Gemeenteblad van Purmerend
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Purmerend | Gemeenteblad 2025, 484203 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Purmerend | Gemeenteblad 2025, 484203 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Huisvestingsverordening Purmerend 2025
De raad van de gemeente Purmerend,
gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 26 augustus 2025,
gelet op artikel 149 van de Gemeentewet en artikel 2 van de Huisvestingswet 2014;
gelet op het aangenomen amendement A2 'verruiming mogelijkheden hospitaverhuur’,
De volgende verordening vast te stellen:
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Aanbodinstrument: een aanbodinstrument als bedoeld in artikel 2.4.4, eerste lid, waarop door corporaties woonruimte, aangewezen in artikel 2.1.1, te huur wordt aangeboden;
Afstammingsbeginsel: een beginsel dat wordt gehanteerd bij schaarste aan standplaatsen om voorrang te geven aan woonwagenbewoners, die vanwege hun culturele eigenheid een andere woonbehoefte hebben dan andere woningzoekenden. Een woonwagenbewoner of afstammeling is iemand die zelf op een woonwagenlocatie woont of heeft gewoond, maar van wie ook diens (voor)ouders al van generatie op generatie op een woonwagenstandplaats wonen, en die de woonwagencultuur daardoor intensief beleeft of heeft beleefd. Dit is het geval als kan worden vastgesteld dat het adres van de standplaatszoekende zelf, diens ouders en/of grootouders gelegen is of was op een woonwagenlocatie. Grootouders dienen aantoonbaar in de tweede helft van de twintigste eeuw op een woonwagenlocatie te hebben gewoond;
Basisadministratie: de basisadministratie bedoeld in artikel 1.2 van de Wet basisregistratie personen;
Bindingscriterium: bindingscriterium op grond van artikel 2.7.2 gesteld aan woningzoekenden, om in aanmerking te komen voor voorrang bij de verlening van een huisvestingsvergunning;
Binnenstad: dit gebied wordt aan de noordzijde begrensd door de Where en de Beemsterringvaart, aan de westzijde door het Noordhollandsch Kanaal en aan de zuid- en oostzijde door de singel langs de Nieuwegracht en de Plantsoengracht;
Burgemeester en wethouders: burgemeester en wethouders van de gemeente Purmerend;
Complex: een aaneengesloten groep woonruimten die door burgemeester en wethouders is aangewezen;
Corporaties: toegelaten instellingen als bedoeld in artikel 19, eerste lid van de Woningwet die werkzaam zijn in één of meer gemeenten van de woningmarktregio;
DAEB-huurgrens: het huurbedrag genoemd in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a van de Wet op de huurtoeslag;
DAEB-norm: de inkomensgrens bedoeld in artikel 48, eerste lid, van de Woningwet;
Directe bemiddeling: het rechtstreeks aan een woningzoekende aanbieden van woonruimte zonder dat die woonruimte via het aanbodinstrument te huur is aangeboden;
Hospitaverhuur: de situatie van inwoning waarbij een huurder of eigenaar maximaal twee ruimten in de woning waar hij zelf zijn hoofdverblijf heeft, door andere personen laat bewonen. De inwonende personen wonen in dit geval onzelfstandig. Per ruimte mag maximaal één persoon wonen.
Huishouden: een alleenstaande of twee of meer personen, met of zonder kinderen, die een langdurige gemeenschappelijke huishouding voeren en willen voeren waarbij sprake is van een onderlinge, met een gezinsverband vergelijkbare, verbondenheid en continuïteit in de samenstelling. Een groep van kamerbewoners wordt hieronder niet begrepen;
Huisvestingsvergunning: de vergunning bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de wet;
Huurprijs: de prijs die bij huur of verhuur is verschuldigd voor het enkele gebruik van een woonruimte of standplaats voor een woonwagen, uitgedrukt in een bedrag per maand berekend;
lndicatie: een beoordeling van de medische beperkingen van een woningzoekende, afgegeven door burgemeester en wethouders of een door hen aan te wijzen adviseur en overeenkomstig eventueel door hen vast te stellen wijze, ter voorbereiding van een door hen te nemen beslissing op een aanvraag om een huisvestingsvergunning;
lnkomen: rekeninkomen als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder i van de Wet op de huurtoeslag;
lnstelling voor maatschappelijke opvang : een instelling die maatschappelijke ondersteuning biedt in de vorm van beschermd wonen en opvang als omschreven in artikel 1.1.1, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;
Mantelzorg: mantelzorg als omschreven in artikel 1.1.1, eerste lid van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;
Ontvangende regiogemeente: de regiogemeente waarnaar een houder van een urgentieverklaring wil verhuizen, als bedoeld in artikel 2.9.4, derde lid;
Onzelfstandige woonruimte: woonruimte, die geen eigen toegang heeft of die niet door een huishouden zelfstandig kan worden bewoond, zonder dat dit huishouden daarbij afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte, waarbij als wezenlijke voorzieningen worden aangemerkt: keuken, badkamer en toilet;
Passende woonruimte: woonruimte die voldoet aan het in artikel 2.9.3, eerste lid, bedoelde zoekprofiel;
Passendheidscriterium: passendheidscriterium op grond van artikel 2.7.1, tweede lid of vierde lid gesteld aan woningzoekenden, om in aanmerking te komen voor voorrang bij de verlening van een huisvestingsvergunning;
Peildatum: de door burgemeester en wethouders vast te stellen datum, bedoeld in artikel 2.9.8, tweede lid;
Rangordecriterium: een rangordecriterium als bedoeld in de artikelen 2.7.3 tot en met 2.7.5;
Regiogemeenten: de gemeenten die deel uitmaken van de woningmarktregio;
Rekenhuur: de prijs die bij huur en verhuur per maand is verschuldigd voor het enkele gebruik van een woonruimte zoals omschreven in artikel 5 van de Wet op de huurtoeslag;
Standplaats: standplaats als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Huisvestingswet 2014;
SV-urgentieverklaring: een urgentieverklaring waarmee een woningzoekende is ingedeeld in de in artikel 2.9.8, eerste lid aanhef en onder c bedoelde urgentiecategorie;
Toeristische verhuur: het in een woonruimte tegen betaling bieden van verblijf aan personen die op reis zijn met recreatieve of zakelijke doeleinden en die niet als ingezetene zijn ingeschreven met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen;
Urgentieverklaring: de beschikking, verleend door burgemeester en wethouders van een tot de regio behorende gemeente, waarmee een woningzoekenden in een urgentiecategorie als bedoeld in artikel 12, tweede lid, van de wet wordt ingedeeld;
Vergunninghouders: de vergunninghouders als bedoeld in artikel 28 van de Huisvestingswet 2014;
Voorliggende voorziening: een voorziening die gelet op haar aard en doel wordt geacht voor het oplossen van het huisvestingsprobleem van belanghebbende toereikend en passend te zijn;
Wet Bibob : de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur;
Woning: zelfstandige woonruimte;
Woningmarktregio: het gebied waarbinnen de gemeente Purmerend een evenwichtige regionale verdeling van woonruimten afstemt als bedoeld in artikel 1 van de Huisvestingswet, in 2020 bestaande uit de gemeenten: Aalsmeer, Amstelveen, Amsterdam, Diemen, Edam-Volendam, Haarlemmermeer, Landsmeer, Oostzaan, Ouder-Amstel, Purmerend, Uithoorn, Waterland, Wormerland, Zaanstad;
Woningtype: de ingevolge het bepaalde in artikel 2.9.3, tweede lid, in het zoekprofiel van een urgentieverklaring op te nemen categorie woonruimte;
Woonpunten: het totaal van punten dat door een woningzoekende wordt opgebouwd, bestaande uit maximaal drie soorten punten: wachtpunten, zoekpunten en situatiepunten;
Woonruimte: besloten ruimte die, al dan niet tezamen met een of meer andere ruimten, bestemd of geschikt is voor bewoning door een huishouden;
Woonwagen: een voor bewoning bestemd gebouw dat is geplaatst op een standplaats en dat in zijn geheel of in delen kan worden verplaatst;
Zelfstandige woonruimte: woonruimte die een eigen toegang heeft en die door een huishouden kan worden bewoond zonder dat dit huishouden daarbij afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen buiten de woonruimte, waarbij als wezenlijke voorzieningen worden aangemerkt: keuken, badkamer en toilet;
Zelfstandige huurwoning: zelfstandige woonruimte die verhuurd wordt;
Zoekgebied: het zoekgebied als bedoeld in artikel 2.9.3, derde lid en artikel 2.9.4;
Zoekprofiel: het zoekprofiel als bedoeld in artikel 2.9.3, eerste lid.
