Verordening tot tweede wijziging van de Verordening sociaal domein gemeente Altena 2022

De raad van de gemeente Altena,

gelezen het voorstel van het college van burgemeesters en wethouders,

gelet op:

  • -

    artikel 147 van de Gemeentewet;

  • -

    wetswijzigingen binnen het sociaal domein;

  • -

    recente jurisprudentie

besluit:

 

vast te stellen de hierna volgende:

Verordening tot tweede wijziging van de Verordening sociaal domein gemeente Altena 2022

Artikel I Tweede wijziging Verordening sociaal domein gemeente Altena 2022

De Verordening sociaal domein gemeente Altena 2022 wordt als volgt gewijzigd:

 

A.

Artikel 2.2 komt te luiden:

2.2 Kernwaarden

  • We beperken regels en geven ruimte aan professionals (verantwoordelijkheden laag): we zijn een wendbare organisatie.

B.

Artikel 2.4.1 komt te luiden:

2.4.1 Procedure triage

JEUGDWET|WMO|PW|IOAW|IOAZ|WGS|WI

Na de melding neemt de gemeente de hulpvraag van de inwoner in behandeling. De gemeente bevestigt de melding binnen 3 dagen per brief of e-mail aan de inwoner. Ook geeft de gemeente informatie over de mogelijkheid om gratis hulp te krijgen door een onafhankelijk deskundige (cliëntondersteuner) en de mogelijkheid om zelf een plan op te stellen waarin de inwoner uitlegt hoe zijn persoonlijke situatie is en wat hij wil bereiken met zijn vraag (persoonlijk plan).

 

JEUGDWET

De ouder(s) en/of jeugdige kunnen zelf een familiegroepsplan opstellen, waarin zij samen met hun netwerk aangeven hoe ze de opvoed- en opgroeisituatie kunnen verbeteren. En waarin zij een oplossing kunnen aandragen om de problemen van de jeugdige in eigen kring op te lossen. De gemeente informeert de ouder(s) en/of de jeugdige over deze mogelijkheid.

 

C.

Artikel 2.4.2 komt te luiden:

2.4.2 Stap 1: gegevensverzameling en het gesprek na de melding

WMO|PW|IOAW|IOAZ|WGS|WI

2.4.2.3 doel en procedure gesprek

Het doel van het gesprek is om een goed beeld te krijgen van de hulpvraag, het effect dat de inwoner wil bereiken en van zijn persoonlijke situatie. Na de melding neemt een medewerker zo spoedig mogelijk contact op om een gesprek in te plannen. Het gesprek vindt bij voorkeur binnen drie weken plaats, tenzij de omstandigheden anders vereisen.

Bij de start van het gesprek identificeert de inwoner zich. Bij een fysiek gesprek gebeurt dit met een geldig identiteitsbewijs. Als de inwoner een persoonlijk plan heeft gemaakt, dan betrekt de medewerker dit bij het gesprek. De inwoner heeft hiervoor zeven dagen de tijd voorafgaand aan het gesprek.

In sommige situaties zijn meerdere gesprekken nodig om het doel te bereiken.

2.4.3 Stap 2: het onderzoek

WMO|PW|IOAW|IOAZ|WGS|WI

 

2.4.4 Stap 3: het verslag

WMO|PW|IOAW|IOAZ|WGS|WI

  • 4.

    De inwoner ondertekent het onderzoeksverslag en stuurt dit binnen 10 werkdagen retour naar de gemeente. Indien de inwoner het niet eens is met het verslag, kan dit binnen dezelfde termijn worden aangegeven. In dat geval ondertekent de inwoner het verslag voor gezien.

2.4.5 Stap4: de aanvraag

WMO|PW|IOAW|IOAZ|WGS|WKO|AWB|WI

 

2.4.6 Stap 5: de beslissing

WMO|PW|IOAW|IOAZ|WGS|WKO|AWB|WI

 

D.

Artikel 2.5.1 komt te luiden:

 

2.5.1Stap 1a: de aanvraag

 

JEUGDWET|WMO|PW|IOAW|IOAZ|WGS|WKO|AWB|LLV

 

2.5.1:Stap1b: Onderzoek en opstellen van onderzoeksverslag

 

JEUGDWET

 

  • 1.

    De gemeente onderzoekt, zo snel mogelijk, in een gesprek met jeugdige en (gezaghebbende) ouders:

    • a.

      wat de hulpvraag is van de jeugdige en/ of ouders;

    • b.

      of deze gemeente verantwoordelijk is;

    • c.

      of de jeugdwet van toepassing is;

    • d.

      de behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren, veiligheid, ontwikkeling en gezinssituatie van de jeugdige en/of zijn ouders

    • e.

      of er sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en/of stoornissen bij de jeugdige en om welke problemen het concreet gaat;

    • f.

      welke hulp gelet op de vastgestelde problematiek naar aard en omvang nodig is om de jeugdige in staat te stellen om gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en/of voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren;

    • g.

      de mogelijkheid van de jeugdige en/of ouder(s) om zelf of met ondersteuning van het sociale netwerk een oplossing voor de hulpvraag te vinden;

    • h.

      de mogelijkheid om de hulpvraag op te lossen door het inzetten van een voorliggende voorziening;

    • i.

      de mogelijkheden om de hulpvraag op te lossen door het inzetten van een algemene voorziening;

    • j.

      of en welke ondersteuning nodig is in de vorm van een individuele voorziening.

  • 2.

