Nota Reserves en Voorzieningen 2019

De gemeenteraad van Zaanstad,

 

gelet op

  • -

    De Gemeentewet

  • -

    De Financiële verordening 2019

 

Besluit:

 

Vast te stellen de Nota Reserves en Voorzieningen 2019

 

Inhoudsopgave

 

 

 

1 Inleiding

2 Wettelijk kader

2.1 Functies van reserves en voorzieningen

2.2 Rentetoerekening en waardering

2.3 Onderscheid tussen reserves en voorzieningen

2.4 Reserves

2.4.1 Soorten reserves

2.4.2 Algemene reserves

2.4.3 Bestemmingsreserves

2.4.4 Wettelijke regels voor bestemmingsreserves

2.5 Voorzieningen

2.5.1 Verplichte vorming van een voorziening

2.5.2 Niet verplichte vorming van een voorziening

2.5.3 Niet toegestane voorzieningen

2.5.4 Wettelijke regels voor voorzieningen

3 Spelregels

3.1 Reserves

3.1.1 Vorming

3.1.2 Continuering

3.1.3 Heroverweging

3.2 Voorzieningen

3.2.1 Vorming

3.2.2 Continuering

3.3 Informatieplicht reserves en voorzieningen

Bijlage I Wettelijk Kader

 

1 Inleiding

 

 

Voor u ligt de geactualiseerde nota Reserves en Voorzieningen 2019. Als vertrekpunt voor de actualisatie zijn de nota Reserves, Voorzieningen en Overlopende passiva 2013 en de Financiële Verordening 2019 gehanteerd.

In de Financiële Verordening is in artikel 11 vastgelegd dat de spelregels voor reserves en voorzieningen zijn vastgelegd in een nota ‘Reserves en Voorzieningen’. Deze nota wordt door het college ter vaststelling aangeboden aan de raad. De nota wordt geactualiseerd als dat door de tijdsgeest of wijzigingen in wet- en regelgeving noodzakelijk is, waarbij geldt dat de aanpassingen van materieel belang zijn.

 

Doel van deze actualisatie is:

 

  • 1.

    Het toetsen van de nota aan de recente wijzigingen in het Besluit Begroting en Verantwoording (BBV) en/of nieuwe inzichten vanuit de organisatie;

  • 2.

    Het opnieuw vastleggen en waar nodig herijken van de kaders en aanvullende spelregels met betrekking tot reserves en voorzieningen.

 

In deze nota is het Zaanse beleid ten aanzien van reserves en voorzieningen omschreven.

De geldende verslaggevingsvoorschriften, opgenomen in het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV) en nadere richtlijnen voor de toepassing van het BBV zijn hierbij het uitgangspunt. Deze nota heeft voornamelijk een functie als uitwerking en toepassing van die verslaggevingsregels waar sprake is van een keuzemogelijkheid en verder waar dat wenselijk en mogelijk is. Dat betekent dat op de punten die in deze nota niet genoemd worden het BBV direct gevolgd wordt.

De wet- en regelgeving laat sinds de besluitvorming over de vorige nota geen ruimte voor eigen beleid voor wat betreft overlopende passiva. Daarom is dit hoofdstuk dan ook niet meer in deze nota opgenomen.

 

Relatie met andere nota’s

Naast de relatie met de financiële verordening 2019 heeft deze nota een relatie met onderstaande nota’s:

  • Nota investeringen 2019;

  • Nota Weerstandsvermogen & Risicomanagement 2013;

  • Nota financiering 2019.

 

In voornoemde nota’s zijn onder meer de kaders opgenomen met betrekking tot de algemene reserve grondzaken (ARG, nota Weerstandsvermogen en risicomanagement 2013), de reserve Investeringsfonds (nota Investeringen 2019) en de reserve Transformatiefonds (Financiële verordening 2019).

 

De opbouw van deze nota is als volgt:

In hoofdstuk 2 wordt het wettelijke kader besproken. De spelregels zijn in hoofdstuk 3 opgenomen en in de bijlage zijn de belangrijkste artikelen uit het wettelijk kader opgenomen.

