Beleidsregels bekostiging leerlingenvervoer gemeente Wassenaar 2025

Het college van de gemeente Wassenaar;

 

 

gezien het advies van de afdeling Maatschappelijke Ontwikkeling en Ondersteuning d.d. 15 juli 2025;

 

 

gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht en de Verordening leerlingenvervoer gemeente Wassenaar 2025;

 

 

besluit:

 

de volgende Beleidsregels bekostiging leerlingenvervoer Wassenaar 2025 vast te stellen:

 

Hoofdstuk 1. ALGEMEEN

Artikel 1.1 - Begripsomschrijving

De begrippen in deze nadere regels hebben dezelfde betekenis als in de verordening en de wetgeving.

Artikel 1.2 - Ouders

Onder ouders wordt verstaan: ouders, voogden en verzorgers. Ook pleegouders zijn aan te merken als verzorgers en vallen daarmee onder het begrip ‘ouders’, zoals bedoeld in de verordening. Hetzelfde geldt voor groepsleiders in een gezinsvervangend tehuis, voor groepsopvoeders in een internaat en verder voor alle meerderjarige handelingsbevoegde personen die op hetzelfde adres verblijven als de leerling, bijvoorbeeld mensen die oppassen of groepsbegeleiders.

Artikel 1.3 - Verantwoordelijkheid van ouders

Het vervoer van leerlingen van huis naar school en terug en de begeleiding van de leerling in het vervoer van huis naar school en terug is een verantwoordelijkheid van de ouders. Deze verantwoordelijkheden kunnen de ouders niet op- of overdragen aan burgemeester en wethouders. De wettelijke regeling, noch de gemeentelijke verordening beperkt deze verantwoordelijkheid van de ouders.

Artikel 1.4 - Verantwoordelijkheid Gemeente

Gemeenten zijn verplicht een regeling vast te stellen op basis waarvan ouders van leerlingen onder bepaalde voorwaarden aanspraak kunnen maken op bekostiging van de vervoerkosten van en naar school (de verordening). Burgemeester en wethouders bepalen het recht op het leerlingenvervoer, ouders ontvangen hiervoor jaarlijks een beschikking. Met dien verstande dat de periode, indien dit mogelijk is, voor meerdere jaren of de hele schoolperiode wordt vastgesteld.

Artikel 1.5 – Woning

Om te spreken van een woning zoals bedoeld in de verordening dient de leerling er ten minste twee nachten per schoolweek te verblijven.

Hoofdstuk 2. SCHOOL

Artikel 2.1 - Particuliere scholen

Aanspraak op leerlingenvervoer kan zowel naar door het Rijk bekostigde als particuliere scholen bestaan, mits de particuliere school een ‘school’ in de zin van de onderwijswetten is en genoemd staat bij de onderwijsinspectie.

Artikel 2.2 - Schooltijden

Voor de bepaling van het recht op leerlingenvervoer wordt aangesloten op de schooltijden in de schoolgids die een school heeft uitgegeven. Uitgegaan wordt van het vaste schoolrooster voor het schooltype dat de leerling bezoekt, zoals opgenomen in de schoolgids. Het komt voor dat leerlingen vanwege hun beperkingen niet in staat zijn de gehele dag onderwijs te volgen. Ouders verzoeken dan om hun kind op andere tijden te brengen of te halen.

 

Uitsluitend indien de structurele handicap van ten minste zes maanden van een leerling noodzaakt tot het volgen van slechts een deel van het onderwijsprogramma, dient wel tijdens de schooltijd vervoerd te worden. Dit gebeurt steeds op basis van een medische of ander deskundige adviseur. Burgemeester en wethouders streven ernaar om in overleg met ouders en de school het vervoer in de ochtend of in de middag gelijktijdig te laten plaatsvinden met het reguliere leerlingenvervoer.

Artikel 2.3 - Stagevervoer

Is de stage een onderdeel van het onderwijsprogramma en krijgt de leerling al dagelijks leerlingenvervoer naar de school, dan bestaat aanspraak op leerlingenvervoer naar het stageadres indien voldaan wordt aan de overige eisen van de verordening. Als de leerling geen leerlingenvervoer krijgt voor vervoer naar school, bestaat er geen recht op vervoer naar stage.

