Subsidieregeling inclusief samenleven Den Haag 2025

Toelichting

 

Den Haag is één van de meest diverse steden van Nederland. Dit brengt veel verschillende culturen, achtergronden, geschiedenissen en perspectieven met zich mee. Een inclusieve samenleving spreekt hierbij niet voor zich. Mensen hebben nog altijd te maken met uitsluiting, discriminatie of racisme. Dat kan zijn op basis van bijvoorbeeld afkomst of religieuze overtuigingen, maar ook op basis van de sociaaleconomische positie van iemand.

 

Met deze subsidieregeling wordt uitvoering gegeven aan het beleidskader Inclusief Samenleven: allemaal anders, iedereen Haags (RIS318932) door het stimuleren van organisaties en individuen om een bijdrage te leveren aan een inclusieve samenleving. Deze subsidieregeling vervangt: de Subsidieregeling emancipatie Den Haag 2023, de Subsidieregeling Verbinding en Antidiscriminatie Den Haag 2022 en de Subsidieregeling koloniaal- en slavernijverleden Den Haag 2022.

 

Er is gekozen voor één integrale subsidieregeling. Op deze manier is het voor aanvragers duidelijker voor welke activiteiten zij subsidie aan kunnen vragen en welke informatie nodig is bij een aanvraag. Voor meerdere activiteiten is het mogelijk om subsidie aan te vragen voor meerdere jaren. Om een betere selectie te kunnen maken wordt bij verschillende activiteiten gewerkt met een subsidietender. Zo krijgen kwalitatief goede plannen voorrang boven minder goede plannen.

 

Besluitvorming

 

Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag;

 

gelet op artikel 5 van de Algemene subsidieverordening Den Haag 2020;

 

besluit vast te stellen de navolgende Subsidieregeling inclusief samenleven Den Haag 2025:

 

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

 

Artikel 1:1 Begripsomschrijvingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

- ASV:

Algemene subsidieverordening Den Haag 2020;

- Awb:

Algemene wet bestuursrecht;

college:

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag; 

counter-stereotypen:

methodiek waarbij mensen worden gestimuleerd om te denken in anti-stereotypen;

culturele instelling: 

 

een rechtspersoon die actief is in beeldende kunst, erfgoed zoals musea of archieven, dans, film, letteren, Spoken Word, muziek, theater, en cultuureducatie en- participatie en waarbij activiteiten worden aangeboden voor een publiek van minimaal 100 personen in één keer;

discriminatie: 

discriminatie als bedoeld in artikel 1 van de Grondwet; 

economische zelfredzaamheid:

zelfstandigheid die ontstaat als een persoon een inkomen uit arbeid of een eigen onderneming heeft dat minimaal gelijk is aan een bijstandsuitkering voor een alleenstaande;

emancipatie: 

 

het proces waarbij gestreefd wordt naar gelijkwaardige behandeling van vrouwen of queerpersonen, waarbij een volwaardige plaats in de samenleving wordt ingenomen;

inclusie:

het insluiten van alle mensen in de samenleving op basis van gelijkwaardige rechten en plichten;

inclusieve samenleving:

een samenleving waarin de sociale cohesie sterk is, iedereen kan meedoen naar diens vermogen, niemand wordt uitgesloten, met gelijke kansen en een gelijke behandeling voor iedereen;

- instelling voor mbo: 

instelling voor het middelbaar beroepsonderwijs zoals bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs; 

- instelling voor hbo:

 

instelling voor het hoger onderwijs zoals bedoeld in artikel 1.1, onder g, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;

instelling voor voortgezet onderwijs: 

instelling voor voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 2 van de Wet op het voortgezet onderwijs; 

inwoner:

persoon die woont binnen de gemeentegrenzen van Den Haag;

- kansengelijkheid: 

gelijkheid van kansen voor inwoners doordat zij in staat worden gesteld, gemotiveerd en waar nodig ondersteund om hun talenten te ontwikkelen; 

- kernnormen en -waarden van de Nederlandse rechtsstaat: 

waarden die voortvloeien uit de democratische rechtsstaat en de menselijke waardigheid beogen. Algemeen aanvaarbare waarden zijn in ieder geval: vrijheid, gelijkwaardigheid, solidariteit, gedeelde verantwoordelijkheid en zelfbeschikking; 

- KIS:

Kennisplatform Integratie & Samenleving; 

- KIS-rapport: 

 

rapport ‘Wat werkt bij het verminderen van discriminatie’, vastgesteld door het KIS; 

koloniaal- en slavernijverleden: 

het verleden van Europese staten waarin zij andere gebieden en volkeren met geweld overheersten voor economisch gewin; 

nazaten: 

mensen wiens voorouders slachtoffers zijn van het koloniale- en slavernijverleden van Nederland; 

natuurlijk persoon:

een inwoner van Den Haag;

queer: 

verzamelterm voor mensen die niet-hetero zijn en/of zich niet (helemaal) herkennen in de traditionele ideeën over geslacht;

Roze Loper keurmerk: 

keurmerk dat wordt uitgereikt aan een organisatie, nadat die organisatie een traject heeft gevolgd dat leidt naar sociale acceptatie van gender en seksuele diversiteit in de zorg; 

school:

school als bedoeld in artikel 1 van de Wet Primair Onderwijs; 

seksueel grensoverschrijdend gedrag:

handelingen, uitingen of gedragingen van seksuele aard waarbij zonder toestemming of instemming de grenzen van een ander worden overschreden en die door de ander als onveilig, intimiderend, bedreigend of vernederend wordt ervaren;

sociale acceptatie: 

een situatie waarbij het uitkomen voor de eigen identiteit geen invloed heeft op de manier waarop iemand door de omgeving wordt benaderd;

sociale cohesie:

de bereidheid van bewoners en organisaties om samen te werken aan gemeenschappelijke doelen, onderlinge verbondenheid, sociale participatie en de bereidwilligheid elkaar te helpen;

straatintimidatie: 

gedrag van een persoon in de openbare ruimte of in voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven waardoor een andere persoon zich bang en onveilig voelt. Hieronder wordt in ieder geval begrepen: toeroepen, nastaren, ongewenst aanraken, hinderlijk volgen, bespugen en in het nauw drijven;

veiligheid: 

een situatie waarin iedereen zichzelf kan zijn, zonder belemmeringen of risico op discriminatie, intimidatie en geweld – zowel op straat, als in voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende terreinen; 

weerbaarheid: 

vermogen om op een goede manier voor zichzelf op te komen en in staat te zijn grenzen aan te geven;

zichtbaarheid: 

het vermogen om publiekelijk aandacht te genereren om de positie van personen te verbeteren en sociale acceptatie en veiligheid te vergroten. 

