak waarin is geoordeeld dat een individuele voorziening waarvan de effectiviteit niet wetenschappelijk is bewezen, door het college geweigerd kan worden indien deze geen toegevoegde waarde heeft ten opzichte van beschikbare voorzieningen (ECLI:NL:CRVB:2018:2785 en ECLI:NL:CRVB:2022:254).
Bij toepassing van deze bepaling kan het college gebruik maken van de Databank Effectieve Sociale Interventies (www.movisie.nl/databank-erkende-sociale-interventies), van de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut (https://www.nji.nl/interventies), van de Databank Erkende interventies GGZ van het Trimbos Instituut (www.trimbos.nl/kennis/zorg-en-participatie/ggz-erkende-interventies), van De Grote Methodiekengids (https://www.kennispleingehandicaptensector.nl/tips-tools/tools/de-grote-methodiekengids) en van de Praktijkstandaarden Landelijk Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie
Het college kan verder besluiten om een interventie als bewezen effectief te beschouwen indien deze beschikt over een met de genoemde databanken vergelijkbare onafhankelijke beoordeling en erkenning. Deze beoordeling en erkenning kan bijvoorbeeld worden aangetoond met behulp van publicaties in een onafhankelijk wetenschappelijk tijdschrift waarin de artikelen vooraf worden beoordeeld door een panel van deskundige beoordelaars uit het vakgebied. Het college behoudt de mogelijkheid om een nieuwe interventie of methodiek, die nog niet voldoet aan de eerdere vereisten op basis van een gedegen onderzoek zelf te verifiëren en accorderen.
In dit lid wordt het beginsel neergelegd dat van ouders mag worden verwacht dat zij naar vermogen een bijdrage leveren aan het oplossen van de hulpvraag van de jeugdige. Dit kan onder meer inhouden dat de ouders worden verzocht of sterk geadviseerd om zelf therapie of begeleiding te volgen in het kader van een hulpvraag van hun kind. Een verplichting, bijvoorbeeld als voorwaarde voor hulp aan het kind, kan echter niet worden opgelegd omdat deze het recht op persoonlijke integriteit raakt (Artikel 10 en 11 Grondwet; Artikel 8 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens)
Het college constateert dat een geïntegreerde aanpak van meervoudige problematiek in de context van een gezin voor de jeugdigen en de ouders een aanzienlijke meerwaarde kan hebben. Deze aanpak kan gebaat zijn met nadere regels die een houvast kunnen bieden voor jeugdigen, ouders, het CJG en betrokken ketenpartners.
Artikel 11. Beoordeling eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen
Artikel 2.3, van de wet legt als uitgangspunt vast dat het college op grond van de wet alleen een voorziening moet treffen als de jeugdige en zijn ouders er op eigen kracht niet uitkomen. De eigen kracht van de jeugdige en zijn ouders staat voorop. Pas als zij zelf – zo nodig met hulp van het sociale netwerk en/of andere hulpverlenende instellingen – niet in staat zijn de noodzakelijke hulp te bieden, moet de gemeente hulp bieden. Dit uitgangspunt wordt hier geconcretiseerd.
De verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen ligt allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf. Van ouders mag worden verwacht dat zij de nodige aanpassingen doen om de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen te realiseren. Dat kan betekenen dat zij hun eigen loopbaanplannen, de wijze waarop zij hun betaalde arbeid hebben georganiseerd of hun financiële situatie moeten bijstellen om voor het kind beschikbaar te zijn en de noodzakelijke hulp te bieden. Als uit zorgvuldig uitgevoerd onderzoek blijkt dat de noodzakelijke hulp met eigen mogelijkheden en het eigen probleemoplossend vermogen kan worden geboden, hoeft het college geen voorziening te treffen. Ouders behoren de tot hun gezin behorende minderjarige kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht op hen te houden, ook als het kind een ziekte, aandoening of beperking heeft. Ook bovengebruikelijke hulp kan in beginsel van ouders worden verwacht, zo blijkt uit rechtspraak van de CRvB. Deze oordeelde dat de ouder, die haar baan had opgezegd in verband met de zorg voor haar kind, de zorg aankon en verleende en het dus van haar mocht worden verwacht. Er was sprake van voldoende eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (ECLI:NL:CRVB:2019:2362).
De in de wet bedoelde maatstaven eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen van de ouder(s) bieden geen ruimte voor een beoordeling van de financiële draagkracht van een gezin om zelf jeugdhulp te kunnen verlenen (ECLI:NL:CRVB:2021:1326). Dit laat onverlet dat het belang van de ouders om te voorzien in een inkomen wel door de CRvB in de beoordeling wordt betrokken.
Bij gescheiden ouders geldt als uitgangspunt dat beide ouders met gezag verantwoordelijk zijn voor het bieden van ondersteuning. Ook stiefouders zijn verantwoordelijk voor het bieden van ondersteuning aan tot het gezin behorende (stief)kinderen.
Ook uit de parlementaire geschiedenis bij artikel 2.3, van de wet volgt dat het college alleen gehouden is een voorziening te treffen als de jeugdige en zijn ouders er op eigen kracht niet uitkomen. De eigen kracht van de jeugdige en zijn ouders staat voorop. Pas als zij er zelf niet uitkomen, moet de gemeente hulp bieden. De wetgever formuleert het als volgt:
“(…) Allereerst is het college niet gehouden om voor een jeugdige of zijn ouders een voorziening op het gebied van jeugdhulp te treffen voor zover de jeugdige en zijn ouders de problemen zelf het hoofd kunnen bieden, eventueel met behulp van personen uit het sociale netwerk of andere instellingen die ondersteuning bieden. Om dit buiten twijfel te stellen is in het eerste lid opgenomen dat een gemeente alleen een voorziening hoeft te treffen voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en zijn ouder ontoereikend zijn. Dit zou ook strijdig zijn met het uitgangspunten van artikel 2.1, waarbij ervan uit wordt gegaan dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt en waarin tot uitdrukking komt dat moet worden uitgegaan van de eigen kracht van de jeugdige, zijn ouders en het sociale netwerk. Hierbij past een actieve rol van de ouders en het kind om in eerste instantie te trachten de op hun weg komende problemen zelf of met behulp van hun eigen netwerk op lossen. (…) Als de jeugdige en zijn ouders zelf mogelijkheden hebben om de problemen op te lossen of het hoofd te bieden, is een voorziening niet nodig (…)” (Kamerstukken II, 2012/13, 33 684, nr. 3, p. 135-136).
Het eerste lid geeft invulling aan de hiervoor geformuleerde uitgangspunten. Daarbij wordt een ruime beoordelingsruimte aan het college toegekend. Het college maakt in de individuele situatie een beoordeling van de mogelijkheden en neemt daarbij de geformuleerde uitgangspunten als basis.
Het tweede lid geeft nader invulling aan welke personen tot het sociale netwerk van de jeugdige of zijn ouders gerekend worden. Het college zal concreet moeten beoordelen welke hulp zij kunnen bieden, waardoor er geen of in mindere mate een beroep gedaan hoeft te worden op een individuele voorziening. De jeugdige en de ouder(s) verlenen, op grond van hun medewerkingsplicht, medewerking aan dit onderzoek.
Het derde lid bevat een concrete plicht van ouders om hun eigen mogelijkheden eerst te benutten. Op het moment dat ouders een aanvullende verzekering hebben afgesloten op basis waarvan zij (al dan niet gedeeltelijk) recht hebben op hulp (gefinancierd) vanuit de verzekeraar, dan moeten zij daar eerst gebruik van maken. Het gaat hierbij om een al afgesloten verzekering. Het derde lid verplicht ouders niet tot het afsluiten van een aanvullende verzekering, zodat zij daar vervolgens een beroep op zouden kunnen doen.
De inzet van ‘eigen mogelijkheden’ is het uitgangspunt bij de uitvoering van de wet. De in het Burgerlijk Wetboek (BW) artikelen 1:82 en 1:247) verankerde eigen verantwoordelijkheid van ouders en de jeugdige om problemen op te lossen, staat voorop. Daarbij geldt dat het aan ouders is om de tot hun gezin behorende minderjarig kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht op hen te houden. Als de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen toereikend zijn, wordt geen individuele voorziening verstrekt, zo bepaalt het eerste lid.
Het vierde lid bevat de normerende hoofdrichting van de betekenis die de gemeenteraad wenst toe te kennen aan de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen. In het vierde lid wordt uitgewerkt met welke factoren rekening wordt gehouden bij het bepalen van de eigen mogelijkheden, waaronder de draagkracht en belastbaarheid van de ouders.
In het onderzoek naar aanleiding van de hulpvraag wordt bezien of noodzakelijke hulp door de ouder zelf geboden kan worden. Het college neemt daarbij indachtig het bepaalde in de artikelen 1:82 en 1:247 BW in aanmerking dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en jeugdigen zelf ligt en dat deze hulp in uitgangspunt ook geleverd kan worden. Uit onderzoek kan blijken dat dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en de ouder(s) tekortschieten, bijvoorbeeld omdat sprake is van:
Onderzocht moet worden welke mogelijkheden de ouder(s) hebben (heeft) om de overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen. Onder andere mag verwacht worden dat zij bereid zijn maatschappelijke activiteiten te beperken en betaalde arbeid aan te passen om zo de overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen.
Op de in het vijfde lid beschreven wijze moet onderzocht worden of er aanleiding is om aan te nemen dat de hulp die de jeugdige behoeft, in een concreet geval niet door de ouder(s) geleverd kan worden. Daarmee wordt het noodzakelijke verband tussen de beoordeling van de hulpvraag en de eigen mogelijkheden met de toekenningscriteria gelegd. Als blijkt dat de draagkracht van het gezin de draaglast aankan, is er geen noodzaak voor het college om een voorziening op basis van de wet toe te kennen. Dat is dus ook niet het geval als de hulp is aan te merken als bovengebruikelijke hulp. Als de noodzakelijke hulp in kaart is gebracht en duidelijk is dat het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en het sociale netwerk onvoldoende is om de noodzakelijke hulp te verlenen, dient de gemeente een voorziening te treffen. Van belang daarbij is dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of de noodzakelijke hulp door de ouders kan worden geleverd. Bij het onderzoek ter beantwoording van die vraag moet worden stilgestaan bij het onderscheid tussen onmacht en eventuele onwil inzake de eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen.
In artikel 2.3, tweede lid, van de wet is bepaald dat voorzieningen op het gebied van jeugdhulp ook het vervoer van een jeugdige naar en van de locatie waar de jeugdhulp geboden wordt, omvatten. Als uitgangspunt geldt dat de ouders in beginsel zelf verantwoordelijk zijn voor het vervoer (lid 1). Dat vervoer moet dan wel noodzakelijk zijn in verband met een medische noodzaak of met beperkingen in de zelfredzaamheid van de jeugdige. Dit betekent dat het vervoer noodzakelijk moet zijn om de locatie van de jeugdhulp te kunnen bereiken.
