Gemeenteblad van Soest
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Soest | Gemeenteblad 2025, 500064 | gemeenschappelijke regeling |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Soest | Gemeenteblad 2025, 500064 | gemeenschappelijke regeling |
Gemeenschappelijke regeling Eemkracht
De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeente Baarn, Bunschoten en Soest, ieder voor zover bevoegd, handelend met eensluidende toestemming van de respectievelijke gemeenteraden ingevolge de raadsbesluiten nummers [nieuwe nummers], overeenkomstig het bepaalde in artikel 1 van de Wet gemeenschappelijke regelingen, hebben besloten tot het wijzigen van de gemeenschappelijke regeling ‘samenwerking sociaal domein Baarn, Bunschoten en Soest’.
De colleges overwegen daartoe het volgende:
De gemeenten Baarn, Bunschoten en Soest hebben met de samenwerking ten doel een robuuste gezamenlijke uitvoeringsorganisatie voor het Sociaal Domein te realiseren die integraal samenwerkt en op professionele wijze inwoners beter passende hulp en ondersteuning kan bieden en de inwoner centraal stelt;
Met de samenwerking wordt voor de gemeenten Baarn, Bunschoten en Soest voor een zelfstandige organisatie gekozen, waar nabijheid en gelijkwaardigheid belangrijke kernwaarden zijn in de besturing en relatie met de deelnemende gemeenten;
Ten behoeve van de samenwerking wensen zij, gebruikmakend van de wettelijke mogelijkheden om een gemeenschappelijke regeling in de vorm van een bedrijfsvoeringsorganisatie te treffen, de gemeenschappelijke regeling ‘samenwerking sociaal domein Baarn, Bunschoten en Soest’ te wijzigen;
De complexiteit in het sociaal domein neemt toe waardoor er een robuuste, toekomstbestendige uitvoering vereist is om blijvend professionele, nabije en integrale hulp en zorg te bieden;
De drie gemeenten hebben daarom besloten te investeren in een robuustere samenwerking, verbreding van de taken en kwalitatieve verbetering van de aansturing en uitvoering, met als doel optimale ondersteuning van de inwoners van Baarn, Bunschoten en Soest en de drie deelnemende gemeenten.
De Gemeentewet, de Wet gemeenschappelijke regelingen, de Participatiewet, de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, de Jeugdwet, de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, de Wet inburgering 2021, Leerplichtwet 1969, Wet op het primair onderwijs, Wet voortgezet onderwijs 2020, Wet op de expertisecentra, Wet politiegegevens.
De gemeenschappelijke regeling ‘samenwerking sociaal domein Baarn, Bunschoten en Soest’ te wijzigen in de hiernavolgende ‘Eemkracht’ en deze voor onbepaalde tijd aan te gaan.
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder:
De Wetten: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, Participatiewet en het daarop gebaseerde Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ), de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs), de Wet inburgering, Jeugdwet, Leerplichtwet 1969, Wet op het primair onderwijs, Wet voortgezet onderwijs 2020, Wet op de expertisecentra, zoals deze wetten en regelingen luiden of gaan luiden in de toekomst; hieronder worden mede begrepen de op hiervoor genoemde Wetten gebaseerde algemene maatregelen van bestuur, ministeriële besluiten en uitvoeringsvoorschriften evenals verordeningen, overige algemeen verbindende voorschriften en beleidsregels van de gemeenten;
Hoofdstuk 2 Belangen, taken en bevoegdheden
Eemkracht heeft tot doel, met inachtneming van hetgeen hierover in de regeling is bepaald, om door een efficiënte en effectieve uitvoering van de Wetten de belangen van de gemeenten gezamenlijk en ieder afzonderlijk te behartigen op het gebied van de in artikel 5 genoemde taken in het sociaal domein en het bevorderen van de kwaliteit en continuïteit van de dienstverlening, elk voor zover de colleges daartoe de bevoegdheden hebben overgedragen aan het bestuur van Eemkracht.
Ter behartiging van het belang zoals genoemd in artikel 3 dragen de colleges bevoegdheden over aan Eemkracht die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de in artikel 5 genoemde taken. De bevoegdheden omvatten uitsluitend de taken die bij of krachtens de Wetten zoals genoemd in artikel 1 onder g zijn toegekend aan de colleges voor zover deze betrekking hebben op vervulling van de taken in deze regeling.
Aan Eemkracht worden binnen het belang als bedoeld in artikel 3 door de deelnemende gemeenten de volgende taken overgedragen:
Het organiseren, inrichten en aansturen van integrale teams die verantwoordelijk zijn voor de toeleiding naar tweedelijnshulp en ondersteuning. Deze teams voeren naast de onder a genoemde taken ook werkzaamheden uit op het gebied van indicatiestelling en overige besluitvorming over de inzet van zorg en ondersteuning en inkomensondersteuning via gespecialiseerde aanbieders, het verstrekken van hulpmiddelen en het voeren van casusregie.
De uitvoering van de wet- en regelgeving zoals bedoeld in de Participatiewet en daaraan gerelateerde regelgeving. Dit omvat onder meer het behandelen van en besluiten over aanvragen, toekenning, terugvordering, het verrichten van hercontrole en beëindigingsonderzoeken, en de verwerking in de uitkeringsadministratie.
Uitvoering van de Leerplichtwet 1969. Toezicht en handhaving van de Leerplichtwet. Dit omvat onder meer leerlingen stimuleren om (weer) naar school te gaan bij schoolverzuim (leerplicht en kwalificatieplicht), indien nodig het opmaken van een proces-verbaal en het behandelen van aanvragen voor vrijstelling van het onderwijs en de registratie en administratie.