Hoofdstuk 2 Verdeling van woonruimte
Paragraaf 2 Toelating tot het aangewezen deel van de woningmarkt
Artikel 2.2.1 Toelatingscriteria
Om in aanmerking te komen voor een huisvestingsvergunning dient de woningzoekende te voldoen aan de volgende voorwaarden:
Artikel 2.2.2 Aanvullend toelatingscriterium particuliere huurvoorraad
In aanvulling op de voorwaarden genoemd in artikel 2.2.1 geldt om toegelaten te worden tot de woonruimten waarop het bepaalde in paragraaf 3 van toepassing is de volgende voorwaarde: het inkomen van het éénpersoonshuishouden bedraagt maximaal € 49.669,- en van het meerpersoonshuishouden € 54.847,- (prijspeil 2025).
Artikel 2.2.3 Aanvraag vergunning en in te dienen bescheiden
lndien aanvrager een huisvestingsvergunning aanvraagt voor woonruimte als bedoeld in artikel 2.7.1, tweede lid, eerste kolom, derde rij, dient de aanvraag tevens vergezeld te gaan van een indicatie op basis waarvan beoordeeld kan worden of de specifieke eigenschappen van de woonruimte tegemoetkomen aan de geïndiceerde medische beperkingen van een of meerdere leden van het huishouden.
Paragraaf 3 Vergunningverlening particuliere huurvoorraad
Het bepaalde in deze paragraaf is niet van toepassing op ingevolge artikel 2.1.1 aangewezen woonruimte die eigendom is van een corporatie.
Artikel 2.3.3 Bezettingsnormen
Bij het verlenen van een huisvestingsvergunning wordt overeenkomstig het bepaalde in Bijlage 1 voorrang verleend.
Paragraaf 4 Toewijzing en vergunningverlening corporatiewoningen
Het bepaalde in deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op ingevolge artikel 2.1.1 aangewezen woonruimte die eigendom is van een corporatie.
Artikel 2.4.2 Weigeringsgronden van de huisvestingsvergunning
Burgemeester en wethouders weigeren de huisvestingsvergunning indien:
de corporatie, gelet op haar taak als toegelaten instelling of haar belang als verhuurder, daaronder mede begrepen haar verantwoordelijkheid voor de bescherming van de belangen van de overige huurders en voor de waarborging van het woongenot, redelijkerwijs het sluiten van een huurovereenkomst met aanvrager heeft kunnen weigeren.
Artikel 2.4.5a Extra wachtpunten voor aangewezen categorieën woningzoekenden met een tijdelijk huurcontract
Burgemeester en wethouders kunnen aan door hen aan te wijzen categorieën woningzoekenden met een tijdelijk huurcontract extra wachtpunten toekennen, die alleen gelden in de gemeente Purmerend.
Artikel 2.4.6 Voorwaarden aan inschrijving via het aanbodinstrument
Door of namens de corporatie die verantwoordelijk is voor een aanbodinstrument kunnen voorwaarden aan de in het eerste lid bedoelde inschrijving worden verbonden. De voorwaarden zijn openbaar en te raadplegen via de website van het aanbodinstrument.
Artikel 2.4.7 Toewijzing woonruimte op basis van punten
Paragraaf 5 Opbouw situatiepunten
Artikel 2.5.2 Toelatingscriteria opbouw situatiepunten
Artikel 2.5.4 Geldigheidsduur en verlenging situatiepunten
Burgemeester en wethouders kunnen besluiten tot verlenging van de verklaring situatiepunten opbouw voor een tweede termijn van drie jaar indien de aanvrager nog steeds aan de criteria voldoet op grond waarvan de verklaring opbouw situatiepunten is verleend. Bij de verlenging wordt niet opnieuw getoetst aan artikel 2.5.2, derde lid, onder b.
Paragraaf 6 Opbouw situatiepunten voor jongeren
Artikel 2.6.1 Van overeenkomstige toepassingverklaring
Op een aanvraag om een verklaring opbouw situatiepunten voor jongeren zijn de artikelen 2.5.1, 2.5.3 en 2.5.4 van overeenkomstige toepassing.
Paragraaf 7 Passendheidscriteria en volgorde bij toewijzing van sociale huurwoningen
Artikel 2.7.1 Passendheidscriteria sociale huurwoningen van corporaties
Artikel 2.7.2 Bindingscriteria: voorrang bij regionale of lokale binding
Bij de verlening van huisvestingsvergunningen wordt voor ten hoogste 50 procent van de in artikel 2.1.1 aangewezen categorieën woonruimte voorrang gegeven aan huishoudens omdat zij economisch of maatschappelijk gebonden zijn aan de woningmarktregio, de gemeente of een deel van de gemeente, zoals bedoeld in artikel 14, tweede lid, van de wet.
Woningzoekenden die economisch of maatschappelijk gebonden zijn aan Purmerend als bedoeld in artikel 14, tweede lid, van de wet, krijgen voorrang bij de verlening van huisvestingsvergunningen voor woonruimte die voor de eerste maal te huur wordt aangeboden, tenzij dit tot gevolg heeft dat in strijd met het in het eerste lid van dit artikel bepaalde wordt gehandeld.
Artikel 2.7.4 Bijzondere volgorde voor houders van een SV-urgentieverklaring
Van de woningzoekenden die zijn ingedeeld in een van de in artikel 2.7.1 bedoelde groepen komen als eerste in aanmerking voor een huisvestingsvergunning de houders van een SV-urgentieverklaring als bedoeld in artikel 2.9.8, tweede lid, indien de woonruimte voldoet aan het in de urgentieverklaring opgenomen zoekprofiel.
lndien op grond van het eerste lid meerdere houders van een SV-urgentieverklaring als eerste in aanmerking zouden komen voor een huisvestingsvergunning, komt als eerste in aanmerking het huishouden waarvan de SV urgentieverklaring als eerste is verleend of waarvoor voorziening in de behoefte aan woonruimte naar het oordeel van burgemeester en wethouders het meest dringend noodzakelijk is.
Artikel 2.7.5 Bijzondere volgorde in geval van loting
Bij loting wordt door de corporatie op elektronische of andere geschikte wijze bepaald in welke volgorde de aan de loting deelnemende woningzoekenden voor de huisvestingsvergunning in aanmerking komen. Daarbij heeft elke deelnemende woningzoekende een gelijke kans op elke plek in de totale rangorde.
Artikel 2.7.7 Bijzondere gevallen
Op verzoek van corporaties kan bij de huisvesting van huishoudens die voldoen aan de volgende voorwaarden in bijzondere gevallen direct bemiddeld worden:
het aantal huisvestingen op grond van dit artikel bedraagt per regiogemeente per kalenderjaar ten hoogste vijf procent van de met toepassing van het bepaalde in deze verordening te verhuren woonruimte;2. de huisvestingen op grond van dit artikel worden geregistreerd en jaarlijks gerapporteerd aan burgemeester en wethouders van de woningmarktregio. Daarbij wordt hen in ieder geval medegedeeld hoeveel gevallen het per regiogemeente betrof.
Paragraaf 8 Experimenten woonruimteverdeling
Artikel 2.8.2 Experimenten met woonruimten van corporaties
Een experiment vangt pas aan nadat burgemeester en wethouders van de woningmarktregio bij meerderheid hebben ingestemd met het experiment en de opzet. Bij hun beslissing tot goed- dan wel afkeuring van de experimentenovereenkomst nemen zij de belangen van een evenwichtige, rechtvaardige, doelmatige en transparante verdeling van woonruimte in acht.
Artikel 2.8.3 Experiment met overige aangewezen woonruimten
Een experiment heeft een maximale duur van drie jaar en vangt pas aan nadat burgemeester en wethouders van de woningmarktregio bij meerderheid hebben ingestemd met experimentenopzet. Bij hun beslissing omtrent goedkeuring nemen zij de belangen van een evenwichtige, rechtvaardige, doelmatige en transparante verdeling van woonruimte in acht.
Artikel 2.9.1 Bevoegdheid tot beslissen op een aanvraag om een urgentieverklaring
Op een aanvraag om een urgentieverklaring beslissen burgemeester en wethouders bij wie de aanvraag ingevolge artikel 2.9.2, eerste lid, aangevraagd moet worden.
Artikel 2.9.5 Algemene weigeringsgronden urgentieverklaring
lndien de aanvraag betrekking heeft op indeling in een urgentiecategorie bedoeld in artikel 2.9.8, eerste lid, kunnen burgemeester en wethouders vervolgens het aangevraagde weigeren indien de aanvrager gedurende de in het vorige lid, onder i, bedoelde termijn niet heeft gewoond in een zelfstandige en krachtens een besluit op grond van de Wet ruimtelijke ordening voor permanente bewoning bestemde woonruimte.
