Gemeenteblad van Heeze-Leende
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Heeze-Leende | Gemeenteblad 2025, 498265 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Heeze-Leende | Gemeenteblad 2025, 498265 | beleidsregel |
Regeling briefadres gemeente Heeze-Leende 2025
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heeze-Leende,
gelet op de artikelen 1.1, 2.23, 2.38 tot en met 2.42, 2.45, 2.47, 2.52 en 4.17 van de Wet basisregistratie personen (Wet BRP), artikel 29 van het Besluit basisregistratie personen (Besluit BRP), de artikelen 17, 18 en 19 van de Regeling basisregistratie personen (Regeling BRP), de artikelen 4:5 en 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht, de circulaire BRP en briefadres (2016-0000656211) van de minister van BZK van 7 november 2016;
overwegende dat het gewenst is om een beleidsregel vast te stellen met betrekking tot de registratie van briefadressen in de basisregistratie personen (BRP), om deze op een rechtmatige manier toe te kennen en te voorkomen dat personen niet zijn geregistreerd als ingezetene in de BRP;
Artikel 3 Herstel van verzuim bij aangifte adreswijziging waarbij een briefadres wordt gekozen
Artikel 4 Briefadres op een adres van de gemeente
Het college van burgemeester en wethouders registreert van een persoon ambtshalve een briefadres in de BRP indien het woonadres ontbreekt, er geen aangifte van adreswijziging wordt gedaan waarbij een briefadres wordt gekozen en betrokkene voldoet aan de criteria voor inschrijving als ingezetene in de BRP.
Artikel 5 Monitoring briefadres
In de situatie als bedoeld in artikel 4 wordt een overeenkomst opgesteld door briefadresgever en briefadresnemer waarin afspraken gemaakt worden over het ophalen van de post, de bereikbaarheid van de briefadresnemer en de termijnen genoemd waarin opnieuw beoordeeld wordt door het college van burgemeester en wethouders of het briefadres nog passend is.
Onverminderd hetgeen is bepaald in het eerste tot en met het vierde lid, is diegene op wie het briefadres betrekking heeft en een ander adres krijgt, gehouden om in de periode tussen vier weken vóór de beoogde verhuisdatum tot en met de vijfde dag na verhuisdatum hiervan aangifte te doen bij de gemeente waar hij zijn nieuwe adres heeft.
Aldus vastgesteld in de vergadering van 23-09-2025.
de secretaris,
M.C.I. Smits
de burgemeester
T.M. Heldens
Toelichting op de regeling briefadres
De wet BRP heeft als belangrijkste uitgangspunt om de burger in te schrijven op een woonadres. Pas als dat woonadres ontbreekt wordt gekeken naar het gebruik van een briefadres als inschrijfadres.
De regeling briefadres heeft als doel om briefadressen in de BRP mogelijk te maken voor burgers zonder woonadres en daarnaast het misbruik van briefadressen in de BRP tegen te gaan.
De regeling is niet bedoeld om op basis van deze regeling personen niet in te schrijven in de BRP. Immers, iedereen die rechtmatig in Nederland verblijft, moet in beginsel ingeschreven worden in de BRP als ingezetene. Indien de gemeente inschrijving toch weigert, doet zij dat slechts op basis van de wet BRP.
Gemeenten zijn verplicht om ambtshalve een briefadres in de BRP te registreren. Wanneer iemand niet beschikt over een woonadres en er geen verwachting is dat hij zelf een briefadresaangifte zal doen, vanwege uiteenlopende redenen, of hij doet wel aangifte maar er is geen briefadresgever, dan is de gemeente verplicht voor die burger ambtshalve een briefadres te registreren. Zie verder artikel 2.23 wet BRP.
Daar waar in de regeling gesproken wordt over aangifte van adreswijziging wordt ook een aangifte van verblijf en adres bedoeld, tenzij dit nadrukkelijk anders bepaald is. Het is de burger toegestaan om een briefadres bij inschrijving op grond van aangifte van verblijf en adres te kiezen. Dit is in niet strijd met artikel 2.38 wet BRP.
Hieronder volgt de artikelsgewijze toelichting op de regeling briefadres.
Toelichting bij artikel 1, lid 1:
Er is sprake van ontbreken van een woonadres bij:
Personen zonder vaste woon- of verblijfplaats: personen die vallen onder deze categorie moeten naar redelijke verwachting gedurende een half jaar ten minste twee derde van de tijd in Nederland verblijven, rechtmatig verblijf hebben in Nederland én niet beschikken over een woonadres als bedoeld in artikel 1.1 onder o wet BRP;
De uitoefening van een ambulant beroep: personen die vallen onder deze categorie zoals binnenvaartschippers die (met hun gezin) aan boord van een schip wonen en kermismedewerkers die (met hun gezin) met de kermisattractie meereizen. Personen die tot deze categorie behoren komen in aanmerking voor een briefadres, mits zij geen woonadres hebben;
Degene die zijn woonadres heeft in een instelling als bedoeld in artikel 2.40 wet BRP, kan in afwijking van artikel 2.38, lid 1 en artikel 2.39, lid 1 van de wet BRP in plaats van inschrijving op zijn woonadres een briefadres kiezen. Op grond van artikel 2.40, lid 3 wet BRP zijn dit instellingen voor gezondheidszorg, instellingen op het gebied van kinderbescherming en penitentiaire instellingen. Het college van B&W is eveneens bevoegd, op grond van artikel 2.40, lid 4 wet BRP, instellingen op het terrein van maatschappelijke opvang aan te wijzen.
