Gemeenteblad van Gouda
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Gouda | Gemeenteblad 2025, 476355 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Gouda | Gemeenteblad 2025, 476355 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Deze publicatie bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst. Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
De publicatie wordt standaard getoond met verschilmarkering. Door te kiezen voor ‘Was’ of ‘Wordt’ kunt u de voormalige of vernieuwde tekst op zichzelf bekijken.
Toon versie van document
Dit document bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst.
Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
Kennisgeving wijzigingsbesluit omgevingsplan gemeente Gouda (m.b.t. enkele bodem-technische voorschriften)
Burgemeester en wethouders van de gemeente Gouda maken, op grond van artikel 16.78 van de Omgevingswet, bekend dat de gemeenteraad van Gouda op 24 september 2025 een besluit heeft genomen tot wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Gouda.
Inhoud
De wijziging van het omgevingsplan Gouda betreft enkele aanvullende bepalingen op het gebied van de bescherming van de bodem/milieu. Het gaat om het voortzetten van bestaand beleid via de invoering van enkele voorschriften die nuttig en noodzakelijk zijn voor een betere bescherming van de (gezondheid van) mensen en bodem en/of efficiënte uitvoering.
Het wijzigingsbesluit betreft concreet de toevoeging van doelen en enkele voorschriften in hoofdstukken 2, 4 en 5 van het Omgevingsplan gemeente Gouda. Tevens zijn enkele definities in de begrippenlijst aangepast/aangevuld.
De toevoeging van enkele voorschriften betreft:
doorwerking van bestaand beleid tot plaatsen van peilbuizen bij olie-afscheiders
invoeren van een format voor aanleveren onderzoeksgegevens bodemonderzoek
doorwerking van bestaand beleid bij toepassen grond- of baggerspecie
doorwerking van bestaand beleid terugplaatsen grond bij werk in kabel- en leidingtracés
bescherming gebruikers bij wijzigen gebruik waardoor een bodemgevoelige locatie ontstaat.
Terinzagelegging
Het wijzigingsbesluit met bijbehorende stukken ligt gedurende zes weken na datum van bekendmaking/publicatie ter inzage In het Huis van de Stad, Burgemeester Jamesplein 1 te Gouda. Het gemeentehuis is voor het inzien van stukken geopend van maandag t/m donderdag van 08:30 – 12:00 uur en van 13:00 – 15:30 uur en vrijdagochtend van 08:30 – 12:00 uur.
Graag van tevoren telefonisch een afspraak te maken wanneer u de stukken in wilt zien, zodat deze alvast voor u kunnen worden klaargelegd. U kunt daarvoor contact opnemen met telefoonnummer 140182 (RBA, team Ruimtelijke Kwaliteit)
Daarnaast is het besluit digitaal in te zien via de landelijke voorziening Regels op de Kaart (www.ruimtelijkeplannen.nl of www.omgevingswet.overheid.nl).
Beroep instellen tegen dit besluit
Tegen dit besluit tot wijziging van het omgevingsplan gemeente Gouda m.b.t enkele bodem-technische voorschriften, kan beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Dat kan gedurende de beroepstermijn die loopt gedurende de periode van ter inzagelegging, zijnde van 5november 2025 tot 18 december 2025. Het beroep dient te worden gericht aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA ’s-Gravenhage. Voor nadere informatie inzake het instellen van beroep, wordt verwezen naar de website van de Raad van State.
Wie kan beroep instellen?
Een belanghebbende kan altijd beroep instellen, ook als deze geen zienswijzen heeft ingediend op het ontwerpwijzigingsbesluit. Een niet-belanghebbende kan ook beroep instellen als hij: een zienswijze tegen het ontwerpbestemmingsplan heeft ingediend; of geen zienswijze heeft ingediend en kan aantonen dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest om zienswijzen in te dienen; of beroep wil instellen tegen wijzigingen die de gemeenteraad bij de vaststelling van het bestemmingsplan ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan heeft aangebracht.
