Verordening op de heffing en de invordering van precariobelasting 2026

De raad van de gemeente Boxtel;

 

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 30 september 2025;

 

gelet op artikel 228 van de Gemeentewet;

 

b e s l u i t :

 

vast te stellen de volgende verordening:

 

Verordening op de heffing en de invordering van precariobelasting 2026

Artikel 1. Voorwerp van belasting; belastbaar feit

Onder de naam precariobelasting wordt ter zake van het hebben van voorwerpen op voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond een belasting geheven overeenkomstig de navolgende bepalingen.

Artikel 2. Definities

Deze verordening verstaat onder:

  • -

    jaar: kalenderjaar;

  • -

    kwartaal: een kalenderkwartaal;

  • -

    maand: een kalendermaand;

  • -

    week: een kalenderweek;

  • -

    dag als bedoeld in artikel 6 van deze verordening: een kalenderdag;

  • -

    dag als bedoeld in artikel 4 en 5 van deze verordening en in de bij deze verordening behorende tarieventabel: een periode van acht achtereenvolgende uren;

  • -

    vrije zondagen-regeling: het innemen van een standplaats met kramen, wagens, manden of andere voorwerpen van waren en/of het uitstallen van goederen op de openbare grond, in het kader van een evenement op een van de dagen waarop de vrijstelling als bedoeld in artikel 3 van de Winkeltijdenwet van toepassing is;

  • -

    standplaats: een met vergunning ingenomen plaats met kramen, wagens, manden of andere voorwerpen van waren en/of voor het uitstallen van goederen op de openbare grond, voor de verkoop van waren.

Artikel 3. Belastingplicht

De belasting wordt geheven van:

  • a.

    degene die één of meer voorwerpen op voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond heeft;

  • b.

    de vergunninghouder, die op basis van een vergunning gerechtigd is tot het innemen van een standplaats, indien de bij onderdeel a genoemde belastingplichtige niet bekend is, voor wat betreft de heffing van de belasting ingevolge onderdeel 1 van de bij deze verordening gevoegde tarieventabel;

  • c.

    de organisator of organisatoren, die op basis van de vrije zondagen-regeling gerechtigd is een standplaats dan wel standplaatsen in te nemen of in te laten nemen, indien de bij onderdeel a en b genoemde belastingplichtigen niet bekend zijn, voor wat betreft de heffing van de belasting ingevolge onderdeel 1 van de bij deze verordening gevoegde tarieventabel.

Artikel 4. Heffingsmaatstaf en tarief

  • 1.

    De belasting wordt geheven naar het aantal eenheden, bepaald en berekend aan de hand van de bij deze verordening behorende tarieventabel, met inachtneming van het bepaalde in dit artikel, artikel 5 en van de in de tabel gegeven aanwijzingen.

  • 2.

    Bij het hebben van voorwerpen op voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, wordt de oppervlakte bepaald conform het gestelde in de bij deze verordening behorende tarieventabel.

  • 3.

    Voor de berekening van de belasting wordt een gedeelte van een eenheid van oppervlakte voor een geheel gerekend.

  • 4.

    Voor de toepassing van de verordening wordt een gedeelte van een jaar, kwartaal, maand, week of dag respectievelijk aangemerkt als een heel jaar, kwartaal, hele maand, week of dag.

Artikel 5. Belastingtijdvak

Indien de belasting wordt geheven naar jaartarieven is het belastingtijdvak het kalenderjaar waarin de voorwerpen aanwezig zijn. In de overige gevallen is het belastingtijdvak het kwartaal, de maand, de week of de dag waarin de voorwerpen aanwezig zijn, met dien verstande dat ook heffing voor elk belastbaar feit afzonderlijk kan plaatsvinden.

Artikel 6. Ontstaan van de belastingschuld en de heffing naar tijdsgelang voor de jaarlijks verschuldigde belasting

  • 1.

    De belasting is verschuldigd bij het begin van het belastingtijdvak of, zo dit later is, bij aanvang van de belastingplicht.

  • 2.