 

Artikel 1:2 Toepassingsbereik

Deze subsidieregeling is van toepassing op de verstrekking van subsidies door het college voor de in deze regeling genoemde activiteiten.

 

Artikel 1:3 Doel van de subsidie

  • 1.

    Het doel van de subsidieregeling is het bevorderen van kansengelijkheid, veiligheid, en sociale acceptatie voor alle inwoners, het stimuleren van maatschappelijke bewustwording over het koloniaal- en slavernijverleden, over queer- en vrouwenemancipatie en het tegengaan van straatintimidatie en discriminatie.

  • 2.

    Het achterliggende maatschappelijke doel van de subsidieregeling is het streven naar een Haagse inclusieve samenleving.

 

Artikel 1:4 Kosten die voor subsidie in aanmerking komen

  • 1.

    De subsidie heeft uitsluitend betrekking op de redelijkerwijs te maken kosten die resteren na aftrek van bijdragen van derden en die naar het oordeel van het college zijn verbonden met en noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een activiteit als bedoeld in artikel 3:1:1, 3:2:1, 4:1:1, 4:2:1, 4:3:1 en 5:1.

  • 2.

    Niet voor subsidie in aanmerking komen:

    a. de kosten die door de aanvrager zijn gemaakt vóór de indiening van de aanvraag;

    b. de verrekenbare BTW over de gesubsidieerde kosten; 

    c. de eventuele restwaarde van specifiek voor de subsidiabele activiteiten aangeschafte apparatuur; 

    d. de kosten die eerder door het college op basis van deze subsidieregeling of anderszins zijn of worden gesubsidieerd of waarvoor een andere subsidieregeling van kracht is; 

    e. de kosten van catering en consumpties die meer bedragen dan 20% van de totale subsidiabele kosten;

    f. de kosten die gemaakt worden voor de waardering van vrijwilligers die meer bedragen dan € 25,- per vrijwilliger per jaar en voor zover het totaal van deze kosten per aanvraag meer bedraagt dan € 5.900,-; 

    g. de kosten voor vrijwilligersvergoedingen die hoger zijn dan 5 % van de subsidie die wordt verleend of die hoger zijn dan het fiscaal vrijgestelde maximum of die hoger zijn dan wat door het college redelijk en proportioneel wordt geacht.

 

Artikel 1:5 Indexatie

Op grond van artikel 15a, derde lid, wijkt het college af van artikel 15a, eerste lid en worden subsidies gedurende het subsidietijdvak niet geïndexeerd.

 

Hoofdstuk 2 Aanvraag subsidie

 

Artikel 2:1 Aanvraag subsidie

  • 1.

    In afwijking van artikel 8, tweede en derde lid, van de ASV legt de aanvrager de volgende gegevens over als bijlage bij het aanvraagformulier:

    a. een projectplan waarin tenminste de volgende onderdelen zijn uitgewerkt:

    1° een beschrijving van de activiteit waarvoor subsidie wordt aangevraagd;

    2° zo concreet mogelijk de doelen en de resultaten die met de te subsidiëren activiteiten worden nagestreefd en hoe de activiteiten aan die doelen bijdragen;

    3° welke werkzaamheden worden verricht ter realisatie van de activiteit;

    4° een beschrijving van de doelgroep en de wervingsstrategie van deelnemers;

    5° de planning van de werkzaamheden en de activiteit;

    6° de mogelijke risico’s en beheersmaatregelen bij het opzetten en de uitvoering van de activiteit;

    7° een beschrijving van de voorgestelde projectorganisatie die de activiteit realiseert;

    8° een beschrijving van de wijze waarop de activiteit wordt gemonitord en geëvalueerd;

    9 ° indien van toepassing, een beschrijving van hoe wordt voortgebouwd op resultaten en ervaringen van eerdere activiteiten van de aanvrager en van het toekomstperspectief van de activiteit;

    10° een beschrijving van eventuele samenwerking met andere relevante organisaties, instanties of bedrijven; en

    b. een begroting bij het aanvraagformulier van de kosten van de activiteiten waar subsidie wordt aangevraagd, waarbij in ieder geval het volgende staat opgenomen:

    1° de kosten van de activiteit;

    2° indien kosten voor loon of inhuur in de begroting zijn opgenomen, de wijze waarop deze kosten tot stand zijn gekomen;

    3° de dekking van de kosten van de activiteit met daarin in ieder geval een opgave van alle bij bestuursorganen, private organisaties of personen aangevraagde en verkregen subsidies of vergoedingen ten behoeve van dezelfde activiteiten, onder vermelding van de stand van zaken daarvan, indien van toepassing.

  • 2.

    De aanvrager maakt voor de aanvraag gebruik van de door het college voor deze regeling vastgestelde digitale aanvraagformulieren en begrotingsformats.

 

Hoofdstuk 3 Subsidie voor het tegengaan van discriminatie en het stimuleren van verbinding

 

Paragraaf 3:1 Subsidie voor projectmatige activiteiten gericht op het tegengaan van discriminatie en het stimuleren van verbinding

 

Artikel 3:1:1 Activiteiten

Subsidie op grond van dit hoofdstuk wordt uitsluitend verstrekt voor activiteiten met een incidenteel karakter, die:

  • a. discriminatie tegengaan met één of meer van de werkzame mechanismen die omschreven staan in het KIS-rapport:

    1° inleven en empathie bevorderen;

    2° sociale norm veranderen;

    3° confronteren en bewustwording stimuleren;

    4° flexibel denken door counter-stereotypen; of

    b. de gevolgen van discriminatie bestrijden door het organiseren van weerbaarheidstrainingen die:

    1° worden gegeven door trainers die ervaringsdeskundig zijn of beschikken over bewezen expertise met de doelgroep;

    2° ervaringen van de deelnemers centraal stellen; en

    3° handelingsperspectieven bieden over hoe met discriminatie om te gaan, die vooraf zijn afgestemd met de Haagse antidiscriminatievoorziening; of

    c. ontmoetingen realiseren tussen inwoners met diverse sociaaleconomische, culturele of religieuze achtergronden, waarbij:

    1° dialoog, het samenwerken aan een gemeenschappelijk doel of het delen van ervaringsverhalen van mensen die discriminatie hebben ondervonden centraal staat, en

    2° de activiteiten voldoen aan alle onderstaande vereisten:

    i. deelnemers uit verschillende bevolkingsgroepen verbindt;

    ii. empathie creëert voor elkaar;

    iii. bestaande vooroordelen ter discussie stelt;

    iv. de angst vermindert waarbij het contact ertoe moet leiden dat men ervaart dat leden van de andere groep niet bedreigend zijn; en

    v. tot doel hebben om tenminste 25 personen te betrekken.

