Verordening Afvalstoffenheffing en Reinigingsrecht Bedrijfsafval Amsterdam 2026

De raad van de gemeente Amsterdam,

 

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 30 september 2025,

gelet op artikelen 189 jo 212, 216 en 229 van de Gemeentewet, artikelen 10.21 en 15.33 van de Wet milieubeheer, artikel 7aj van het Besluit Uitvoering Crisis- en Herstelwet en artikel 5 eerste lid van de Gewijzigde financiële verordening gemeente Amsterdam,

 

besluit de volgende verordening met bijbehorende bijlagen en toelichting vast te stellen:

 

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1: reikwijdte

Krachtens deze Verordening worden geheven:

 

  • A.

    een afvalstoffenheffing

  • B.

    een reinigingsrecht bedrijfsafval

Artikel 2. Begripsomschrijvingen.

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    huishoudelijke afvalstoffen: afvalstoffen afkomstig uit particuliere huishoudens en alle afvalstoffen in het gebied ‘Sluisbuurt’, afvalwater en autowrakken daaronder niet begrepen.

  • b.

    bedrijfsafvalstoffen: afvalstoffen, niet zijnde huishoudelijke afvalstoffen, afvalwater, autowrakken of gevaarlijke stoffen

  • c.

    het gebied ‘de 9 straatjes’: het gebied zoals omschreven in bijlage 2 van deze verordening.

  • d.

    het gebied ‘Sluisbuurt’: het gebied zoals omschreven in de bijlage 190 bij het Besluit Uitvoering Crisis- en Herstelwet, deze bijlage behoort bij en maakt deel uit van deze Verordening. Gelet op artikel 7aj Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet worden bij de heffing en inning van afvalstoffenheffing op basis van deze verordening bedrijfsafvalstoffen die afkomstig zijn uit het gebied ‘Sluisbuurt’ beschouwd als huishoudelijke afvalstoffen, tenzij retourlogistiek van toepassing is.

Hoofdstuk 2 Afvalstoffenheffing.

Artikel 3. Aard van de belasting.

  • 1.

    Onder de naam afvalstoffenheffing wordt een belasting geheven als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet Milieubeheer.

  • 2.

    De afvalstoffenheffing wordt naar afzonderlijke grondslagen geheven ter zake van het feitelijk gebruik van een perceel, waaronder begrepen een stacaravan, een woonboot en een woonwagen, ten aanzien waarvan ingevolge de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet Milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt. Onder het begrip perceel wordt niet verstaan een volkstuinhuisje, zomerhuisje of vakantiehuisje, tenzij een dergelijk huisje dient tot hoofdverblijf.

  • 3.

    De afvalstoffenheffing wordt ook geheven van degenen die al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt maken van een perceel gelegen in de Sluisbuurt zoals omschreven in bijlage 2 van deze verordening en daarbij bedrijfsafvalstoffen aanbieden.

Artikel 4. Belastingplicht.

  • 1.

    Belastingplichtig voor de afvalstoffenheffing is degene die, naar de omstandigheden beoordeeld, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht, gebruikmaakt van een perceel ten aanzien waarvan ingevolge de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet Milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.

  • 2.

    Belastingplichtig voor de afvalstoffenheffing in het gebied ‘Sluisbuurt’ is, aanvullend op de in het eerste lid genoemde belastingplichtigen, ook degene die al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruik maakt van een perceel en daarbij bedrijfsafvalstoffen aanbiedt.

  • 3.

    De belastingplichtige bedoeld in het tweede lid kan zowel een natuurlijke persoon als een niet-natuurlijke persoon zijn.

Artikel 5. Maatstaf van heffing en tarief.

  • 1.

    De heffing onder artikel 4, eerste lid, bedraagt per perceel per kalenderjaar 352,- euro indien het perceel op 1 januari van het kalenderjaar of, indien de belastingplicht later in het belastingjaar bij aanvang van de belastingplicht, wordt gebruikt door één persoon.

  • 2.

    De heffing onder artikel 4, eerste lid, bedraagt per perceel per kalenderjaar 469,- euro indien het perceel op 1 januari van het kalenderjaar of, indien de belastingplicht later in het belastingjaar aanvangt, bij aanvang van de belastingplicht, wordt gebruikt door meer personen.