 

2 Wettelijk kader

 

 

Het wettelijk kader voor reserves en voorzieningen wordt gevormd door artikel 212 van de Gemeentewet, artikel 42 tot en met 45, 54 en 55 van het Besluit Begroting en Verantwoording provincies en gemeenten (BBV) en de Financiële verordening 2019 van de gemeente Zaanstad. Het doel van deze nota is niet om wet- en regelgeving als zodanig te herhalen, maar een nadere uitwerking en toepassing van de verslaggevingsregels uit hogere wet- en regelgeving waar sprake is van een keuzemogelijkheid en verder waar dat wenselijk en mogelijk is.

 

In het Besluit Begroting en Verantwoording provincies en gemeenten (BBV) is het voornaamste onderscheid tussen reserves en voorzieningen gelegd bij de mogelijkheid dat de raad de bestemming kan wijzigen. Zolang de bestemming kan worden veranderd is er sprake van een reserve. Dit kan niet bij een voorziening.

 

In de bijlage I zijn de belangrijkste artikelen uit het wettelijk kader opgenomen.

 

2.1 Functies van reserves en voorzieningen

 

Er worden op basis van het BBV vijf verschillende functies onderscheiden voor reserves en voorzieningen. In onderstaande tabel wordt toegelicht:

  • welke functies voor reserves (R) gelden;

  • welke voor voorzieningen (V);

  • en welke voor beiden.

     

#

Functie

Toelichting

R

V

1

Financieringsfunctie

Alle reserves en voorzieningen hebben een

financieringsfunctie. De reserves gelden als eigen

vermogen, voorzieningen als vreemd vermogen. De

aanwezigheid van een reserve betekent dus dat minder

vreemd vermogen nodig is.

2

Bestedingsfunctie

Reservering in een bestemmingsreserve om te zijner tijd de realisering van bepaalde activiteiten mogelijk te maken. Het gereserveerde bedrag wordt gebruikt voor de dekking van de (afschrijvings)lasten voor:

Eenmalige, op korte termijn te realiseren doelen

In de tijd gezien ongelimiteerde doelen, waarvoor steeds naar behoefte een beroep op de reserve wordt gedaan

Vorming voorziening om aan een toekomstige verplichting te kunnen voldoen. Hier is dus sprake van een verplichte besteding.

3

Bufferfunctie

De reserves maken het mogelijk noodzakelijke aanpassingsprocessen geleidelijk en dus niet schoksgewijs te laten verlopen en onverwachte tegenvallers op te vangen. Met name de algemene reserve heeft deze functie.

De nota weerstandsvermogen en risicomanagement gaat verder in op de rol en het belang van de reserves als bufferfunctie.

 

4

Inkomensfunctie

De bespaarde rente over de reserves kan worden teruggeleid naar de begroting om daar te fungeren als dekkingsmiddel.

 

5

Egalisatiefunctie

Reserves en voorzieningen kunnen worden gevormd om lasten/baten over de jaren heen gelijkmatig te verdelen. Extreme pieken en dalen kunnen zo worden vermeden.

 

2.2 Rentetoerekening en waardering

 

In artikel 45 van het BBV is vastgelegd dat rentetoevoegingen aan voorzieningen niet zijn toegestaan.

 

De mogelijkheid van rentetoevoeging bestaat wél bij reserves. Binnen Zaanstad is vastgesteld dat er in principe geen rente wordt toegerekend aan reserves. Hier is sprake van omdat aan de lasten die vanuit de reserve worden gedekt ook geen rente wordt toegerekend. Mogelijke uitzondering hierop zijn reserves waaruit kapitaallasten worden gedekt.

 

Alle bespaarde rente op de reserves wordt conform de nota Financiering als treasuryresultaat verantwoord als bate in de exploitatie.

 

2.3 Onderscheid tussen reserves en voorzieningen

Waar de raad bij reserves een expliciete keuzemogelijkheid heeft is dit bij voorzieningen niet het geval vanwege het verplichtende karakter.

In onderstaande tabel worden de belangrijkste verschillen tussen reserves en voorzieningen kort weergegeven. Dit is conform BBV.