 

Artikel 3:1:2 Subsidietijdvak

Een aanvraag voor subsidie op grond van deze paragraaf wordt ingediend voor activiteiten korter dan het gehele subsidietijdvak, dat loopt vanaf 1 januari tot en met 31 december van het jaar waar de aanvraag op ziet.

 

Artikel 3:1:3 Doelgroep

Subsidie wordt verstrekt aan rechtspersonen en aan natuurlijke personen.

 

Artikel 3:1:4 Hoogte van de subsidie

  • 1.

    Een subsidie voor de activiteiten genoemd onder artikel 3:1:1 bedraagt voor rechtspersonen per kalenderjaar maximaal € 40.000,- per aanvrager.

  • 2.

    Een subsidie voor de activiteiten genoemd onder artikel 3:1:1 bedraagt voor natuurlijke personen per kalenderjaar maximaal € 5.000,- per aanvrager.

 

Artikel 3:1:5 Subsidieplafond

  • 1.

    Voor subsidieverlening op grond van deze paragraaf geldt:

    a. voor het kalenderjaar 2026 een subsidieplafond van € 600.000,-;

    b. voor het kalenderjaar 2027 en verder een subsidieplafond van € 400.000,-.

  • 2.

    Als het plafond niet wordt bereikt, wordt het resterende subsidiebudget, na beoordeling van alle aanvragen die voor subsidie in aanmerking komen, overgeheveld naar het subsidieplafond als genoemd in:

    a. artikel 4:1:5, indien dit subsidieplafond wordt overschreden; of

    b. artikel 5:5, indien het subsidieplafond als bedoeld onder a niet is overschreden.

  • 3.

    Het college kan de hoogte van de subsidieplafonds jaarlijks bij afzonderlijk besluit wijzigen.

  • 4.

    Het college kan de subsidieplafonds verlagen conform artikel 7, tweede lid, van de ASV.

 

Artikel 3:1:6 Wijze van verdeling

  • 1.

    Het college verleent de subsidie in volgorde van ontvangst van de aanvraag bij het college, totdat het vastgestelde subsidieplafond is bereikt.

  • 2.

    Als de aanvrager krachtens artikel 4:5 van de Awb de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, geldt als datum van indiening van de aanvraag het tijdstip waarop de aanvraag volledig is aangevuld.

 

Artikel 3:1:7 Aanvraagtermijn

In overeenstemming met artikel 9, tweede lid, van de ASV, wordt een aanvraag op grond van dit hoofdstuk ingediend uiterlijk 12 weken voor aanvang van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd.

 

Paragraaf 3:2 Subsidie voor meerjarige activiteiten gericht op het tegengaan van discriminatie en het stimuleren van verbinding

 

Artikel 3:2:1 Activiteiten

Subsidie op grond van dit hoofdstuk wordt uitsluitend verstrekt voor activiteiten, die:

  • a. discriminatie tegengaan met één of meer van de werkzame mechanismen die omschreven staan in het KIS-rapport:

    1° inleven en empathie bevorderen;

    2° sociale norm veranderen;

    3° confronteren en bewustwording stimuleren;

    4° flexibel denken door counter-stereotypen, of

    b. de gevolgen van discriminatie bestrijden door het organiseren van weerbaarheidstrainingen die:

    1° worden gegeven door trainers die ervaringsdeskundig zijn of beschikken over bewezen expertise met de doelgroep;

    2° ervaringen van de deelnemers centraal stellen; en

    3° handelingsperspectieven bieden over hoe met discriminatie om te gaan, die vooraf zijn afgestemd met de Haagse antidiscriminatievoorziening; of

    c. ontmoetingen realiseren tussen inwoners met diverse sociaaleconomische, culturele of religieuze achtergronden, waarbij:

    1° dialoog, het samenwerken aan een gemeenschappelijk doel of het delen van ervaringsverhalen van mensen die discriminatie hebben ondervonden centraal staat; en

    2° de activiteiten voldoen aan alle onderstaande vereisten:

    i. deelnemers uit verschillende bevolkingsgroepen verbindt;

    ii. empathie creëert voor elkaar;

    iii. bestaande vooroordelen ter discussie stelt;

    iv. de angst vermindert waarbij het contact ertoe moet leiden dat men ervaart dat leden van de andere groep niet bedreigend zijn; en

    v. tot doel hebben om tenminste 25 personen te betrekken.

 

Artikel 3:2:2 Subsidietijdvak

Een aanvraag voor subsidie op grond van deze paragraaf wordt ingediend voor het gehele subsidietijdvak, dat loopt vanaf 1 januari 2027 tot en met 31 december 2028.

 

Artikel 3:2:3 Doelgroep

Subsidie op grond van deze paragraaf wordt uitsluitend verstrekt aan rechtspersonen.

 

Artikel 3:2:4 Hoogte van de subsidie

Een subsidie voor de activiteiten genoemd onder artikel 3:1:1 bedraagt voor het gehele subsidietijdvak maximaal € 80.000,- per aanvrager.

 

Artikel 3:2:5 Subsidieplafond

  • 1.

    Voor subsidieverlening op grond van deze paragraaf geldt vanaf kalenderjaar 2027 een maximum van € 400.000,- per kalenderjaar.

  • 2.

    Als het plafond niet wordt bereikt, wordt het resterende subsidiebudget, na beoordeling van alle aanvragen die voor subsidie in aanmerking komen, overgeheveld naar het subsidieplafond als genoemd in artikel 3:1:5, indien dit subsidieplafond wordt overschreden;

  • 3.

    Het college kan de hoogte van de subsidieplafonds jaarlijks bij afzonderlijk besluit wijzigen.

  • 4.

    Het college kan de subsidieplafonds verlagen conform artikel 7, tweede lid, van de ASV.

 

Artikel 3:2:6 Wijze van verdeling

  • 1.

    Het college verleent subsidie in volgorde van ontvangst van de aanvraag, totdat het vastgestelde subsidieplafond van dat jaar is bereikt.

  • 2.

    Als de aanvrager krachtens artikel 4:5 van de Awb de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, geldt als tijdstip van ontvangst van de aanvraag het tijdstip waarop de aanvraag volledig is aangevuld.

 

Artikel 3:2:7 Aanvraagtermijn

In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de ASV, wordt een aanvraag op grond van dit hoofdstuk ingediend in de periode van 1 februari tot 1 maart 2026.