 

Naar analogie van "de dichtstbijzijnde toegankelijke school" hanteren burgemeester en wethouders het begrip "dichtstbijzijnde toegankelijke stage". Burgemeester en wethouders gaan er van uit dat scholen dit aspect mee laten wegen in de plaatsing van leerlingen en dat zij stageplekken zoveel mogelijk zoeken in de buurt van het woonadres van de leerling. Hiervoor geldt een maximale afstand van 10 kilometer gerekend vanaf woning of schoollocatie.

 

Het stagevervoer is alleen tijdens schooldagen en op de reguliere schooltijden.

Artikel 2.4 - Medische behandeling en zorg

Het komt voor dat ouders verzoeken om bekostiging van vervoer naar instellingen waar jeugdigen dagbehandelingen (zorg) krijgen, al dan niet in combinatie met onderwijs.

 

Het leerlingenvervoer betreft slechts het vervoer naar en van scholen in de zin van de onderwijswetgeving. Zorginstellingen, medisch kinderdagverblijven en dergelijke worden hier niet toe gerekend.

 

Volgt een leerling ook onderwijs op of nabij een zorglocatie, dan kunnen de ouders alleen een tegemoetkoming voor het leerlingenvervoer krijgen, indien er voor meer dan 50% onderwijs wordt ontvangen en aan de overige eisen van de verordening wordt voldaan. Deze 50% zal worden bepaald op grond van hetgeen in het onderwijsperspectiefplan is opgenomen over de aantallen uren onderwijs en zorg.

 

Hierbij geldt dat Burgemeester en wethouders leerlingenvervoer aanbieden aansluiting op het begin en einde van de schooldag volgens de schoolgids (zie verordening artikel 1, onder “reistijd”). Krijgen jeugdigen voor, tijdens of na schooltijd zorg of behandelingen, dan zijn toch de schooltijden leidend voor het leerlingenvervoer.

Artikel 2.5 – Onderwijs-zorgarrangementen

In onderwijs-zorgarrangementen werken onderwijs en zorg samen met een integraal aanbod voor de leerling.

 

Leerlingenvervoer naar een onderwijs-zorgarrangement is alleen mogelijk gedurende de reguliere schooltijden en als de locatie geregistreerd staat bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap als schoollocatie, dat wil zeggen in bezit is van een zogenaamd Brin-nummer van het ministerie.

Artikel 2.6 - Dichtstbijzijnde toegankelijke school

  • 1.

    Het vervoer is naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school.

  • 2.

    Indien de dichtstbijzijnde school niet toegankelijk is voor de leerling omdat de school vol is en het betreft het laatste schooljaar dan blijft de aanspraak op vervoer naar deze verder weggelegen school in beginsel bestaan, ook als de wachtlijst is opgelost, tenzij ouders ervoor kiezen hun kind op de dichtstbijzijnde toegankelijke school te plaatsen.

  • 3.

    Wanneer ouders kiezen voor een school die op grotere afstand ligt dan de dichtstbijzijnde toegankelijke school, verstrekt het college een bekostiging tot de dichtstbijzijnde toegankelijke school. Aanvullende kosten voor vervoer naar de verder weggelegen school zijn voor rekening van de ouders. In de situatie waarin gekozen wordt voor een verder weggelegen school dan de dichtstbijzijnde toegankelijke school, is de voorziening in de vorm van aangepast vervoer niet mogelijk.

  • 4.

    Wanneer de ouders aantonen door een verklaring van een onafhankelijke deskundige dat de (mentale) gezondheid van de jeugdige wordt benadeeld door een schoolwissel naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school, en de ouder is niet in staat de jeugdige zelf te vervoeren (zoals hierboven voorgesteld). Aangezien in de richtlijn van de Landelijke Huisartsenvereniging geen instructies zijn gegeven voor verstrekking van medisch advies ten behoeve van leerlingenvervoer, wordt een huisarts in deze niet als deskundige beschouwd. Noch is de desbetreffende school waar de leerling onderwijs ontvangt een onafhankelijke deskundige.