Inwerkingtreding en voorlopige voorziening
Het wijzigingsbesluit treedt in werking op de dag waarop 4 weken zijn verstreken sinds de dag waarop de gemeente het besluit bekend heeft gemaakt. Dat is de dag van deze publicatie van deze publicatie. Het instellen van beroep heeft geen schorsende werking. Dat betekent dat het wijzigingsbesluit, ook al is er beroep ingesteld, in werking treedt. Degene die beroep heeft ingesteld kan de Voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak verzoeken om met het oog op onverwijlde spoed een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek dient geadresseerd te worden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, ter attentie van de Voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak, postbus 20019, 2500 EA ’s-Gravenhage. Onder de Omgevingswet heeft een verzoek om voorlopige voorziening géén schorsende werking. Dat betekent dat het indienen van een voorlopige voorziening er niet automatisch voor zorgt dat een omgevingsplan voorlopig niet uitgevoerd kan worden. Dat gebeurt pas als de voorzieningenrechter een verzoek om voorlopige voorziening geheel of gedeeltelijk toewijst.
Vragen?
Voor vragen of meer informatie kunt u contact opnemen met de afdeling Ruimtelijk Beleid en Advies via 140182 (team Omgevings Kwaliteit) of gemeente@gouda.nl
het "Omgevingsplan gemeente Gouda" vast te stellen,
zoals is aangegeven in Bijlage A.
In dit wijzigingsbsluit zijn doelen en regels toegevoegd in hoofdstukken 2, 4 en 5 van het Omgevingsplan gemeente Gouda. Tevens zijn een aantal definities in de begrippenlijst aangepast.
A
Hoofdstuk 1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op
Hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan.
Bijlage I bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van
Hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan.
B
Hoofdstuk 2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit omgevingsplan is, met het oog op de doelen van artikel 1.3 van de Omgevingswet, in ieder geval gericht op:
a. een evenwichtige toedeling van functies aan locaties;
b. het beschermen van een goed woon- en leefklimaat;
c. het waarborgen van de veiligheid;
d. het beschermen van de gezondheid;
e. het beschermen van het milieu;
f. het beschermen van de kwaliteit van de bodem;
g. een veilige en doelmatige werking van de voorzieningen voor het beheer van het afvalwater;
h. het beheren van infrastructuur;
i. Het doelmatig gebruiken van energie en grondstoffen;
j. het duurzaam veiligstellen van de openbare drinkwatervoorziening;
k. het beheren van geobiologische en geothermische systemen en ecosystemen;
l. het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van lucht, bodem, en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen;
m. het beheren van natuurlijke hulpbronnen;
n. het bevorderen van een duurzame ontwikkeling;
C
Hoofdstuk 4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De volgende doelen uit Artikel 2.1 gelden voor deze paragraaf:
Er is een zettingsgevoelig gebied.
Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.1, wordt bij het voeren van afvalwater door een olieafscheider in het zettingsgevoelig gebied voldaan aan:
Paragraaf 5.2.4 Monitoring bodemkwaliteit zettingsgevoelig gebied.
De volgende doelen uit Artikel 2.1 gelden voor deze paragraaf:
Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.4, wordt bij een activiteit waarbij het op of in de bodem toepassen van grond of baggerspecie, voldaan aan:
Subparagraaf 5.2.1.1 Toepassen grond of baggerspecie.
Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.4, onder a., en b., wordt bij een tijdelijk uitnemen van grond bij werkzaamheden ten behoeve van kabels en leidingen (inclusief rioleringen) tot een diepte van 2 meter beneden maaiveld voldaan aan:
Subparagraaf 5.2.1.2 Terugplaatsen grond bij werk in kabel- en leidingentracés.
Met het oog op doelen bedoeld in Artikel 4.4 onder c., wordt bij het gebruik van een locatie waarbij bodemgevoelige locatie ontstaat voldaan aan:
Subparagraaf 5.2.3.1 Wijzigen van gebruiksfunctie waardoor een bodemgevoelige locatie ontstaat.
D
Hoofdstuk 5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit hoofdstuk is van toepassing op degene die een hieronder beschreven activiteit verricht, tenzij anders bepaald.