Als de burgemeester van oordeel is dat het om veiligheidseisen gewenst is een persoon niet op het woonadres in te schrijven, kan inschrijving op een briefadres plaatsvinden. Deze verklaring zal veelal bij de afdeling burgerzaken terecht komen via de interne kanalen van de gemeente.
Een briefadres kan, in aanvulling op wat de wet regelt en in afwijking van een woonadres, worden gekozen binnen elke gemeente in Nederland. Het is niet verplicht om een briefadres te kiezen in de gemeente waar voor het laatst een woonadres werd gehouden. Voor gedetineerden of personen die in een psychiatrische inrichting verblijven is het advies om bij voorkeur een briefadres te kiezen in de gemeente van herkomst. Dit is onder andere van belang voor de verworven rechten die de briefadreshouder daar heeft opgebouwd, bijvoorbeeld op het gebied van huisvesting. De aangifte wordt altijd gedaan in de gemeente waar het briefadres zich bevindt.
Toelichting artikel 2, lid 2 en 3:
Bij de aangifte dient een schriftelijke verklaring van instemming te worden gevoegd van degene bij wie het briefadres wordt gehouden op grond van artikel 2.45 lid 2 van de wet BRP. In de schriftelijke aangifte, waarbij briefadres wordt gekozen, dienen de redenen van het briefadres en de te verwachten duur van het briefadres te worden opgenomen. De aangever dient tevens een (kopie van een) geldig identiteitsbewijs zoals bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht van zichzelf als van degene bij wie het briefadres wordt gehouden te overleggen.
Bij het ontbreken van een woonadres als bedoelt in artikel 1 eerste lid van deze regeling wordt een afspraak gemaakt om een verklaring in persoon af te leggen. Samen met de aangever wordt bepaald welke stukken nodig zijn ter onderbouwing van het briefadres.
Het is niet waarschijnlijk dat de briefadreshouder bij zijn aangifte altijd de verklaring van de burgemeester zal kunnen overleggen. De verwachting is, dat deze verklaring veelal bij de afdeling burgerzaken terecht komt via de interne kanalen van de gemeente.
Ontbreekt bij de aangifte van adreswijziging, waarbij een briefadres wordt gekozen, één of meer van de benodigde stukken, dan wordt de aangifte behandeld als een onvolledige aangifte. De aangever wordt schriftelijk in de gelegenheid gesteld binnen veertien dagen na verzending van het verzoek het verzuim te herstellen en de aangifte aan te vullen met de ontbrekende stukken. De aangever kan echter in reactie daarop het verzoek doen de termijn om de aangifte aan te vullen eenmalig te verlengen met veertien dagen.
Wanneer de aangever niet binnen veertien dagen zijn/haar aangifte aanvult of uitstel aanvraagt, wordt een brief verstuurd over het besluit dat de aangifte van adreswijziging, waarbij een briefadres wordt gekozen, buiten behandeling wordt gesteld wegens het ontbreken van de gevraagde documenten.
Als voldoende aannemelijk is dat de aangever geen woonadres heeft maar de gevraagde aanvullende documenten ontbreken, dan kan de aangifte verwerkt worden en het briefadres worden toegekend.
Als de aangifte buiten behandeling wordt gesteld, is er geen brondocument op grond waarvan de aangever op een adres ingeschreven kan worden en is er sprake van een situatie als bedoeld in artikel 2.23 van de wet. De uitwerking daarvan is in deze regeling beschreven in artikel 4.
Indien er twijfels zijn of het woonadres ontbreekt, zal een onderzoek worden gestart naar het verblijf van de aangever en de procedure als bedoeld in artikel 2.22 wet BRP in gang worden gezet.
De gemeente moet voorzien in een briefadres wanneer alle andere opties voor de ingezetene, die geen woonadres heeft, niet mogelijk zijn. Daarmee wordt voorkomen dat personen die wel rechtmatig in Nederland verblijven, van inschrijving op een adres in de BRP worden uitgesloten.
Omdat de gemeente dan zelf briefadresgever is, zal de gemeente een van haar eigen adressen of die van een aangewezen instelling moeten inzetten als briefadres. Als een verklaring van instemming niet kan worden verkregen vindt inschrijving plaats op een adres van de gemeente.
Toelichting bij artikel 5, lid 1:
In het geval een briefadres toegekend wordt op een adres van de gemeente wordt een overeenkomst opgesteld door briefadresgever en briefadresnemer waarin afspraken gemaakt worden over het ophalen van de post, de bereikbaarheid van de briefadresnemer en de termijnen genoemd waarin opnieuw beoordeeld wordt of het briefadres nog passend is.