Hoofdstuk 3. VERVOER – ALGEMEEN

Artikel 3.1 - Tweede haal- of brengadres

Burgemeester en wethouders verstrekken alleen bekostiging van vervoer van een tweede haal- of naar een tweede brengadres binnen de gemeente ligt en als aan de volgende criteria wordt voldaan:

 

  • 1.

    een leerling recht heeft op bekostiging van het vervoer van de woning naar school en/of vice versa;

  • 2.

    het tweede adres voldoet aan het afstandscriterium uit de verordening en ligt op de route;

  • 3.

    het haal- of brengadres structureel is. Structureel betekent in dit verband dat er sprake moet zijn van een vast, (twee-) wekelijks terugkerend patroon, gedurende minimaal zes maanden;

  • 4.

    er geen voorliggende voorziening is die het vervoer van het tweede adres naar school of van school naar het tweede adres voor haar rekening neemt of zou moeten nemen.

Artikel 3.2 - Afstand

Voor het bepalen van de afstand van 6 kilometer zoals genoemd in artikel 9, lid 1 van de verordening wordt er gemeten met de routeplanner van de ANWB, met de optie kortste route per fiets.

 

Als de afstand van de heenreis en de terugreis verschillend is, wordt bij het meten van de afstand uitgegaan een afzonderlijke berekening van de heenweg (’s morgens) en de terugweg (’s middags). Indien de reisafstand van één van deze reizen onder de 6 km ligt, dan wordt een gedeeltelijke bekostiging verstrekt: alleen de heen- of alleen de terugreis.

Artikel 3.2.1 - Fietsafstand

Als tijdens de afhandeling van een aanvraag voor leerlingenvervoer de vraag aan de orde komt of een leerling of een ouder het vervoer naar school per fiets kan doen dan geldt het volgende uitgangspunt.

 

  • Primair onderwijs: zes kilometer (eventueel de ouder met de jeugdige achterop)

  • Voortgezet onderwijs: tien kilometer

Artikel 3.2.2 - Loopafstand

Als tijdens de afhandeling van een aanvraag voor leerlingenvervoer aan de orde komt wat burgemeester en wethouders van een leerling mogen verwachten als het gaat om de afstand die een leerling lopend moet kunnen af- leggen, dan geldt het volgende uitgangspunt.

 

  • 4 tot en met 8 jaar: anderhalve kilometer

  • 9 jaar en ouder: twee kilometer

Als de afstand van de woning naar school niet voldoet aan het afstandscriterium dienen de ouders, ook als de route onveilig is, zelf voor begeleiding zorg te dragen.

 

Artikel 3.3 - Soorten vervoer

Artikel 3.3.1. Openbaar vervoer, openbaar vervoer met begeleiding

  • a.

    De bekostiging van openbaar vervoer De kosten van het openbaar vervoer worden berekend met behulp van www.9292.nl en de informatie die verstrekt wordt op de websites van het openbaar vervoer bedrijf.

  • b.

    Reistijd met openbaar vervoer is meer dan anderhalf uur per enkele reis Indien de leerling met gebruikmaking van het openbaar vervoer, meer dan anderhalf uur onderweg is en de reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht, wordt aangepast vervoer verstrekt.

    Om te bepalen of het tijdcriterium van 1,5 uur wordt overschreden, zal dat per reis worden bepaald en tevens dat deze niet met het aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht. Is hiervan sprake dan kunnen ouders aanspraak maken op aangepast vervoer.

    Bij de reistijd wordt vijf minuten wachttijd bij de bushalte per rit opgeteld. Bij de bepaling van de reistijd van het openbaar vervoer wordt uitgegaan van de dienstregeling zoals die wordt vermeld op https://9292.nl/

Artikel 3.4 - Eigen vervoer in de vorm van auto

Onder eigen vervoer wordt verstaan: ouders die leerlingen zelf naar school vervoeren of laten vervoeren met een eigen vervoermiddel (auto of vergelijkbaar). Of van bekostiging van eigen vervoer sprake kan zijn is ter beoordeling van Burgemeester en wethouders, waarbij mede bepalend is of dit vervoer de goedkopere wijze van vervoer is.

 

Opmerking 1. Vergoeding tussen de middag

 

Er worden maximaal twee enkele reizen per dag vergoed: aan het begin en aan het einde van de schooldag. Geen bekostiging wordt verstrekt voor de kosten die ontstaan indien de leerling ook tussen de middag wordt vervoerd.

