Beleidsregels Coffeeshopbeleid gemeente Vlaardingen 2025

De burgemeester van de gemeente Vlaardingen;

 

gelet op artikel 174 Gemeentewet, artikel 13b Opiumwet, artikel 4:81 e.v. Algemene wet bestuursrecht, de Algemene Plaatselijke Verordening Vlaardingen 2019 (APV) en hetgeen is bepaald in de Aanwijzing Opiumwet;

 

overwegende dat;

  • het beschermen van de openbare orde en veiligheid en het woon- en leefklimaat in de omgeving van een coffeeshop het voornaamste doel en van belang is;

  • het laten plaatsvinden van de verkoop van softdrugs onder strikte voorwaarden voorkomt dat kopers in aanraking komen met straathandelaren;

  • tegengaan van criminele activiteiten en criminele organisaties het uitgangspunt is;

  • de gemeente Vlaardingen optreedt tegen criminele samenwerkingsverbanden achter de productie en illegale verkoop van hennep c.q. cannabis, zoals bedoeld in lijst II van de Opiumwet;

  • het opstellen van beleidsregels, kwetsbare groepen, met name jongeren, beschermt;

  • het strikt handhaven van de minimumleeftijd in coffeeshops en het weren van coffeeshops in de nabijheid van scholen en instellingen waar veel jongeren komen, het gebruik van softdrugs onder jongeren zoveel mogelijk voorkomt;

  • het opstellen van beleidsregels zorgt dat gebruikers niet zijn aangewezen op de illegale verkoop;

  • het vorige beleid in 2019 is vastgesteld en de actualiteit om nieuwe beleidsregels vraagt.

Besluit vast te stellen:

 

Beleidsregels Coffeeshopbeleid gemeente Vlaardingen 2025.

 

Begripsbepalingen

  • 1.

    In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

    • a.

      Awb: Algemene wet bestuursrecht;

    • b.

      Wet: Opiumwet;

    • c.

      LBB: Landelijk Bureau Bibob;

    • d.

      Wet Bibob: Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur;

    • e.

      APV: Algemene Plaatselijke Verordening Vlaardingen 2019;

    • f.

      De gemeente: de gemeente Vlaardingen;

    • g.

      Openbare inrichting: een inrichting zoals benoemd in artikel 2.33, eerste lid, onderdeel a, Algemene Plaatselijke Verordening Vlaardingen 2019;

    • h.

      Exploitant: degene zoals benoemd in artikel 2.33, eerste lid, onderdeel c, Algemene Plaatselijke Verordening Vlaardingen 2019;

    • i.

      Leidinggevende(n): de natuurlijke persoon of personen zoals benoemd in artikel 2.33, eerste lid, onderdeel d, Algemene Plaatselijke Verordening Vlaardingen 2019;

    • j.

      Harddrugs: middelen zoals vermeldt in lijst I van de Opiumwet;

    • k.

      Softdrugs: middelen zoals vermeldt in lijst II van de Opiumwet;

    • l.

      Hennepproducten: op lijst II van de Opiumwet vermelde hennepproducten.

  • 2.

    De begripsbepalingen van de Opiumwet zijn op deze beleidsregels onverkort van toepassing.

I. Wijze van toepassen beleidsregels

Artikel 1  

  • 1.

    Een coffeeshop is:

    • een alcoholvrije horeca-inrichting waar handel in en gebruik van hennepproducten, zijnde softdrugs als bedoeld in lijst II Opiumwet, plaatsvindt; en

    • waarvoor op grond van de APV een vergunningplicht geldt.

  • 2.

    De burgemeester gedoogt deze bedrijfsvoering bij het voldoen aan:

    • a.

      de AHOJGI+-criteria1; en

    • b.

      de uitgangspunten van dit beleid; en

    • c.

      de eis dat de exploitant beschikt over een exploitatievergunning en een gedoogverklaring, zoals omschreven in artikel 2 en 3 van deze beleidsregels.

Artikel 2. Exploitatievergunning

  • 1.

    Het exploiteren van een coffeeshop, zonder te beschikken over een op grond van de APV vereiste vergunning voor het exploiteren van een openbare inrichting, is verboden.

  • 2.

    Het verlenen van de exploitatievergunning vindt plaats nadat de aanvraag is beoordeeld aan de hand van de criteria zoals vastgelegd in artikel 8 van deze beleidsregels.

Artikel 3. Gedoogverklaring

  • 1.

    Voor het exploiteren van een coffeeshop is, naast een vergunning voor het exploiteren van een openbare inrichting, een gedoogverklaring van de burgemeester vereist.

  • 2.

    Het is mogelijk dat aan de gedoogverklaring, naast de AHOJGI+-criteria, aanvullende gedoogvoorwaarden zijn gesteld.

  • 3.

    De gedoogverklaring is gebonden aan een persoon en locatie, niet overdraagbaar en wordt niet verstrekt aan een rechtspersoon.

  • 4.

    De gedoogverklaring vermeldt alle personeelsleden. De gemeente wordt van elke verandering in het personeelsbestand zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen drie weken op de hoogte gesteld.

  • 5.

    De gedoogverklaring is altijd in de inrichting aanwezig en wordt op verzoek van de toezichthouders getoond.

  • 6.

    Tijdens openingstijden van de inrichting is de houder van de gedoogverklaring, of de daarop vermelde leidinggevende, altijd aanwezig.

  • 7.

    Een aanvraag voor een nieuwe gedoogverklaring wordt aangemerkt als een aanvraag voor een nieuw te vestigen coffeeshop.

Artikel 4. Verzoek om een gedoogverklaring

  • 1.

    In een verzoek staat in ieder geval vermeld:

    • a.

      de persoonlijke gegevens van exploitant en leidinggevende(n);

    • b.

      een inschrijvingsbewijs bij de Kamer van Koophandel van de coffeeshop;

    • c.

      een bewijs, dat aantoont dat de exploitant en leidinggevende(n) deskundig zijn op het gebied van problematisch drugsgebruik en -verslaving, afgegeven door een instelling voor verslavingszorg;

    • d.

      adresgegevens en kadastrale gegevens van de gewenste locatie;

    • e.

      huurcontract of een eigendomsbewijs van de gewenste locatie;

    • f.

      in geval van een huurcontract, een toestemmingsverklaring van de eigenaar van het pand tot de exploitatie van een coffeeshop in diens pand;

    • g.

      een nauwkeurige beschrijving van de oppervlakte en inrichting, voorzien van een plattegrond;

    • h.

      een beschrijving van de beoogde wijze voor het voorkomen van cannabisverslaving;

    • i.

      een beschrijving van de wijze van het beschermen van de leefbaarheid, veiligheid en openbare orde in de directe omgeving van de coffeeshop;

    • j.

      een beschrijving van de beoogde aanpak als het gaat om het beheersen van bezoekersstromen met de daarbij behorende verkeers- en parkeerproblematiek in de directe omgeving van de coffeeshop.

  • 2.