    De gemeente informeert jeugdige en/of ouder(s) over de mogelijkheid om een pgb aan te vragen en geeft uitleg over wat de regels, gevolgen en verantwoordelijkheden zijn van een pgb.

  • 3.

    Ter voorbereiding van het gesprek verstrekken de jeugdige en/of zijn ouder(s) alle gegevens en stukken die naar het oordeel van de gemeente voor het onderzoek nodig zijn en waarover de jeugdige en/of ouder(s) beschikken.

  • 4.

    De gemeente kan, met instemming van de jeugdige en/of ouder(s), informatie opvragen bij andere instanties, zoals de huisarts, en met deze in gesprek gaan over de problemen en de meest passende hulp.

  • 5.

    Als het nodig is vraagt de gemeente daarbij om advies van een deskundige.

  • 6.

    De gemeente kan in overleg met de jeugdige en/of ouder(s) afzien van een gesprek.

  • 7.

    De gemeente legt de uitkomsten van het onderzoek vast in het onderzoeksverslag. De jeugdige en/of ouder(s) kunnen binnen een termijn van 14 dagen hierop reageren. Ook legt de gemeente in afstemming met jeugdige en/of ouder(s) hierin afspraken vast over het bespreken van de resultaten van het onderzoeksverslag.

  • 8.

    De gemeente kan nadere regels vaststellen over de inhoud van het onderzoek en de manier waarop het onderzoek wordt uitgevoerd.

E.

Artikel 2.7.2 komt te luiden:

2.7.2 Spoedeisende gevallen

 

JEUGDWET|WMO|PW|LLV|WGS

 

In spoedeisende gevallen zorgt de gemeente ervoor dat de inwoner binnen 3 dagen de hulp krijgt die nodig is. Bij een crisis waarbij sprake is van een jeugdige, wordt de benodigde hulp uiterlijk binnen 24 uur ingezet. De gemeente kan dan afwijken van de normale procedure, als dat nodig is. Het kan gaan om de volgende (tijdelijke) hulp in afwachting van een onderzoek van de gemeente:

 

  • b.

    het vragen van een machtiging aan de kinderrechter voor gesloten jeugdhulp in het vrijwillig kader;

F.

Artikel 3.10 komt te luiden:

3.10 Meedoen in de samenleving

WMO

Inwoners die vanwege een beperking, een psychisch of psychosociaal probleem hulp nodig hebben om mee te doen in de samenleving (participatie), kunnen op aanvraag hulp-op-maat krijgen. Zij moeten wel aan de voorwaarden van artikel 2.4.5.2 respectievelijk 2.5.1. voldoen. Ook moet de hulp langdurig nodig zijn en een passende bijdrage leveren voor de inwoners, zodat zij in staat zijn om mee te doen in de samenleving en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen. De gemeente kan in ieder geval hiervoor begeleiding aanbieden. Hierin wordt onderscheid gemaakt tussen collectieve begeleiding (dagbesteding) en individuele begeleiding.

 

3.10.2Individuele begeleiding

WMO

De gemeente zet zich ervoor in dat inwoners met een beperking zo lang mogelijk zelfstandig kunnen wonen, de noodzakelijke dagelijkse activiteiten kunnen uitvoeren en een eigen huishouding kunnen voeren. Hierbij wordt ondersteuning geboden om de zelfstandigheid te bevorderen en deelname aan de samenleving te stimuleren. Taken zoals het beheren van de financiën worden niet gezien als begeleidingstaken en dienen te worden opgepakt door het voorliggend veld of het sociale netwerk.

 

3.10.3Contact met anderen

WMO

 

  • 2.

    De hulp is bedoeld voor:

    • a.

      Het zich verplaatsen rondom de woning;

    • b.

      Het zich verplaatsen over een langere afstand dicht bij huis: of

  • 3.

    Om collectief taxivervoer voor inwoners die dat nodig hebben beschikbaar en betaalbaar te houden, kijkt de gemeente eerst of een vervoersprobleem opgelost kan worden met collectief taxivervoer. Pas als dat niet passend is, kan een bijdrage in de kosten gegeven worden.

  • 4.

    Indien bovenstaande geen passende oplossing biedt, kan de gemeente inwoners een bijdrage geven in de kosten voor het gebruik van een (rolstoel)taxi;

3.10.6Sportvoorzieningen

WMO

 

  • 3.

    De volgende voorwaarden zijn van toepassing:

    • d.

      in het Uitvoeringsbesluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Altena 2025 wordt de tegemoetkoming voor meerkosten van deze voorziening nader uitgewerkt.

G.

Artikel 4.5.1komt te luiden:

4.5.1 Hulp-op-maat jeugdwet

JEUGDWET

  • 1.

    De gemeente kan in ieder geval de volgende hulp-op-maat aanbieden:

    • a.

      een plek in een pleeggezin, gezinshuis of verblijf in een instelling. Gezinshuis en pleegzorg heeft hierbij de voorkeur;

    • b.

      specialistische jeugdhulp in de vorm van begeleiding, ondersteuning of behandeling;

    • c.

      begeleidende verzorging;

    • d.

      Respijtzorg; gericht op het ontlasten van de (pleeg)ouder die zorg levert aan jongeren met een lichamelijke, zintuiglijke en/of verstandelijke beperking, en/of een psychiatrische of somatische aandoening. De dienstverlening die gevraagd is met betrekking tot respijt betreft dag-/naschoolse opvang en logeerzorg;

    • e.

      crisishulp

  • 2.

    Beoordeling (boven) gebruikelijke hulp en eigen kracht:

    • a.

