Gemeenteblad van Amsterdam
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Amsterdam | Gemeenteblad 2025, 506652 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Amsterdam | Gemeenteblad 2025, 506652 | beleidsregel |
Beleidsregels bodemenergie voor het interferentiegebied Mercatorpark
In deze beleidsregel wordt verstaan onder:
interferentiegebied Mercatorpark: het door de afdelingsmanager op 12 november 2025 aangewezen gebied ter voorkoming van negatieve interferentie tussen gesloten of bodemenergiesystemen onderling of anderszins ter bevordering van doelmatig gebruik van bodemenergie zoals bedoeld in artikel 22.260, derde lid, Invoeringsbesluit Omgevingswet;
recirculatiesysteem: een open bodemenergiesysteem dat jaarrond met dezelfde onttrekkingsbron(nen) grondwater onttrekt en jaarrond met dezelfde injectiebron(nen) grondwater in de bodem terugbrengt. Deze systemen maken geen gebruik van opgeslagen warmte en koude, maar van natuurlijke grondwatertemperatuur ter plaatse;
SPF: seizoensgebonden prestatiefactor (Seasonal Performance Factor) is een maat voor het energierendement van een bodemenergiesysteem. De SPF is gedefinieerd als de door het systeem geleverde hoeveelheden warmte en koude, gedeeld door het gemeten of berekende energieverbruik van het systeem per jaar;
Artikel 2 Beleidsregels bodemenergie
De beleidsregels bodemenergie Mercatorpark vormen het toetsingskader voor het verlenen van omgevingsvergunningen binnen het interferentiegebied Mercatorpark.
Artikel 2.1 Open bodemenergiesystemen
Voor het realiseren en het in werking hebben van een open bodemenergiesysteem binnen de grenzen van het interferentiegebied Mercatorpark geldt:
Het bodemenergiesysteem bereikt uiterlijk vijf jaar na de datum van ingebruikname een moment waarop de hoeveelheid koude die door het systeem in de bodem is toegevoegd gelijk is aan de hoeveelheid warmte, die vanaf die datum door het systeem aan de bodem is toegevoegd. Het systeem herhaalt dit telkens uiterlijk vijf jaar na het laatste moment waarop die situatie werd bereikt.
Indien het redelijkerwijs niet mogelijk is om aan één of meerdere beleidsregel(s) te voldoen, kan afgeweken worden van de beleidsregel(s). Een onderbouwing van de afwijking moet, samen met een schriftelijke goedkeuring van de gemeente Amsterdam, bij de vergunningaanvraag op grond van de Omgevingswet gevoegd worden en ter goedkeuring aan de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied worden voorgelegd.
Artikel 2.2 Gesloten bodemenergiesystemen
Voor het realiseren en het in werking hebben van een gesloten bodemenergiesysteem binnen de grenzen van het interferentiegebied Mercatorpark geldt:
Indien het redelijkerwijs niet mogelijk is om aan één of meerdere beleidsregel(s) te voldoen, kan afgeweken worden van de beleidsregel(s). Een onderbouwing van de afwijking moet, samen met een schriftelijke goedkeuring van de gemeente Amsterdam, bij de vergunningaanvraag op grond van de Omgevingswet gevoegd worden en ter goedkeuring aan de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied worden voorgelegd.
Aldus vastgesteld op 12 november 2025
Namens het college van burgemeester en wethouders,
Voor deze,
Namens de directeur Uitvoeringsorganisatie Infrastructuur en Energie
De (wnd) afdelingsmanager Energie voor de Stad
Renée Krugers Dagneaux
Toelichting op de Beleidsregels bodemenergie Mercatorpark
Het doel van beleidsregels bodemenergie en een interferentiegebied is het optimaal gebruik van bodemenergie door coördinatie van de ondergrond.
De gemeente Amsterdam zal het Mercatorpark herontwikkelen tot een woon- en werkgebied.
In het ontwikkelgebied/interferentiegebied Mercatorpark wordt per bouwkavel gebruik gemaakt van bodemenergie. Om alle bouwinitiatieven naast elkaar te kunnen laten plaatsvinden en de beschikbare bodemenergie maximaal te benutten, moet (negatieve) onderlinge beïnvloeding van de bodemenergiebronnen, ook wel negatieve interferentie genoemd, worden voorkomen.
