Beleidsregels brede ondersteuning toeslagenaffaire Stichtse Vecht 2025

Het college van burgemeester en wethouders van Stichtse Vecht,

 

gelet op artikel 160 van de Gemeentewet, gelet op 2.21 van de Wet hersteloperatie toeslagen en gelet op 4:81, eerste lid, van de algemene Wet bestuursrecht;

 

en overwegende dat:

  • 1.

    in de periode tussen 2004 en 2019 heeft de Rijksbelastingdienst (hierna: RBD) in bepaalde gevallen niet correct gehandeld bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag. Dit heeft ertoe geleid dat ouders onterecht grote bedragen moesten terugbetalen en in ernstige financiële problemen kwamen. Gedupeerden hebben recht op herstel;

  • 2.

    in de landelijke samenwerkingsafspraken tussen de Vereniging Nederlandse Gemeenten en de Rijksbelastingdienst is afgesproken dat gemeenten zorg dragen voor zorgvuldige, effectieve en efficiënte ondersteuning aan gedupeerden op de leefgebieden financiën, gezin, werk, wonen en zorg;

  • 3.

    het college zich maximaal wil inzetten voor het herstel en het behoud van vertrouwen van gedupeerden in de overheid.

besluit vast te stellen de volgende beleidsregels:

Artikel 1. Begrippen

In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

  • a.

    bedreigende situatie: gedwongen woningontruiming, beëindiging van de levering van gas, elektriciteit, stadsverwarming of water, gedwongen beëindiging van de zorgverzekering, ernstig belemmerende psychische omstandigheden of een soortgelijke acute crisissituatie;

  • b.

    brede ondersteuning: zorgvuldige, effectieve en efficiënte hulp aan gedupeerden op de leefgebieden financiën, gezin, werk, wonen en zorg, gericht op het maken van een nieuwe start;

  • c.

    college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Stichtse Vecht;

  • d.

    gezin: gezin als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder c, van de Participatiewet waarbij onder het kind ook het thuiswonende kind of pleegkind van achttien jaar of ouder valt van de persoon, bedoeld in artikel 2.21, eerste lid, van de wet of hun partner;

  • e.

    hulpvraag: formulering van de behoefte aan brede ondersteuning dat passend is om de doelstellingen, genoemd in artikel 2, tweede lid, te kunnen bereiken;

  • f.

    kindregeling: herstelregeling op grond van afdeling 2.2 van de Wet waarmee een tegemoetkoming en brede ondersteuning wordt geboden aan kinderen van gedupeerde ouders;

  • g.

    gedupeerde: ouders die door de UHT zijn erkend als gedupeerd en een beschikking van een eenmalige tegemoetkoming hebben ontvangen. Ook worden als gedupeerd beschouwd: kinderen, pleegkinderen of voormalig pleegkinderen van een erkend gedupeerde ouder een tegemoetkoming ontvingen. In een aanvullend wetsvoorstel zijn op 15 juli 2023 daaraan de ex-toeslagpartners van een gedupeerde ouder, nabestaanden van een overleden erkend gedupeerde aanvrager of een overleden kind van een erkend gedupeerde ouder aan toegevoegd;

  • h.

    niet-gedupeerde: ouder die na de integrale beoordeling van de UHT een beschikking heeft ontvangen waaruit blijkt dat hij/zij niet gedupeerd is;

  • i.

    materiële voorziening: een zaak die noodzakelijk is om belemmeringen van de aanvragen bij het bereiken van de doelstellingen uit het plan van aanpak weg te nemen of te beperken;

  • j.

    immateriële voorziening: een vorm van hulpverlening of een dienst die nodig en passend is voor de ontwikkeling van kennis, kunde, vaardigheden of andere competenties van de aanvrager voor het bereiken van de doelstellingen uit het plan van aanpak;

  • k.

    Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagenaffaire (UHT), onderdeel van Toeslagen van de Belastingdienst, belast met de begeleiding van gedupeerden naar herstel;

  • l.

    zelfmelder: ouder die zich bij de UHT heeft gemeld en waarvan de gemeente de gegevens heeft ontvangen, maar waarvan integrale beoordeling door de UHT nog loopt;

  • m.

    wet: Wet hersteloperatie toeslagen.