  • 3.

    Voor het periodiek inzamelen van bedrijfsafvalstoffen in de Sluisbuurt, wordt de afvalstoffenheffing bedoeld in artikel 3 derde lid geheven volgens de tarieven opgenomen in de tarieventabel opgenomen in bijlage 1 bij deze verordening .

Artikel 6. Kwijtschelding

Van de afvalstoffenheffing die wordt geheven van de belastingplichtigen genoemd in artikel 4 tweede lid wordt geen kwijtschelding verleend.

Artikel 7. Belastingjaar.

Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.

Artikel 8. Wijze van heffing.

  • 1.

    De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.

  • 2.

    De aanslagen voor de belasting die wordt geheven naar de maatstaven van heffing zoals omschreven in artikel 5, eerste en tweede lid, kunnen met andere aanslagen op een zogenaamd combi- aanslagbiljet worden verenigd.

  • 3.

    De in artikel 231, tweede lid, onderdeel b van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar kan degene die naar zijn mening vermoedelijk belastingplichtig is voor de belasting die wordt geheven naar de maatstaf zoals omschreven in artikel 4 tweede en derde lid uitnodigen tot het doen van aangifte, door het toezenden van een daartoe strekkend aangifteformulier.

  • 4.

    De aangifte moet worden gedaan uiterlijk een maand nadat belastingplichtige daartoe is uitgenodigd.

  • 5.

    Het uitnodigen tot het doen van aangifte kan naast de op de in artikel 237, eerste lid, van de Gemeentewet aangegeven wijze geschieden door het uitreiken, toezenden of elektronisch verzenden van een aangiftebrief waaruit blijkt de wijze van het doen van elektronische aangifte, een omschrijving van de gevraagde gegevens of bescheiden en de termijn waarbinnen aangifte moet worden gedaan. In dat geval geschiedt, in afwijking van de in artikel 237, tweede lid, van de Gemeentewet aangegeven wijze, de aangifte langs elektronische weg door het inleveren of toezenden van de gevraagde gegevens of bescheiden via een daartoe door de gemeente opengestelde digitale voorziening.

Artikel 9. Tijdstip ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang.

  • 1.

    De belasting die wordt geheven naar de maatstaven van heffing zoals omschreven in artikel 5, eerste en tweede lid is verschuldigd bij het begin van het kalenderjaar of, zo dit later is, bij aanvang van de belastingplicht.

  • 2.

    Indien de belastingplicht bij de belasting die wordt geheven naar de maatstaven van heffing zoals omschreven in artikel 5, eerste en tweede lid in de loop van het kalenderjaar aanvangt, is de belasting verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er dat kalenderjaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

  • 3.

    Indien de belastingplicht bij de belasting die wordt geheven naar de maatstaven van heffing zoals omschreven in artikel 5, eerste en tweede lid in de loop van het kalenderjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat kalenderjaar verschuldigde belasting als in dat kalenderjaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

  • 4.

    Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en aldaar van een ander perceel gebruik maakt.

  • 5.

    Indien een belastingplichtige als bedoeld in artikel 4, tweede en derde lid, binnen de gemeente verhuist maar buiten het gebied ‘Sluisbuurt’ dan valt hij voor het aantal resterende maanden van het jaar na de verhuizing onder de regels van Hoofdstuk 3 van deze verordening.

  • 6.

    Indien een belastingplichtige als bedoeld in artikel 4, tweede en derde lid, gedurende het kalenderjaar zich vestigt binnen het gebied ‘Sluisbuurt’ dan valt hij voor het aantal resterende maanden van het jaar na de verhuizing voor het gebied ‘Sluisbuurt’ onder de regels van Hoofdstuk 2 van deze verordening en voor het gebied ‘de 9 straatjes’ onder Hoofdstuk 3 van deze verordening.

Artikel 10. Termijnen van betaling.

  • 1.

    De aanslagen moeten worden betaald in twee gelijke termijnen, waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede een maand later.

  • 2.

    Indien op basis van artikel 8, tweede lid, een machtiging tot automatische incasso werd afgegeven, moeten de aanslagen worden betaald respectievelijk worden de aanslagen geïncasseerd in acht gelijke termijnen, waarbij de eerste termijn vervalt een maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elke volgende termijn een maand later.