Uitvoering van Leerlingenvervoer. Behandelen en beoordelen van alle aanvragen voor leerlingenvervoer conform de verordening leerlingenvervoer en vastgestelde nadere regels en/of beleidsregels. Dit omvat onder meer het bevorderen van zelfstandig reizen, het opstellen van beschikkingen, contact onderhouden met ouders/verzorgers, onderwijs, vervoerder van het leerlingenvervoer en de registratie en administratie.
Waar mogelijk, en mits dit geen extra kosten met zich meebrengt, wordt de uitvoering afgestemd op de plaatselijke gebruiken van de deelnemende gemeente. Indien een deelnemende gemeente verzoekt om een uitbreiding van het standaardniveau of een hogere intensiteit van een of meer taken, is sprake van de uitvoering van een aanvullende taak zoals beschreven in artikel 6 van deze regeling.
Eemkracht kan ten behoeve van andere organen of rechtspersonen dan de deelnemende gemeenten (derden) taken uitvoeren, binnen het belang en het doel van Eemkracht als bedoeld in artikel 3, met dien verstande dat de omvang van deze taken niet meer mag bedragen dan toelaatbaar is op basis van de criteria voor inbesteden volgens het geldende aanbestedingsregime, kostendekkend worden uitgevoerd en de basistaken niet in het gedrang komen. Het besluit omtrent het uitvoeren van taken aan andere organen of rechtspersonen dan de deelnemende gemeenten wordt genomen bij unanimiteit.
Hoofdstuk 3 Inrichting bestuur
Op de vergadering, bedoeld in het vierde lid, is het derde lid niet van toepassing. Het bestuur kan echter over andere aangelegenheden dan die waarvoor de eerdere vergadering was belegd alleen beraadslagen of besluiten, indien ten minste de helft van het aantal zitting hebbende leden tegenwoordig is.
Artikel 10 Bevoegdheden bestuur
Tot de taken en bevoegdheden van het bestuur behoren in ieder geval:
Het nemen van besluiten tot oprichting van een deelneming in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen. Het besluit wordt niet genomen dan nadat de raden van de deelnemende gemeenten een ontwerpbesluit is toegezonden en in de gelegenheid zijn gesteld hun wensen en bedenkingen ter kennis van het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie te brengen.
De rekenkamers van de deelnemende gemeenten voeren een onderzoek zoveel mogelijk in gezamenlijkheid en onderling overleg uit. Indien het onderzoek door een of twee van de rekenkamers afzonderlijk wordt verricht, worden de resultaten van het onderzoek met de rekenkamers van alle deelnemende gemeenten gedeeld.
De raden van de deelnemende gemeenten gezamenlijk, op voorstel van een de vertegenwoordigende organen van de deelnemende gemeenten aan de betreffende regeling, kunnen een onderzoek instellen naar het door de bedrijfsvoeringsorganisatie gevoerde bestuur.
Hoofdstuk 5 Financiën en administratie
Het bestuur zendt uiterlijk 1 januari van het jaar voorafgaand aan dat waarvoor de begroting van het jaar dient, de algemene financiële en beleidsmatige kaders aan de raden van de deelnemende gemeenten.
Het tweede tot en met het vijfde en het zevende lid zijn van toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting. In afwijking van het onder het tweede tot en met vijfde lid vermelde, kunnen begrotingswijzigingen, die niet leiden tot een aanpassing van de gemeentelijke bijdragen, direct worden vastgesteld door het bestuur.
Het bestuur stuurt aan de raden tweemaal per jaar een tussenrapportage, gebaseerd op de begroting met een toelichting op de voortgang van de realisatie van de doelstellingen en een toelichting op de afwijkingen. Indien de tussenrapportage aanleiding is voor een begrotingswijziging, wordt de tussenrapportage vergezeld van een voorstel tot begrotingswijziging.
Artikel 24 Jaarrekening en jaarverslag
Het bestuur stelt de jaarrekening vast in het jaar volgende op het jaar waarop deze betrekking heeft. In de jaarrekening wordt het werkelijke bedrag opgenomen dat elk van de deelnemende gemeenten over dat jaar samen aan Eemkracht verschuldigd is. Bij het vaststellen van de jaarrekening wordt ook de resultaatsbestemming vastgelegd.
Hoofdstuk 6 Toetreding, uittreding, wijziging en opheffing
Eemkracht en de toetredende gemeente vragen gezamenlijk advies aan een onafhankelijke externe deskundige voor de vaststelling van financiële verrekening als bedoeld in het tweede lid. Het advies van deze deskundige is voor partijen bindend. De kosten voor het inschakelen van de deskundige zijn voor rekening van de toetredende gemeente.
Een college kan geheel of gedeeltelijk uit de regeling treden door een daartoe strekkend besluit van het betreffende college en na verkregen toestemming van de betreffende raad. Onder gedeeltelijk uittreden wordt verstaan het vanaf een bepaalde datum niet langer afnemen van diensten c.q. niet langer delegeren van tot dan toe gedelegeerde taken en bevoegdheden aan de gemeenschappelijke regeling.
In het geval diensten, taken en bevoegdheden door alle colleges die de betreffende diensten, taken en bevoegdheden afnemen hebben gedelegeerd met ingang van dezelfde datum niet langer worden afgenomen c.q. niet langer worden gedelegeerd, stellen de colleges met elkaar een plan op waarin alle aspecten en gevolgen daarvan worden geregeld, zodat er geen sprake is van achterblijvende kosten en achterblijvend personeel.
