Gemeenschappelijke regeling Eemkracht

De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeente Baarn, Bunschoten en Soest, ieder voor zover bevoegd, handelend met eensluidende toestemming van de respectievelijke gemeenteraden ingevolge de raadsbesluiten nummers [nieuwe nummers], overeenkomstig het bepaalde in artikel 1 van de Wet gemeenschappelijke regelingen, hebben besloten tot het wijzigen van de gemeenschappelijke regeling ‘samenwerking sociaal domein Baarn, Bunschoten en Soest’.

 

De colleges overwegen daartoe het volgende:

De gemeenten Baarn, Bunschoten en Soest hebben met de samenwerking ten doel een robuuste gezamenlijke uitvoeringsorganisatie voor het Sociaal Domein te realiseren die integraal samenwerkt en op professionele wijze inwoners beter passende hulp en ondersteuning kan bieden en de inwoner centraal stelt;

 

Met de samenwerking wordt voor de gemeenten Baarn, Bunschoten en Soest voor een zelfstandige organisatie gekozen, waar nabijheid en gelijkwaardigheid belangrijke kernwaarden zijn in de besturing en relatie met de deelnemende gemeenten;

 

Ten behoeve van de samenwerking wensen zij, gebruikmakend van de wettelijke mogelijkheden om een gemeenschappelijke regeling in de vorm van een bedrijfsvoeringsorganisatie te treffen, de gemeenschappelijke regeling ‘samenwerking sociaal domein Baarn, Bunschoten en Soest’ te wijzigen;

 

De complexiteit in het sociaal domein neemt toe waardoor er een robuuste, toekomstbestendige uitvoering vereist is om blijvend professionele, nabije en integrale hulp en zorg te bieden;

 

De drie gemeenten hebben daarom besloten te investeren in een robuustere samenwerking, verbreding van de taken en kwalitatieve verbetering van de aansturing en uitvoering, met als doel optimale ondersteuning van de inwoners van Baarn, Bunschoten en Soest en de drie deelnemende gemeenten.

 

Gelet op:

 

De Gemeentewet, de Wet gemeenschappelijke regelingen, de Participatiewet, de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, de Jeugdwet, de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, de Wet inburgering 2021, Leerplichtwet 1969, Wet op het primair onderwijs, Wet voortgezet onderwijs 2020, Wet op de expertisecentra, Wet politiegegevens.

 

Besluiten als volgt:

 

De gemeenschappelijke regeling ‘samenwerking sociaal domein Baarn, Bunschoten en Soest’ te wijzigen in de hiernavolgende ‘Eemkracht’ en deze voor onbepaalde tijd aan te gaan.

 

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Definities

In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder:

  • a.

    Basistaken: taken die door alle deelnemers bij Eemkracht wordt belegd;

  • b.

    Colleges: de colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten aan deze gemeenschappelijke regeling;

  • c.

    Deelnemende gemeenten: de gemeenten Baarn, Bunschoten en Soest;

  • d.

    Raden: de gemeenteraden van de deelnemende gemeenten;

  • e.

    Secretaris-directeur: de secretaris van Eemkracht;

  • f.

    Integrale teams: multidisciplinaire teams die voor de deelnemende gemeenten op locatie samenwerken ter uitvoering van de Wetten als bedoeld onder sub g.;

  • g.

    De Wetten: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, Participatiewet en het daarop gebaseerde Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ), de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs), de Wet inburgering, Jeugdwet, Leerplichtwet 1969, Wet op het primair onderwijs, Wet voortgezet onderwijs 2020, Wet op de expertisecentra, zoals deze wetten en regelingen luiden of gaan luiden in de toekomst; hieronder worden mede begrepen de op hiervoor genoemde Wetten gebaseerde algemene maatregelen van bestuur, ministeriële besluiten en uitvoeringsvoorschriften evenals verordeningen, overige algemeen verbindende voorschriften en beleidsregels van de gemeenten;

  • h.

    Nuldelijnshulp: informatie, advies en niet-complexe dienstverlening die wordt geboden door (welzijns)organisaties;

  • i.

    Eerstelijnshulp: het onderzoeken van situaties, besluiten over inzet hulp, zorg en uitkeringen, regie voeren, begeleiding bieden en zorg en ondersteuning verlenen;

  • j.

    Tweedelijnshulp: geïndiceerde en specialistische hulp en zorg die door gespecialiseerde aanbieders wordt geboden.

Hoofdstuk 2 Belangen, taken en bevoegdheden

Artikel 2 Bedrijfsvoeringsorganisatie

  • 1.

    Voor de uitvoering van de taken is er een bedrijfsvoeringsorganisatie als bedoeld in artikel 8, derde lid Wgr ingesteld, genaamd Eemkracht.

  • 2.

    De bedrijfsvoeringsorganisatie is gevestigd in Soest.

Artikel 3 Doel en belang

Eemkracht heeft tot doel, met inachtneming van hetgeen hierover in de regeling is bepaald, om door een efficiënte en effectieve uitvoering van de Wetten de belangen van de gemeenten gezamenlijk en ieder afzonderlijk te behartigen op het gebied van de in artikel 5 genoemde taken in het sociaal domein en het bevorderen van de kwaliteit en continuïteit van de dienstverlening, elk voor zover de colleges daartoe de bevoegdheden hebben overgedragen aan het bestuur van Eemkracht.

Artikel 4 Bevoegdheden

Ter behartiging van het belang zoals genoemd in artikel 3 dragen de colleges bevoegdheden over aan Eemkracht die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de in artikel 5 genoemde taken. De bevoegdheden omvatten uitsluitend de taken die bij of krachtens de Wetten zoals genoemd in artikel 1 onder g zijn toegekend aan de colleges voor zover deze betrekking hebben op vervulling van de taken in deze regeling.

Artikel 5 Taken

  • 1.

    Aan Eemkracht worden binnen het belang als bedoeld in artikel 3 door de deelnemende gemeenten de volgende taken overgedragen:

    • a.

      Het bevorderen van samenwerking en verbinding met nuldelijnshulp in de uitvoering op het gebied van het sociaal domein.

    • b.

      Het uitvoeren van eerstelijnshulp, informatie en advies en ondersteuning op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, jeugdhulp, werk en inkomen, minimaregelingen, schuldhulpverlening, leerplicht, leerlingenvervoer en inburgering.

    • c.

      Het organiseren, inrichten en aansturen van integrale teams die verantwoordelijk zijn voor de toeleiding naar tweedelijnshulp en ondersteuning. Deze teams voeren naast de onder a genoemde taken ook werkzaamheden uit op het gebied van indicatiestelling en overige besluitvorming over de inzet van zorg en ondersteuning en inkomensondersteuning via gespecialiseerde aanbieders, het verstrekken van hulpmiddelen en het voeren van casusregie.

    • d.

      De uitvoering van de zorgadministratie binnen het kader van de Jeugdwet of de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo).

    • e.

      De uitvoering van de wet- en regelgeving zoals bedoeld in de Participatiewet en daaraan gerelateerde regelgeving. Dit omvat onder meer het behandelen van en besluiten over aanvragen, toekenning, terugvordering, het verrichten van hercontrole en beëindigingsonderzoeken, en de verwerking in de uitkeringsadministratie.

    • f.

      Uitvoering van de Leerplichtwet 1969. Toezicht en handhaving van de Leerplichtwet. Dit omvat onder meer leerlingen stimuleren om (weer) naar school te gaan bij schoolverzuim (leerplicht en kwalificatieplicht), indien nodig het opmaken van een proces-verbaal en het behandelen van aanvragen voor vrijstelling van het onderwijs en de registratie en administratie.

    • g.

      Uitvoering van Leerlingenvervoer. Behandelen en beoordelen van alle aanvragen voor leerlingenvervoer conform de verordening leerlingenvervoer en vastgestelde nadere regels en/of beleidsregels. Dit omvat onder meer het bevorderen van zelfstandig reizen, het opstellen van beschikkingen, contact onderhouden met ouders/verzorgers, onderwijs, vervoerder van het leerlingenvervoer en de registratie en administratie.

    • h.

      Uitvoering van de Wet inburgering.

    • i.

      Uitvoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.

    • j.

      Uitvoering van de Jeugdwet.

  • 2.

    De taken worden in beginsel voor alle deelnemende gemeenten uniform volgens een bepaalde standaard uitgevoerd. De algemene voorwaarden voor de levering van deze taken worden, na voorafgaande instemming van de colleges, door het bestuur vastgelegd in het dienstverleningshandvest.

  • 3.

