Verordening inwonerbetrokkenheid en uitdaagrecht gemeente Midden-Groningen 2025

De raad van de gemeente Midden-Groningen,

  • gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 9 september 2025

  • gelet op artikel 150 van de Gemeentewet, afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 2.1.3 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, artikel 47 van de Participatiewet, de Jeugdwet 2015, artikel 2 lid 3 van de Wet sociale werkvoorziening, de artikelen 3.1, 2.4 en 3.4 en 16.55 lid 7 van de Omgevingswet en de artikelen 10.7, 10.2 en 10.8 van het Omgevingsbesluit;

  • gezien het beleidskader inwonerbetrokkenheid en uitdaagrecht Midden-Groningen;

  • besluit vast te stellen de volgende verordening:

Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen

Artikel 1 – Definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • Beleidskader inwonerbetrokkenheid en uitdaagrecht Midden-Groningen: het door de gemeenteraad vastgestelde beleid met uitgangspunten voor inwoners- en overheidsparticipatie, inclusief procedures en criteria voor het toepassen van het uitdaagrecht.

  • Inwoners: natuurlijke personen die hun werkelijke woonplaats in de gemeente hebben;

  • Maatschappelijke partijen: verenigingen, stichtingen, buurtcomités, ondernemingen zonder winstoogmerk en andere organisaties die een collectief vormen en die statutair in de gemeente gevestigd zijn en tot doel hebben een actieve bijdrage te leveren aan de samenleving binnen de gemeente;

  • Beleid: gedragslijn, project, programma of plan van het gemeentebestuur om een bepaald doel te realiseren;

  • Beleidskader: het beleidskader inwonerbetrokkenheid en uitdaagrecht Midden-Groningen

  • Gemeentebestuur: de raad, het college of de burgemeester van de gemeente Midden-Groningen, afhankelijk van hun wettelijke taak en bevoegdheid.

  • Participatie: een proces waarbij inwoners, groepen of organisaties betrokken worden bij, invloed uitoefenen op of verantwoordelijkheid delen met betrekking tot collectieve vraagstukken, beslissingen of diensten van het gemeentebestuur die hen aangaan;

  • Inwonersparticipatie: het op initiatief van het gemeentebestuur betrekken van inwoners en belanghebbenden bij voorbereiding, uitvoering en evaluatie van gemeentelijk beleid of plannen;

  • Overheidsparticipatie: het proces dat ontstaat als het gemeentebestuur betrokken wordt bij maatschappelijke initiatieven, inclusief het uitdaagrecht;

  • Inspraak: de mogelijkheid die het gemeentebestuur inwoners en belanghebbenden biedt om hun mening over beleid te geven als bedoeld in artikel 150, tweede lid, van de Gemeentewet;

  • Uitdaagrecht: het recht voor inwoners en maatschappelijke partijen om een verzoek in te dienen om een gemeentelijke taak over te nemen;

  • Sociaal domein: beleid en uitvoering op het gebied van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, Participatiewet, Jeugdwet en de Wet sociale werkvoorziening.

 

Artikel 2 – Doelstelling

Deze verordening heeft als doel:

  • a.

    Duidelijkheid te geven over participatie en de voorwaarden voor toepassing van het uitdaagrecht;

  • b.

    De samenwerking tussen het gemeentebestuur en inwoners en maatschappelijke partijen te versterken;

  • c.

    De kwaliteit van lokale democratische processen te vergroten;

  • d.

    zorg te dragen voor een helder, voorspelbaar en zorgvuldig participatieproces, met aandacht voor democratische waarden en procedurele rechtvaardigheid.

 

Artikel 3 – Reikwijdte

  • 1.

    Deze verordening regelt de betrokkenheid van inwoners en maatschappelijke partijen bij de ontwikkeling van gemeentelijk beleid, van voorbereiding tot uitvoering en evaluatie.

  • 2.

    Daarnaast regelt zij de wijze waarop de gemeente ondersteuning (overheidsparticipatie) biedt aan maatschappelijke initiatieven en verzoeken in het kader van het uitdaagrecht.

  •  

Artikel 4 – Participatie onder de Omgevingswet

Het gemeentebestuur past deze verordening zoveel mogelijk toe bij participatieprocessen rond het vaststellen of wijzigen van de omgevingsvisie (artikel 3.1 Omgevingswet), het omgevingsplan (artikel 2.4) of programma’s (artikel 3.4), met inachtneming van de motiveringsplicht uit artikel 10.2, 10.7 en 10.8 van het Omgevingsbesluit.

 

Artikel 5 – Participatie in het sociaal domein

Voor participatie op grond van de Wmo 2015, de Jeugdwet, de Participatiewet en de Wet sociale werkvoorziening werkt de gemeente Midden-Groningen met een adviesnetwerk sociaal domein. Dit netwerk is bedoeld om cliënten, ervaringsdeskundigen en maatschappelijke organisaties structureel te betrekken bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid binnen het sociaal domein. De inrichting en werkwijze van het netwerk wordt vastgelegd in een aparte regeling of werkwijze, in lijn met de wettelijke verplichtingen voor cliëntenparticipatie. De bepalingen in deze verordening zijn daarop aanvullend van toepassing.