De noodzaak van het vervoer staat ter beoordeling van het college. Het derde lid specificeert wanneer er geen sprake is van een medische noodzaak of beperking. Daarbij wordt ij iedere individuele situatie een afweging gemaakt of er specifieke omstandigheden zijn waardoor er (ondanks de eigen verantwoordelijkheid van de ouders) een vervoersvoorziening moet worden verstrekt. Wanneer de ouders in staat zijn de jeugdige zelf te vervoeren, is er sprake van ‘eigen kracht’ die aan de toekenning van een vervoersvoorziening in de weg staat (ECLI:NL:CRVB:2023:655). Het college specificeert de afstand en het aantal keren brengen en halen dat als gebruikelijk wordt gezien in bijlage 3.2.
Indien uit de medische noodzaak of beperkingen meer vervoersbewegingen voortvloeien dan de ouders en/of andere personen uit het netwerk kunnen verzorgen wordt alleen het deel vergoed dat niet zelf kan worden verzorgd. De voorziening uit de Jeugdwet is dus alleen van toepassing op het deel dat ouders en/of het netwerk niet zelf kunnen verzorgen.
Uit de parlementaire geschiedenis en rechtspraak van de CRvB volgt dat de behandeling van ernstige dyslexie onder de wet valt. Daarbij geldt echter dat de wetgever bij de overheveling van de dyslexiezorg van de Zorgverzekeringswet naar de wet niet een ruimer of ander bereik van dyslexiezorg heeft beoogd. Hieruit volgt dat het college op grond van artikel 2.3, van de wet enkel verplicht is dyslexiezorg te verlenen als sprake is van de diagnose ED (Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3, p. 50, 104 en 118; ECLI:NL:CRVB:2018:3454; ECLI:NL:CRVB:2022:1345 en ECLI:NL:CRVB:2024:1430). Het college volgt daarbij het Protocol Dyslexie Diagnostiek & Behandeling van het Nederlands Kwaliteitsinstituut Dyslexie. Bijlage 5 bij de verordening is de bevat een opgave van de specifieke versie van het Protocol die wordt toegepast.
Dyscalculie valt niet onder de jeugdhulp maar onder de ondersteuning die de school hoort te bieden, dit volgt uit een brief die de toenmalige staatssecretaris Dekker aan de Tweede Kamer schreef (21 april 2016) “Gemeenten hoeven op grond van de Jeugdwet niet te voorzien in een diagnosestelling en behandeling van dyscalculie.”
Dyslexieonderzoek en -behandeling wordt vanuit de Jeugdwet alleen vergoed bij leerlingen in het basisonderwijs, in de leeftijd tot en met 12 jaar, met de indicatie Ernstige Dyslexie. Voor de groep leerlingen die leesproblemen heeft maar niet vallen onder de criteria van ernstige dyslexie is er geen jeugdhulp, voor deze leerlingen is de school aan zet om meer ondersteuning te geven.
Het college is regulier in gesprek met de schoolbesturen, onder meer over de verbetering en versterking van de samenwerking inzake leerlingen met een (mogelijke) indicatie van dyslexie. In dit kader kan het wenselijk zijn om, als uitkomst van het met het onderwijs gevoerde overleg, nadere regels te stellen over de afbakening van dyslexiezorg, de werkwijze van de toegang tot dyslexiezorg en de eisen waaraan een leerlingendossier dient te voldoen.
Vaktherapie kan, indien passend, ingezet wordt als jeugdhulp. Het eerste lid geeft een opsomming van de beschikbare vaktherapeutische disciplines. Voor alle duidelijkheid wijst het college erop dat de bepalingen in artikel 10 van de verordening inzake bewezen effectieve voorzieningen onverkort van toepassing zijn op vaktherapie.
Met het oog op de kwaliteitsborging en artikel 5.1.1, tweede lid, van het Besluit Jeugdwet zijn aan de inzet van vaktherapie een aantal voorwaarden gesteld. Zo moet de vaktherapie worden uitgevoerd door een professional die beschikt over een adequate opleiding. Het gaat om een door de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie erkende opleiding op HBO/master niveau voor vaktherapie OF een door de desbetreffende beroepsverenigingen voor vaktherapeutische beroepen (aangesloten bij de Federatie Vaktherapeutische Beroepen) erkende bachelor of masteropleiding in een van de vaktherapeutische beroepen of een door de beroepsverenigingen erkende buitenlandse bachelor of masteropleiding.
Het college onderzoekt of de inzet van vaktherapie een noodzakelijke bijdrage levert aan de geboden jeugdhulp en wint daartoe advies in bij de behandelaar of medewerker met het oog op de totale behandeling die wordt geboden. Aanvullend is als voorwaarde gesteld dat de vaktherapie alleen wordt ingezet onder verantwoordelijkheid van een regiebehandelaar.
In aanvulling op artikel 11, vierde lid waarin het onderwerp meer algemeen wordt geregeld, wordt hier bepaald dat een aanvullende zorgverzekering, indien deze is afgesloten en dekking biedt voor vaktherapie, eerst dient te worden aangesproken voordat sprake kan zijn van een eventuele inzet van vaktherapie vanuit de Jeugdwet. Er kan aan de ouders geen verplichting worden opgelegd om een aanvullende verzekering af te sluiten. Indien er reeds een verzekering is afgesloten, gaat deze voor op de inzet van een voorziening uit de Jeugdwet.
Artikel 15. Kinderopvang en buitenschoolse opvang
In deze bepaling wordt vastgelegd dat reguliere kinderopvang en buitenschoolse opvang geen jeugdhulp is waarvoor het college verantwoordelijk is.
Kinderopvang en buitenschoolse opvang zijn de verantwoordelijkheid van ouder(s), werkgever en overheid. Het leren omgaan van leidsters van de kinderopvang met kinderen met een beperking is de verantwoordelijkheid van ouder(s) en de kinderopvang/buitenschoolse opvang. Kinderen die extra ondersteuning nodig hebben, kunnen ook terecht op een kinderdagverblijf. Dit is geregeld in de Wet Kinderopvang.
Alleen indien er ten gevolge van een hulpvraag aanvullende begeleiding vereist is die niet door medewerkers van de opvang kan worden geboden en niet van ouders kan worden verwacht, kan jeugdhulp worden ingezet. Dit kan alleen in de situaties waarbij opvang niet het doel is, maar er sprake is van ontwikkelingsdoelstellingen. Daarbij kan gedacht worden aan (ernstige) gedragsproblematiek.
De bepaling in lid 1 laat onverlet dat het college daarnaast vormen van dagbesteding beschikbaar stelt voor jeugdigen die in het kader van de kinderopvang en buitenschoolse opvang extra begeleiding of specialistische begeleiding nodig hebben, die niet in de reguliere opvang of van de ouders kan worden verwacht. Het college kan nadere regels stellen over de inzet van deze aanvullende begeleiding.
Het college is regulier in gesprek met de schoolbesturen, onder meer over de afstemming van jeugdwet en onderwijs. Het college kan, na overleg met het onderwijs, nadere regels stellen over de wijze waarop deze samenwerking wordt vormgegeven. Ook kunnen nadere regels worden gesteld over de aansluiting en onderlinge afbakening van onderwijs- en jeugdwetvoorzieningen.
Het college wil voorkomen dat jeugdigen met het aanbod voor een woonruimte overgehaald worden om zorg aan te vragen waar dat niet nodig is, of om zwaardere en langduriger zorg te vragen dan noodzakelijk. Indien het bieden van verblijf onderdeel is van de indicatie, is deze bepaling niet van toepassing.
Artikel 17. Inhoud beschikking individuele jeugdhulpvoorziening
De in het eerste lid opgenomen eisen vloeien al rechtstreeks voort uit de wet en de Awb, maar zijn hier opgenomen om een volledig beeld te schetsen. Als de jeugdige of zijn ouders een formele aanvraag bij het college indienen, dient het college een schriftelijke beschikking op te stellen, waartegen zij bezwaar en beroep op grond van de Awb kunnen indienen. Uitgangspunt van de wet is dat de jeugdige of zijn ouders een voorziening in ‘natura’ krijgen. Indien gewenst door de jeugdige of zijn ouders, bestaat echter de mogelijkheid van het toekennen van een pgb.
Het eerste lid bevestigt de regeling van deze onderwerpen in de Jeugdwet en de Awb en is hier opgenomen in het belang van burgers om hen in de verordening een zo compleet mogelijk beeld te geven van hun rechten en plichten. De mogelijkheid om bezwaar in te dienen tegen de beschikking en ook de daaropvolgende mogelijkheid van beroep bij de rechter is geregeld in de Awb en geldt in beginsel voor alle beschikkingen. Als een jeugdige of zijn ouders in bezwaar en beroep willen gaan, hebben zij op grond van de Awb het recht op het indienen van een aanvraag, waarmee een voor bezwaar en beroep vatbaar besluit kan worden uitgelokt. Ook de weigering, of het te lang uitblijven van een beschikking, geeft de burger op grond van de Awb de ingang van bezwaar en beroep.
Het tweede en derde lid regelen wat er mimimaal in een beschikking moet worden opgenomen.
7. Toelichting Hoofdstuk 5: Aanvullende regels persoonsgebonden budget (pgb)
Artikel 18. Aanvullende criteria om in aanmerking te komen voor een pgb
Wanneer een jeugdige of zijn ouders naar aanleiding van het onderzoek in aanmerking komt voor een individuele voorziening, en de jeugdige of zijn ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger vervolgens aangeeft dat jeugdhulp in de vorm van zorg in natura niet passend is en deze in de vorm van een pgb geleverd te willen hebben, is aan dit verzoek een aantal eisen verbonden. In het eerste lid wordt bepaald wat er in het pgb-plan dient te zijn opgenomen. Het college stelt een format vast voor een pgb-plan dat de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger met de aanvraag voor een pgb moet indienen.
Uit de motivering in het pgb-plan moet duidelijk blijken dat men zelf de regie kan voeren, hoe men dit gaat doen en waarom men een pgb wil in plaats van gebruik te maken van het aanbod dat de gemeente heeft voor zorg in natura. Ook moet onderbouwd worden dat de beoogde voorziening van voldoende kwaliteit is. Van belang is of de motivering doordacht en houdbaar is en verband houdt met de rechten, verplichtingen en vrijheden die een pgb met zich meebrengt. Het pgb-plan moet zijn van voorzien van een motivatie waarom is voldaan aan de 10 punten van pgb-vaardigheid als benoemd in artikel 17 van de verordening. Verder moet uit het pgb-plan blijken welke kosten er aan de inhuur van de beoogde uitvoerder van de jeugdhulp verbonden zijn.
De in het tweede lid van dit artikel opgenomen voorwaarden concretiseren de wettelijke verleningsvoorwaarden die staan in artikel 8.1.1, tweede lid, van de wet.
In het derde lid wordt geregeld wanneer een pgb niet wordt verstrekt omdat er twijfels zijn met betrekking tot de integriteit van de beoogde uitvoerder van de jeugdhulp. Deze gronden hebben betrekking op omstandigheden die tot de conclusie leiden dat niet aan de voorwaarden van artikel 8.1.1, tweede lid, van de wet is voldaan, in het bijzonder dat de kwaliteit voldoende zal zijn geborgd. De gronden zien op de betrouwbaarheid van de pgb-jeugdhulpaanbieder. Indien deze twijfelachtig is, heeft het college ruimte om geen pgb te verstrekken omdat in die situatie niet geborgd kan worden dat de kwaliteit van de zorg van voldoende kwaliteit is. Daarmee wordt niet voldaan aan een van de verleningsvoorwaarden als bedoeld in artikel 8.1.1, tweede lid, van de wet. De opsomming in het derde lid is niet limitatief.