 

 

Reserves

Voorzieningen

Wijziging bestemming

Mogelijk

Niet mogelijk

Onderdeel van

Eigen Vermogen

Vreemd Vermogen

Toevoeging /Vrijval

Via resultaatbestemming

Via resultaatbepaling (als last in de exploitatie)

Aanwending

Via resultaatbestemming

 

Buiten exploitatie om, wordt direct in mindering gebracht op de voorziening

 

Vrij o.b.v. raadsbesluit

Beperkt tot doel van de voorziening

Financieel onderbouwd

Niet wettelijk verplicht, wel intern voorgeschreven

Verplicht

Rentetoerekening

Toegestaan2

Niet mogelijk

 

2.4 Reserves

 

2.4.1 Soorten reserves

Reserves worden onderscheiden naar twee soorten: (artikel 43 BBV)

  • 1.

    Algemene reserves

  • De algemene reserves vormen een buffer voor financiële tegenvallers en onvoorziene risico’s en zijn dan ook een belangrijk onderdeel van het weerstandsvermogen.

  • 2.

    Bestemmingsreserves

  • Dit zijn reserves waaraan uw raad een bestemming heeft gegeven.

 

2.4.2 Algemene reserves

De algemene reserves van Zaanstad bestaan uit:

  • 1.

    Algemene reserve (AR) specifiek bedoeld als buffer om risico’s zoals vermeld in de paragraaf Weerstandsvermogen en risicobeheersing van de begroting en de jaarrekening en fluctuaties in de exploitatie in de toekomst te kunnen opvangen. De omvang is gekoppeld aan het risicoprofiel van de gemeente Zaanstad, waarbij de toegestane hoogte is genormeerd met behulp van een vastgestelde bandbreedte voor de ratio van het weerstandsvermogen. Zie de nota Weerstandsvermogen & Risicomanagement.

  • 2.

    Algemene Reserve Grondzaken (ARG);

  • Een specifieke buffer voor grondzaken die wordt aangehouden, omdat de grondexploitatie en de daarmee samenhangende risico’s sterk afwijken van de andere activiteiten van de gemeente. Zie voor de spelregels betreffende de ARG de nota Weerstandsvermogen & Risicomanagement.

 

2.4.3 Bestemmingsreserves

Een bestemmingsreserve is een reserve waaraan de raad een bepaalde bestemming heeft gegeven. Een bestemmingsreserve is te besteden aan het doel waarvoor deze door de raad is ingesteld. De bestemming kan door de raad worden aangepast.

De specifieke regels met betrekking tot het Transformatiefonds en het Investeringsfonds zijn respectievelijk opgenomen in de Financiële verordening en de Nota investeringen.

 

2.4.4 Wettelijke regels voor bestemmingsreserves

In het BBV zijn wettelijke regels opgenomen inzake bestemmingsreserves. Onderstaand een overzicht van de relevante regels:

  • 1.

    Voor het instellen van een reserve is altijd een raadsbesluit nodig.

  • 2.

    Bestemmingsreserves mogen geen negatief saldo hebben.

  • 3.

    Voor alle toevoegingen en onttrekkingen (bestedingen) is een voor 31 december van het verslagjaar genomen raadsbesluit nodig, tenzij er een principebesluit is genomen waarin een systematiek is vastgelegd hoe omgegaan wordt met toevoegingen en onttrekkingen.

  • 4.

    De gemeenteraad kan altijd besluiten het doel of de bestemming van een reserve te wijzigen.

  • 5.

    Wanneer het doel op basis waarvan een bestemmingsreserve is gevormd op enig moment vervalt, dan dient de reserve door middel van een raadsbesluit te worden opgeheven. De vrijkomende middelen komen ten gunste van de algemene reserve of de exploitatie.

  • 6.

    Het verloop van een reserve is onderdeel van de begroting en de jaarstukken.