      Jeugdigen en/of ouder(s) komen pas in aanmerking voor een individuele voorziening als zij zelf geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag binnen hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (eigen kracht). Hieronder wordt in ieder geval verstaan:

      • gebruikelijke hulp van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders

      • bovengebruikelijke hulp van ouders voor zover zij beschikbaar en in staat zijn de noodzakelijke hulp te bieden, dit geen (dreigende) overbelasting oplevert en door het bieden van de bovengebruikelijke hulp geen financiële problemen in het gezin ontstaan

      • de ondersteuning vanuit het sociale netwerk

      • het aanspreken van een aanvullende zorgverzekering die is afgesloten;

    • b.

      Gebruikelijke hulp is hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders. Zij zijn namelijk verplicht de tot hun gezin behorende minderjarige jeugdigen te verzorgen, op te voeden, te begeleiden en toezicht op hen te houden. Dit geldt ook als de jeugdige een ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek heeft. Bij uitval van 1 van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp over. Dit geldt ook bij gescheiden ouders. Er wordt dan ook rekening gehouden met de gebruikelijke hulp van de ouder waar de jeugdige niet woont.

    • c.

      Om vast te stellen of sprake is van gebruikelijke hulp beoordeelt het college of de benodigde hulp uitgaat boven de hulp die een jeugdige van dezelfde leeftijd zonder ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek nodig heeft. Het college houdt hierbij rekening met de volgende factoren:

      • de leeftijd van de jeugdige

      • de mate van zorg bij activiteiten en handelingen, de mate van toezicht en de mate van begeleiding/stimulans die een jeugdige van die leeftijd nodig heeft

      • de aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit van de jeugdige

      • de mate van planbaarheid van de hulp

      • de behoeften en mogelijkheden van de jeugdige

    • d.

      Als er sprake is van gebruikelijke hulp verstrekt het college geen individuele voorziening tot jeugdhulp. Hierop kan (tijdelijk) een uitzondering worden gemaakt als de ouders door (dreigende) overbelasting de gebruikelijke hulp niet kunnen bieden. Er moet dan wel een verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de hulp aan de jeugdige.

    • e.

      Gaat het om hulp die de gebruikelijke hulp overstijgt, zijn de ouders in eerste instantie nog steeds verantwoordelijk voor het bieden van deze bovengebruikelijke hulp. Het college beoordeelt dan of van ouders verwacht mag worden dat ze deze hulp bieden, zoals in lid 1 staat weergegeven. Het college maakt hierbij onderscheid tussen kortdurende en langdurende situaties:

      • Kortdurend: er is uitzicht op herstel van het (gezondheids)probleem en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de jeugdige. Het gaat hierbij over een aaneengesloten éénmalige periode van maximaal drie maanden in één kalenderjaar.

      • Langdurend: het gaat om chronische situaties waarbij naar verwachting de jeugdhulp langer dan drie maanden nodig is of voor meerdere periodes van drie maanden in één kalenderjaar.

    • f.

      De gemeente verwacht van ouders dat zij in kortdurende situaties de bovengebruikelijke hulp bieden, tenzij dit gelet op de aard van de hulp niet kan worden verwacht of de ouders door (dreigende) overbelasting de hulp niet kunnen bieden. Er moet dan wel een verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de hulp aan de jeugdige.

    • g.

      Bij de beoordeling in langdurige situaties houdt het college rekening met de volgende factoren:

      • de aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit van de jeugdige

      • de mate van planbaarheid van de hulp

      • het lichamelijk en geestelijk welzijn van de ouders

      • de manier van omgaan van ouders met de problemen van de jeugdige

      • vaardigheden van de ouders om zelf hulp te bieden (bijvoorbeeld een verpleegachtergrond)

      • of er sprake is van problematiek bij de ouders, zoals relationele problemen of schulden

      • welke verplichtingen de ouders hebben, bijvoorbeeld voor werk en sociale verplichtingen

      • het belang van ouders om een inkomen uit arbeid te krijgen en het eventueel ontstaan van financiële problemen

      • de woonsituatie

      • de samenstelling van het gezin en de relatie tussen de gezinsleden (bijvoorbeeld of er sprake is van een wettelijke stiefouder of niet)

      • is er een sociaal netwerk en zo ja, wat zijn de mogelijkheden en de bereidheid van het sociaal netwerk om de jeugdige of zijn ouders te ondersteunen

      • overige individuele omstandigheden die door jeugdige en ouders worden ingebracht

      • Als bovengenoemde factoren niet leiden tot problemen bij het kunnen verlenen van de hulp door de ouders, bij de beschikbaarheid van de ouders voor het verlenen van de hulp, bij de belasting van de ouders en bij de financiële situatie van de ouders wordt van hen verwacht dat zij de bovengebruikelijke hulp (eventueel deels) verlenen. Het college verstrekt dan geen individuele voorziening tot jeugdhulp.

      • Bij (dreigende) overbelasting geldt nog het volgende:

        • -

          Er moet een verband zijn tussen de overbelasting en de zorg aan de jeugdige.

        • -

          Als de overbelasting ziet op spanningen door het werk (bijvoorbeeld door te veel uren werken of stress) of door andere factoren buiten de zorg van de jeugdige om, moet de ouder eerst een oplossing zoeken in de oorzaak van die spanningen.

        • -

          Bij een aanvraag voor een individuele voorziening tot jeugdhulp bekijkt het college wat wordt gedaan om die spanningen te verminderen.

        • -

          Als de (dreigende) overbelasting kan worden verminderd door het herinrichten van het werk of andere sociale/maatschappelijke activiteiten wordt dit eerst van de ouder verwacht.

