Beleidsregel voor de toepassing van de Wet Bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur 2025

Het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester van de gemeente Lansingerland, ieder voor zover het zijn bevoegdheid betreft;

 

overwegende dat de Wet bevordering integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob) hen beleidsruimte verschaft bij de besluitvorming omtrent het toepassen van hun uit deze wet voortvloeiende bevoegdheden;

 

gelet op:

  • -

    de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur;

  • -

    het Besluit bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur;

  • -

    artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht.

B E S L U I T E N:

 

Vast te stellen de navolgende Beleidsregel voor de toepassing van de Wet Bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur 2025.

 

Paragraaf 1: Algemeen

Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen

  • 1.

    De definities in artikel 1, eerste lid van de Wet Bibob zijn van overeenkomstige toepassing op deze beleidslijn, tenzij daarover in het tweede lid anders is bepaald.

  • 2.

    In deze beleidslijn wordt verstaan onder:

    • a.

      bestuursorgaan: de burgemeester van Lansingerland en/of het college van Burgemeester en Wethouders van Lansingerland, alsmede degenen aan wie zij een mandaat hebben verleend tot besluitvorming.

    • b.

      gemeente: de gemeente Lansingerland.

    • c.

      wet: de Wet Bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob).

    • d.

      eigen onderzoek: de wijze waarop de gemeente toepassing geeft aan artikel 7a van de Wet Bibob, waarbij onderzoek wordt gedaan naar feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 3, eerste tot en met zesde lid, en artikel 9, tweede en derde lid van de Wet Bibob.

    • e.

      RIEC: het Regionaal Informatie en Expertise Centrum.

    • f.

      DCMR: Dienst Centraal Milieubeheer Rijnmond

Artikel 1.2 Altijd een Bibob-onderzoek

Uitvoering van het eigen onderzoek vindt plaats op alle terreinen die onder het bereik van de Wet Bibob vallen, indien op grond van bijvoorbeeld:

  • eigen ambtelijke informatie en/of

  • informatie uit open bronnen en/of

  • informatie verkregen van het Bureau en/of

  • informatie afkomstig van een van de partners van het RIEC en/of

  • informatie verkregen van andere rechtspersonen met een overheidstaak of andere bestuursorganen en/of

  • vanuit het OM verkregen informatie als bedoeld in artikel 26 van de Wet Bibob (OM-tip)

vragen ontstaan of bestaan over de (integriteit van de) betrokkene en/of zijn potentiële, huidige of voormalige Bibob-relaties als bedoeld in artikel 3, vierde lid van de wet en/of de organisatiestructuur en/of zeggenschapsverhouding en/of wijze van financiering en/of onderaannemers in geval van een overheidsopdracht.

Artikel 1.3 Geen Bibob-onderzoek

Tenzij zich een situatie voordoet als omschreven in artikel 1.2 van deze beleidslijn, blijft uitvoering van het eigen onderzoek achterwege, indien de betrokkene:

  • 1.

    een (semi)overheidsinstantie is;

  • 2.

    een paracommerciële rechtspersoon als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet exploiteert;

  • 3.

    een toegelaten woning(bouw)corporatie is (toegelaten door de Minister van Volkshuisvesting conform Woningbesluit 1932 middels een daartoe verstrekte vergunning);

  • 4.

    een terreinbeherende organisaties is (zoals Staatsbosbeheer of Natuurmonumenten).

Paragraaf 2: Toepassingsbereik bij vergunningen en subsidies

Artikel 2.1 vergunningen

  • 1.

    Uitvoering van het eigen onderzoek vindt plaats bij elke aanvraag om een vergunning als bedoeld in:

    • a.

      artikel 3 van de Alcoholwet (Alcoholwetvergunning) met uitzondering van de vergunning voor het slijtersbedrijf;

    • b.

      artikel 2:28, eerste lid van de Algemene plaatselijke verordening (exploitatievergunning horeca);

    • c.

      artikel 30b van de Wet op de kansspelen (aanwezigheidsvergunning);

    • d.

      artikel 2.39 van de Algemene Plaatselijke Verordening (exploitatievergunning speelautomaten);

    • e.

      artikel 3:3 van de Algemene plaatselijke verordening (vergunning seksbedrijf);

    • f.

      artikel 2:72, eerste lid van de Algemene plaatselijke verordening (vergunning vuurwerkverkooppunt);

    • g.

      artikel 2:25 van de Algemene plaatselijke verordening (evenementen), voor zover de aanvraag betrekking heeft op een vechtsportevenement of -gala, een evenement waarbij een outlaw motorcycle gang is betrokken of een dance-evenement;

    • h.

      artikel 2:36 van de Algemene plaatselijke verordening (vergunning tegengaan malafide ondernemersklimaat).

  • 2.

    Bij aanvragen om een Huisvestingsvergunning (als bedoeld in artikelen 21, 22, eerste lid, van de Huisvestingswet 2014), vindt uitvoering van het eigen onderzoek alleen plaats in situaties als bedoeld in artikel 1.2 van deze beleidslijn.

  • 3.

    Voor zover niet anders bepaald in deze beleidslijn, vindt uitvoering van het eigen onderzoek bij (overige) aanvragen om vergunningen of ontheffingen zoals bedoeld in artikel 7 Wet Bibob (een gemeentelijke vergunning voor inrichting of bedrijf) alleen plaats in situaties als bedoeld in artikel 1.2.