    De burgemeester besluit binnen twaalf weken of een gedoogverklaring wordt afgegeven.

Artikel 5. Geldigheidsduur gedoogverklaring

Een gedoogverklaring wordt, in navolging van de exploitatievergunning, afgegeven voor de duur van maximaal vijf jaar.

Artikel 6. Maximumstelsel en vestigingsvoorwaarden

  • 1.

    De gemeente Vlaardingen geeft maximaal drie gedoogverklaringen voor het exploiteren van een coffeeshop af.

  • 2.

    In navolging van het eerste lid vindt het afgeven van een gedoogverklaring slechts plaats indien het maximumaantal van drie gedoogde coffeeshops nog niet is bereikt.

  • 3.

    De volgende vestigingsvoorwaarden zijn van toepassing op een nieuw te vestigen coffeeshop:

    • a.

      een coffeeshop is alleen toegestaan op een locatie die in het omgevingsplan als bestemming horeca categorie 3 of hoger heeft;

    • b.

      in gebieden met voornamelijk een woonfunctie is een coffeeshop niet toegestaan;

    • c.

      geen enkele coffeeshop is toegestaan binnen een straal van 250 meter van een school, instelling voor jongeren en centra voor verslavingszorg.

  • 4.

    Wanneer een school, instelling of centra, zoals genoemd in het derde lid, onderdeel c, zich vestigt binnen 250 meter reëel af te leggen loopafstand over de openbare weg tussen de voordeur van de coffeeshop en de hoofdingang van de school of instelling, kan de burgemeester aangepaste openingstijden opleggen aan de coffeeshop als hij van mening is dat dit noodzakelijk is voor het beschermen van minderjarigen of kwetsbare personen.

  • 5.

    De exploitatie van een bestaande coffeeshop, die in strijd is met de in dit beleid vastgestelde vestigingsvoorwaarden, mag worden voortgezet door de huidige exploitant.

  • 6.

    Het overnemen van de exploitatie van een bestaande coffeeshop is niet mogelijk. Dit wordt, krachtens de in deze beleidsregels gestelde voorwaarden, gezien als een nieuwe aanvraag tot het exploiteren van een coffeeshop.

Artikel 7. Eisen exploitant en leidinggevende(n)

  • 1.

    Voor het in aanmerking komen voor een gedoogverklaring moeten zowel de exploitant als eventuele leidinggevende(n) voldoen aan onderstaande eisen:

    • a.

      deze natuurlijke persoon heeft de leeftijd van 21 jaar bereikt;

    • b.

      deze natuurlijke persoon is niet in enig opzicht van slecht levensgedrag;

    • c.

      deze persoon staat niet onder curatele; en

  • 2.

    Voor het in aanmerking komen voor een gedoogverklaring moet een plan, dat deel uitmaakt van het ingediende verzoek tot een gedoogverklaring, aantonen dat voldaan is aan alle gedoogcriteria en aanvullende voorwaarden genoemd in de artikelen 9 en 10 van deze beleidsregels.

Artikel 8. Toets aanvraag

  • 1.

    Een aanvraag voor een exploitatievergunning met een gedoogverklaring wordt, voor het beschermen van de openbare orde en veiligheid en de invloed op het woon- en leefklimaat, getoetst aan:

    • a.

      het Omgevingsplan;

    • b.

      de in deze beleidsregels gestelde voorwaarden;

    • c.

      de Wet Bibob;

    • d.

      de voorschriften zoals bepaald in de APV;

    • e.

      de eisen aan het levensgedrag van de exploitant en leidinggevenden, opgenomen in de onder het eerste lid, onderdeel c en d, vermelde wet- en regelgeving en voorschriften;

    • f.

      openbare orde en veiligheid en het voorkomen van overlast;

  • 2.

    De gemeente Vlaardingen voert een eigen onderzoek, als bedoeld in artikel 7a van de Wet Bibob, uit, waarbij alle beschikbare middelen worden ingezet binnen de gegeven kaders:

    • a.

      voorafgaand aan het verlenen van de exploitatievergunning;

    • b.

      indien de geldigheidsduur van de verleende exploitatievergunning verloopt en een nieuwe aanvraag tot verlenen van een exploitatievergunning is ingediend;

    • c.

      tijdens de looptijd van de vergunning als er integriteitsvragen bestaan over de coffeeshophouder of diens manier van exploitatie.

  • 3.

    Voor het bevorderen van een zorgvuldige behandeling van een aanvraag, wint de gemeente Vlaardingen advies in bij de politie.

  • 4.

    Indien het eigen onderzoek onder het tweede lid onvoldoende uitsluitsel geeft, wint de gemeente Vlaardingen advies in bij het LBB, onderdeel van het ministerie van Justitie en Veiligheid.

  • 5.

    In onderhevige gevallen mag de gemeente Vlaardingen afwijken van het door het LBB gegeven advies.

  • 6.

    De voorwaarden in de Beleidsregels Wet Bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur gemeente Vlaardingen 2024 zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 9. Gedoogcriteria coffeeshops

Het Openbaar Ministerie gedoogt de verkoop van softdrugs bij het voldoen aan de zogeheten AHOJGI+-criteria:

 

  • A: geen affichering: de coffeeshop maakt geen reclame voor hun handelswaar, anders dan een summiere aanduiding op de betreffende locaties;

  • H: geen verkoop van harddrugs: het verkopen en/of het voorhanden hebben van harddrugs is niet toegestaan;

  • O: geen overlast: de coffeeshop veroorzaakt geen overlast (i.e. geluidsoverlast, parkeeroverlast, vervuiling en/of voor of nabij de coffeeshop rondhangende klanten);

  • J: geen toegang en verkoop aan jeugdigen: de coffeeshop laat geen bezoekers toe die de leeftijd van 18 jaar nog niet hebben bereikt;

  • G: geen verkoop van grote hoeveelheden: de coffeeshop verkoopt niet meer dan 5 gram hennepproducten per transactie en heeft niet meer dan 500 gram op voorraad;

  • I: geen toegang voor en verkoop aan anderen dan ingezetenen in Nederland: de coffeeshop verleent geen toegang aan anderen dan ingezetenen van Nederland;

  • +: geen alcohol: een coffeeshop is altijd een alcoholvrije gelegenheid waar de verkoop van alcohol niet is toegestaan.

Artikel 10. Aanvullende voorwaarden

  • 1.