  • 3.

    In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, is een voorlopige aanslag voor de belasting die wordt geheven naar de maatstaf van heffing zoals omschreven naar artikel 5, eerste, tweede en derde lid invorderbaar in zoveel gelijke termijnen als er na de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld, nog maanden van het jaar overblijven, met dien verstande dat het aantal termijnen ten minste twee bedraagt. De eerste termijn vervalt een maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijn telkens een maand later.

  • 4.

    De definitieve aanslag voor de belasting die wordt geheven naar de maatstaf van heffing zoals omschreven naar artikel 5 derde lid, wordt opgelegd na afloop van het heffingstijdvak.

  • 5.

    Met betrekking tot een ingevolge art. 2, tweede lid, onderdeel c van de Invorderingswet 1990 met een belastingaanslag gelijkgestelde beschikking inzake een bestuurlijke boete, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing, voor zover deze gelijktijdig wordt opgelegd met de vaststelling van de genoemde aanslagen

  • 6.

    De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid genoemde termijnen.

Hoofstuk 3 Reinigingsrecht bedrijfsafval

Artikel 11. Aard van de heffing.

Onder de naam reinigingsrecht bedrijfsafval wordt een recht geheven voor zowel het genot van de door of van wege de gemeente verstrekte dienst als voor het gebruik van de voor de openbare dienst bestemde gemeentebezittingen, werken of inrichtingen die bij de gemeente in beheer of onderhoud zijn ten behoeve van afvalinzameling.

Artikel 12. Belastingplichtig.

Belastingplichtig voor het reinigingsrecht bedrijfsafval is degene op wiens aanvraag dan wel ten behoeve van wie de dienst wordt verricht of van degene die van de bezittingen werken of inrichtingen gebruik maakt.

Artikel 13. Maatstaf van heffing en tarief.

  • 1.

    Voor het periodiek inzamelen van bedrijfsafvalstoffen, voor zover dit kan geschieden tijdens het periodiek inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen, bedraagt het recht, bij de afgifte van ten hoogste 176 liter per week, overeenkomend met maximaal 4 huisvuilzakken van 44 liter, 546,- euro per kalenderjaar (exclusief btw).

  • 2.

    Voor het periodiek inzamelen van bedrijfsafvalstoffen, voor zover dit kan geschieden tijdens het periodiek inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen, bedraagt het recht, bij afgifte van meer dan 176 liter en ten hoogste 396 liter per week, overeenkomend met minimaal 5 en maximaal 9 huisvuilzakken van 44 liter 1.157,- euro per kalenderjaar (exclusief btw).

  • 3.

    Voor het gebied ‘de 9 straatjes’ wordt het verschuldigde recht bepaald volgens de tarieven zoals deze zijn opgenomen in de tarieventabel behorende bij deze verordening en die is bijgevoegd als bijlage 1. In afwijking van het tweede lid mogen in dit gebied meer dan 9 huisvuilniszakken worden aangeboden.

Artikel 14. Belastingtijdvak.

Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.

Artikel 15. Wijze van heffen.

  • 1.

    Het recht wordt geheven bij wege van aanslag.

  • 2.

    De aanslagen kunnen met andere aanslagen op een zogenaamd combi-aanslagbiljet worden verenigd.

Artikel 16. Tijdstip van ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang.

  • 1.

    Het recht is verschuldigd bij het begin van het kalenderjaar of, zo dit later is, bij aanvang van de belastingplicht.

  • 2.

    Indien de belastingplicht in de loop van het kalenderjaar aanvangt, is het recht verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat kalenderjaar verschuldigde recht als er in dat kalenderjaar, na aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

  • 3.

    Indien de belastingplicht in de loop van het kalenderjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat kalenderjaar verschuldigde recht als er in dat kalenderjaar na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

Artikel 17. Termijnen van betaling.

  • 1.

    De aanslagen moeten worden betaald in twee gelijke termijnen, waarvan de eerste termijn vervalt een maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en de tweede termijn een maand later.

  • 2.