  • 4.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 1.2 van deze beleidslijn, vindt uitvoering van het eigen onderzoek bij een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a. van de Omgevingswet (omgevingsplanactiviteit) en artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder a. van de Omgevingswet (bouwactiviteit) plaats, indien:

    • a.

      de bouwkosten tenminste € 500.000,- exclusief BTW bedragen, of

    • b.

      de bouwactiviteit waarvan de bouwkosten tenminste €10.000,- exclusief BTW bedragen of de omgevingsplanactiviteit betrekking heeft op, dan wel wordt uitgevoerd door of ten behoeve van een onderneming die actief is in één van de volgende branches of sectoren, dan wel branches of sectoren die daaraan verwant zijn:

      • horeca- en seksbedrijven, coffeeshops en speelautomatenhallen;

      • smart-, head- en growshops;

      • sportscholen en fitnesscentra;

      • wellnessbranche (massage- en beautysalons, nagel- en zonnebankstudio’s, sauna’s);

      • autobranche (autohandel, garages, lease- en verhuurbedrijven en autodemontage);

      • opkopers en handelaren in gebruikte of ongeregelde goederen

      • belwinkels;

      • woonwagenterreinen;

      • terreinen voor kermisexploitanten;

      • kapsalons;

      • zorgaanbieders;

      • huisvesting van arbeidsmigranten;

      • geldwisselkantoren;

      • motorclubs;

      • in- en exportbedrijven en opslagbedrijven;

      • een andere risicocategorie die door het bestuursorgaan als zodanig is aangewezen en bekend gemaakt.

    • c.

      de bouwactiviteit waarvan de bouwkosten tenminste €10.000,- bedragen, wordt uitgevoerd op of in één van de volgende risicogebieden:

      • Bedrijventerrein De Hoefslag in Bleiswijk;

      • Jan van der Heydenstraat in Bleiswijk;

      • Bleizo Business Park in Bleiswijk;

      • Prisma bedrijvenpark in Bleiswijk;

      • Veiling Bleiswijk in Bleiswijk;

      • Greenparc in Bleiswijk;

      • Bedrijventerrein Weg en Land in Bergschenhoek;

      • Bedrijventerrein Bosland in Bergschenhoek;

      • Bedrijventerrein Leeuwenhoekweg in Bergschenhoek;

      • Bedrijventerrein Bergweg-Zuid in Bergschenhoek;

      • Bedrijventerreinen Oudeland in Berkel en Rodenrijs;

      • Bedrijventerrein Rodenrijs in Berkel en Rodenrijs;

      • Bedrijventerrein Spoorhaven in Berkel en Rodenrijs;

      • Noordeindseweg in Berkel en Rodenrijs.

  • 5.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 1.2 van deze beleidslijn, vindt uitvoering van het eigen onderzoek bij een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder b van de Omgevingswet (milieubelastende activiteit) plaats, indien de betrokkene actief is in een van de volgende branches of sectoren, dan wel branches of sectoren die daaraan verwant zijn:

    • vuurwerkhandel;

    • afvalbedrijven;

    • autodemontage;

    • transportsector;

    • herstelinrichtingen voor motorvoertuigen;

    • op- en overslagbedrijven;

    • inrichtingen voor gebruik en/of opslag voor wapens en munitie;

    • Producenten van bunkerbrandstoffen;

    • Inrichtingen waar met meststoffen wordt gewerkt,

Artikel 2.2 Toepassingsbereik bij subsidieaanvragen

  • 1.

    Uitvoering van het eigen onderzoek met betrekking tot een aanvraag voor een subsidie als bedoeld in artikel 4:21, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht vindt alleen plaats in situaties zoals bedoeld in artikel 1.2 van deze beleidslijn.

  • 2.

    In afwijking van het bepaalde in lid 1 van dit artikel, vindt uitvoering van het eigen onderzoek plaats bij iedere aanvraag die betrekking heeft op de zorgsector en waarvan het bedrag groter is dan € 10.000,-.

Artikel 2.3 Toepassingsbereik bij reeds verleende beschikkingen

Uitvoering van het eigen onderzoek met betrekking tot verleende beschikkingen (vergunningen en subsidies) vindt in beginsel alleen plaats in situaties zoals bedoeld in artikel 1.2 van deze beleidslijn.

 

Paragraaf 3: Privaatrechtelijke transacties

Artikel 3.1 Toepassingsbereik voorafgaand aan vastgoedtransacties (overige vastgoedtransacties)

Onverminderd het bepaalde in artikel 1.2 van deze beleidslijn, vindt uitvoering van het eigen onderzoek bij vastgoedtransacties plaats alvorens een beslissing wordt genomen over het aangaan van een vastgoedtransactie, indien de onroerende zaak waarop de vastgoedtransactie betrekking heeft:

  • 1.

    een waarde heeft van ten minste € 1.000.000,- of;

  • 2.

    zal worden gebruikt voor de in artikel 2.1, vierde lid onder b. genoemde sectoren, of;

  • 3.

    zich bevindt op de in artikel 2.1, vierde lid onder c. genoemde risicogebieden, of;

  • 4.

    naar het oordeel van de gemeente beeldbepalend is, dan wel symbolische waarde heeft.

Artikel 3.2 Geen overeenkomst vastgoed

Indien is besloten tot het starten van een Bibob-onderzoek, komt in ieder geval geen overeenkomst tot stand, totdat het Bibob-onderzoek volledig is afgerond en het onderzoek naar het oordeel van de gemeente geen aanleiding geeft tot het afbreken van de onderhandelingen, tenzij partijen nadrukkelijk anders overeenkomen.

Artikel 3.3 Toepassingsbereik na totstandkoming vastgoedtransacties

De gemeente zal, nadat de vastgoedtransactie tot stand is gekomen, uitvoering geven aan het eigen onderzoek, indien in de overeenkomst een Bibob-beëindigingclausule als bedoeld in artikel 5a, onder b van de wet is opgenomen en zich een situatie voordoet zoals omschreven in artikel 1.2 van deze beleidslijn.

Artikel 3.4 Toepassingsbereik overheidsopdrachten

  • 1.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 1.2 van deze beleidslijn zal de gemeente met betrekking tot overheidsopdrachten een Bibob-onderzoek starten, indien:

    • a.

      de gedragsverklaring aanbesteden naar het oordeel van de gemeente ontoereikend is voor een beoordeling van de toepasselijke uitsluitingsgronden;

    • b.

      de overheidsopdracht betrekking heeft op de zorgsector; of

    • c.

      de overheidsopdracht betrekking heeft op een andere risicobranche of -sector, die door het bestuursorgaan als zodanig is aangewezen en bekend gemaakt.