    Ten aanzien van de gevallen als bedoeld in onderdeel 1.1, voor zover een tarief per jaar wordt berekend, van de bij deze verordening behorende tarieventabel geldt dat, indien de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak aanvangt, de belasting verschuldigd is voor zoveel driehonderd vijfenzestigste gedeelten van de voor het belastingtijdvak verschuldigde belasting als er in het belastingtijdvak, na het tijdstip waarop de belastingplicht aanvangt, nog volle dagen overblijven.

  • 3.

    Ten aanzien van de gevallen als bedoeld in onderdeel 2.1. en 3.1 van de bij deze verordening behorende tarieventabel geldt dat, indien de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak aanvangt, de belasting verschuldigd is voor zoveel twaalfde gedeel¬ten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in het belastingtijdvak jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

  • 4.

    Ten aanzien van de gevallen als bedoeld in onderdeel 1.1, voor zover een tarief per jaar wordt berekend, van de bij deze verordening behorende tarieventabel geldt dat, indien de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak eindigt, ontheffing verleend wordt voor zoveel driehonderd vijfenzestigste gedeelten van de voor het belastingtijdvak verschuldigde belasting als er in het belastingtijdvak, na het tijdstip waarop de belastingplicht eindigt, nog volle dagen overblijven.

  • 5.

    Ten aanzien van de gevallen als bedoeld in onderdeel 2.1 en 3.1 van de bij deze verordening behorende tarieventabel geldt dat, indien de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak eindigt, ontheffing verleend wordt voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in het belastingtijdvak, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

Artikel 7. Wijze van heffing

De belasting wordt geheven bij wege van een mondelinge dan wel een gedagtekende schriftelijke kennisgeving, waaronder mede wordt begrepen een stempelafdruk, zegel, nota, aanslag of andere schriftuur. Het gevorderde bedrag wordt mondeling, dan wel door toezending of uitreiking van de schriftelijke kennisgeving aan de belastingschuldige bekendgemaakt.

Artikel 8. Termijnen van betaling

  • 1.

    In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet de belasting worden betaald ingeval de kennisgeving als bedoeld in artikel 7:

    • a.

      mondeling wordt gedaan: op het moment van het doen van de kennisgeving;

    • b.

      schriftelijk wordt gedaan: op het moment van uitreiken van de kennisgeving.

  • 2.

    In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet de belasting als bedoeld in onderdeel 1 van de tarieventabel binnen 30 dagen na de dagtekening van de kennisgeving worden betaald ingeval de kennisgeving als bedoeld in artikel 7 wordt toegezonden.

  • 3.

    In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet de belasting als bedoeld in onderdeel 2 en 3 van de tarieventabel worden betaald, indien de kennisgeving als bedoeld in artikel 7 wordt toegezonden:

    • a.

      ingeval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, meer is dan € 5.000,00, uiterlijk één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet;

    • b.

      ingeval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, niet meer is dan € 5.000,00, in twee gelijke termijnen, waarvan de eerste vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en de tweede twee maanden later.

  • 4.

    In afwijking in zoverre van het derde lid geldt, voor zover de aanslagen worden opgelegd in het belastingjaar waarop zij betrekking hebben, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, niet meer is dan € 5.000,00, en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in zoveel gelijke termijnen als er na de maand van dagtekening van het aanslagbiljet nog maanden in het belastingjaar waarin de aanslagen worden opgelegd overblijven, met dien verstande dat het aantal termijnen ten minste drie bedraagt. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.

  • 5.

    In afwijking in zoverre van het derde lid geldt, voor zover de aanslagen niet worden opgelegd in het belastingjaar waarop zij betrekking hebben, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, niet meer is dan € 5.000,00, en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in drie gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.

  • 6.

    De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.

Artikel 9. Kwijtschelding

Bij de invordering van de precariobelasting wordt geen kwijtschelding verleend.

Artikel 10. Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    De ‘Verordening precariobelasting 2025’ van 5 november 2024 wordt ingetrokken met ingang van 1 januari 2026, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

  • 2.

    Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking.

  • 3.