 

Hoofdstuk 2: Inwonersparticipatie

Artikel 6 – Onderwerp en reikwijdte

  • 1.

    Het gemeentebestuur beslist zelfstandig of en op welke wijze participatie bij eigen beleid, taken en bevoegdheden plaatsvindt.

  • 2.

    Participatie wordt toegepast als de wet dit voorschrijft.

  • 3.

    Participatie, inspraak, overheidsparticipatie en uitdaagrecht worden niet toegepast als:

    • a.

      het een lopend uitvoerings- of evaluatietraject betreft;

    • b.

      participatie wettelijk is uitgesloten;

    • c.

      spoedeisendheid participatie naar het oordeel van het college niet mogelijk maakt;

    • d.

      het belang van kwetsbare groepen naar het oordeel van het college zwaarder weegt;

    • e.

      sprake is van uitvoering van hogere regelgeving zonder beleidsruimte;

    • f.

      het interne organisatorische aangelegenheden betreft;

    • g.

      het gaat om begrotingen, tarieven of belastingen, met uitsluiting van burgerbegrotingen.

  •  

Artikel 7 – Participatieplan en procedure

  • 1.

    Bij de voorbereiding van een visie, beleid, plan of project bepaalt het gemeentebestuur of en op welke wijze een participatieplan wordt opgesteld, gebaseerd op het beleidskader.

  • 2.

    Het participatieplan bevat ten minste:

    • het doel van de inwonersparticipatie;

    • de manier waarop invulling wordt gegeven aan meeweten, meedenken, meedoen of meebeslissen;

    • de inhoudelijke, financiële en procedurele kaders;

    • wijze van communicatie;

    • tijdpad, betrokken doelgroepen en methode;

    • relatie tot het beleidskader.

  • 3.

    Het gemeentebestuur betrekt bij participatie in het sociaal domein de inbreng van cliënten en hun vertegenwoordigers (bijvoorbeeld in de vorm van een adviesnetwerk) met als doel adviezen in te winnen over voorstellen voor gemeentelijke regelgeving, beleid, plannen en de uitvoering daarvan.

  • 4.

    Bij beleidsontwikkelingen of projecten met grote maatschappelijke of politieke impact kan het gemeentebestuur of de gemeenteraad besluiten voorafgaand aan het participatieproces een startnotitie vast te stellen. Deze startnotitie bevat onder andere de participatieopgave, de beoogde participatieaanpak (participatieplan), en de ruimte voor betrokkenheid van inwoners. Dit geeft de gemeenteraad de mogelijkheid om vooraf kaders te stellen aan het participatieproces. Ook bij projecten met grote maatschappelijke of ruimtelijke impact wordt een participatieplan opgesteld.

  • 5.

    Indien de gemeenteraad betrokken is bij het vaststellen van het betreffende beleid of plan, wordt de raad geïnformeerd over het participatieplan en het eindverslag.

 

Artikel 8 – Randvoorwaarden participatieproces

Deelnemers mogen rekenen op:

  • Toegankelijke toelichting in begrijpelijke taal;

  • Inzicht in relevante documenten, behoudens uitzonderingen op grond van de Wet open overheid;

  • Verslaglegging van de inbreng en verwerking;

  • Heldere communicatie en contactmogelijkheden;

  • Transparantie over kaders en beïnvloedingsruimte;

  • Aandacht voor inclusieve participatie, waaronder voor jongeren.

 

Artikel 9 – Eindverslag participatie

  • 1.

    Het gemeentebestuur stelt een eindverslag op met:

    • een overzicht van het gevolgde proces op hoofdlijnen;

    • weergave van de belangrijkste uitkomsten, reacties en eventuele zienswijzen;

    • reactie en verwerking door het gemeentebestuur;

    • beknopte reflectie op het proces.

  • 2.

    Het eindverslag wordt openbaar gemaakt.

  • 3.

    Indien het college een participatieplan heeft opgesteld, stelt het college ook het eindverslag op en informeert hierover de gemeenteraad.

 

Hoofdstuk 3: Overheidsparticipatie en uitdaagrecht

Artikel 10 – Doel

Het doel van overheidsparticipatie en uitdaagrecht is het stimuleren en faciliteren van initiatieven van inwoners en maatschappelijke partijen door samenwerking, ondersteuning en beleidsruimte.

 

Artikel 11 – Onderwerp en uitzonderingen

  • 1.

    Het gemeentebestuur staat open voor overheidsparticipatie en het uitdaagrecht.

  • 2.

    Overheidsparticipatie en uitdaagrecht zijn uitgesloten bij:

    • uitvoering van regelgeving van de Europese Unie, het rijk, de provincie of een waterschap;

    • begroting (met uitsluiting van burgerbegrotingen);

    • onderwerpen die een spoedige besluitvorming vragen;

    • een aanbestedingsplicht boven Europese drempelwaarde;

    • bescherming van kwetsbare groepen;

    • overwegend particulier of commercieel belang;

    • wanneer het college dit om andere redenen onwenselijk vindt.