  • 2.

    De gemeente zal, nadat de overheidsopdracht is gegund, in beginsel uitvoering geven aan het eigen onderzoek, indien in de overeenkomst een Bibob-beëindigingsclausule als bedoeld in artikel 5, tweede lid onder b. van de wet is opgenomen en zich een situatie voordoet die wijst op een toepasselijke uitsluitingsgrond of op een aan de Wet Bibob gelieerde clausule die in de overeenkomst is opgenomen.

  • 3.

    De bepalingen uit dit artikel zijn eveneens van toepassing in geval de gemeente om toestemming wordt verzocht voor het contracteren van een onderaannemer, indien de gemeente in het bestek als voorwaarde heeft gesteld dat onderaannemers niet zonder haar toestemming worden gecontracteerd.

Artikel 3.5 Inkoop van zorg op grond van de Jeugdwet of de Wmo

Uitvoering van het eigen onderzoek vindt in beginsel voorafgaand aan de beoogde totstandkoming van iedere overeenkomst zoals bedoeld in artikel 1, vierde lid onder b van de wet plaats.

Artikel 3.6 Geen overeenkomst (inkoop van zorg op grond van de Jeugdwet of de Wmo)

Indien is besloten tot het starten van een Bibob-onderzoek zoals bedoeld in artikel 3.5 van deze beleidsregel komt in ieder geval geen overeenkomst tot stand totdat het Bibob-onderzoek volledig is afgerond en dit onderzoek naar het oordeel van de gemeente geen aanleiding geeft tot het

afbreken van de onderhandelingen, tenzij partijen dat nadrukkelijk anders overeenkomen.

Artikel 3.7 Toepassingsbereik na totstandkoming overeenkomst (inkoop van zorg)

De gemeente zal, nadat een overeenkomst als bedoeld in artikel 3.5 van deze beleidsregel tot stand is gekomen, in beginsel uitvoering geven aan het eigen onderzoek, indien in de overeenkomst een Bibob-beëindigingsclausule als bedoeld in artikel 5, tweede lid onder b. van de wet is opgenomen en zich een situatie voordoet die wijst op een toepasselijke uitsluitingsgrond of op een aan de Wet Bibob gelieerde ontbindingsgrond die in de clausule is opgenomen.

 

Paragraaf 4: Uitvoering eigen onderzoek

Artikel 4.1 Eigen onderzoek, als bedoeld in artikel 1.1, tweede lid onder e van deze beleidsregel

  • 1.

    In het kader van het eigen onderzoek, zal de betrokkene het Bibob-vragenformulier dienen in te vullen en de daarin verzochte gegevens en bescheiden dienen te verstrekken.

  • 2.

    Bij de uitvoering van het eigen onderzoek kan de gemeente of het bestuursorgaan zich laten ondersteunen door het RIEC.

  • 3.

    In geval van een vergunning als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder b. van de Omgevingswet (milieubelastende activiteit) wordt het Bibob-onderzoek in beginsel namens het bestuursorgaan uitgevoerd door DCMR.

  • 4.

    Het eigen onderzoek behelst in ieder geval de controle en analyse van:

    • a.

      de door de betrokkene verstrekte informatie op en bij het Bibob-vragenformulier;

    • b.

      open bronnen, zoals het internet, het Handelsregister en het Kadaster;

    • c.

      gemeentelijke systemen, zoals de Basisregistratie Personen;

    • d.

      politie-, justitiële, strafvorderlijke en fiscale gegevens over de betrokkene en zijn Bibob- relaties als bedoeld in artikel 3, vierde lid onder c van de wet, voor zover het bestuursorgaan of de gemeente daartoe bevoegd is;

    • e.

      overige informatie verkregen van een van de partners van het RIEC, het Bureau dan wel andere rechtspersonen met een overheidstaak of bestuursorganen.

  • 5.

    De gemeente of het bestuursorgaan kan naar aanleiding van de door de betrokkene verstrekte informatie nadere vragen stellen c.q. stukken opvragen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden naar hun mening onvoldoende zijn om het Bibob-onderzoek volledig te kunnen verrichten.

Artikel 4.2 Adviesaanvraag Landelijk Bureau Bibob

In aanvulling op het eigen onderzoek kan de gemeente, het bestuursorgaan of DCMR het Bureau verzoeken onderzoek te verrichten en advies uit te brengen, indien bijvoorbeeld:

  • 1.

    de officier van justitie, een rechtspersoon met een overheidstaak, een bestuursorgaan en/of het Bureau de gemeente of het bestuursorgaan op grond van respectievelijk de artikelen 26 en 11 van de wet hebben bericht;

  • 2.

    de gemeente of het bestuursorgaan bericht als bedoeld in artikel 11 heeft ontvangen van het Bureau en dit bericht aanleiding geeft tot het aanvragen van een advies;

  • 3.

    naar het oordeel van de gemeente of het bestuursorgaan de expertise of informatiepositie van het Bureau noodzakelijk is;

  • 4.

    na het uitvoeren van het eigen onderzoek vragen blijven bestaan over:

    • a.

      omstandigheden in de persoon van de betrokkene en/of zijn potentiële, huidige of voormalige Bibob-relaties als bedoeld in artikel 3, vierde lid van de wet;

    • b.

      de organisatiestructuur of zeggenschapsverhouding van de betrokkene;

    • c.

      de wijze van financiering.

Paragraaf 5: Gevolgen van het Bibob-onderzoek Artikel 5.1

Artikel 5.1 Gevolgen van ontoereikende informatievoorziening door betrokkene bij beschikkingen

  • 1.