 

Hoofdstuk 4 Subsidie voor queeremancipatie, vrouwenemancipatie en het tegengaan van straatintimidatie

 

Paragraaf 4:1 Subsidie voor projectmatige activiteiten gericht op queeremancipatie, vrouwenemancipatie en het tegengaan van straatintimidatie

 

Artikel 4:1:1 Activiteiten

Subsidie op grond van deze paragraaf wordt uitsluitend verstrekt voor activiteiten met een incidenteel karakter voor een bepaalde tijd gericht op:

  • a. vrouwenemancipatie, die:

    1° de weerbaarheid van vrouwen en meisjes vergroten tegen geweld;

    2° seksueel grensoverschrijdend gedrag tegengaan;

    3° bijdragen aan de economische zelfredzaamheid van vrouwen, met aandacht voor (her)intreding op de arbeidsmarkt of de verdeling tussen privé en werk; of

    4° bijdragen aan de bewustwording over het belang van vrouwenemancipatie en hoe hieraan bijgedragen kan worden; of

    b. queeremancipatie, die:

    1° de veiligheid, zichtbaarheid of sociale acceptatie van queerpersonen vergroten; of

    2° de kennis en het begrip vergroten van professionals in de zorg, welzijn of het onderwijs over seksuele, sekse- en genderdiversiteit, bijvoorbeeld via trainingen, materialen, of een keurmerk zoals het Roze Loper keurmerk; of

    c. het tegengaan van straatintimidatie, die: 

    1° de veiligheid op straat in Den Haag vergroot voor vrouwen of queerpersonen; of

    2° de bewustwording over straatintimidatie en de gevolgen ervan vergroot; of

    3° het handelingsperspectief voor omstanders en slachtoffers vergroot.

 

Artikel 4:1:2 Subsidietijdvak

Een aanvraag voor subsidie op grond van deze paragraaf wordt ingediend voor een periode korter dan het gehele subsidietijdvak van 1 januari tot en met 31 december van het jaar waar de subsidieaanvraag op ziet.

 

Artikel 4:1:3 Doelgroep

Subsidie op grond van deze paragraaf uitsluitend verstrekt aan rechtspersonen en natuurlijke personen.

 

Artikel 4:1:4 Hoogte van de subsidie

  • 1.

    Subsidie voor activiteiten onder artikel 4:1:1 aan rechtspersonen bedraagt per kalenderjaar, per aanvrager, maximaal:

    a. € 50.000,- voor activiteiten genoemd in artikel 4:1:1, onder a en b;

    b. € 35.000,- voor activiteiten genoemd in artikel 4:1:1 onder c.

  • 2.

    Subsidie voor activiteiten onder artikel 4:1:1 aan natuurlijke personen bedraagt per kalenderjaar, per aanvrager maximaal € 5.000,-.

 

Artikel 4:1:5 Subsidieplafond

Voor subsidieverlening op grond van dit hoofdstuk geldt vanaf kalenderjaar 2026 een subsidieplafond van € 250.000,- per kalenderjaar met de volgende deelplafonds:

  • a. € 130.000,- voor activiteiten zoals bedoeld in artikel 4:1:1, onder a;

    b. € 85.000,- voor activiteiten zoals bedoeld in artikel 4:1:1, onder b;

    c. € 35.000,- voor activiteiten zoals bedoeld in artikel 4:1:1, onder c.

 

Artikel 4:1:6 Wijze van verdeling

  • 1.

    Het college verleent de subsidie in volgorde van ontvangst van de aanvraag bij het college, totdat het vastgestelde deelplafond is bereikt.

  • 2.

    Als de aanvrager krachtens artikel 4:5 van de Awb de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, geldt als datum van indiening van de aanvraag het tijdstip waarop de aanvraag volledig is aangevuld.

 

Artikel 4:1:7 Aanvraagtermijn

In overeenstemming met artikel 9, tweede lid, van de ASV, wordt een aanvraag op grond van dit hoofdstuk ingediend uiterlijk 12 weken voor aanvang van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd.

 

Paragraaf 4:2 Subsidie éénjarige activiteiten gericht op queer- en vrouwenemancipatie

 

Artikel 4:2:1 Activiteiten

Subsidie op grond van deze paragraaf wordt uitsluitend verstrekt voor activiteiten gericht op:

  • a. vrouwenemancipatie, die:

    1° de weerbaarheid van vrouwen en meisjes vergroten tegen geweld;

    2° seksueel grensoverschrijdend gedrag tegengaan;

    3° bijdragen aan de economische zelfredzaamheid van vrouwen, met aandacht voor (her)intreding op de arbeidsmarkt of de verdeling tussen privé en werk; of

    4° bijdragen aan de bewustwording over het belang van vrouwenemancipatie en hoe hieraan bijgedragen kan worden; of

    b. queeremancipatie, die:

    1° de veiligheid, zichtbaarheid of sociale acceptatie van queerpersonen vergroten; of

    2° de kennis en het begrip vergroten van professionals in de zorg, welzijn of het onderwijs over seksuele, sekse- en genderdiversiteit, bijvoorbeeld via trainingen, materialen, of een keurmerk zoals het Roze Loper keurmerk.

 

Artikel 4:2:2 Subsidietijdvak

Een aanvraag voor subsidie op grond van deze paragraaf wordt ingediend voor het gehele subsidietijdvak van 1 januari tot en met 31 december van het jaar waar de subsidieaanvraag op ziet.

 

Artikel 4:2:3 Doelgroep

Subsidie op grond van deze paragraaf wordt uitsluitend verstrekt aan rechtspersonen aan wie geen subsidie is verleend op grond van paragraaf 4:3.

 

Artikel 4:2:4 Hoogte van de subsidie

Een subsidie voor de activiteiten genoemd onder artikel 4:2:1 bedraagt per aanvrager, per kalenderjaar maximaal € 75.000,-.

 

Artikel 4:2:5 Subsidieplafond

  • 1.

    Voor subsidieverlening op grond van deze paragraaf geldt vanaf kalenderjaar 2027 een subsidieplafond van € 475.000,- per kalenderjaar met deelplafonds van:

    a. € 275.000,- voor activiteiten zoals bedoeld in artikel 4:2:1, onder a;

    b. € 200.000,- voor activiteiten zoals bedoeld in artikel 4:2:1, onder b.

  • 2.

    Als het subsidieplafond niet wordt bereikt, wordt het resterende subsidiebudget, na beoordeling van alle aanvragen die voor subsidie in aanmerking komen, overgeheveld naar het subsidieplafond als genoemd in artikel 4:1:5, indien één of meerdere deelplafonds worden overschreden, waarbij eerst wordt overgeheveld naar het deelplafond waarvoor het totaalbedrag aan totaal toe te kennen subsidies de middelen het meest overschrijdt.

  • 3.

    Het college kan de hoogte van de subsidieplafonds jaarlijks bij afzonderlijk besluit wijzigen.

  • 4.

    Het college kan de subsidieplafonds verlagen conform artikel 7, tweede lid, van de ASV.

 

Artikel 4:2:6 Wijze van verdeling

  • 1.