De voorlopige respectievelijk de definitieve uittreedsom bestaat uitsluitend uit een vergoeding ter compensatie van frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten en de waarde van de formatie die de uittredende gemeente overneemt, als bedoeld in vijfde en zesde lid van dit artikel en artikel 29, eerste en tweede lid van deze regeling.
Onder desintegratiekosten worden verstaan alle kosten direct dan wel toekomstig, te maken dan wel te dragen door de bedrijfsvoeringsorganisatie die samenhangen met de afbouw van overcapaciteit in personele en materiële sfeer en andere verplichtingen, de afbouw van risico’s daarbij inbegrepen, ontstaan als direct gevolg van de uittreding.
De bedrijfsvoeringsorganisatie brengt alle frictiekosten en de desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten en de waarde van de formatie die de uittredende gemeente overneemt, als bedoeld in het vierde lid, in rekening bij de uittredende gemeente. De uittredende gemeente is verplicht tot betaling van de definitieve uittreedsom.
De in het derde lid bedoelde systematiek wordt gebaseerd op:
Feiten en omstandigheden die bekend waren op het moment van de daadwerkelijke uittreding. Beleidswijzigingen, wijzigingen van economische omstandigheden, wijzigingen van inzichten die zich voordoen of opkomen na het moment van de daadwerkelijke uittreding kunnen niet worden betrokken bij de bepaling van de hoogte van de uittreedsom.
De bedrijfsvoeringsorganisatie alsmede de uittredende gemeente is gehouden redelijkerwijs al het mogelijke te doen om de uittredingskosten zo laag mogelijk te houden. Het voorgaande behoeft niet te leiden tot wijziging van overeenkomsten met en verplichtingen jegens derden die zijn aangegaan respectievelijk bepaald voorafgaand aan het tijdstip van ontvangst door het bestuur van het besluit tot uittreding van de uittredende gemeente.
Met het oog op het bepalen van de inhoud van het uittredingsplan wijst het bestuur een onafhankelijke externe deskundige aan die in opdracht van het bestuur het concept-uittredingsplan voorbereidt. De onafhankelijke deskundige kan, in overleg met het bestuur, voor de specifieke onderdelen van het uittredingsplan andere deskundigen inschakelen.
Het bestuur wijst de onafhankelijke externe deskundige aan op basis van een gezamenlijke voordracht van de uittredende gemeente en het bestuur. Indien geen overeenstemming kan worden bereikt over een gezamenlijke voordracht, wijst het bestuur de onafhankelijke externe deskundige aan op basis van meerderheid van stemmen in het bestuur.
Ten minste 12 maanden voorafgaand aan het moment van uittreding stelt het bestuur het uittredingsplan en de voorlopige uittreedsom vast. Het bestuur baseert de berekening van de voorlopige uittreedsom op de systematiek als bedoeld in artikel 27, zevende lid en op de jaarrekening van de bedrijfsvoeringsorganisatie over het meest recent verstreken begrotingsjaar.
Uiterlijk 6 maanden na het moment van uittreding stelt het bestuur de definitieve uittreedsom vast. Het bestuur baseert de berekening van de definitieve uittreedsom op de systematiek als bedoeld in artikel 27, zevende lid en op de jaarrekening van het begrotingsjaar direct voorafgaand aan het moment van uittreding.
Bij de voorbereiding van het concept uittredingsplan biedt het bestuur de uittredende gemeente de keuze tussen een betaling van de uittreedsom in een aantal termijnen of voor de betaling van de uittreedsom in een keer. In het uittredingsplan bepaalt het bestuur conform de voorkeur van de uittredende gemeente of de uittredende gemeente de uittreedsom in een daarbij te bepalen aantal termijnen of in een keer dient te betalen. Als de uittredende gemeente kiest voor betaling in termijnen kan het bestuur een rentevergoeding in rekening brengen.
Artikel 30 Verplichtingen uittreder
De uittredende gemeente is gehouden zich in te spannen om de formatie van de bedrijfsvoeringsorganisatie die als gevolg van de uittreding boventallig is geworden met behoud van de arbeidsvoorwaarden in dienst te nemen of anderszins in stand te doen houden. De waarde van de formatie die de uittredende gemeente overneemt van de bedrijfsvoeringsorganisatie wordt gekapitaliseerd en in mindering gebracht op de uittreedsom.
Ieder der deelnemende gemeenten kan verzoeken om wijziging van deze regeling. Ook kan het bestuur een voorstel tot wijziging doen. Wijziging is slechts mogelijk indien de colleges van de deelnemende gemeenten unaniem tot de wijziging besluiten, na daartoe verkregen toestemming van hun raden.
Een besluit tot opheffing van de regeling gaat vergezeld van een liquidatieplan, vast te stellen door het bestuur. Het liquidatieplan voorziet in de verplichting van de deelnemende gemeenten tot deelneming in de financiële gevolgen van de opheffing, in de gevolgen voor het personeel en in de gevolgen van het door de gemeenten wederom zelfstandig uitvoeren van de van toepassing zijnde regelgeving.
De bepalingen bij en krachtens de Archiefwet zijn van overeenkomstige toepassing op Eemkracht, voor zover deze bepalingen betrekking hebben op archiefbescheiden van gemeenten en waarvoor in dit artikel niet anders is voorzien. In deze bepalingen dient in plaats van de gemeente, de raad en het college, te worden gelezen respectievelijk de bedrijfsvoeringsorganisatie en het bestuur.