 

2.5 Voorzieningen

Een voorziening is een apart gezet bedrag voor voorzienbare lasten in verband met risico’s en verplichtingen waarvan het tijdstip van optreden en/of de omvang per balansdatum niet exact bekend zijn. De uitgave zal in de toekomst plaatsvinden, maar hangt dus wel samen met de periode voorafgaande aan de balansdatum. Er liggen verplichtingen voor de toekomst aan ten grondslag (verplichte bestedingsrichting). Om die reden is een voorziening niet vrij besteedbaar.

In specifieke gevallen is het vormen van een voorziening verplicht, in andere is het een keuze en onder bepaalde condities is het niet toegestaan een voorziening te vormen.

Voorzieningen behoren tot het vreemd vermogen.

 

2.5.1 Verplichte vorming van een voorziening

Er is in een aantal gevallen sprake van een verplichte vorming van een voorziening in een jaar:

  • 1.

    Er wordt een voorziening gevormd als de omvang van de verplichting of het verlies (redelijkerwijs) is in te schatten én het zeker of waarschijnlijk is dat deze zich voordoet. Wanneer er niet aan deze criteria wordt voldaan wordt een schuld opgenomen of is het onderdeel van de risicoparagraaf.

  • Schematisch ziet dit er als volgt uit:

     

  •  

  •  

  • Omvang in te schatten?

  •  

  •  

  •  

  • Kans dat verplichting /verlies zich voordoet:

  •  

  • Zeker

  • Waarschijnlijk

  • Klein

  • Zeker

  • Schuld

  • Voorziening

  • Risicoparagraaf

  • Redelijk

  • Voorziening

  • Voorziening

  • Risicoparagraaf

  • Niet

  • Risicoparagraaf

  • Risicoparagraaf

  • Risicoparagraaf

 

  • 2.

    Voorzieningen voor bijdragen aan toekomstige vervangingsinvesteringen, waarvoor een heffing wordt geheven;

  • 3.

    Ontvangen gelden van derden (niet zijnde overheid) die specifiek besteed moeten worden.

 

2.5.2 Niet verplichte vorming van een voorziening

Ook kan sprake zijn van een niet verplichte, dus facultatieve, voorziening. Dit betreft de voorziening ter egalisatie van kosten. De vorming van deze voorziening is dus niet verplicht. Er kan namelijk ook voor worden gekozen de ongelijkmatig gespreide lasten in de komende begrotingsjaren op te nemen in de meerjarenraming.

Aan het vormen van deze soort voorziening zijn twee eisen gesteld, te weten:

  • 1.

    Er moet sprake zijn van kosten die in een volgend begrotingsjaar worden gemaakt, maar waarvan de oorsprong wel (mede) ligt in het begrotingsjaar of in een voorafgaand begrotingsjaar;

  • 2.

    De voorziening moet strekken tot gelijkmatige verdeling van de lasten over een aantal begrotingsjaren. Het gaat hierbij om lasten waar de gemeente niet ‘onder uit’ kan. Hierbij valt vooral te denken aan het cyclisch (terugkerend) onderhoud van kapitaalgoederen zoals (water)wegen, riolering en gebouwen.

 

Voorziening (groot) onderhoud

Voorzieningen die worden gevormd om de (groot) onderhoudslasten van een kapitaalgoed over een aantal jaren te egaliseren kunnen alleen met instemming van de raad worden ingesteld en gevoed worden op basis van een recent beheerplan van het desbetreffende kapitaalgoed. Onder recent beheerplan wordt een beheerplan verstaan van maximaal vijf jaar oud ten opzichte van het verslagleggingsjaar. Deze vijf jaar dient te worden gehanteerd als richttermijn waar gemotiveerd3 van kan worden afgeweken.

Tussentijdse bijstelling van het beheerplan binnen de vijf jaar is verplicht, indien een belangrijke afwijking is opgetreden in de staat van het onderhoud.

Indien geen (recent) beheerplan aanwezig is, is het vormen van een voorziening voor groot onderhoud dus niet toegestaan. Wel is het dan mogelijk om een bestemmingsreserve te vormen.

 

2.5.3 Niet toegestane voorzieningen

Conform BBV is het niet toegestaan om voorzieningen te vormen voor:

  • 1.