    Het college brengt een rangschikking aan in de aanvragen die in aanmerking komen voor subsidie.

  • 2.

    Bij de rangschikking van de aanvragen kent het college punten toe aan de hand van de volgende criteria en tot het daarbij vermelde maximumaantal:

    a. de aanvrager toont middels het opstellen van een analyse inzicht in de vraagstukken en kansen rondom vrouwen- of queeremancipatie in de stad en onderbouwt met relevante bronnen of ervaringen hoe de activiteit aansluit op deze vraagstukken en kansen:

    1◦ de analyse geeft goed inzicht in de vraagstukken en kansen doordat deze is onderbouwd met relevante bronnen en ervaringen: 10 punten;

    2◦ de analyse geeft gemiddeld inzicht in de vraagstukken en kansen doordat deze is onderbouwd met relevante bronnen of ervaringen: 5 punten;

    3◦ de analyse geeft onvoldoende inzicht in de vraagstukken en kansen omdat deze onvoldoende of niet is onderbouwd met relevante bronnen of ervaringen: 0 punten;

    b. de aanvrager stelt een duidelijke aanpak voor met beoogde resultaten, die aansluit op de uitkomsten van de eerder gemaakte analyse:

    1◦ de aanpak en beoogde resultaten dragen onderbouwd bij aan de vraagstukken opgenomen in de analyse: 10 punten;

    2◦ er wordt verbinding gelegd tussen de aanpak, beoogde resultaten en de vraagstukken opgenomen in de analyse: 5 punten;

    3◦ de aanpak en beoogde resultaten dragen niet bij aan de vraagstukken opgenomen in de analyse: 0 punten;

    c. de aanvraag richt zich binnen queer- en vrouwenemancipatie op één of meerdere van onderstaande doelgroepen: bi-culturele queer jongeren, transgender personen, queer vluchtelingen of queer ouderen, niet-uitkeringsgerechtigden vrouwen, vrouwen met een afstand tot de arbeidsmarkt:

    1◦ de aanvraag richt zich op één of meerdere van bovenstaande doelgroepen, en uit de onderbouwing van de aanpak blijkt dat het zeer aannemelijk is dat deze activiteiten gaan bijdragen aan de in de analyse opgenomen vraagstukken: 10 punten;

    2◦ de aanvraag richt zich op één of meerdere van bovenstaande doelgroepen, en uit de onderbouwing van de aanpak blijkt dat het voldoende aannemelijk is dat deze activiteiten gaan bijdragen aan de relevante knelpunten: 5 punten;

    3◦ de aanvraag richt zich niet op één of meerdere van bovenstaande doelgroepen, of en uit de onderbouwing van de aanpak blijkt niet dat het aannemelijk is dat deze activiteiten gaan bijdragen aan de relevante knelpunten: 0 punten;

    d. uit de aanvraag blijkt een effectieve wervingsstrategie. De aanvrager werft effectief deelnemers uit de doelgroep waar de activiteit zich op richt, dit blijkt uit een onderbouwde keuze voor de wervingsinstrumenten, de wijze en frequentie van inzet hiervan, het beoogde resultaat en hoe de wervingsaanpak aansluit op de analyse van de doelgroep:

    1◦ het is zeer aannemelijk dat de wervingsstrategie effectief is: 10 punten;

    2◦ het is voldoende aannemelijk dat de wervingsstrategie effectief is: 5 punten;

    3◦ het is onvoldoende aannemelijk dat de wervingsstrategie effectief is: 0 punten;

    e. de activiteiten sluiten aan op de behoefte van de deelnemers. Dit blijkt uit de mate waarin de aanvrager met een analyse overtuigend onderbouwt hoe de activiteiten aansluiten bij de behoefte van de doelgroep:

    1◦ de aanvrager onderbouwt overtuigend hoe de activiteit aansluit op de behoefte van de deelnemers: 10 punten;

    2◦ de aanvrager maakt aannemelijk dat de activiteit aansluit op de behoefte van de deelnemers en de activiteit: 5 punten;

    3◦ de aanvrager legt niet of nauwelijks verbinding tussen de activiteit en de behoeften van de deelnemers: 0 punten;

    f. de aanvrager toont aan dat de activiteiten ook na de subsidieperiode bestaansrecht en perspectief hebben, door het overleggen van een realistisch toekomstperspectief en haalbare financieringsstrategie:

    1◦ de activiteiten hebben na de subsidieperiode bestaansrecht en perspectief, dit blijkt uit een realistisch toekomstperspectief en een concreet uitgewerkte financieringsstrategie voor de toekomst; 10 punten;

    2◦ de activiteiten hebben na de subsidieperiode bestaansrecht en perspectief, dit blijkt uit een realistisch toekomstperspectief en een haalbare financieringsstrategie voor de toekomst; 5 punten;

    3◦ de activiteiten hebben na de subsidieperiode geen bestaansrecht en perspectief, dit blijkt uit een niet realistisch toekomstperspectief of een niet haalbare financieringsstrategie voor de toekomst: 0 punten.

  • 3.

    Wanneer het totaalbedrag van de te honoreren aanvragen hoger is dan het vastgesteld subsidieplafond, verleent het college de subsidie in volgorde van de door het college aangebrachte rangschikking, totdat het voor de betrokken subsidie vastgestelde subsidieplafond is bereikt.

  • 4.

    Als het subsidieplafond wordt overschreden als gevolg van aanvragen die bij de beoordeling gelijk zijn gerangschikt, stelt het college de onderlinge rangschikking van die aanvragen vast door middel van loting.

 

Artikel 4:2:7 Aanvraag subsidie

In aanvulling op artikel 2:1 werkt de aanvrager ook de volgende onderdelen uit in het projectplan zoals bedoeld in artikel 2:1:

  • a. een uitgewerkte analyse en probleemstelling met vraagstukken, de kansen en beoogde doelgroep van de activiteit onderbouwd met relevante bronnen of ervaring;

    b. een realistische en planmatige beschrijving van de aanpak, de aansluiting op de behoefte van de beoogde doelgroep(en), de concrete stappen, de beoogde resultaten en de wijze waarop deze resultaten bijdragen aan het oplossen van de vraagstukken en bijdragen aan de mogelijke kansen uit de analyse, duidelijk uiteen worden gezet;

    c. een uitgewerkte wervingsaanpak met daarin een onderbouwde keuze voor de wervingsinstrumenten, de wijze en frequentie van inzet hiervan, het beoogde resultaat en hoe de wervingsaanpak aansluit op de analyse van de doelgroep;

    d. een beschrijving van een realistisch toekomstperspectief en concreet uitgewerkte financieringsstrategie waaruit blijkt dat de activiteiten ook zonder subsidie bestaansrecht hebben;

    e. een beschrijving van hoe de activiteit zich verhoudt ten opzichte van het bestaande aanbod van activiteiten in Den Haag.