Overeenkomstig door hem vast te stellen beleidsregels, draagt het bestuur zorg voor de archiefbepalingen van de organen van Eemkracht voor zover deze betrekking hebben op de gedelegeerde taken, met uitzondering van taken die in mandaat worden uitgevoerd. Het bestuur stelt voorschriften vast voor het beheer van de archiefbescheiden van de organen van de bedrijfsvoeringsorganisatie, die nog niet naar de archiefbewaarplaats zijn overgebracht. Het bestuur voorziet in voldoende ruimte voor de archiefbescheiden en hij stelt voldoende, deskundig, personeel aan.
Artikel 36 Terbeschikkingstelling
De archiefbescheiden betreffende zaken welke op het moment van inwerkingtreding van deze regeling reeds zijn afgedaan blijven tot hun overbrenging naar de archiefbewaarplaats, berusten onder het archiefvormend overheidsorgaan, dat deze zaken heeft afgedaan. Indien noodzakelijk voor de taakuitvoering van Eemkracht worden zij ter beschikking gesteld.
Van de terbeschikkingstelling wordt een verklaring opgemaakt, die ten minste bevat een specificatie van de ter beschikking gestelde archiefbescheiden. Een exemplaar van deze verklaring wordt bewaard door het overheidsorgaan waaronder de archiefbescheiden zouden berusten, indien zij niet ter beschikking waren gesteld.
De kosten van het beheer van de ter beschikking gestelde archiefbescheiden komen ten laste van Eemkracht, de zorgdrager voor de archiefbescheiden van het overheidsorgaan dat de archiefbescheiden ter beschikking heeft gesteld, blijft in alle andere aangelegenheden de zorgdrager voor de archiefbescheiden.
Toelichting Gemeenschappelijke Regeling Eemkracht 2025
De gemeenschappelijke regeling Eemkracht is een voortzetting van de gemeenschappelijke regeling Uitvoeringsorganisatie BBS, welke laatstelijk is gewijzigd in 2024. De gemeenschappelijke regeling is een samenwerking van de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Baarn, Bunschoten en Soest. De rechtsvorm voor de samenwerking is een Bedrijfsvoeringsorganisatie, ingevolge artikel 8, derde lid van de Wet gemeenschappelijke regelingen.
De Bedrijfsvoeringsorganisatie heeft als hoofdtaken het efficiënt en effectief uitvoeren van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ), de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs), de Wet inburgering, Jeugdwet, Leerplichtwet 1969, Wet op het primair onderwijs, Wet voortgezet onderwijs 2020, Wet op de expertisecentra.
Als voor deze wetten regels worden gemaakt voor de uitvoering, zoals algemene maatregelen van bestuur, ministeriële besluiten en uitvoeringsvoorschriften, verordeningen, overige algemeen verbindende voorschriften en beleidsregels van de gemeenten worden deze meegenomen in de uitvoering van deze taken.
De bovenstaande taken zijn een uitbreiding in breedte en diepte ten opzichte van de taken in voorgaande jaren door de Uitvoeringsorganisatie Baarn, Bunschoten en Soest werden uitgevoerd.
De samenwerking tussen de gemeenten Baarn, Bunschoten en Soest is een vrijwillige samenwerking. Er is geen wet die verplicht dat de drie gemeenten samen moeten werken op de taken en geen verplichting dat Baarn, Bunschoten en Soest met elkaar moeten samenwerken. Overigens laat het feit dat deze samenwerking vrijwillig is aangegaan onverlet dat de deelnemers verplicht zijn hun medewerking te geven aan de uitvoering van de besluiten die door het bestuur van het samenwerkingsverband zijn genomen (artikel 10a, eerste lid, Wgr). Onderliggend doel van de samenwerking is om de uitvoering van de overgedragen taken met een robuuste en zelfstandige organisatie uit te voeren, waarmee uiteindelijk de inwoners van Baarn, Bunschoten en Soest ook beter kunnen worden ondersteund of geholpen wanneer zij daartoe met de dienstverlening van Eemkracht in aanraking komen.
Los van wettelijke verplichtingen tot monitoring en onderzoek van de ervaren kwaliteit van dienstverlening (zie onder meer artikel 2.5.1 Wmo 2015) is het ook van belang de organisatievorm en het gebruik ervan te evalueren. Om die reden bevat artikel 37 een evaluatiebepaling, waarbij iedere vier jaar wordt geëvalueerd. De evaluatie vindt in het derde jaar van de bestuursperiode plaats, dus in 2028 zal een eerste uitgebreide evaluatie plaatsvinden en worden gedeeld met het bestuur. Naast deze formele evaluatiebepaling kan het bestuur – gezien het belang van efficiënte en effectieve dienstverlening - systematisch doelmatigheidsonderzoeken laten uitvoeren.
2. Verhouding tot de gemeenten
Samenwerking in een gemeenschappelijke regeling is te typeren als verlengd lokaal bestuur. Met de onderhavige samenwerking dragen de colleges – na verkregen toestemming van de gemeenteraden – de uitvoering van taken inzake het sociaal domein, participatiewet, leerlingenvervoer, leerplicht, inburgering, schuldhulpverlening etc. over aan Eemkracht. Daarmee liggen deze beslissingsbevoegdheden (dus) niet meer bij de individuele colleges of collegeleden.
In het bestuur van Eemkracht wordt besloten op basis van in de gemeenschappelijke regeling vastgelegde stemverhoudingen. Deze overdracht impliceert dat het bestuur als collegiaal bestuursorgaan beslissingen neemt. In artikel 8 komt het collegiale karakter van het bestuur tot uitdrukking in het streven naar consensus.