 

Opmerking 2. Twee of meer leerlingen

 

Indien ouders twee of meer leerlingen vervoeren die aangepast vervoer behoeven, wordt uitgegaan van de rijafstand uitgaande van de woning van de te vervoeren leerling die het verst van de school verwijderd woont.

Hoofdstuk 4. AANGEPAST VERVOER

Met aangepast vervoer wordt bedoeld vervoer met behulp van taxibusjes.

Artikel 4.1 - Uitgangspunt

Het vervoer vindt alleen plaats in aansluiting op het begin en einde van de schooldag, zoals aangegeven in de schoolgids. De leerling heeft recht op maximaal 2 vervoersbewegingen per dag. Extra ritten buiten het vaste patroon vinden alleen plaats in opdracht van burgemeester en wethouders.

 

Artikel 4.2 Ophaal- en afzetplaats

Artikel 4.2.1 - Opstapplaats/Woning en school

Bij aangepast vervoer haalt de vervoerder de leerlingen in principe bij de opstapplaats op. In bijzondere gevallen is het ophalen aan huis, de ouder dient de leerling dan naar de taxibus te begeleiden. Voor alle schoollocaties geldt dat per school is bepaald waar de vervoerder de leerlingen afzet, bijvoorbeeld bij de toegang van het schoolterrein of voor de centrale hal van de school.

Artikel 4.3 - Individuele begeleiding leerling in het aangepast vervoer

Het is mogelijk dat een individuele leerling begeleiding nodig heeft. In dat geval wordt de begeleiding door of namens de ouder verzorgd. Burgemeester en wethouders bepalen of begeleiding ingezet mag worden. Wanneer besloten wordt tot inzet van een ouder als begeleider, dient de vervoerder rekening te houden met deze extra zitplaats.

 

Voor de begeleiding geldt dat het ophaal/brengadres gelijk is aan het adres van de te begeleiden leerling.

Artikel 4.4 - Medische begeleiding

Burgemeester en wethouders zijn niet verantwoordelijk voor medische begeleiding in het leerlingenvervoer. Wel zal er een zitplaats ter beschikking worden gesteld voor de medische begeleiding.

Artikel 4.5 - Zelfredzaamheidtrajecten

Aan leerlingen die op grond van de verordening recht hebben op aangepast vervoer, kunnen burgemeester en wethouders een voorziening verstrekken om zelfstandig te leren reizen.

 

Burgemeester en wethouders besluiten tot het verstrekken van deze speciale voorziening op grond van adviezen van deskundigen en betrokkenen en in samenspraak met de ouders en de leerling.

 

Om (ouders van) leerlingen die een voorziening voor aangepast vervoer hebben gekregen, te stimuleren om de overstap naar het openbaar vervoer te maken om zo de zelfredzaamheid van de leerling te vergroten, en waar bij de leerling de potentie bestaat om zelfstandig met het openbaar vervoer te reizen, verstrekken burgemeester en wethouders een voorziening om zelfstandig te leren reizen gedurende een door burgemeester en wethouders vast te stellen periode (afhankelijk van de leerling), alsmede een vergoeding van 100% voor de kosten van het openbaar vervoer gedurende de volgende twee jaar dat de leerling de VSO-school bezoekt.

Artikel 4.6 - Vervoer

Bij toekenning van aangepast vervoer is groepsvervoer de standaard. In sommige gevallen is groepsvervoer voor een leerling niet passend om medische en/of psychosociale redenen. Voor die gevallen beoordelen Burgemeester en wethouders of vervoer in kleinere groepen of individueel vervoer noodzakelijk is.

Artikel 4.7 - Individuele reistijd

De individuele reistijd per leerling in het voertuig is gelimiteerd tot 90 minuten per enkele reis tenzij het door de afstand niet mogelijk is om binnen deze maximale tijdsduur te blijven. Voor de bepaling van de individuele reistijd geldt de werkelijk, in de praktijk, realiseerbare tijd.

Artikel 4.8 - Aanvang- en eindtijden

Burgemeester en wethouders gaan voor het vervoer uit van de vaste aanvang- en eindtijden zoals aangegeven in de schoolgids. Het gaat hierbij om het vaste rooster van het schooltype dat de leerling bezoekt. Afwijkingen hierop zijn alleen toegestaan in overleg met en na goedkeuring van Burgemeester en wethouders en mits door de ouders tijdig aangemeld.