 

Artikel 4:2:8 Aanvraagtermijn

In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de ASV wordt een aanvraag voor subsidie voor kalenderjaar 2027 en verder ingediend tussen 1 juni en 1 juli van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de activiteiten plaatsvinden.

 

Paragraaf 4:3 Subsidie meerjarige activiteiten voor queer- en vrouwenemancipatie

 

Artikel 4:3:1 Activiteiten

Subsidie op grond van dit hoofdstuk wordt uitsluitend verstrekt voor activiteiten gericht op:

  • a. vrouwenemancipatie, die:

    1° de weerbaarheid van vrouwen en meisjes vergroten tegen geweld;

    2° of seksueel grensoverschrijdend gedrag tegengaan;

    3° bijdragen aan de economische zelfredzaamheid van vrouwen, met aandacht voor (her)intreding op de arbeidsmarkt of de verdeling tussen privé en werk; of

    4° bijdragen aan de bewustwording over het belang van vrouwenemancipatie en hoe hieraan bijgedragen kan worden; of

    b. queeremancipatie, die:

    1° de veiligheid, zichtbaarheid of sociale acceptatie van queerpersonen vergroten; of

    2° de kennis en het begrip vergroten van professionals in de zorg, welzijn of het onderwijs over seksuele, sekse- en genderdiversiteit, bijvoorbeeld via trainingen, materialen, of een keurmerk zoals het Roze Loper keurmerk.

 

Artikel 4:3:2 Subsidietijdvak

Een aanvraag voor subsidie op grond van deze paragraaf wordt ingediend voor het gehele subsidietijdvak, dat loopt vanaf 1 januari 2027 tot en met 31 december 2028.

 

Artikel 4:3:3 Doelgroep

Subsidie op grond van deze paragraaf wordt uitsluitend verstrekt aan rechtspersonen aan wie geen subsidie is verleend op grond van paragraaf 4:2.

 

Artikel 4:3:4 Hoogte van de subsidie

Een subsidie voor de activiteiten genoemd onder artikel 4:3:1 bedraagt maximaal € 150.000,- voor het gehele subsidietijdvak met een maximum van € 75.000,- per kalenderjaar.

 

Artikel 4:3:5 Subsidieplafond

  • 1.

    Voor de subsidieverlening op grond van deze paragraaf geldt een jaarlijks subsidieplafond van € 320.000,- voor de kalenderjaren 2027 en 2028 met deelplafonds voor:

    a. € 210.000 voor de activiteiten als bedoeld in artikel 4:3:1, onder a;

    b. € 110.000,- voor de activiteiten als bedoeld in artikel 4:3:1, onder b.

  • 2.

    Als het plafond niet wordt bereikt, wordt het resterende subsidiebudget, na beoordeling van alle aanvragen die voor subsidie in aanmerking komen, overgeheveld naar het subsidieplafond als genoemd in:

    a. artikel 4:2:5, indien één of meerdere deelplafonds worden overschreden, waarbij eerst wordt overgeheveld naar het deelplafonds waarvoor het totaalbedrag aan totaal toe te kennen subsidies de middelen het meest overschrijdt;

    b. artikel 4:1:5, indien één of meerdere deelplafonds worden overschreden, waarbij eerst wordt overgeheveld naar het deelplafonds waarvoor het totaalbedrag aan totaal toe te kennen subsidies de middelen het meest overschrijdt en het subsidieplafond onder a niet wordt overschreden.

  • 3.

    Het college kan de hoogte van de subsidieplafonds jaarlijks bij afzonderlijk besluit wijzigen.

  • 4.

    Het college kan de subsidieplafonds verlagen conform artikel 7, tweede lid, van de ASV.

 

Artikel 4:3:6 Wijze van verdeling

  • 1.

    Het college brengt een rangschikking aan in de aanvragen die in aanmerking komen voor subsidie.

  • 2.

    Bij de rangschikking van de aanvragen kent het college punten toe aan de hand van de volgende criteria en tot het daarbij vermelde maximumaantal:

    a. de aanvrager toont middels het opstellen van een analyse inzicht in de vraagstukken en kansen rondom vrouwen- of queeremancipatie in de stad en onderbouwt met relevante bronnen of ervaring hoe de activiteit aansluit op deze vraagstukken en kansen:

    1◦ de analyse geeft goed inzicht in de vraagstukken en kansen doordat deze is onderbouwd met relevante bronnen en ervaring: 10 punten;

    2◦ de analyse geeft gemiddeld inzicht in de vraagstukken en kansen doordat deze gemiddeld is onderbouwd met relevante bronnen of ervaring: 5 punten;

    3◦ de analyse geeft onvoldoende inzicht in de vraagstukken en kansen omdat deze onvoldoende is onderbouwd met relevante bronnen of ervaring: 0 punten;

    b. de aanvrager stelt een duidelijke aanpak voor met beoogde resultaten, die aansluit op de uitkomsten van de eerder gemaakte analyse:

    1◦ de aanpak en beoogde resultaten dragen onderbouwd bij aan de vraagstukken opgenomen in de analyse: 10 punten;

    2◦ er wordt verbinding gelegd tussen de aanpak, beoogde resultaten en de vraagstukken opgenomen in de analyse: 5 punten;

    3◦ de aanpak en beoogde resultaten dragen niet bij aan de vraagstukken opgenomen in de analyse: 0 punten;

    c. de aanvraag richt zich binnen queer- en vrouwenemancipatie op één of meerdere van onderstaande doelgroepen: bi-culturele queer jongeren, transgender personen, queer vluchtelingen of queer ouderen, niet-uitkeringsgerechtigden vrouwen, vrouwen met een afstand tot de arbeidsmarkt:

    1◦ de aanvraag richt zich op één of meerdere van bovenstaande doelgroepen, en uit de onderbouwing van de aanpak blijkt dat het zeer aannemelijk is dat deze activiteiten gaan bijdragen aan de in de analyse opgenomen vraagstukken: 10 punten;

    2◦ de aanvraag richt zich op één of meerdere van bovenstaande doelgroepen, en uit de onderbouwing van de aanpak blijkt dat het voldoende aannemelijk is dat deze activiteiten gaan bijdragen aan de relevante knelpunten: 5 punten;

    3◦ de aanvraag richt zich niet op één of meerdere van bovenstaande doelgroepen, of en uit de onderbouwing van de aanpak blijkt niet dat het aannemelijk is dat deze activiteiten gaan bijdragen aan de relevante knelpunten: 0 punten;

    d. uit de aanvraag blijkt een effectieve wervingsstrategie. De aanvrager werft effectief deelnemers uit de doelgroep waar de activiteit zich op richt, dit blijkt uit een onderbouwde keuze voor de wervingsinstrumenten, de wijze en frequentie van inzet hiervan, het beoogde resultaat en hoe de wervingsaanpak aansluit op de analyse van de doelgroep:

    1◦ het is zeer aannemelijk dat de wervingsstrategie effectief is: 10 punten;

    2◦ het is voldoende aannemelijk dat de wervingsstrategie effectief is: 5 punten;

    3◦ het is onvoldoende aannemelijk dat de wervingsstrategie effectief is: 0 punten;

    e. de activiteiten sluiten aan op de behoefte van de deelnemers. Dit blijkt uit de mate waarin de aanvrager met een analyse overtuigend onderbouwt hoe de activiteiten aansluiten bij de behoefte van de doelgroep:

    1◦ de aanvrager onderbouwt overtuigend hoe de activiteit aansluit op de behoefte van de deelnemers: 10 punten;

    2◦ de aanvrager maakt aannemelijk dat de activiteit aansluit op de behoefte van de deelnemers en de activiteit: 5 punten;

    3◦ de aanvrager legt niet of nauwelijks verbinding tussen de activiteit en de behoeften van de deelnemers: 0 punten;

    f. de aanvrager toont aan dat de activiteiten ook na de subsidieperiode bestaansrecht en perspectief hebben, door het overleggen van een realistisch toekomstperspectief en haalbare financieringsstrategie:

    1◦ de activiteiten hebben na de subsidieperiode bestaansrecht en perspectief, dit blijkt uit een realistisch toekomstperspectief en een concreet uitgewerkte financieringsstrategie voor de toekomst; 10 punten;

    2◦ de activiteiten hebben na de subsidieperiode bestaansrecht en perspectief, dit blijkt uit een realistisch toekomstperspectief en een haalbare financieringsstrategie voor de toekomst; 5 punten;

    3◦ de activiteiten hebben na de subsidieperiode geen bestaansrecht en perspectief, dit blijkt uit een niet realistisch toekomstperspectief of een niet haalbare financieringsstrategie voor de toekomst: 0 punten.

  • 3.

    Wanneer het totaalbedrag van de te honoreren aanvragen hoger is dan het vastgesteld subsidieplafond, verleent het college de subsidie in volgorde van de door het college aangebrachte rangschikking, totdat het voor de betrokken subsidie vastgestelde subsidieplafond is bereikt.

  • 4.

    Als het subsidieplafond wordt overschreden als gevolg van aanvragen die bij de beoordeling gelijk zijn gerangschikt, stelt het college de onderlinge rangschikking van die aanvragen vast door middel van loting.

 

Artikel 4:3:7 Aanvraag subsidie

In aanvulling op artikel 2:1 werkt de aanvrager ook de volgende onderdelen uit in het projectplan zoals bedoeld in artikel 2:1:

  • a. een uitgewerkte analyse en probleemstelling met vraagstukken, de kansen en beoogde doelgroep van de activiteit onderbouwd met relevante bronnen of ervaring;

    b. een realistische en planmatige beschrijving van de aanpak, waarbij de concrete stappen, de verwachte resultaten en de wijze waarop deze resultaten bijdragen aan het oplossen van de vraagstukken en bijdragen aan de mogelijke kansen uit de analyse, duidelijk uiteen worden gezet;

    c. een uitgewerkte wervingsaanpak met daarin een onderbouwde keuze voor de wervingsinstrumenten, de wijze en frequentie van inzet hiervan, het beoogde resultaat en hoe de wervingsaanpak aansluit op de analyse van de doelgroep;

    d. een analyse van het perspectief ná de subsidieperiode en een realistische en uitgewerkte fondsenwervingstrategie voor toekomstige of cofinanciering;

    e. een beschrijving van hoe de activiteit zich verhoudt ten opzichte van het bestaande aanbod van activiteiten in Den Haag.

 

Artikel 4:3:8 Aanvraagtermijn

In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de ASV wordt een aanvraag op grond van dit hoofdstuk ingediend in de periode van 1 februari tot 1 maart 2026.

 

Hoofdstuk 5 Subsidie voor projectmatige activiteiten gericht op het koloniaal- en slavernijverleden

 

Artikel 5:1 Activiteiten

Subsidie op grond van dit hoofdstuk wordt uitsluitend verstrekt voor activiteiten met een incidenteel karakter voor een bepaalde tijd, die:

  • a. gericht zijn op het organiseren door nazaten van een herdenking van het koloniale- of slavernijverleden ten behoeve van de Surinaamse, Caribische, Afrikaanse, Indische, Indonesische, Molukse of Papua gemeenschappen dan wel andere gemeenschappen uit voormalige Nederlandse koloniën die in Den Haag woonachtig zijn; of

    b. die toegankelijk zijn voor alle inwoners van Den Haag, die worden georganiseerd door of in samenwerking met nazaten van slachtoffers van het koloniaal- en slavernijverleden en die worden georganiseerd in samenwerking met een in Den Haag gevestigde culturele instelling of waarbij ten minste een in Den Haag gevestigde basisschool, voortgezet onderwijsinstelling, instelling voor mbo of hbo of een universiteit inhoudelijk bij de uitvoering van de activiteit wordt betrokken.

 

Artikel 5:2 Subsidietijdvak

Een aanvraag voor subsidie op grond van dit hoofdstuk wordt ingediend voor activiteiten binnen het subsidietijdvak, dat loopt vanaf 1 januari tot en met 31 december van het jaar waar de aanvraag op ziet.

 

Artikel 5:3 Doelgroep

Subsidie op grond van dit hoofdstuk wordt uitsluitend verstrekt aan rechtspersonen zonder winstoogmerk en aan natuurlijke personen.

 

Artikel 5:4 Hoogte van de subsidie

  • 1.

    De subsidie bedraagt maximaal € 25.000,- per aanvraag met een maximum van € 50.000,- per kalenderjaar.

  • 2.

    De subsidie aan natuurlijke personen bedraagt per kalenderjaar maximaal € 10.000,- per aanvraag met een maximum van € 20.000,- per kalenderjaar.

 

Artikel 5:5 Subsidieplafond

Voor subsidieverlening op grond van dit hoofdstuk geldt een subsidieplafond van maximaal € 600.000,- per kalenderjaar.

 

Artikel 5:6 Wijze van verdeling

  • 1.

    Het college verleent de subsidie in volgorde van ontvangst van de aanvraag bij het college, totdat het vastgestelde plafond is bereikt.

  • 2.

    Als de aanvrager krachtens artikel 4:5 van de Awb de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, geldt als tijdstip van ontvangst van de aanvraag het tijdstip waarop de aanvraag volledig is aangevuld.