Artikel 2.9.6 Wettelijke urgentiecategorieën en vergunninghouders
Een urgentieverklaring kan worden verleend indien zich geen van de in artikel 2.9.5, eerste lid, aanhef en onder a tot en met h en j genoemde omstandigheden voordoet en de aanvrager tot tenminste een van de volgende urgentiecategorieën behoort:
woningzoekenden die verblijven in een voorziening bedoeld voor tijdelijke opvang van personen, die in verband met problemen van relationele aard of geweld hun woonruimte hebben verlaten en waarvan de uitstroom uit die voorziening aanstaande is, indien de behoefte aan in de desbetreffende regiogemeente gelegen woonruimte als gevolg van die uitstroom naar het oordeel van burgemeester en wethouders dringend noodzakelijk is;
Een urgentieverklaring kan worden verleend aan een vergunninghouder die, gelet op de in artikel 28 van de wet genoemde taakstelling, gehuisvest moet worden door burgemeester en wethouders van de regiogemeente waar de urgentieverklaring wordt aangevraagd indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
Artikel 2.9.7 Urgentiecategorie: uitstroom
In afwijking van het bepaalde in artikel 2.9.1. en artikel 2.9.2, eerste lid, wordt op een aanvraag om een urgentieverklaring waarmee een woningzoekende wordt ingedeeld in een urgentiecategorie als bedoeld in het vorige lid, besloten door burgemeester en wethouders van de regiogemeente waar de locatie van de opvanginstelling waar de woningzoekende verblijft resideert.
In afwijking van het bepaalde in artikel 2.9.4, eerste lid, omvat het in de urgentieverklaring op te nemen zoekgebied de regiogemeente waarin aanvrager tenminste twee van de drie jaren direct voorafgaand aan het verblijf in de instelling blijkens de inschrijving in de basisadministratie woonachtig was, tenzij burgemeester en wethouders gelet op de problematiek van aanvrager een andere regiogemeente in het zoekgebied opnemen.
Artikel 2.9.8 Overige regionale urgentiecategorieën
Burgemeester en wethouders kunnen complexen aanwijzen waarvan de bewoners in verband met sloop of ingrijpende renovatie of herstructurering van het gebied waarin de complexen zijn gelegen, redelijkerwijs binnen twee jaar niet meer in hun huidige woonruimte kunnen blijven wonen. Burgemeester en wethouders stellen daarbij een datum vast met ingang waarvan de bewoners van de aangewezen complexen een SV-urgentieverklaring kunnen aanvragen.
Artikel 2.9.9 Geldigheid van de urgentieverklaring
Het bepaalde in het tweede lid, aanhef en onder b, en in het derde en vierde lid van dit artikel is niet van toepassing op de SV-urgentieverklaring en de urgentieverklaringen waarmee een woningzoekende is ingedeeld in een urgentiecategorie als bedoeld in artikel 2.9.6, tweede lid, of artikel 2.9.7, eerste lid.
Artikel 2.9.11 Register toepassing hardheidsclausule urgentieverklaring
Burgemeester en wethouders registreren de gevallen waarin met toepassing van de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 4.2.1 bepaalde een urgentieverklaring wordt verleend. De registratie bevat tenminste de datum waarop de urgentieverklaring wordt verleend en de specifieke omstandigheden van het geval die leiden tot de verlening van de urgentieverklaring.
Paragraaf 10 Standplaatsen voor woonwagens
In de gemeente Purmerend worden alle standplaatsen aangewezen als woonruimte als bedoeld in artikel 1, eerste lid onder f, van de wet.
Artikel 2.10.2 Reikwijdte vergunningplicht
Het is verboden zonder een huisvestingsvergunning een aangewezen standplaats in gebruik te nemen of te geven.
Artikel 2.10.4 In te dienen bescheiden
Bij inschrijving in het register worden de volgende bescheiden overgelegd:
indien de aanvrager behoort tot de groep afstammelingen: een bewonersverklaring waardoor kan worden vastgesteld dat het adres van de standplaatszoekende zelf, diens ouders en/of grootouders gelegen is of was op een woonwagenlocatie. Grootouders dienen aantoonbaar in de tweede helft van de twintigste eeuw op een woonwagenlocatie te hebben gewoond.
Hoofdstuk 3 Wijzigingen in de woonruimtevoorraad
Artikel 3.1.1 Aanwijzing vergunningplichtige woonruimte
Het is verboden om alle woonruimten zonder vergunning van burgemeester en wethouders, anders dan ten behoeve van de bewoning of het gebruik als kantoor of praktijkruimte door de eigenaar, aan de bestemming tot bewoning te onttrekken of onttrokken te houden als bedoeld in artikel 21, onder a, van de wet.
Paragraaf 2 Procedure aanvraag vergunning
Artikel 3.2.2 Op te nemen gegevens
Bij de aanvraag worden de volgende gegevens verstrekt:
Paragraaf 3 Vergunningverlening voorraadvergunningen
Artikel 3.3.1 Weigeringsgronden algemeen
Een vergunning als bedoeld in artikel 3.1.1 wordt geweigerd in het geval:
naar het oordeel van burgemeester en wethouders het belang van behoud of samenstelling van de woonruimtevoorraad groter is dan het met de activiteit waarvoor de vergunning wordt aangevraagd gediende belang en dit belang niet voldoende kan worden gediend door het stellen van voorwaarden en/of voorschriften aan de vergunning;
Artikel 3.3.2 Weigeringsgronden voor vergunning woningvorming
Onverminderd het bepaalde in artikel 3.3.1 wordt een vergunning als bedoeld in artikel 3.1.1 , vijfde lid, geweigerd in het geval:
Artikel 3.3.3 Weigeringsgronden voor vergunning omzetting
Onverminderd het bepaalde in artikel 3.3.1 wordt een vergunning als bedoeld in artikel 3.1.1 vierde lid , geweigerd in het geval niet wordt voldaan aan de door burgemeester en wethouders in nadere regels vast te stellen geluidseisen en kwaliteitseisen.
Hoofdstuk 4 Overige bepalingen
Paragraaf 1 Toezicht en handhaving
Artikel 4.1.1 Handelen zonder of in strijd met een vergunning
Met het handelen zonder vergunning als bedoeld in artikel 3.1.1 wordt gelijkgesteld het handelen in strijd met de vergunningvoorschriften en -voorwaarden als bedoeld in artikel 3.3.4.
Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze verordening bepaalde zijn belast de daartoe door burgemeester en wethouders op grond van artikel 33, eerste lid van de wet aangewezen ambtenaren.
Artikel 4.1.3 Bestuurlijke boete
De bedragen in bijlage 2 als bedoeld in het tweede lid worden geïndexeerd overeenkomstig de boetemaxima uit artikel 23 van het Wetboek van Strafecht. Voor boetebedragen onder een maximum bedrag geldt dat deze relatief worden geïndexeerd overeenkomstig de boetemaxima als bedoeld in artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 4.2.1 Hardheidsclausule
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd in gevallen waarin de toepassing van deze verordening naar hun oordeel tot een bijzondere hardheid leidt ten gunste van de aanvrager af te wijken van deze verordening.
Artikel 4.2.2 Overleg bij wijziging
Bij de voorbereiding van een besluit tot wijziging van deze verordening plegen burgemeester en wethouders overleg met burgemeester en wethouders van de andere regiogemeenten, met de in de woningmarktregio werkzame corporaties en met andere daarvoor naar hun oordeel in aanmerking komende organisaties die binnen de woningmarktregio werkzaam zijn op het gebied van de volkshuisvesting.
Hoofdstuk 5 Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 5.2 Overgangsbepalingen
Vergunningen, toestemmingen, urgentieverklaringen, met inbegrip van daaraan verbonden voorwaarden en voorschriften die vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening zijn verleend, gelden als vergunningen, toestemmingen, urgentieverklaringen en indicaties, met inbegrip van daaraan verbonden voorwaarden en voorschriften als bedoeld in deze verordening.
Het recht zoals dat gold onmiddellijk voor inwerkingtreding van deze verordening blijft van toepassing op een beschikking tot toepassing van een bestuurlijke sanctie, genomen wegens de overtreding van het bepaalde bij of krachtens de wet, of een beschikking tot weigering, wijziging of intrekking daarvan, die nog niet onherroepelijk is.
De intrekking van de Huisvestingsverordening Purmerend 2021 heeft geen gevolgen voor de geldigheid van op basis van die verordening genomen beleidsregels of nadere regels, indien en voor zover de rechtsgrond waarop deze regels zijn gebaseerd ook vervat is in deze verordening en voor zover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken.
Artikel 5.3 Overgangsbepaling onttrekking
Burgemeester en wethouders verlenen een vergunning voor het onttrokken houden van woonruimte, niet zijnde zelfstandige huurwoningen met een rekenhuur tot de DAEB-huurgrens, zoals bedoeld in artikel 3.1.1, tweede lid, aan de eigenaar van de woonruimte die aantoont dat de woonruimte al vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening is onttrokken aan de bestemming tot bewoning, voor zover de aanvraag is ingediend vóór 1 oktober 2026.
Artikel 5.4 Overgangsbepaling samenvoeging
Burgemeester en wethouders verlenen een vergunning voor samengevoegd houden van woonruimte, niet zijnde zelfstandige huurwoningen met een rekenhuur tot de DAEB-huurgrens, zoals bedoeld in artikel 3.1.1, derde lid aan de eigenaar van de woonruimte die aantoont dat die woonruimte al vóór inwerkingtreding van deze verordening met andere woonruimte is samengevoegd, voor zover de aanvraag is ingediend vóór 1 oktober 2026.