 

Bij een gewijzigde eindtijd door o.a. lesuitval is de school of de ouder/verzorger verantwoordelijk voor opvang van de leerlingen. Indien een leerling tijdens het onderwijs/de lessen bijvoorbeeld ziek wordt of naar tandarts of huisarts moet, zijn de ouders verantwoordelijk voor het vervoer. De leerlingen worden alleen op de normale begin- en eindtijd volgens het vaste rooster in de schoolgids gebracht dan wel opgehaald.

 

Wachttijden tot maximaal 2 klokuren worden bij het reguliere voorgezet onderwijs geaccepteerd.

Artikel 4.9 - Extreme (weers-)omstandigheden

Bij extreme (weers-)omstandigheden beslissen Burgemeester en wethouders of het vervoer al dan niet op een aangepast tijdstip plaats moet vinden.

Artikel 4.10 - Aanmeldingen, afmeldingen en mutaties

Wanneer een ouder vaststelt dat een leerling als gevolg van ziekte of vanwege andere oorzaken niet vervoerd hoeft te worden, moet de ouder dit zo spoedig mogelijk melden. Betermelding (na ziekte) moet op dezelfde manier worden doorgegeven. Zonder tijdige betermelding is er geen vervoer beschikbaar. Een mutatie/afmelding geldt tot wederbericht.

Artikel 4.11 - Thuis afzetten van de leerling

De chauffeur moet de leerling bij de terugrit aan de ouder of aan iemand anders die namens de ouder aanwezig is op het vaste opstapplaats of afzetadres overdragen. De chauffeur mag de leerling nooit alleen op de stoep achterlaten. De ouder moet ervoor zorgen dat hij/zij aanwezig is of dat de ouder iemand in huis heeft die namens de ouder deze taak heeft. Dan wel moet de ouder een schriftelijke verklaring geven dat de leerling zelfstandig naar huis mag gaan.

Hoofdstuk 5. BEGELEIDING IN HET OPENBAAR VERVOER OF BIJ HET FIETSEN

Artikel 5.1 - Begeleiding

De afstand van de woning naar de school moet meer zijn dan de afstand van zes kilometer om voor bekostiging van de vervoerkosten ten behoeve van een begeleider in aanmerking te komen.

 

Indien de afstand van de woning naar school korter is dan zes kilometer, dienen de ouders in voorkomend geval zelf voor begeleiding zorg te dragen, een onveilige route ontslaat hen niet hiervan.

Artikel 5.2 - Begeleiding door ouders

Begeleiding is primair een taak van de ouders. Als het niet mogelijk is dat ouders zelf de begeleiding uitvoeren, dienen zij zelf voor een oplossing te zorgen. Wanneer de leerling in een instelling woont blijven de ouders en de instelling verantwoordelijk voor de zorg en de daarmee samenhangende begeleiding van de leerling naar school en terug.

 

Als ouders en de instelling er zelf niet in slagen de begeleiding te leveren, kunnen zij daarvoor bijvoorbeeld een oppas, buren, familie of vrijwilligers inschakelen.

Artikel 5.3 - Begeleiding is onmogelijk of begeleiding leidt tot ernstige benadeling

In de verordening is de volgende bepaling opgenomen:

 

‘Burgemeester en wethouders verstrekken een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer aan de ouders van de leerling (…) en door de ouders ten behoeve van Burgemeester en wethouders genoegzaam wordt aangetoond dat begeleiding van de leerling door henzelf of anderen onmogelijk is, dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden en een andere oplossing niet mogelijk is.’

 

Deze bepaling bevat een verplichting voor de ouder om ten behoeve van Burgemeester en wethouders genoegzaam aan te tonen en voor Burgemeester en wethouders om de individuele situatie te beoordelen. Per individuele aanvraag zullen Burgemeester en wethouders beoordelen of de gevraagde inzet redelijk is.

 

Van een ernstige benadeling van het gezin is in ieder geval sprake als het reizen per openbaar vervoer de begeleider meer reistijd kost dan 3 uur reistijd per dag.

 

Mogelijke indicaties hiervoor zijn:

  • er is sprake van een eenoudergezin en er zijn andere jeugdigen van onder de 10 jaar thuis zonder identiek schoolbezoek;

  • de ouder heeft een structurele lichamelijke of zintuiglijke en/of psychische handicap in de zin van de verordening.