    Waar mogelijk, en mits dit geen extra kosten met zich meebrengt, wordt de uitvoering afgestemd op de plaatselijke gebruiken van de deelnemende gemeente. Indien een deelnemende gemeente verzoekt om een uitbreiding van het standaardniveau of een hogere intensiteit van een of meer taken, is sprake van de uitvoering van een aanvullende taak zoals beschreven in artikel 6 van deze regeling.

  • 4.

    De specifieke uitvoering van de taken wordt vastgelegd in een separate dienstverleningsovereenkomst met de deelnemende gemeenten. De standaardversie hiervan wordt, na voorafgaande instemming van de colleges, door het bestuur vastgesteld.

Artikel 6 Aanvullende taken

  • 1.

    Een college kan, na het besluit als opgenomen in artikel 10, tweede lid, sub g van deze regeling, opdracht geven voor de uitvoering van aanvullende taken, binnen het belang en het doel van Eemkracht als bedoeld in artikel 3, en mits de basistaken niet in het gedrang komen.

  • 2.

    De deelnemende gemeente of gemeenten waarvoor Eemkracht een aanvullende taak verricht, draagt of dragen alle kosten voor de aanvullende taak.

  • 3.

    Eemkracht kan ten behoeve van andere organen of rechtspersonen dan de deelnemende gemeenten (derden) taken uitvoeren, binnen het belang en het doel van Eemkracht als bedoeld in artikel 3, met dien verstande dat de omvang van deze taken niet meer mag bedragen dan toelaatbaar is op basis van de criteria voor inbesteden volgens het geldende aanbestedingsregime, kostendekkend worden uitgevoerd en de basistaken niet in het gedrang komen. Het besluit omtrent het uitvoeren van taken aan andere organen of rechtspersonen dan de deelnemende gemeenten wordt genomen bij unanimiteit.

Hoofdstuk 3 Inrichting bestuur

Artikel 7 Samenstelling bestuur

  • 1.

    Eemkracht heeft één bestuursorgaan: het bestuur.

  • 2.

    Het bestuur bestaat uit twee leden per deelnemende gemeente.

  • 3.

    De colleges van de deelnemende gemeenten wijzen elk twee leden uit hun midden aan. Voor elk lid wordt door en uit het betreffende college tevens een plaatsvervangend lid aangewezen.

  • 4.

    Het lidmaatschap van het bestuur is onverenigbaar met een dienstverband met Eemkracht of een dienstverband met een van de deelnemende gemeenten.

  • 5.

    Het lidmaatschap van het bestuur eindigt op het tijdstip waarop het lid ophoudt lid te zijn van het college dat hem heeft aangewezen.

  • 6.

    Een lid van het bestuur kan door het college van burgemeester en wethouders dat hem heeft aangewezen worden ontslagen indien dit lid niet meer het vertrouwen van dat college bezit.

  • 7.

    Indien een zetel van een lid van het bestuur vacant komt, wijst het college van de betreffende deelnemende gemeente zo spoedig mogelijk een nieuw lid aan.

  • 8.

    Het derde, vierde, vijfde en zevende lid zijn tevens van toepassing op de plaatsvervangende leden.

  • 9.

    Bij het bestaan van één of meer vacatures blijven de resterende bestuursleden bevoegd besluiten te nemen zo lang zij de meerderheid van de deelnemende gemeenten vertegenwoordigen.

Artikel 8 Besluitvorming

  • 1.

    Ieder lid van het bestuur heeft één stem.

  • 2.

    Het bestuur streeft bij de besluitvorming naar consensus. Wanneer geen consensus bereikt kan worden en door gebrek aan besluitvorming onaanvaardbare vertraging in de bedrijfsvoering wordt opgelopen, vindt besluitvorming plaats bij meerderheid van stemmen, tenzij anders in deze regeling is bepaald.

Artikel 9 Werkwijze bestuur

  • 1.

    Het bestuur vergadert tenminste viermaal per jaar en voorts zo dikwijls als een lid dit nodig acht en daarom vraagt onder schriftelijke opgave van te behandelen onderwerpen. In dit laatste geval vindt de vergadering plaats binnen twee weken na het verzoek.

  • 2.

    De werkwijze, taken en bevoegdheden van het bestuur van Eemkracht worden door het bestuur nader uitgewerkt in een (of meer) reglementen. Deze worden door het bestuur vastgesteld.

  • 3.

    In de vergadering van het bestuur kan slechts worden beraadslaagd of besloten, indien ten minste de helft van het aantal zitting hebbende leden tegenwoordig is.

  • 4.

    Indien het vereiste aantal leden niet tegenwoordig is, belegt de voorzitter, onder verwijzing naar dit artikel, opnieuw een vergadering.

  • 5.

    Op de vergadering, bedoeld in het vierde lid, is het derde lid niet van toepassing. Het bestuur kan echter over andere aangelegenheden dan die waarvoor de eerdere vergadering was belegd alleen beraadslagen of besluiten, indien ten minste de helft van het aantal zitting hebbende leden tegenwoordig is.

Artikel 10 Bevoegdheden bestuur

  • 1.

    Het bestuur heeft alle bevoegdheden die het bij of krachtens de wet en deze regeling toekomt.

  • 2.

    Tot de taken en bevoegdheden van het bestuur behoren in ieder geval:

    • a.

      Het vaststellen en wijzigen van de begroting, kaderbrief en het jaarverslag met in achtneming wat in de Wetten en deze regeling hierover is bepaald;

    • b.

      Het aangaan van geldleningen;

    • c.

      Het aan- en verkopen van onroerende zaken;

    • d.

      Het aanstellen, schorsen en ontslaan van personeel;

    • e.

      Het vaststellen en wijzigen van een bijdragebesluit als bedoeld in artikel 21;

    • f.

      Het behartigen van de belangen van Eemkracht bij andere overheden, instellingen, bedrijven of personen waarmee contact voor de bedrijfsvoeringsorganisatie van belang is;

    • g.

      Het besluiten over het accepteren van aanvullende taken zoals opgenomen in artikel 6 van deze regeling en de voorwaarden waaronder deze kunnen worden uitgevoerd;

    • h.

      Het houden van toezicht op het functioneren van de bedrijfsvoeringsorganisatie;

    • i.

      Het nemen van conservatoire maatregelen, zowel in als buiten rechte, en het doen van alles wat nodig is ter voorkoming van verjaring en verlies van recht of bezit;

    • j.

      Het nemen van besluiten tot oprichting van een deelneming in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen. Het besluit wordt niet genomen dan nadat de raden van de deelnemende gemeenten een ontwerpbesluit is toegezonden en in de gelegenheid zijn gesteld hun wensen en bedenkingen ter kennis van het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie te brengen.

Artikel 11 Inlichtingen en verantwoording naar de gemeenten

  • 1.

    Het bestuur geeft aan de colleges en de raden van de deelnemende gemeenten gevraagd en ongevraagd alle inlichtingen die voor een juiste beoordeling van het door het bestuur gevoerde en te voeren beleid nodig zijn. Deze inlichtingen worden schriftelijk of mondeling verstrekt.

  • 2.

    De vragen aan en antwoorden van een college worden ter kennis gebracht aan de andere colleges.

  • 3.

    Een lid van het bestuur verstrekt mondeling of schriftelijk aan het college dat hem heeft aangewezen respectievelijk zijn raad alle inlichtingen die door één of meer leden daarvan worden gevraagd.

  • 4.

    Een lid van het bestuur is aan het college van burgemeester en wethouders dat hem heeft aangewezen, en de raad van de eigen gemeente, verantwoording schuldig voor het door hem in het bestuur gevoerde beleid.

  • 5.

    Het bestuur maakt vergaderstukken en verslagen van het bestuur actief openbaar, tenzij een beroep gedaan moet worden op de uitzonderingsgronden van de Wet open overheid.

Artikel 12 Voorzitter

  • 1.

    De voorzitter van het bestuur wordt door de bestuursleden uit hun midden gekozen. Deze keuze geldt voor een termijn van een bestuursperiode.

  • 2.

    De voorzitter ondertekent de stukken die van het bestuur uitgaan. De voorzitter kan na toestemming daartoe van het bestuur het tekenen van bepaalde stukken, welke van het bestuur uitgaan, opdragen aan de secretaris-directeur.

  • 3.

    Het bestuur kan de voorzitter machtigen om namens het bestuur te handelen.

  • 4.

    Het bestuur regelt de vervanging van de voorzitter.

Artikel 13 Participatie

  • 1.

    Participatie vindt plaats door het orgaan dat bevoegd is tot het vaststellen van beleid.

  • 2.

    Het bestuur kan de ingezetenen van de deelnemende gemeenten en de belanghebbenden bij uitvoering van het beleid door Eemkracht en bij de evaluatie daarvan betrekken.