 

Artikel 5:7 Aanvraagtermijn

In overeenstemming met artikel 9, tweede lid, van de ASV, wordt een aanvraag op grond van dit hoofdstuk ingediend uiterlijk 12 weken voor aanvang van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd.

 

Artikel 5:8 Beslistermijn

Het college beslist, in afwijking van artikel 10, tweede lid, van de ASV binnen 12 weken na ontvangst van de aanvraag.

 

Hoofdstuk 6 Weigeringsgronden

 

Artikel 6:1 Weigeringsgronden

Onverminderd de artikelen 4:25, tweede lid en 4:35 van de Awb en artikel 11, eerste, tweede, derde en vierde lid, van de ASV kan het college een subsidie weigeren als:

  • a. de aanvraag wordt gedaan voor activiteiten die naar het oordeel van het college reeds in voldoende mate uitgevoerd worden door anderen of anderszins reeds gesubsidieerd zijn;

    b. de aanvraag wordt gedaan voor activiteiten waar de aanvrager al subsidie of financiering uit een andere regeling ontvangt of heeft aangevraagd.

 

Hoofdstuk 7 Verplichtingen en betaling

 

Artikel 7:1 Verplichtingen

Onverminderd artikel 12 van de ASV 2020, gelden voor de subsidieontvanger de volgende verplichtingen:

  • a. mee te werken aan informatieverzoeken van het college met betrekking tot de aanvraag, uitvoering en verantwoording van de gesubsidieerde activiteit;

    b. het op de eigen website van de aanvrager plaatsen van informatie over de gesubsidieerde activiteit door de subsidieontvanger met als doel bekendheid te geven aan de gesubsidieerde activiteit;

    c. mee te werken aan door de gemeente georganiseerd verdiepend onderzoek naar de effectiviteit van de gesubsidieerde activiteiten;

    d. mee te werken aan een steekproefcontrole conform het steekproefprotocol van het college om te beoordelen of de subsidie rechtmatig is verstrekt.

 

Artikel 7:2 Bevoorschotting

Bevoorschotting voor subsidies vindt plaats op de volgende wijze:

  • a. 100% van de verleende subsidie in één keer bij subsidies tot en met € 10.000,-.

    b. 90% van de verleende subsidie in één keer bij subsidies van meer dan € 10.000,-.

 

Hoofdstuk 8 Tussentijdse verantwoording

 

Artikel 8:1 Indieningstermijn tussentijdse verantwoording

Bij subsidies op grond van paragraaf 3:2 en 4:3 wordt overeenkomstig artikel 16a van de ASV gedurende de looptijd van het subsidietijdvak tussentijds verantwoording afgelegd over het kalenderjaar 2027, uiterlijk op 30 april 2028 en over kalenderjaar 2028 uiterlijk op 30 april 2029. De verantwoording over kalenderjaar wordt samen met de aanvraag tot vaststelling ingediend.

 

Artikel 8:2 Wijze van tussentijdse verantwoording

Bij de tussentijdse jaarlijkse verantwoording worden de volgende stukken ingediend:

  • a. een voor openbaarmaking geschikt inhoudelijk verslag conform artikel 17, vierde lid, van de ASV 2020;

    b. een voor openbaarmaking geschikt financieel verslag conform artikel 17, vijfde lid, van de ASV 2020; en

    c. een verklaring dat de verantwoording juist en volledig is. Hiervoor wordt een bestuursverklaring of directieverklaring ingediend volgens het door burgemeester en wethouders vastgestelde model.

 

Hoofdstuk 9 Eindverantwoording en vaststelling na verlening vooraf

 

Artikel 9:1 Indieningstermijn aanvraag tot vaststelling

Overeenkomstig artikel 17, eerste lid, van de ASV 2020 dient de subsidieontvanger de aanvraag tot vaststelling in uiterlijk op 30 april van het kalenderjaar dat volgt op het kalenderjaar of het laatste kalenderjaar waar de subsidieverlening op ziet.

 

Artikel 9:2 Wijze van verantwoorden

De aanvraag tot vaststelling bevat:

  • a. een voor openbaarmaking geschikt inhoudelijk eindverslag over het gehele subsidietijdvak conform artikel 17, vierde lid, van de ASV 2020;

    b. een voor openbaarmaking geschikt financieel eindverslag over het gehele subsidietijdvak conform artikel 17, vijfde lid, van de ASV 2020; en

    c. indien de aanvrager een rechtspersoon betreft; een verklaring dat de eindverantwoording juist en volledig is. Hiervoor wordt een bestuursverklaring of directieverklaring ingediend volgens het door college vastgestelde model; en

    d. indien op grond van paragraaf 3:2 en 4:3 subsidie is ontvangen, een toelichting op eventuele discrepanties tussen de tussentijdse verantwoordingsstukken en de eindverslagen en eindverantwoording.

 

Hoofdstuk 10 Overige bepalingen

 

Artikel 10:1 Evaluatie

Het college evalueert deze subsidieregeling uiterlijk op 1 september 2027.

 

Artikel 10:2 Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte in het Gemeenteblad waarin zij wordt geplaatst en vervalt met ingang van 31 december 2029.

 

Artikel 10:4 Intrekking

De Subsidieregeling emancipatie Den Haag 2023, Subsidieregeling Verbinding en Antidiscriminatie Den Haag 2022 en de Subsidieregeling koloniaal- en slavernijverleden Den Haag 2022 worden ingetrokken.

 

Artikel 10:5 Overgangsrecht

De bepalingen van de Subsidieregeling emancipatie Den Haag 2023, Subsidieregeling Verbinding en Antidiscriminatie Den Haag 2022 en de Subsidieregeling koloniaal- en slavernijverleden Den Haag 2022 blijven van toepassing op subsidies die vóór inwerkingtreding van de Subsidieregeling Inclusief Samenleven Den Haag 2025 zijn aangevraagd op basis van deze subsidieregelingen.

 

Artikel 10:6 Citeertitel

Deze subsidieregeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling inclusief samenleven Den Haag 2025.

 

Artikelsgewijze toelichting

 

Artikel 1:5, tweede lid onder g

Alleen vrijwilligersvergoedingen die naar het oordeel van het college redelijk en proportioneel zijn komen in aanmerking voor subsidie. Dit betekent dat de kosten van de vergoedingen voor vrijwilligers in verhouding dienen te staan tot de totale kosten van de activiteiten en dat de vergoeding niet aan elke vrijwilliger wordt betaald, maar alleen aan die vrijwilligers die meer dan bovengemiddeld inzet leveren.

 

Den Haag, 18 november 2025

Het college van burgemeester en wethouders,

 

de secretaris,

Ilma Merx

 

de burgemeester,

Jan van Zanen

 

 

 

Naar boven