    In tegenstelling tot andere horeca-inrichtingen en landelijk vastgestelde criteria, zijn in ieder geval voor coffeeshops de volgende aanvullende voorwaarden gesteld:

    • a.

      openingstijden: de toegestane openingstijden voor een coffeeshop zijn van 10.00 uur tot 23.00 uur. De coffeeshop heeft geen recht op een ontheffing van de sluitingstijden;

    • b.

      open karakter/vrije toegankelijkheid: de inrichting heeft een open, transparant karakter en is vanaf de openbare weg te overzien. Dit betekent dat de ramen van de inrichting vrij zicht naar binnen bieden en geen voorzieningen aanwezig zijn die het afzonderen van een gedeelte van de inrichting mogelijk maken;

    • c.

      geen verbinding met woning: een coffeeshop staat niet in verbinding met een woning;

    • d.

      geen loketverkoop aan de openbare weg: de verkoop van cannabis- en/of hennepproducten vanuit een loket aan de openbare weg is niet toegestaan;

    • e.

      geen terrassen: een terras bij een coffeeshop is niet toegestaan, zodat voorkomen wordt dat publiek ongewild in aanraking komt met softdrugs en dat de drempel voor drugsgebruik te laag is;

    • f.

      alleen verkoop tegen directe betaling: het gratis verstrekken van hennepproducten is niet toegestaan. Andere vormen dan directe betaling, zoals verkoop op rekening, ruilen tegen goederen of diensten of het werken met stempel- en zegelkaarten is niet toestaan;

    • g.

      zichtbaarheid prijslijst: een prijslijst is duidelijk zichtbaar in de coffeeshop aanwezig;

    • h.

      geen verkoop van andere softdrugs dan cannabis- en/of hennepproducten: dit houdt in dat de verkoop van bijvoorbeeld ecodrugs, smartdrugs of smartproducten in een coffeeshop niet is toegestaan;

    • i.

      voorlichting: exploitanten van een coffeeshop geven, in het belang van een verantwoord gebruik van hennepproducten, goede voorlichting. In de coffeeshop is op een zichtbare plaats voorlichtingsmateriaal aanwezig. Het voorlichtingsmateriaal bevat informatie over de gevaren van het gebruik van deze middelen en de mogelijkheid tot hulpverlening. Daarnaast moeten bezoekers vragen kunnen stellen over het gebruik van deze middelen en dient daarop adequaat antwoord gegeven te worden;

    • j.

      deskundigheid: de exploitant van de coffeeshop en personeelsleden beschikken over een bewijs van deskundigheid, afgegeven door een instelling voor verslavingszorg, op het gebied van problematisch drugsgebruik en -verslaving. De coffeeshophouder brengt bij klanten, bij het signaleren van risicovol gebruik en/of verslaving, actief de gevaren onder de aandacht en wijst op de mogelijkheden van het krijgen van hulp;

    • k.

      boekhouding: exploitanten van coffeeshops houden een juiste en inzichtelijk boekhouding bij, voor het dagelijks controleren van de handelsvoorraad en de maximale transactie per klant;

    • l.

      Geen voorlopige exploitatievergunning: een coffeeshop krijgt geen voorlopige exploitatievergunning verleend;

    • m.

      geen incidentele festiviteit: een coffeeshop heeft geen recht op een incidentele festiviteit.

  • 2.

    De burgemeester kan aanvullende gedoogvoorwaarden stellen, als hij meent dat dit in verband met de maatschappelijke ontwikkelingen noodzakelijk is.

Artikel 11. Handhaving

  • 1.

    Het beëindigen van het overtreden van de criteria of voorwaarden vindt plaats middels het opleggen van een last onder dwangsom of door het toepassen van bestuursdwang in de vorm van een (tijdelijke) sluiting.

  • 2.

    De burgemeester kan een gedoogverklaring – onverminderd hetgeen is bepaald in het eerste lid – intrekken indien:

    • a.

      onjuiste of onvolledig gegevens zijn verstrekt ter verkrijging daarvan;

    • b.

      voor een periode van langer dan 26 weken geen gebruik is gemaakt van de gedoogverklaring;

    • c.

      de burgemeester meent dat dit, in het belang van de openbare orde of het woon- en leefklimaat in directe omgeving van de coffeeshop, noodzakelijk is. Hij houdt daarbij rekening met het bijzondere karakter van de coffeeshop.

  • 3.

    Bij niet in deze beleidsregels nadrukkelijk benoemde overtredingen of incidenten worden maatregelen opgelegd conform het Handhavingsbeleid horeca gemeente Vlaardingen.

Artikel 12. Toezichthouders

Met het toezicht op de naleving van de bij of krachtens deze beleidsregels gestelde voorwaarden zijn belast:

  • a.

    de opsporingsambtenaren zoals bedoeld in artikel 141 Wetboek van Strafvordering;

  • b.

    de door het college dan wel door de burgemeester aangewezen personen.

Artikel 13. Intrekken

Het beleid van de burgemeester van de gemeente Vlaardingen houdende regels omtrent verkoop van softdrugs (Coffeeshopbeleid gemeente Vlaardingen) wordt ingetrokken.

Artikel 14. Overgangsbepaling

Reeds verlengde exploitatievergunningen en gedoogverklaringen zijn aangemerkt als vergunningen en gedoogverklaringen op grond van deze beleidsregels.

Artikel 15. Onvoorziene omstandigheden en afwijkingsbevoegdheid

  • 1.

    In de gevallen waarin deze beleidsregels niet voorzien, beslist de burgemeester.

  • 2.

    De burgemeester kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in deze beleidsregels.

Artikel 16. Evenredigheidsbeginsel

Artikel 3:4 Algemene wet bestuursrecht is op de voorwaarden van deze beleidsregels van overeenkomstige toepassing.

Artikel 17. Inwerkingtreding

Deze beleidsregels treden in werking op de dag na bekendmaking onder gelijktijdige intrekking het Besluit van de burgemeester van de gemeente Vlaardingen houdende regels omtrent verkoop van softdrugs (Coffeeshopbeleid gemeente Vlaardingen), vastgesteld op 27 augustus 2019.

Artikel 18. Citeertitel

Deze beleidsregels worden aangehaald als: “Coffeeshopbeleid gemeente Vlaardingen 2025”.

II. Algemeen

 

Inleiding

Sinds de jaren ’70 kent Nederland het zogenoemde gedoogbeleid als het gaat om softdrugs, waarbij de Opiumwet en de Aanwijzing Opiumwet van het Openbaar Ministerie het landelijke kader van dit beleid vormen. De grondslag voor het gedoogbeleid ligt in de afweging van belangen, waarbij het belang van handhaving moet wijken voor een identificeerbaar algemeen belang. In de context van drugsbeleid wordt dit hogere belang gevonden in de volksgezondheid en de openbare orde. Het gaat dus om een positieve beslissing niet op te sporen en te vervolgen ongeacht de aanwezige capaciteit.

 

Uitgangspunt van de Opiumwet is het maken van onderscheid tussen verdovende middelen met een onaanvaardbaar risico voor de volksgezondheid (harddrugs) en andere middelen (softdrugs). De wetgever maakte dit onderscheid met het oog op de gebruiksrisico’s van de onderscheiden drugs en voor het aanbrengen van een duidelijke scheiding tussen beide markten.