  • 3.

    De verantwoordelijkheid voor het organiseren van cliëntenparticipatie ingevolge artikel 47 van de Participatiewet blijft berusten bij de deelnemende gemeenten.

  • 4.

    De verantwoordelijkheid voor het organiseren van participatie van ingezetenen ingevolge artikel 2.1.3. Wmo 2015, derde lid, blijft berusten bij de deelnemende gemeenten.

Artikel 14 Rekenkamer

  • 1.

    In lijn met artikel 184 Gemw zijn de rekenkamers van de deelnemende gemeenten bevoegd om bij Eemkracht onderzoek te verrichten en inlichtingen in te winnen en alle documenten te onderzoeken voor zover zij dat voor de invulling van hun taak nodig achten.

  • 2.

    De rekenkamers van de deelnemende gemeenten voeren een onderzoek zoveel mogelijk in gezamenlijkheid en onderling overleg uit. Indien het onderzoek door een of twee van de rekenkamers afzonderlijk wordt verricht, worden de resultaten van het onderzoek met de rekenkamers van alle deelnemende gemeenten gedeeld.

  • 3.

    De rekenkamers mogen onderzoek verrichten naar rechtmatigheid, doelmatigheid en doeltreffendheid van het door de uitvoeringsorganisatie gevoerde beleid.

  • 4.

    Het bestuur geeft desgevraagd alle inlichtingen die de rekenkamers ter vervulling van hun taak nodig achten.

Artikel 15 Enquêterecht

De raden van de deelnemende gemeenten gezamenlijk, op voorstel van een de vertegenwoordigende organen van de deelnemende gemeenten aan de betreffende regeling, kunnen een onderzoek instellen naar het door de bedrijfsvoeringsorganisatie gevoerde bestuur.

Artikel 16 Ambtelijke advisering

  • 1.

    Het bestuur stelt een ambtelijke adviestafel in. De ambtelijke adviestafel adviseert het bestuur over alle voorstellen die aan bestuur worden voorgelegd.

  • 2.

    Leden van de ambtelijke adviestafel worden door de deelnemende colleges aangedragen.

  • 3.

    Taak, werkwijze en samenstelling van de ambtelijke adviestafel worden geregeld in een nader door het bestuur te nemen besluit.

Hoofdstuk 4 Ambtelijke organisatie

Artikel 17 Secretaris-directeur

  • 1.

    Aan het hoofd van de organisatie van Eemkracht staat een secretaris-directeur. De secretaris-directeur wordt aangesteld en ontslagen door het bestuur.

  • 2.

    De secretaris-directeur vertegenwoordigt Eemkracht als opdrachtnemer van het bestuur.

Artikel 18 Controller

  • 1.

    Eemkracht beschikt over een eigen controller die bij Eemkracht in dienst is. De controller wordt aangesteld en ontslagen door het bestuur. Deze bevoegdheid kan niet worden gemandateerd.

  • 2.

    De controller adviseert het bestuur gevraagd en ongevraagd.

  • 3.

    De controller heeft toegang tot het bestuur.

Artikel 19 Personeel en personeelsbeleid

Eemkracht volgt als rechtspositie de cao SGO die van toepassing is op de medewerkers.

Hoofdstuk 5 Financiën en administratie

Artikel 20 Financiële administratie

  • 1.

    Het bestuur stelt voorschriften vast voor het financiële en administratieve beheer van de uitvoeringsorganisatie, waaronder inbegrepen reserves en voorzieningen.

  • 2.

    Ten aanzien van de controle op het geldelijk beheer en de boekhouding is het bepaalde in de artikelen 212 en 213 van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing.

Artikel 21 Kostenverdeling en bijdrage van de deelnemende gemeenten

  • 1.

    In de begroting wordt aangegeven welke bijdrage elke deelnemer verschuldigd is voor de uitvoering van de taken van Eemkracht.

  • 2.

    Het bestuur stelt een bijdragebesluit op en legt daarin de verdeelsleutel vast. In het bijdragebesluit wordt ook bepaald in hoeverre en op welke wijze voorschotten in rekening worden gebracht.

  • 3.

    Het bestuur neemt het bijdragebesluit bij unanimiteit. Voorafgaand daaraan worden de raden in de gelegenheid gesteld daarover zienswijzen in te dienen.

  • 4.

    Een nadelig exploitatiesaldo van Eemkracht over een kalenderjaar wordt, op basis van de door het bestuur vastgestelde verdeelsleutel bij de deelnemende gemeenten in rekening gebracht dan wel onttrokken aan een daarvoor bestemde reserve.

  • 5.

    De deelnemende gemeenten zorgen er steeds voor dat Eemkracht over voldoende middelen beschikt om tijdig aan haar verplichtingen jegens derden te voldoen.

Artikel 22 Kaderbrief

Het bestuur zendt uiterlijk 1 januari van het jaar voorafgaand aan dat waarvoor de begroting van het jaar dient, de algemene financiële en beleidsmatige kaders aan de raden van de deelnemende gemeenten.

Artikel 23 Begroting

  • 1.

    Het bestuur zendt vóór 30 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, de ontwerpbegroting aan de raden van de deelnemende gemeenten.

  • 2.

    Het bestuur zendt de ontwerpbegroting en begrotingswijzigingen twaalf weken voordat zij door het bestuur wordt vastgesteld, ter zienswijze toe aan de raden van de deelnemende gemeenten.

  • 3.

    De colleges van de deelnemende gemeenten dragen zorg voor het voor een ieder ter inzage leggen van de ontwerpbegroting.

  • 4.

    De raden van de deelnemende gemeenten kunnen bij het bestuur hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren brengen. Het bestuur voegt de commentaren waarin deze zienswijze is vervat bij de ontwerpbegroting.

  • 5.

    Het bestuur stelt de raden van de deelnemende gemeenten voorafgaande aan het vaststellen van de begroting schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze, bedoeld in het vierde lid, en van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt.

  • 6.

    Het bestuur zendt de vastgestelde begroting binnen twee weken na vaststellen en voor 15 september van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan Gedeputeerde Staten van de provincie Utrecht.

  • 7.

    Nadat de begroting is vastgesteld, zendt het bestuur de begroting aan de raden van de deelnemende gemeenten, die ter zake bij de Gedeputeerde Staten hun zienswijze naar voren kunnen brengen.

  • 8.

    Het tweede tot en met het vijfde en het zevende lid zijn van toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting. In afwijking van het onder het tweede tot en met vijfde lid vermelde, kunnen begrotingswijzigingen, die niet leiden tot een aanpassing van de gemeentelijke bijdragen, direct worden vastgesteld door het bestuur.

  • 9.

    Het bestuur stuurt aan de raden tweemaal per jaar een tussenrapportage, gebaseerd op de begroting met een toelichting op de voortgang van de realisatie van de doelstellingen en een toelichting op de afwijkingen. Indien de tussenrapportage aanleiding is voor een begrotingswijziging, wordt de tussenrapportage vergezeld van een voorstel tot begrotingswijziging.

Artikel 24 Jaarrekening en jaarverslag

  • 1.

    Het bestuur stelt jaarlijks een concept-jaarrekening met bijbehorend verslag op over het voorafgaande jaar.

  • 2.

    Het bestuur zendt vóór 30 april de concept-jaarrekening aan de raden van de deelnemende gemeenten.

  • 3.

    Het bestuur stelt de jaarrekening vast in het jaar volgende op het jaar waarop deze betrekking heeft. In de jaarrekening wordt het werkelijke bedrag opgenomen dat elk van de deelnemende gemeenten over dat jaar samen aan Eemkracht verschuldigd is. Bij het vaststellen van de jaarrekening wordt ook de resultaatsbestemming vastgelegd.

  • 4.

    Het bestuur zendt de jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval voor 15 juli van het jaar volgende op het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft, aan de gemeenteraden en aan Gedeputeerde Staten van provincie Utrecht.

Hoofdstuk 6 Toetreding, uittreding, wijziging en opheffing

Artikel 25 Toetreding

  • 1.

    Toetreding tot de regeling kan plaatsvinden bij daartoe strekkende gelijkluidende besluiten van de colleges van de deelnemende gemeenten, met inbegrip van het college van de toetredende gemeente, na verkregen toestemming van de raden conform artikel 1 Wgr.

  • 2.

    Het bestuur regelt de gevolgen van de toetreding en kan aan die toetreding voorwaarden verbinden.

  • 3.

    De toetreding gaat in op de eerste dag van de maand volgend op die waarin de regeling is bekend gemaakt.

  • 4.

    Terstond na de toetreding worden door het college van de toetredende gemeente de leden van het bestuur aangewezen.

  • 5.