Artikel 2. Doelstelling van de ondersteuning

  • 1.

    Het college stelt zich tot doel om met de ondersteuning het duurzame toekomstperspectief van gedupeerden te bevorderen door hen op de leefgebieden te ondersteunen die nodig zijn om een nieuwe start te maken.

  • 2.

    Het college geeft geen compensatie voor directe of indirecte materiële en immateriële schade aan gedupeerden omdat deze taak belegd is bij de landelijke Commissie Werkelijke Schade, tenzij het een acute situatie betreft en een oordeel van de Commissie Werkelijke Schade niet kan worden afgewacht. Verder dient er een directe relatie te zijn met de benadeling door de wijze van uitvoering van de Kinderopvangtoeslag.

Artikel 3. Doelgroep

  • 1.

    Het college geeft ondersteuning aan gedupeerden en hun gezin die inwoner zijn van de gemeente Stichtse Vecht en rechtmatig in Nederland verblijven volgens artikel 8, onder a t/m e en l, van de Vreemdelingenwet 2000 en die:

    • a.

      door de UHT zijn aangemerkt als gedupeerd; of

    • b.

      zich bij de UHT hebben aangemeld als zelfmelder, waarbij de eerste toets is uitgevoerd en de integrale beoordeling nog loopt.

  • 2.

    Het college geeft toegang tot brede ondersteuning aan een minderjarige die in aanmerking komt voor de kindregeling als deze:

    • a.

      jonger is dan zestien jaar en onder het gezag van een inwoner staat;

    • b.

      jonger is dan zestien jaar en feitelijk verblijft bij een inwoner die één van de gezaghebbers is; of

    • c.

      zestien jaar of ouder is en zelf inwoner is.

  • 3.

    In bijzondere gevallen kan het college ook toegang tot brede ondersteuning verlenen aan een aanvrager die valt onder de personenkring als bedoeld in artikel 2.21, eerste en tweede lid van de Wet, maar die geen inwoner is van gemeente Stichtse Vecht vanwege verhuizing, detentie of andere bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2.21, derde lid, van de Wet. De aanvrager wordt in dat geval gelijkgesteld met een inwoner.

  • 4.

    Bij toepassing van het tweede lid vindt over de verlening van toegang tot brede ondersteuning overleg plaats met de betrokkene en het college van de gemeente waar deze woont.

Artikel 4. Uitzonderingen brede ondersteuning

Geen onderdeel van de brede ondersteuning zijn:

  • a.

    vormen van algemene inkomensaanvulling of inkomensondersteuning;

  • b.

    ondersteuning op leefgebieden anders dan genoemd in artikel 1;

  • c.

    vergoeding van schade als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de Wet;

  • d.

    vergoeding van schulden, behalve bij betalingsachterstanden in een bedreigende situatie; of

  • e.

    kosten voor voorzieningen die zijn gemaakt voordat een aanvraag is ingediend tenzij sprake was van een bedreigende situatie; of

  • f.

    kosten van een advocaat bij het verkrijgen van schadevergoeding zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de Wet.

Artikel 5. Werkwijze van de ondersteuning

Het college hanteert het volgende werkproces bij de start van de ondersteuning:

  • 1.

    Het college neemt telefonisch contact op met ouders waarvan de UHT de contactgegevens heeft gedeeld met het college. Bij onbereikbaarheid wordt contact gezocht via brief en/of sms.

  • 2.

    Indien een inwoner zelf een aanvraag tot brede ondersteuning bij het college doet, kan dit zowel schriftelijk als mondeling. Het college stelt vervolgens vast of de inwoner behoort tot de in artikel 3, eerste lid, genoemde doelgroep en daarmee in aanmerking komt voor brede ondersteuning bij de UHT.

  • 3.

    Het college biedt uitsluitend hulp aan indien de ouder aangeeft hier behoefte aan te hebben.

  • 4.

    Het eerste gesprek waarin de schriftelijke of mondelinge hulpvraag wordt vastgesteld, vindt binnen redelijke termijn plaats na het eerste contact als bedoeld in lid 1 en 2.