    De gevolgen van toekomstige gebeurtenissen, die niet in causaal verband staan met de gemeentelijke bedrijfsvoering in het huidige jaar;

  • 2.

    Jaarlijks terugkerende arbeidskosten gerelateerde verplichtingen van een vergelijkbaar volume (denk aan vakantiegeld van de medewerkers).

 

Bovenstaande paragrafen zijn samengevat in onderstaande tabel:

 

 

Omschrijving voorziening

Vorming voorziening verplicht?

1a

Verplichting zeker, omvang redelijkerwijs in te schatten

Ja

1b

Verplichting waarschijnlijk (Risico), omvang redelijkerwijs tot zeker in te schatten. Criteria:

De kans dat de verplichting zich voordoet is waarschijnlijk (aantoonbaar dat de benadeelden naar alle waarschijnlijkheid recht hebben op financiële compensatie, bijvoorbeeld door jurisprudentie, advocatenbrieven en inschatting door deskundigen). In de nota Weerstandsvermogen en Risicomanagement is een bepaling opgenomen wanneer sprake is van een risico en wanneer sprake is van een voorziening.

De omvang redelijkerwijs tot zeker in te schatten (kwantificering van de verplichting is goed en aantoonbaar onderbouwd)

De verplichting is ontstaan op of voor balansdatum

Ja

3

De bijdrage aan toekomstige vervangingsinvesteringen met economisch nut, waarvoor een heffing wordt geheven4

Ja

4

Nog niet bestede, van derden verkregen middelen, niet zijnde overheid

Ja

5

 

Onderhoudskosten volgend begrotingsjaar, oorzaak in lopend jaar of voorgaande jaren, met als doel gelijkmatige verdeling van lasten over een aantal begrotingsjaren

Nee

 

2.5.4 Wettelijke regels voor voorzieningen

De belangrijkste spelregels voor het omgaan met voorzieningen zijn al door de wetgever bepaald in het BBV. Hieronder een overzicht van de relevante regels:

  • 1.

    De hoogte van de voorziening heeft een directe relatie met het risico en/of met de toekomstige verplichting.

  • 2.

    Vanwege het verplichtend karakter van voorzieningen, heeft de raad geen keuze (allocatiefunctie) bij het al dan niet instellen ervan. De raad dient de betreffende lasten echter wel te autoriseren. Daarvoor gelden de normale budgetregels.

  • 3.

    Voor het treffen van een voorziening wordt de best mogelijke schatting gebruikt.

  • 4.

    Voorzieningen dienen dekkend te zijn voor de achterliggende verplichtingen en risico’s. Ze mogen daarom niet groter of kleiner zijn dan de verplichtingen of risico’s waarvoor ze zijn gevormd. Als blijkt dat het noodzakelijk niveau anders wordt, wordt de omvang van de voorziening daarop afgestemd. Andere onttrekkingen dan voor het doel waarvoor de voorziening is ingesteld zijn niet toegestaan.

  • 5.

    Toevoegingen (stortingen) aan voorzieningen of het treffen van een nieuwe voorziening worden, conform de vastgestelde (meerjaren)begroting, als last bij de producten c.q. programma’s opgenomen en door vaststelling van de programma’s geautoriseerd.

  • 6.

    Door middel van interne controle worden voorzieningen getoetst aan de vastgestelde criteria en beoordeeld op hun omvang.

  • 7.

    Een voorziening wordt opgeheven als de verplichting of het risico waarvoor de voorziening is ingesteld is komen te vervallen. Voor het opheffen van de voorziening is geen raadsbesluit nodig.

  • 8.

    Voor voorzieningen ter egalisatie van kosten geldt dat deze na besluitvorming door de gemeenteraad worden opgeheven. Het saldo van een op te heffen voorziening komt ten gunste van de exploitatie (algemene middelen).

  • 9.

    Het verloop van een voorziening is onderdeel van de begroting en de jaarstukken.

 

3 Spelregels

 

 

Voorwaarden voor vorming, continuering en heroverweging van reserves en voorzieningen

 

3.1 Reserves

 

Vorming

  • Bestemmingsreserves worden gevormd indien er geen reële mogelijkheid is om specifiek aangewezen of incidenteel beschikbare middelen in meerdere begrotingsjaren aan een bepaald doel te besteden.