    Eemkracht en de toetredende gemeente vragen gezamenlijk advies aan een onafhankelijke externe deskundige voor de vaststelling van financiële verrekening als bedoeld in het tweede lid. Het advies van deze deskundige is voor partijen bindend. De kosten voor het inschakelen van de deskundige zijn voor rekening van de toetredende gemeente.

Artikel 26 Uittreding

  • 1.

    Een college kan geheel of gedeeltelijk uit de regeling treden door een daartoe strekkend besluit van het betreffende college en na verkregen toestemming van de betreffende raad. Onder gedeeltelijk uittreden wordt verstaan het vanaf een bepaalde datum niet langer afnemen van diensten c.q. niet langer delegeren van tot dan toe gedelegeerde taken en bevoegdheden aan de gemeenschappelijke regeling.

  • 2.

    In het geval diensten, taken en bevoegdheden door alle colleges die de betreffende diensten, taken en bevoegdheden afnemen hebben gedelegeerd met ingang van dezelfde datum niet langer worden afgenomen c.q. niet langer worden gedelegeerd, stellen de colleges met elkaar een plan op waarin alle aspecten en gevolgen daarvan worden geregeld, zodat er geen sprake is van achterblijvende kosten en achterblijvend personeel.

  • 3.

    Een college zendt het besluit tot uittreding aan het bestuur. De procedure voor uittreding vangt aan de dag nadat het bestuur het besluit heeft ontvangen.

  • 4.

    Tenzij het bestuur een kortere termijn bepaalt, kan de (gedeeltelijke) uittreding niet eerder plaatsvinden dan tegen 31 december van het tweede kalenderjaar volgend op de datum van de in het tweede lid bedoelde ontvangstdatum.

  • 5.

    Het bestuur zendt een besluit tot (gedeeltelijk) uittreding van een college aan de colleges van de overige deelnemende gemeenten.

  • 6.

    De colleges van de overige deelnemende gemeenten kunnen gedurende een periode van 12 weken na toezending als bedoeld in het vorige lid een zienswijze toezenden aan het bestuur. Het bestuur betrekt de zienswijze bij het opstellen van het uittredingsplan.

Artikel 27 Uittredingsplan

  • 1.

    Het bestuur stelt een uittredingsplan vast. Het uittredingsplan regelt de gevolgen van de uittreding.

  • 2.

    Onder de gevolgen van de uittreding wordt verstaan de financiële, juridische, personele en organisatorische consequenties die het directe gevolg zijn van de uittreding.

  • 3.

    Het uittredingsplan bepaalt de systematiek voor de berekening van de financiële gevolgen van de uittreding.

  • 4.

    De voorlopige respectievelijk de definitieve uittreedsom bestaat uitsluitend uit een vergoeding ter compensatie van frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten en de waarde van de formatie die de uittredende gemeente overneemt, als bedoeld in vijfde en zesde lid van dit artikel en artikel 29, eerste en tweede lid van deze regeling.

  • 5.

    Onder frictiekosten wordt verstaan alle incidentele kosten te maken door de bedrijfsvoeringsorganisatie die het directe gevolg van de beslissing tot uittreding van een deelnemende gemeente zijn.

  • 6.

    Onder desintegratiekosten worden verstaan alle kosten direct dan wel toekomstig, te maken dan wel te dragen door de bedrijfsvoeringsorganisatie die samenhangen met de afbouw van overcapaciteit in personele en materiële sfeer en andere verplichtingen, de afbouw van risico’s daarbij inbegrepen, ontstaan als direct gevolg van de uittreding.

  • 7.

    De bedrijfsvoeringsorganisatie brengt alle frictiekosten en de desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten en de waarde van de formatie die de uittredende gemeente overneemt, als bedoeld in het vierde lid, in rekening bij de uittredende gemeente. De uittredende gemeente is verplicht tot betaling van de definitieve uittreedsom.

  • 8.

    Kosten die de uittredende gemeente maakt ter voorbereiding op of als gevolg van de beslissing tot uittreding komen voor rekening van de uittredende gemeente.

  • 9.

    De in het derde lid bedoelde systematiek wordt gebaseerd op:

    • a.

      Relevante regelgeving;

    • b.

      Relevante jurisprudentie;

    • c.

      Feiten en omstandigheden die bekend waren op het moment van de daadwerkelijke uittreding. Beleidswijzigingen, wijzigingen van economische omstandigheden, wijzigingen van inzichten die zich voordoen of opkomen na het moment van de daadwerkelijke uittreding kunnen niet worden betrokken bij de bepaling van de hoogte van de uittreedsom.

  • 10.

    De bedrijfsvoeringsorganisatie alsmede de uittredende gemeente is gehouden redelijkerwijs al het mogelijke te doen om de uittredingskosten zo laag mogelijk te houden. Het voorgaande behoeft niet te leiden tot wijziging van overeenkomsten met en verplichtingen jegens derden die zijn aangegaan respectievelijk bepaald voorafgaand aan het tijdstip van ontvangst door het bestuur van het besluit tot uittreding van de uittredende gemeente.

  • 11.

    Bij de berekening van de kosten voor uittreding zoals bedoeld in het vierde lid wordt een risico-opslag van tien procent toegepast om eventueel onvoorziene toekomstige kosten gerelateerd aan de uittreding te ondervangen.

  • 12.

    Het uittredingsplan bevat een voorlopige berekening van de financiële gevolgen van de uittreding, te betalen door de uittredende gemeente, hierna te noemen de voorlopige uittreedsom.

Artikel 28 Externe deskundige

  • 1.

    Met het oog op het bepalen van de inhoud van het uittredingsplan wijst het bestuur een onafhankelijke externe deskundige aan die in opdracht van het bestuur het concept-uittredingsplan voorbereidt. De onafhankelijke deskundige kan, in overleg met het bestuur, voor de specifieke onderdelen van het uittredingsplan andere deskundigen inschakelen.

  • 2.

    De kosten voor het inschakelen van de onafhankelijke externe deskundige en overige ingeschakelde deskundigen vallen onder de frictiekosten als bedoeld in artikel 27 lid 5.

  • 3.

    Het bestuur wijst de onafhankelijke externe deskundige aan op basis van een gezamenlijke voordracht van de uittredende gemeente en het bestuur. Indien geen overeenstemming kan worden bereikt over een gezamenlijke voordracht, wijst het bestuur de onafhankelijke externe deskundige aan op basis van meerderheid van stemmen in het bestuur.

Artikel 29 Uittreedsom

  • 1.

    Ten minste 12 maanden voorafgaand aan het moment van uittreding stelt het bestuur het uittredingsplan en de voorlopige uittreedsom vast. Het bestuur baseert de berekening van de voorlopige uittreedsom op de systematiek als bedoeld in artikel 27, zevende lid en op de jaarrekening van de bedrijfsvoeringsorganisatie over het meest recent verstreken begrotingsjaar.

  • 2.

    Uiterlijk 6 maanden na het moment van uittreding stelt het bestuur de definitieve uittreedsom vast. Het bestuur baseert de berekening van de definitieve uittreedsom op de systematiek als bedoeld in artikel 27, zevende lid en op de jaarrekening van het begrotingsjaar direct voorafgaand aan het moment van uittreding.

  • 3.

    Bij de voorbereiding van het concept uittredingsplan biedt het bestuur de uittredende gemeente de keuze tussen een betaling van de uittreedsom in een aantal termijnen of voor de betaling van de uittreedsom in een keer. In het uittredingsplan bepaalt het bestuur conform de voorkeur van de uittredende gemeente of de uittredende gemeente de uittreedsom in een daarbij te bepalen aantal termijnen of in een keer dient te betalen. Als de uittredende gemeente kiest voor betaling in termijnen kan het bestuur een rentevergoeding in rekening brengen.

Artikel 30 Verplichtingen uittreder

  • 1.

    De uittredende gemeente is gehouden zich in te spannen om de formatie van de bedrijfsvoeringsorganisatie die als gevolg van de uittreding boventallig is geworden met behoud van de arbeidsvoorwaarden in dienst te nemen of anderszins in stand te doen houden. De waarde van de formatie die de uittredende gemeente overneemt van de bedrijfsvoeringsorganisatie wordt gekapitaliseerd en in mindering gebracht op de uittreedsom.

  • 2.

    Het eerste lid is van toepassing op alle andere verplichtingen van de bedrijfsvoeringsorganisatie die als gevolg van de uittreding overtollig zijn geworden dan wel verminderd of beëindigd dienen te worden.