    Indien op basis van artikel 14, tweede lid, een machtiging tot automatische incasso werd afgegeven, moeten de aanslagen worden betaald, respectievelijk de aanslagen geïncasseerd in acht gelijke termijnen, waarbij de eerste termijn vervalt een maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elke volgende termijn een maand later.

  • 3.

    De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.

Artikel 18. Kwijtschelding.

Van het reinigingsrecht wordt geen kwijtschelding verleend.

Hoofdstuk 4 Slotbepalingen

Artikel 19. Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders.

Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en invordering van de in deze verordening opgenomen belastingen.

Artikel 20. Inwerkingtreding, overgangsbepaling en citeertitel.

  • 1.

    Met ingang van de in het derde lid vermelde datum wordt de Verordening afvalstoffenheffing en reinigingsrecht bedrijfsafval Amsterdam 2025 ingetrokken, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voordien hebben voorgedaan.

  • 2.

    Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking.

  • 3.

    De datum van ingang van heffing is 1 januari 2026.

  • 4.

    Deze verordening wordt aangehaald als Verordening afvalstoffenheffing en reinigingsrecht bedrijfsafval Amsterdam 2026.

Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van 13 november 2025.

De voorzitter

Femke Halsema

De raadsgriffier

Jolien Houtman

Bijlage 1 bij de Verordening Afvalstoffenheffing en reinigingsrecht bedrijfsafval Amsterdam 2026: Tarieventabel gebieden ‘de 9 straatjes’ en ‘Sluisbuurt’

 

1.1

1 t/m 4 zakken per week

Max 1.073 kg per jaar (20,64 kg per week)

€ 546,-per jaar

1.2

5 t/m 9 zakken per week

Max 2.413 kg per jaar (46,39 kg per week)

€ 1.157,- per jaar

1.3

> 9 zakken per week

Meer dan > 2.413 kg per jaar(meer dan 46,39 kg per week)

€ 1.157,- per jaar vermeerderd met € 0,28 per kg boven 2.413 kg per jaar

 

Aanslagen voor het gebied ‘Sluisbuurt’ betreffen afvalstoffenheffing en worden opgelegd zonder BTW.

Aanslagen voor het gebied ‘de 9 straatjes’ betreffen reinigingsrecht. Bij deze aanslagen worden bovenstaande tarieven vermeerderd met BTW.

 

Bijlage 2 bij de Verordening Afvalstoffenheffing en reinigingsrecht bedrijfsafval Amsterdam 2026: kaarten gebieden ‘de 9 straatjes’ en ‘Sluisbuurt’ (bron: bijlagen 183 en 190 bij Besluit Uitvoering Crisis- en Herstelwet).

 

 

Toelichting

 

A. Algemeen; uitgebreid reinigingsrecht voor gebied ‘de 9 straatjes’ en afvalstoffenheffing voor gebied ‘Sluisbuurt’

Amsterdam heeft ambities en wil een leefbare stad zijn. Geen afval meer op straat, meer grondstoffen uit het afval halen, minder zware rijbewegingen, betere luchtkwaliteit en een prettige plek om te wonen, werken en verblijven.

 

Pilot ‘9 straatjes’

De gemeente Amsterdam (verder “Amsterdam”) heeft een wettelijke verplichting om huishoudelijk afval in te zamelen. Bedrijfsafval is een taak voor de markt. Amsterdam ziet dat deze scheiding tussen huishoudelijk- en bedrijfsafval binnenstedelijke uitdagingen met zich meebrengt, zoals veel rijbewegingen. Verder zien we vooralsnog zowel bij huishoudelijk- als bij bedrijfsafval een laag scheidingspercentage.

Amsterdam heeft samen met het Rijk onderzocht welke mogelijkheden er zijn om deze uitdagingen het hoofd te bieden. In het kader van een pilot heeft Amsterdam daarom een uitzondering op de Wet milieubeheer verkregen voor het gebied ‘de 9 straatjes’, waarbij het bedrijfsafval in het gebied bestempeld wordt als huishoudelijk. Amsterdam wordt daardoor verantwoordelijk voor de inzameling en verwerking van al het afval in het gebied. Het betreft een pilot voor in eerste instantie vijf jaar waarbij Amsterdam beoogde niet zelf te gaan inzamelen maar de inzameling, logistiek en verwerking aan te besteden op de markt. Deze uitzondering is wettelijk verankerd in de Crisis- en Herstelwet 19e Tranche die op 13 februari 2020 is vastgesteld. De pilot 9 straatjes is op 1 januari 2021 van start gegaan. De aanbesteding voor de inzameling is helaas niet gelukt; Amsterdam blijft de inzameling in dit gebied voorlopig zelf uitvoeren. Om de gestelde doelen te halen wil Amsterdam samenwerken met marktpartijen, die beschikken over enerzijds kennis van de afvalketen en anderzijds de competentie om samen te werken. Om zo te komen tot een innovatieve, meer efficiënte en effectieve keten van afval tot hoogwaardige grondstoffen.