Diegene die een activiteit uitvoert draagt zorg voor de naleving van de regels van die activiteit.
Met uitzondering van afdeling 5.1 is een paragraaf in dit hoofdstuk alleen van toepassing voor zover dat in Hoofdstuk 4 is bepaald.
Deze subparagraaf is van toepassing op activiteiten waar de regels gelden over:
Artikel 5.3 Aanleveren onderzoeksgegevens
De resultaten van een bodemonderzoek, als bedoeld in Artikel 5.2, worden verstrekt in het bestandformaat XML conform de geldende versie van het protocol SIKB0101.
Deze paragraaf is van toepassing op het op of in de bodem toepassen van grond of baggerspecie als bedoeld in paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 5.5 Maatwerk kwaliteitseisen toepassen grond en baggerspecie
In afwijking van de kwaliteitseisen in artikel 4.1272 van het Besluit activiteiten leefomgeving gelden de kwaliteitseisen zoals vastgesteld in de Nota bodembeheer Midden-Holland 2023.
Artikel 5.6 Maatwerk kwaliteitseisen verspreiden grond en baggerspecie
In afwijking van de kwaliteitseisen in artikel 4.1278 van het Besluit activiteiten leefomgeving gelden de kwaliteitseisen zoals vastgesteld in de Nota bodembeheer Midden-Holland 2023.
Deze subparagraaf is van toepassing op het tijdelijk uitnemen van grond bij werkzaamheden ten behoeve van kabels en leidingen (inclusief rioleringen) tot een diepte van 2 meter beneden maaiveld.
Artikel 5.8 Terugplaatsen grond bij werk in kabel- en leidingentracés
In afwijking van artikel 4.1222a eerste lid van het Besluit activiteiten leefomgeving, hoeft bij een activiteit, bedoeld in Artikel 5.7, grond na het tijdelijk uitnemen van die grond niet in hetzelfde ontgravingsprofiel te worden teruggebracht.
In afwijking van artikel 4.1230a eerste lid van het Besluit activiteiten leefomgeving, hoeft bij een activiteit, bedoeld in Artikel 5.7, grond na het tijdelijk uitnemen van die grond niet in hetzelfde ontgravingsprofiel te worden teruggebracht.
Deze subparagraaf is van toepassing op het wijzigen van het gebruik van een locatie waardoor een bodemgevoelige locatie ontstaat.
Deze paragraaf is niet van toepassing voor zover daarin is voorzien in Paragraaf 22.2.4 van dit omgevingsplan
Ten minste vier weken voor het wijzigen van het gebruik zoals bedoeld in Artikel 5.9 worden aan het bevoegd gezag de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een voorafgaand bodemonderzoek, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, en;
als de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem, bedoeld in Artikel 22.30 wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen.
Artikel 5.11 Kwaliteitseisen bodemkwaliteit
In het kader van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties en ter bescherming van de gezondheid wordt een bodemgevoelige locatie uitsluitend toegestaan als de bodemkwaliteit voldoet aan de toelaatbare kwaliteit van de bodem, bedoeld Artikel 22.30 of als uit de gegevens en bescheiden blijkt dat het aannemelijk is dat sanerende of beschermende maatregelen worden getroffen waardoor gezondheidsrisico’s worden weggenomen.
Artikel 5.12 In gebruik nemen bodemgevoelige locatie bij overschrijding
Een bodemgevoelige locatie wordt pas in gebruik genomen nadat het bevoegd gezag is geïnformeerd over de wijze waarop sanerende of beschermende maatregelen, als bedoeld in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving, zijn getroffen.
Deze paragraaf is van toepassing op activiteiten waarbij een olieafscheider verplicht is, afvalwater wordt geleid door een olieafscheider, en waarbij deze olieafscheider zich bevindt in een zettingsgevoelig gebied.
In de directe nabijheid van een olieafscheider als bedoeld in Artikel 5.13 wordt een peilbuis geplaatst.
De peilbuis wordt geplaatst door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie-instantie of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000.