Zoals gezegd is deze samenwerking een samenwerking tussen colleges en een Bedrijfsvoeringsorganisatie. Dit betekent dat de gemeenteraden hun toekomende bevoegdheden behouden tot het vaststellen van beleid en verordeningen. Deze kaderstellende bevoegdheden blijven bij de gemeenteraden liggen, mede omdat dit niet de wens is en aan een Bedrijfsvoeringsorganisatie geen bevoegdheden van de gemeenteraden kunnen worden gedelegeerd of gemandateerd. Daarom behouden de gemeenteraden hun zeggenschap en mogelijkheden tot kaderstelling. Dat de afzonderlijke gemeenteraden bevoegd blijven deze algemene kaders vaststellen, vergt dat de gemeenteraden – omwille van efficiency en effectiviteit – ernaar streven dat deze algemene kaders zo veel mogelijk een uniforme inhoud hebben. Dit impliceert dus actieve bestuurlijke afstemming vooraf op kaderstelling voor zover het de taken en bevoegdheden van Eemkracht betreft.
Met inachtneming van voornoemde kaders hebben de gemeenteraden vervolgens ook de specifieke (jaarlijks uit te oefenen) bevoegdheid tot het inbrengen van zienswijzen op de ontwerpbegroting van Eemkracht. Met de wijziging van de Wgr in 2022 is de mogelijkheid expliciet gemaakt dat meerdere onderwerpen verplicht aan de raden moeten worden voorgelegd voor een zienswijze. Voor Eemkracht wordt het bijdragebesluit verplicht voorafgaand aan besluitvorming ter zienswijze aangeboden aan de gemeenteraden.
Het bestuur van Eemkracht is voorts verplicht de rekening en de financiële en beleidsmatige kaderbrief van Eemkracht toe te zenden aan de gemeenteraden. De gemeenteraad kan dan in het overleg met het college bepalen welke opdracht hij de betrokken collegeleden meegeeft voor de beraadslaging in het bestuur. Het is vervolgens aan de gemeenteraad te bepalen of de desbetreffende collegeleden adequaat deze opdracht hebben uitgevoerd.
Dat het hier gaat om verlengd lokaal bestuur maakt dat het bestuur van Eemkracht bijzondere verplichtingen inzake gevraagde en ongevraagde informatieverstrekking en het afleggen van verantwoording kent. Om de belangen van de deelnemers verder te borgen bevat de gemeenschappelijke regeling – in aanvulling op wat de Wet gemeenschappelijke regelingen voorschrijft – afspraken over de gewenste stemverhoudingen (w.o. het uitgangspunt van consensus, en in bepaalde gevallen de mogelijkheid van afwijking daarvan) voor besluitvorming in het bestuur inzake bepaalde belangrijke besluiten.
Met de wijziging van de gemeenschappelijke regeling van Uitvoeringsorganisatie BBS naar de gemeenschappelijke regeling Eemkracht heeft een aanzienlijke verbreding en verdieping van het takenpakket plaatsgevonden. Dat heeft een verband met de wijziging die ook in de samenstelling van het bestuur heeft plaatsgevonden. Waar voorheen één collegelid per deelnemende gemeente werd aangewezen als bestuurslid worden met ingang van deze gemeenschappelijke regeling twee leden per deelnemende gemeente aangewezen door het college als bestuurslid.
Twee leden per deelnemende gemeente doet meer recht aan de breedte van de taken die worden uitgevoerd, in de meeste colleges zijn de taken verdeeld over meerdere portefeuillehouders. Nu is het mogelijk dat beide portefeuillehouders deel uit maken van het bestuur van Eemkracht en daarmee ook de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de taken kunnen invullen. Daarnaast is met de verbreding en verdieping van de taken ook sprake van een financieel impactvollere organisatie. Mocht in een college alle taken in één portefeuille gebundeld zijn dan is er de mogelijkheid om een andere portefeuillehouder aan te wijzen als bestuurslid.
Het bestuur van Eemkracht neemt alle besluiten met een streven naar consensus. Mocht dat niet lukken wordt gepoogd om daar op enig moment wel tot consensus te komen, tenzij dat echt onaanvaardbare gevolgen heeft. Een voorbeeld hiervan kan zijn het vaststellen van de jaarrekening, waardoor bij gebrek aan consensus de jaarrekening te laat bij de toezichthouder wordt ingediend. De consequenties daarvan zouden kunnen zijn dat Eemkracht onder een ander toezichtsregime komt te staan. Dit zou een voorbeeld van onaanvaardbare vertraging kunnen zijn.
4. Cyclus van planning en control
De planning- en controlcyclus is met de wijziging van de Wgr in 2022 op een aantal punten gewijzigd om de gemeenteraden beter in positie te brengen. Daarbij is niet alleen gekeken naar verruiming van termijnen maar ook een verbreding van instrumenten. Voor de P&C cyclus van Eemkracht wordt verder gegaan dan de wettelijke vastgestelde bevoegdheden voor de gemeenteraden.
Uiterlijk op 1 januari van het jaar voorafgaand aan waar een begroting voor gaat gelden stuurt het bestuur van Eemkracht een kaderbrief aan de gemeenteraden van Baarn, Bunschoten en Soest. In deze kaderbrief geeft het bestuur van Eemkracht aan wat de verwachtingen zijn voor het volgende begrotingsjaar (en mogelijk een langere periode). De kaderbrief kan een duiding geven van de verwachte effecten van veranderend beleid, veranderende wetgeving of omstandigheden in de uitvoering. Waar mogelijk wordt ook aangegeven welke financiële en inhoudelijke impact voor de uitvoeringsorganisatie en de gemeenten te verwachten is.
