Technische actualisatie Verordening Fysieke Leefomgeving 2025

 

Zaaknummer: 2263649

 

gelezen het voorstel van het college van Burgemeester en Wethouders d.d. 16 september 2025

 

betreft: Technische actualisatie VFL 2025

 

De Raad van de gemeente Hoorn besluit:

 

De Verordening Fysieke Leefomgeving op de volgende punten te wijzigen:

 

Artikel 4.15 komt te luiden:

Artikel 4.15 Aanwijzing als gemeentelijk beschermd stads- en dorpsgezicht

  • 1.

    De gemeenteraad kan, op voorstel van het college, stads- en dorpsgezichten aanwijzen als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht.

  • 2.

    Wanneer het gaat om een gebied van relatief beperkte omvang wordt de term ‘beschermd karakteristiek gebied’ gebruikt.

  • 3.

    Alvorens tot aanwijzing over te gaan, worden belanghebbenden in het aan te wijzen gebied geïnformeerd over het voornemen.

  • 4.

    Het college zendt het voorstel voor advies aan de ruimtelijke adviescommissie zoals genoemd in de Verordening op de ruimtelijke adviescommissie Hoorn.

  • 5.

    De gemeenteraad beslist binnen 26 weken na verzending van het voorstel, bedoeld in het vierde lid.

  • 6.

    Een aangewezen gemeentelijk stads- of dorpsgezicht wordt onmiddellijk opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister.

  • 7.

    De gemeenteraad stelt ter bescherming van het op grond van het eerste lid aangewezen beschermd stads- of dorpsgezicht, een omgevingsplan als bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet vast. Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd stads- en dorpsgezicht kan hiertoe een termijn worden gesteld.

  • 8.

    Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd stads- of dorpsgezicht wordt bepaald of en in hoeverre het tijdelijk omgevingsplan als beschermend in de zin van het vorige lid kan worden aangemerkt.

  • 9.

    Dit artikel is niet van toepassing op een gebied dat al is aangewezen als een rijks- of provinciaal beschermd stads- of dorpsgezicht.

 

Artikel 4.15a wordt toegevoegd en komt te luiden:

Artikel 4.15a Voorbescherming

  • 1.

    De bescherming van artikel 4.17 is van overeenkomstige toepassing op een beschermd stads- of dorpsgezicht ten aanzien waarvan een voornemen als bedoeld in artikel 4.15 lid 3 is bekendgemaakt.

  • 2.

    De voorbescherming als bedoeld in het eerste lid, vervalt op het moment van inschrijving van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister of op het moment waarop het aanwijzingsbesluit wordt herroepen of door de bestuursrechter wordt vernietigd.

 

Artikel 4.16 komt te luiden:

Artikel 4.16 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als beschermd gemeentelijk stads- en dorpsgezicht

  • 1.

    De gemeenteraad kan, op voorstel van het college, een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 4.15 eerste lid, wijzigen of intrekken. Artikel 4.15 vierde en vijfde lid, is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het stads- of dorpsgezicht waarop aanwijzing betrekking heeft, als zodanig is tenietgegaan.

  • 2.

    Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het stads- of dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft wordt aangewezen als beschermd stads- of dorpsgezicht op grond van een instructie als bedoeld in artikel 2.33, eerste lid, of artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet.

  • 3.

    Het college verwerkt de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing direct in het gemeentelijk erfgoedregister.

 

Artikel 4.17 komt te luiden:

Artikel 4.17 Verbodsbepaling en aanvraag vergunning

  • 1.

    Het is in een beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht verboden om zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te slopen.

  • 2.

    De vergunning kan in ieder geval worden geweigerd als naar het oordeel van het college niet aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.

  • 3.

    De artikelen 4.13 en 4.14 zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 4.

    Het eerste lid is niet van toepassing op het slopen ingevolge een verplichting als bedoeld in de artikelen 13, 13a of en 13b van de Woningwet of ingevolge een verplichting zoals gesteld in een maatwerkvoorschrift op grond van artikel 3.7 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

  • 5.

    Het is in een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het college, de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren, zulks ongeacht het bepaalde in andere regels die op de gronden die zijn aangewezen als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht van toepassing zijn:

  • a.

    het aanleggen, verbreden, verleggen of verharden van wegen en paden;

  • b.

    het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;

  • c.

    het wijzigen van de profielindeling van wegen en paden;

  • d.

    het dempen of wijzigen van watergangen;

  • e.

    het verwijderen of kappen van cultuurhistorisch waardevolle bomen, boomgaarden en/of boomsingels;

  • f.

    het verwijderen c.q. wijzigen van karakteristieke hekwerken en hekpijlers, gevelstoepen en stoeppalen.