        • -

          Het verlenen van hulp aan je kind gaat voor op sociale/maatschappelijke activiteiten.

        • -

          Een pgb voor het verlenen van hulp aan een jeugdige door een ouder wordt beëindigd als er sprake is van (dreigende) overbelasting. Een andere zorgverlener moet het verlenen van hulp overnemen om de overbelasting te stoppen.

    • h.

      Als ouders een beroep kunnen doen op het sociale netwerk voor het bieden van ondersteuning bij de benodigde hulp aan de jeugdige wordt van hen verwacht dat ze hier gebruik van maken. De ondersteuning die het sociale netwerk biedt, valt onder de eigen kracht. Het college verstrekt hiervoor geen individuele voorziening tot jeugdhulp.

    • i.

      Als de jeugdige en/of de ouders een aanvullende zorgverzekering hebben die de benodigde hulp (deels) vergoedt, wordt van ouders verwacht dat zij deze aanspreken. Het college verstrekt dan geen individuele voorziening tot jeugdhulp of alleen een aanvullende voorziening voor het gedeelte dat niet wordt vergoed

H.

Artikel 5.1 komt te luiden:

5 Wonen in een veilige en gezonde omgeving

5.1 Inleiding

Inwoners met een beperking en/of met langdurige psychosociale problemen hebben soms hulp nodig om zo lang en zelfstandig mogelijk in hun eigen leefomgeving te kunnen blijven wonen. De gemeente heeft de taak om inwoners te ondersteunen als ze niet in staat zijn om zelf oplossingen te vinden voor knelpunten in hun woning, bij normale dagelijkse activiteiten en in de huishouding. De gemeente kijkt hierbij niet alleen naar de korte termijn, maar ook naar de te verwachten ontwikkelingen. In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen over de ondersteuning die de gemeente aan deze inwoners kan geven.

De gemeente zet zich ervoor in, dat inwoners met een beperking zo lang mogelijk zelfstandig kunnen wonen, de noodzakelijke dagelijkse activiteiten kunnen uitvoeren en een eigen huishouding kunnen voeren. Inwoners kunnen op aanvraag hulp-op-maat krijgen, als ze voldoen aan de voorwaarden van artikel 2.4.5.2 respectievelijk 2.5.1 Wet langdurige zorg. Ook moet die hulp langdurig nodig zijn en een passende bijdrage leveren, zodat inwoners zo lang mogelijk in hun eigen leefomgeving kunnen blijven wonen. Wanneer wordt vastgesteld dat een inwoner blijvend is aangewezen op 24 uur per dag zorg in de nabijheid of permanent toezicht, ondersteunt de gemeente de inwoner bij het aanvragen van een Wlz-indicatie bij het CIZ. Vanaf het moment dat de Wlz-indicatie is toegekend, valt de zorg onder de verantwoordelijkheid van de Wlz.

 

I.

Artikel 5.3.1 lid 2 en lid 3, sub b komen te luiden:

5.3 Zelfstandig en veilig wonen

5.3.1 Een geschikte woning

WMO

  • 2.

    De gemeente verwacht dat de inwoner verhuist als er een woning beschikbaar is, of binnen de medisch aanvaardbare termijn beschikbaar komt. De inwoner kan dan een vergoeding krijgen voor de kosten van verhuizing. Als verhuizing niet passend is, kan de gemeente besluiten de woning toch aan te passen.

  • 3.

    De gemeente verstrekt in ieder geval geen ondersteuning in de vorm van het aanpassen van de woning in de volgende situaties:

    • b.

      De inwoner verblijft in een hotel of pension, een tweede woning, een trekkerwoonwagen, een klooster, een vakantiewoning, een recreatiewoning of een ADL-clusterwoning.

J.

Artikel 5.3.3, lid 3 komt te luiden:

5.3.3 Beschermd wonen

WMO

  • 3.

    Het besluit over ondersteuning in de vorm van beschermd wonen, wordt genomen door de centrumgemeente Breda. De regels daarover zijn vastgelegd in de Verordening maatschappelijke ondersteuning Breda 2021.

K.

Artikel 6.4, lid 3, komt te luiden:

6.4 Onderzoek

LLV

  • 3.

    De gemeente betrekt bij het onderzoek de school die de leerling heeft verwezen naar speciaal onderwijs en de school die de leerling gaat bezoeken. Bij de beoordeling van de aanvraag kan de gemeente (vervoers-)adviezen van externe deskundigen betrekken.

L.

Artikel 6.5.1 komt te luiden:

6.5.1 Vervoersvoorziening

LLV

  • 1.

    De gemeente verstrekt aan ouders een voorziening voor vervoer naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school, als het kind:

    • a.

      feitelijk verblijft in de gemeente Altena ;

    • b.

      vanwege een langdurige beperking niet zelfstandig met het OV of met de fiets naar school kan reizen.

  • 2.

    De gemeente verstrekt aan ouders ook een voorziening voor vervoer naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor BO, SBO, SO of VSO , als het kind:

    • a.

      in de gemeente Altena woont;

    • b.

      naar de basisschool gaat of speciaal onderwijs volgt; en

    • c.

      op meer dan zes kilometer van de dichtstbijzijnde toegankelijke school woont; of

    • d.

      naar een school gaat die verder weg is gelegen dan die dichtstbijzijnde toegankelijke school, als de kosten voor de gemeente lager zouden zijn en de ouders met het vervoer naar deze school schriftelijk instemmen.

  • 6.