Aldus vastgesteld in de openbare vergadering d.d. 30 oktober 2025
de wnd. griffier,
M. Timmerman
de voorzitter,
E. van Selm
Bijlage 2 behorende bij artikel 4.1.3
Dit is de toelichting bij de Huisvestingsverordening Purmerend 2025. De toelichting bevat twee hoofdstukken. In het eerste hoofdstuk wordt een algemene toelichting op de verordening gegeven. In het tweede hoofdstuk wordt waar nodig nog een toelichting per artikel gegeven.
HOOFDSTUK 1. ALGEMENE TOELICHTING
Een huisvestingsverordening heeft een geldigheidsduur van vier jaar.
De raad kan in een huisvestingsverordening regels geven met betrekking tot:
De raad mag in een huisvestingsverordening over het algemeen alleen regels opnemen (zoals een vergunningplicht) als dat noodzakelijk en geschikt is voor het bestrijden van onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van schaarste aan woonruimte en/of voor het behoud van de leefbaarheid van de woonomgeving.
Het is van belang dat er goed zicht is of er sprake is van schaarste aan woningen in Purmerend en welke categorieën dit betreft. De Huisvestingswet (hierna: de wet) bevat geen definitie van schaarste. Het is aan de raad om te bepalen wanneer er sprake is van schaarste en hoe hij dit wil aantonen. Het onafhankelijk onderzoeks- en adviesbureau op het gebied van wonen en de leefomgeving RIGO is wederom gevraagd onderzoek te doen naar de schaarste aan woonruimte in Purmerend. Uit het RIGO rapport Schaarste in Purmerend van 20 mei 2025 blijkt dat sprake is van schaarste in de gehele koopsector, de (vrije) huursector en de sociale huursector, kortom er is schaarste aan nagenoeg alle segmenten van de woningvoorraad.
Er zijn vooral flinke tekorten aan sociale huurwoningen en aan betaalbare koopwoningen. Maar ook op de duurdere koopwoningen is de druk de afgelopen jaren toegenomen; in alle prijscategorieën is de vraag op dit moment groter dan het aanbod. Daarnaast is de druk vooral toegenomen op grondgebonden woningen en op woningen vanaf 60 m².
De raad maakt daarom ook voor de komende vier jaar weer gebruik van de mogelijkheid die de wet biedt om de onevenwichtige en onrechtvaardige gevolgen van schaarste aan woonruimte te bestrijden door in de Huisvestingsverordening Purmerend 2025 regels te stellen over de verdeling van woonruimte en wijzigingen in de woonruimtevoorraad.
Onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van schaarste aan woonruimte; verdringing, beperking doorstroming, hoge koopprijzen, onvoldoende woonkwaliteit
De effecten van schaarste worden het meest gevoeld door jongeren en starters; zij komen het meest in de verdringing. Instappen in het sociale huursegment is voor jongeren vanwege de lange wachttijden ingewikkeld, al zouden de nieuwe verdeelregels hierin wel moeten helpen. Middenhuur is in omvang en aanbod nog gering en voor veel jongeren, zeker voor de singles, vaak te duur. Startende huishoudens met een middeninkomen kunnen niet terecht in de sociale huur en zijn daardoor aangewezen op het beperkte middenhuuraanbod. De meerderheid wil graag kopen, maar zonder eigen spaargeld en/of financiële hulp van familie kunnen zij nauwelijks meer een start maken op de koopmarkt.
Schaarste beperkt ook de doorstroming. Weliswaar hebben doorstromers een woning, en bij koop vaak een overwaarde, maar een volgende stap maken is voor veel huishoudens moeilijk. Dit omdat het aanbod schaars en de concurrentie vaak groot is. Hierdoor komen de betaalbaarder woningen in huur en koop onvoldoende vrij. Op deze wijze versterkt schaarste in duurdere segmenten de schaarste in de betaalbaarder segmenten en drijft schaarste op de koopmarkt de prijzen op; ook die van de betaalbaarder segmenten.
Woningvorming, omzetting, onttrekking en samenvoeging belemmeren vooral de doorstroming van huishoudens in de gezinsfase in alle inkomensgroepen. Kamerverhuur en bouwkundige splitsing gebeurt immers bijna altijd in eengezinswoningen of grotere appartementen. Door woningvorming, onttrekking en samenvoeging verdwijnen deze woningen helemaal uit de voorraad. Zonder regulering leidt dit tot nog meer schaarste en verdringing en worden onevenredige en onrechtvaardige effecten van schaarste verder versterkt.
Regulering is ook van belang in het licht van de kwaliteit van de woonruimte die wordt toegevoegd aan de voorraad in het geval van woningvorming en omzetting. Met een vergunningplicht kunnen kwaliteitseisen worden gesteld om ervoor te zorgen dat woonruimte die door woningvorming en omzetting wordt toegevoegd (en waar bijvoorbeeld een eengezinswoning voor verdwijnt) tenminste van goede kwaliteit is. Dit is met name belangrijk bij kamerverhuur (omzetting). De schaarste aan betaalbare woonruimte uit zich bij kamerverhuur helaas niet zelden in slechte woonomstandigheden voor de bewoners. In tegenstelling tot woningvorming kan kamerverhuur met weinig investeringen al van start. Bovendien verhuurt onder de huidige omstandigheden vrijwel alles wel; mensen op zoek naar een kamer hebben tenslotte maar weinig te kiezen. Nog te vaak treffen de toezichthouders daarom bij controles situaties aan waarbij zonder vergunning teveel kamers in een woning worden verhuurd, of kamers aan teveel personen worden verhuurd en/of waarbij belangrijke voorzieningen als bijvoorbeeld een gezamenlijke woonkamer ontbreken. Ook kamerbewoners hebben recht op voldoende ruimte, privacy en goede gezamenlijke (recreatieve) voorzieningen en meer kamers met meer mensen is vrijwel nooit beter. De vergunningplicht en de weigeringsgronden moeten ervoor zorgen dat de woonruimten die door bijvoorbeeld woningvorming en omzetting ontstaan van voldoende kwaliteit zijn en geen negatief effect op de leefomgeving hebben.
De Huisvestingswet maakt het inmiddels tevens mogelijk de vergunningplicht voor wijziging van de woonruimtevoorraad in te voeren indien dat noodzakelijk is voor het behoud van de leefbaarheid van de woonomgeving. Vooral woningvorming en omzetting kunnen een negatief effect hebben op de leefbaarheid van de (directe) woonomgeving. Een woning die voorheen bewoond werd door één gezin verandert door woningvorming of omzetting in een gebouw met meer woonruimten, al dan niet zelfstandig, waardoor er in dat gebouw meerdere huishoudens wonen, woongedeelten opeens aan slaapkamers grenzen, meer afvalcontainers op straat staan, meer auto’s en fietsen een plek in de straat innemen etc. De druk op de leefomgeving neemt ontegenzeggelijk toe. Een vergunningplicht én eisen die ervoor zorgen dat de directe leefomgeving wordt ontzien, zijn daarom nodig.
Het blijft al met al nodig om de bestaande voorraad en de leefbaarheid in buurten te beschermen en woningvorming, omzetting, onttrekking en samenvoeging te reguleren. Reguleren houdt niet in: onmogelijk maken, maar alleen daar toestaan waar het voldoet aan bepaalde voorwaarden. Hospitaverhuur aan één persoon waarbij deze persoon onzelfstandig woont, is en blijft overigens vergunningsvrij.
De Huisvestingsverordening Purmerend 2025 is ten opzichte van de Huisvestingsverordening Purmerend 2021 op een aantal punten gewijzigd. Zo is er een registratieplicht voor toeristische verhuur opgenomen en is de vergunning voor onttrekking en samenvoeging niet langer beperkt tot de sociale huurwoningen. Ook geldt de persoonsgebondenheid alleen nog voor de vergunningen voor omzetting, onttrekking en samenvoeging. Hieronder volgt een artikelgewijze toelichting.
HOOFDSTUK 2 ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING
Dit hoofdstuk bevat een artikelsgewijze toelichting op de verordening. Artikelen die voor zich spreken worden niet toegelicht.
Een zelfstandige woonruimte moet daadwerkelijk zelfstandig in gebruik zijn. Dat wil zeggen dat de zelfstandige woonruimte wordt bewoond door een duurzaam gemeenschappelijk huishouden. Wanneer er meerdere huishoudens in een zelfstandige woonruimte wonen, dan is de zelfstandige woonruimte door het feitelijke gebruik omgezet naar onzelfstandige woonruimte.