  • 5.

    De ouder krijgt een vaste contactpersoon bij de gemeente toegewezen en de aanvraag wordt vastgelegd.

  • 6.

    Binnen acht weken na het eerste gesprek wordt een beschikking vastgesteld en schriftelijk kenbaar gemaakt aan de inwoner. Dit kan per post of, indien de inwoner daarmee instemt, per e-mail worden verzonden.

  • 7.

    De beschikking als genoemd in lid 6 is een plan van aanpak op de vijf leefgebieden financiën, gezin, werk, wonen en zorg. Dit plan van aanpak wordt van kracht na schriftelijke instemming door de ouder. De ouder en de consulent bespreken regelmatig de voortgang van het plan van aanpak. Als de ouder (op onderdelen) niet instemt met het plan van aanpak, dan wordt dit gemotiveerd opgenomen in de beschikking.

  • 8.

    Het college kan de beslistermijn uit het zesde lid met vier weken verlengen.

Artikel 6. Aanvullend schuldhulpverleningsaanbod jongeren

  • 1.

    Het plan van aanpak bevat een aanvullend schuldhulpverleningsaanbod, zoals bedoeld in artikel 3, vierde lid, van de Regeling specifieke uitkering gemeentelijke hulp aan gedupeerden kinderopvangtoeslagproblematiek 2021, als de aanvrager:

    • a.

      achttien jaar of ouder is;

    • b.

      in aanmerking komt voor de kindregeling;

    • c.

      naar het oordeel van het college in een problematische schuldsituatie zit; en

    • d.

      diens aanvraag heeft ingediend binnen de termijn, bedoeld in artikel 3, vierde lid, Regeling specifieke uitkering gemeentelijke hulp aan gedupeerden kinderopvangtoeslagproblematiek 2021

  • 2.

    Het college begeleidt de aanvrager bij het inzichtelijk maken van diens financiële situatie.

Artikel 7. Uitgangspunten van de ondersteuning

Het college hanteert bij het bepalen van de inzet van de ondersteuning de volgende uitgangspunten:

  • 1.

    ouder en consulent inventariseren gezamenlijk de behoefte en noodzaak van ondersteuning;

  • 2.

    de noodzaak en vorm van de ondersteuning worden vastgesteld door het college;

  • 3.

    voorliggende voorzieningen worden waar mogelijk ingezet volgens bestaande regels;

  • 4.

    de ondersteuning van het college is aanvullend op de eigen inzet van het gezin en het sociale netwerk;

  • 5.

    als een door de ouder gewenste oplossing niet (meteen) haalbaar is, bijvoorbeeld vanwege wachtlijsten, wordt besproken welke alternatieven wel haalbaar zijn;

  • 6.

    het college kan ouders hulp bieden bij de communicatie met de UHT. Dit kan onder meer bestaan uit het geven van voorlichting over rechtshulpmogelijkheden, het helpen bij de onderbouwing van verzoeken en het voorbereiden van gesprekken.

Artikel 8. Voorzieningen

Het college verstrekt aan de gedupeerde of zelfmelder de immateriële en materiële voorzieningen die in het plan van aanpak zijn toegekend. Het college hanteert de volgende uitgangspunten:

  • 1.

    Het college kan maatwerkvoorzieningen toekennen die aanvullend zijn op reguliere voorzieningen als (snel) handelen noodzakelijk is, bijvoorbeeld om verergering te voorkomen. Hierbij wordt het volgende afgewogen:

    • a.

      het maatwerk maakt deel uit van het plan van aanpak met de ouder of de vervolgstappen die uit de evaluatie van het plan van aanpak voortkomen;

    • b.

      het maatwerk draagt duurzaam en betekenisvol bij aan herstel en er is geen andere manier om het beoogde doel te halen;

    • c.

      de ouder kon als gevolg van de kinderopvangtoeslagaffaire niet anticiperen op de ontstane situatie of de situatie voorkomen;

    • d.

      het college biedt bij vergoeding van materiële voorzieningen maatwerk en kiest voor een duurzame oplossing;

    • e.

      het college houdt rekening met de financiële-, persoonlijke- en familiesituatie van de aanvrager en met de vaardigheden van de aanvrager;

    • f.

      eventuele periodieke kosten, zoals voor sporten, dieetkosten, huiswerkbegeleiding of budgetbeheer, komen maximaal voor een periode van zes maanden in aanmerking voor vergoeding. Een langere periode van vergoeding kan slechts worden toegekend indien dit bijdraagt aan het behalen van de doelstelling van de ondersteuning.