Vervolgens ontvangen de gemeenteraden voor 30 april, het jaar voorafgaand aan waar de begroting voor gaat gelden, de ontwerpbegroting. In de regeling is opgenomen dat de ontwerpbegroting en de conceptjaarrekening gelijktijdig worden verzonden aan de gemeenteraden. Dat geeft de gemeenteraden de mogelijkheid om terug te kijken (met de conceptjaarrekening) en vooruit te kijken (met de ontwerpbegroting) en een zienswijze te geven op de ontwerpbegroting. Ook voor deze zienswijze hebben de gemeenteraden 12 weken de tijd om deze in te dienen bij het bestuur.
Het bestuur weegt de zienswijzen en meldt aan de gemeenteraden hoe zij omgaat met deze zienswijzen. Dit bericht wordt aan de gemeenteraden gestuurd voorafgaand aan vaststelling van de begroting.
Bij het vaststellen van de jaarrekening wordt ook de bestemming van het resultaat gedaan. Dit kan inhouden dat een positief jaarresultaat geheel of gedeeltelijk kan worden toegevoegd aan een reserve of voorziening. De richtlijnen voor hoe hoog een (algemene) reserve mag zijn kunnen worden vastgelegd in een financieel statuut.
Ter wille van een zo kort mogelijke tekst van de regeling zijn hier enkele definities van meerdere keren gebruikte begrippen opgenomen.
Dit artikel wordt nader toegelicht in het algemene deel van de toelichting onder het kopje 1. Inleiding. De vestigingsplaats is een wettelijke verplichting om op te nemen, wat niet wegneemt dat de organisatie elders kantoor kan houden.
Artikel 10 eerste lid van de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr) schrijft voor dat de regeling het belang of de belangen waarvoor zij is aangegaan, vermeldt. Onder ‘belang’ wordt verstaan het beleidsterrein waarop wordt samengewerkt. Met het vastleggen van het belang of de belangen wordt het werkterrein van Eemkracht afgebakend.
In dit artikel wordt duidelijk gemaakt dat het een delegatie van taken betreft en niet langer een mandatering van taken. Voor verdere uitleg wordt verwezen naar de artikelen 108, 147 en 149 van de Gemeentewet. Door het delegeren van taken is het inherent om bezwaar en beroep op de door Eemkracht genomen besluiten door Eemkracht af te laten handelen.
De taken en bevoegdheden van Eemkracht zijn de activiteiten die worden ontplooid in het kader van de te behartigen belangen. Primair zijn dit de taken het efficiënt en effectief uitvoeren van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ), de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs), de Wet inburgering, Jeugdwet, Leerplichtwet 1969, Wet op het primair onderwijs, Wet voortgezet onderwijs 2020, Wet op de expertisecentra.
Aan de regeling hebben de colleges de bevoegdheid overgedragen om specifieke taken uit te voeren. De taken worden gedelegeerd aan het bestuur. Niet alle besluiten hoeven straks door het bestuur genomen te worden. Een deel van de besluiten kan door de organisatie worden genomen, als daartoe mandaat is verleend. Om dit mandaat vast te leggen wordt een regeling opgemaakt waarin het bestuur bepaalt welke bevoegdheden aan de directeur worden gemandateerd en met welke instructie de directeur de bevoegdheden mag uitoefenen. Dat wordt allemaal schriftelijk vastgelegd in de mandaatregeling.
In een mandaatregeling kan worden vastgelegd dat het besluiten op bezwaarschriften (desnoods op een specifiek onderwerp) niet aan de directeur wordt gemandateerd. Door dat niet te mandateren, moet het bestuur besluiten over (specifieke) beslissingen op bezwaar. Dat kan van invloed zijn op de mogelijke frequentie van bestuursvergaderingen, enigszins afhankelijk van het aantal bezwaren dat moet worden afgehandeld.
In dit artikel (eerste en tweede lid) wordt mogelijk gemaakt dat een deelnemer een extra intensiteit, verhoogde kwaliteit of zelfs een kleine taak kan laten uitvoeren door Eemkracht. Hieraan is een aantal randvoorwaarden verbonden. Zo mogen de primaire taken niet in het gedrag komen, wat zoveel betekent als dat de primaire taken niet mogen leiden onder een aanvullende taak. Als door het uitvoeren van een aanvullende taak bijvoorbeeld medewerkers niet kunnen worden ingezet voor de primaire taken en daar bijvoorbeeld lagere kwaliteit door wordt geleverd of wachtlijsten ontstaan is sprake van ‘in het gedrang komen’. Ook is vastgelegd dat de deelnemer die de aanvullende taak vraagt ook alle kosten draagt voor de uitvoering en aansturing. Mocht een aanvullende taak op enig moment niet langer worden uitgevoerd dan draagt de deelnemer ook alle kosten die gepaard gaan met het stopzetten. Concreet, mocht voor de uitvoering van een aanvullende taak afgesproken zijn dat vaste medewerkers konden worden aangetrokken dan zijn de kosten voor frictie- en desintegratiekosten ook voor die deelnemer. De besluiten omtrent het laten uitvoeren van een extra intensiteit, verhoogde kwaliteit of zelfs een kleine taak worden genomen bij consensus.
In het derde lid is vastgelegd dat Eemkracht ook voor andere gemeenten diensten kan verlenen. Uiteraard moet Eemkracht dit doen binnen de aanbestedingsgrenzen en de voorwaarden die het bestuur stelt. Het besluit omtrent het verlenen van diensten aan andere organen of rechtspersonen dan de deelnemende gemeenten wordt genomen bij unanimiteit.