Op de toekomstige positionering van bodemenergiesystemen kan gestuurd worden door beleidsregels vast te stellen.
Het interferentiegebied en de beleidsregels Mercatorpark met als onderbouwing het bodemenergieplan vormen het toetsingskader voor nieuwe vergunningaanvragen op grond van de Omgevingswet voor het realiseren van een bodemenergiesysteem.
Deze beleidsregels stellen de voorwaarden voor toepassing van de verschillende vormen van bodemenergie – voor zowel open als gesloten systemen binnen het gebied Mercatorpark. Deze beleidsregels zijn ingegeven door de lokale situatie, zoals de boordiepte naar aanleiding van de bodemgesteldheid en onderlinge minimale afstanden tussen de verschillende bronnen.
Bij de vergunningverlening voor bodemenergiesystemen binnen het interferentiegebied Mercatorpark wordt door de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied rekening gehouden met de beleidsregels bodemenergie.
In dit artikel worden begrippen gedefinieerd die van belang zijn voor het begrip van de beleidsregels.
Artikel 2 Beleidsregels bodemenergie
In dit artikel worden doel en werkingsgebied van de beleidsregels geduid.
Artikel 2.1 Open bodemenergiesystemen
Dit artikel geeft aan welke regels op de open bodemenergiesystemen binnen het interferentiegebied Mercatorpark van toepassing zijn en worden als volgt toegelicht:
De inpassing van doubletten of monobronnen in combinatie met doubletten is niet haalbaar, wanneer elk kavel een individueel systeem wenst te gebruiken. Gezien de voorkeur voor een individueel open bodemenergiesysteem per kavel is gekozen voor monobronsystemen. Monobronnen kunnen op een kleinere horizontale afstand van elkaar gerealiseerd worden, mits de koude en warme bronfilters zich rond dezelfde diepte bevinden.
Voor het grootschalig toepassen van open bodemenergiesystemen is het gecombineerde tweede en derde watervoerende pakket hier het meest geschikt vanwege de bodemtechnische geschiktheid. De schematische dieptes van de watervoerende pakketten zijn weergegeven in Tabel 4.1 in het Bodemenergieplan Mercatorpark. Vanwege de heterogene bodemopbouw dient iedere initiatiefnemer per ontwikkeling op basis van de meest recente en relevante informatie de bodemopbouw ter plaatse te beoordelen om te valideren of een open bodemenergiesysteem binnen de kaders van het bodemenergieplan realiseerbaar is.
De ordening van open bodemenergiesystemen in het gecombineerde tweede en derde watervoerende pakket vindt plaats op basis van een oriëntatiepatroon in zones. Deze zones zijn uitgewerkt in de plankaart die is opgenomen in het Bodemenergieplan Mercatorpark. Zonering voor de bronnen biedt voor de inpassing zowel sturing alsmede flexibiliteit. De zonering is sturend in de ruimtelijke ondergrondse ordening door het regisseren van het specifiek opslaan van warmte of koude in een bepaalde zone met als doel dat negatieve interferentie tussen warmte en koude wordt voorkomen en daarmee het behalen van het totale potentieel niet verhinderd wordt. Het biedt vrijheid in de praktische ruimtelijke inpassing in het terrein. Door het definiëren van een zone en geen vaste bronposities, blijft het mogelijk de ruimtelijke inpassing af te wegen met andere ordeningsbehoeftes voor gebouwen, inrichting openbare ruimte en aanwezige en toekomstige infrastructuur.
Er is gekozen voor een zonering, omdat hiermee het ondergrondse potentieel beter wordt benut en verticale thermische interferentie tussen het warme en koude bronfilter wordt voorkomen als gevolg van cumulatieve thermische effecten. Daarnaast is ook rekening gehouden met de benodigde hoeveelheid monobronnen per kavel om aan de energievraag te voldoen.
Om negatieve thermische interferentie tussen het koude en warme bronfilter te voorkomen is het van belang dat deze bronfilters binnen het projectgebied binnen hetzelfde dieptetraject bevinden. Bij de monobron van basisschool De Springplank ten noordoosten van het gebied bevindt het koude filter zich boven het warme filter. Om de realisatie van een monobron in de bufferzone tussen de monobron van basisschool De Springplank en het projectgebied mogelijk te maken, is gekozen om het koude filter boven het warme filter te plaatsen binnen het projectgebied.