    Het bestuursorgaan laat een aanvraag voor een beschikking in beginsel buiten behandeling, in het geval de aanvrager onvoldoende gegevens en bescheiden verstrekt voor het uitvoeren van het Bibob-onderzoek;

  • 2.

    Het bestuursorgaan trekt een verleende beschikking in beginsel in, in het geval de betrokkene weigert om de op basis van de Wet Bibob gevraagde gegevens en bescheiden volledig te verstrekken, mits de betrokkene de gelegenheid heeft gehad tot herstel van dit gebrek.

  • 3.

    Het bestuursorgaan weigert een aanvraag in beginsel, dan wel trekt een verleende beschikking in beginsel in, in geval van het niet of niet volledig beantwoorden van de door het Bureau op grond van artikel 12 van de Wet Bibob gestelde vragen, dan wel het niet of niet volledig verstrekken van de door het Bureau op basis van datzelfde artikel verzochte gegevens.

Artikel 5.2 Gevolgen van een Bibob-onderzoek bij beschikkingen

  • 1.

    Het bestuursorgaan zal in beginsel overgaan tot het weigeren van een aanvraag voor een beschikking of tot intrekking van een reeds verleende beschikking, indien uit het eigen onderzoek of uit het advies van het Bureau blijkt dat sprake is van een ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdelen a. en b. van de Wet Bibob, dan wel indien zich een situatie voordoet als bedoeld in artikel 3, zesde lid, van de Wet Bibob.

  • 2.

    In het geval het een ernstig gevaar als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b van de wet betreft, gaat het bestuursorgaan slechts over tot weigering of intrekking, voorzover de ernst van de strafbare feiten dit rechtvaardigen.

  • 3.

    Weigering en intrekking op grond van artikel 3, zesde lid, van de wet vindt slechts plaats voorzover dit tenminste evenredig is met, ingeval van vermoedens, de ernst daarvan en met de ernst van het strafbare feit.

  • 4.

    Het bestuursorgaan zal bij een mindere mate van gevaar als bedoeld in artikel 3, zevende lid van de Wet Bibob in beginsel voorschriften aan de beschikking verbinden. Deze voorschriften zijn gericht op het wegnemen of beperken van een dergelijk gevaar.

Artikel 5.3 Gevolgen van een Bibob-onderzoek bij vastgoedtransacties

  • 1.

    De gemeente zal in beginsel overgaan tot het afbreken van de onderhandelingen, indien uit het eigen onderzoek en/of een eventueel daarop afgegeven advies van het Bureau blijkt dat ten minste één van de onderstaande situaties zich voordoet:

    • a.

      er is sprake van ten minste een mindere mate van gevaar dat de vastgoedtransactie mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten;

    • b.

      er is sprake van ten minste een mindere mate van gevaar dat in of met de onroerende zaak waar de vastgoedtransactie betrekking op heeft, mede strafbare feiten zullen worden gepleegd;

    • c.

      er is sprake van feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die naar het oordeel van de gemeente van dusdanige ernst zijn, dat zij het afbreken van de onderhandelingen rechtvaardigen (ongeacht de mate van gevaar);

    • d.

      er is sprake van feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat ter verkrijging van de vastgoedtransactie een strafbaar feit is gepleegd;

    • e.

      betrokkene heeft nagelaten de op grond van artikel 7a Wet Bibob gevraagde gegevens en bescheiden te verschaffen en/of heeft nagelaten de vragen die hem door de gemeente zijn gesteld op basis van dat artikel binnen de door de gemeente gestelde termijn volledig en naar waarheid te beantwoorden;

    • f.

      betrokkene heeft nagelaten de op grond van artikel 12 Wet Bibob gevraagde gegevens en bescheiden te verschaffen en/of heeft nagelaten de vragen die hem door het Bureau zijn gesteld op basis van dat artikel binnen de door het Bureau gestelde termijn volledig en naar waarheid te beantwoorden.

  • 2.

    In de gevolgen van een Bibob-onderzoek dat is gestart nadat de vastgoedtransactie is aangegaan, wordt bij overeenkomst voorzien.

Artikel 5.4 Gevolgen van een Bibob-onderzoek bij overheidsopdrachten

  • 1.

    In geval van een inschrijving op een overheidsopdracht zoals bedoeld in artikel 1.1 van de Aanbestedingswet 2012, kan de informatie uit het Bibob-onderzoek dienen als onderbouwing van een of meerdere uitsluitingsgronden als genoemd in de Aanbestedingswet 2012, dan wel als onderbouwing van de conclusie dat de betrokkene niet voldoet aan de gestelde geschiktheids- eisen.

  • 2.

    De gemeente gunt een overheidsopdracht zoals bedoeld in artikel 1.1. van de Aanbestedingswet 2012 niet, indien de betrokkene heeft nagelaten:

    • a.

      de op grond van artikel 7a van de Wet Bibob gevraagde gegevens en bescheiden te verschaffen en/of heeft nagelaten de vragen die hem door de gemeente zijn gesteld op basis van dat artikel binnen de door de gemeente gestelde termijn volledig en naar waarheid te beantwoorden;

    • b.

      de op grond van artikel 12 van de Wet Bibob gevraagde gegevens en bescheiden te verschaffen en/of heeft nagelaten de vragen die hem door het Bureau zijn gesteld op basis van dat artikel binnen de door het Bureau gestelde termijn volledig en naar waarheid te beantwoorden.

  • 3.

    In de gevolgen van een Bibob-onderzoek dat is gestart nadat de overheidsopdracht is gegund, wordt bij overeenkomst voorzien.

Artikel 5.5 Gevolgen van een Bibob-onderzoek bij inkoop van zorg

  • 1.