Hiertoe is een Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet vastgesteld, waarin is geregeld dat in dit gebied in afwijking van de definitie in art. 1.1 Wet milieubeheer onder huishoudelijke afvalstoffen mede wordt verstaan bedrijfsafvalstoffen. Op die manier is in het gebied ‘de 9 straatjes’ de mogelijkheid voor bedrijven om zelf een voorziening te treffen (contract met afvalophaler) afgesneden. In plaats daarvan wordt Amsterdam verplicht de afvalstoffen op te halen als ware die afvalstoffen huishoudelijke afvalstoffen. De kosten van het beheer van deze afvalstoffen kunnen dan worden verhaald middels de afvalstoffenheffing als bedoeld in art. 15.33 Wet milieubeheer.

 

In 2024 heeft de gemeente de pilot geëvalueerd en is besloten vanwege de positieve resultaten de pilot voorlopig voort te zetten. Dit wordt gesteund vanuit een projectgroep met vertegenwoordigers van het Rijk (ministeries van BZK en I&W), de Vereniging Afvalbedrijven (VA) en de Koninklijke Nederlandse Vereniging voor afval- en ReinigingsDiensten (NVRD). Helaas heeft formalisering van een wettelijke grondslag om per 1 januari 2026 de regeling voor de 9 straatjes te verlengen, vertraging opgelopen en treedt deze wettelijke grondslag nu pas na 1 januari 2026 in werking. Formeel wordt bedrijfsafval hierdoor met ingang van 1 januari 2026 in het gebied niet meer aangemerkt als huishoudelijk afval. Om de wijze van inzameling zoals in de pilot geschiedde in 2026 toch ongewijzigd voort te kunnen zetten, wordt voor het jaar 2026 de tarieventabel voor het reinigingsrecht uitgebreid met een aparte tarieventabel voor het gebied de 9 straatjes en wordt de tariefstructuur die werd toegepast gedurende de pilot voortgezet.

 

Sluisbuurt

In de Sluisbuurt realiseert Amsterdam de komende jaren een woonwijk voor circa 5.600 huishoudens en enkele honderden bedrijven met voor Amsterdam unieke hoogbouw. Het wordt een duurzame groene wijk gelegen aan het water. Om de openbare ruimte te ontlasten en zo veel mogelijk buitenruimte beschikbaar te maken voor ontspanning en ander gebruik door bewoners, is besloten om in deze wijk een systeem aan te leggen voor Ondergrond Afval Transport (OAT). Bewoners en bedrijven kunnen afval scheiden in de gebouwen en het afval wordt afgezogen naar een terminal aan de rand van de wijk. Er komen geen ondergrondse afvalcontainers in de wijk en verkeersbewegingen van zware vuilnisauto’s worden beperkt.

Voor een optimaal gebruik van het systeem en om de doelstellingen van het ontlasten van de openbare ruimte te behalen, heeft de Amsterdam het Rijk verzocht om in dit gebied het mogelijk te maken dat ook het bedrijfsafval via dit systeem moet worden ingezameld. Hiervoor is in 2021 een wijziging doorgevoerd in de Crisis- en Herstelwet, waarbij al het afval in het gebied ‘Sluisbuurt’ is aangewezen als huishoudelijk afval, tenzij bedrijven middels retourlogistiek zelf de afvoer en verwerking verzorgen.