    In afwijking in zoverre van het in de voorgaande leden bepaalde, blijft, indien de datum van inwerkingtreding van deze verordening ligt na de in het vierde lid genoemde datum van ingang van deze verordening, de ingetrokken verordening gelden voor de in de tussenliggende periode plaatsvindende belastbare feiten voor zover ter zake daarvan de heffing van de belasting in die periode plaatsvindt.

  • 4.

    De datum van ingang van deze heffing is 1 januari 2026.

  • 5.

    Deze verordening wordt aangehaald als ‘Verordening precariobelasting 2026’.

Aldus vastgesteld in zijn openbare vergadering van 4 november 2025.

De gemeenteraad van Boxtel,

de griffier,

mw. I.H.M. Smits

de voorzitter,

R.S. van Meygaarden

Tarieventabel 2026 precariobelasting  

Tarieventabel, behorende bij de Verordening precariobelasting 2026.

 

Onderdeel

Omschrijving

Eenheid

Tarief

1

Standplaatsen

 

 

1.1

Voor het innemen van een standplaats zoals bedoeld in artikel 2 van de Verordening precariobelasting 2026, voor zover dit niet geschiedt op marktplaatsen gedurende de aangewezen marktdagen, wordt geheven

 

 

1.1.1

voor de standplaatsen gelegen in/op de volgende (gedeelten van) straten en pleinen: Fellenoord, Rechterstraat, Rozemarijnstraat, Markt, Clarissenstraat, Kruisstraat, Stationsstraat (v.w.b. gedeelte dat, komende uit de richting van de Rechterstraat, loopt tot de Prins Bernhardstraat), Molenstraat (v.w.b. gedeelte dat, komende uit de richting van de Prins Hendrikstraat, loopt tot de kruising met de Baroniestraat en de Mgr. Wilmerstraat) en Prins Hendrikstraat (v.w.b. gedeelte dat, komende uit de richting van de Molenstraat, loopt tot de Kasteellaan)

 

 

 

 

per lengte van 4 meter of minder

 

 

 

per dag

€ 19,00

 

 

per jaar

€ 990,00

 

 

met een lengte van meer dan 4 meter per dag

 

€ 19,00

 

 

vermeerderd met voor elke meter of een gedeelte daarvan boven de 4 meter per dag

 

 

 

 

€ 2,35

 

 

met een lengte van meer dan 4 meter per jaar

 

€ 990,00

 

 

vermeerderd met voor elke meter of een gedeelte daarvan boven de 4 meter per jaar

 

 

 

 

€ 123,05

1.1.2

voor de standplaatsen gelegen in/op andere (gedeelten van) straten en pleinen dan genoemd onder 1.1.1.

 

 

 

 

per lengte van 4 meter of minder

 

 

 

per dag

€ 13,30

 

 

per jaar

€ 693,00

 

 

met een lengte van meer dan 4 meter per dag

 

 

€ 13,30

 

 

vermeerderd met voor elke meter of een gedeelte daarvan boven de 4 meter per dag

 

 

 

 

€ 1,65

 

 

met een lengte van meer dan 4 meter per jaar

 

€ 693,00

 

 

vermeerderd met voor elke meter of een gedeelte daarvan boven de 4 meter per jaar

 

 

 

 

€ 86,15

2

Terrassen

 

 

2.1

Voor het plaatsen van een terras voor een horeca-inrichting waarbij het terras ingevolge de hiervoor afgegeven vergunning gebruikt kan worden voor horeca-doeleinden, wordt op basis van de in de vergunning genoemde oppervlakte geheven

per 5 m2 of een gedeelte daarvan per jaar

 

 

 

 

 

€ 88,80

3

Uitstallen van goederen voor winkels

 

 

3.1

Voor het uitstallen van goederen voor winkels waarbij die goederen bestemd zijn voor de verkoop dan wel waarbij die goederen niet bestemd zijn voor de verkoop maar soortgelijke goederen in de winkel ter verkoop worden aangeboden, wordt geheven

per 5 m2 of een gedeelte daarvan per jaar

 

 

 

 

 

€ 146,40

 

Behoort bij raadsbesluit van 4 november 2025.

 

Mij bekend,

 

de griffier,

 

mw. I.H.M. Smits

Naar boven