De Aanwijzing Opiumwet beschrijft onder welke voorwaarden niet strafrechtelijk wordt opgetreden tegen de verkoop van cannabisproducten, ook wel het AHOJGI+-criteria genoemd. Voor cannabis, behorend tot de lijst II-middelen, zijn daartoe speciale verkooppunten in de vorm van coffeeshops gedoogd. De achterliggende gedachte is het voorkomen dat gebruikers van cannabis in aanraking komen met drugs met een groter gezondheidsrisico.

 

De verkoop van cannabisproducten wordt gedoogd onder strenge, landelijk geldende, voorwaarden. Dit houdt in dat deze voorwaarden voor alle coffeeshops gelden en dat gemeenten daar niet van mogen afwijken. Op gemeentelijk niveau stelt het lokale bestuur de landelijke kaders op en voert de regie uit. De lokale driehoek vult het beleid concreet in en stelt prioriteiten aan de dagelijkse handhaving. Een handhavingsarrangement – waarbinnen het optreden van bestuur, politie en OM op elkaar aansluit en elkaar aanvult – is daarbij onontbeerlijk en vormt de basis voor de inzet van het bestuursrechtelijke en strafrechtelijke instrumentarium. Het handhavingsarrangement, waarin per gedoogcriterium de eventuele bestuurlijke en strafrechtelijke sancties zijn opgenomen, is in de driehoek afgestemd en is – voor zover het de bevoegdheid van de burgemeester betreft – onderdeel van dit coffeeshopbeleid. Onder het begrip “coffeeshop” wordt in dit beleid verstaan: een alcoholvrije horeca-inrichting waar handel in en gebruik van, op lijst II van de Opiumwet vermelde, softdrugs plaatsvindt.

 

Waarom nieuwe beleidsregels?

Het nieuwe coffeeshopbeleid volgt het, sinds 7 september 2019 geldende, Besluit van de burgemeester van de gemeente Vlaardingen houdende regels omtrent verkoop van softdrugs (Coffeeshopbeleid gemeente Vlaardingen) op. De belangrijkste aanleiding voor de nieuwe beleidsregels zijn de ontwikkelingen in de gemeente Vlaardingen op het toepassen van de Wet Bibob en de ervaringen van toepassen van het vorige beleid. Daarnaast geniet het de voorkeur om het beleid op regelmatige basis te actualiseren, gelet op de veranderde eisen aan de wijze van bedrijfsvoering van coffeeshops.

 

Doelstellingen coffeeshopbeleid

De gemeente Vlaardingen beoogt met haar coffeeshopbeleid onderstaande doelstellingen te behalen:

 

Het beschermen van de volksgezondheid

Het onder strikte voorwaarden gedogen van de verkoop van cannabis moet voorkomen dat kopers in aanraking komen met harddrugs. Het gedoogbeleid zorgt dat de recreatieve gebruiker een verantwoorde en beheerste omgeving heeft voor het kopen van softdrugs. Het creëert een omgeving waar de gebruiker informatie over verantwoord gebruik vindt en waar eventueel problematisch gebruik gesignaleerd wordt.

 

Het beschermen van het woon- en leefklimaat

Het coffeeshopbeleid moet verstoringen van de openbare orde en veiligheid voorkomen en gaat onaanvaardbare overlast voor het woon-, leef- en ondernemersklimaat tegen. De regulatie en het toestaan van de verkoop van cannabis, in een gemaximeerd aantal coffeeshops, houdt straathandel tegen. Straathandel gaat immers veelal samen met overlast en andere vormen van criminaliteit, terwijl de verkoop in een coffeeshop gebonden is aan strenge regels. Voor het beheersen van overlast en onveiligheid wordt ingezet op kleinschalige verkooppunten van cannabis voor de regionale markt.

 

Het beschermen van de openbare orde en bestrijden van (georganiseerde) criminaliteit

Coffeeshops zijn in Nederland de belangrijkste directe of indirecte bronnen voor de aanschaf van cannabis en dragen bij aan de scheiding tussen de soft- en harddrugsmarkt. De regulatie en verkoop van cannabis verbinden aan voorwaarden, moet de georganiseerde criminaliteit buiten de deur van de coffeeshops houden. Met deze beleidsregels en het toepassen van de Wet Bibob, kan worden voorkomen dat coffeeshops worden geëxploiteerd door of ten behoeve van criminele organisaties.

 

Overige doelstellingen

Tot slot beoogt de gemeente Vlaardingen met deze beleidsregels:

  • het tegengaan van overconcentratie van verkooppunten van softdrugs;

  • het voorkomen van verstoringen van de openbare orde;

  • het voorkomen van handel in drugs vanuit niet-gedoogde verkooppunten en straathandel; en

  • het beschermen van kwetsbare groepen, zoals minderjarigen en personen met verslavingsproblematiek.

Aldus vastgesteld door de burgemeester van de gemeente Vlaardingen op 29 oktober 2025

drs. B. Wijbenga – Van Nieuwenhuizen

III. Toelichting beleidsregels

1. Juridisch kader

 

1.1 Opiumwet

De Opiumwet regelt het opsporen, vervolgen en berechten van de handelingen in relatie tot (verboden) drugsbezit. Sinds 1976 bestaat het onderscheid tussen hard- en softdrugs. Het plegen van strafbare handelingen met beide soorten drugs is verboden. Het verkopen en aanwezig hebben van cannabisproducten is in beginsel, op grond van artikel 3 van de Opiumwet, verboden. Nederland kent sinds 1976 het gedoogbeleid wat de verkoop van cannabisproducten, onder strenge voorwaarden, in coffeeshops toestaat. Dit gedoogbeleid is geregeld in de Aanwijzing Opiumwet.

 

1.2 Wet Damocles

Artikel 13b Opiumwet – ook wel aangeduid als de Wet Damocles – biedt de burgemeester de mogelijkheid om drugshandel te bestrijden door middel van het opleggen van een last onder bestuursdwang. Anders dan bij artikel 174a Gemeentewet – ook wel de Wet Victoria genoemd – hoeft voor toepassing van de Wet Damocles niet te worden aangetoond dat de openbare orde wordt verstoord. Een druggerelateerde overtreding is voldoende reden voor het opleggen van een last onder bestuursdwang.

 

1.3 Aanwijzing Opiumwet

De Aanwijzing Opiumwet, vastgesteld door het College van Procureurs-Generaal van het Openbaar Ministerie, beschrijft de regels voor de aanpak van de strafrechtelijke opsporing en vervolging van Opiumwetdelicten. Dit zijn landelijk geldende en bindende regels voor de officier van justitie. Alleen in het verband van het coffeeshopbeleid en de ’gebruikersruimte’ is sprake van gedogen van bepaalde strafbare feiten. Dit moet worden onderscheiden van een lage opsporingsprioriteit toegekend op andere punten aan strafbare feiten. De Aanwijzing Opiumwet vormt samen met de Opiumwet het landelijke kader van het gedoogbeleid.