    In geval de overheidsopdracht een overeenkomst ten aanzien van de inkoop van zorg op grond van de Jeugdwet of de Wet maatschappelijke ondersteuning, als bedoeld in artikel 1, vierde lid, onder b van de wet, zal de gemeente in beginsel overgaan tot het afbreken van de onderhandelingen, indien uit het eigen onderzoek en/of een eventueel daarop afgegeven advies van het Bureau blijkt dat ten minste één van de onderstaande situaties zich voordoet:

    • a.

      de mogelijkheid bestaat dat een betrokkene wordt gefinancierd met uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen;

    • b.

      er is sprake van ten minste een mindere mate van gevaar dat een betrokkene, indien de overheidsopdracht aan hem zou worden gegund, bij de uitvoering van die opdracht strafbare feiten zal plegen;

    • c.

      er is sprake van feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die naar het oordeel van de gemeente van dusdanige ernst zijn, dat zij het afbreken van de onderhandelingen rechtvaardigen (ongeacht de mate van gevaar);

    • d.

      er is sprake van feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat ter verkrijging van de overheidsopdracht een strafbaar feit is gepleegd;

    • e.

      er is sprake van een van de uitsluitingsgronden als genoemd in artikelen 2.86 en 2.87 van de Aanbestedingswet 2012;

    • f.

      betrokkene heeft nagelaten de op grond van artikel 7a Wet Bibob gevraagde gegevens en bescheiden te verschaffen en/of heeft nagelaten de vragen die hem door de gemeente zijn gesteld op basis van dat artikel binnen de door de gemeente gestelde termijn volledig en naar waarheid te beantwoorden;

    • g.

      betrokkene heeft nagelaten de op grond van artikel 12 Wet Bibob gevraagde gegevens en bescheiden te verschaffen en/of heeft nagelaten de vragen die hem door het Bureau zijn gesteld op basis van dat artikel binnen de door het Bureau gestelde termijn volledig en naar waarheid te beantwoorden.

  • 2.

    In de gevolgen van een Bibob-onderzoek dat is gestart nadat de overeenkomst is aangegaan, wordt bij overeenkomst voorzien.

Artikel 5.6 Gevolgen van het (vermoedelijk) plegen strafbaar feit

In geval de gemeente of het bestuursorgaan vermoedt dat op enig moment een strafbaar feit is gepleegd ter verkrijging en/of behoud van een beschikking, vastgoedtransactie of overheids- opdracht, kan zij los van eventuele bestuursrechtelijke of civielrechtelijke consequenties, tevens strafrechtelijk aangifte doen.

 

Paragraaf 6: Slotbepalingen

Artikel 6.1 Intrekking oude beleidslijn

De Beleidsregel van de gemeenteraad, de burgemeester en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lansingerland houdende regels omtrent toepassing van de Wet bevordering integriteitsbepalingen door het openbaar bestuur (Beleidsregel Wet Bibob Lansingerland 2021), vastgesteld op 6 april 2021, wordt ingetrokken.

Artikel 6.2 Citeertitel

Deze beleidslijn wordt aangehaald als de beleidsregel Wet Bibob Lansingerland 2025.

Artikel 6.3 Datum inwerkingtreding

Deze beleidslijn treedt in werking op 1 december 2025.

Aldus vastgesteld in de vergadering van 11 november 2025,

De burgemeester en het college van Burgemeester en Wethouders van Lansingerland;

de burgemeester

Jules Bijl

de secretaris

Mickel Beckers

Toelichting  

  • 1

    Waarom een wijziging van de Bibob -beleidslijn?

     

    De aanleiding voor de wijziging van de beleidslijn is gelegen in een drietal redenen. Ten eerste zijn de meest recente wijzigingen van de Wet Bibob (eerste en tweede tranche) verwerkt. Daarmee heeft de wetgever onder meer een verruiming van het toepassingsbereik van de Wet Bibob en een verruiming van bevoegdheden tot informatiedeling gerealiseerd. De wetgever heeft hiermee beoogd bestuursorganen beter in staat te stellen een effectief Bibob-onderzoek te verrichten. Het beleid is dan ook zo aangepast dat deze wijzigingen hierin zijn meegenomen. Ten tweede is per 1 januari 2024 de Omgevingswet in werking getreden. Met deze geactualiseerde beleidslijn wordt aangesloten bij het toepassingsbereik van de wet, zoals geregeld in de Omgevingswet. Ten derde zijn de beleids- keuzes uit de voorgaande beleidslijn (2021) tegen het licht gehouden en afgezet tegen de huidige inzichten. Dit heeft geleid tot een herijkt Bibob-beleid.

     

  • 2

    Toelichting op de beleidslijn

     

    Paragraaf 1: Algemeen

     

    Artikel 1.2

    De Wet Bibob is van toepassing op in de wet aangewezen vergunningen, subsidies, vastgoed- transacties en overheidsopdrachten. Aangezien de gemeente Lansingerland geen zaken wenst te doen met malafide partijen, zal op al deze gebieden in alle gevallen waarin er signalen zijn dat de betrokkene of zijn Bibob-relaties niet integer zijn, een Bibob-onderzoek worden gestart. Deze signalen kunnen voortvloeien uit de bronnen zoals genoemd in deze bepaling, waarbij uitdrukkelijk zij vermeld dat de opsomming in dit artikel niet uitputtend is. Voor de volledigheid wordt bovendien opgemerkt dat hiermee wordt voorzien in de toepassing van eventuele nieuwe toepassingsgebieden. Deze vallen automatisch onder deze bepaling.

     

    Artikel 1.3

    Deze bepaling regelt in welke gevallen wij in beginsel géén Bibob-onderzoek zullen verrichten.

     

    Eerste lid

    Dat is onder meer het geval indien de betrokkene een overheids- of een semioverheidsinstantie is. Semioverheid is een algemene aanduiding voor allerlei soorten organisaties die 'dicht tegen de overheid aan zitten'. Kenmerkend voor een semioverheid is dat sprake is van:

    • a.

      wettelijke taken en/of het dienen van een uitgesproken publiek belang; en

    • b.

      een (substantiële) publieke financiering.