Artikel 31 Wijziging

Ieder der deelnemende gemeenten kan verzoeken om wijziging van deze regeling. Ook kan het bestuur een voorstel tot wijziging doen. Wijziging is slechts mogelijk indien de colleges van de deelnemende gemeenten unaniem tot de wijziging besluiten, na daartoe verkregen toestemming van hun raden.

Artikel 32 Opheffen

  • 1.

    Voor opheffing van de gemeenschappelijke regeling is een daartoe strekkend besluit benodigd van alle colleges van de deelnemende gemeenten die haar hebben getroffen.

  • 2.

    Een besluit tot opheffing van de regeling gaat vergezeld van een liquidatieplan, vast te stellen door het bestuur. Het liquidatieplan voorziet in de verplichting van de deelnemende gemeenten tot deelneming in de financiële gevolgen van de opheffing, in de gevolgen voor het personeel en in de gevolgen van het door de gemeenten wederom zelfstandig uitvoeren van de van toepassing zijnde regelgeving.

  • 3.

    Alle rechten en verplichtingen van de regeling die resteren na uitvoering van het liquidatieplan gaan bij vereffening over naar de gemeenten, naar evenredigheid van de grootte van hun bijdrage aan de regeling in het jaar voorafgaande van de opheffing.

Hoofdstuk 7 Geschillen en klachten

Artikel 33 Geschillen

  • 1.

    Voordat een geschil overeenkomstig artikel 28 van de Wgr de beslissing van Gedeputeerde Staten wordt ingeroepen, legt het bestuur het geschil voor aan een geschillencommissie.

  • 2.

    De geschillenscommissie bestaat uit vertegenwoordigers van de deelnemende gemeenten, waarvan er evenveel worden aangewezen als het aantal partners dat bij het geschil betrokken is, alsmede een door deze vertegenwoordigers samen aangewezen onafhankelijke voorzitter.

  • 3.

    De geschillencommissie hoort het bij het geschil betrokken bestuur.

  • 4.

    De geschillencommissie brengt aan het bestuur advies uit over de mogelijkheden partijen tot overeenstemming te brengen.

  • 5.

    Indien na inschakeling van de geschillencommissie geen overeenstemming wordt bereikt wordt het geschil ter beslechting aan Gedeputeerde Staten voorgelegd.

Artikel 34 Klachtenregeling

Eemkracht beschikt over een regeling voor de behandeling van klachten en verzoekschriften als bedoeld in hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht.

Hoofdstuk 8 Archiefbepalingen

Artikel 35 Archief

  • 1.

    De bepalingen bij en krachtens de Archiefwet zijn van overeenkomstige toepassing op Eemkracht, voor zover deze bepalingen betrekking hebben op archiefbescheiden van gemeenten en waarvoor in dit artikel niet anders is voorzien. In deze bepalingen dient in plaats van de gemeente, de raad en het college, te worden gelezen respectievelijk de bedrijfsvoeringsorganisatie en het bestuur.

  • 2.

    Overeenkomstig door hem vast te stellen beleidsregels, draagt het bestuur zorg voor de archiefbepalingen van de organen van Eemkracht voor zover deze betrekking hebben op de gedelegeerde taken, met uitzondering van taken die in mandaat worden uitgevoerd. Het bestuur stelt voorschriften vast voor het beheer van de archiefbescheiden van de organen van de bedrijfsvoeringsorganisatie, die nog niet naar de archiefbewaarplaats zijn overgebracht. Het bestuur voorziet in voldoende ruimte voor de archiefbescheiden en hij stelt voldoende, deskundig, personeel aan.

  • 3.

    De op dat moment geldende en door de VNG vastgestelde Selectielijst archiefbescheiden gemeenten en intergemeentelijke organen is van toepassing voor Eemkracht.

  • 4.

    Met het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van de organen van Eemkracht, voor zover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats, is belast de archivaris van het Archief Eemland.

  • 5.

    Voor de bewaring van de over te brengen archiefbescheiden van de organen van Eemkracht wordt aangewezen de archiefbewaarplaats van het Archief Eemland.

  • 6.

    Bij opheffing van de regeling worden de nog niet ingevolge het vorige lid overgebrachte archiefbescheiden, overgebracht naar de archiefbewaarplaats van de gemeente Soest.

  • 7.

    De archivaris brengt tweejaarlijks aan het bestuur verslag uit over het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van de organen van Eemkracht, die nog niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats.

  • 8.

    De secretaris-directeur brengt tweejaarlijks verslag uit aan het bestuur over de uitoefening van de aan hen opgedragen zorg voor de archiefbescheiden en de uitvoering van het archiefbeheer van de organen van Eemkracht.

Artikel 36 Terbeschikkingstelling

  • 1.

    De archiefbescheiden betreffende zaken welke op het moment van inwerkingtreding van deze regeling nog niet zijn afgedaan, worden door de deelnemende gemeenten ter beschikking gesteld aan Eemkracht, die deze zaken zal afdoen.

  • 2.

    De archiefbescheiden betreffende zaken welke op het moment van inwerkingtreding van deze regeling reeds zijn afgedaan blijven tot hun overbrenging naar de archiefbewaarplaats, berusten onder het archiefvormend overheidsorgaan, dat deze zaken heeft afgedaan. Indien noodzakelijk voor de taakuitvoering van Eemkracht worden zij ter beschikking gesteld.

  • 3.

    Van de terbeschikkingstelling wordt een verklaring opgemaakt, die ten minste bevat een specificatie van de ter beschikking gestelde archiefbescheiden. Een exemplaar van deze verklaring wordt bewaard door het overheidsorgaan waaronder de archiefbescheiden zouden berusten, indien zij niet ter beschikking waren gesteld.

  • 4.

    Eemkracht brengt slechts wijzigingen aan in de staat van ordening en toegankelijkheid van en vernietigt slechts uit de bescheiden na machtiging door het ter beschikking stellende overheidsorgaan.

  • 5.

    De kosten van het beheer van de ter beschikking gestelde archiefbescheiden komen ten laste van Eemkracht, de zorgdrager voor de archiefbescheiden van het overheidsorgaan dat de archiefbescheiden ter beschikking heeft gesteld, blijft in alle andere aangelegenheden de zorgdrager voor de archiefbescheiden.

  • 6.

    Indien de ordening van de in het tweede lid bedoelde archiefbescheiden zich verzet tegen terbeschikkingstelling, is Eemkracht te allen tijde bevoegd inzage te nemen van die archiefbescheiden dan wel daarvan of daaruit reproducties, afschriften of uittreksels te vorderen.

Hoofdstuk 9 Slotbepalingen

Artikel 37 Evaluatie

  • 1.

    Het bestuur voert iedere bestuursperiode, in het derde jaar van die bestuursperiode, een evaluatie uit naar de samenwerking, doelmatigheid of het functioneren van de gemeenschappelijke regeling.

  • 2.

    Het resultaat van in lid 1 genoemde evaluatie wordt vastgelegd in een evaluatierapport, dat ter informatie naar de colleges en de raden wordt gezonden.

Artikel 38 Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    De regeling treedt in werking op 1 januari 2026, dan wel de dag na bekendmaking indien deze datum valt na 1 januari 2026.

  • 2.

    Het college van de gemeente Soest draagt zorg voor bekendmaking in het gemeenteblad.

  • 3.

    Deze regeling kan worden aangehaald als ‘Eemkracht’.

     

Toelichting Gemeenschappelijke Regeling Eemkracht 2025

Algemeen

 

1. Inleiding

De gemeenschappelijke regeling Eemkracht is een voortzetting van de gemeenschappelijke regeling Uitvoeringsorganisatie BBS, welke laatstelijk is gewijzigd in 2024. De gemeenschappelijke regeling is een samenwerking van de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Baarn, Bunschoten en Soest. De rechtsvorm voor de samenwerking is een Bedrijfsvoeringsorganisatie, ingevolge artikel 8, derde lid van de Wet gemeenschappelijke regelingen.

De Bedrijfsvoeringsorganisatie heeft als hoofdtaken het efficiënt en effectief uitvoeren van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ), de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs), de Wet inburgering, Jeugdwet, Leerplichtwet 1969, Wet op het primair onderwijs, Wet voortgezet onderwijs 2020, Wet op de expertisecentra.

Als voor deze wetten regels worden gemaakt voor de uitvoering, zoals algemene maatregelen van bestuur, ministeriële besluiten en uitvoeringsvoorschriften, verordeningen, overige algemeen verbindende voorschriften en beleidsregels van de gemeenten worden deze meegenomen in de uitvoering van deze taken.

 

De bovenstaande taken zijn een uitbreiding in breedte en diepte ten opzichte van de taken in voorgaande jaren door de Uitvoeringsorganisatie Baarn, Bunschoten en Soest werden uitgevoerd.