 

Een coffeeshop is een alcoholvrije horecagelegenheid waar handel in en gebruik van softdrugs, onder strikte voorwaarden, plaatsvindt (AHOJGI+-criteria). Het lokale driehoeksoverleg legt de maximale handelsvoorraad van gedoogde coffeeshops vast. Bestuurs- en strafrechtelijk optreden vindt in het beginsel niet plaats bij het aantreffen van een handelsvoorraad onder het maximum. Landelijk is bepaald dat de voorraad in ieder geval niet meer is dan 500 gram. Bij het overtreden van één van de AHOJGI+-criteria door een gedoogde coffeeshop, blijft het voorhanden hebben en verkopen van handelsvoorraden voor risico van de coffeeshopexploitant en -eigenaar. In dit geval is er sprake van, door de Opiumwet gekwalificeerd, bedrijfsmatig handelen.

Het lokale bestuur stelt het coffeeshopbeleid – binnen het landelijke kader – vast en voert de regie. De lokale driehoek vult het beleid concreet in en stelt prioriteiten bij de dagelijkse handhaving. In de gemeente Vlaardingen is het maximumaantal coffeeshops vastgesteld op drie.

De gemeenten kunnen in overleg met de partners in de lokale driehoek, naast de AHOJGI+-criteria, aanvullende voorschriften formuleren waaraan gedoogde coffeeshops moeten voldoen. Deze voorschriften vormen een onderdeel van het lokale coffeeshopbeleid en zijn bijvoorbeeld opgenomen in een exploitatievergunning of een gedoogverklaring. In deze ondernemingen vindt tegen de verkoop van op lijst II vermelde hennepproducten, binnen de kaders van de AHOJGI+-criteria, geen strafrechtelijk optreden plaats.

 

1.4 Algemene wet bestuursrecht

De burgemeester is op grond van artikel 5:32 Awb bevoegd tot het opleggen van een last onder bestuursdwang of het geven van een waarschuwing. Voor het toepassen van artikel 13b van de wet wordt in beginsel gekozen voor het opleggen van een last onder bestuursdwang (sluiting) en in enkele gevallen voor het opleggen van last onder dwangsom of een waarschuwing.

Tot slot bepaalt artikel 4:81 Awb dat het bevoegde bestuursorgaan beleidsregels kan vaststellen over het gebruik van de bevoegdheden. Dit is de wettelijke grondslag voor deze beleidsregels.

 

1.5 Gemeentewet

De burgemeester is op grond van artikel 174 Gemeentewet belast met het toezicht op openbare inrichtingen, zoals coffeeshops, en met de uitvoering van verordeningen die betrekking hebben op dat toezicht. Het ontwikkelen en vaststellen van beleid ligt expliciet bij de burgemeester, die bevoegd is tot het sluiten van een publiektoegankelijke ruimte bij het verstoren van de openbare orde op grond van de onder paragraaf 1.2 vermelde Wet Victoria.

 

1.6 Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob )

De gemeente is op grond van de Wet Bibob bestuursrechtelijk bevoegd tot het uitvoeren van een integriteitsonderzoek. Met een onderzoek wordt beoordeeld of partijen, waar de gemeente vergunningen of subsidies e.d. aan verleent, integer zijn. Een eigen onderzoek is de wijze waarop het bestuursorgaan in beginsel toepassing geeft aan artikel 7a van de Wet Bibob. Als het eigen onderzoek onvoldoende uitsluitsel geeft, wordt advies gevraagd aan het Landelijk Bureau Bibob (LBB), onderdeel van het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Het weigeren of intrekken van een vergunning is mogelijk bij het bestaan van ernstig gevaar dat de vergunning mede wordt gebruikt voor het plegen van strafbare feiten of voor witwassen van financiële middelen, verkregen door gepleegde strafbare feiten.

 

1.7 Algemene plaatselijke verordening Vlaardingen 2019

De APV verbiedt het exploiteren van een openbare inrichting, waaronder ook is verstaan een coffeeshop, zonder vergunning van de burgemeester. Naast een exploitatievergunning is voor het vestigen van een coffeeshop een afzonderlijke gedoogverklaring nodig.

 

2. Vergunningverlening

 

2.1 Exploitatievergunning openbare inrichting

Een coffeeshop is een besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of van een bedrijfsmatige omvang rookwaren, voor directe consumptie, ter plaatse wordt verstrekt of bereid. De APV maakt soortgelijke openbare inrichtingen vergunningsplichtig, maar de exploitatievergunning gedoogt niet het verkopen van softdrugs in een coffeeshop. Dit is in beginsel op grond van de Opiumwet strafbaar, waardoor een afzonderlijke gedoogverklaring nodig is.

 

2.2 Maximumstelsel en vestigingsvoorwaarden

Maximaal drie coffeeshops

De gemeente Vlaardingen hanteert voor haar coffeeshopbeleid het maximumstelsel van drie coffeeshops. Dit houdt in dat de burgemeester aan maximaal drie coffeeshops een gedoogverklaring verstrekt. Hiermee wordt voorzien in de lokale behoefte van de gemeente Vlaardingen. De beperking in het aantal coffeeshops is gelegen in de wens om inwoners van Vlaardingen te beschermen tegen de blootstelling aan softdrugs, het voorkomen van verstoringen van de openbare orde en het beschermen van het woon- en leefklimaat.

 

Vestigingsvoorwaarden

Aan de locatie waar de exploitant een coffeeshop wil vestigen zijn eisen gesteld. Een coffeeshop wordt, ter bescherming van de opende orde en het woon- en leefklimaat, bij voorkeur niet gevestigd in een gebied waar meerdere horeca zijn gecentreerd of in een woonstraat. Het is daarnaast niet wenselijk als een coffeeshop zich vestigt in de buurt van een school voor voortgezet en middelbaar beroepsonderwijs of in de directe omgeving van een instelling voor verslavingszorg.

 

Voor een te vestigen coffeeshop gelden de volgende vestigingsvoorwaarden:

  • een coffeeshop is alleen toegestaan op een locatie die in het bestemmingsplan als bestemming horeca categorie 3 of hoger heeft;

  • in gebieden met voornamelijk een woonfunctie is een coffeeshop niet toegestaan;

  • geen coffeeshop is toegestaan binnen een straal van 250 meter van een school, instelling voor jongeren en centra voor verslavingszorg. Om de afstand tussen een coffeeshop en een school te bepalen geldt de reëel af te leggen afstand te voet over de openbare weg tussen de voordeur van de coffeeshop en de hoofdingang van de school/instelling.

De exploitatie van een bestaande coffeeshop, die in strijd is met de in dit beleid vastgestelde vestigingsvoorwaarden, mag worden voortgezet door de huidige exploitant. Het overnemen van de exploitatie van een bestaande coffeeshop is niet mogelijk, daar dit, krachtens de in deze beleidsregels gestelde voorwaarden, wordt gezien als een nieuwe aanvraag tot het exploiteren van een coffeeshop. Het geldende afstandscriterium is dat gedogen van een coffeeshop niet plaatsvindt binnen een afstand van 250 meter.