 

B. Omvang areaal ‘de 9 straatjes’ en ‘Sluisbuurt’

Onder het gebied ‘de 9 straatjes’ wordt verstaan; het gebied zoals omschreven in de bijlage 183 bij Besluit Uitvoering Crisis- en Herstelwet, dit wordt tevens afgebakend op de kaart die als bijlage behoort bij en deel uitmaakt van deze Verordening. In het gebied de 9-straatjes (zoals is vastgesteld in de Crisis- en Herstelwet) bevinden zich ca. 500 bedrijven en 2.500 woningen.

Voor de circa 2.500 woningen in het gebied geldt de reguliere afvalstoffenheffing. Uitvoering vindt op de reguliere wijze plaats.

 

Onder het gebied ‘Sluisbuurt’ wordt verstaan; het gebied zoals omschreven in de bijlage 190 bij Besluit Uitvoering Crisis- en Herstelwet, dit wordt tevens afgebakend op de kaart die als bijlage behoort bij en deel uitmaakt van deze Verordening. In het gebied ‘Sluisbuurt’ (zoals is vastgesteld in de Crisis- en Herstelwet) worden circa 5.600 woningen gerealiseerd alsmede voorzieningen voor bedrijven, zoals horeca, winkels en scholen e.d. (naar verwachting enkele honderden).

Voor de circa 5.600 woningen in het gebied geldt de reguliere afvalstoffenheffing. Uitvoering vindt op de reguliere wijze plaats.

 

C. Wijze van heffen ondernemers in de gebieden ‘de 9 straatjes’ en ‘Sluisbuurt’

Voor het gros van de ondernemers in deze gebieden geldt dat zij een tarief betalen overeenkomstig het tarief het reguliere reinigingsrecht bedrijfsafval. Een aantal ondernemers biedt echter een grotere hoeveelheid afval aan dan past bij die tarieven. Daarvoor zijn afzonderlijke tarieven opgenomen in de tarieventabel behorende bij de verordening.

 

D. Financiële paragraaf en tariefbepaling

In de bijlage “onderbouwing en toelichting Afvalstoffenheffing en Reinigingsrecht

bedrijfsafval 2026” is de opbouw van de tarieven toegelicht.

 

E. Omrekening zakken (volume) naar gewicht

De omrekening van het volume aan afval naar gewicht geschiedt o.b.v. de volgende tabel

 

F. Kwijtschelding

Omdat het reinigingsrecht bedrijfsafvalstoffen een retributieve heffing is met een zakelijk karakter heeft de gemeente Amsterdam besloten om hiervoor geen kwijtschelding mogelijk te maken (zie artikel 18 Verordening).

 

Kwijtschelding van afvalstoffenheffing voor particuliere huishoudens is in het kader van het minimabeleid van Amsterdam wel mogelijk.

 

Volgens artikel 28 van de Uitvoeringsregeling invorderingswet 1990 geldt:

1 Met betrekking tot een verzoek om kwijtschelding van de in artikel 27 genoemde belastingen en heffingen verschuldigd door:

 

  • a.

    een natuurlijk persoon die geen bedrijf of niet zelfstandig een beroep uitoefent, zijn de afdelingen 1, 2 en 5 van overeenkomstige toepassing;

  • b.

    een natuurlijk persoon die een bedrijf of zelfstandig een beroep uitoefent, zijn de afdelingen 1, 3, 4 en 5 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat indien door de gemeenteraad daartoe is besloten, met betrekking tot een verzoek om kwijtschelding van de in artikel 27, onderdeel a, onderdeel b, onderscheidenlijk onderdeel c, bedoelde belastingen en heffingen die geen verband houden met de uitoefening van dat bedrijf of beroep, de afdelingen 1, 2 en 5 van overeenkomstige toepassing zijn.

Op grond van dit artikel 28, lid 1, onderdeel b van de regeling, heeft de Gemeenteraad besloten kwijtschelding voor die belastingen die geen verband houden met de uitoefening van het beroep (de zogenaamde privé-belastingen) voor ondernemers mogelijk te maken op grond van dezelfde voorwaarden als die voor particulieren gelden. Dit houdt in dat voor deze belastingen op grond van de berekening van de betalingscapaciteit en het bepalen van het vermogen, conform de bepalingen van de afdelingen 1, 2 en 5 van de regeling, een besluit over het verlenen van kwijtschelding wordt genomen. Zakelijke aanslagen afvalstoffenheffing vallen hier niet onder.