Onder wezenlijke voorzieningen vallen in ieder geval de keuken, het toilet en de douche- of badkamer. Deze moeten niet alleen binnen de woonruimte zijn gelegen maar ook exclusief gebruikt kunnen worden door de huurder van die woonruimte. Dit moet uit omstandigheden en de situatie ter plaatse zijn af te leiden. Het exclusieve gebruik kan bijvoorbeeld blijken uit het huurcontract. Als meerdere huishoudens aanspraak kunnen maken op het gebruik van deze wezenlijke voorzieningen, is er geen sprake van een zelfstandige woonruimte.
Artikel 2.2.1 Toelatingscriteria
Dit artikel bevat twee criteria waaraan een huishouden moet voldoen om toegelaten te worden tot het aangewezen deel van de woningmarkt. Deze toelatingscriteria zijn, via artikel 2.4.2, eerste lid, tevens weigeringsgronden voor de huisvestingsvergunning.
Artikel 2.2.2 Aanvullend toelatingscriterium particuliere huurvoorraad
Dit artikel bevat een aanvullend toelatingscriterium voor het aangewezen deel van de particuliere huurvoorraad. Ook dit toelatingscriterium is via artikel 2.3.2, eerste lid, een weigeringsgrond voor de huisvestingsvergunning
Artikel 2.2.3 Aanvraag vergunning en in te dienen bescheiden
Burgemeester en wethouders van de regiogemeente waar de woning gelegen is, zijn bevoegd om een huisvestingsvergunning te verlenen, te weigeren of in te trekken.
De huisvestingsvergunning wordt verleend op aanvraag. Artikel 2.2.3 van de verordening bevat regels voor het doen van zo'n aanvraag die wordt ingediend bij burgemeester en wethouders van de regiogemeente waar de woning gelegen is.
Voor dit deel van de huurmarkt zijn bezettingsnormen van toepassing. Deze zijn vermeld in bijlage 1 bij de verordening. De bezettingsnormen vormen een voorrangsregeling, geen uitsluitingsgrond. Dat betekent dat een woningzoekende die voldoet aan de op een woning van toepassing zijnde bezettingsnorm, ten opzichte van woningzoekenden die daaraan niet voldoen met voorrang in aanmerking komt voor een huisvestingsvergunning.
Andersom: woningzoekenden die niet voldoen aan een bezettingsnorm, komen eventueel wel voor een huisvestingsvergunning in aanmerking, maar dan alleen ná de woningzoekenden die wel aan de bezettingsnorm voldoen.
Artikel 2.3.4 lntrekking vergunning
Burgemeester en wethouders kunnen een huisvestingsvergunning intrekken, als het huishouden de in de vergunning vermelde woonruimte niet binnen de genoemde termijn (zie artikel 2.2.5, eerste lid, aanhef en onder d) in gebruik heeft genomen. In het belang van een doelmatig beheer van schaarse woonruimte is het immers van belang dat vrijkomende woonruimte zo spoedig mogelijk weer in gebruik genomen wordt.
Artikel 2.4.6 Voorwaarden aan inschrijving via het aanbodinstrument
Aan de inschrijving als woningzoekende via een aanbodinstrument kunnen voorwaarden worden verbonden. Te denken valt aan inschrijfgeld of per jaar dat men ingeschreven staat te betalen verlengingsgeld.
Artikel 2.4.7 Toewijzing woonruimte op basis van punten
Zoekpunten kunnen door iedereen worden opgebouwd door actief te zoeken naar een passende woning en ten minste vier keer per maand op een aangeboden passende woning te reageren. Zo kan per maand een zoekpunt worden opgebouwd, tot een maximum van dertig punten. Per maand dat niet voldoende actief (geen enkele reactie wordt geplaatst) wordt gezocht vervalt een zoekpunt. Als er 1 tot 3 reacties worden geplaatst blijft het aantal zoekpunten dat is opgebouwd gelijk.
Situatiepunten kunnen onder de in de artikelen 2.5.3 of 2.6.2 vermelde criteria worden opgebouwd.
Artikel 2.5.2 Toelatingscriteria opbouw situatiepunten
In het aanvraagformulier wordt aangegeven welke stukken en informatie een woningzoekende moet verstrekken bij de aanvraag. Dat houdt in dat alle stukken compleet aanwezig moeten zijn voordat een woningzoekende situatiepunten kan gaan opbouwen.
Artikel 2.5.6 Algemene weigeringsgronden verklaring opbouw situatiepunten
Voor bijvoorbeeld de uitwerking van de procedure voor aanvraag situatiepunten, de procedure rond de opbouw, het verminderen en het inzetten van deze punten en de reactietermijnen kunnen burgemeester en wethouders nadere regels vaststellen.
Artikel 2.6.2 Toelatingscriteria opbouw situatiepunten voor jongeren
Onder c in lid 1. staat dat een woningzoekende jongere ten minste twee jaar voorafgaand aan de datum bij (een van zijn) ouders of pleegouders woont. Voor een jongere die in een pleeggezin woont kunnen dat verschillende pleeggezinnen zijn mits dat aansluitend het geval is geweest in die twee jaren.
Artikel 2.6.3 Opbouw en verval van situatiepunten voor jongeren
Situatiepunten voor jongeren kunnen worden opgebouwd tot de jongere de leeftijd van vijfendertig jaar bereikt. Punten die tot die datum zijn opgebouwd vervallen niet.
Artikel 2.6.4 Algemene weigeringsgronden verklaring opbouw situatiepunten voor jongeren
Voor de uitwerking van de procedure voor aanvraag situatiepunten, de procedure rond de opbouw, het verminderen en het inzetten van deze punten en de reactietermijnen kunnen burgemeester en wethouders nadere regels vaststellen.
Artikel 2.7.1 Passendheidscriteria sociale huurwoningen van corporaties
Artikel 11 van de wet geeft de mogelijkheid om in de huisvestingsverordening te bepalen dat bepaalde categorieën woningzoekenden met voorrang in aanmerking komen voor een huisvestingsvergunning voor bepaalde categorieën woonruimte. Dit, gelet op de aard, grootte of prijs van die woonruimte. Artikel 11 van de wet biedt dus niet de mogelijkheid om woningzoekenden uit te sluiten van de mogelijkheid om een huisvestingsvergunning te krijgen.
Passendheidscriteria zijn voorrangsregelingen, geen uitsluitingsgronden. Dat betekent dat een woningzoekende die voldoet aan de op een woning van toepassing zijnde passendheidseis, ten opzichte van woningzoekenden die daaraan niet voldoen met voorrang in aanmerking komt voor een huisvestingsvergunning. Andersom: woningzoekenden die niet voldoen aan een passendheidseis, komen eventueel wel voor een huisvestingsvergunning in aanmerking, maar dan alleen na de woningzoekenden die wel aan de passendheidseis voldoen.
Het eerste lid van artikel 2.7.1. beschrijft dat de categorieën woonruimte genoemd in kolom 1 van de in het tweede lid opgenomen tabel, categorieën woonruimte als bedoeld in artikel 11 van de wet zijn. Deze categorieën woonruimte zijn als het ware gematcht met de in kolom 2 van de tabel genoemde, categorieën woningzoekenden. Het tweede lid van artikel 2.7.1 bepaalt dan ook dat de woningzoekenden uit kolom 2 met voorrang in aanmerking komen voor een huisvestingsvergunning voor woonruimte uit kolom 1, uiteraard voor zover categorie woningzoekende en categorie woonruimte in dezelfde rij van de kolom staan.
Het met voorrang in aanmerking laten komen voor een huisvestingsvergunning maakt onderdeel uit van de voorbereiding van de beslissing tot verlening van een huisvestingsvergunning en is daarmee een bevoegdheid van Burgemeester en wethouders.
Artikel 2.7.2 Bindingscriteria: voorrang bij regionale of lokale binding
Artikel 14, tweede lid, van de wet geeft de mogelijkheid om in de huisvestingsverordening te bepalen dat bij de verlening van huisvestingsvergunningen voor ten hoogste 50% van een of meer daarbij aangewezen categorieën woonruimte, voorrang wordt gegeven aan woningzoekenden die economisch of maatschappelijk gebonden zijn aan de woningmarktregio, de gemeente of een deel van de gemeente.
Er is sprake van lokale of regionale binding als:
een woningzoekende een redelijk, met de plaatselijke samenleving verband houdend belang heeft zich in die regio, die gemeente of die kern te vestigen, of ten minste zes jaar onafgebroken ingezetene is dan wel gedurende de voorafgaande tien jaar ten minste zes jaar onafgebroken ingezetene is geweest van die regio, die gemeente of die kern (maatschappelijke binding).
Bindingscriteria zijn, net als passendheidscriteria, voorrangsregelingen, geen uitsluitingsgronden. Dat betekent dat een woningzoekende die voldoet aan de op een woning van toepassing zijnde bindingseis, ten opzichte van woningzoekenden die daaraan niet voldoen met voorrang in aanmerking komt voor een huisvestingsvergunning.