De positie van de peilbuis wordt bepaald aan de hand van:
De peilbuis is horizontaal op een afstand van minder dan 2 m gelegen van de influentzijde van de olieafscheider, of op de kortste redelijkerwijze afstand.
De peilbuis wordt snijdend met de grondwaterspiegel geplaatst.
Een peilbuis wordt uiterlijk binnen 2 maanden na plaatsing bemonsterd.
Na de eerste bemonstering als bedoeld in Artikel 5.15, eerste lid, wordt de peilbuis ten minste eenmaal per twee jaar bemonsterd.
De bemonstering als bedoeld in Artikel 5.15, eerste lid en Artikel 5.15, tweede lid, vindt plaats door een onderneming met:
een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000, of
een certificatie-instantie, of
inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000
De monsters worden onderzocht door een laboratorium met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 3000.
De monsters worden onderzocht op aanwezigheid van:
minerale oliecomponenten volgens NEN-EN-ISO 9377-2; en
vluchtige aromaten volgens NEN-EN-ISO 15680.
Het bevoegd gezag ontvangt uiterlijk binnen een maand na de bemonstering een rapportage.
De rapportage moet voldaan aan een verslag als bedoeld in de NEN 5740.
De resultaten van de bemonstering worden ook verstrekt in het bestandsformaat XML conform de vigerende versie van het protocol SIKB0101.
Als uit de resultaten van de bemonstering blijkt dat het grondwater is verontreinigd tot boven de waarden voor nader onderzoek bedoeld in tabel 5.4.1, wordt binnen 2 maanden een nader onderzoek uitgevoerd naar de omvang van de verontreiniging.
Tabel 5.4.1 Waarden voor nader onderzoek
Het nader onderzoek voldoet aan de NTA 5755.
Het veldwerk wordt verricht door een onderneming met:
een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000, of
een certificatie-instantie, of
inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000.
De laboratoriumanalyse wordt verricht door een laboratorium of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS 3000.
Het bevoegd gezag ontvangt uiterlijk binnen een maand na het nader onderzoek een rapportage.
De rapportage moet voldaan aan een rapportage als bedoeld in de NTA 5755.
De resultaten van de bemonstering worden ook verstrekt in het bestandsformaat XML conform de vigerende versie van het protocol SIKB0101.
Als de bodem door een activiteit als bedoeld in Artikel 5.13 is verontreinigd, wordt uiterlijk zes maanden na het toezenden van de rapportage nader onderzoek, bedoeld in Artikel 5.16 de bodemkwaliteit hersteld tot:
de bodemkwaliteit en grondwaterkwaliteit, die is vastgesteld in een rapport volgens NEN 5740 dat is opgesteld voor het begin van de activiteit; of
de bodemkwaliteit van de locatie waarop de activiteit is verricht, zoals die is vastgesteld op een bodemkwaliteitskaart als bedoeld in artikel 25c, derde lid, van het Besluit bodemkwaliteit; of
de kwaliteitsklasse landbouw/ natuur, bedoeld in artikel 25d, van het Besluit bodemkwaliteit.
Het herstel wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000.
Het bevoegd gezag wordt ten minste vijf dagen voor het begin van de herstelwerkzaamheden geïnformeerd over de begindatum.
Het bevoegd gezag wordt ten hoogste vijf dagen na beëindiging van de herstelwerkzaamheden geïnformeerd over de einddatum.
Ten hoogste vier weken na beëindiging van de herstelwerkzaamheden worden aan het bevoegd gezag gegevens en bescheiden verstrekt in de vorm van een evaluatieverslag volgens BRL SIKB 6000 dat in ieder geval de volgende gegevens bevat:
de resultaten van de milieukundige begeleiding, bestaande uit het onderdeel processturing met daarbij in ieder geval een opsomming van bijzondere omstandigheden die zich hebben voorgedaan tijdens de herstelwerkzaamheden; en
de resultaten van de milieukundige begeleiding, bestaande uit het onderdeel verificatie van het eindresultaat van de herstelwerkzaamheden.
De olieafscheider wordt onderhouden en geïnspecteerd conform NEN-EN 858-2:2003.