Een pgb wordt geweigerd als er een wettelijke weigeringsgrond uit artikel 8.1.1, vierde lid, van toepassing is. Dit is dwingend geformuleerd omdat het van groot belang is dat jeugdhulp in de vorm van een pgb, evenals jeugdhulp in de vorm van zorg in natura waarvoor in artikel 4.1.1, eerste lid, van de wet al eisen zijn gesteld, op een verantwoorde manier wordt verleend: ‘waaronder wordt verstaan hulp van goed niveau, die in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt verleend en die is afgestemd op de reële behoefte van de jeugdige of ouder’.
In het raadsbesluit ‘Tegen de stroom in’ van 8 juli 2024 heeft de gemeente de gemotiveerde keuze gemaakt meer in te zetten op gecontracteerde zorg. Als uitvloeisel hiervan kan een PGB niet worden ingezet bij een jeugdhulpaanbieder die reeds door het college is ingekocht voor het bieden van deze zelfde zorg in de vorm van Zorg in Natura. Deze constructie is niet mogelijk omdat er dan in strijd met het uitgangspunt wordt gehandeld dat de door het college ingekochte hulp niet passend zou zijn, hetgeen als uitgangspunt is opgenomen in artikel 8.1.1, lid 2, onder b van de Jeugdwet.
De wet gaat uit van de situatie waarin jeugdigen en/of de ouders uit eigen initiatief en na een goede afweging een keuze kunnen maken voor het aanvragen van een pgb. Het college wenst te voorkomen dat jeugdigen en ouders een dergelijke aanvraag doen vanuit een niet, of niet geheel, vrijwillige situatie. Het artikel regelt daarom dat een pgb niet kan worden ingezet bij een jeugdhulpaanbieder die tevens huisvesting en/of een huurovereenkomst wenst aan te bieden. Een dergelijke koppeling verhindert dat de keuze in vrijheid kan worden gemaakt. Meer in het algemeen wordt bepaald dat een pgb niet mogelijk is indien de door de beoogde aanbieder druk op de aanvrager is of wordt uitgeoefend om dienstverlening in welke vorm van ook, van deze persoon of organisatie af te nemen. Een (beoogd) pgb-jeugdhulpaanbieder kan een cliënt niet vertegenwoordigen in het aanvraagproces en evening als raadgever of adviseur aanwezig zijn bij gesprekken tussen de aanvrager en het CJG.
In het vijfde lid zijn de voorwaarden neergelegd die van toepassing zijn op bestedingen van een pgb. Het gehele pgb budget moet worden verantwoord. Indien voor een jeugdige, of voor meerdere jeugdigen in een gezin, er meerdere pgb’s zijn toegekend, is het niet toegestaan om tussen deze budgetten te schuiven omdat ieder budget geacht wordt passend te zijn voor de daarmee in te zetten jeugdhulp. Een uitzondering hierop is wel mogelijk als er vooraf schriftelijke afspraken over zijn gemaakt die het toestaan om tussen budgetten te schuiven.
Jeugdhulp van een jeugdhulpaanbieder mag binnen of buiten de jeugdhulpregio worden ingekocht. Bij jeugdhulp in Nederland houdt de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd toezicht op de kwaliteit. Buiten Nederland heeft de inspectie geen controlebevoegdheid. Het college zal dus terughoudend optreden bij aanvragen voor een pgb die geheel of gedeeltelijk in het buitenland zal worden ingezet. Indien dit niettemin wordt beoordeeld als noodzakelijk gezien de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige, zal de jeugdhulpaanbieder worden gehouden aan het afsprakenkader buitenlands hulpaanbod (vng.nl/publicaties/afsprakenkader-buitenlands-zorgaanbod-jeugd). Een pgb mag niet buiten de Europese Unie worden besteed.
Een pgb wordt ingezet om de in de toekenning vastgelegd resultaten te bereiken. Het college heeft de verantwoordelijkheid om in overleg met de budgethouder, budgetbeheerder en pgb-jeugdhulpaanbieder de behaalde resultaten in relatie tot de gestelde doelen te monitoren.
Om te kunnen beoordelen of een jeugdige of diens ouders in staat zijn tot het voeren van regie over de eigen ingekochte jeugdhulp is van belang dat zowel vooraf, als tussentijds, op basis van onderzoek wordt beoordeeld of aan de noodzakelijke regievaardigheid wordt voldaan.
Om in aanmerking te komen voor een pgb moet een budgethouder of budgetbeheerder in staat zijn tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake, en in staat zijn de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren (artikel 8.1.1, tweede lid, van de wet).
Het gaat daarbij om de vraag of de budgethouder (en/of met een vertegenwoordiger: de budgetbeheerder) voldoende zelfstandig beslissingen kan nemen over de ondersteuning en de financiering daarvan. De bekwaamheid voor het hebben van een pgb wordt in samenspraak met de aanvrager getoetst, het oordeel van het college is hierin leidend. Mocht het college van oordeel zijn dat de persoon niet bekwaam is voor het houden of beheren van een pgb, dan weigert het college de aanvraag voor het pgb.
Voor het vaststellen van de vereiste pgb-vaardigheid wordt mede gebruik gemaakt van de door het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) opgestelde ‘10 punten pgb-vaardigheid’ (open.overheid.nl/documenten/ronl-277e25d6-4c27-4356-8950-2f1e9f27e89b/pdf)
Daarbij wordt in aanvulling op het belang van de beheersing van de Nederlandse taal gewezen op artikel 2:6, van de Awb, waaruit volgt dat er in de Nederlandse taal met bestuursorganen wordt gecommuniceerd.
Mocht de cliënt, die zelf niet over deze vaardigheden beschikt, alsnog een pgb wensen, dan dient er een vertegenwoordiger te zijn die de aan het pgb verbonden taken kan uitvoeren (de budgetbeheerder). Ook de budgetbeheerder dient te voldoen aan de gestelde eisen en wordt eveneens getoetst op de genoemde aspecten.
In het tweede lid wordt uitgewerkt onder welke omstandigheden de budgethouder of een budgetbeheerder niet in staat wordt geacht de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. Deze omstandigheden geven het signaal aan de beoordelaar van de aanvraag van het pgb dat dóór de omstandigheden, de budgethouder niet in staat wordt geacht zelf een pgb te kunnen beheren. In de afwijzende beschikking dient deze beoordeling per geval goed onderbouwd en gemotiveerd te worden. Van een categorale uitsluiting is derhalve geen sprake.
Problematische schuldenproblematiek: problematische schuldenproblematiek maakt de kans groot en aannemelijk dat de budgethouder of budgetbeheerder voor het beheren van een pgb belangrijke financiële vaardigheden en verantwoordelijkheden ontbeert. Het is daarom niet wenselijk dat deze persoon, zolang hij zijn financiële zaken niet goed en zelfstandig op orde heeft, een pgb beheert. Signalen die kunnen wijzen op problematische schulden zijn bijvoorbeeld dat de budgethouder of budgetbeheerder zelf aangeeft dat er verwijtbare schulden zijn, in de schuldhulpverlening of schuldsanering zit, of zelf onder bewind staat.
Voor de definitie van problematische schulden wordt verwezen naar de definitie zoals deze door de Nederlandse Vereniging voor Volkskrediet (NVVK) wordt gehanteerd “Van problematische schulden is sprake in de situatie waarbij iemand niet meer in staat is om zijn betalingsverplichtingen na te komen, zelfs niet als hij zich maximaal inspant om alles af te lossen. Het gaat vaak om een situatie waarin de schulden zich opstapelen en de aflossingstermijn uit de hand loopt, waardoor hulp van een schuldhulpverleningsinstantie noodzakelijk wordt”.
Ernstige verslavingsproblematiek: ernstige verslavingsproblematiek bij een budgethouder of budgetbeheerder maakt dat deze vanwege de verslaving niet in staat is regie te voeren over zijn eigen leven, laat staan over een pgb. Ook de omstandigheid van een problematische ex-verslaving of de omstandigheid dat de budgethouder of budgetbeheerder bezig is de verslaving de baas te worden maakt dat deze persoon minder in staat geacht wordt om regie te voeren over zijn eigen leven, of over een pgb.
Aangetoonde fraude begaan in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag: wanneer budgethouder of budgetbeheerder eerder frauduleus heeft gehandeld, op welk terrein dan ook, is het aannemelijk dat de verleidingsrisico’s bij het verstrekken van een pgb te groot zijn. Dit geldt te meer indien budgethouder of budgetbeheerder, dan wel de beoogde pgb-jeugdhulpaanbieder, eerder betrokken is geweest bij pgb-fraude.
Een aanmerkelijke verstandelijke beperking: een indicatie voor een verstandelijke beperking is een laag of zeer laag IQ (70/75 of lager). Tevens zijn er beperkingen in de sociale aanpassing die - zonder ondersteuning - participatie in de weg staan. Er is vaak sprake van moeite met concentratie en aandacht en een laag zelfbeeld; soms zijn er bijkomende lichamelijke problemen dan wel een kwetsbare gezondheid.
Een ernstig psychiatrisch ziektebeeld: bij GGZ-problematiek die in ernstige mate aanwezig is, is de kans groot dat het vrijwel onmogelijk is voor de budgethouder of budgetbeheerder om op stabiele en consistente wijze de regie te kunnen voeren over een pgb. Met name de beoordeling of de geleverde zorg doeltreffend en professioneel is, zal ingewikkeld zijn. Dat maakt dat er een verhoogd risico is op niet wenselijke afhankelijkheidsrelaties tussen de budgethouder of budgetbeheerder en de pgb-jeugdhulpaanbieder. Een aanbod van ZIN past beter in het zorgbelang van de cliënt.
Vastgestelde blijvende cognitieve stoornis: wanneer een budgethouder of budgetbeheerder een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis heeft, is het aannemelijk dat cliënt daarmee de regie over zijn leven niet in de hand heeft. Voorbeelden van blijvende cognitieve stoornissen zijn de diverse vormen van dementie, de gevolgen van ander niet-aangeboren hersenletsel.
Het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal, in woord en geschrift: het beheren van een pgb is niet mogelijk wanneer budgethouder of budgetbeheerder de Nederlandse taal onvoldoende beheerst. Het voldoende kunnen begrijpen, en daarmee kunnen lezen, van alle voorwaarden en eisen ten aanzien van een pgb, is niet mogelijk bij een onvoldoende beheersing van het Nederlands. Ook het opstellen en afsluiten van bijvoorbeeld zorgovereenkomsten, is dan buiten bereik. Hiervan afgeleid kan tevens worden gesteld dat men voldoende kennis dient te hebben van de Nederlandse samenleving, zodat men bijvoorbeeld de vraag kan beantwoorden wat de Sociale Verzekeringsbank (SVB) is en doet in relatie tot het pgb.
Een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) waaruit blijkt dat er geen bezwaren bestaan tegen het uitvoeren van de werkzaamheden als budgethouder of budgetbeheerder is onontbeerlijk om als budgethouder of budgetbeheerder werkzaam te kunnen zijn. Een weigering om een VOG aan te vragen, dan wel een ontvangen VOG te overleggen maakt de beoordeling van een PGB-aanvraag onmogelijk. De relatief beperkte kosten van het aanvragen van een VOG (https://www.justis.nl/producten/verklaring-omtrent-het-gedrag) worden door niet aanvaard als reden om geen VOG aan te vragen.