Andersom: woningzoekenden die niet voldoen aan een bindingseis, komen eventueel wel voor een huisvestingsvergunning in aanmerking, maar dan alleen na de woningzoekenden die wel aan de bindingseis voldoen.
In artikel 2.7.2 van de verordening is van de in artikel 14, tweede lid, van de wet geboden mogelijkheid gebruikgemaakt. Dat betekent dat ten hoogste 50% van de huisvestingsvergunningen verleend mag worden met voorrang aan woningzoekenden met binding aan de woningmarktregio, de gemeente of een deel van de gemeente.
Let wel, alleen gevallen waarbij de huisvestingsvergunning daadwerkelijk verleend wordt omdat sprake is van binding, tellen mee in de bovengenoemde percentages.
De artikelen 2.8.1 tot en met 2.8.3 bevatten een regeling voor experimenten op het gebied van woonruimteverdeling. Belangrijk is het om vast te stellen dat experimenten weliswaar niet mogelijk zijn op grond van de (overige) bepalingen van de verordening, maar wel, gelet op de wet, in een huisvestingsverordening opgenomen zouden kunnen worden. Het is dus zo dat experimenten niet in strijd mogen zijn met de uitgangspunten van de wet zelf.
Artikel 2.8.2 Experimenten met woonruimten van corporaties
Dit artikel regelt de experimenten die corporaties en gemeenten samen kunnen organiseren. Een experiment duurt maximaal 3 jaar en betreft ten hoogste 10% van de per jaar toe te wijzen woonruimten van de corporaties die bij het experiment betrokken zijn. Een experiment mag pas starten als de colleges van burgemeester en wethouders van de woningmarktregio ingestemd hebben met de opzet ervan.
Artikel 2.8.3 Experimenten met overige aangewezen woonruimten
Ook andere verhuurders dan corporaties kunnen samen met gemeenten experimenten organiseren.
Artikel 2.9.1 Bevoegdheid tot beslissen op een aanvraag om een urgentieverklaring
Dit artikel bepaalt dat burgemeester en wethouders van de gemeente waar de urgentieverklaring moet worden aangevraagd, beslissen op de aanvraag. Artikel 2.9.2 bepaalt waar de aanvraag ingediend moet worden.
Eén urgentiegrond kent een eigen bevoegdheidsregeling: dit betreft de in artikel 2.9.7 van de verordening geregelde urgentiegrond "uitstroom" uit een instelling voor maatschappelijke opvang, een psychiatrische instelling of een erkende hulp- of dienstverleningsinstelling.
Artikel 2.9.3 lnhoud van de urgentieverklaring
Het in de urgentieverklaring op te nemen zoekprofiel bevat qua ligging, grootte, en aard het meest sobere woningtype of de meest sobere woningtypen dat naar het oordeel van burgemeester en wethouders noodzakelijk is voor het oplossen van het huisvestingsprobleem. Dit meest sobere woningtype kan per regiogemeente verschillen: wat "meest sober" is, hangt immers af van de samenstelling van de woningvoorraad. Op gemeentelijk niveau kan daarom beleid opgesteld worden aan de hand waarvan bij de behandeling van concrete aanvragen het in het zoekprofiel op te nemen woningtype bepaald kan worden.
Het in het zoekprofiel op te nemen zoekgebied omvat de gemeente van het college van burgemeester en wethouders dat de urgentieverklaring heeft verleend, aldus eerste lid.
De urgentieverklaring verleend wegens de toepasselijkheid van een in artikel 2.9.8 van de verordening opgenomen urgentiecategorie heeft regionale werking. Dit betekent dat een woningzoekende onder bepaalde omstandigheden de urgentieverklaring kan inzetten bij het verkrijgen van woonruimte, gelegen in een andere regiogemeente dan die waar de urgentieverklaring is afgegeven. Het tweede tot en met vijfde lid van artikel 2.9.4 van de verordening bevat hiervoor de volgende regeling:
de houder van een urgentieverklaring meldt zich bij de regiogemeente waar hij naar toe wil verhuizen. Deze regiogemeente wordt in het artikel aangeduid als "de ontvangende gemeente". De houder van de urgentieverklaring verzoekt burgemeester en wethouders van de ontvangende gemeente om het in de urgentieverklaring opgenomen zoekprofiel aan te passen.
burgemeester en wethouders van de ontvangende gemeente beoordelen het verzoek. Het vierde lid van artikel 2.9.4 van de verordening geeft aan welke belangen burgemeester en wethouders daarbij in achtnemen: zij kunnen het verzoek weigeren indien naar hun oordeel de onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van schaarste aan goedkope woonruimte daartoe nopen. Daarmee grijpt het vierde lid terug op het motief om een huisvestingsverordening vast te stellen: het bestrijden van de effecten van onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van schaarste aan goedkope woonruimte. Opgemerkt wordt dat burgemeester en wethouders in deze situatie niet opnieuw beoordelen of de urgentieverklaring zelf terecht is verleend.
als burgemeester en wethouders gelet op het vierde lid geen reden zien om het verzoek te weigeren, wijzigen zij het in de urgentieverklaring opgenomen zoekprofiel. Het zoekgebied wijzigen zij in hun gemeente. Het woningtype wijzigen zij in het woningtype dat voor hun gemeente in het geval van deze woningzoekende als meest sobere woningtype geldt.
Het ligt voor de hand om op gemeentelijk niveau beleid vast te stellen waarin beschreven wordt hoe invulling wordt gegeven aan de toets van verzoeken aan het bepaalde in het vierde lid.
Artikel 2.9.5 Algemene weigeringsgronden urgentieverklaring
Als de aanvraag volledig en te beoordelen is, wordt getoetst of er zich een of meerdere algemene weigeringsgronden voordoen. Deze zijn opgenomen in artikel 2.9.5, eerste en tweede lid, van de verordening. Niet elke algemene weigeringsgrond is van toepassing op elke urgentiecategorie.
Als de aanvraag volledig en te beoordelen is, wordt getoetst of er zich een of meerdere algemene weigeringsgronden voordoen:
De weigeringsgronden genoemd in het eerste lid zijn, voor zover ze toepasselijk zijn op de desbetreffende urgentiecategorie, verplichtend voor burgemeester en wethouders: als er zich een of meerdere van deze weigeringsgronden voordoen, moet de aangevraagde urgentieverklaring geweigerd worden.
De weigeringsgrond in het tweede lid heeft een facultatief karakter: indien zich deze weigeringsgrond voordoet, kan de aangevraagde urgentieverklaring geweigerd worden.
Het derde lid van artikel 2.9.5 van de verordening bevat de koppeling met de in de artikelen 2.9.7 tot en met 2.9.8 opgenomen urgentiecategorieën: valt aanvrager niet onder een van die urgentiecategorieën, dan dient de aangevraagde urgentieverklaring geweigerd te worden.
Artikel 2.9.6 Wettelijke urgentiecategorieën en vergunninghouders
Artikel 2.9.6 bevat de zogenoemde wettelijke urgentiecategorieën. Dit zijn de urgentiecategorieën waarvan in artikel 12, derde lid, van wet is bepaald dat als een gemeenteraad besluit tot instelling van een urgentieregeling, hij in ieder geval die categorieën onder de reikwijdte van de urgentieregeling moet laten vallen.
In het eerste lid zijn de onder a. en b. genoemde categorieën opgenomen. Er wordt op gewezen dat op deze categorieën de algemene weigeringsgronden van artikel 2.9.5, eerste lid, aanhef en onder a tot en met h en j van toepassing zijn. Over de onder a. genoemde categorie wordt opgemerkt dat deze urgentiegrond zich, naast de overige in het eerste lid onder a genoemde omstandigheden, pas voordoet als "de behoefte aan in de desbetreffende regiogemeente gelegen woonruimte" naar het oordeel van burgemeester en wethouders noodzakelijk is.
Over de onder b. genoemde categorie wordt opgemerkt dat het enkele bestaan van een mantelzorgrelatie tussen een inwoner van de regiogemeente en een woningzoekende van elders, geen grond is voor toekenning van een urgentieverklaring. Het verlenen of ontvangen van mantelzorg moet een dusdanige impact op het leven van aanvrager hebben, dat naar het oordeel van burgemeester en wethouders sprake is van een voor aanvrager dringend noodzakelijke behoefte aan andere woonruimte.
In het tweede lid van artikel 2.9.6 is de categorie vergunninghouders opgenomen. Vergunninghouders zijn geen wettelijke urgentiecategorie. Echter, om aan de wettelijke taakstelling te kunnen blijven voldoen is het de keuze van de raad deze groep in aanmerking te laten komen voor een urgentieverklaring.
Een vergunninghouder (statushouder) komt in aanmerking voor een urgentieverklaring als:
Artikel 2.9.7 Regionale urgentiegrond "uitstroom"
De woningzoekenden die tot deze urgentiecategorie behoren stromen uit een instelling voor maatschappelijke opvang, een psychiatrische instelling of een erkende hulp- of dienstverleningsinstelling uit naar de gemeente waar zij voorafgaand aan hun verblijf in die instelling tenminste twee van de drie jaar woonachtig waren. Burgemeester en wethouders van de regiogemeente waar zo'n instelling staat, beslissen op de aanvraag om een urgentieverklaring.