 

De samenwerking tussen de gemeenten Baarn, Bunschoten en Soest is een vrijwillige samenwerking. Er is geen wet die verplicht dat de drie gemeenten samen moeten werken op de taken en geen verplichting dat Baarn, Bunschoten en Soest met elkaar moeten samenwerken. Overigens laat het feit dat deze samenwerking vrijwillig is aangegaan onverlet dat de deelnemers verplicht zijn hun medewerking te geven aan de uitvoering van de besluiten die door het bestuur van het samenwerkingsverband zijn genomen (artikel 10a, eerste lid, Wgr). Onderliggend doel van de samenwerking is om de uitvoering van de overgedragen taken met een robuuste en zelfstandige organisatie uit te voeren, waarmee uiteindelijk de inwoners van Baarn, Bunschoten en Soest ook beter kunnen worden ondersteund of geholpen wanneer zij daartoe met de dienstverlening van Eemkracht in aanraking komen.

Los van wettelijke verplichtingen tot monitoring en onderzoek van de ervaren kwaliteit van dienstverlening (zie onder meer artikel 2.5.1 Wmo 2015) is het ook van belang de organisatievorm en het gebruik ervan te evalueren. Om die reden bevat artikel 37 een evaluatiebepaling, waarbij iedere vier jaar wordt geëvalueerd. De evaluatie vindt in het derde jaar van de bestuursperiode plaats, dus in 2028 zal een eerste uitgebreide evaluatie plaatsvinden en worden gedeeld met het bestuur. Naast deze formele evaluatiebepaling kan het bestuur – gezien het belang van efficiënte en effectieve dienstverlening - systematisch doelmatigheidsonderzoeken laten uitvoeren.

 

2. Verhouding tot de gemeenten

Samenwerking in een gemeenschappelijke regeling is te typeren als verlengd lokaal bestuur. Met de onderhavige samenwerking dragen de colleges – na verkregen toestemming van de gemeenteraden – de uitvoering van taken inzake het sociaal domein, participatiewet, leerlingenvervoer, leerplicht, inburgering, schuldhulpverlening etc. over aan Eemkracht. Daarmee liggen deze beslissingsbevoegdheden (dus) niet meer bij de individuele colleges of collegeleden.

In het bestuur van Eemkracht wordt besloten op basis van in de gemeenschappelijke regeling vastgelegde stemverhoudingen. Deze overdracht impliceert dat het bestuur als collegiaal bestuursorgaan beslissingen neemt. In artikel 8 komt het collegiale karakter van het bestuur tot uitdrukking in het streven naar consensus.

 

Zoals gezegd is deze samenwerking een samenwerking tussen colleges en een Bedrijfsvoeringsorganisatie. Dit betekent dat de gemeenteraden hun toekomende bevoegdheden behouden tot het vaststellen van beleid en verordeningen. Deze kaderstellende bevoegdheden blijven bij de gemeenteraden liggen, mede omdat dit niet de wens is en aan een Bedrijfsvoeringsorganisatie geen bevoegdheden van de gemeenteraden kunnen worden gedelegeerd of gemandateerd. Daarom behouden de gemeenteraden hun zeggenschap en mogelijkheden tot kaderstelling. Dat de afzonderlijke gemeenteraden bevoegd blijven deze algemene kaders vaststellen, vergt dat de gemeenteraden – omwille van efficiency en effectiviteit – ernaar streven dat deze algemene kaders zo veel mogelijk een uniforme inhoud hebben. Dit impliceert dus actieve bestuurlijke afstemming vooraf op kaderstelling voor zover het de taken en bevoegdheden van Eemkracht betreft.

 

Met inachtneming van voornoemde kaders hebben de gemeenteraden vervolgens ook de specifieke (jaarlijks uit te oefenen) bevoegdheid tot het inbrengen van zienswijzen op de ontwerpbegroting van Eemkracht. Met de wijziging van de Wgr in 2022 is de mogelijkheid expliciet gemaakt dat meerdere onderwerpen verplicht aan de raden moeten worden voorgelegd voor een zienswijze. Voor Eemkracht wordt het bijdragebesluit verplicht voorafgaand aan besluitvorming ter zienswijze aangeboden aan de gemeenteraden.

 

Het bestuur van Eemkracht is voorts verplicht de rekening en de financiële en beleidsmatige kaderbrief van Eemkracht toe te zenden aan de gemeenteraden. De gemeenteraad kan dan in het overleg met het college bepalen welke opdracht hij de betrokken collegeleden meegeeft voor de beraadslaging in het bestuur. Het is vervolgens aan de gemeenteraad te bepalen of de desbetreffende collegeleden adequaat deze opdracht hebben uitgevoerd.

 

Dat het hier gaat om verlengd lokaal bestuur maakt dat het bestuur van Eemkracht bijzondere verplichtingen inzake gevraagde en ongevraagde informatieverstrekking en het afleggen van verantwoording kent. Om de belangen van de deelnemers verder te borgen bevat de gemeenschappelijke regeling – in aanvulling op wat de Wet gemeenschappelijke regelingen voorschrijft – afspraken over de gewenste stemverhoudingen (w.o. het uitgangspunt van consensus, en in bepaalde gevallen de mogelijkheid van afwijking daarvan) voor besluitvorming in het bestuur inzake bepaalde belangrijke besluiten.

 

3. Bestuur

Met de wijziging van de gemeenschappelijke regeling van Uitvoeringsorganisatie BBS naar de gemeenschappelijke regeling Eemkracht heeft een aanzienlijke verbreding en verdieping van het takenpakket plaatsgevonden. Dat heeft een verband met de wijziging die ook in de samenstelling van het bestuur heeft plaatsgevonden. Waar voorheen één collegelid per deelnemende gemeente werd aangewezen als bestuurslid worden met ingang van deze gemeenschappelijke regeling twee leden per deelnemende gemeente aangewezen door het college als bestuurslid.

 

Twee leden per deelnemende gemeente doet meer recht aan de breedte van de taken die worden uitgevoerd, in de meeste colleges zijn de taken verdeeld over meerdere portefeuillehouders. Nu is het mogelijk dat beide portefeuillehouders deel uit maken van het bestuur van Eemkracht en daarmee ook de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de taken kunnen invullen. Daarnaast is met de verbreding en verdieping van de taken ook sprake van een financieel impactvollere organisatie. Mocht in een college alle taken in één portefeuille gebundeld zijn dan is er de mogelijkheid om een andere portefeuillehouder aan te wijzen als bestuurslid.

 

Het bestuur van Eemkracht neemt alle besluiten met een streven naar consensus. Mocht dat niet lukken wordt gepoogd om daar op enig moment wel tot consensus te komen, tenzij dat echt onaanvaardbare gevolgen heeft. Een voorbeeld hiervan kan zijn het vaststellen van de jaarrekening, waardoor bij gebrek aan consensus de jaarrekening te laat bij de toezichthouder wordt ingediend. De consequenties daarvan zouden kunnen zijn dat Eemkracht onder een ander toezichtsregime komt te staan. Dit zou een voorbeeld van onaanvaardbare vertraging kunnen zijn.

 

4. Cyclus van planning en control

De planning- en controlcyclus is met de wijziging van de Wgr in 2022 op een aantal punten gewijzigd om de gemeenteraden beter in positie te brengen. Daarbij is niet alleen gekeken naar verruiming van termijnen maar ook een verbreding van instrumenten. Voor de P&C cyclus van Eemkracht wordt verder gegaan dan de wettelijke vastgestelde bevoegdheden voor de gemeenteraden.

 

Uiterlijk op 1 januari van het jaar voorafgaand aan waar een begroting voor gaat gelden stuurt het bestuur van Eemkracht een kaderbrief aan de gemeenteraden van Baarn, Bunschoten en Soest. In deze kaderbrief geeft het bestuur van Eemkracht aan wat de verwachtingen zijn voor het volgende begrotingsjaar (en mogelijk een langere periode). De kaderbrief kan een duiding geven van de verwachte effecten van veranderend beleid, veranderende wetgeving of omstandigheden in de uitvoering. Waar mogelijk wordt ook aangegeven welke financiële en inhoudelijke impact voor de uitvoeringsorganisatie en de gemeenten te verwachten is.

 

Vervolgens ontvangen de gemeenteraden voor 30 april, het jaar voorafgaand aan waar de begroting voor gaat gelden, de ontwerpbegroting. In de regeling is opgenomen dat de ontwerpbegroting en de conceptjaarrekening gelijktijdig worden verzonden aan de gemeenteraden. Dat geeft de gemeenteraden de mogelijkheid om terug te kijken (met de conceptjaarrekening) en vooruit te kijken (met de ontwerpbegroting) en een zienswijze te geven op de ontwerpbegroting. Ook voor deze zienswijze hebben de gemeenteraden 12 weken de tijd om deze in te dienen bij het bestuur.