  • Paragraaf 2: Toepassingsbereik bij vergunningen en subsidies.

     

    In paragraaf 2 van de beleidslijn zijn bepalingen opgenomen ten aanzien van de wijze van toepassing van de wet bij vergunningen en subsidies.

     

    Artikel 2.1

    Het eerste lid van dit artikel geeft een opsomming van de vergunningen waarbij bij iedere aanvraag een Bibob-onderzoek zal worden gestart.

     

    In het vierde en vijfde lid is de wijze van uitvoering van eigen onderzoek met betrekking tot de nieuwe Omgevingswet geregeld. Het gaat hier om de bouwactiviteit, de omgevingsplanactiviteit en de milieubelastende activiteit. Naast dat is aangesloten bij de nieuwe wetsartikelen en terminologie, heeft het college enkele nieuwe categorieën toegevoegd aan de reeds bestaande opsomming risicocategorieën uit de voorgaande beleidslijn, gelet op de omstandigheid dat ook deze gevoelig worden geacht voor criminele invloeden. Hierbij is aangesloten bij de Bibob-beleidsregel van de gemeente Rotterdam, om te voorkomen dat personen en/of ondernemingen die vanwege de Wet Bibob daar geen vergunning krijgen, zich verplaatsen naar Lansingerland. Het college behoudt bovendien de mogelijkheid om bij aanwijzingsbesluit nieuwe risicocategorieën aan te wijzen, indien het signalen ontvangt dat bepaalde branches in trek zijn bij criminelen. Daarmee blijft het college flexibel en voorkomt het dat criminelen op de beleidskeuzes inspelen.

     

    Bij de omgevingsvergunning bouwactiviteit hanteert het college een (drempel)bedrag, alvorens eigen onderzoek wordt verricht. De bouwkosten worden door het college zelf berekend. Indien een aanvrager binnen één jaar meerdere aanvragen indient voor hetzelfde project met een lagere bouwsom dan het drempelbedrag, zullen de bedragen bij elkaar worden opgeteld. Als het college vermoedt dat de betrokkene een Bibob-onderzoek tracht te voorkomen, door bewust (meerdere) aanvragen met lagere bouwkosten in te dienen, zal het bovendien ook een onderzoek starten.

     

    Tot slot merken wij diverse straten en gebieden als risicogebied aan. Deze zijn gelijk aan de in de voorgaande beleidsregel genoemde risicogebieden.

     

    Artikel 2.2

    Ten aanzien van (aanvragen om) subsidies, heeft het college er gelet op de toenemende signalen van zorgfraude voor gekozen om subsidies die betrekking hebben op die sector en een bedrag van € 10.000 overstijgen, altijd te onderwerpen aan een Bibob-onderzoek. In het geval een aanvrager binnen één jaar meerdere op deze sector betrekking hebbende subsidies aanvraagt, die de drempel van €10.000 niet overstijgen, zullen de bedragen bij elkaar worden opgeteld. Indien het bestuurs- orgaan vermoedt dat aanvragers bewust (meerdere) aanvragen indienen die de drempelwaarde niet bereiken, teneinde een Bibob-onderzoek te omzeilen, zal het bovendien ook een onderzoek starten.

     

    Artikel 2.3

    Uitvoering van het eigen onderzoek na verlening van de beschikking vindt slechts plaats indien signalen (als bedoeld in artikel 1.2 van de beleidslijn) hier aanleiding toe geven. Indien het onderzoek gedurende de aanvraag(fase) wordt opgestart, maar om wat voor reden dan ook niet tijdig kan worden afgerond, kan het voorkomen dat het onderzoek na vergunningverlening wordt voortgezet. Het bestuursorgaan zal dit in dit geval communiceren aan de betrokkene.

     

    Paragraaf 3: Privaatrechtelijke transacties

     

    In paragraaf 3 van de beleidslijn wordt uiteengezet in welke gevallen wij toepassing geven aan de wet bij (het aangaan van) privaatrechtelijke transacties.

     

    Artikel 3.1

    De gemeente zal eigen onderzoek verrichten bij vastgoedtransacties in het geval van signalens als bedoeld in artikel 1.2, afhankelijk van de waarde van de transactie, de wijze van gebruik van het onroerend goed of van de locatie daarvan.

     

    Artikel 3.2

    Om te voorkomen dat de wederpartij erop vertrouwt dat een overeenkomst tot stand komt, maakt dit artikel duidelijk dat de gemeente in de regel het resultaat van het Bibob-onderzoek afwacht, alvorens het een beslissing neemt over het al dan niet aangaan van de overeenkomst. Van dat uitgangspunt kan door partijen worden afgeweken door de overeenkomst gedurende het Bibob- onderzoek aan te gaan, indien beide daar om welke redenen dan ook belang aan hechten. In die overeenkomst zal in dat geval wel een Bibob-beëindigingsclausule zijn opgenomen en dient de wederpartij er nadrukkelijk rekening mee te houden dat het Bibob-onderzoek na afronding alsnog kan leiden tot beëindiging van de overeenkomst.

     

    Artikel 3.3

    Het onderzoek naar de wederpartij bij een vastgoedtransactie kan niet alleen vooraf worden uitgevoerd, maar ook nadat die transactie tot stand is gekomen. Voorwaarde is wel dat in de betreffende overeenkomst een Bibob-beëindigingsclausule is opgenomen. Mede afhankelijk van het soort vastgoedtransactie, is het uitgangspunt dat die bepaling in beginsel in iedere overeenkomst wordt opgenomen.