 

Openingstijden

De openingstijden van een coffeeshop zijn van 10.00 uur tot 23.00 uur. De coffeeshop heeft geen recht op een ontheffing van de sluitingstijden. Afhankelijk van de concrete omstandigheden (i.e. locatie) en de omgeving is het mogelijk beperktere openingstijden in de voorwaarden op te nemen. De APV bepaalt dat de burgemeester de mogelijkheid heeft, in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden, voor één of meer openbare inrichtingen tijdelijke verplichte sluitingstijden of afwijkende toelatingstijden vast te stellen of tijdelijke sluiting te bevelen.

Het heeft de voorkeur dat een school c.q. inrichting zich niet vestigt binnen het geldende afstandscriterium. Als een school of zorginstelling zich toch vestigt binnen het afstandscriterium van een reeds gedoogde coffeeshop, kan de burgemeester aangepaste openingstijden opleggen. Dit houdt in dat exploitant van een coffeeshop, naast een nieuwe exploitatievergunning, ook een nieuwe gedoogverklaring moet aanvragen als hij de exploitatie van de coffeeshop wil voortzetten op een andere locatie. Uiteraard geldt ook de zorg voor de nodige planologische toestemmingen.

 

2.3 Gedoogverklaring

Het verstrekken van een gedoogverklaring vindt alleen plaats als het maximumaantal van drie gedoogde coffeeshops niet is bereikt. Daarnaast geeft de burgemeester alleen een gedoogverklaring af, als er voor het exploiteren van de coffeeshop reeds een exploitatievergunning is verleend. In de gedoogverklaring staan onderstaande voorwaarden tot het gedogen van de verkoop van softdrugs beschreven:

  • voldoen aan de AHOJGI+-criteria;

  • geen loketverkoop aan de openbare weg;

  • de inrichting heeft een open en transparant karakter en is vanaf de straat te overzien, wat inhoudt dat de ramen van de inrichting vrij zicht naar binnen bieden. In de inrichting zijn geen voorzieningen aanwezig die het afzonderen van een gedeelte van de inrichting mogelijk maakt.

  • in de inrichting is voorlichtingsmateriaal aanwezig over verslavingszorg en de effecten en risico’s van cannabisgebruik.

2.4 Eisen aan exploitant en leidinggevenden

Eisen

De exploitant en leidinggevende(n) komen in aanmerking voor een gedoogverklaring als zij aan bepaalde eisen voldoen. Alleen natuurlijke personen krijgen een gedoogverklaring verstrekt. Het verstrekken aan rechtspersonen gebeurt niet vanuit het oogpunt van transparantie en het voorkomen van exploitatie van coffeeshops door criminele organisaties. Daarnaast gelden de eisen dat de leeftijd van 21 jaar bereikt is, het niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn en het niet onder curatele staan. De gedoogverklaring is persoonsgebonden en niet overdraagbaar. Dit betekent dat als de exploitant van een coffeeshop de exploitatie staakt, de eventuele rechtsopvolger, naast een nieuwe exploitatievergunning, ook een gedoogverklaring moet aanvragen als hij de exploitatie van de coffeeshop wil voortzetten. De aanvraag is aangemerkt als een aanvraag voor een nieuw te vestigen coffeeshop.

 

Opnieuw afgegeven gedoogverklaring

Bij een (op)nieuw afgegeven verklaring vindt een openbare inschrijving plaats. Het is voor elke belangstellende mogelijk mee te dingen naar een verklaring voor het exploiteren van een coffeeshop. Belangstellenden dienen binnen een bepaalde termijn een aanvraag voor een door hen aangedragen locatie in.

 

Verantwoordelijkheden

De exploitant is verantwoordelijk voor de veiligheid, gezondheid en zedelijkheid van de bezoekers van de coffeeshop. Daarnaast draagt hij zorg voor de openbare orde en het woon- en leefklimaat in de directe omgeving. De aanwezigheid van de, op de vergunning vermelde, exploitant of een leidinggevende is van cruciaal belang voor een verantwoorde exploitatie. Als ondanks de inspanningen de openbare of het woon- en leefklimaat in de nabije omgeving wordt aangetast, of als een exploitant het vertrouwen schaadt door op een niet-verantwoorde wijze exploiteren van de coffeeshop, is de burgemeester bevoegd hiertegen handhavend op te treden. De bewijsvoering voor het optreden tegen overlast bestaat uit deugdelijke bewijsstukken zoals politierapportages, processen-verbaal en verklaringen en klachten van omwonenden. De overlast is objectief en overtuigend en is voldoende ernstig om op te wegen tegen de in het geding zijnde belangen van de coffeeshopexploitant. Zolang de hinder rond een coffeeshop niet groter of anders is dan bij een gemiddeld horecabedrijf, is er geen sprake van overlast en ook geen overtreding van dit criterium.

 

2.5 Toets aanvraag

Een aanvraag voor een exploitatievergunning met een gedoogverklaring wordt, ten behoeve van de bescherming van de openbare orde en veiligheid en de invloed op het woon- en leefklimaat, getoetst aan:

  • het omgevingsplan;

  • de in deze beleidsregels gestelde voorwaarden;

  • de brand- en bouwkundige veiligheid van de inrichting;

  • de Wet Bibob;

  • de voorschriften zoals bepaald in de Algemene Plaatselijke Verordening;

  • de eisen aan het levensgedrag van de exploitant en leidinggevenden, opgenomen in de onder artikel 8, eerste lid, onderdeel c en d, van deze beleidsregels vermelde wet- en regelgeving en voorschriften;

  • openbare orde en veiligheid en het voorkomen van overlast;

2.6 Eigen onderzoek

De coffeeshopbranche is gevoelig voor criminele invloeden. De gemeente Vlaardingen voert daarom, voorafgaand aan het verlenen van de exploitatievergunning, een eigen onderzoek, als bedoeld in artikel 7a van de Wet Bibob, uit in de onderstaande gevallen:

  • Voorafgaande aan het verlenen van de exploitatievergunning.

  • Bij het verlopen van de geldigheidsduur van de exploitatievergunning en nieuwe aanvraag tot het verlenen van een exploitatievergunning is ingediend.

  • Gedurende de looptijd van de vergunning bij het bestaan van vragen die betrekking hebben op de integriteit van de coffeeshophouder of zijn manier van exploitatie.

Voor een zorgvuldige behandeling van aanvraag wint de gemeente bij de politie advies in. Het inwinnen van advies bij het LBB vindt plaats als het eigen onderzoek geen uitsluitsel geeft. De gemeente mag afwijken van het door het LBB gegeven advies. Tot slot zijn de voorwaarden in de Beleidsregels Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob) gemeente Vlaardingen 2024 van overeenkomstige toepassing.

 

2.7 Afwijkingen van het regulier horecabeleid

Voor coffeeshops wijken de voorschriften tot het verlenen van een vergunning op enkele punten af in vergelijking met andere horeca-inrichtingen. De afwijkende voorschriften zijn:

  • Coffeeshops behoren tot de zogenaamde “droge horeca”, wat betekent dat het schenken van alcohol verboden is.