 

Het bestuur weegt de zienswijzen en meldt aan de gemeenteraden hoe zij omgaat met deze zienswijzen. Dit bericht wordt aan de gemeenteraden gestuurd voorafgaand aan vaststelling van de begroting.

 

Bij het vaststellen van de jaarrekening wordt ook de bestemming van het resultaat gedaan. Dit kan inhouden dat een positief jaarresultaat geheel of gedeeltelijk kan worden toegevoegd aan een reserve of voorziening. De richtlijnen voor hoe hoog een (algemene) reserve mag zijn kunnen worden vastgelegd in een financieel statuut.

 

Artikelsgewijs

 

Artikel 1:

 

Ter wille van een zo kort mogelijke tekst van de regeling zijn hier enkele definities van meerdere keren gebruikte begrippen opgenomen.

 

Artikel 2:

 

Dit artikel wordt nader toegelicht in het algemene deel van de toelichting onder het kopje 1. Inleiding. De vestigingsplaats is een wettelijke verplichting om op te nemen, wat niet wegneemt dat de organisatie elders kantoor kan houden.

 

Artikel 3:

 

Artikel 10 eerste lid van de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr) schrijft voor dat de regeling het belang of de belangen waarvoor zij is aangegaan, vermeldt. Onder ‘belang’ wordt verstaan het beleidsterrein waarop wordt samengewerkt. Met het vastleggen van het belang of de belangen wordt het werkterrein van Eemkracht afgebakend.

 

Artikel 4:

 

In dit artikel wordt duidelijk gemaakt dat het een delegatie van taken betreft en niet langer een mandatering van taken. Voor verdere uitleg wordt verwezen naar de artikelen 108, 147 en 149 van de Gemeentewet. Door het delegeren van taken is het inherent om bezwaar en beroep op de door Eemkracht genomen besluiten door Eemkracht af te laten handelen.

 

Artikel 5:

 

De taken en bevoegdheden van Eemkracht zijn de activiteiten die worden ontplooid in het kader van de te behartigen belangen. Primair zijn dit de taken het efficiënt en effectief uitvoeren van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ), de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs), de Wet inburgering, Jeugdwet, Leerplichtwet 1969, Wet op het primair onderwijs, Wet voortgezet onderwijs 2020, Wet op de expertisecentra.

Aan de regeling hebben de colleges de bevoegdheid overgedragen om specifieke taken uit te voeren. De taken worden gedelegeerd aan het bestuur. Niet alle besluiten hoeven straks door het bestuur genomen te worden. Een deel van de besluiten kan door de organisatie worden genomen, als daartoe mandaat is verleend. Om dit mandaat vast te leggen wordt een regeling opgemaakt waarin het bestuur bepaalt welke bevoegdheden aan de directeur worden gemandateerd en met welke instructie de directeur de bevoegdheden mag uitoefenen. Dat wordt allemaal schriftelijk vastgelegd in de mandaatregeling.

In een mandaatregeling kan worden vastgelegd dat het besluiten op bezwaarschriften (desnoods op een specifiek onderwerp) niet aan de directeur wordt gemandateerd. Door dat niet te mandateren, moet het bestuur besluiten over (specifieke) beslissingen op bezwaar. Dat kan van invloed zijn op de mogelijke frequentie van bestuursvergaderingen, enigszins afhankelijk van het aantal bezwaren dat moet worden afgehandeld.

 

Artikel 6:

 

In dit artikel (eerste en tweede lid) wordt mogelijk gemaakt dat een deelnemer een extra intensiteit, verhoogde kwaliteit of zelfs een kleine taak kan laten uitvoeren door Eemkracht. Hieraan is een aantal randvoorwaarden verbonden. Zo mogen de primaire taken niet in het gedrag komen, wat zoveel betekent als dat de primaire taken niet mogen leiden onder een aanvullende taak. Als door het uitvoeren van een aanvullende taak bijvoorbeeld medewerkers niet kunnen worden ingezet voor de primaire taken en daar bijvoorbeeld lagere kwaliteit door wordt geleverd of wachtlijsten ontstaan is sprake van ‘in het gedrang komen’. Ook is vastgelegd dat de deelnemer die de aanvullende taak vraagt ook alle kosten draagt voor de uitvoering en aansturing. Mocht een aanvullende taak op enig moment niet langer worden uitgevoerd dan draagt de deelnemer ook alle kosten die gepaard gaan met het stopzetten. Concreet, mocht voor de uitvoering van een aanvullende taak afgesproken zijn dat vaste medewerkers konden worden aangetrokken dan zijn de kosten voor frictie- en desintegratiekosten ook voor die deelnemer. De besluiten omtrent het laten uitvoeren van een extra intensiteit, verhoogde kwaliteit of zelfs een kleine taak worden genomen bij consensus.

In het derde lid is vastgelegd dat Eemkracht ook voor andere gemeenten diensten kan verlenen. Uiteraard moet Eemkracht dit doen binnen de aanbestedingsgrenzen en de voorwaarden die het bestuur stelt. Het besluit omtrent het verlenen van diensten aan andere organen of rechtspersonen dan de deelnemende gemeenten wordt genomen bij unanimiteit.

 

Artikel 7:

 

Dit artikel wordt nader toegelicht in het algemene deel van de toelichting onder het kopje Bestuur. In het derde lid wordt het aanwijzen van plaatsvervangers vastgelegd. Plaatvervanging is belangrijk indien een bestuurslid afwezig of ziek is, zonder aanwijzing is deelname door een vervanger niet zonder meer mogelijk. Het is wel mogelijk om voor beide bestuursleden één collegelid aan te wijzen die beide bestuursleden kan vervangen. Indien beide bestuursleden afwezig zijn en een college één vervanger heeft aangewezen dan heeft deze vervanger slechts één stem en telt ook voor het quorum als één bestuurslid.

In het vierde lid wordt aangegeven dat zijn van bestuurslid van Eemkracht onverenigbaar is met een dienstverband bij Eemkracht of een van de deelnemende gemeenten, immers dit zou tot een onwenselijke belangenverstrengeling kunnen leiden. Daarnaast is in de Wgr, artikel 20 opgenomen dat een bestuurslid:

niet als advocaat, gemachtigde of adviseur werkzaam mag zijn ten behoeve van de wederpartij van het openbaar lichaam of de bedrijfsvoeringsorganisatie of ten behoeve van het bestuur van het openbaar lichaam of de bedrijfsvoeringsorganisatie in geschillen;

niet als vertegenwoordiger of adviseur werkzaam mag zijn ten behoeve van derden tot het met het openbaar lichaam of de bedrijfsvoeringsorganisatie aangaan van:

overeenkomsten als bedoeld in de derde bullet;

overeenkomsten tot het leveren van onroerende zaken aan het openbaar lichaam of de bedrijfsvoeringsorganisatie;

rechtstreeks noch middellijk een overeenkomst mag aangaan betreffende:

het aannemen van werk ten behoeve van het openbaar lichaam of de bedrijfsvoeringsorganisatie;

het buiten dienstbetrekking tegen beloning doen van verrichtingen ten behoeve van het openbaar lichaam of de bedrijfsvoeringsorganisatie;

het leveren van roerende zaken anders dan om niet aan het openbaar lichaam of de bedrijfsvoeringsorganisatie;

het verhuren aan het openbaar lichaam of de bedrijfsvoeringsorganisatie van enig goed, met uitzondering van onroerende zaken;

het verwerven van betwiste vorderingen ten laste van het openbaar lichaam of de bedrijfsvoeringsorganisatie;

het van het openbaar lichaam of de bedrijfsvoeringsorganisatie ondershands verwerven van onroerende zaken of beperkte rechten waaraan deze zijn onderworpen;

het ondershands huren of pachten van het openbaar lichaam of de bedrijfsvoeringsorganisatie.

 

Artikel 8:

 

Dit artikel is nader toegelicht in het algemene deel van de toelichting onder het kopje Bestuur.

 

Artikel 9:

 

Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

 

Artikel 10:

 

Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

 

Artikel 11:

 

Informatievoorziening tussen een bedrijfsvoeringsorganisatie en de deelnemende gemeenten is deels wettelijk verankerd in de Wet gemeenschappelijke regelingen. Artikel 16, 17 en 19 van de Wgr geven een duidelijke basis.

Het bestuur geeft gevraagd en ongevraagd de raden alle informatie die nodig is om hun taak goed te kunnen uitvoeren en om het te voeren en gevoerde beleid te kunnen beoordelen. Dit houdt in dat het bestuur gevraagd, maar ook ongevraagd, actief informatie zal delen met de gemeenteraden.