 

Kwijtschelding voor ondernemers vindt voor het overige alleen plaats bij een saneringsakkoord tussen de schuldenaar en alle schuldeisers tot gedeeltelijke betaling van de schuld tegen finale kwijting. Deze bepalingen kan men terugvinden in de Leidraad Invordering gemeente Amsterdam 2020 onder artikel 26.3.

 

Omdat in het gebied ‘Sluisbuurt’ op grond van de Crisis- en Herstelwet van rechtswege bedrijfsafvalstoffen worden aangemerkt als huishoudelijke afvalstoffen, zouden ondernemers daarmee wel kunnen verzoeken om kwijtschelding.

Omdat echter de afvalstoffen worden gegenereerd in een zakelijke omgeving in het kader van een bedrijfsvoering is in deze verordening expliciet opgenomen dat kwijtschelding van de belasting in artikel 6 van deze verordening niet mogelijk is. Daarmee wordt ook recht gedaan aan het feit dat ondernemers buiten dit gebied voor de aanslagen reinigingsrecht bedrijfsafval ook geen kwijtschelding kunnen krijgen (zie artikel 18 van deze Verordening).

 

G. Verhuizing binnen de gemeente

Toelichting op Artikel 9 Verhuizing binnen de gemeente in een kalenderjaar.

Het vierde lid van artikel 9 stelt: “Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en al daar van een ander perceel gebruik maakt “.

 

Omwille van uitvoeringstechnische redenen, zodat er niet bij elke binnenstedelijke verhuizing een restitutie en vervolgens een nieuwe aanslag hoeft te volgen, wordt indien een belastingplichtige verhuist naar een perceel binnen de gemeente geen ontheffing naar tijdsgelang verleend, maar ook wordt er geen nieuwe aanslag afvalstoffenheffing opgelegd. Indien een belastingplichtige (A) gaat inwonen bij een andere belastingplichtige volgt er wel ontheffing naar tijdsgelang voor belastingplichtige (A) en volgt er geen nieuwe aangepaste aanslag voor zijn of haar nieuwe adres. Indien vervolgens in datzelfde jaar belastingplichtige (A) vanuit een meerpersoonshuishouden verhuist naar een nieuw adres waar hij of zij zelf alleen een huishouden gaat voeren, wordt dat niet gezien als een binnen gemeentelijke verhuizing. Hij komt namelijk van een adres waar hij niet zelf belastingplichtig voor was. Op het nieuwe adres wordt (A) wel weer belastingplichtig en wordt deze voor het resterende gedeelte van het jaar aangeslagen. Voor het adres waar hij of zij dan vandaan komt verandert er niets er wordt daar immers geheven naar de feitelijke situatie op 1 januari van het belastingtijdvak.

 

Artikel 9 lid 5: Indien een ondernemer gedurende het belastingjaar verhuist vanuit de gebieden ‘de 9 straatjes’ of ‘Sluisbuurt’ naar een locatie buiten dat gebied, dan valt hij of zij voor de resterende maanden van het kalenderjaar onder het standaard reinigingsrecht bedrijfsafvalstoffen uit Hoofdstuk 3 van deze verordening.

 

Artikel 9 lid 6: Indien een ondernemer gedurende het belastingjaar verhuist naar het gebied ‘de 9 straatjes’ of ‘Sluisbuurt’ vanuit een locatie buiten dat gebied, dan valt hij of zij voor de resterende maanden van het kalenderjaar onder de bepalingen voor de gebied ‘Sluisbuurt’ uit Hoofdstuk 2 van deze verordening en voor het gebied ‘de 9 straatjes’ onder Hoofdstuk 3 van deze verordening.

 

Bijlage 3 bij de Verordening Afvalstoffenheffing en reinigingsrecht bedrijfsafval Amsterdam 2026: rekenregels en onderbouwing tarieven afvalstoffenheffing en reinigingsrecht bedrijfsafval 2026

 

Met de vaststelling van het tarief worden ook de achterliggende werkwijze en de

onderliggende rekenregels vastgesteld:

  • A.

    De tariefvaststelling vormt het financiële kader voor de afvalketen voor 2026 en is in de begroting 2026 verwerkt;

  • B.