     

    Artikel 3.4

    Dit artikel regelt het toepassingsbereik ten aanzien van overheidsopdrachten. De gemeente Rotterdam heeft ervoor gekozen om naast de situaties als genoemd in artikel 1.2 van de beleidslijn ook standaard een Bibob-onderzoek uit te voeren indien de overheidsopdracht betrekking heeft op de zorgsector. Gelet op de toenemende signalen dat in deze sector grootschalige fraude plaats- vindt, acht de gemeente standaard onderzoek noodzakelijk. Hiernaast zal ook in de gevallen waarin een gedragsverklaring aanbesteden naar het oordeel van de gemeente ontoereikend voor een beoordeling van de integriteit van de gegadigde wordt geacht eigen onderzoek worden verricht. Tot slot kan de gemeente middels aanwijzingsbesluit nadere risicosectoren aanwijzen, waarop zij standaard een eigen onderzoek zal verrichten.

     

    Artikelen 3.5, 3.6 en 3.7

    In deze artikelen wordt de toepassing van de wet bij de gemeentelijke inkoop van zorg in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de Jeugdwet geregeld. Sinds de wetswijziging tweede tranche kan de gemeente de Wet Bibob ook toepassen bij de inkoop van zorg middels zogeheten ‘open house procedures’. Ingevolge de bepaling uit artikel 3.5, zal de gemeente de Wet Bibob in alle gevallen toepassen, alvorens zij een overeenkomst aangaat met de betreffende zorgaanbieder. Wederom om te voorkomen dat de wederpartij erop vertrouwt dat een overeen- komst tot stand komt, maakt artikel 3.6 duidelijk dat de gemeente in de regel het resultaat van het Bibob-onderzoek afwacht, alvorens het een beslissing neemt over het al dan niet aangaan van de overeenkomst. Van dat uitgangspunt kan door partijen worden afgeweken door de overeenkomst gedurende het Bibob-onderzoek aan te gaan, indien beide daar om welke redenen dan ook belang aan hechten. In die overeenkomst zal in dat geval wel een Bibob-beëindigingsclausule zijn opgenomen en dient de wederpartij er nadrukkelijk rekening mee te houden dat het Bibob- onderzoek na afronding alsnog kan leiden tot beëindiging van de overeenkomst.

     

    Net als bij vastgoedtransacties geldt uiteraard ook hier dat eigen onderzoek niet alleen vooraf kan worden uitgevoerd, maar ook nadat die overeenkomst tot stand is gekomen. Voorwaarde is dat, zoals hierboven beschreven, in de betreffende overeenkomst een Bibob-beëindigingsclausule is opgenomen. De gemeente zal als uitgangspunt hanteren dat deze clausule in iedere overeenkomst wordt opgenomen.

     

    Paragraaf 4: Uitvoering eigen onderzoek

     

    Artikel 4.1

    In deze bepalingen wordt globaal weergegeven hoe het Bibob-onderzoek verloopt en welke bronnen worden geraadpleegd. Deze opsomming van bronnen is niet limitatief en kan in de loop van de tijd veranderen, afhankelijk van de gewijzigde bevoegdheden van de gemeente en het bestuursorgaan in andere wettelijke regelingen. De bronnen kunnen in willekeurige volgorde geraadpleegd worden: het onderzoek hoeft niet altijd te starten met het uitreiken van het Bibob-vragenformulier. Het kan voorkomen dat de gemeente of het bestuursorgaan naar aanleiding van de ingediende bescheiden vragen heeft over bijvoorbeeld de wijze van financiering, de personen die tot de betrokkene in relatie staan of andere voor het onderzoek relevante aspecten. De gemeente of het bestuursorgaan kan in dat geval (herhaaldelijk) nadere vragen stellen c.q. stukken opvragen, totdat zij van mening is dat de verstrekte gegevens en bescheiden voldoende zijn om het Bibob-onderzoek volledig te kunnen verrichten.

     

    Artikel 4.2

    Indien na het eigen onderzoek naar het oordeel van de gemeente of het bestuursorgaan noodzaak tot vervolgonderzoek bestaat, zal het Bureau worden verzocht advies uit te brengen. Dat zal in beginsel altijd gebeuren bij een tip van de officier van justitie zoals bedoeld in artikel 26 van de Wet Bibob of een tip van het Bureau zoals bedoeld in artikel 11. De wetswijziging tweede tranche maakt het eveneens mogelijk dat bestuursorganen, dan wel rechtspersonen met een overheidstaak, onderling elkaar een Bibob-tip sturen. Ook deze tip zal in beginsel aanleiding voor een advies- aanvraag bij het Bureau zijn. Wij zullen ook advies aanvragen, indien wij bijvoorbeeld de expertise van het Bureau nodig achten om de mate van gevaar te beoordelen of indien wij over bepaalde voor het Bibob-onderzoek relevante personen niet alle informatiebronnen kunnen raadplegen.

     

    Paragraaf 5: Gevolgen van het Bibob -onderzoek

     

    Artikel 5.1

    Om het Bibob-onderzoek te kunnen uitvoeren is het van belang dat de betrokkene volledig inzicht biedt in de herkomst van de financiering, de identiteit van de vermogensverschaffers en de identiteit van de (rechts)personen met zeggenschap. Bovendien zal duidelijk moeten worden wie feitelijke invloed heeft binnen de onderneming. Deze partijen zijn op grond van artikel 3, vierde lid onder c van de Wet Bibob immers relevant voor het onderzoek. Indien de betrokkene hierover onvoldoende gegevens verstrekt dan zullen wij niet tot vergunning- of subsidieverlening overgaan, dan wel de gegeven beschikking intrekken. Indien een betrokkene op enigerlei wijze (direct dan wel indirect) wordt gefinancierd middels crowdfunding, zal de betrokkene (dan wel het crowdfundings- platform) inzicht moeten geven in de identiteit van de investeerders. Doet zij dit niet, dan zullen wij hier in beginsel de hiervoor genoemde gevolgen aan verbinden.