Elk lid van het bestuur legt verantwoording af over het door hem gevoerde en te voeren beleid. De verantwoording door het lid van het bestuur vindt alleen plaats aan het eigen college respectievelijk eigen de gemeenteraad van de gemeente waaruit het bestuurslid afkomstig is.

In het tweede lid is opgenomen dat vragen aan een college, technische of schriftelijke vragen, en de antwoorden op deze vragen worden actief gedeeld met de andere colleges. Dat lid moet borgen dat op vergelijkbare of gelijkluidende vragen antwoorden worden gegeven die verschillende interpretaties kunnen opleveren. Daarmee zou een verschillend antwoord kunnen leiden tot misverstanden. Door de handelingswijze in het tweede lid wordt de kans daarop geminimaliseerd.

 

Artikel 12:

 

De voorzitter heeft in een bedrijfsvoeringsorganisatie een beperkte rol in vergelijking met een openbaar lichaam, de voorzitter is in de gemeenschappelijke regeling Eemkracht dan ook geen bestuursorgaan. In de regeling is de voorzitter bevoegd tot het ondertekenen van stukken en kan worden gemachtigd tot nader te bepalen handelingen. Deze kunnen in de mandaatregeling worden vastgelegd.

 

Artikel 13:

 

Eemkracht is een samenwerkingsverband met alleen collegebevoegdheden. Het vaststellen van kaderstellend beleid of verordeningen is niet overgedragen aan de regeling, deze blijft voorbehouden aan de gemeenteraden van Baarn, Bunschoten en Soest. De meest passende plek voor participatie is gelegen bij de organen die ook beleid vaststellen: de gemeenteraden van de deelnemende gemeenten.

Daarnaast is in het derde en vierde lid participatie vastgelegd als bedoeld in artikel 47 Participatiewet, dat stelt dat gemeenten verplicht zijn via verordening regels op te stellen over de wijze waarop cliëntenparticipatie wordt georganiseerd. Dit omvat onder andere vroege advisering, ondersteuning, toegang tot overleg, agendering, en informatievoorziening.

Artikel 2.1.3, derde lid, Wmo 2015, dat de gemeenten verantwoordelijk maakt voor participatie van ingezetenen bij beleidsvorming en uitvoering;

Artikel 10, lid 7, Wgr, dat voorschrijft dat de regeling bepalingen moet bevatten over de wijze waarop ingezetenen en belanghebbenden betrokken worden

 

De gemeenten Baarn, Bunschoten en Soest hebben (o.a.) de uitvoering van de Participatiewet, de Wet inburgering, de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening en de WMO gedelegeerd aan de Bedrijfsvoeringsorganisatie Eemkracht. De bevoegdheid tot het vaststellen, wijzigen en intrekken van beleidsregels is daarmee een bevoegdheid van het bestuur van de GR Eemkracht. De bevoegdheid tot het vaststellen, wijzigen en intrekken van verordeningen blijft echter een bevoegdheid van de gemeenteraad.

De verantwoordelijkheid voor zowel cliëntenparticipatie als de participatie van ingezetenen blijft bij de deelnemende gemeenten. Dit komt omdat de bevoegdheid tot het vaststellen van verordeningen bij de gemeenteraden blijft, ook al is de uitvoering van de Participatiewet en andere relevante wetten gedelegeerd aan de GR Eemkracht.

 

Artikel 14:

 

Dit artikel is opgenomen om de zelfstandige leesbaarheid van de regeling te vergroten. Hierdoor hoeft, in geval van een onderzoek, niet andere wetgeving te worden geraadpleegd maar zijn de richtlijnen en werkwijzen in lijn met de wet uitgewerkt.

Dit artikel beschrijft de mogelijkheid voor rekenkamers van de deelnemende gemeenten, zowel van een als van meerdere gemeenten in samenwerking, om onderzoek te kunnen doen naar de GR. Het bestuur voorziet de rekenkamer van alle informatie.

 

Artikel 15:

 

Omwille van zelfstandige leesbaarheid is het recht van enquête uitgeschreven in de regeling.

 

Artikel 16:

 

Het instellen de ambtelijke adviestafel draagt primair bij aan de grip van de colleges en de kwaliteit van de voorbereiding van het bestuur.

Gewenst en gebruikelijk is ambtelijke advisering vanuit de deelnemende gemeente in vrijwel ieder samenwerkingsverband. In de GR Eemkracht stelt het bestuur een ambtelijke adviestafel in welke alle voorstellen die geagendeerd worden voor het bestuur bespreekt met de organisatie en van een (schriftelijk) advies voorzien.

De ambtelijke adviestafel is niet alleen adviseur van het bestuur, de rol is breder. De ambtelijke adviestafel vormt de schakel tussen de gemeentelijke organisaties van de drie deelnemers en de GR. Ter uitwerking van de opdracht ligt het in de lijn der verwachting dat hiervoor een omschrijving van de werkwijze, instellingsbesluit en reglement van orde voor wordt opgesteld. Dit wordt door het bestuur vastgesteld.

Omdat de ambtelijke adviestafel aan het bestuur adviseert, benoemt ook het bestuur de leden. Het kan zijn dat leden worden voorgedragen door de betreffende gemeente(secretaris) aan het bestuur.

 

Artikel 17:

 

Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

 

Artikel 18:

 

De regeling voorziet naast de aanstelling van een secretaris-directeur in de aanstelling van een controller. De controller wordt benoemd door het bestuur. Om een goede balans aan te brengen tussen de secretaris-directeur en de controller worden beiden door het bestuur aangesteld. Deze bevoegdheid van het bestuur kan niet worden gemandateerd aan de directeur, dan zou juist deze balans vervallen.

 

Artikel 19:

 

Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

 

Artikel 20:

 

Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

 

Artikel 21:

In een bijdragebesluit wordt de verdeling van de bijdragen en de verdeelsleutel vastgelegd. De gemeenteraden moeten bij zowel de eerste vaststelling als bij iedere wijziging worden gevraagd om een zienswijze, juist omdat hier de berekening en verdeling van de bijdragen tussen de gemeenten in wordt vastgelegd. Het werken met een bijdragebesluit creëert langjarige stabiliteit over de verdeelsleutels, maar meer ruimte dan dat de verdeelsleutels geheel in de gemeenschappelijke regeling worden vastgelegd.

Het kunnen onttrekken van een negatief exploitatiesaldo (danwel een negatief resultaat in de jaarrekening) aan een daarvoor bestemde reserve betekent dat Eemkracht ook kan werken met een algemene en bestemmingsreserves. Daartoe wordt in een nader op te stellen statuut, bijvoorbeeld het financieel statuut, een richtlijn opgenomen voor een maximale algemene reservecapaciteit.

 

Artikel 22, 23 en 24:

 

Deze artikelen zijn in het algemene deel van de toelichting onder Cyclus van planning en control toegelicht. De peildata voor rapportages zijn 1 mei en 1 september van ieder jaar.

 

Artikel 25 tot en met 30:

 

Een voor onbepaalde tijd getroffen gemeenschappelijke regeling dient bepalingen te bevatten omtrent wijziging, opheffing, toetreding en uittreding (art. 9 Wgr). In de Wgr is de bepaling over uittreden meer omvattend en verplichtend geworden. De artikelen 25 tot en met 30 geven het proces weer dat bij uittreden of gedeeltelijk uittreden moet worden doorlopen. Onder gedeeltelijk uittreden wordt verstaan het niet langer afnemen van diensten of niet langer delegeren (dan wel mandateren) van tot dan toe gedelegeerde taken en bevoegdheden. Het afbouwen van een taak valt onder het gedeeltelijk uittreden.

Met deze artikelen wordt niet alleen een gedegen proces vastgelegd. Ook wordt zorg gedragen dat de achterblijvende partijen zo min mogelijk negatieve effecten ervaren (zoals financieel nadeel) van een uittreden of gedeeltelijk uittreden wat resulteert in een hogere bijdrage van de deelnemers.

Ingeval een van de deelnemers samen gaat met een andere gemeente stijgt het inwoneraantal van deze gemeente of treedt de gemeente uit de regeling. In het laatste geval zijn de bepalingen over uittreding van toepassing.

 

Artikel 31:

 

Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

 

Artikel 32:

 

Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

 

 

Artikel 33:

 

Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

 

Artikel 34:

 

Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

 

Artikel 35 en 36:

 

Deze artikelen behoeven geen nadere toelichting.

 

Artikel 37:

 

Dit artikel is toegelicht in de algemene toelichting onder 1.

 

Artikel 38:

 

Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

Naar boven