E
Bijlage I wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
afstand tussen een leiding van het distributienet en het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij die leiding bevindt, gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan worden gemaakt;
cluster aaneengesloten percelen met overwegend bedrijfsbestemmingen, binnen een in het omgevingsplan als bedrijventerrein aangewezen gebied, daaronder niet begrepen een gezoneerd industrieterrein of een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld;
AS SIKB 2000: Accreditatieschema Veldwerk bij Milieuhygiënisch Bodem- en waterbodemonderzoek, versie 2.8, 07‑02‑2014, met wijzigingsblad van 10‑02‑2018;
achtererfgebied en de grond onder het hoofdgebouw, uitgezonderd de grond onder het oorspronkelijk hoofdgebouw;
Baggerspecie is materiaal dat is vrijgekomen uit de bodem via het oppervlaktewater of de voor dat water bestemde ruimte.
gebied I of gebied II, bedoeld in bijlage I bij de Meststoffenwet, of een in dit omgevingsplan aangewezen concentratiegebied;
achtererfgebied en de grond onder het hoofdgebouw, uitgezonderd de grond onder het oorspronkelijk hoofdgebouw;
collectief circulatiesysteem voor het transport van warmte door een circulerend medium voor verwarming of warmtapwater;
Bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning als bedoeld in de Omgevingswet.
a. gebouw
1.dat op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; en;
2.dat gezien de aard, indeling en inrichting geschikt is om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; en
3.dat permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze wordt gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; of
b.geurgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is, maar op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebouwd;
1. Bodemgevoelige locatie als bedoeld in artikel 5.89h van het Besluit kwaliteit leefomgeving of een locatie waar als gevolg van het (toekomstig) gebruik sprake is van een verhoogde kans op blootstelling aan de grond, of 2. kinderspeelplaats, openbare of commerciële kinderspeelplaats, scholen, kinderopvang of vergelijkbare kinderspeelplaats waar redelijkerwijs kan worden aangenomen dat er kinderen in de leeftijd tot 7 jaar spelen, of 3. grote moestuin groter dan 200 m2.
BRL SIKB 2000: Beoordelingsrichtlijn 2000, Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek, versie 5, 12‑12‑2013;
BRL SIKB 7000: Beoordelingsrichtlijn 7000, Uitvoering van (water)bodemsaneringen en ingrepen in de waterbodem, versie 5, 19‑06‑2014, met wijzigingsblad van 12‑02‑2015;
industrieterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet;
gebied I of gebied II, bedoeld in bijlage I bij de Meststoffenwet, of een in dit omgevingsplan aangewezen concentratiegebied;
landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling een emissiefactor voor geur is vastgesteld en die vallen binnen een van de volgende diercategorieën: a.varkens, kippen, schapen of geiten; en b.als deze worden gehouden voor de vleesproductie: 1.rundvee tot 24 maanden; 2.kalkoenen; 3.eenden; of 4.parelhoenders;
collectief circulatiesysteem voor het transport van warmte door een circulerend medium voor verwarming of warmtapwater;
landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen emissiefactor voor geur is vastgesteld, met uitzondering van pelsdieren.
a. gebouw
1.dat op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; en;
2.dat gezien de aard, indeling en inrichting geschikt is om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; en
3.dat permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze wordt gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; of
b.geurgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is, maar op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebouwd;
a. voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
b. voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;
industrieterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet;
ISO 11423-1:1997: Water – Bepaling van het gehalte aan benzeen en enige afgeleiden – Deel 1: Gaschromatografische methode met bovenruimte, versie 1997;
besluit over de aanleg van een distributienet voor warmte in een bepaald gebied, waarin voor een periode van ten hoogste 10 jaar, uitgaande van het voor die periode geplande aantal aansluitingen op dat distributienet, de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu, gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte, bij aansluiting op dat distributienet is opgenomen.
landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling een emissiefactor voor geur is vastgesteld en die vallen binnen een van de volgende diercategorieën: a.varkens, kippen, schapen of geiten; en b.als deze worden gehouden voor de vleesproductie: 1.rundvee tot 24 maanden; 2.kalkoenen; 3.eenden; of 4.parelhoenders;
landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen emissiefactor voor geur is vastgesteld, met uitzondering van pelsdieren.