  • Reserves worden gevormd voor een concreet, binnen vooraf bepaalde tijd te realiseren, door de raad vast te stellen doel.

  • Het is niet mogelijk om bestemmingsreserves in te stellen voor minder dan € 100.000, tenzij sprake is van penvoerderschap in het kader van (regionale) samenwerking.

  • Een reserve wordt niet gevormd ter dekking van structurele lasten met een min of meer gelijkblijvend terugkeerpatroon en omvang. Als scope geldt hierbij een periode van drie jaar, tenzij de raad anders besluit.

  • Bij de jaarrekening worden in principe geen voorstellen gedaan voor het instellen van nieuwe bestemmingsreserves. Het instellen van bestemmingsreserves is onderdeel van de Burap en kadernota of gebeurt in de Narap indien omvang, urgentie en belang dit rechtvaardigen.

  • In het voorstel tot instelling van een reserve worden de volgende gegevens opgenomen:

    • °

      de reden voor instelling;

    • °

      het beleidsdoel (inclusief doelstelling en programma) waarvoor de reserve wordt gevormd;

    • °

      minimale en maximale omvang van de reserve en de voeding;

    • °

      bestedingsplan voor de jaren waarin de reserve tot besteding komt;

    • °

      het instellingsjaar en het jaar van opheffing (indien relevant).

 

3.1.2 Continuering

  • Het bestedingsplan van een bestemmingsreserve wordt jaarlijks bij de voorbereiding van de kadernota geactualiseerd.

  • Besluitvorming over mutaties in bestaande bestemmingsreserves vindt plaats in de Burap, kadernota, begroting of Narap. Een uitzondering hierop zijn dotaties aan en onttrekkingen uit de reserve vooruitontvangen bedragen gemeentefonds. Decentralisatie-en integratie-uitkeringen die in de decembercirculaire van het gemeentefonds beschikbaar komen mogen in de jaarstukken zonder een door de raad vastgestelde begrotingswijziging aan voornoemde reserve worden toegevoegd en in volgende jaren onttrokken voor het aangegeven doel. Uw raad wordt hierover geïnformeerd met een raadsinformatiebrief of in de P&C documenten.

 

3.1.3 Heroverweging

  • Heroverweging van reserves vindt plaats in de kadernota.

  • Bestemmingsreserves worden ter vrijval voorgelegd indien de omvang kleiner is dan € 100.000 en/of een actueel bestedingsplan ontbreekt of als er gedurende drie jaar geen onttrekkingen aan de reserve hebben plaatsgevonden.

  • Bestemmingsreserves vallen vrij in het opheffingsjaar, tenzij er valide redenen zijn om dit niet te doen. Deze redenen dienen dan in de P&C cyclus te worden toegelicht.

  • Bestemmingsreserves komen in ieder geval voor (gedeeltelijke) heroverweging in aanmerking indien een actueel bestedingsplan ontbreekt.

  • Vrijval van reserves komt ten gunste van de exploitatie (algemene middelen).

 

3.2 Voorzieningen

 

3.2.1 Vorming

  • Door de wetgever verplicht gestelde voorzieningen (zie 2.5) worden in de jaarrekening of zoveel eerder als noodzakelijk gevormd.

    • °

      Bij concrete of waarschijnlijke verplichtingen en verliezen waarvan de omvang onzeker is, maar redelijkerwijs is in te schatten.

    • °

      Bij verplichtingen of verliezen waarvan de omvang zeker is maar de kans dat deze zich voordoet waarschijnlijk maar nog niet zeker is.

    • °

      Vorming bij ontvangen gelden van derden met een bestedings- en/of resultaat eis met terugbetalingsverplichting.

    • °

      Voor de egalisatie van ongewenste schommelingen in gemeentelijke tarieven die naar derden toe worden gehanteerd en waarvan de besteding gebonden is. Dat wil zeggen, dat de middelen moeten worden teruggegeven als ze niet zijn besteed aan het doel waarvoor ze zijn geheven.