Het enkele feit dat ouders beiden werken is zonder bijkomende omstandigheden die een belemmering zijn om zelf te begeleiden of anderen namens hen te laten begeleiden geen reden om aangepast vervoer toe te kennen.

Hoofdstuk 6. HANDICAP

Artikel 6.1 - Gehandicapte leerling

Voor de bepaling of een leerling gehandicapt is gaan Burgemeester en wethouders uit van de in de verordening opgenomen kenmerken (zie artikel 1 van de verordening). Dat wil zeggen dat een leerling die wegens een lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische handicap op ander vervoer dan openbaar vervoer is aangewezen, dan wel vanwege een zodanige handicap niet zelfstandig van openbaar vervoer gebruik kan maken.

Artikel 6.2 - Structurele en tijdelijke handicap

Er is onderscheid te maken in structurele en tijdelijke handicaps. Burgemeester en wethouders zijn alleen verantwoordelijk voor vervoer van structureel gehandicapte leerlingen.

 

Waar in de verordening gesproken wordt van een handicap, wordt een structurele handicap bedoeld. In het leerlingenvervoer kennen we geen tijdelijke handicap. Burgemeester en wethouders verzorgen geen vervoer om tijdelijke medische redenen, bijvoorbeeld als een leerling een gebroken been heeft.

 

Echter, het kan voorkomen dat een leerling een groot gedeelte van het schooljaar geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer vanwege herstel of revalidatie. In dat geval kan een leerling indien noodzakelijk, wel een beroep doen op het leerlingenvervoer. Per individuele aanvraag zullen Burgemeester en wethouders beoordelen of de gevraagde inzet noodzakelijk is. Als regel geldt:

 

  • 1.

    bij een tijdelijke handicap tot zes maanden bestaat geen aanspraak op leerlingenvervoer;

  • 2.

    bij een tijdelijke handicap die langer duurt dan zes maanden, bekijken burgemeester en wethouders of de leerling in aanmerking komt voor leerlingenvervoer. Burgemeester en wethouders geven een beschikking af voor de duur van het herstel of de revalidatie. Als de noodzaak voor het vervoer verdwijnt heeft de leerling geen recht meer op leerlingenvervoer.

Hoofdstuk 7. DREMPELBEDRAG EN DRAAGKRACHT

Artikel 7.1 – Drempelbedrag

Burgemeester en wethouders bepalen de berekening van de kosten van het openbaar vervoer over de in artikel 10 van de verordening bepaalde afstand van 6 kilometer met behulp van de informatie van de lokale openbaar vervoerder. Het tarief dat geldt op het moment van aanvraag, geldt voor (de rest van) het schooljaar waarvoor de ouder bekostiging vraagt. Het drempelbedrag is gelijk aan de hoogte van een jaarabonnement voor de leerling voor 6 km.

Artikel 7.1.1. - Terugval in inkomen

Als peiljaar voor het inkomen moet op grond van de Wpo (artikel 4, zevende lid) worden aangemerkt het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar, waarin het schooljaar waarvoor bekostiging van de vervoerskosten wordt gevraagd, begint.

 

Als het inkomen van de betrokken ouders in de periode die ligt tussen het peiljaar waarin het inkomen wordt bepaald en het jaar waarin de aanvraag wordt ingediend, op een structurele wijze is gedaald, is het redelijk om in het voordeel van de ouders een later peiljaar te kiezen door gebruik te maken van de afwijkingsmogelijkheid van de verordening. Door het kiezen van een later peiljaar kan het voorkomen dat ouders in dat latere peiljaar niet voldoen aan de inkomensgrens en dus geen drempelbedrag hoeven te betalen.

 

Op aanvraag van de ouder gaan burgmeester en wethouders uit van het inkomen van een ander jaar dan het inkomen over het tweede jaar voorafgaande aan het schooljaar waarvoor de bekostiging is gevraagd als:

 

  • a.

    sprake is van een terugval in inkomen over het voorafgaande aan het jaar waarvoor bekostiging is gevraagd, in welk geval burgemeester en wethouders uitgaan van het jaar voorafgaande aan het schooljaar waarvoor de bekostiging is vastgesteld; of

  • b.

    sprake is van een terugval in inkomen over het jaar waarvoor de bekostiging is vastgesteld, in welk geval burgemeester en wethouders uitgaan van het jaar waarvoor de bekostiging is vastgesteld.

Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder een terugval in inkomen verstaan een vermindering van het toetsingsinkomen van de ouder van ten minste 15% ten opzichte van het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de bekostiging wordt vastgesteld.

Artikel 7.2 - Pleegouders en voogdijinstellingen

Aan pleegouders en voogdijinstellingen wordt geen drempelbedrag in rekening gebracht.

Hoofdstuk 8. WIJZIGINGEN EN TERUGVORDERINGEN

Artikel 8.1 - Doorgeven van wijzigingen

De verordening regelt dat ouders verplicht zijn wijzigingen door te geven aan burgemeester en wethouders, die van directe invloed zijn op de verstrekte bekostiging van de vervoerskosten. Ouders dienen dergelijke wijzigingen meteen mede te delen.

 

Ouders moeten in ieder geval de volgende wijzigingen doorgeven:

 

  • 1.

    wijziging van de reistijd, in verband met verandering in bijvoorbeeld het openbaar vervoer;

  • 2.

    wijziging in het woonadres van de leerling, bijvoorbeeld door verhuizing;

  • 3.

    wijziging in de gezinssituatie of gezinssamenstelling, die invloed heeft op het al dan niet kunnen begeleiden van leerlingen;

  • 4.

    wijziging van het adres van de school;

  • 5.

    wijziging van de schooltijden van de school;

  • 6.

    toekenning van bekostiging voor het reizen van en naar school.

Artikel 8.2 - Terugvordering

De verordening biedt de mogelijkheid om de ten onrechte betaalde bekostiging terug te vorderen of in mindering te brengen bij eventueel nieuw te verstrekken bekostiging.

 

Burgemeester en wethouders hanteren het uitgangspunt dat ten onrechte ontvangen tegemoetkomingen voor leerlingenvervoer altijd van de ouders worden teruggevorderd.

Artikel 8.3 - Betaling eigen bijdrage

De verschuldigde eigen bijdrage wordt indien mogelijk direct in mindering gebracht op de toegekende vergoeding of in het geval er sprake is van aangepast vervoer middels facturering aan de ouders opgelegd.

 

Bij weigering of nalatigheid in de betaling van de verschuldigde eigen bijdrage vervalt de aanspraak op een vervoersvoorziening.

Hoofdstuk 9. ONTZEGGING AANGEPAST VERVOER

Artikel 9.1 - Procedure

Bij ernstig normafwijkend gedrag van de leerling of de ouder kunnen burgemeester en wethouder een leerling de toegang tot het aangepast vervoer ontzeggen. Hierbij zal de volgende procedure worden gevolgd.

 

  • 1.

    Burgemeester en wethouders worden geïnformeerd over het gedrag en bespreken dit met de ouders.

  • 2.

    Als de conclusie van het onderzoek van burgemeester en wethouders is dat het voorval is terug te voeren op de ernstige verstandelijke handicap van de leerling en dus aan de leerling niet kan worden toegerekend dan wordt met vervoerder, ouders en eventueel school een passende oplossing gezocht (bijvoorbeeld begeleiding in het aangepast vervoer, eigen vervoer).

  • 3.

    Als de conclusie van het onderzoek van burgemeester en wethouders is dat het voorval niet is terug te voeren op de ernstige verstandelijke handicap van de leerling, dan wordt het ongewenste gedrag aan de leerling toegerekend. Burgemeester en wethouders nemen de beslissing over al dan niet sanctioneren en over de hoogte van de sanctie. Als bij het incident leerlingen van ver- schillende gemeenten zijn betrokken hebben gemeenten overleg met elkaar voordat een sanctie wordt opgelegd.

  • 4.

    Voordat een beschikking wordt verstuurd vindt een gesprek plaats met de ouders.

  • 5.

    Afhankelijk van de ernst van het incident ontvangen de ouders van Burgemeester en wethouders een beschikking met:

    • a.

      een schriftelijke waarschuwing, of

    • b.

      een tijdelijke uitsluiting, of

    • c.

      met een (tijdelijke) uitsluiting zonder voorafgaande waarschuwing.