Dit artikel wordt nader toegelicht in het algemene deel van de toelichting onder het kopje Bestuur. In het derde lid wordt het aanwijzen van plaatsvervangers vastgelegd. Plaatvervanging is belangrijk indien een bestuurslid afwezig of ziek is, zonder aanwijzing is deelname door een vervanger niet zonder meer mogelijk. Het is wel mogelijk om voor beide bestuursleden één collegelid aan te wijzen die beide bestuursleden kan vervangen. Indien beide bestuursleden afwezig zijn en een college één vervanger heeft aangewezen dan heeft deze vervanger slechts één stem en telt ook voor het quorum als één bestuurslid.
In het vierde lid wordt aangegeven dat zijn van bestuurslid van Eemkracht onverenigbaar is met een dienstverband bij Eemkracht of een van de deelnemende gemeenten, immers dit zou tot een onwenselijke belangenverstrengeling kunnen leiden. Daarnaast is in de Wgr, artikel 20 opgenomen dat een bestuurslid:
niet als advocaat, gemachtigde of adviseur werkzaam mag zijn ten behoeve van de wederpartij van het openbaar lichaam of de bedrijfsvoeringsorganisatie of ten behoeve van het bestuur van het openbaar lichaam of de bedrijfsvoeringsorganisatie in geschillen;
niet als vertegenwoordiger of adviseur werkzaam mag zijn ten behoeve van derden tot het met het openbaar lichaam of de bedrijfsvoeringsorganisatie aangaan van:
overeenkomsten als bedoeld in de derde bullet;
overeenkomsten tot het leveren van onroerende zaken aan het openbaar lichaam of de bedrijfsvoeringsorganisatie;
rechtstreeks noch middellijk een overeenkomst mag aangaan betreffende:
het aannemen van werk ten behoeve van het openbaar lichaam of de bedrijfsvoeringsorganisatie;
het buiten dienstbetrekking tegen beloning doen van verrichtingen ten behoeve van het openbaar lichaam of de bedrijfsvoeringsorganisatie;
het leveren van roerende zaken anders dan om niet aan het openbaar lichaam of de bedrijfsvoeringsorganisatie;
het verhuren aan het openbaar lichaam of de bedrijfsvoeringsorganisatie van enig goed, met uitzondering van onroerende zaken;
het verwerven van betwiste vorderingen ten laste van het openbaar lichaam of de bedrijfsvoeringsorganisatie;
het van het openbaar lichaam of de bedrijfsvoeringsorganisatie ondershands verwerven van onroerende zaken of beperkte rechten waaraan deze zijn onderworpen;
het ondershands huren of pachten van het openbaar lichaam of de bedrijfsvoeringsorganisatie.
Dit artikel is nader toegelicht in het algemene deel van de toelichting onder het kopje Bestuur.
Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.
Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.
Informatievoorziening tussen een bedrijfsvoeringsorganisatie en de deelnemende gemeenten is deels wettelijk verankerd in de Wet gemeenschappelijke regelingen. Artikel 16, 17 en 19 van de Wgr geven een duidelijke basis.
Het bestuur geeft gevraagd en ongevraagd de raden alle informatie die nodig is om hun taak goed te kunnen uitvoeren en om het te voeren en gevoerde beleid te kunnen beoordelen. Dit houdt in dat het bestuur gevraagd, maar ook ongevraagd, actief informatie zal delen met de gemeenteraden.
Elk lid van het bestuur legt verantwoording af over het door hem gevoerde en te voeren beleid. De verantwoording door het lid van het bestuur vindt alleen plaats aan het eigen college respectievelijk eigen de gemeenteraad van de gemeente waaruit het bestuurslid afkomstig is.
In het tweede lid is opgenomen dat vragen aan een college, technische of schriftelijke vragen, en de antwoorden op deze vragen worden actief gedeeld met de andere colleges. Dat lid moet borgen dat op vergelijkbare of gelijkluidende vragen antwoorden worden gegeven die verschillende interpretaties kunnen opleveren. Daarmee zou een verschillend antwoord kunnen leiden tot misverstanden. Door de handelingswijze in het tweede lid wordt de kans daarop geminimaliseerd.
De voorzitter heeft in een bedrijfsvoeringsorganisatie een beperkte rol in vergelijking met een openbaar lichaam, de voorzitter is in de gemeenschappelijke regeling Eemkracht dan ook geen bestuursorgaan. In de regeling is de voorzitter bevoegd tot het ondertekenen van stukken en kan worden gemachtigd tot nader te bepalen handelingen. Deze kunnen in de mandaatregeling worden vastgelegd.
Eemkracht is een samenwerkingsverband met alleen collegebevoegdheden. Het vaststellen van kaderstellend beleid of verordeningen is niet overgedragen aan de regeling, deze blijft voorbehouden aan de gemeenteraden van Baarn, Bunschoten en Soest. De meest passende plek voor participatie is gelegen bij de organen die ook beleid vaststellen: de gemeenteraden van de deelnemende gemeenten.
Daarnaast is in het derde en vierde lid participatie vastgelegd als bedoeld in artikel 47 Participatiewet, dat stelt dat gemeenten verplicht zijn via verordening regels op te stellen over de wijze waarop cliëntenparticipatie wordt georganiseerd. Dit omvat onder andere vroege advisering, ondersteuning, toegang tot overleg, agendering, en informatievoorziening.