  • 6.

    Het in het eerste en vijfde lid bedoelde verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:

  • a.

    het normale onderhoud betreffen;

  • b.

    reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het voornemen tot aanwijzing als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht.

  • 7.

    Een omgevingsvergunning, mede zoals als bedoeld in het eerste en vijfde lid, kan slechts worden verleend indien naar het oordeel van het college geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het beschermde stads- of dorpsgezicht.

 

Artikel 4.18 tot en met 4.35 worden toegevoegd en komen te luiden:

 

Artikel 4.18 Aanwijzing als beeldbepalend pand

  • 1.

    Het college kan besluiten een pand aan te wijzen als beeldbepalend pand.

  • 2.

    Dit artikel is niet van toepassing op panden die al als rijks-, provinciaal- of gemeentelijk monument zijn aangewezen.

  • 3.

    Het aanwijzingsbesluit bevat in ieder geval de plaatselijke aanduiding van het object, de datum van aanwijzing, de kadastrale aanduiding, een beschrijving van het object met daarin opgenomen de beeldbepalende waarden en de contour die in het omgevingsplan om het object gelegd moet worden.

 

Artikel 4.19 Voornemen tot aanwijzing

Een voornemen om toepassing te geven aan artikel 4.18 wordt door het college schriftelijk bekendgemaakt aan de eigena(a)r(en) van het pand.

 

Artikel 4.20 Voorbescherming

  • 1.

    De bescherming van artikel 4.23 is van overeenkomstige toepassing op een beeldbepalend pand ten aanzien waarvan een voornemen als bedoeld in artikel 4.19 is bekendgemaakt.

  • 2.

    De voorbescherming als bedoeld in het eerste lid, vervalt op het moment van inschrijving van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister of op het moment waarop het aanwijzingsbesluit wordt herroepen of vernietigd.

 

Artikel 4.21 Bekendmaking aanwijzingsbesluit aan rechthebbenden en inschrijving

  • 1.

    De aanwijzing wordt schriftelijk bekend gemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op het pand die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet.

  • 2.

    Het college verwerkt de aanwijzing direct in het gemeentelijk erfgoedregister.

 

Artikel 4.22 Wijziging gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing beeldbepalend pand

  • 1.

    Het college kan ten aanzien van beeldbepalende panden ambtshalve wijzigingen aanbrengen in het gemeentelijk erfgoedregister.

  • 2.

    Als de wijziging ziet op het schrappen uit het register is artikel 4.21 van overeenkomstige toepassing.

  • 3.

    Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het beeldbepalende pand is ingeschreven in het rijksmonumentenregister, een provinciaal erfgoedregister als bedoeld in artikel 3.17, derde lid, van de Erfgoedwet of een omgevingsverordening als bedoeld in artikel 2.6 van de Omgevingswet of als gemeentelijk monument in het gemeentelijk erfgoedregister. Het vervallen van de aanwijzing wordt onmiddellijk opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister.

 

Artikel 4.23 Omgevingsvergunning beeldbepalend pand

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een beeldbepalend pand geheel of gedeeltelijk te slopen of de profilering, detaillering en/of contour ervan te wijzigen.

  • 2.

    Het verbod als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing op werkzaamheden:

  • a.

    die naar het oordeel van het college van ondergeschikte betekenis zijn;

  • b.

    voor zover het naar het oordeel van het college delen van een gebouw of bijbehorend bouwwerk betreft, die op zichzelf niet als beeldbepalend vallen aan te merken en door sloop of wijziging daarvan geen onevenredige aantasting van de beeldbepalende uitwendige hoofdvorm en architectonische vormgeving plaatsvindt;

  • c.

    voortvloeiende uit het normale onderhoud, of;

  • d.

    ter voldoening van een aanschrijving als bedoeld in de artikelen 13 en 13b van de Woningwet of ingevolge een verplichting zoals gesteld in een maatwerkvoorschrift op grond van artikel 3.7 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of een besluit van het college.

  • 3.

    Een omgevingsvergunning wordt uitsluitend verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de beeldbepalende hoofdvorm en beeldbepalende elementen van de bebouwing.

  • 4.

    Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning kan door het college advies worden ingewonnen bij de ruimtelijke adviescommissie zoals genoemd in de Verordening op de ruimtelijke adviescommissie Hoorn.