Voor het optimaal benutten van het ondergrondse potentieel met monobronnen is het belangrijk om zoveel mogelijk van de dikte van het opslagpakket te gebruiken, zodat de verticale thermische effecten beperkt blijven en wordt voorkomen dat negatieve thermische beïnvloeding tussen de bronfilters optreedt. Hiervoor moet minimaal 10 m bronfilter geplaatst worden. Vanwege de redoxovergang op een diepte van 90 à 110 m-mv kan het koude bronfilter vanaf 120 m-mv gesteld worden. Om negatieve thermische beïnvloeding van het koude met het warme bronfilter te voorkomen is de maximale diepte voor het plaatsen van het koude bronfilter 135 m-mv.
Voor het optimaal benutten van het ondergrondse potentieel met monobronnen is het belangrijk om zoveel mogelijk van de dikte van het opslagpakket te gebruiken, zodat de verticale thermische effecten beperkt blijven en wordt voorkomen dat negatieve thermische beïnvloeding tussen de bronfilters optreedt. Hiervoor moet minimaal 10 m bronfilter geplaatst worden. Om negatieve thermische beïnvloeding van het warme met het koude bronfilter te voorkomen is de minimale diepte voor het plaatsen van het bronfilter 170 m-mv.
Op grond van de regelgeving van het rijk is voor een open bodemenergiesysteem een bodemzijdig warmteoverschot niet toegestaan. Een koude overschot is wel toegestaan. Een bodemzijdige energetische onbalans zorgt voor een minder optimale inzet van het bodemzijdig potentieel. Daarom wordt binnen dit plan geen koudeoverschot toegestaan en moet het open bodemenergiesysteem energetisch in balans functioneren. Dit betekent dat mogelijk een aanvullende (regeneratie)voorziening in het ontwerp ingepast moet worden. Hierbij kan gedacht worden aan bijvoorbeeld droge koelers, oppervlaktewatersysteem en/of andere bronnen.
Om ruimte te bieden voor uitzonderlijke situaties, kan afgeweken worden van de boven gestelde regels. Hiervoor moet in overleg met de gemeente Amsterdam bepaald worden of de afwijking is toegestaan. Pas nadat de gemeente een schriftelijke toestemming heeft gegeven kan een initiatiefnemer deze toestemming met een onderbouwing van de afwijking bij de vergunningaanvraag toevoegen. Daarmee wordt de afwijking ter goedkeuring aan de voorgelegd.
Artikel 2.2 Gesloten bodemenergiesystemen
Dit artikel geeft aan welke regels op gesloten bodemenergiesystemen binnen het interferentiegebied Mercatorpark van toepassing zijn en worden als volgt toegelicht:
Vanaf 120 m-mv is het gecombineerde tweede en derde watervoerende pakket gereserveerd voor de toepassing van open bodemenergiesystemen. Om onderlinge thermische negatieve interferentie tussen open en gesloten bodemenergiesystemen te minimaliseren moet er een verticale scheiding aangehouden worden tussen de open en gesloten bodemenergiesystemen. Hierdoor mogen gesloten bodemenergiesystemen niet dieper reiken dan 120 m-mv.
Om het beschikbare bodempotentieel zo optimaal mogelijk in te zetten voor bodemenergie, moet de initiatiefnemen van een gesloten bodemenergiesysteem streven naar een zo optimaal mogelijk functionerend systeem. Daarbij moet hij in het ontwerp uitgaan van een minimale SPF van 4 en er zorg voor dragen dat het systeem ook op die wijze aangelegd wordt en functioneert.
Om ruimte te bieden voor uitzonderlijke situaties, kan afgeweken worden van de boven gestelde regels. Hiervoor moet in overleg met de gemeente bepaald worden of de afwijking is toegestaan. Pas nadat de gemeente Amsterdam een schriftelijke toestemming heeft gegeven kan een initiatiefnemer deze toestemming met een onderbouwing van de afwijking bij de vergunningaanvraag toevoegen. Daarmee wordt de afwijking ter goedkeuring aan de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied voorgelegd.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-506652.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.