NEN 5725:2017: Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek, versie 2017;
NEN 5740:2009/A1:2016: Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond, versie 2009+A1 en 2016;
NEN 6090:2017: Bepaling van de vuurbelasting, versie 2017;
NEN 6578:2011: Water – Potentiometrische bepaling van het totale gehalte aan totaal fluoride, versie 2011;
NEN 6589:2005/C1:2010: Water – Potentiometrische bepaling van het gehalte aan totaal anorganisch fluoride met doorstroomsystemen (FIA en CFA), versie 2010;
NEN 6600-1:2019: Water - Monsterneming - Deel 1: Afvalwater, versie 2019;
NEN 6965:2005: Milieu - Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten - Atomaire-absorptiespectrometrie met vlamtechniek, versie 2005;
NEN 6966:2006: Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma, versie 2005 + C1:2006;
NEN-EN 858-1:2002/A1:2004: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) – Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2002 + A1: 2004;
NEN-EN 858-2:2003: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) - Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2003;
NEN-EN 872:2005: Water – Bepaling van het gehalte aan onopgeloste stoffen – Methode door filtratie over glasvezelfilters, versie 2005;
NEN-EN 1825-1:2004: Vetafscheiders en slibvangputten – Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2004 + C1:2006;
NEN-EN 1825-2:2002: Vetafscheiders en slibvangputten – Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2002;
NEN-EN 12566-1:2016: Kleine afvalwaterzuiveringsinstallaties kleiner dan of gelijk aan 50 IE - Deel 1: Geprefabriceerde septictanks, versie 2016;
NEN-EN 12673:1999: Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal geselecteerde chloorfenolen in water, versie 1999;
NEN-EN 16693:2015: Water – Bepaling van de organochloor pesticiden (OCP) in watermonsters met behulp van vaste fase extractie (SPE) met SPE-disks gecombineerd met gaschromatografie-massaspectrometrie (GC-MS), versie 2015;
NEN-EN-ISO 2813:2014: Verven en vernissen – Bepaling van de glans (spiegelende reflectie) van niet-metallieke verflagen onder 20 graden, 60 graden en 85 graden, versie 2014;
NEN-EN-ISO 5667-3:2018: Water - Monsterneming - Deel 3: Conservering en behandeling van watermonsters, versie 2018;
NEN-EN-ISO 5815-1:2019: Water - Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) - Deel 1: Verdunning en enting onder toevoeging van allylthioureum, versie 2019;
NEN-EN-ISO 5815-2:2003: Water - Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) - Deel 2: Methode voor onverdunde monsters, versie 2003;
NEN-EN-ISO 9377-2:2000: Water - Bepaling van de minerale-olie-index - Deel 2: Methode met vloeistofextractie en gas-chromatografie, versie 2000;
NEN-EN-ISO 9562:2004: Water – Bepaling van adsorbeerbare organisch gebonden halogenen (AOX), versie 2004;
NEN-EN-ISO 10301:1997: Water – Bepaling van zeer vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen – Gaschromatografische methoden, versie 1997;
NEN-EN-ISO 10523:2012: Water – Bepaling van de pH, versie 2012;
NEN-EN-ISO 11885:2009: Water – Bepaling van geselecteerde elementen met atomaire-emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma (ICP-AES), versie 2009;
NEN-EN-ISO 12846:2012: Water - Bepaling van kwik - Methode met atomaire-absorptiespectrometrie met en zonder concentratie, versie 2012;
NEN-EN-ISO 14403-1:2012: Water – Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) – Deel 1: Methode met doorstroominjectie analyse (FIA), versie 2012;
NEN-EN-ISO 14403-2:2012: Water – Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) – Deel 2: Methode met continu doorstroomanalyse (CFA), versie 2012;
NEN-EN-ISO 15587-1:2002: Water – Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water – Deel 1: Koningswater ontsluiting, versie 2002;