  • 6.

    Als de conclusie van het onderzoek van Burgemeester en wethouders is dat het ongewenste gedrag moet worden toegerekend aan de ouders, voert de gemeente hierover een gesprek met de ouders. Afhankelijk van de ernst van het incident ontvangen de ouders van Burgemeester en wethouders een beschikking met:

    • a.

      een schriftelijke waarschuwing,

    • b.

      of een tijdelijke uitsluiting, of

    • c.

      met een (tijdelijke) uitsluiting zonder voorafgaande waarschuwing.

Ad a. Schriftelijke waarschuwing

 

In deze brief wordt in ieder geval meegedeeld dat:

 

  • bij herhaling van ongewenste gedrag de leerling voor een termijn van maximaal 4 weken wordt uitgesloten van enige vorm van aangepast leerlingenvervoer;

  • de leerling van enige vorm van leerlingenvervoer wordt uitgesloten voor een termijn van maximaal 2 maanden exclusief vakanties, als hij zich na de eerste schorsing opnieuw schuldig maakt aan ongewenst gedrag.

Ad b. Tijdelijke uitsluiting

 

Er is sprake van herhaald gedrag en deze leidt tot een eerste tijdelijke uitsluiting.

 

Vindt opnieuw ongewenst gedrag plaats binnen een periode van 12 maanden na de datum van de eerste waarschuwingsbrief, dan vindt een onderzoek plaats als hierboven beschreven.

 

Is de conclusie van het onderzoek van Burgemeester en wethouders dat het ongewenste gedrag is toe te rekenen aan de leerling , dan vindt een gesprek plaats tussen de ouders van de leerling en de gemeente. Daarna ontvangen de ouders onder verwijzing naar de eerste waarschuwingsbrief een tweede brief (beschikking) waarin hen wordt meegedeeld, dat:

 

  • de leerling voor een termijn van 1 dag tot 4 weken wordt uitgesloten van enig vorm van aangepast leerlingenvervoer

  • als de leerling zich na de schorsing opnieuw schuldig maakt aan ongewenst gedrag, dan wordt de leerling uitgesloten van enige vorm van aangepast leerlingenvervoer met een maximum van 2 maanden excl. vakanties.

Ad c: (tijdelijke) uitsluiting zonder voorafgaande waarschuwing

 

Er is sprake van herhaald gedrag en deze leidt tot een volgende (tijdelijke) uitsluiting

 

Vindt opnieuw ongewenst gedrag plaats binnen een periode van 12 maanden na de datum van de eerste waarschuwingsbrief, dan vindt een onderzoek plaats als hierboven beschreven. Is de conclusie van het onderzoek van Burgemeester en wethouders dat het ongewenste gedrag is toe te rekenen aan de leerling, dan vindt een gesprek plaats tussen de ouders van de leerling en de gemeente. Daarna ontvangen de ouders onder verwijzing naar de eerste en de tweede (waarschuwings-)brief een derde brief (beschikking) waarin hen wordt meegedeeld, dat:

 

  • vanwege de herhaling van ongewenste gedrag de leerling wordt uitgesloten van enig vorm van aangepast leerlingenvervoer met een minimum van 1 dag en een maximum van 2 maanden exclusief vakanties.

Toelichting

 

Valt het einde van het schooljaar binnen de termijn waarvoor de maatregel is opgelegd, dan geldt de uitsluiting voor de van toepassing zijnde periode exclusief de zomervakantie. Dit betekent dat de uitsluiting ook gedeeltelijk in het nieuwe schooljaar kan vallen. Loopt de sanctie af in een volgend schooljaar, dan moeten ouders een aanvraag indienen voor leerlingenvervoer voor dat nieuwe schooljaar.

Hoofdstuk 10. Slotbepalingen

Artikel 10.1 Inwerkingtreding

Deze beleidsregels treden in werking op 1 januari 2026.

Artikel 10.2 Citeertitel

Deze beleidsregels kunnen worden aangehaald als: Beleidsregels bekostiging leerlingenvervoer gemeente Wassenaar 2025.

Vastgesteld in de vergadering gehouden op 15 juli 2025.

drs. A.P.A. Oostermeijer,

gemeentesecretaris

drs. L.A. de Lange,

burgemeester

Naar boven