    Ingeval er binnen een school sprake is van verschillende lesroosters binnen de vaste schooltijden, waardoor de leerling later begint of eerder klaar is, kan de gemeente besluiten met de inzet van het aangepaste vervoer een wachttijd aan te houden van maximaal twee lesuren, om ritten van leerlingen maximaal te kunnen combineren.

M.

Artikel 6.5.4, lid 3 t/m 5 komen te vervallen. En lid 2 komt te luiden:

6.5.4 Vervoersvoorziening naar stageadres

LLV

  • 2.

    De gemeente stelt nadere regels op over vervoersvoorzieningen naar stageplekken.

N.

Artikel 6.6.1, lid 1; lid 2, sub c en d en lid 5 komen te luiden:

6.6.1 Vervoersvoorziening

LLV

  • 1.

    De gemeente stemt de vervoersvoorziening waarop de ouders aanspraak maken af op de goedkoopste en meest zelfredzame manier van reizen, in deze volgorde van voorkeur:

    • -

      fietsen (eventueel met begeleiding);

    • -

      openbaar vervoer (eventueel met begeleiding);

    • -

      aangepast vervoer;

    • -

      vervoer met eigen auto (één vergoeding per rit).

  • 2.

    Aangepast vervoer is nodig in de volgende situaties:

    • c.

      Het kind heeft begeleiding nodig bij het reizen naar school, maar de ouders kunnen niet voorzien in deze begeleiding, of deze begeleiding heeft grote nadelen voor het gezin en een andere oplossing is niet mogelijk.

    • d.

      Het kind heeft langdurige beperkingen waardoor hij niet met het OV naar school kan reizen (ook niet met begeleiding).

  • 5.

    Als de ouders recht hebben op andere (gedeeltelijke) vergoedingen voor de reiskosten van het kind, trekt de gemeente deze vergoedingen af van de vergoeding die de gemeente geeft.

O.

Artikel 6.6.2 lid 1 en 2 komen te luiden:

Bijzondere regeling vervoer naar de basisschool

LLV

  • 1.

    Is het jaarinkomen van de ouders in het peiljaar hoger dan de drempel genoemd in de WPO artikel 4, 7e lid (Wet Primair Onderwijs) (drempelbedrag) en gaat de leerling naar een school voor BO? Dan trekt de gemeente per kind de kosten voor de eerste zes kilometer met het OV af van de vergoeding aan de ouders. Het gaat om de kosten voor het gebruik van een OV-chipkaart of een andere OV-betaalmogelijkheid door het kind en een eventuele begeleider. Ook als er geen OV beschikbaar is of als er geen gebruik wordt gemaakt van het OV, trekt de gemeente dit bedrag af van de vergoeding. Bij aangepast vervoer moeten de ouders dit bedrag aan de gemeente betalen (de “eigen bijdrage tot 6 kilometer”).

  • 2.

    Is de reisafstand meer dan 20 kilometer en gaat de leerling naar een BO-school ? Dan betalen ouders per kind de reiskosten voor een deel zelf of helemaal zelf (de “eigen bijdrage voorbij 20 kilometer”). Als de gemeente zorgt voor aangepast vervoer, dan betalen de ouders de eigen bijdrage aan de gemeente. Als het kind op een andere manier wordt vervoerd, dan wordt de eigen bijdrage afgetrokken van de vergoeding die de ouders van de gemeente krijgen. De hoogte van deze eigen bijdrage wordt per kind per schooljaar berekend en hangt af van het jaarinkomen van de ouders in het peiljaar:

     

    Jaarinkomen

    Eigen bijdrage per schooljaar

    0-€ 39.500

    nihil

    € 39.500-€ 46.500

    € 185

    € 46.500-€ 54.00

    € 815

    € 54.000-€ 60.500

    € 1.510

    € 60.500-€ 69.500

    € 2.215

    € 69.500-€ 76.000

    € 2.970

    € 76.000 en verder voor elke extra € 5.000

    € 710 erbij

P.

Artikel 6.8 lid 1 en 2 komen te luiden:

6.8 Vergoeding van reiskosten

JEUGDWET | PW | IOAW | IOAZ

  • 1.

    De gemeente kan in ieder geval in de volgende gevallen een vergoeding van de reiskosten verstrekken:

    • a.

      het vervoer van een kind vanaf het huisadres naar de vestiging van de Internationale schakelklas.

    • b.

      aan inwoners die in verband met het volgen van een re-integratietraject moeten reizen.

    • c.

      aan inwoners met een laag inkomen, voor reizen die noodzakelijk zijn op grond van bijzondere omstandigheden.

  • 2.

    De gemeente stelt beleidsregels op over de vergoeding van reiskosten.

Q.

Artikel 6.9 komt te luiden:

6.9 Bekostiging andere passende vervoersvoorziening

LLV

Als aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening voor aangepast vervoer, kan de gemeente na overleg met de ouders een bekostiging verstrekken voor een andere passende voorziening, die goedkoper is dan of gelijk is aan de kosten van het aangepast vervoer. Dit kan onder andere betrekking hebben op de aanschaf van een vervoermiddel

JEUGDWET

Als aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening, kan de gemeente na overleg met de ouders een bekostiging verstrekken voor een andere passende voorziening, die goedkoper is dan of gelijk is aan de kosten van het openbaar vervoer.

 

R.

Artikel 7.4.1. komt te luiden:

7.4.1 Vangnet

PW

  • 1.