Vervolgens wordt de houder van de urgentieverklaring door burgemeester en wethouders doorgeleid naar de regiogemeente waar hij tenminste twee van de drie jaar direct voorafgaand aan het verblijf in de instelling woonachtig was of, als dat eerste gelet op de problematiek niet wenselijk is, een andere regiogemeente. Burgemeester en wethouders van die gemeente bepalen het voor de woningzoekende passende woningtype.
Artikel 2.9.8 Overige regionale urgentiecategorieën
De regionale urgentiecategorieën genoemd in artikel 2.9.8 van de verordening betreffen:
een urgentiecategorie voor woningzoekenden waarvan de huidige woonruimte behoort tot een door Burgemeester en wethouders op grond van het tweede lid aangewezen complex waaruit zij moeten verhuizen in verband met sloop of ingrijpende renovatie of herstructurering van het gebied (artikel 2.9.8, eerste lid, aanhef en onder c).
Ten aanzien van de eerste twee genoemde urgentiecategorieën is regionaal afgestemd beleid tot stand gekomen.
Voor de derde genoemde urgentiecategorie betreft de zogenoemde SV-urgenten (stadsvernieuwingsurgenten). Dit zijn huishoudens die een, in het kader van stedelijke herstructurering, te slopen of ingrijpend te renoveren complex bewonen. Om hen in aanmerking te laten komen voor een urgentieverklaring, moeten Burgemeester en wethouders eerst het complex aanwijzen. Het tweede lid van artikel 2.9.8 van de verordening bevat hier een regeling voor. Zo'n aanwijzing kan pas plaatsvinden als aannemelijk is dat de huidige bewoners van het complex binnen twee jaar moeten verhuizen. Na zo'n aanwijzing komen de bewoners in aanmerking voor een urgentieverklaring, gelet op het bepaalde in het eerste lid, aanhef en onder c.
Artikel 2.9.9 Geldigheid van de urgentieverklaring
Dit artikel bevat een regeling voor de geldigheidsduur van de urgentieverklaring. Deze regeling is niet van toepassing op:
Een verleende urgentieverklaring is geldig:
tot het moment waarop een termijn van 26 weken na verlening van de urgentieverklaring eindigt. Binnen die 26 weken moet het huisvestingsprobleem in beginsel opgelost zijn. Is dat niet het geval, dan kunnen Burgemeester en wethouders de geldigheidsduur van de urgentieverklaring verlengen met ten hoogste 26 weken.
Artikel 2.9.10 Wijziging en intrekking van de urgentieverklaring
Dit artikel bevat een regeling voor wijziging en intrekken van de urgentieverklaring.
Het tweede lid van artikel 2.9.10 bevat de intrekkingsgronden. Deze zijn voor burgemeester en wethouders verplichtend geformuleerd, hetgeen betekent dat indien zich een intrekkingsgrond voordoet, de urgentieverklaring ingetrokken dient te worden, tenzij Burgemeester en wethouders hiervan afwijken met toepassing van de in artikel 2.9.11 opgenomen hardheidsclausule. Er zijn de volgende intrekkingsgronden:
bij de aanvraag zijn onjuiste of onvolledige gegevens verstrekt. Deze grond leidt tot intrekking indien volledigheid of juistheid had geleid tot weigering van de aangevraagde urgentieverklaring. De omstandigheid dat bij volledigheid of juistheid een andere urgentieverklaring - of bijvoorbeeld een ander woningtype - zou zijn verleend, is gelet op het derde lid een reden om de urgentieverklaring te wijzigen.
de houder van de urgentieverklaring behoort niet meer tot de urgentiecategorie welke aanleiding was voor verlening van de urgentieverklaring of er doen zich een of meer toepasselijke, in artikel 2.6.5, eerste lid, opgenomen en op de desbetreffende urgentiecategorie toepasselijke weigeringsgronden voor;
de houder van de urgentieverklaring heeft aangeboden passende woonruimte geweigerd of heeft zich anderszins onvoldoende ingespannen om zijn huisvestingsprobleem op te lossen. Van dat laatste is onder meer sprake als hij niet heeft gereageerd op via een aanbodinstrument aangeboden woonruimte, voor zover die woonruimte paste binnen zijn zoekprofiel.
Het derde lid van artikel 2.9.10 bevat de wijzigingsgronden. Deze zijn facultatief geformuleerd. Doen er zich een wijzigingsgrond voor, dan kunnen Burgemeester en wethouders de urgentieverklaring wijzigen. Er zijn de volgende wijzigingsgronden:
Artikel 2.9.11 Register toepassing hardheidsclausule urgentieverklaring
Het doel van de registratieplicht voor burgemeester en wethouders is om na te gaan of in bepaalde gevallen relatief vaak de hardheidsclausule wordt toegepast en of naar aanleiding daarvan de verordening aangepast dient te worden.
Artikel 3.1.1 Aanwijzing vergunningplichtige woonruimte
De wet bepaalt dat het verboden is om een woonruimte, behorend tot een met het oog op het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad door de gemeenteraad in de huisvestingsverordening aangewezen categorie woonruimte en die gelegen is in een in de huisvestingsverordening aangewezen gebied, zonder vergunning van burgemeester en wethouders te onttrekken of onttrokken te houden, samen te voegen of samengevoegd te houden, van zelfstandige woonruimte naar onzelfstandige woonruimten om te zetten of omgezet te houden en een woonruimte te verbouwen tot twee of meer woonruimten of in die verbouwde staat te houden. De gemeenteraad wijst in dit artikel de categorie woonruimte en het werkingsgebied aan.
Omzetten wordt ook wel kamer(gewijze)verhuur of kamerbewoning genoemd. Woningvorming wordt ook wel bouwkundige splitsing genoemd.
Woningen in eigendom van corporaties vallen niet onder het werkingsgebied. De regels zijn bedoeld om particuliere initiatieven te reguleren. Met de corporaties is een intensieve samenwerking en er wordt via samenwerkingsafspraken gestuurd, bijvoorbeeld op gewenste vormen van betere benutting door zogenoemde friendscontracten.
Op grond van artikel 3.1.1 gelden drie criteria voor het constateren tot een vergunningplicht:
er is een vergunningplichtige activiteit als bedoeld in artikel 3.1.1 lid 2 tot en met 5 (het onttrekken of onttrokken houden van een woonruimte, het samenvoegen of samengevoegd houden, het omzetten van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte of omgezet houden en het woningvormen tot twee of meer woonruimten of in die verbouwde staat houden ).
Wanneer kwalificeert de woning als "woonruimte"? Artikel 1 definieert "woonruimte" als "besloten ruimte die, al dan niet tezamen met een of meer andere ruimten, bestemd of geschikt is voor bewoning door een huishouden". Die definitie komt overeen met die definitie in artikel 1 lid 1 sub I onder 1 van de wet.
De vraag of een woning bestemd of geschikt is voor wonen is een feitelijke vraag. Het is niet relevant welke functie het pand heeft op grond van het omgevingsplan; het begrip "bestemd" moet worden uitgelegd als "feitelijk bestemd tot wonen" en heeft niet dezelfde betekenis als bestemd in het omgevingsplan. De rechtspraak over de vraag wanneer een woning bestemd of geschikt is voor wonen, is casuïstisch, juist omdat het antwoord afhangt van de feitelijke omstandigheden.
Artikel 3.1.2 Vrijstelling van de vergunningsplicht
De wet biedt in artikel 21 lid 2 de gemeenteraad de mogelijkheid in de huisvestingsverordening gevallen aan te wijzen waarvoor een vrijstelling geldt of waarin een ontheffing kan worden verleend van de vergunningplicht. In dit artikel staat de voorwaarde genoemd waaronder vrijstelling van de vergunningplicht geldt, namelijk in het geval van hospitaverhuur.
Artikel 3.2.1 Aanvraag vergunning
Artikel 23 van de wet bepaalt dat de aanvraag alleen gedaan kan worden door de eigenaar van de woonruimte. De aanvraag moet volgens de wet ook elektronisch gedaan kunnen worden.
Artikel 3.2.3 In te dienen bescheiden
Burgemeester en wethouders kunnen ook andere dan de in dit artikel genoemde bescheiden verlangen. Daarbij kan gedacht worden aan een parkeerdrukonderzoek of een meetrapport in verband met mogelijke geluidsoverlast. Dat houdt verband met de criteria voor vergunningverlening en/of de weigeringsgronden.
Artikel 3.3.1 Weigeringsgronden algemeen
De in dit artikel opgenomen weigeringsgronden gelden voor de vergunning voor onttrekking, samenvoeging, omzetting en woningvorming. Voor de vergunning omzetting en woningvorming gelden nog meer weigeringsgronden en voorwaarden, zie artikel 3.3.2 en 3.3.3.