     

    Artikel 5.2

    Het eerste lid van artikel 5.2 bepaalt dat we bij de conclusie ernstig gevaar in beginsel overgaan tot het weigeren of intrekken van de vergunning. Een dergelijke weigering of intrekking is echter geen automatisme. Het bestuursorgaan zal steeds de individuele belangen van de betrokkene afwegen tegen het belang van het niet-faciliteren van strafbare feiten. Bovendien zal het bestuursorgaan op grond van artikel 3, vijfde lid overwegen of de ernst van de strafbare feiten een weigering of intrekking rechtvaardigt, voor zover het om een ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder b van de Wet Bibob gaat. Per 1 augustus 2020 biedt de Wet Bibob de bevoegdheid om ook bij een ernstig gevaar conclusie voorschriften aan de vergunning te verbinden, voor zover de ernst van de strafbare feiten een weigering of intrekking van de beschikking niet rechtvaardigt. Het bestuurs- orgaan zal telkens onderzoeken of van die bevoegdheid gebruik kan worden gemaakt. Dit zal mede afhangen van de aard en de ernst van de geconstateerde strafbare feiten. Berust de gevaars- conclusie op (zeer) ernstige strafbare feiten, of is door of namens de betrokkene (eerder) gebruik gemaakt van schijnconstructies, dan zal het bestuursorgaan in de regel niet overgaan tot het verbinden van voorschriften. Ook het plegen van strafbare feiten ter verkrijging of behoud van de vergunning of anderzijds vermoedens van strafbare feiten met een verhullend karakter, kunnen ertoe leiden dat het bestuursorgaan er onvoldoende vertrouwen in heeft dat voorschriften zullen worden nageleefd.

     

    Op grond van het tweede lid zal het bestuursorgaan in beginsel voorschriften aan de vergunning verbinden wanneer sprake is van een conclusie van mindere mate van gevaar. Deze voorschriften zien op het wegnemen dan wel beperken van het geconstateerde gevaar. Gedacht kan worden aan de verplichting voor de betrokkene om periodiek financiële gegevens te verstrekken. Een andere mogelijkheid is de verplichting voor de betrokkene om de banden met de personen met antecedenten volledig te verbreken en verbroken te houden.

     

    Artikel 5.3

    Waar bij vergunningen het uitgangspunt is dat deze verleend moeten worden, tenzij sprake is van een weigeringsgrond in een wettelijke regeling, gelden bij vastgoedtransacties de beginselen van partijautonomie en contractsvrijheid. Vanwege die contractsvrijheid hoeft de uitkomst van het Bibob-onderzoek in beginsel niet bepalend te zijn voor de vraag of de vastgoedtransactie al dan niet wordt aangegaan. Onderhandelingen kunnen ook worden afgebroken indien geen sprake is van een ernstig gevaar. Wij passen het Bibob-instrument dus in een bredere integriteitscontext toe en kunnen ook om andere redenen bepalen geen overeenkomst aan te gaan. Te denken valt aan de volgende situaties:

    • Tijdens de fase van het eigen onderzoek blijkt reeds dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten. Afhankelijk van de ernst van die feiten kunnen wij bepalen de onder- handelingen af te breken zonder advies van het Bureau of conclusie over de mate van gevaar.

    • De betrokkene weigert om een Bibob-vragenlijst (volledig) in te vullen, weigert inzicht te geven in de identiteit van de financier, of weigert aanvullende vragen van het Bureau te beantwoorden.

    • De betrokkene staat in relatie tot strafbare feiten die niet meewegen bij de conclusie over het gevaar, maar vormen naar het oordeel van de gemeente wel aanleiding om geen overeenkomst aan te gaan. Bijvoorbeeld omdat het de reputatie van de gemeente kan schaden wanneer de transactie wordt aangegaan.

  • Doet een van de situaties uit dit artikel zich voor, is de gemeente niet verplicht tot het afbreken van de onderhandelingen. Zij zal in het concrete geval altijd afwegen of zij het afbreken van de onderhandelingen proportioneel acht.

     

    Artikel 5.4

    De gunning van een overheidsopdracht geschiedt niet aan de hand van de criteria in de Wet Bibob, maar op grond van (de uitsluitingsgronden in) de Aanbestedingswet 2012. Het Bibob-onderzoek kan in de gunningsfase slechts dienen ter onderbouwing van die uitsluitingsgronden en geschiktheids- criteria. In de gevolgen van een Bibob-onderzoek dat is gestart nadat de overheidsopdracht is gegund, wordt bij overeenkomst voorzien. De gemeente zal in dat geval een ontbindende voorwaarde hebben bedongen, waarin is opgenomen in welke gevallen zij de overeenkomst kan ontbinden. Zij is hierbij niet uitsluitend gehouden aan de uitsluitingsgronden in de Aanbestedingswet 2012.

     

    Artikel 5.5

    Omdat de gemeentelijke inkoop van zorg middels een open house procedure niet onder de Aanbestedingswet 2012 valt, is de gemeente niet beperkt tot de uitsluitingsgronden. De gemeente kan dus ook om andere redenen besluiten geen overeenkomst aan te gaan. Die redenen worden deze bepaling genoemd. Desondanks gelden de fundamentele beginselen van het aanbestedings- recht wel, met name de beginselen van non-discriminatie en gelijke behandeling van ondernemers, en de daaruit voortvloeiende transparantieverplichting. De gemeente maakt op voorhand kenbaar dat zij de onderhandelingen in beginsel afbreekt indien zich één van de situaties als genoemd in dit artikel voordoet.

     

    Ook hier geldt dat de gemeente niet verplicht is tot het afbreken van de onderhandelingen, indien een van de situaties zoals genoemd in dit artikel zich voordoet. De gemeente zal in het concrete geval altijd afwegen of zij het afbreken van de onderhandelingen proportioneel acht.

     

    Artikel 5.6

    Bestaat het vermoeden dat in het kader van de Bibob-procedure een strafbaar feit (zoals valsheid in geschrifte) is gepleegd, kan de gemeente of het bestuursorgaan – naast dat zij hier gevolgen aan verbindt in de bestuursrechtelijke of civielrechtelijke procedure – ook besluiten strafrechtelijk aangifte te doen.

Naar boven