    De gemeente biedt bijzondere bijstand actief aan als een financieel vangnet voor inwoners die geen beroep kunnen doen op eigen mogelijkheden of op andere voorzieningen. Bijzondere bijstand is ervoor bedoeld dat inwoners met een laag inkomen en zonder goede financiële buffer:

    • a.

      extra noodzakelijke uitgaven kunnen betalen. Het gaat dan om uitgaven die niet uit het maandelijkse inkomen kunnen worden betaald, en

    • b.

      voldoende mogelijkheden hebben om mee te doen aan maatschappelijke activiteiten.

  • 2.

    Bij het beoordelen van een aanvraag voor bijzondere bijstand betrekt de gemeente de kernwaarden en de doelen van het gemeentelijke minimabeleid.

  • 3.

    De gemeente maakt zo weinig mogelijk gebruik van bijzondere bijstand in de vorm van een lening.

  • 4.

    De gemeente legt in beleidsregels vast welke rol bijzondere bijstand heeft bij armoedebestrijding.

S.

Artikel 7.5 Studietoeslag wordt ingetrokken.

 

T.

Artikelen 7.6, 7.7, 7.8, 7.9 en 7.10 komen te luiden:

7.5 Inkomenstoeslag

7.5.1 Doelgroep

7.5.2 Hoogte van de toeslag

7.6 Kindpakket

7.6.1 Doelgroep

7.6.2 Inhoud kindpakket

7.7 Bijdrage voor maatschappelijke activiteiten

7.7.1 Doelgroep

7.7.2 Inhoud activiteitenfonds

7.7.3 Bijdrage

7.8 Maaltijdvoorziening

7.8.1 Doelgroep

7.9 Schuldhulpverlening

7.9.1 Samenwerking en toegang

7.9.2 Schuldhulpverlening

 

7.6.2. komt te luiden:

7.5.2 Hoogte van de toeslag

PW

  • 1.

    De individuele inkomenstoeslag voor inwoners met een inkomen tot en met 120% van de bijstandsnorm is per kalenderjaar:

    • a.

      € 545 voor een alleenstaande;

    • b.

      € 648 voor een alleenstaande ouder;

    • c.

      € 761 voor gehuwden of samenwonenden.

  • Indexatie is van toepassing.

Artikel 7.7 komt te luiden:

7.6 Kindpakket

PW |GEMEENTEWET

Kinderen vormen een belangrijke én kwetsbare groep waar de gemeente zich verantwoordelijk voor voelt. De gemeente wil kinderen helpen die opgroeien in een gezin met een laag inkomen, zodat ze zich kunnen ontwikkelen en mee kunnen doen aan maatschappelijke activiteiten. Deze maatregelen noemt de gemeente het Kindpakket.

 

De beleidsregels bevatten informatie over de doelgroep, de inkomensgrens, de uitvoerende organisatie en de activiteiten waarvoor het Kindpakket bedoeld is. Daarnaast is in de beleidsregels de aanvraagprocedure vastgelegd.

 

Artikel 7.8 komt te luiden:

7.7 Bijdrage voor maatschappelijke activiteiten

GEMEENTEWET

 

Om actief deel te kunnen nemen aan de samenleving is het belangrijk dat inwoners meedoen aan maatschappelijke activiteiten. Hieraan zijn meestal kosten verbonden. De gemeente heeft hiervoor een Activiteitenfonds. Inwoners met een laag inkomen en geen goede financiële buffer kunnen een vergoeding krijgen om te sporten en om mee te doen aan culturele, sportieve, recreatieve en andere maatschappelijke activiteiten. De gemeente stelt beleidsregels vast waarin de doelgroep, inkomensgrenzen en de maximale bijdrage per kalenderjaar zijn opgenomen, evenals de activiteiten waarvoor de bijdrage bestemd is. Ook de aanvraagprocedure maakt deel uit van deze beleidsregels.

 

7.9 komt te luiden:

 

7.8 Maaltijdvoorziening

 

Inwoners zijn niet altijd zelf in staat om een warme maaltijd te bereiden. Inwoners kunnen dan gebruikmaken van de maaltijdvoorziening van enkele maatschappelijke organisaties. Deze maaltijden voldoen aan de eisen die worden gesteld aan gezonde maaltijden. Voor inwoners met een laag inkomen die gebruikmaken van deze maaltijdvoorziening wordt de prijs van de maaltijd lager vastgesteld. De gemeente stelt beleidsregels vast waarin de doelgroep, inkomensgrenzen en de maximale bijdrage per kalenderjaar zijn opgenomen. Ook de aanvraagprocedure maakt deel uit van deze beleidsregels.

 

7.10 komt te luiden:

 

7.9 Schuldhulpverlening

De gemeente heeft de taak om inwoners te ondersteunen bij financiële problematiek. Deze ondersteuning richt zich zowel op inwoners die te maken hebben met problematische schulden als op inwoners die (nog) geen schulden hebben, maar wel kampen met financiële zorgen.

 

Inwoners kunnen de gemeente verzoeken om hulp bij het verkrijgen of behouden van financieel overzicht en stabiliteit. Hieronder worden de belangrijkste uitgangspunten genoemd die richting geven aan de wijze waarop deze ondersteuning wordt vormgegeven.

 

U.

Artikel 8.5.1 lid 8 t/m 10 wordt toegevoegd, luidende:

  • 8.