 

Artikel 4.24 Aanwijzing als cultuurhistorisch waardevol object/ensemble

  • 1.

    Het college kan besluiten een object aan te wijzen als cultuurhistorisch waardevol object en een groep objecten als cultuurhistorisch waardevol ensemble.

  • 2.

    Dit artikel is niet van toepassing op panden die al als rijks-, provinciaal- of gemeentelijk monument zijn aangewezen.

  • 3.

    Het aanwijzingsbesluit bevat in ieder geval de plaatselijke aanduiding van het object, de datum van aanwijzing, de kadastrale aanduiding, een beschrijving van het object met daarin opgenomen de cultuurhistorische waarden en de contour die in het omgevingsplan om het object gelegd moet worden.

 

Artikel 4.25 Voornemen tot aanwijzing

Een voornemen om toepassing te geven aan artikel 4.24 wordt door het college schriftelijk bekendgemaakt aan de eigena(a)r(en) van het object of ensemble.

 

Artikel 4.26 Voorbescherming

  • 1.

    De bescherming van artikel 4.29 is van overeenkomstige toepassing op een cultuurhistorisch waardevol object of ensemble ten aanzien waarvan een voornemen als bedoeld in artikel 4.26 is bekendgemaakt.

  • 2.

    De voorbescherming, als bedoeld in het eerste lid, vervalt op het moment van inschrijving van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister of op het moment waarop het aanwijzingsbesluit wordt herroepen of vernietigd.

 

Artikel 4.27 Bekendmaking aanwijzingsbesluit aan rechthebbenden en inschrijving

  • 1.

    De aanwijzing wordt schriftelijk bekend gemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op het object die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet.

  • 2.

    Het college verwerkt de aanwijzing direct in het gemeentelijk erfgoedregister.

 

Artikel 4.28 Wijziging gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing cultuurhistorisch waardevol object of ensemble

  • 1.

    Het college kan ten aanzien van een cultuurhistorisch waardevol object of ensemble ambtshalve wijzigingen aanbrengen in het gemeentelijk erfgoedregister.

  • 2.

    Als de wijziging ziet op het schrappen uit het register is artikel 4.27 van overeenkomstige toepassing.

  • 3.

    Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het cultuurhistorisch waardevolle object is ingeschreven in het rijksmonumentenregister, een provinciaal erfgoedregister als bedoeld in artikel 3.17, derde lid, van de Erfgoedwet of een omgevingsverordening als bedoeld in artikel 2.6 van de Omgevingswet of als gemeentelijk monument in het gemeentelijk erfgoedregister. Het vervallen van de aanwijzing wordt onmiddellijk opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister.

 

Artikel 4.29 Omgevingsvergunning cultuurhistorisch waardevol object

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een cultuurhistorisch waardevolle object of ensemble geheel of gedeeltelijk te slopen of de profilering, detaillering en/of contour ervan te wijzigen.

  • 2.

    Het verbod als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing op werkzaamheden:

  • a.

    die naar het oordeel van het college van ondergeschikte betekenis zijn;

  • b.

    voor zover het naar het oordeel van het college delen van een object of ensemble betreft die op zichzelf niet als cultuurhistorisch waardevol vallen aan te merken, en door sloop of wijziging daarvan geen onevenredige aantasting van de cultuurhistorische waarde plaatsvindt;

  • c.

    voortvloeiende uit het normale onderhoud, of;

  • d.

    ter voldoening van een aanschrijving of een besluit van het college.

  • 3.

    De omgevingsvergunning wordt uitsluitend verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de cultuurhistorische waarde van het object of ensemble;

  • 4.

    Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning kan door het college advies worden ingewonnen bij de ruimtelijke adviescommissie zoals genoemd in de Verordening op de ruimtelijke adviescommissie Hoorn.

 

Artikel 4.30 Aanwijzing als bouwhistorisch waardevol object

  • 1.

    Het college kan besluiten een object aan te wijzen als bouwhistorisch waardevol object.

  • 2.

    Dit artikel is niet van toepassing op panden die al als rijks-, provinciaal- of gemeentelijk monument zijn aangewezen.

  • 3.

    Het aanwijzingsbesluit bevat in ieder geval de plaatselijke aanduiding van het object, de datum van aanwijzing, de kadastrale aanduiding, een beschrijving van het object met daarin opgenomen de bouwhistorische waarden en de contour die in het omgevingsplan om het object gelegd moet worden.