Uitgangspunt is dat er bij de beslissing op de aanvraag een afweging moet plaatsvinden tussen drie belangen. Het aanvragersbelang (het met de onttrekking, samenvoeging, omzetting of woningvorming gediende belang) versus het volkshuisvestelijk belang (het belang van behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad) en de leefbaarheid (het belang van het beschermen van de leefbaarheid van het woon-en leefmilieu in een complex, straat of buurt).
Artikel 3.3.2 Weigeringsgronden voor vergunning woningvorming
Purmerend stelt eisen aan het minimum aantal vierkante meters gebruiksoppervlak van de te vormen woonruimten.
In de Binnenstad is het verbouwen van een woonruimte tot een of meer woonruimten kleiner dan veertig vierkante meter gbo niet toegestaan. In dit gebied is sprake is van een levendig binnenstedelijk woonmilieu door de mix van wonen, werken, winkelen en recreëren in een dichtbebouwde, historische binnenstad. Dit woonmilieu bevat uit de aard van de panden al veel wat kleinere woningen.
Buiten het gebied Binnenstad wordt bijna uitsluitend gewoond, in veelal eengezinswoningen. Het vormen van teveel kleine woningen uit de bestaande eengezinswoningen kan in de wijken de leefbaarheid onder druk zetten. In deze wijken is daarom het verbouwen van een woonruimte tot een of meer woonruimten kleiner dan vijftig vierkante meter gbo niet toegestaan.
De nieuw te vormen woonruimten moeten zelfstandige woonruimten zijn zodat er enige kwaliteit aan de woonruimtevoorraad wordt toegevoegd.
Artikel 3.3.6 Persoonsgebondenheid vergunning omzetting
lngevolge artikel 23 van de wet kan alleen de eigenaar van de woonruimte een vergunning aanvragen. De achtergrond hiervan is volgens de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling dat op deze manier zeker kan worden gesteld dat de eigenaar van de betrokken woonruimte instemt met de voorgenomen activiteiten, die gevolgen hebben voor de eigendom van de betrokken woonruimte. Dit maakt de vergunning echter niet persoonsgebonden. De gemeenteraad vindt het wenselijk te bepalen dat de vergunning voor omzetting wel persoonsgebonden is om zo burgemeester en wethouders de kans te geven bij bijvoorbeeld de verkoop van een verkamerd pand opnieuw te bezien of er aanleiding is een vergunning vanwege een negatief effect op de leefbaarheid te weigeren.
Daarom bepaalt artikel 3.3.6 dat de vergunningen als bedoeld in artikel 3.1.1, lid 4, persoonsgebonden en niet overdraagbaar is.
Dit betekent dat de omzettingsvergunning nog steeds persoonsgebonden en niet overdraagbaar is en de overige vergunningen, waaronder de woningvormingsvergunning, zaaksgebonden zijn.
Paragraaf 4 Toeristische verhuur
Het is op grond van artikel 23a van de wet verboden woonruimte die behoort tot een met het oog op het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad of het behoud van de leefbaarheid door de gemeenteraad aangewezen categorie woonruimte in een door de gemeente aangewezen deel van de gemeente voor toeristische verhuur aan te bieden zonder registratienummer. De raad wijst alle categorieën woonruimte in de gehele gemeente Purmerend aan omdat schaarste voorkomt in alle categorieën woonruimten en toeristische verhuur impact heeft op de leefbaarheid van de woonomgeving.
Onder toeristische verhuur wordt in de verordening verstaan: het in een woonruimte tegen betaling bieden van verblijf aan personen die op reis zijn met recreatieve of zakelijke doeleinden en die niet als ingezetene zijn ingeschreven met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen.
Als de raad gebruik maakt van de mogelijkheid een registratieplicht in te voeren wijst zij in de verordening aan voor welke vormen van toeristische verhuur de registratieplicht gaat. De raad heeft alle vormen aangewezen.
Hieronder valt in ieder geval de Bed&Breakfast, maar ook alle particuliere vakantieverhuur; bijvoorbeeld via Airbnb, waarbij de eigenaar van de woning al dan niet zelf ook aanwezig is.
Het registratienummer geeft overigens niet automatisch recht om toeristisch te verhuren. Het bestemmingsplan of omgevingsplan bepaalt of dat mag. De aanvrager dient dan ook voordat hij een registratienummer aanvraagt te controleren of zijn woning voldoet aan de regels in het bestemmingsplan of omgevingsplan.
Artikel 4.1.1 Handelen zonder of in strijd met een vergunning
Een bestuurlijke boete in verband met overtreding van de wet kan worden opgelegd aan zowel de feitelijk overtreder als aan degene die voor de overtreding verantwoordelijk kan worden gehouden. Daarbij is van belang dat van de eigenaar van een pand die dat verhuurt, mag worden gevergd dat hij zich tot op zekere hoogte informeert over het gebruik dat van het verhuurde pand wordt gemaakt. Om niet verantwoordelijk te worden gehouden voor onrechtmatig gebruik van het door hem verhuurde pand moet de eigenaar aannemelijk maken dat hij niet wist en niet kon weten dat het pand aldus werd gebruikt. De rechtspraak is streng op dit punt (zie o.m. ABRvS 7 februari 2018, ECLl:NL:RVS:2018:428, ABRvS 15 juli 2020, ECLl:NL:RVS:2020:1664).
Artikel 4.1.3 Bestuurlijke boete
Artikel 35 van de wet geeft de mogelijkheid in de huisvestingsverordening op te nemen dat burgemeester en wethouders bij overtreding van artikelen 8 en 21 een bestuurlijke boete opleggen. De wet bepaalt de maximale hoogte van de bestuurlijke boete.
Er wordt bij het bepalen van de hoogte van het boetebedrag onderscheid gemaakt tussen bedrijfsmatige en niet bedrijfsmatige exploitatie. Er is in ieder geval sprake van bedrijfsmatige exploitatie als de overtreder aantoonbaar meerdere woonruimten in bezit heeft en verhuurt. Uit de omvang van de exploitatie blijkt het bedrijfsmatige aspect. lemand die zich bedrijfsmatig bezighoudt met exploitatie behoort de regelgeving te kennen.
Bij het bepalen van de hoogte van het boetebedrag speelt ook mee of sprake is van recidive. Van recidive is sprake indien binnen 3 jaar na beëindiging van een overtreding van een bepaald verbod opnieuw een overtreding van hetzelfde verbod wordt begaan.
Artikel 5.3 Overgangsbepaling onttrekking
Sinds 1 juli 2017 geldt in de wet ook het verbod op onttrokken houden, samengevoegd houden, omgezet houden of in verbouwde staat houden zonder vergunning. De Huisvestingsverordening Purmerend 2021 verbood het om zelfstandige huurwoningen met een rekenhuur tot de DAEB-huurgrens (voorheen: liberalisatiegrens) zonder vergunning, anders dan ten behoeve van de bewoning of het gebruik als kantoor of praktijkruimte door de eigenaar, aan de bestemming tot bewoning te onttrekken of onttrokken te houden. Er was geen vergunning nodig voor het onttrekken van andere dan de zelfstandige huurwoningen met een rekenhuur tot de DAEB-huurgrens. In de Huisvestingsverordening Purmerend 2025 is voor het onttrekken en onttrokken houden van alle woonruimte een vergunning nodig. Er wordt daarom in het overgangsrecht rekening gehouden met huiseigenaren die vóór de inwerkingtreding van de huisvestingsverordening Purmerend 2025 vergunningvrij woonruimte hebben onttrokken en nu worden geconfronteerd met een vergunningplicht om die woonruimte onttrokken te houden.
Artikel 5.4 Overgangsbepaling samenvoeging
Sinds 1 juli 2017 geldt in de wet ook het verbod op onttrokken houden, samengevoegd houden, omgezet houden of in verbouwde staat houden zonder vergunning. De Huisvestingsverordening Purmerend 2021 verbood het om zelfstandige huurwoningen met een rekenhuur tot de DAEB-huurgrens (voorheen: liberalisatiegrens) zonder vergunning, anders dan ten behoeve van de bewoning of het gebruik als kantoor of praktijkruimte door de eigenaar, met andere woonruimte samen te voegen of samengevoegd te houden. Er was geen vergunning nodig voor het samenvoegen van andere dan de zelfstandige huurwoningen met een rekenhuur tot de DAEB-huurgrens. In de Huisvestingsverordening Purmerend 2025 is voor het samenvoegen of samengevoegd houden van alle woonruimte een vergunning nodig. Er wordt daarom in het overgangsrecht rekening gehouden met huiseigenaren die vóór de inwerkingtreding van de huisvestingsverordening Purmerend 2025 vergunningvrij woonruimte hebben samengevoegd en nu worden geconfronteerd met een vergunningplicht om die woonruimte samengevoegd te houden.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-484203.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.