Bij de toetsing van de pgb-vaardigheid van pgb-budgethouders en/of een vertegenwoordiger kan eventueel gebruik worden gemaakt van (digitale) vragenlijsten, handleidingen of nadere beoordelingskaders. Het college kan nadere regels stellen aan de wijze waarop deze worden ingezet.
Artikel 20. Onderscheid pgb-jeugdhulpaanbieders
In het eerste lid wordt een onderscheid gemaakt tussen (a) pgb uitgevoerd door een instelling (b) pgb uitgevoerd door een ZZP-er en (c) pgb uitgevoerd door een persoon in het sociaal netwerk. In de Verordening 2018 werden de groepen a en b gezamenlijk aangeduid als “formeel” pgb en groep c als “informeel pgb”. In het kader van deze verordening is overwogen dat eerder gebruikte terminologie onvoldoende helder is en tot misverstanden kan leiden. Zo waren de “formele” bepalingen in de Verordening 2018 wel degelijk van toepassing op het “informele” pgb. De nieuwe terminologie sluit ook beter aan op woordkeuze in de Jeugdwet.
Het tweede lid regelt een pgb verzorgd door een andere persoon dan een instelling of een ZZP-er altijd moet worden gezien als hulp in het sociaal netwerk. De beoordeling of er sprake is van een instelling, dan wel een ZZP-er gebeurt aan de hand de inschrijving in het handelsregister en aan de hand van de kwaliteitseisen in artikel 21.
De inzet van een pgb door een instelling of een ZZP-er is niet mogelijk wanneer de hulpverlener een bloed- of aanverwant is in de 1e of 2e graad:
Bij uitvoering van een pgb door een bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad, is altijd sprake van pgb in het sociaal netwerk. Ook al gaat het om een hulpverlener die bijvoorbeeld BIG-geregistreerd is en voldoet aan de criteria genoemd in lid 1 van deze bepaling; dan nog wordt hulp van deze bloed- of aanverwant in het kader van deze verordening als pgb in het sociaal netwerk beschouwd. De achtergrond daarvan is dat ook familieleden met een zorg-gerelateerd beroep of opleiding in eerste instantie een affectieve relatie hebben met de budgethouder.
Het kwaliteitskader Jeugd (skjeugd.nl/wp-content/uploads/2017/01/kwaliteitskader-Jeugd-v2.1.pdf) is van toepassing op zowel zorg in natura als op pgb. Bij een pgb verzorgd door een persoon in het schaal netwerk worden geen eisen worden gesteld aan opleiding en aan professionele supervisie en ondersteuning. Dit heeft tot gevolg dat een pgb in het sociale netwerk niet kan worden ingezet in situaties waarin op grond van het kwaliteitskader jeugd niet mogelijk is, omdat niet aan de voorwaarden van het kwaliteitskader kan worden voldaan.
Een pgb in het sociaal netwerk kan op grond van deze overweging niet worden ingezet als alternatief voor zorg in natura bij de volgende producten uit de lokale inkoop van de gemeenten Capelle aan den IJssel en Krimpen aan den IJssel:
Een pgb in het sociale netwerk kan evenmin worden ingezet als alternatief voor zorg in natura bij alle arrangementen die door de gemeente Capelle aan den IJssel worden ingekocht in het kader van de Gemeenschappelijke Regeling Jeugdhulp Rijnmond (GRJR).
Artikel 21. Kwaliteitseisen pgb-jeugdhulpaanbieders
Om te waarborgen dat jeugdhulp in de vorm van een pgb, evenals jeugdhulp in de vorm van zorg in natura, op een verantwoorde manier wordt verleend, zijn in deze bepaling kwaliteitseisen uitgewerkt. Dit moet ervoor zorgen dat de jeugdhulp van goed niveau is en in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt verleend en is afgestemd op de reële behoefte van de jeugdige of ouder.
Het eerste lid regelt de algemene kwaliteitseisen voor zowel uitvoerders van een pgb. Deze vloeien rechtstreeks voor uit de wet.
Uitvoerders van een pgb, als omschreven in artikel 20, lid 1, onder a zijn kortweg omschreven, instellingen waaraan meerdere zorgverleners zijn verbonden. Uit de ervaring van het college is gebleken dat het veelal gaat om kleinere of middelgrote organisaties. Het college wenst te bevorderen dat de jeugdhulp wordt verleend door organisaties die personeel inzetten van onbesproken gedrag, met de juiste opleiding en certificering. Verder wenst het college te bevorderen dat jeugdhulp wordt verleend door organisaties waarvan eerder gedrag ook op organisatieniveau onweersproken is, die voldoen aan hun verplichtingen inzake belastingen en premies, die beschikken over een kwaliteitsborging en die financieel stabiel zijn en geen excessief hoge winsten maken. Onder excessief hoge winsten wordt verstaan meer dan 8% winst. Het college wenst verder te voorkomen dat pgb gelden worden besteed bij jeugdhulpaanbieders die recent veroordeeld zijn, dan wel verdachte zijn in een lopend onderzoek naar zorgfraude. De organisatie dient, om dit verder te borgen een Eigen Verklaring af te leggen over de financiële toestand, bekwaamheden en geschiktheid van de ondernemer. Het college hanteert hierbij als model het Uniform Europees Aanbestedingsdocument.
Uitvoerders van een pgb, als omschreven in artikel 20, lid 1, onder b zijn kortweg omschreven Zelfstandigen Zonder Personeel (ZZP-er). Het college wenst te bevorderen dat deze jeugdhulp wordt verleend door ZZP-ers van onbesproken gedrag, met de juiste opleiding en certificering. Verder wenst het college te bevorderen dat de ZZP-er voldoet aan zijn of haar verplichtingen inzake belastingen en premies, en beschikt over een kwaliteitsbeschrijving. Het college wil ook bij ZZP-ers voorkomen dat pgb gelden worden besteed bij personen die recent veroordeeld zijn, dan wel verdachte zijn in een lopend onderzoek naar zorgfraude. De ZZP-er dient, om dit verder te borgen een Eigen Verklaring af te leggen over de financiële toestand, bekwaamheden en geschiktheid van de ondernemer. Het college hanteert hierbij als model het Uniform Europees Aanbestedingsdocument.
Voor een uitvoerder van pgb in het sociaal netwerk, als omschreven in artikel 20, lid 1, onder c geldt slecht één aanvullende eis. De uitvoerder beschikken over een recente Verklaring Omtrent Gedrag (VOG). Omdat het gaat om de zorg voor kwetsbare jeugdigen, is deze voorwaarde ook van toepassing indien de uitvoerder een familielid in de eerste of tweede graad is van de jeugdige.
Op basis van de essentialia-doctrine moet de differentiatie van de tarieven voor de inkoop van hulp met een pgb in de verordening worden geregeld. In de verordening moet in ieder geval worden bepaald op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld (artikel 2.9, onderdeel c, van de wet).
Bij de vaststelling van de hoogte van de tarieven stelt het college zich op het standpunt dat er een balans moet bestaan tussen de eisen die aan een pgb uitvoerder worden gesteld (deze zijn verwoord in artikel 21) en het tarief dat wordt vastgesteld. Daarbij overweegt het college verder dat een pgb niet kan worden aangemerkt als een inkomensvoorziening en moet worden aangewend voor het verzorgen van jeugdhulp zoals in het plan van aanpak is vastgesteld (ECLI:NL:RBMNE:2018:156 en ECLI:NL:RBMNE:2018:156).
Het college maakt op grond van deze overwegingen een onderscheid tussen het tarief voor een pgb verzorgd door een instelling (als omschreven in artikel 20, lid 1 onder a), een pgb verzorgd door een ZZP-er (als omschreven in artikel 20, lid 1 onder a), en een pgb in het sociaal netwerk (als omschreven in artikel 20, lid 1, onder c).
De tarieven voor hulp verzorgd door een instelling zijn afgeleid van de tarieven zorg in natura. Hierbij wordt overwogen dat er in artikel 21, lid 1 en 2 minder (administratieve) eisen aan de jeugdhulpaanbieder worden gesteld dan in de door de gemeenten Capelle aan de IJssel en Krimpen aan de IJssel gezamenlijk georganiseerde inkoop. Het betreft hier verder kleinere organisaties met vaak lage overheadkosten en een hogere productiviteit als gevolg van minder beleidsmatige activiteiten en of zeer beperkt vast personeel. Dit geeft aanleiding om het tarief voor formele pgb-hulp verzorgd door een instelling te stellen op 90% van het laagste adequate gecontracteerde tarief voor dezelfde jeugdhulp in natura. Met dit percentage is het, gezien de ruime beschikbaarheid van jeugdhulpinstellingen in de regio, mogelijk om een voor de jeugdige en/of de ouders passende ondersteuning in vorm van een pgb te vinden.
De tarieven voor hulp verzorgd door een ZZP-er zijn ook afgeleid van de tarieven zorg in natura. Hierbij wordt overwogen dat er in artikel 21, lid 1 en 3 minder (administratieve) eisen aan de jeugdhulpaanbieder worden gesteld dan in de door de gemeenten Capelle aan de IJssel en Krimpen aan de IJssel gezamenlijk georganiseerde inkoop. De gestelde eisen zijn ook minder dan degene die aan pgb-instellingen worden gesteld. Verder wordt overwogen dat ZZP-ers geen of zeer lage overheadkosten kennen. Dit geeft aanleiding om het tarief voor pgb-hulp verzorgd door een ZZP-er te stellen op 80% het laagste adequate gecontracteerde tarief voor dezelfde jeugdhulp in natura. Met dit percentage is het, gezien de ruime beschikbaarheid van jeugdhulp ZZP-ers in de regio, mogelijk om een voor de jeugdige en/of de ouders passende ondersteuning in vorm van een pgb te vinden.
Op de budgethouder rusten de verplichtingen die het Burgerlijk Wetboek en ook andere wetten, zoals de belasting-, arbeidsomstandigheden- en sociale verzekeringswetten aan de budgethouder als werkgever of opdrachtgever stelt. Sinds 1 januari 2018 is de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag onverkort van toepassing op alle overeenkomsten van opdracht die zijn gesloten buiten beroep of bedrijf. Het is dus niet toegestaan om een pgb tarief van minder dan het minimum(uur)loon te hanteren.
De gemeente kiest ervoor om bij een pgb in het sociaal netwerk als tarief het minimum(uur)loon toe te passen. Hierbij wordt overwogen dat er in artikel 21, lid 1 en 4, behalve de algemene direct uit de wet voortvloeiende eisen en het kunnen overleggen van een Verklaring Omtrent Gedrag, geen verdere eisen worden gesteld inzake opleiding, ervaring, registratie of kwaliteitsborging. Wij sluiten hierbij aan bij de jurisprudentie (ECLI:NL:RBZWB:2024:4238, ECLI:NL:RBNNE:2024:4405, ECLI:NL:RBOBR:2025:4604) waaruit blijkt dat, ook na een exceptieve toetsing, het hanteren van het minimumloon voor pgb in het sociaal netwerk in overeenstemming is met de Jeugdwet. De jurisprudentie inzake de hoogte van het pgb in de Wmo 2015 is niet van toepassing. In de Jeugdwet is geen bepaling opgenomen die vergelijkbaar is met artikel 2.1.3, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wmo 2015. In artikel 2.9, aanhef en onder c, van de Jeugdwet is alleen bepaald dat in de verordening de wijze waarop de hoogte van het pgb wordt vastgesteld moet worden geregeld.