Toelichting bij artikel 5, lid 2 t/m 5:
Om te voorkomen dat een ingeschrevene ten onrechte ingeschreven blijft met een briefadres als deze een woonadres heeft, vindt regelmatig een herbeoordeling op het geregistreerde briefadres plaats. Hiertoe wordt in de gemeente een administratie bijgehouden en worden aan de hand hiervan controles uitgevoerd. In het geval een briefadres toegekend wordt op een adres van de gemeente, én in geval een briefadres toegekend wordt omdat er geen woonadres is, wordt dit gemonitord in een zaak van het burgerzaken systeem.
In overeenstemming met de circulaire BRP en briefadres is voor een doelmatig beheer van het briefadres een zaak “controle briefadres” opgenomen. Deze zaak is een handig instrument om per geval maatwerk te kunnen bieden en eventueel gemaakte afspraken voor wat betreft de termijnen van herbeoordelingen inzichtelijk te houden.
De volgende gegevens worden geregistreerd:
Er kunnen verschillende redenen zijn waarom er afgeweken kan worden van een vastgestelde termijn voor herbeoordeling. Zo ligt voor dak- en thuislozen het voor de hand dat zo lang zij als briefadreshouder een zwervend bestaan leiden, het briefadres gehouden kan worden. Het recht op het briefadres zou voor deze groep bijvoorbeeld elk jaar getoetst kunnen worden.
Als van tevoren al bekend is dat iemand een bepaalde periode, maar korter dan acht maanden, in het buitenland zal verblijven en daarmee dus geen vast woonadres in Nederland heeft, dan kan een briefadres worden verleend voor maximaal deze periode. Het is echter niet zo dat aan het einde van die periode de briefadresinschrijving automatisch wordt beëindigd. Aan het einde van die termijn vindt een herbeoordeling plaats van de situatie. Die herbeoordeling kan resulteren in een ambtshalve procedure om de briefadresinschrijving te wijzigen in een woonadresinschrijving, of een emigratie. Ook kan het zijn dat de herbeoordeling erop wijst dat de briefadresinschrijving blijft doorlopen.
Een andere uitzondering heeft te maken met de feitelijke onmogelijkheid van de burger om een woonadres te hebben. Hierbij valt te denken aan binnenvaartschippers. Zolang deze schippers varen kunnen zij kiezen voor een briefadres. Het recht op het briefadres zou voor deze groep bijvoorbeeld om de vijf jaar kunnen worden getoetst.
Van de briefadresnemer wordt verwacht om uiterlijk op de geregistreerde einddatum contact op te nemen met de contactpersoon binnen de gemeente. Gebeurt dit niet dan wordt vanuit de gemeente contact opgenomen met betrokkene óf als het contact niet mogelijk is, wordt een onderzoek gestart op basis van de circulaire adresonderzoek BRP van 1 november 2018 van het ministerie van BZK.
De in de zaak opgenomen einddatum is het signaal om óf contact te hebben met betrokkene óf als het contact niet mogelijk is, een onderzoek te starten op basis van de circulaire adresonderzoek BRP van 1 november 2018 van het ministerie van BZK. Als het resultaat van dat adresonderzoek is dat er geen nieuw adres bekend is, dan besluit het college tot opname van vertrekgegevens naar een onbekend land met toepassing van artikel 2.22 van de wet, waardoor de gegevens van betrokkene verhuizen naar het Register van Niet-Ingezetenen. Het voornemen kan verzonden worden aan het laatst bekende adres van de persoon in de BRP.
Ook het besluit moet bekend gemaakt worden aan de persoon. Als bekendmaking van het besluit niet kan plaatsvinden door toezending of uitreiking zal bekendmaking op een andere geschikte wijze moeten plaatsvinden, dit kan via publicatie in een huis-aan-huisblad, dagblad of het gemeenteblad op www.overheid.nl.
De wet BRP verplicht een ingezetene om aangifte te doen van zijn nieuwe adres. Zodra hij weer beschikt over een woonadres of over een ander briefadres, moet hij hiervan aangifte doen binnen de daarvoor in artikel 2.39 lid 2 van de wet BRP gestelde termijn van vier weken voorafgaand aan en vijf dagen ná de daadwerkelijke verhuizing. Hij mag hier niet mee wachten totdat de eerder bepaalde of afgesproken termijn van het briefadres is verstreken. Als aangifte wordt gedaan van een ander briefadres, dan wordt dit uiteraard weer getoetst aan de voorwaarden uit deze regeling en die de wet stelt.
Zowel de briefadresgever als de briefadresnemer zijn verplicht inlichtingen te verstrekken die van belang zijn voor de bijhouding van het briefadres in de BRP. In het geval er een aangifte is, bestaat die verplichting op grond van artikel 2.45 wet BRP, als een aangifte ontbreekt bestaat de verplichting op grond van artikel 2.47 wet BRP.
Als geen aangifte wordt gedaan, of als betrokkene niet voldoet aan de verplichting om inlichtingen te verstrekken of desgevraagd in persoon te verschijnen kan op grond van artikel 4.17 wet BRP een bestuurlijke boete worden opgelegd. Voor de op te leggen bestuurlijke boete geldt een maximaal bedrag van € 325.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-498265.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.