  • Een afgegeven exploitatievergunning heeft een maximale geldigheidsduur van vijf jaar.

  • Het verlenen van een voorlopige exploitatievergunning is niet toegestaan.

  • Een leidinggevende moet 21 jaar of ouder zijn.

  • Er is geen recht op incidentele festiviteiten of een ontheffing van de sluitingstijd.

  • Een terras exploiteren is niet toegestaan.

  • De toegestane openingstijden zijn vastgesteld van 10.00 uur tot en met 23.00 uur.

3. Handhaving coffeeshopbeleid

 

3.1 Bestuurlijke handhaving

Het handhaven van de gedoogcriteria ligt – zoals nu ook het geval is – primair bij de burgemeester in de uitoefening van zijn sluitingsbevoegdheid van artikel 13b Opiumwet. De strafrechtelijke handhaving door het Openbaar Ministerie is het sluitstuk op de bestuurlijke handhaving door de gemeente. Het integrale beleid ten aanzien van coffeeshops is bedoeld om te komen tot een evenwichtige inzet van verschillende beheersingsinstrumenten. Naast het strafrechtelijke instrumentarium is in artikel 13b Opiumwet een bevoegdheid tot bestuursdwang opgenomen. De burgemeester oefent deze bevoegdheden uit bij het verkopen, verstrekken of afleveren van verdovende middelen in of vanuit een woning of lokaal dan wel op een daarbij behorend erf. Deze bevoegdheid is toepasbaar bij coffeeshops die zich niet aan voorwaarden houden. De bevoegdheid van de burgemeester doet op geen enkele wijze afbreuk aan de bevoegdheden tot het strafrechtelijk optreden.

 

Een belangrijk uitgangspunt van het coffeeshopbeleid is de scheiding tussen soft- en harddrugs. Bij het aantreffen van harddrugs is per definitie sprake van een strafbaar feit. Dit is ook het geval wanneer aannemelijk is dat in harddrugs is gehandeld in of vanuit de inrichting, ook indien dit gebeurt buiten medeweten van de exploitant of zijn personeel om. Constateren van soortgelijke overtredingen leidt tot het direct toepassen van bestuursdwang en niet tot het opleggen van een last onder dwangsom. Bestuursdwang is directer en leidt (op termijn) tot een succesvollere feitelijke beëindiging van de overtreding.

Ook het verbod op verkoop aan minderjarigen en het aanhouden van niet meer dan 500 gram hennepproducten als handelsvoorraad zijn dusdanige belangrijke voorwaarden van het gedoogbeleid, dat overtredingen direct leiden tot het toepassen van bestuursdwang. Uiteindelijk is het mogelijk een coffeeshop definitief te sluiten en de gedoogverklaring in te trekken. De burgemeester motiveert dit nader in zijn besluit.

 

Een termijn van vijf jaar wordt gehanteerd voor de bepaling of het gaat om recidive. Dit betekent dat de exploitant, die een bestuurlijke maatregel kreeg en bij wie binnen de daaropvolgende vijf jaar geen nieuwe overtredingen zijn geconstateerd, wat betreft de handhavingsmatrix geen recidivist is. Bij het na deze periode constateren van een nieuwe overtreding, wordt dit beschouwd als een nieuwe overtreding.

 

De voorgeschiedenis van een exploitant of het horecabedrijf kan worden meegenomen bij de beoordeling of de burgemeester nog vertrouwen heeft in een verantwoordelijke exploitatie. Deze beoordeling wordt met feiten en omstandigheden onderbouwd. Zonder te beschikken over een exploitatievergunning is het verboden een coffeeshop te exploiteren en leidt dit tot intrekking van de gedoogverklaring.

 

3.2 Strafrechtelijke handhaving

Doordat overtredingen van de gedoogcriteria voor coffeeshops strafbaar zijn gesteld is ook het strafrechtelijke handhaving mogelijk. Het Openbaar Ministerie vervolgt conform de landelijke richtlijn voor strafvordering Opiumwet, softdrugs2. Deze richtlijn heeft betrekking op alle verboden handelingen in relatie tot softdrugs. Voor deze richtlijn is de plaatsing op lijst II van de Opiumwet bepalend, niet de fase in het productieproces waarin de drugs zijn aangetroffen en/of het veronderstelde gevaar voor de volksgezondheid.

De Aanwijzing Opiumwet stelt dat tegen coffeeshops, die op grond van een door de gemeente afgegeven vergunning, beschikking of verklaring is gedoogd, niet strafrechtelijk wordt opgetreden wegens de verkoop van hennepproducten als de AHOJGI+-criteria worden nageleefd. Daarbij geldt dat de coffeeshophouder gehouden is het toezicht op de naleving van de criteria te dulden en dat hij daaraan medewerking verleent.

Het gedoogbeleid geldt nadrukkelijk niet voor verkoop van hennepproducten vanuit andere bedrijfspanden, zoals cafés, winkels of afhaalcentra, via een koeriers- of taxibedrijf, een mobiel telefoonnummer, postorderbedrijf of vanuit woningen.

 

Het Openbaar Ministerie gaat in beginsel over tot vervolging wanneer bij een controle harddrugs wordt aangetroffen in de coffeeshop. Wanneer een handelsvoorraad van meer dan 500 gram aanwezig is, neemt de politie de voorraad in beslag. Het Openbaar Ministerie gaat in deze gevallen in beginsel over tot vervolging, waarbij in onderstaande omstandigheden voorgeleiding aan de rechter-commissaris mogelijk is:

  • Extreme overschrijding van de handelsvoorraad;

  • Recidive in het geval van geringe overschrijding van de handelsvoorraad.

3.3 Toezicht

Toezichthouders op het coffeeshopbeleid zijn aangewezen (buitengewoon) opsporingsambtenaren van de gemeente en de politie. In het geval van signalen van overlast of overtredingen stijgt het aantal controles.

 

3.4 Evenredigheidsbeginsel

Gemeentelijke besluiten kunnen ingrijpende gevolgen hebben. Daarom is het van belang dat gemeenten rekening houden met de beginselen van behoorlijk bestuur. Een van deze beginselen is het evenredigheidsbeginsel, krachtens artikel 3:4 Awb. Het evenredigheidsbeginsel houdt in dat de nadelige gevolgen van een besluit in verhouding moeten staan tot het doel dat met het besluit moet worden bereikt; het besluit mag niet onevenredig uitwerken. Hier zijn de beantwoording van de volgende drie vragen van belang:

 

Geschiktheid

Is het voorgenomen besluit geschikt voor het bereiken van het doel en welk doel dient het voorgenomen besluit (i.e. herstel of bestraffen van de overtreding)?

 

Noodzakelijkheid

Is het besluit noodzakelijk om het doel te bereiken of zijn er minder belastende maatregelen. Belangrijk is om te onderzoeken of in een voortraject niet eerder een maatregel opgelegd is. Is de voorgenomen (nieuwe) maatregel passend of wordt het beoogde effect bereikt met een minder zware maatregel?