NEN-EN-ISO 15587-2:2002: Water – Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water – Deel 2: Ontsluiting met salpeterzuur, versie 2002;
NEN-EN-ISO 15680:2003: Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal monocyclische aromatische koolwaterstoffen, naftaleen en verscheidene gechloreerde verbindingen met «purge-and-trap» en thermische desorptie, versie 2003;
NEN-EN-ISO 15682:2001: Water – Bepaling van het gehalte aan chloride met doorstroomanalyse (CFA en FIA) en fotometrische of potentiometrische detectie, versie 2001;
NEN-EN-ISO 15913:2003: Water – Bepaling van geselecteerde fenoxyalkaanherbicide, inclusief bentazonen en hydroxybenzonitrillen met gaschromatografie en massaspectrometrie na vastefase-extractie en derivatisering, versie 2003;
NEN-EN-ISO 17294-2:2016: Water – Toepassing van massaspectrometrie met inductief gekoppeld plasma – Deel 2: Bepaling van geselecteerde elementen inclusief uranium isotopen, versie 2016;
NEN-EN-ISO 17852:2008: Water – Bepaling van kwik – Methode met atomaire fluorecentiespectometrie, versie 2008;
NEN-EN-ISO 17993:2004: Water – Bepaling van 15 polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) in water met HPLC met fluorescentiedetectie na vloeistof-vloeistof extractie, versie 2004;
NEN-ISO 15705:2003: Water – Bepaling van het chemisch zuurstofverbruik (ST-COD) – Kleinschalige gesloten buis methode, versie 2003;
NEN-ISO 15923-1:2013: Waterkwaliteit – Bepaling van de ionen met een discreet analysesysteem en spectrofotometrische detectie – Deel 1: Ammonium, chloride, nitraat, nitriet, ortho-fosfaat, silicaat en sulfaat, versie 2013;
Een olie/benzine afscheider is bedoeld voor de verwijdering van minerale oliën en vetten en bezinkbare delen (slib) uit afvalwater.
Een peilbuis is een buis met een geperforeerd deel, die in de bodem wordt geplaatst om de stijghoogte van het grondwater vast te stellen, of voor bewaking van de kwaliteit en/ of kwantiteit van het grondwater.
a. voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
b. voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;
besluit over de aanleg van een distributienet voor warmte in een bepaald gebied, waarin voor een periode van ten hoogste 10 jaar, uitgaande van het voor die periode geplande aantal aansluitingen op dat distributienet, de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu, gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte, bij aansluiting op dat distributienet is opgenomen.
Het zettingsgevoelig gebied is het gebied dat gevoelig is voor zetting. Als er op of in de ondergrond gebouwd wordt, kan er zetting ontstaan: de bodem wordt samengedrukt en zakt in. Dit kan schade veroorzaken aan de constructie of gebouwen in de omgeving. Op de ene plek in Nederland is de kans daarop groter dan op andere; de gevoeligheid voor zetting is sterk afhankelijk van de samenstelling van de bodem. Zand is bijvoorbeeld relatief weinig samendrukbaar en veen juist heel veel. Klei, zavel en leem nemen een middenpositie in. Daarnaast is de diepteligging van belang, want diepliggende lagen staan al onder druk en hebben daarom al een groot deel van de mogelijke samendrukking ondergaan. Dus hoe dieper de laag, hoe minder gevoelig hij is voor samendrukking.
F
Na bijlage I worden twee bijlagen ingevoegd, luidende:
/join/id/regdata/gm0513/2025/giocc68ec73-cc94-4c29-80ef-e9fa56b292dd/nld@2025‑11‑05;4
Omdat het motiverings-document een ‘nieuw’ aspect is als gevolg van de Omgevingswet volgt allereerst een korte introductie om de context ervan aan te geven. Op deze wijze wordt duidelijk wat de plaats en bedoeling ervan is.Daarna wordt specifiek ingegaan op de motivering van dit specifieke wijzigingsbesluit.