 

Artikel 12 – Contactpersoon bij overheidsparticipatie en uitdaagrecht

  • 1.

    Het college wijst een contactpersoon aan voor indieners van overheidsparticipatie- of uitdaagverzoeken.

 

Artikel 13 – Procedure overheidsparticipatie

  • 1.

    Verzoeken worden bij het college ingediend.

  • 2.

    Het verzoek bevat:

    • een omschrijving van het initiatief;

    • een motivering en beoogd resultaat.

  • 3.

    Het college kan aanvullende informatie opvragen en in overleg treden met de verzoeker.

  • 4.

    Het college beslist binnen 8 weken op het verzoek. Deze termijn kan eenmaal met 6 weken worden verlengd. Hiervan wordt de verzoeker schriftelijk op de hoogte gesteld.

  • 5.

    Afwijzing vindt plaats als het verzoek in strijd is met het beleidskader of andere bepalingen uit de verordening of wanneer het college het verzoek om andere redenen onwenselijk vindt.

 

Artikel 14 – Procedure uitdaagrecht

  • 1.

    Verzoeken worden bij het college ingediend.

  • 2.

    Het verzoek bevat:

    • een onderbouwing van de manier waarop de verzoeker de taak van de gemeente wil overnemen;

    • onderbouwing hoe de taak beter, slimmer of goedkoper, duurzamer, socialer, efficiënter of met meer betrokkenheid kan worden uitgevoerd;

    • kennis, ervaring, draagvlak en kostenindicatie;

    • hoe de kwaliteit van de uitvoering geborgd wordt.

  • 3.

    Het college wijst een contactpersoon aan voor de behandeling van het verzoek.

  • 4.

    Het college beslist binnen 12 weken op het verzoek. Deze termijn kan eenmaal met 6 weken worden verlengd.

  • 5.

    Indien het verzoek wordt toegewezen organiseert het college een eerste overleg met de verzoeker. Het doel van het overleg is om op basis van de beoordelingscriteria, de ruimte en randvoorwaarden en de verschillende rollen duidelijke afspraken te maken over het initiatief en duurzame bestendiging ervan.

  • 6.

    De verzoeker stelt een definitief voorstel op.

  • 7.

    Het college besluit onder meer aan de hand van het in het vijfde lid genoemde voorstel of de taak buiten de gemeentelijke organisatie kan worden uitgevoerd en onder welke voorwaarden. Dit besluit wordt openbaar gemaakt.

  • 8.

    Het college weegt de beoordelingscriteria in samenhang, waarbij enkele knock-outcriteria gelden: strijd met wet- en regelgeving, onvoldoende financiële haalbaarheid of onaanvaardbare veiligheidsrisico’s leiden tot afwijzing. Voor overige criteria maakt het college een integrale afweging, waarbij positieve effecten zwaarder kunnen wegen dan afzonderlijke nadelen.

 

Hoofdstuk 4: Evaluatie en slotbepalingen

Artikel 15 – Evaluatie

Een evaluatie van de uitvoering van deze verordening wordt iedere 2 jaar aan de gemeenteraad gestuurd met daarin opgenomen hoe;

  • a.

    De wijze waarop participatieprocessen zijn georganiseerd (instrumenten, kosten, resultaten, leerpunten);

  • b.

    De rolinvulling hiervan door de gemeenteraad en het college;

  • c.

    Het uitdaagrecht in de praktijk is toegepast.

 

Artikel 16 – Zorgplicht gemeentebestuur

Het gemeentebestuur zorgt ervoor:

  • a.

    dat inwoners en maatschappelijke partijen tijdig worden betrokken bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid;

  • b.

    dat inzichtelijk is hoe het proces van participatie eruitziet en welke vormen van participatie tijdens het proces mogelijk zijn;

  • c.

    dat de voor het proces van participatie benodigde stukken openbaar zijn;

  • d.

    dat tijdens het proces van participatie inzichtelijk is wat de stand van zaken is;

  • e.

    dat het proces van participatie zorgvuldig verloopt;

  • f.

    dat duidelijk is waar inwoners en maatschappelijke partijen terecht kunnen met vragen of klachten over het proces van participatie;

  • g.

    dat na afloop kenbaar is hoe het proces van participatie is verlopen, wat de uitkomsten waren en hoe deze uitkomsten een plaats hebben gekregen in de besluitvorming.

 

Artikel 17 – Intrekking oude regeling en overgangsrecht

  • a.

    De Inspraakverordening Midden-Groningen 2018 wordt ingetrokken.

  • b.

    De Inspraakverordening Midden-Groningen 2018 blijft van toepassing op beleid waarvoor ten tijde van de inwerkingtreding van deze verordening al een inspraakprocedure op grond van die verordening was gestart.

 

Artikel 18 – Inwerkingtreding en citeertitel

Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking en wordt aangehaald als: Verordening inwonerbetrokkenheid en uitdaagrecht gemeente Midden-Groningen 2025.

 

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 30 oktober 2025.

De voorzitter,

De griffier,

Naar boven