De pgb-tarieven worden jaarlijks geïndexeerd. Voor de in lid 1 en lid 2 vermelde tarieven is dit gelijk aan het percentage waarmee het in deze artikelen genoemde het laagste adequate gecontracteerde tarief voor dezelfde jeugdhulp in natura wordt geïndexeerd. In de gezamenlijk met de gemeente Krimpen aan den IJssel uitgevoerde lokale inkoop is deze index voor 90% gebaseerd op basis van het geprognosticeerde en definitieve indexcijfer Overheidsbijdrage in de Arbeidskostenontwikkeling ("OVA") voor personele kosten van het Centraal Planbureau en gepubliceerd door de Nederlandse Zorgautoriteit en voor 10% op basis van het geprognosticeerde en definitieve prijsindexcijfer particuliere consumptie (PPC) voor materiële kosten, van het Centraal Planbureau en gepubliceerd door de Nederlandse Zorgautoriteit. Het in lid 3 vermelde tarief voor pgb in het sociaal netwerk wordt jaarlijks aangepast conform de indexering van het wettelijke minimum(uur)loon.
Als uit het pgb budgetplan blijkt dat de jeugdhulp voor een lager tarief ingekocht kan worden dan de genoemde maximale tarieven voor zorg in natura zal worden uitgegaan van dit lagere tarief. Omdat het, als omschreven bij het derde lid, niet is togestaan om een tarief vast te stellen dat lager is dan het wettelijk minimumloon zal deze omstandigheid bij een pgb in het sociaal netwerk niet kunnen voorkomen. Voor alle duidelijkheid is ook bepaald dat een pgb nooit hoger kan uitvallen dan de goedkoopste vergelijkbare voorziening in natura.
De pgb-tarieven worden met het oog op de kenbaarheid vastgesteld door het college in nadere regels.
Artikel 23. Uitgesloten van pgb
Niet alle kosten die worden gemaakt in het kader van de inkoop van jeugdhulp vanuit een pgb komen voor vergoeding vanuit het pgb in aanmerking. Deze kosten worden in artikel 21 opgesomd.
Een pgb is niet mogelijk voor de betaling van een persoon of organisatie die de jeugdige of ouder(s) helpt met het beheer van het pgb. Een vertegenwoordiger wordt derhalve niet betaald vanuit het pgb. Ook kosten als administratiekosten, intakekosten, bemiddelingskosten, worden niet vanuit het pgb betaald. Mochten dergelijke kosten zich voordoen, dan is de jeugdige of zijn ouder hier zelf verantwoordelijk voor aangezien hijzelf ook de keuze heeft gemaakt deze eventuele financiële verplichting aan te gaan.
8. Toelichting Hoofdstuk 6: Herziening, intrekking, terugvordering en bestrijding misbruik
Dit hoofdstuk in de verordening betreft grotendeels een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.9, aanhef en onder d, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening (Zorg in natura) of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet.
Aan het ‘repareren’ van de gevolgen van ten onrechte ontvangen individuele voorzieningen in natura en in de vorm van pgb’s gaan pogingen vooraf om onterechte voorzieningen en betaling van pgb’s te voorkomen. Duidelijke informatie over enerzijds de rechten en plichten van de jeugdige en ouders en anderzijds de gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik spelen hierbij een belangrijke rol. Daarom is in het eerste lid een ‘informatieplicht’ voor het college opgenomen.
Deze bepaling berust mede op artikel 8.1.6, van de wet, waarin is bepaald dat het college de jeugdige en zijn ouder vooraf informeert over de gevolgen van de keuze voor een budget in plaats van een individuele voorziening. In deze verordening wordt de inlichtingenplicht van het college breder getrokken, zodat het college de jeugdige en zijn ouders dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een individuele voorziening zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.
Deze bepaling berust mede op artikel 8.1.2, eerste lid, van de wet, waarin is vastgelegd dat de jeugdige of zijn ouders het college alle informatie verstrekt die van belang kan zijn voor de verlening van een pgb. In deze verordening wordt de toepassing van deze informatieplicht verbreed naar de voorzieningen in natura en de wettelijk vertegenwoordiger. Immers, ook van jeugdigen en/of ouders met jeugdhulp in natura en van de wettelijk vertegenwoordiger kan verlangd worden dat ze voldoende gegevens en inlichtingen verstrekken om het college in staat te stellen te beoordelen of terecht een beroep op de voorziening wordt of is gedaan.
Cliënten die zorg of ondersteuning krijgen op grond van de Wmo 2015 of de Jeugdwet mogen een voorkeur aangeven voor een bepaalde jeugdhulpaanbieder. Bij een persoonsgebonden budget zijn ze zelf verantwoordelijk voor de inkoop bij een bepaalde jeugdhulpaanbieder. Goede informatie is daarbij essentieel. Om die reden worden inspectierapporten bij hoofdregel ook openbaar gemaakt. Op de website van de gemeente zal het genoemde overzicht worden bijgehouden.
Een pgb-jeugdhulpaanbieder die niet langer aan de in de wet gestelde eisen heeft de verplichting om zelf tijdig en proactief te melden. Er kan dus niet gewacht worden totdat de gemeente hier eventueel om vraagt. Na een dergelijke melding volgt overleg over een herstelplan waarmee binnen een redelijke termijn weer wel aan de eisen kan worden voldaan.
Artikel 25. Niet meewerken ouder(s)
Deze bepaling geeft het college de bevoegdheid om een verstrekte individuele voorziening al dan niet in vorm van een pgb te weigeren, of te heroverwegen als de ouders niet meewerken aan het noodzakelijke onderzoek naar de noodzaak of de doelmatige inzet van de jeugdhulp.
Artikel 26. Herziening en verlenging
Op grond van artikel 8.1.3, van de wet moet het college periodiek onderzoeken of er aanleiding is om een beslissing aangaande een pgb te heroverwegen. Het eerste lid breidt deze opdracht uit naar alle individuele voorzieningen, ongeacht de vorm van de verstrekking. Ook wordt aan het college de bevoegdheid verleend om op dit punt nadere regels te stellen.
Deze bepaling regelt in welke gevallen het college een beslissing tot verlening van een individuele voorziening kan intrekken, herzien of opschorten. Bij herzien gaat het om het gedeeltelijk aanpassen van de aanspraak naar de toekomst toe of over het verleden. Intrekking ziet eveneens op het verleden: een aanspraak wordt dan echter volledig beëindigd vanaf een in het verleden gelegen datum.
De bepaling is afgeleid van artikel 8.1.4, van de wet die de herziening en intrekking regelt van verstrekte pgb’s. Verder breidt de bepaling de herzienings-/intrekkingsbevoegdheid uit tot de individuele voorziening in natura. Het gaat hier om een 'kan'-bepaling. Het college is dus niet verplicht gebruik te maken van zijn bevoegdheid tot herziening of intrekking. Vanuit het grote belang van een rechtmatige besteding van publieke middelen vormt gebruikmaking van deze bevoegdheid uiteraard het uitgangspunt, maar de individuele situatie van de betrokkenen dient uitdrukkelijk ook in de afweging te worden betrokken. Uit de rechtspraak van de CRvB blijkt dat herziening en terugvordering van begunstigende beschikkingen getoetst dient te worden aan het evenredigheidsbeginsel. Bij de beoordeling of redelijkerwijs tot intrekking, herziening of opschorting is overgegaan, moet niet alleen rekening gehouden worden met de gevolgen van een dergelijk besluit, maar ook met de oorzaak daarvan. Daarbij spelen alle feiten en omstandigheden van het geval, en ook de evenredigheid, een rol. Het college is verplicht een belangenafweging te maken waarvan de uitkomst niet onevenredig mag zijn. Uitgangspunt hierbij zal een intensieve toetsing door de bestuursrechter zijn (ECLI:NL:CRVB:2024:726).
Het beleid ten aanzien van de uitvoering van periodiek onderzoek, herziening en verlenging is in verdere ontwikkeling. Ook moet op grond van de ervaring in de afgelopen jaren rekening worden gehouden met verdere ontwikkelingen in de jurisprudentie. Het college kan tegen deze achtergrond nadere regels stellen.
Artikel 27. Intrekking, opschorting en terugvordering
Deze bepaling regelt in welke gevallen het college een beslissing tot verlening van een individuele voorziening kan intrekken, herzien of opschorten. Bij herzien gaat het om het gedeeltelijk aanpassen van de aanspraak naar de toekomst toe of over het verleden. Intrekking ziet eveneens op het verleden: een aanspraak wordt dan echter volledig beëindigd vanaf een in het verleden gelegen datum.
Van een jeugdige en/of zijn ouder(s) wordt verwacht dat ze binnen zes maanden gebruik maken van hun indicatie door zich te melden bij de jeugdhulpaanbieder. Of, als het gaat om een pgb, het pgb binnen zes maanden zullen inzetten voor de aangewezen jeugdhulp. Dit om te voorkomen dat een indicatie is verouderd en de situatie op termijn dusdanig is gewijzigd, dat de verstrekte voorziening niet langer passend is. Voldoen jeugdigen of ouders niet aan deze voorwaarde, dan kan dat een grond opleveren om de aanspraak op de individuele voorziening in te trekken.
In de wet is geregeld dat het college een pgb kan invorderen als dit is herzien of ingetrokken in verband met onjuiste of onvolledige informatieverstrekking door de jeugdige/ouder (zie artikel 8.1.4, derde lid, van de wet). Alvorens tot invordering te kunnen overgaan, moet het college het bedrag echter eerst terugvorderen. Terugvordering is niet geregeld in de wet. Het is daarom van belang hiervoor een grondslag op te nemen in de verordening. Net zoals bij herziening en intrekking gaat het bij terugvordering om een bevoegdheid van het college.
In bepaalde gevallen is (tijdelijke) opschorting van een betaling uit het pgb naar aanleiding van een declaratie een beter instrument dan beëindiging of zelfs intrekken of herzien van het verleningsbesluit. Middels een opschorting kan ruimte geboden worden voor herstelmaatregelen of nader onderzoek. Bijvoorbeeld als het gaat om de overeenkomsten die de budgethouder is aangegaan of bij herziening van de toekenningbeschikking.
Om deze redenen is de mogelijkheid voor het college om de SVB te verzoeken over te gaan tot opschorting hier opgenomen. Dit in overeenstemming met artikel 8b, zesde lid, onder g, van de Regeling Jeugdwet. Het college kan een verzoek enkel doen als een gegrond vermoeden is gerezen dat: de jeugdige of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid (onderdeel a); de jeugdige of zijn ouders niet voldoen aan de voorwaarden van het pgb (onderdeel d); of de jeugdige of zijn ouders pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het bestemd is.
Van de deze omstandigheid is ook sprake als de jeugdige of diens ouders niet langer voldoende in staat zijn op eigen kracht, dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van een vertegenwoordiger, de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren, en als niet langer is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt.