  • 2.

    Het college kan materiële voorzieningen tot zes maanden na het eerste gesprek toekennen. De feitelijke verstrekking van voorzieningen kan na deze periode nog plaatsvinden.

  • 3.

    Het college kan immateriële voorzieningen tot twee jaar na het eerste gesprek toekennen. De feitelijke verstrekking van voorzieningen kan na deze periode nog plaatsvinden.

Artikel 9. Nazorg, overdracht en beëindiging

  • 1.

    Om de doelstellingen van het ondersteuningsplan te monitoren biedt het college nazorg aan. Deze nazorg bestaat uit periodieke gesprekken. Als de doelen van het plan bereikt zijn kan het college eveneens deze nazorg bieden als onderdeel van het ondersteuningsplan. De nazorgperiode bedraagt maximaal 24 maanden vanaf de datum van de brede intake.

  • 2.

    Indien een melder tijdens de nazorgperiode door de UHT als niet-gedupeerd wordt aangemerkt, eindigt de nazorg binnen 30 dagen. Waar nodig wordt een verwijzing gedaan naar het reguliere gemeentelijke kader.

  • 3.

    Onverminderd de overige bepalingen in deze beleidsregels, kan de ondersteuning worden beëindigd door het college indien:

    • a.

      de uitvoering van het plan van aanpak en de nazorg met de ouder(s) succesvol is afgerond;

    • b.

      de hulpverlening, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de ouders, niet (langer) passend is;

    • c.

      de ondersteuning door het college niet (langer) noodzakelijk wordt geacht, of

    • d.

      als de inwoner niet meewerkt aan het opstellen of uitvoeren van het plan van aanpak.

  • 4.

    Bij verhuizing naar een andere gemeente wordt de ondersteuning overgedragen, in overleg met de ouder. Het beoogde resultaat van de overdracht is dat de ouder in de gemeente van vestiging een vaste contactpersoon heeft die op de hoogte is van het ondersteuningsplan. Als de gedupeerde verhuist naar een gemeente die minder hulp biedt dan Stichtse Vecht dan zal een redelijke afbouwtermijn worden geboden. Dit is ter beoordeling aan het college van Stichtse Vecht.

  • 5.

    Het plan van aanpak kan worden beëindigd met instemming van de ouder omdat de ondersteuning niet langer nodig is. Waar nodig en mogelijk vindt een warme overdracht plaats naar reguliere hulp en ondersteuning.

Artikel 10. Onvoorziene omstandigheden

In alle gevallen waarin deze beleidsregels niet voorzien of toepassing daarvan niet overeenkomt met de bedoeling van deze regels, beslist het college.

Artikel 11. Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbenden afwijken van de bepalingen in de beleidsregels, indien strikte toepassing ervan tot onredelijkheden zou leiden, die te overwegen zijn.

Artikel 12. Intrekking

De beleidsregels ‘Beleidsregels Ondersteuning gedupeerden kinderopvangtoeslagaffaire Stichtse Vecht 2023’ worden ingetrokken met ingang van de dag dat deze beleidsregels in werking treden.

Artikel 13. Citeertitel

Deze beleidsregels worden aangehaald als de ‘Beleidsregels brede ondersteuning toeslagenaffaire Stichtse Vecht 2025’.

Artikel 14. Inwerkingtreding

Deze beleidsregels treden in werking op de dag na bekendmaking.

Aldus vastgesteld door burgemeester en wethouders van de Gemeente Stichtse Vecht op 28 oktober 2025

drs. A.J.H.T.H. Reinders

burgemeester

drs. R.C.L. Heijdra

gemeentesecretaris/algemeen directeur

Naar boven