    Van formele jeugdhulp is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen:

    • a.

      personen die werkzaam zijn bij een organisatie met een aanbod dat past bij de hulpvraag waarvoor de jeugdige en/of de ouder(s) het pgb krijgen. De organisatie staat ingeschreven in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007). De personen beschikken over de relevante diploma’s om de werkzaamheden die nodig zijn uit te voeren of;

    • b.

      personen die als zelfstandige zonder personeel (zzp’er) werkzaamheden uitvoeren die passen bij de hulpvraag waarvoor de jeugdige en/of ouder(s) het pgb krijgen. De zzp’er staat voor deze werkzaamheden ingeschreven in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007). Ook beschikt de zzp’er over de relevante diploma’s of werkervaring die nodig zijn voor uitoefening van deze werkzaamheden, of;

    • c.

      personen die ingeschreven staan in het register, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG-registratie) en/of artikel 5.2.1 van het Besluit Jeugdwet, voor het uitoefenen van een beroep voor het verlenen van jeugdhulp (SKJ-registratie).

  • 9.

    Als de hulp wordt verleend door een andere persoon dan beschreven in lid 8 onder a, b of c gaat het altijd om informele hulp.

  • 10.

    Als de jeugdhulp geboden wordt door een persoon uit het sociaal netwerk van de budgethouder is altijd sprake van informele hulp.

V.

Artikel 8.5.4 komt te luiden:

8.5.4 Pgb-plan

JEUGDWET|WMO

  • 1.

    Als De inwoner of diens wettelijk vertegenwoordiger een individuele voorziening met een pgb wenst in te kopen, moeten zij een motivatieplan opstellen. In het motivatieplan staat:

    • a.

      de motivatie waarom het natura-aanbod van de gemeente niet passend is en waarom zij een pgb wensen;

    • b.

      bij welke aanbieder zij de (jeugd)hulp willen inkopen en hoe de (jeugd)hulp is georganiseerd;

    • c.

      hoe de kwaliteit van de (jeugd)hulp is gewaarborgd;

    • d.

      wat de kosten voor de (jeugd)hulp zijn;

    • e.

      wie het pgb beheert en hoe deze taken worden uitgevoerd.

  • 2.

    De gemeente stelt nadere regels vast over de voorwaarden waar dit plan aan moet voldoen.

W.

Artikel 8.5.5, lid 2 sub a en b en lid 4 komen te luiden:

8.5.5 Hoogte en tarief pgb

WMO|JEUGDWET

  • 1.

    De hoogte van het pgb bedraagt nooit meer dan de tarieven waarvoor de gemeente de dienst of voorziening heeft gecontracteerd bij verstrekking in natura.

  • 2.

    De pgb-tarieven worden als volgt bepaald:

    • a.

      Jeugdhulp door een professionele hulpverlener: Deze tarieven zijn gebaseerd op de tariefstelling van deze aanbieder, tot een maximum van 90% van het tarief dat hiervoor wordt gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde aanbieder. Als het op basis van lid 1 vastgestelde pgb in een individueel geval onvoldoende is om de passende jeugdhulp te kunnen inkopen, wordt het tarief zodanig aangepast dat de hulp hiermee bij tenminste één jeugdhulpaanbieder kan worden ingekocht.

    • b.

      De hoogte van het pgb voor informele hulp is bij het bestaan van een arbeidsovereenkomst of overeenkomst van opdracht gelijk aan het minimum uurloon, inclusief vakantiebijslag, zoals bedoeld in de Wet minimumvakantiebijslag voor een persoon van 21 jaar of ouder met 36 urige werkweek.

  • 4.

    De gemeente stelt de tarieven voor pgb vast in nadere regels.

    • a.

      Bij jeugdhulp die wordt verleend op basis van een verklaring als bedoeld in artikel 8, lid 1, sub a en b Jeugdwet bedraagt het pgb de maximale hoogte van de tegemoetkoming per kalendermaand voor een hulp uit het sociaal netwerk zoals opgenomen in artikel 8ab lid 1 van de Regeling Jeugdwet, tenzij op basis van het budgetplan van de cliënt kan worden volstaan met een lagere tegemoetkoming.

X.

Artikel 8.5.6, lid 2 en lid 3 komen te luiden:

8.5.6 De zorgovereenkomst

JEUGDWET | WMO

  • 2.

    De toetsing van de zorgovereenkomst op arbeidsrechtelijke zaken wordt uitgevoerd door de SVB. De gemeente is verantwoordelijk voor de beoordeling van de zorgovereenkomst. Daarbij worden zowel de inhoud als de financiën beoordeeld.

  • 3.

    de gemeente heeft nadere regels opgesteld over het niet goedkeuren van de uitvoering van de zorgovereenkomst

Y.

Artikel 8.6, lid 1 en lid 5 komen te luiden:

  • 1.

    De inwoner betaalt een bijdrage in de kosten voor Wmo-hulp-op-maat, zolang de inwoner een beschikking heeft voor deze voorziening. Gaat het om een product of overige kosten, zoals onderhoud en reparatie aan een product, dan betaalt de inwoner een bijdrage totdat de kostprijs is betaald. De inwoner betaalt de bijdrage per maand aan het Centraal Administratiekantoor (CAK). De hoogte van deze periodieke bijdrage is gelijk aan het bedrag dat maximaal betaald moet worden op grond van de Wmo 2015.

  • 5.

    De eigen bijdrage kan gepauzeerd worden als u langer dan zes weken geen ondersteuning-op-maat ontvangt, omdat een aanbieder niet levert. Dit geldt alleen voor ondersteuning-op-maat in de vorm van een dienst. Het pauzeren van de eigen bijdrage is niet mogelijk als u een andere voorziening heeft waarvoor u een eigen bijdrage betaalt.

Z.

Artikel 9.6.1, lid 3 wordt toegevoegd, luidende:

  • 3.