Artikel 2.1.3, derde lid, Wmo 2015, dat de gemeenten verantwoordelijk maakt voor participatie van ingezetenen bij beleidsvorming en uitvoering;
Artikel 10, lid 7, Wgr, dat voorschrijft dat de regeling bepalingen moet bevatten over de wijze waarop ingezetenen en belanghebbenden betrokken worden
De gemeenten Baarn, Bunschoten en Soest hebben (o.a.) de uitvoering van de Participatiewet, de Wet inburgering, de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening en de WMO gedelegeerd aan de Bedrijfsvoeringsorganisatie Eemkracht. De bevoegdheid tot het vaststellen, wijzigen en intrekken van beleidsregels is daarmee een bevoegdheid van het bestuur van de GR Eemkracht. De bevoegdheid tot het vaststellen, wijzigen en intrekken van verordeningen blijft echter een bevoegdheid van de gemeenteraad.
De verantwoordelijkheid voor zowel cliëntenparticipatie als de participatie van ingezetenen blijft bij de deelnemende gemeenten. Dit komt omdat de bevoegdheid tot het vaststellen van verordeningen bij de gemeenteraden blijft, ook al is de uitvoering van de Participatiewet en andere relevante wetten gedelegeerd aan de GR Eemkracht.
Dit artikel is opgenomen om de zelfstandige leesbaarheid van de regeling te vergroten. Hierdoor hoeft, in geval van een onderzoek, niet andere wetgeving te worden geraadpleegd maar zijn de richtlijnen en werkwijzen in lijn met de wet uitgewerkt.
Dit artikel beschrijft de mogelijkheid voor rekenkamers van de deelnemende gemeenten, zowel van een als van meerdere gemeenten in samenwerking, om onderzoek te kunnen doen naar de GR. Het bestuur voorziet de rekenkamer van alle informatie.
Omwille van zelfstandige leesbaarheid is het recht van enquête uitgeschreven in de regeling.
Het instellen de ambtelijke adviestafel draagt primair bij aan de grip van de colleges en de kwaliteit van de voorbereiding van het bestuur.
Gewenst en gebruikelijk is ambtelijke advisering vanuit de deelnemende gemeente in vrijwel ieder samenwerkingsverband. In de GR Eemkracht stelt het bestuur een ambtelijke adviestafel in welke alle voorstellen die geagendeerd worden voor het bestuur bespreekt met de organisatie en van een (schriftelijk) advies voorzien.
De ambtelijke adviestafel is niet alleen adviseur van het bestuur, de rol is breder. De ambtelijke adviestafel vormt de schakel tussen de gemeentelijke organisaties van de drie deelnemers en de GR. Ter uitwerking van de opdracht ligt het in de lijn der verwachting dat hiervoor een omschrijving van de werkwijze, instellingsbesluit en reglement van orde voor wordt opgesteld. Dit wordt door het bestuur vastgesteld.
Omdat de ambtelijke adviestafel aan het bestuur adviseert, benoemt ook het bestuur de leden. Het kan zijn dat leden worden voorgedragen door de betreffende gemeente(secretaris) aan het bestuur.
Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.
De regeling voorziet naast de aanstelling van een secretaris-directeur in de aanstelling van een controller. De controller wordt benoemd door het bestuur. Om een goede balans aan te brengen tussen de secretaris-directeur en de controller worden beiden door het bestuur aangesteld. Deze bevoegdheid van het bestuur kan niet worden gemandateerd aan de directeur, dan zou juist deze balans vervallen.
Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.
Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.
In een bijdragebesluit wordt de verdeling van de bijdragen en de verdeelsleutel vastgelegd. De gemeenteraden moeten bij zowel de eerste vaststelling als bij iedere wijziging worden gevraagd om een zienswijze, juist omdat hier de berekening en verdeling van de bijdragen tussen de gemeenten in wordt vastgelegd. Het werken met een bijdragebesluit creëert langjarige stabiliteit over de verdeelsleutels, maar meer ruimte dan dat de verdeelsleutels geheel in de gemeenschappelijke regeling worden vastgelegd.
Het kunnen onttrekken van een negatief exploitatiesaldo (danwel een negatief resultaat in de jaarrekening) aan een daarvoor bestemde reserve betekent dat Eemkracht ook kan werken met een algemene en bestemmingsreserves. Daartoe wordt in een nader op te stellen statuut, bijvoorbeeld het financieel statuut, een richtlijn opgenomen voor een maximale algemene reservecapaciteit.
Deze artikelen zijn in het algemene deel van de toelichting onder Cyclus van planning en control toegelicht. De peildata voor rapportages zijn 1 mei en 1 september van ieder jaar.
Een voor onbepaalde tijd getroffen gemeenschappelijke regeling dient bepalingen te bevatten omtrent wijziging, opheffing, toetreding en uittreding (art. 9 Wgr). In de Wgr is de bepaling over uittreden meer omvattend en verplichtend geworden. De artikelen 25 tot en met 30 geven het proces weer dat bij uittreden of gedeeltelijk uittreden moet worden doorlopen. Onder gedeeltelijk uittreden wordt verstaan het niet langer afnemen van diensten of niet langer delegeren (dan wel mandateren) van tot dan toe gedelegeerde taken en bevoegdheden. Het afbouwen van een taak valt onder het gedeeltelijk uittreden.
Met deze artikelen wordt niet alleen een gedegen proces vastgelegd. Ook wordt zorg gedragen dat de achterblijvende partijen zo min mogelijk negatieve effecten ervaren (zoals financieel nadeel) van een uittreden of gedeeltelijk uittreden wat resulteert in een hogere bijdrage van de deelnemers.
Ingeval een van de deelnemers samen gaat met een andere gemeente stijgt het inwoneraantal van deze gemeente of treedt de gemeente uit de regeling. In het laatste geval zijn de bepalingen over uittreding van toepassing.
Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.
Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.
Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.
Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.
Deze artikelen behoeven geen nadere toelichting.
Dit artikel is toegelicht in de algemene toelichting onder 1.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-500064.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.