Uiteraard moet het college het verzoek goed motiveren en – met inachtneming van de daarvoor geldende regels – de SVB van voldoende informatie voorzien op grond waarvan de SVB over kan gaan tot deugdelijke besluitvorming ten aanzien van het al dan niet nemen van een besluit tot opschorting.
Verder kan er voor ten hoogste dertien weken worden opgeschort. Hierbij is aansluiting gezocht bij de termijn zoals deze ook wordt gehanteerd in artikel 4:56, van de Awb en onder de Wlz.
Op grond van het zesde lid kan het college daarnaast de SVB gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname als sprake is van een omstandigheid als bedoeld in het tweede lid, onder f. Deze bepaling is toegevoegd omdat het voor kan komen dat een jeugdige tijdelijk geen gebruik van een individuele voorziening in de vorm van pgb kan maken door (tijdelijke) opname in een instelling. In dat geval kan het praktischer zijn de individuele voorziening of het pgb tijdelijk op te schorten. Het college stelt de pgb-houder schriftelijk op de hoogte van dit verzoek. Deze bepaling is toegevoegd naar analogie van artikel 5.20, eerste lid, onderdeel b, van de Regeling langdurige zorg.
Op grond van artikel 2.9, onderdeel d, van de wet dienen in de verordening regels te worden gesteld over de bestrijding van ten onrechte ontvangen van maatwerkvoorzieningen (natura of pgb), alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Essentieel daarbij is dat het college periodiek controles uitvoert naar het gebruik en de besteding van voorzieningen op grond van de wet. In dit artikel van de verordening wordt de basis gevormd voor de aanwijzing van toezichthouders rechtmatigheid op grond van de Jeugdwet. Toezicht op de kwaliteit van jeugdhulp is belegd bij de IGJ.
Artikel 29. Controle en onderzoek
In dit artikel worden de verschillende typen onderzoek uiteengezet, waaronder het onderzoek op grond van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Bibob). De onderzoeken kunnen worden ingesteld bij de jeugdhulpaanbieder zelf en/of bij eventuele onderaannemers.
Dit heeft te maken met de reikwijdte van de toezicht- en handhavingsbevoegdheid van het college. Uiteraard dient bij de inzet van de verschillende typen onderzoek in het oog te worden gehouden dat deze proportioneel moeten worden ingezet. Om dit te borgen wordt een controleplan opgesteld dat de escalatieladder in kaart zal brengen.
Artikel 30. Rapport toezichthouder over jeugdhulpaanbieder
Dit artikel heeft zowel betrekking op rapporten over jeugdhulpaanbieders op basis van pgb als jeugdhulpaanbieder in de vorm van zorg in natura. De geconstateerde bevindingen worden door de toezichthouder vastgelegd in een inspectierapport. Bij fraudesignalen zal dit een frauderapport zijn. Dit rapport zal doorgezet worden naar de gemeente. Daarna zal het in de regel, tenzij zwaarwegende redenen zich daartegen verzetten, openbaar worden gemaakt door publicatie.
In het derde lid is verduidelijkt dat de reactiemogelijkheid zich beperkt tot feitelijke onjuistheden. Dit is nog geen hoor-wederhoor in het kader van een voorgenomen besluit. Dat zal immers plaatsvinden vanuit de gemeente. Dat is ook de reden dat de budgethouder in deze reactiemogelijkheid nog niet betrokken wordt. De budgethouder wordt gehoord in de voorbereiding van een besluit.
In het vijfde lid is opgenomen dat de hoofdregel openbaarmaking van het rapport is. Zwaarwegende redenen kunnen maken dat openbaarmaking achterwege blijft. Dit zal zich vooral kunnen voordoen bij fraudeonderzoeken, waar het onderzoek zich meer richt op het handelen (en daarmee verdenkingen tegen) van individuen. Inzake pgb wordt ten aanzien van budgethouders, budgetbeheerders en uitvoerders van een pgb in het sociaal netwerk een zwaar gewicht neergelegd op de privacyregels op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG).
Artikel 31. Aanwijzing voor jeugdhulpaanbieder of pgb-budgethouder
De aanwijzing is een eerste stap om te beogen de situatie terug te brengen in de rechtmatige toestand. Bij fraude zal er niet gauw sprake zijn van een aanwijzing, vanwege het doelbewuste onrechtmatig handelen. Tijdens de looptijd van de aanwijzing kunnen al andere maatregelen genomen worden als de situatie daartoe aanleiding geeft.
De genoemde hersteltermijn is een uitgangspunt. In de praktijk zal deze afgestemd worden op de aangetroffen situatie, houding en gedrag van de jeugdhulpaanbieder, eventuele eerdere constateringen bij deze jeugdhulpaanbieder en de veiligheid van cliënten.
Artikel 33. Cliëntenstop en verscherpt toezicht bij jeugdhulpaanbieder
Een cliëntenstop dient een dubbel doel. In de eerste plaats is het een middel om de situatie te bevriezen. Het is onwenselijk dat er nieuwe cliënten blijven instromen in een situatie die we als ondermaats of onrechtmatig beschouwen. Het moet prioriteit hebben om de huidige situatie te herstellen, voordat er sprake kan zijn van nieuwe cliënten. In de tweede plaats is een cliëntenstop ook een financiële prikkel voor de jeugdhulpaanbieder om vaart te maken met het doorvoeren van de noodzakelijke wijzigingen.
In het artikel zijn verschillende vormen van een cliëntenstop opgenomen, die afhankelijk van de situatie kunnen worden opgelegd.
Verscherpt toezicht zal in de regel aan de orde zijn als het noodzakelijk is om tussentijdse voortgang te monitoren.
Artikel 34. Vervolgonderzoeksrapport
Het ligt in de lijn dat de toezichthouder na afloop van een hersteltermijn de jeugdhulpaanbieder opnieuw zal bezoeken en een nieuw rapport zal opmaken.
Artikel 35. Handhavingsmaatregelen
Bij geconstateerde misstanden volgt handhaving. Dit artikel is de kern van de mogelijkheden die het college daarbij heeft. De rechter heeft eerder geoordeeld dat er een concrete wettelijke basis moet zijn om in het kader van de Jeugdwet een last onder dwangsom op te mogen leggen (ECLI:NL:RBOVE:2021:4771). Om die reden is deze mogelijkheid opgenomen in deze verordening.
Artikel 36. Privaatrechtelijke maatregelen en opschorten betaling jeugdhulpaanbieder
De maatregelen van artikel 33 zijn bestuursrechtelijk van aard. Met de jeugdhulpaanbieders van zorg in natura hebben we daarnaast veelal een contractuele relatie. In lid 1 is nog eens benadrukt dat ook civielrechtelijk tegen misstanden kan worden opgetreden. Deze keuze is aan het college en is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval.
De handhavingsmaatregelen kunnen ook samengaan met het (verzoek tot) opschorten van betalingen zoals opgenomen in het vierde lid.
Artikel 37. Meldpunt en register
Cliënten die zorg of ondersteuning krijgen op grond van de Wmo 2015 of de Jeugdwet mogen een voorkeur aangeven voor een bepaalde jeugdhulpaanbieder. Bij een persoonsgebonden budget zijn ze zelfs verantwoordelijk voor de inkoop bij een bepaalde jeugdhulpaanbieder. Goede informatie is daarbij essentieel. Om die reden worden inspectierapport bij hoofdregel ook openbaar gemaakt. Op de website van de gemeente zal het genoemde overzicht worden bijgehouden.
Artikel 38. Overige maatregelen ter voorkoming oneigenlijk gebruik, misbruik en niet gebruik
Zowel landelijk als gemeentelijk wordt ingezet op het tegengaan van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. Daartoe treft het college de nodige maatregelen om de doelmatigheid en rechtmatigheid van de verstrekte individuele voorzieningen in natura (en in vorm van pgb’s) te waarborgen en fraude te voorkomen.
In het eerste en tweede lid is opgenomen dat wordt gestuurd op een correcte declaratie en verantwoording van de geleverde jeugdhulp (eerste lid). Door regelmatig te toetsen of de indicatie nog correct is en of de resultaten die zijn afgesproken ook worden behaald, wordt aandacht geschonken aan de doelmatigheid van individuele voorzieningen (tweede lid).
9. Hoofdstuk 7. Afstemming met andere voorzieningen.
In dit hoofdstuk wordt de afstemming tussen de jeugdhulpplicht ten opzichte van andere wettelijke voorzieningen geregeld.
Waar het de afbakening met andere wetgeving betreft, zoals de Wlz, de Zvw en de Wmo 2015, is artikel 1.2, van de wet van toepassing. Als de jeugdige aanspraak kan maken op zorgverlening op grond van één van deze (andere) wetten, dan is de wet niet van toepassing. Als echter i) meerdere oorzaken ten grondslag liggen aan de problemen en stoornissen en ii) de jeugdige daardoor aanspraak kan maken op zorgverlening uit een recht op zorg uit de Wlz, een zorgverzekering als bedoeld in de Zvw én de wet, dan is het college gehouden een voorziening te treffen op basis van de wet. Ook de voorziening als bedoeld in artikel 2.4, tweede lid, onderdeel b, van de wet is uitgezonderd van het uitgangspunt dat geen voorziening op grond van de wet hoeft te worden verstrekt als aanspraak bestaat op de Wlz, de Zvw, of de Wmo 2015.
Een andere belangrijke wettelijke afbakening is te vinden met onderwijswetgeving. Ondersteuning gericht op het doorlopen van het onderwijsprogramma dat primair gericht is op het leerproces, het behalen van onderwijsdoelen of om de jeugdige verder te helpen in de onderwijsontwikkeling, valt niet onder de jeugdhulpplicht van de wet. Als een jeugdige recht heeft op ondersteuning vanuit onderwijswetgeving is deze wetgeving voorliggend op de wet en hoeft het college geen voorziening te treffen op grond van de wet.
Artikel 39. Voorliggende voorzieningen
Op grond van artikel 1.2, eerste lid, onder a, van de wet is het college niet gehouden een voorziening te treffen op grond van de wet als er met betrekking tot de problematiek een recht bestaat op zorg als bedoeld bij of krachtens de Wlz, de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen of een zorgverzekering als bedoel in de Zorgverzekeringswet. Evenmin is het college gehouden een voorziening op grond van de wet te treffen indien naar het oordeel van het college met betrekking tot de problematiek een aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling, met uitzondering van een maatwerkvoorziening inhoudende begeleiding als bedoeld in artikel 1.1.1, van de Wmo 2015. Kan de jeugdige aanspraak maken op zorgverlening op grond van één van deze wetten, dan is de wet niet van toepassing.
Wel geldt volgens dit artikel dat als meerdere oorzaken ten grondslag liggen aan de problemen en stoornissen én de jeugdige daardoor aanspraak kan maken op zorgverlening uit een recht op zorg uit de Wlz, een zorgverzekering als bedoeld in de Zvw én de wet, het college gehouden is een voorziening te treffen op basis van de wet. Uit de parlementaire geschiedenis bij de wet volgt in dat kader: “Om te voorkomen dat de jeugdige in dit geval niet weet waar hij kan aankloppen voor de nodige hulp is bepaald dat in die gevallen de gemeente verantwoordelijk is voor het treffen van de benodigde voorziening” (Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3, p. 127).