    De gemeente informeert jeugdigen en ouders duidelijk over de rechten en plichten die verbonden zijn aan de toegekende individuele voorziening (in natura of in pgb-vorm) en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de voorziening.

AA.

Artikel 9.6.2 komt te luiden:

9.6.2 Terugvordering voorziening

JEUGDWET |WMO |PW | IOAW | IOAZ | WGS | LLV | WKO | GEMEENTEWET | BURGERLIJK WETBOEK

De gemeente kan de voorziening of de waarde daarvan van de inwoner terugvorderen. Dat kan vanaf het moment waarop is voldaan aan één of meer van de redenen voor beëindiging die genoemd worden in artikel 9.6.1 van deze verordening. Wmo-voorzieningen kunnen alleen worden teruggevorderd als die voorzieningen zijn ingetrokken omdat de inwoner onjuiste of onvolledige gegevens aan de gemeente heeft verstrekt.

 

AB.

In Hoofdstuk 14 “Begrippen” worden in alfabetische rangschikking de volgende begrippen en de daarbij behorende omschrijvingen ingevoegd:

 

Budgethouder: de persoon die een pgb op grond van de Jeugdwet.

 

Bovengebruikelijke zorg: Wanneer een kind zich langdurig niet volgens de gewone ontwikkelingsfase ontwikkelt, hierin achter is of achterblijft of een progressieve ziekte of stoornis heeft waardoor hij/zij belemmerd wordt in de gewone ontwikkeling kan de zorg bovengebruikelijk genoemd worden en kan soms niet verwacht worden dat het opheffen van deze belemmering tot de gebruikelijke opvoeding behoort. Wij noemen de ondersteuning dan bovengebruikelijk.

Cliëntondersteuner: onafhankelijk persoon die de jeugdige/en of ouder(s) ondersteunt met informatie, advies en algemene ondersteuning, die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen.

 

Eigen kracht: de mogelijkheden en probleemoplossend vermogen van ouders om zelf, of met behulp van hun sociaal netwerk, tegemoet te komen aan de behoefte aan jeugdhulp van de jeugdige.

 

Financiële buffer: vermogen op of boven de vastgestelde vermogensgrens zoals opgenomen in de Participatiewet.

 

Individuele voorziening: een jeugdhulpvoorziening voor de jeugdige en/of ouder(s) die door het college in natura (zorg in natura) of in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) wordt verstrekt

Ondersteuningsplan veranderen in onderzoeksverslag

Laag inkomen: een inkomen dat gedurende een ononderbroken periode van 36 maanden lager is dan 120% van de bijstandsnorm. Daarbij is er geen sprake van een goede financiële buffer.

Schoolsoort: indeling van de school naar het soort onderwijs dat er wordt gegeven. De volgende schoolsoorten worden onderscheiden:

  • BO: regulier basisonderwijs op grond van de WPO (niet zijnde SBO);

  • SBO: speciaal basisonderwijs op grond van de WPO;

  • SO: speciaal onderwijs op grond van de WEC;

  • VSO: voortgezet speciaal onderwijs op grond van de WEC;

  • VO: voortgezet onderwijs op grond van de WVO (inclusief PrO);

  • PrO: praktijkonderwijs op grond van de WVO.

Wettelijke vertegenwoordiger: De wettelijk vertegenwoordiger heeft het recht en de plicht als enige op te treden als belangenbehartiger van zijn of haar kind en diens belangen te verdedigen. Een minderjarige kan niet zelf vragen om een besluit of zorgindicatie. Dit dient altijd te geschieden door zijn of haar wettelijke vertegenwoordiger.

WPO, WEC en WVO: de drie wetten die het basisonderwijs, speciaal onderwijs en voortgezet onderwijs regelen.

Zorg in natura: de hulp die aan personen wordt geleverd door aanbieders die door de gemeente zijn gecontracteerd.

 

AC.

In Hoofdstuk 14 “Begrippen” worden in alfabetische rangschikking de volgende begrippen en de daarbij behorende omschrijvingen verwijderd:

 

Basisschool: basisschool of speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs.

 

Dichtstbijzijnde school: school die het dichtst bij de woning of opstapplaats van het kind ligt, gemeten via de kortste route waarlangs het kind veilig kan reizen. Als het kind naar een speciale basisschool gaat, dan is de dichtstbijzijnde school de school de dichtstbijzijnde speciale basisschool in het samenwerkingsverband van de basisschool dat het kind eerst bezocht, of een andere speciale basisschool binnen dit samenwerkingsverband, als het vervoer naar die school voor de gemeente goedkoper is.

 

Toegankelijke school: school waarop de leerling is aangewezen van de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting dan wel de openbare school.

 

AD.

In Hoofdstuk 14 “Begrippen” komt het begrip school als volgt te luiden:

 

Bijstandsnorm: de maximale hoogte van de bijstandsuitkering bedoeld in artikel 5, onderdeel c van de Participatiewet. De hoogte hangt af van de woon-en leefsituatie en de leeftijd van de inwoner. Voor hoofdstuk 7 wordt onder bijstandsnorm verstaan: de bijstandsnorm met de (reservering voor de) vakantietoelage.

 

School: de schoollocatie waar de leerling onderwijs volgt op grond van de WPO, WEC of WVO.

Artikel II Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2026.

Artikel III Citeertitel

Deze verordening wordt genoemd: Verordening tot tweede wijziging van de Verordening sociaal domein gemeente Altena 2022

Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Altena van 28 oktober 2025

de voorzitter,

drs. E.B.A. Lichtenberg MCM

de raadsgriffier,

P.J.E. Breukers

Naar boven