 

Evenwichtigheid

Zijn de op zichzelf geschikte en noodzakelijke maatregelen in de gegeven omstandigheden niet onredelijk bezwarend voor de belanghebbende, gelet op de omstandigheden van het geval en de inbreuk op de belangen van de betrokkenen?

 

4. Handhaving coffeeshops

Voor overtredingen of incidenten die niet nadrukkelijk zijn genoemd in dit hoofdstuk (bijvoorbeeld overtredingen vergunningvoorschriften, schietincidenten, steekincidenten, vechtpartijen etc.) vindt het opleggen van bestuurlijke maatregelen plaats conform het Handhavingsbeleid horeca gemeente Vlaardingen. De verkoop van softdrugs blijft strafbaar. Indien coffeeshophouders zich niet aan de voorwaarden houden kunnen zij strafrechtelijk worden vervolgd en kan de burgemeester de coffeeshop (tijdelijk) sluiten op grond van artikel 13b Opiumwet.

 

4.1 Afwijkingsbevoegdheid

De burgemeester heeft bij zijn besluitvorming over de te treffen maatregelen een inherente afwijkingsbevoegdheid. Als de feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven, kan de burgemeester afwijken van de uitgangspunten van dit beleid. Een dergelijk besluit bevat expliciet een onderbouwde motivatie.

 

4.2 Meerdere maatregelen/’stapeling’

Feitelijk is het treffen van meerdere maatregelen mogelijk. Bijvoorbeeld de (tijdelijke) sluiting van een coffeeshop vanwege de handel in harddrugs en eveneens intrekking van de exploitatievergunning als gevolg van het wegvallen van het vertrouwen. Opeenstapeling van bestuurlijke maatregelen is in het bestuursrecht dan ook toegestaan. Het gaat in deze wel om verschillende maatregelen (i.e. sluiting en intrekking van de vergunning).

 

4.3 Verjaring

Bij opnieuw constateren van een overtreding binnen een jaar na afloop van een, als gevolg van een overtreding, opgelegde maatregel, wordt de volgende stap in de handhavingsmatrix aangehouden. Een overtreding telt vijf jaar mee. Dit houdt in dat als in de periode na één jaar, maar binnen vijf jaar, opnieuw een overtreding wordt geconstateerd, de genomen handhavingsstap wordt herhaald.

 

4.4 AHOJGI+ – criteria

Affichering (A – criterium)

Coffeeshop mogen geen reclame maken voor hun coffeeshop en de verkoop van softdrugs. Een summiere aanduiding van de naam van de coffeeshop op de gevel van de betreffende coffeeshop is wel toegestaan.

 

Harddrugs (H – criterium)

Bij het aantreffen van een handelshoeveelheid in een coffeeshop, is de openbare orde per definitie in het geding. Dit is zeker het geval wanneer aannemelijk is dat de handel in deze drugs plaatsvindt in of vanuit de inrichting, ook indien dit gebeurt buiten medeweten van de exploitant of zijn personeel om. Als blijkt dat er geen enkel verband is tussen de aangetroffen hoeveelheid en de wijze van exploitatie van de inrichting kan hiervan worden afgeweken en worden volstaan met een bestuurlijke waarschuwing. Als verzwarende omstandigheden bij de handel in harddrugs gelden:

  • Betrokkenheid van de exploitant zelf;

  • Betrokkenheid van het personeel; en

  • Betrokkenheid van andere personen met medeweten van de exploitant.

Het uitgangspunt is dat de burgemeester een maatregel treft wanneer een handelshoeveelheid harddrugs is aangetroffen. Van de exploitant wordt verwacht dat hij alles in het werk stelt om te voorkomen dat harddrugs aanwezig zijn in de inrichting. Bij het bepalen of de hoeveelheid aangetroffen drugs een handelshoeveelheid is, wordt uitgegaan van de richtlijnen die het Openbaar Ministerie hierover opstelde. Bij middelen volgens lijst I van de Opiumwet (harddrugs) gaat het in de meeste gevallen om een hoeveelheid groter dan 0,5 gram.

 

In de lijsten behorende bij de Opiumwet staat omschreven welk verdovend middel onder harddrugs (lijst I) en welk middel onder softdrugs (lijst II) valt. Voor coffeeshops geldt dat enkel de verkoop van cannabisproducten zoals vermeld op lijst II van de Opiumwet wordt gedoogd. Softdrugs, niet zijnde cannabisproducten, zijn niet toegestaan in coffeeshops (bijvoorbeeld qat of hallucinogene paddo’s). Middelen die op grond van de Wet op de geneesmiddelenvoorziening of de Warenwet als verboden middelen zijn aangemerkt zijn evenmin toegestaan in coffeeshops.

 

Overlast (O – criterium)

Onder overlast kan worden verstaan parkeeroverlast rondom de coffeeshops, geluidshinder, vervuiling en/of voor of nabij de inrichting rondhangende klanten. De exploitant moet ervoor zorgdragen dat in en nabij de inrichting geen overlast/verstoring van de openbare orde wordt veroorzaakt.

 

Jeugdigen (J – criterium)

Geen verkoop aan jeugdigen en geen toegang voor jeugdigen tot een coffeeshop. Aangezien het beschermen van jongeren één van de beleidsuitgangspunten van het Vlaardingse coffeeshopbeleid is, is gekozen voor een strikte handhaving van de leeftijdsgrens van achttien jaar of ouder. De coffeeshophouder behoort vast te stellen dat degene die hij toegang verleent tot de coffeeshop en degene aan wie hij verkoopt meerderjarig is.

 

Geen grote hoeveelheden (G – criterium)

De verkoop van grote hoeveelheden per transactie is niet toegestaan. Vanuit een coffeeshop is het toegestaan om maximaal 5 gram cannabisproducten, per dag, per persoon en per transactie te verkopen. Daarnaast mag slechts een beperkte handelsvoorraad, niet meer dan 500 gram, aanwezig zijn.

Bij het overschrijden van deze gedoogde hoeveelheid kan de burgemeester een maatregel treffen. De omvang van de overschrijding speelt hierbij een rol. Een aanzienlijke overschrijding is een reden om direct tot sluiten over te gaan.

 

Ingezetenen (I – criterium)

Per 1 januari 2013 geldt het landelijke ingezetenencriterium voor alle coffeeshopgemeenten in Nederland. Het ingezetenencriterium is opgenomen in de Aanwijzing van het Openbaar Ministerie en houdt in dat coffeeshops geen toegang mogen verlenen en niet mogen verkopen aan anderen dan ingezetenen van Nederland.

 

Verkoop alcohol (+ – criterium)

Coffeeshops zijn altijd alcoholvrije openbare inrichtingen. In een coffeeshop mag geen alcohol worden verkocht. De exploitant moet hierop toezien.

Naar boven