    De afvalstoffenheffing is kostendekkend behoudens de bijdragen uit de algemene middelen en eventuele onttrekkingen uit de afvalreserves;

  • C.

    De tarieven voor het reinigingsrecht zijn kostendekkend;

  • D.

    Kapitaallasten van investeringen voor de inzameling moeten gedekt worden vanuit de opbrengsten binnen de keten;

  • E.

    Schommelingen in de exploitatie van de afvalketen worden opgevangen via de egalisatievoorziening afval.

In de bijgevoegde onderbouwing (tabel 3.1) van de tarieven afvalstoffenheffing 2026 zijn de cijfers voor 2026 geplaatst naast de cijfers van 2025. In tabel 3.2 is de kostenonderbouwing van het reinigingsrecht opgenomen.

De belangrijkste verschillen tussen de beide jaren worden hieronder toegelicht.

 

Wijzigingen begroting 2026

Voor 2026 is de totale begroting voor de afvalstoffenheffing € 215,55 miljoen (2025: € 202,76 miljoen; + € 12,8 miljoen) en voor het reinigingsrecht € 13,40 miljoen (2025: 12,23 miljoen; + € 1,2 miljoen). Ten opzichte van de begroting 2025 gaat het budget voor het gesloten systeem van afvalstoffenheffing en reinigingsrecht met € 14 miljoen omhoog. Dit wordt veroorzaakt door autonome kostenontwikkelingen (indexatie loonkosten en verwerkingstarieven geraamd op 5%), de groei van de stad (meer huishoudens betekent meer kosten, meer routes maar ook meer opbrengsten) en toenemende kapitaallasten door hogere investeringen. Net als in 2025 wordt € 5 miljoen uit de egalisatievoorziening onttrokken voor extra inzet schoon.

De lasten voor kwijtschelding blijven naar verwachting ongewijzigd.

 

De belangrijkste wijzigingen aan de batenkant voor de afvalstoffenheffing betreffen:

  • 1.

    € 4,6 miljoen hogere inkomsten uit de afvalstoffenheffing door toename van het areaal;

  • 2.

    € 0,2 miljoen hogere opbrengsten voor glas, papier/karton, textiel en de inzamelvergoeding van het Afvalfonds Verpakkingen;

  • 3.

    € 5,4 miljoen hogere bijdrage uit de algemene middelen om de tarieven van de afvalstoffenheffing voor bewoners gelijk te kunnen houden;

  • 4.

    € 2,6 miljoen bijdrage uit de algemene middelen als “Structurele aanvulling loon- en prijscompensatie”. Deze bijdrage uit de algemene middelen volgt uit het nieuwe geharmoniseerde indexatiebeleid voor loon- en prijsstijgingen dat in 2025 is ingevoerd. In dit nieuwe beleid worden verschillende percentages vastgesteld voor de standaard indexeringen van baten en lasten in de begroting. Voor 2026 zou dat betekenen dat de afvalstoffenheffing met een lager percentage geïndexeerd zou worden dan de bijbehorende lasten. Om een kostendekkend overzicht te kunnen presenteren van het gesloten systeem van de afvalstoffenheffing, wordt het verschil gepresenteerd als een extra bijdrage uit de algemene middelen. (N.B. voor het verschil in indexatie tussen baten en lasten is in de begroting dekking opgenomen als onderdeel van het nieuwe indexatiebeleid. Om een sluitend overzicht te kunnen presenteren voor het gesloten systeem van de afvalstoffenheffing, wordt deze aparte regel toegevoegd).

Tabel 3.1: tariefcalculatie afvalstoffenheffing

 

Tabel 3.2: tariefcalculatie reinigingsrecht

 

Toelichting bij tabel 3.2:

Voor 2026 is het percentage nominale indexatie voor het reinigingsrecht vastgesteld op 5,0%.

De kosten voor reinigingsrecht worden toegerekend o.b.v. het aantal betalende bedrijven en de geraamde hoeveelheid afval die door de bedrijven mag worden aangeboden.

De inkomsten reinigingsrecht stijgen met € 1,2 miljoen. Dit is een combinatie van de tariefstijging door indexatie en een toename van het verwachte aantal ondernemers dat gebruik maakt van de regeling reinigingsrecht.

Naar boven