  • De raad kan besluiten tot het instellen van een voorziening om de kosten van cyclisch groot onderhoud te egaliseren.

  • Een voorziening groot onderhoud kan uitsluitend gevormd worden wanneer er een beheersplan (meerjaren onderhoudsplan (MJOP)) aan ten grondslag ligt. Dit MJOP mag maximaal vijf jaar oud zijn ten opzichte van het verslagleggingsjaar, tenzij de raad hiervan gemotiveerd is afgeweken. Het MJOP dient een periode van (minimaal) 10 jaar te bestrijken.

 

3.2.2 Continuering

  • Voorzieningen ter dekking van risico’s worden tenminste jaarlijks bij de Narap en de jaarrekening geactualiseerd.

  • Als een voorziening niet meer aan de uitgangspunten van het BBV voldoet wordt de voorziening opgeheven en valt deze vrij. Wel kan een risico in de risicoparagraaf worden opgenomen indien er nog steeds een kans bestaat dat dit zich voordoet (zie 2.5).

  • Voorzieningen voor groot onderhoud en/of de spaarvoorziening riolering wordt niet eerder opgeheven dan na specifieke besluitvorming door de raad.

  • Het doel van een voorziening kan niet worden gewijzigd.

 

3.3 Informatieplicht reserves en voorzieningen

 

  • In de begroting wordt informatie verschaft over de meerjarige ontwikkeling van de reserves en voorzieningen en wordt per reserve en voorziening een bestedingsplan opgenomen.

  • Het bestedingsplan geeft tenminste inzicht in de ontwikkeling van de reserve en voorziening gedurende vier jaar.

  • In de kadernota wordt in een bijlage inzicht gegeven van het meerjarig verloop van de reserves en voorzieningen. Het uitgangspunt daarvoor zijn de laatste cijfers uit de jaarrekening en de voorgestelde mutaties sinds het vaststellen van de begroting.

  • Het overzicht meerjarige ontwikkeling van de reserves en voorzieningen biedt inzicht in het verloop van de individuele reserves en voorzieningen per programma.

  • Het bestedingsplan per reserve dat in de begroting wordt opgenomen bevat de volgende informatie:

    • °

      het doel waarvoor de reserve is gevormd;

    • °

      minimale en maximale omvang van de reserve;

    • °

      geprognosticeerde voeding van de reserve;

    • °

      geprognosticeerde onttrekkingen aan de reserve;

    • °

      instellingsjaar incl. nummer van raadsbesluit;

    • °

      jaar van opheffing.

  • Het bestedingsplan per voorziening dat in de begroting wordt opgenomen bevat de volgende informatie:

    • °

      Indeling van de voorziening volgens art. 44 lid 1 en 2 van het BBV;

    • °

      Doel waarvoor de voorziening is ingesteld;

    • °

      Geprognosticeerde voeding van de voorziening;

    • °

      Geprognosticeerde onttrekkingen aan de voorziening.

In de jaarrekening wordt voor reserves en voorzieningen de informatie die op grond van het BBV verplicht is opgenomen (aard en reden van de toevoegingen en onttrekkingen en verloop van het saldo).

 

Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2020.

 

Aldus besloten in de vergadering van de raad van de gemeente Zaanstad, 30 januari 2020.

De griffier

De voorzitter

 

 

 

 

Bijlage I Wettelijk Kader

 

Gemeentewet https://wetten.overheid.nl/BWBR0005416/2019-01-01

 

Artikel 212

  • 1.

    De raad stelt bij verordening de uitgangspunten voor het financiële beleid, alsmede voor het financiële beheer en voor de inrichting van de financiële organisatie vast. Deze verordening waarborgt dat aan de eisen van rechtmatigheid, verantwoording en controle wordt voldaan.

  • 2.

    De verordening bevat in ieder geval:

    • a.

      regels voor waardering en afschrijving van activa;

    • b.

      grondslagen voor de berekening van de door het gemeentebestuur in rekening te brengen prijzen en van tarieven voor rechten als bedoeld in artikel 229b, alsmede, voor zover deze wordt geheven, voor de heffing bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer;

    • c.

      regels inzake de algemene doelstellingen en de te hanteren richtlijnen en limieten van de financieringsfunctie.