Het eerste en tweede lid maken, in het kader van de afbakening van de jeugdhulpplicht (zie de algemene toelichting bij deze verordening), duidelijk dat op het moment dat het college op grond van de wet niet gehouden is een voorziening te verstrekken, er ook geen jeugdhulpvoorziening wordt verstrekt.
Op het moment dat er een aanvraag wordt gedaan, terwijl er aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een andere wettelijke regeling dan worden de jeugdige of zijn ouders dan wel wettelijk vertegenwoordiger naar de juiste instantie verwezen. Daarmee wordt voorkomen dat ze tussen wal en schip vallen.
Artikel 40. Afstemming met voorliggende voorzieningen en andere vormen van hulp en ondersteuning
Op grond van artikel 2.9, aanhef en onder b, van de wet moet in de verordening ook geregeld zijn op welke wijze de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen. Wanneer een jeugdige of ouder op grond van de wet ondersteuning vraagt van het college, moet afstemming plaatsvinden met het andere aanbod vanuit de gemeente. Afstemming betekent samenwerking met uitvoerders van andere wet- en regelgeving om de problematiek binnen het gezin te verminderen of zelfs op te lossen. Als de hulp vanuit de wet niet (langer) volstaat, dan zal de overgang naar hulp vanuit een andere wet goed afgestemd moeten worden. Jeugdigen mogen niet in een gat vallen waar aanspraken uit de gelijktijdig toepasselijke wet- en regelgeving niet naadloos op elkaar aansluiten Het college is streeft ernaar dat een jeugdige of diens ouder(s) zoveel mogelijk de juiste hulp op grond van de wet ontvangt en dat wordt voorkomen dat de jeugdige of diens ouder(s) tussen wal en schip vallen.
Het eerste lid regelt dat de jeugdhulp moet worden afgestemd op het aanbod van activiteiten, diensten of middelen op grond van andere wetten zodat deze zoveel mogelijk op elkaar aansluiten. Het gaat hierbij onder meer om:
Het tweede en derde lid bakenen het doel van het zoeken van afstemming af. Zij normeren de inzet van het college bij de afstemming.
Het zorgen voor afstemming van voorzieningen is een uitdrukkelijke opdracht aan het college. Het college is daarbij echter afhankelijk van de medewerking van de jeugdige of zijn ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger. Het vierde lid maakt duidelijk dat het niet verlenen van de noodzakelijke medewerking kan leiden tot het beëindigen van het onderzoek naar het recht op een individuele voorziening en het weigeren van een individuele voorziening. Het college is daarmee niet gehouden het onderzoek zonder medewerking voort te zetten of een voorziening te verstrekken. Het college maakt hier wel een afweging, waarbij de onderzoeksbelangen en de eventueel opgegeven redenen om medewerking te weigeren een rol kunnen spelen.
Het vijfde en zesde lid regelen de afstemming van het recht op voorzieningen bij de overgang naar volwassenheid. Het is belangrijk dat jeugdigen bij het bereiken van het achttiende levensjaar, of het eenentwintigste of drieëntwintigste levensjaar bij verlengde jeugdhulp, niet plotseling zonder passende voorzieningen komen te zitten. Deze bepaling regelt dat er daarom al vanaf het zestiende levensjaar van de jeugdige bij de inzet van voorzieningen wordt gekeken naar de afstemming van de in te zetten voorziening op de mogelijk in de toekomst in te zetten voorzieningen.
10. Toelichting Hoofdstuk 8: Waarborgen verhouding prijs en kwaliteit
Artikel 41. Verhouding prijs en kwaliteit jeugdhulpaanbieders en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering
Het college kan de uitvoering van de wet, met uitzondering van de vaststelling van de rechten en plichten van de jeugdige of zijn ouders, door jeugdhulpaanbieders laten verrichten (artikel 2.11, eerste lid, van de wet). Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van de continuïteit van de jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering en een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.11, tweede lid, van de wet). Daarbij dient in ieder geval rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden.
Artikel 2.3, eerste lid, van het Besluit Jeugdwet voorziet in nadere criteria, zogenoemde kostprijselementen, voor het bepalen van een reële prijs bij de inkoop van jeugdhulp door gemeenten, die in de verordening moeten worden opgenomen. Het college bepaalt, met inachtneming van deze kostprijselementen, de te betalen prijzen voor de in te kopen jeugdhulp.
Artikel 2.3, van het Besluit Jeugdwet geldt voor alle inkoop door het college en voor door hen verleende subsidies voor zover deze het daadwerkelijk verlenen van jeugdhulp volledig bekostigen. Overeenkomstig dit besluit wordt in het tweede en derde lid verplicht gesteld dat in contracten tussen het college en jeugdhulpaanbieders, of in de subsidievoorwaarden, wordt opgenomen dat een jeugdhulpaanbieder in geval van uitbesteding van zorg aan onderaannemers, een reële, met behulp van de kostprijselementen tot stand gekomen prijs betaalt.
11. Toelichting bij hoofdstuk 9: Klachten en medezeggenschap
Dit artikel regelt het gemeentelijke klachtrecht in het kader van de wet. De gemeente is al op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van bestuursorganen en personen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn. Gelet op het van toepassing zijnde hoofdstuk 9, van de Awb, waarin een uitvoerige regeling omtrent klachtbehandeling is gegeven, en ook het recht is neergelegd om na de afhandeling van de klacht de bevoegde ombudsman te verzoeken een onderzoek in te stellen, kan in deze verordening met een enkele bepaling worden volstaan.
Het college heeft de afhandeling van klachten neergelegd bij het CJG. Deze maakt de klachtenprocedure bekend op haar website.
Artikel 43. Betrekken van ingezetenen bij het beleid
In dit artikel zijn bepalingen opgenomen over de medezeggenschap bij de gemeente. De mogelijkheid tot medezeggenschap van de cliënt bij de jeugdhulpaanbieder is al geregeld in artikel 4.2.4 e.v., van de wet. Regeling van de medezeggenschap is verplicht op grond van artikel 2.10, van de wet in samenhang met artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo 2015. In artikel 2.10, van de wet worden de artikelen 2.1.3, derde lid, en 2.5.1 (jaarlijks cliëntervaringsonderzoek) van de Wmo 2015 van overeenkomstige toepassing verklaard. Ingevolge artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo 2015 dient bij verordening te worden bepaald op welke wijze ingezetenen worden betrokken bij de uitvoering van deze wet.
De betrokkenheid van ingezeten bij het beleid is verder uitgewerkt in de Verordening Adviesraad sociaal domein Capelle aan den IJssel 2018. De Adviesraad heeft tot taak de gemeenteraad en het college gevraagd en ongevraagd te adviseren over onderwerpen die de ontwikkeling, de uitvoering en de evaluatie van het gemeentelijk beleid op het beleidsveld sociaal domein betreffen. De Adviesraad kan voorstellen doen voor het gemeentelijk beleid op het beleidsveld sociaal domein.
12. Toelichting Hoofdstuk 10: Slotbepalingen
Omdat in uitzonderlijke gevallen de gevolgen van vasthouden aan de regels die zijn gesteld in deze verordening onevenredig kunnen zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, is in het eerste lid een hardheidsclausule opgenomen. De tekst van het eerste lid maakt duidelijk, dat het toepassen van de hardheidsclausule alleen zal plaatsvinden als in een concreet geval de omstandigheden van dien aard zijn dat het onverkort toepassen van de verordening de jeugdige of zijn ouders in onevenredige mate schaadt. In de beschikking waarin de hardheidsclausule wordt toegepast, wordt gemotiveerd waarom het college meent dat deze omstandigheden zich voordoen.
Op grond van de essentialia-doctrine, zoals deze is uitgewerkt door de CRvB, worden een aantal overzichten die voorheen in de Nadere Regels 2019 waren opgenomen overgeplaatst naar de verordening. Het college heeft de keuze gemaakt om deze overzichten op te nemen in een aantal bijlagen. Met deze aanpak zijn de overzichten voor alle betrokkenen bij de uitvoering van de jeugdwet eenvoudiger te raadplegen en toe te passen. De keuze is gemaakt om de volgende bijlagen in de verordening op te nemen:
Ieder van de bijlagen heeft een eigen toelichting.
De bijlagen vormen een integraal en onlosmakelijk onderdeel van de verordening. De bepalingen in de bijlagen hebben een gelijke rechtskracht en rechtswerking als de artikelen in de verordening. Er is geen sprake van een rangorde, of van een ondergeschikt karakter ten opzichte van de artikelen.
Artikel 46. Overgangsrecht, intrekking van de oude verordening
Het is noodzakelijk om duidelijke overgangsbepalingen vast te stellen voor met name de situatie dat er sprake is van:
Dat is met deze bepaling geregeld. Een besluit voor een verstrekte individuele voorziening blijft gehandhaafd totdat het besluit wordt ingetrokken of de looptijd van het besluit is verstreken. Bij aanvragen waarop nog geen besluit is genomen geldt deze verordening.
Bij de behandeling van een bezwaarschrift gericht tegen besluiten die zijn genomen voor de inwerkingtreding van deze verordening, worden behandeld op grond van verordening 2026. Het bezwaar mag echter niet leiden tot een slechtere positie van de bezwaarmaker ten opzichte van het primaire besluit (het zogeheten “Reformatio in Peius”). Er kan dus kan ten gunste van de jeugdige of zijn ouder(s) worden afgeweken als heroverweging op grond van de verordening 2018 leidt tot een gunstiger uitkomst.
Artikel 47. Inwerkingtreding en citeertitel
De verordening treedt in werking op 1 januari 2026. Vanaf dat moment is de nieuw vastgestelde verordening van toepassing op alle onderwerpen die binnen haar bereik vallen. Dit met uitzondering van het in artikel 46 omschreven overgangsrecht.
Bijlage 1: Overzicht vrij toegankelijke voorzieningen.
Bijlage 1 bevat een (niet uitputtend) overzicht van de voorzieningen die vrij toegankelijk zijn. Met vrij beschikbaar wordt bedoeld dat jeugdigen en ouders op eigen initiatief en zonder toegangstoets aan de voorziening deel kunnen.
Een van de vrij toegankelijke voorzieningen is de ondersteuning bij relatie en scheiding. Deze ondersteuning heeft een preventief karakter en is gericht op het continueren of herstellen van een veilige gezins- en opvoedsituatie voor de betrokken jeugdigen.
Bijlage 2: Overzicht niet vrij toegankelijke voorzieningen.
Bijlage 2 bevat een (niet uitputtend) overzicht van de voorzieningen die niet vrij toegankelijk zijn Voor deze voorzieningen wordt een procedure doorlopen, zoals beschreven in hoofdstuk 4 van de verordening.
Vrij toegankelijke en niet vrij toegankelijke voorzieningen kunnen zowel in groeps- als individuele vorm worden ingezet. In het raadsbesluit “Tegen de stroom in” is het uitgangspunt gekozen dat jeugdhulp, waar mogelijk in groepsvorm moet worden uitgevoerd. Dit leidt tot kosteneffectieve zorg en biedt tevens de mogelijkheid voor contact tussen jeugdigen in een soortgelijke situatie. Daarbij wordt respectvol omgegaan met de voorkeuren en wensen van de jeugdige en/of de ouders.