 

Artikel 4.31 Voornemen tot aanwijzing

Een voornemen om toepassing te geven aan artikel 4.30 wordt door het college schriftelijk bekendgemaakt aan de eigena(a)r(en) van het object.

 

Artikel 4.32 Voorbescherming

  • 1.

    De bescherming van artikel 4.35 is van overeenkomstige toepassing op een bouwhistorisch waardevol object ten aanzien waarvan een voornemen als bedoeld in artikel 4.31 is bekendgemaakt.

  • 2.

    De voorbescherming, als bedoeld in het eerste lid, vervalt op het moment van inschrijving van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister of op het moment waarop het aanwijzingsbesluit wordt herroepen.

 

Artikel 4.33 Bekendmaking aanwijzingsbesluit aan rechthebbenden en inschrijving

  • 1.

    De aanwijzing wordt schriftelijk bekend gemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op het object die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet.

  • 2.

    Het college verwerkt de aanwijzing direct in het gemeentelijk erfgoedregister.

 

Artikel 4.34 Wijziging gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing bouwhistorisch waardevol object

  • 1.

    Het college kan ten aanzien van een bouwhistorisch waardevol object ambtshalve wijzigingen aanbrengen in het gemeentelijk erfgoedregister.

  • 2.

    Als de wijziging ziet op het schrappen uit het register is artikel 4.33 van overeenkomstige toepassing.

  • 3.

    Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het object is ingeschreven in het rijksmonumentenregister, een provinciaal erfgoedregister als bedoeld in artikel 3.17, derde lid, van de Erfgoedwet of een omgevingsverordening als bedoeld in artikel 2.6 van de Omgevingswet of als gemeentelijk monument in het gemeentelijk erfgoedregister. Het vervallen van de aanwijzing wordt onmiddellijk opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister.

 

Artikel 4.35 Omgevingsvergunning bouwhistorisch waardevol object

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwhistorisch waardevol object geheel of gedeeltelijk te slopen of in enig opzicht bouwkundig te wijzigen.

  • 2.

    Het verbod als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing op werkzaamheden:

  • a.

    die naar het oordeel van het college van ondergeschikte betekenis zijn;

  • b.

    voor zover het naar het oordeel van het college delen van een object betreft die op zichzelf niet als bouwhistorisch waardevol vallen aan te merken, en door sloop of wijziging daarvan geen onevenredige aantasting van de bouwhistorische waarde plaatsvindt;

  • c.

    voortvloeiende uit het normale onderhoud, of;

  • d.

    ter voldoening van een aanschrijving of een besluit van het college.

  • 3.

    De omgevingsvergunning kan worden verleend indien uit bouwhistorisch onderzoek dat voldoet aan de vereisten die zijn neergelegd in de Richtlijnen Bouwhistorisch Onderzoek van Stichting Bouwhistorie Nederland en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en dat is goedgekeurd door het college, blijkt dat er geen bouwhistorisch waardevolle elementen aanwezig zijn dan wel dat de bouwhistorische waarde van het bouwwerk niet op onaanvaardbare wijze wordt verstoord;

  • 4.

    Indien uit het bouwhistorisch onderzoek als bedoeld in het derde lid blijkt dat de bouwhistorische waarde wordt verstoord kan de omgevingsvergunning worden verleend mits hieraan wordt verbonden:

  • a.

    de verplichting tot het treffen van maatregelen waardoor bouwhistorische elementen in het gebouw kunnen worden behouden, en

  • b.

    de verplichting tot het documenteren van het pand of de bouwkundige onderdelen die geheel of gedeeltelijk worden gesloopt, verwijderd of veranderd;

  • 5.

    Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning kan door het college advies worden ingewonnen bij de ruimtelijke adviescommissie zoals genoemd in de Verordening op de ruimtelijke adviescommissie Hoorn.

 

Artikel 6.1 (aanwijzing collectieve festiviteiten) lid 6 en 7 komen te luiden:

6. Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr, LT veroorzaakt door de inrichting, bedraagt:

  • a.

    tussen 07.00 uur en 01.00 uur niet meer dan 60 dB(A) en tussen 01.00 uur en 07.00 uur niet meer dan 40 dB(A), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1.5 meter;

  • b.

    tussen 07.00 uur en 01.00 uur niet meer dan 45 dB(A) en tussen 01.00 uur en 07.00 uur niet meer dan 25 dB(A), gemeten binnen woningen.

7. Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr, LT veroorzaakt door de inrichting, bedraagt:

  • a.

    tussen 07.00 uur en 01.00 uur niet meer dan 70 dB(C) en tussen 01.00 uur en 07.00 uur niet meer dan 50 dB(C), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter;

  • b.

    tussen 07.00 uur en 01.00 uur niet meer dan 55 dB(C) en tussen 01.00 uur en 07.00 uur niet meer dan 35 dB(C), gemeten binnen woningen.

 

Artikel 6.4 (Melding incidentele festiviteiten), lid 6 en 7 komen te luiden:

6. Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr, LT veroorzaakt door de inrichting, bedraagt:

  • a.

    tussen 07.00 uur en 01.00 uur niet meer dan 60 dB(A) en tussen 01.00 uur en 07.00 uur niet meer dan 40 dB(A), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1.5 meter;

  • b.

    tussen 07.00 uur en 01.00 uur niet meer dan 45 dB(A) en tussen 01.00 uur en 07.00 uur niet meer dan 25 dB(A), gemeten binnen woningen.

7. Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr, LT veroorzaakt door de inrichting, bedraagt:

  • a.

    tussen 07.00 uur en 01.00 uur niet meer dan 70 dB(C) en tussen 01.00 uur en 07.00 uur niet meer dan 50 dB(C), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter;

  • b.

    tussen 07.00 uur en 01.00 uur niet meer dan 55 dB(C) en tussen 01.00 uur en 07.00 uur niet meer dan 35 dB(C), gemeten binnen woningen.

 

Het tweede artikel 7.14 bevat regels over Dekschuiten en wordt nummer 7.14a. Daarmee komt artikel 7.14a te luiden:

Artikel 7.14a Dekschuiten

  • 1.

    Het is verboden om zonder vergunning van het college met een dekschuit in de havens een ligplaats in te nemen of te hebben.

  • 2.

    De vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt alleen verleend voor een dekschuit die:

  • a.

    wordt gebruikt als terrasboot;

  • b.

    noodzakelijk is voor het verrichten van onderhouds- of herstelwerkzaamheden aan de havens of in de havens aanwezige meerpalen, remmingswerken of andere tot de havens behorende kunstwerken;

  • c.

    gebruikt wordt bij wedstrijden of evenementen die in de havens plaatsvinden;

  • d.

    onderdeel uitmaakt van het bunkerstation als bedoeld in artikel 7.14.

 

Artikel 7.31a komt te luiden:

Artikel 7:31a Nihilgrens eigendom gemeente

De afstand als bedoeld in artikel 5:42 tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek is vastgesteld op nihil voor bomen, heesters en heggen, die eigendom zijn van de gemeente.

 

Artikel 9.1 komt te luiden:

9.1 Toezichthouders

  • 1.

    Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de bij het besluit van het college aangewezen personen.

  • 2.

    Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening ten aanzien van omgevingsrechtelijke bepalingen zijn belast de bij het besluit van het college krachtens artikel 18.6 van de Omgevingswet aangewezen personen.

 

Artikel 10.1 komt te luiden:

Artikel 10.1 Overgangsbepalingen

  • 1.

    Een vergunning of ontheffing verleend op grond van een, voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze verordening geldende (separate) verordening, blijft ook na de inwerkingtreding van deze verordening gelden, of tot het einde van de looptijd, of tot het tijdstip dat zij met toepassing van deze verordening wordt gewijzigd of ingetrokken. De vergunning geldt als een op grond van deze verordening verleende vergunning.

  • 2.

    Op aanvragen om een vergunning of ontheffing op grond van een van de bij inwerkingtreding van deze verordening ingetrokken (separate) verordeningen, waarop bij de inwerkingtreding van deze verordening nog niet is beslist, wordt met toepassing van deze verordening een beslissing genomen.

  • 3.

    Besluiten ter uitvoering of handhaving van bepalingen van een van de bij invoering van deze verordening ingetrokken (separate) verordeningen, worden geacht te zijn genomen ter uitvoering of handhaving van deze verordening.

  • 4.

    Op bezwaarschriften tegen een vergunning of ontheffing verleend op grond van een van de bij inwerkingtreding van deze verordening ingetrokken (separate) verordeningen, waarop bij de inwerkingtreding van deze verordening nog niet is beslist, wordt met toepassing van deze verordening een beslissing genomen.

 

Hoorn, 28 oktober 2025

 

 

de griffier,                          de voorzitter,

 

Bekendmaking:

  • De gewijzigde verordening wordt op gebruikelijke en verplichte wijze (Gemeenteblad en overheid.nl) gepubliceerd.

 

Naar boven