 

BBV https://wetten.overheid.nl/BWBR0014606/2017-12-09#HoofdstukIV

 

Artikel 42

  • 1.

    Het eigen vermogen bestaat uit de reserves en het gerealiseerde resultaat volgend uit het overzicht van baten en lasten in de jaarrekening.

  • 2.

    Het in het eerste lid bedoelde resultaat wordt afzonderlijk opgenomen als onderdeel van het eigen vermogen.

 

Artikel 43

  • 1.

    In de balans worden de reserves onderscheiden naar:

    • a.

      de algemene reserve;

    • b.

      de bestemmingsreserves.

  • 2.

    Een bestemmingsreserve is een reserve waaraan provinciale staten respectievelijk de raad een bepaalde bestemming heeft gegeven.

 

Artikel 44

  • 1.

    Voorzieningen worden gevormd wegens:

    • a.

      verplichtingen en verliezen waarvan de omvang op de balansdatum onzeker is, doch redelijkerwijs te schatten;

    • b.

      op de balansdatum bestaande risico's ter zake van bepaalde te verwachten verplichtingen of verliezen waarvan de omvang redelijkerwijs is te schatten;

    • c.

      kosten die in een volgend begrotingsjaar zullen worden gemaakt, mits het maken van die kosten zijn oorsprong mede vindt in het begrotingsjaar of in een voorafgaand begrotingsjaar en de voorziening strekt tot gelijkmatige verdeling van lasten over een aantal begrotingsjaren;

    • d.

      de bijdragen aan toekomstige vervangingsinvesteringen, waarvoor een heffing wordt geheven als bedoeld in artikel 35, eerste lid, onder b.

  • 2.

    Tot de voorzieningen worden ook gerekend van derden verkregen middelen die specifiek besteed moeten worden, met uitzondering van de voorschotbedragen, bedoeld in artikel 49, onderdeel b.

  • 3.

    Voorzieningen worden niet gevormd voor jaarlijks terugkerende arbeidskosten gerelateerde verplichtingen van vergelijkbaar volume.

 

Artikel 45

Rentetoevoegingen aan voorzieningen zijn niet toegestaan.

 

Artikel 54

  • 1.

    In de toelichting op de balans worden de aard en reden van elke reserve en de toevoegingen en onttrekkingen daaraan toegelicht.

  • 2.

    Per reserve wordt het verloop gedurende het jaar in een overzicht weergegeven. Daaruit blijken:

    • a.

      het saldo aan het begin van het begrotingsjaar;

    • b.

      de toevoegingen of onttrekkingen uit hoofde van het voorgaande boekjaar;

    • c.

      de toevoegingen of onttrekkingen bij het overzicht van baten en lasten in de jaarrekening;

    • d.

      de verminderingen in verband met afschrijvingen op activa waarvoor een specifieke bestemmingsreserve is gevormd;

    • e.

      het saldo aan het einde van het begrotingsjaar.

 

Artikel 55

  • 1.

    In de toelichting op de balans worden de aard en reden van de voorzieningen, bedoeld in artikel 44 en de wijzigingen daarin toegelicht.

  • 2.

    Per voorziening wordt het verloop gedurende het jaar in een overzicht weergegeven. Daaruit blijken:

    • a.

      het saldo aan het begin van het begrotingsjaar;

    • b.

      de toevoegingen;

    • c.

      ten gunste van de rekening van baten en lasten vrijgevallen bedragen;

    • d.

      de aanwendingen;

    • e.

      saldo aan het einde van het begrotingsjaar.

 

Financiële verordening 2019

Financiële verordening Zaanstad 2019 | Lokale wet- en regelgeving

 

Artikel 11. Reserves en voorzieningen

De nota Reserves en voorzieningen wordt aan de raad ter vaststelling aangeboden en geactualiseerd wanneer materiële wijzigingen daar aanleiding toe geven.

Naar boven