Bijlage 3.1: Normenkader niet vrij toegankelijke voorzieningen
Uitwerking Raadsbesluit “Tegen de stroom in”
Voor niet vrij toegankelijke voorzieningen worden normen gesteld voor de maximale initiële doorlooptijd, de maximale verlenging en de maximale inzet in aantallen eenheden. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan actielijn 3 van het raadsbesluit “Tegen de stroom in” van 8 juli 2024. De normen zijn zo opgesteld dat deze aansluiten bij het raadsbesluit “Tegen de stroom in”, maar ook uitvoerbaar is in de praktijk van het CJG
De maximale doorlooptijd voor een in te zetten jeugdhulpproduct stellen we op 12 maanden, met een evaluatie na 9 maanden. Deze kan na een zorgvuldige beoordeling verlengd worden met nog eens maximaal 6 of 12 maanden. Voor begeleiding individueel zwaar is geen verlenging mogelijk. In de initiële doorlooptijd wordt afgeschaald naar begeleiding midden of begeleiding licht.
Voor de meerderheid van de producten zijn de aantallen eenheden (dagdelen, uren, minuten) opgesteld op basis van een data-analyse van de toekenningen per product over de periode 2020-2024. Vervolgens zijn deze normen getoetst aan de uitvoeringspraktijk bij het CJG. Voor de GGZ-producten wordt aangesloten bij de landelijke normen. Voor een drietal voorzieningen dat zeer weinig wordt ingezet wordt de inzet bepaald op basis van een individuele afweging.
Normenkader op basis van data-analyse
Het normenkader is op een data gedreven wijze opgesteld. De basis hiervoor is de jeugdhulpdata van het CJG over de jaren 2020-2024. De volgende stappen zijn gezet:
Datastructuren. De data bestaan uit velden van het Berichtenverkeer. De data is beschikbaar gemaakt op het niveau van de periodieke declaratie. De analyse is uitgevoerd op basis van 5 jaar aan periodiek gedeclareerde jeugdhulp. 1 declaratie = 1 regel. Alleen de benodigde data voor het normenkader is gebruikt. Deze data bevatten geen herleidbare cliëntinformatie.
Jeugdhulp wordt in veel gevallen niet voortgezet tijdens de schoolvakanties. In het verleden werd bij ene toekenning qua omvang echter geen onderscheid gemaakt tussen jeugdhulp die als standaard niet doorloopt in de vakanties en de jeugdhulp waarbij het noodzakelijk is dat deze wel doorloopt. De schoolvakanties zijn 12 weken per jaar. De maximum norm voor jeugdhulp die niet hoeft door te lopen in de vakanties is daarom gesteld op 77% (40/52) van de jeugdhulp die wel doorloopt in de vakanties.
De jeugdhulp is erop gericht om doelmatig en resultaatgericht te werken naar een situatie waarin de inzet van de jeugdhulpvoorzieningen niet meer noodzakelijk is. Het aantal in te zetten eenheden bij een eventuele verlenging daarom maximaal 80% van het maximum in de initiële periode. Bij een verlenging voor 6 maanden wordt verder rekening gehouden met de kortere periode.
Normenkader op basis van landelijke GGZ-normen
Voor de voorzieningen Basis GGZ en Specialistische GGZ wordt aangesloten bij landelijke GGZ-normen. Hierbij is gebruik gemaakt van de richtlijnen Jeugdhulp, richtlijnen jeugd-ggz, het Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie en de databank van het NJI. Voor 1 sessie geldt 60 à 75 minuten (behandeltijd, registratie en afstemming).
Voorzieningen op Individuele afweging
Voor een aantal voorzieningen met een heel klein volume (minder dan 20 per jaar) is het niet mogelijk om een data-analyse uit te voeren. De inzet van deze producten zal plaatsvinden op basis van een individuele afweging.
Bijlage 3.2: Normenkader vervoer
In artikel 12, lid 3 wordt bepaald dat het vervoer van of naar een jeugdhulplocatie als tot bepaalde grenzen als gebruikelijk moet worden gezien, en dus behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van de ouders. In bijlage 3.2 wordt dit geconcretiseerd. Er is geen sprake van een medische noodzaak of een beperking in de zelfredzaamheid als de afstand naar de jeugdhulplocatie 6 kilometer of minder is en/of indien het aantal keren halen en brengen per week 2 is of minder.
De afstand van 6 kilometer geldt vanaf het startpunt (woonadres of de school) naar de jeugdhulplocatie. Brengen en halen wordt hierbij als een eenheid genomen, dus het gaat bij deze norm om twee maal “heen en weer”.
Bijlage 4: Normen gebruikelijke zorg van ouders voor kinderen met een normale ontwikkeling in verschillende levensfasen
Gebruikelijke hulp is de hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de ouder(s) van de jeugdige. Ouders behoren hun minderjarige kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht aan hen te bieden, ook als sprake is van een kind met een ziekte, aandoening of beperking (vergelijk artikel 1:247 van het Burgerlijk Wetboek). Indien de verzorging, de opvoeding en het houden van toezicht op een kind kunnen worden beschouwd als gebruikelijke hulp, kan daarvoor in principe geen beroep op de Jeugdwet worden gedaan.
De vraag of sprake is van gebruikelijke of boven gebruikelijke hulp, speelt zich af op het gebied van de persoonlijke verzorging en de begeleiding die ouders aan hun kinderen geven. Persoonlijke verzorging betreft activiteiten op het gebied van verzorging van jeugdigen, gericht op het opheffen van beperkingen in de zelfredzaamheid bij Algemene Dagelijkse Levensverrichtingen (ADL) Dit zijn basale handelingen die een persoon normaal gesproken zelf uitvoert in het dagelijks leven. Het gaat bijvoorbeeld om hulp bij het zich wassen, aankleden, het zich verplaatsen inzit- of lighouding, eten en drinken, reizen, ontspanning en het toedienen van orale medicatie. De hulp die hierbij wordt geboden kan bestaan in het overnemen van of toezicht houden op deze activiteiten, alsmede om het ondersteunen of aansturen daarvan. Begeleiding is gericht op het zelfstandig functioneren van kinderen en bestaat in toezicht, aandacht, stimuleren van ontwikkeling en ontspanningsactiviteiten.
Ouders moeten hun kind de dagelijkse verzorging bieden die past bij de leeftijd en ontwikkelingsfase van hun kind. Daarbij kan het eveneens gaan om activiteiten die niet standaard bij alle kinderen noodzakelijk zijn, maar die wel als gangbare verzorging van ouders aan kinderen kunnen worden aangemerkt. De behoefte aan verzorging verschilt immers per kind, ook als het gaat om kinderen voor wie geen sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen.
Of de hulp die ouders aan hun kind bieden al dan niet gebruikelijk is, hangt af van de combinatie van de leeftijd van het kind met de aard van de handeling, de frequentie waarmee de handeling moet worden verricht en de tijd die daarvoor nodig is. Dit moet in samenhang met elkaar moeten worden bezien. Dit laatste houdt in, dat het gegeven dat een kind, zoals in de hieronder gegeven voorbeelden, met een grotere regelmaat dan andere kinderen van dezelfde leeftijd bepaalde hulp nodig heeft, niet meteen betekent dat sprake is van bovengebruikelijke hulp. Het gaat om de samenhang van alle relevante factoren en om het antwoord op de vraag wat in redelijkheid aan hulp van de ouders kan worden verlangd. Bij de beoordeling van de situatie wordt er rekening mee gehouden, dat de ouders niet of minder worden belast door handelingen die door de jeugdige zelf kunnen worden verricht.
De leeftijd van de jeugdige is relevant omdat jonge kinderen meer hulp van hun ouders nodig hebben dan oudere kinderen. Sommige handelingen zijn daarom op jonge leeftijd nog gebruikelijke hulp, terwijl ze op latere leeftijd als boven gebruikelijke hulp worden beschouwd. Zo zijn veel kinderen van 4 jaar overdag zindelijk en gaan zij zelf naar het toilet maar is het ook niet ongewoon dat een kind van deze leeftijd hier stimulans, toezicht of hulp bij nodig heeft. Dit is gebruikelijke hulp. Bij een kind van 12 jaar ligt dit anders.
Gebruikelijke hulp aan kinderen kan ook handelingen omvatten die niet standaard bij alle kinderen voorkomen maar die naar hun aard wel gebruikelijk zijn. Handelingen die gebruikelijke handelingen vervangen, zijn bijvoorbeeld het legen van een katheterzakje in plaats van verschonen. Of, bij een kind met een verstandelijke beperking, het oefenen met het gebruik van pictogrammen in plaats van oefenen met topografie. Deze handelingen zijn te beschouwen als gebruikelijke hulp.
Handelingen die meelopen in het normale patroon van de dagelijkse verzorging van een kind, zoals drie keer per dag eten, worden als gebruikelijke hulp aangemerkt. Een kind dat extra aandacht nodig heeft bij de maaltijden loopt mee in het normale patroon van de dagelijkse verzorging. Handelingen die geen onderdeel zijn van het normale patroon, bijvoorbeeld het meermalen per nacht tot rust brengen van een ouder kind zijn geen gebruikelijke hulp. Om deze reden is ook de frequentie waarmee de hulp moet worden geboden van belang.
Alle kinderen hebben tot een bepaalde leeftijd hulp nodig bij wassen en aankleden maar als deze handelingen veel meer tijd kosten vanwege de problematiek van het kind, omdat bijvoorbeeld sprake is van spasticiteit of een psychiatrische problematiek, is wat betreft deze extra tijd geen sprake meer van gebruikelijke hulp.
Gebruikelijke hulp voor kinderen omvat in ieder geval de aanwezigheid van een ouder. Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp voor de jeugdige over. Het college kan, in het geval van ouders die gescheiden zijn, ook rekening kan houden met de ouder bij wie de jeugdige niet woont.
Zoals in het voorafgaande is beschreven wordt in beginsel pas een jeugdhulpvoorziening getroffen als de door de ouder(s) te bieden gebruikelijke hulp wordt overstegen. Soms zijn ouders echter niet in staat om hun kinderen de hulp die bieden die als gebruikelijk kan worden beschouwd. Een reden hiervoor kan zijn dat de ouders bijvoorbeeld door een opeenstapeling van zorgtaken overbelast raken. Ook kunnen de opvoedkundige kwaliteiten van de ouders tekortschieten. In dergelijke gevallen biedt de Jeugdwet eveneens een aanspraak op jeugdhulp, bijvoorbeeld in de vorm van respijtzorg voor de jeugdige of opvoedondersteuning van de ouders, ondanks het feit dat de aan het betreffende kind te bieden hulp gebruikelijk is.
Een beroep op (dreigende) overbelasting van ouders moet door hen op dusdanige wijze worden onderbouwd, dat de (dreigende) overbelasting door het college vastgesteld kan worden. Bij de beoordeling van (dreigende)overbelasting wordt onder meer ook rekening gehouden met de omstandigheid dat ouders gebruikelijke hulpbieden in het kader van andere regelgeving. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het overnemen van huishoudelijke taken op grond van de Wmo 2015.
De in bijlage 4 bepaalde normen zijn ongewijzigd overgenomen uit de Nadere Regels 2019. Deze zijn gebaseerd op:
Bijlage 5: Protocol Dyslexie Diagnostiek en Behandeling
Deze bijlage specificeert de versie van het Protocol Dyslexie Diagnostiek & Behandeling die wordt gevolgd.
Vastgesteld in de openbare vergadering van 10 november 2025
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-510306.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.