Introductie/context algemeen
Om een omgevingsplan te wijzigen moet een wijzigingsbesluit worden genomen.Het besluit tot wijziging van het omgevingsplan bestaat uit ten minste twee en ten hoogste drie onderdelen, namelijk:
deel 1: vaststellingsdocumenten en motivering (verplicht onderdeel)
deel 2: regels (verplicht onderdeel)
deel 3: artikelsgewijze toelichting met optioneel algemene toelichting (niet verplichtonderdeel).
Deel 1: vaststellingsdocumenten en motivering
Deel 1 van het besluit bestaat uit de vaststellingsdocumenten en de motivering van het besluit tot wijziging van het omgevingsplan. Dit deel lijkt op een combinatie van het raadsbesluit, het raadsvoorstel, de eventuele zienswijzennota en de toelichting met bijlagen bij het bestemmingsplan op basis van de tot 1 januari 2024 geldende Wet ruimtelijke ordening.
Vaststellingsdocumenten
De vaststellingsdocumenten bevatten de overwegingen van de gemeenteraad c.q. burgemeester en wethouders die leiden tot het nemen van het besluit. Onderdeel van het besluit is de wijze waarop met de ingekomen zienswijzen is omgegaan en het voorstel tot het nemen van dit besluit (vergelijkbaar met het raadsvoorstel en raadsbesluit tot vaststelling van het bestemmingsplan op grond van de Wet ruimtelijke ordening van voor 1 januari 2024, inclusief de zienswijzennota). In het besluit wordt expliciet aangegeven welke regels komen te vervallen en welke nieuw zijn.
Motivering
De Omgevingswet geeft specifieke aandacht aan de motivering. De motivering bevat de inhoudelijke onderbouwing van het besluit (vergelijkbaar met de toelichting op het bestemmingsplan). Echt nieuw is dat dus niet en heeft z’n basis al in artikel 3:46 Awb waarin wordt aangegeven dat eenbesluit moet berusten op een deugdelijke motivering. Die algemene criteria wat deugdelijk is staan nietin de wet, maar vloeien wel voort uit jurisprudentie:
de conclusie volgt logisch uit een juist en volledig overzicht van de feiten en omstandighedendie deugdelijk zijn overwogen en gewaardeerd;
uit de motivering blijkt duidelijk wat de gedachtegang van het bestuursorgaan is geweest;
benoem de van toepassing zijnde wetsartikelen;
neem de motivering in ieder geval in het besluit op.
Meer specifiek voor het omgevingsplan kan de motivering bijvoorbeeld bestaan uit:
een beschrijving van de ontwikkeling (aanleiding, nut/noodzaak);
toetsing aan omgevingsaspecten en onderzoek (o.a. wel/niet MER plicht);
aanduiding op welke onderdelen het omgevingsplan wordt aangepast en waarom;
verwijzing naar voor die wijzigingen relevant beleid van gemeente, provincie of Rijk;
motivering om welke redenen het besluit bijdraagt aan een evenwichtige toedeling vanfuncties aan locaties;
wijze waarop participatie is vormgegeven en uitkomst daarvan.
Ter ondersteuning van de motivering kunnen bijlagen met onderzoeksgegevens worden toegevoegd.
Deel 2: regels
Het tweede deel van het besluit bestaat uit de regels die deel gaan uitmaken van het omgevingsplan.De regels bestaan in ieder geval uit:
de regeltekst en de daarbij behorende werkingsgebieden;
aanduiding welke regels worden toegevoegd, geschrapt, gewijzigd of vervangen door andereregels.
Ook hier kunnen bijlagen worden gevoegd (vergelijkbaar met de bijlagen bij de regels van hetbestemmingsplan). Dit tweede deel van het wijzigingsbesluit is vergelijkbaar met de wijziging van eenwet of een verordening.
Deel 3: artikelsgewijze toelichting met optioneel algemene toelichting
Artikelsgewijze toelichting
De artikelsgewijze toelichting heeft in ieder geval betrekking op de regels van het deel van hetomgevingsplan dat gewijzigd wordt. Bij elke wijziging vindt dus een actualisatie plaats (als daarvoor isgekozen) van de artikelsgewijze toelichting. In een artikelsgewijze toelichting kan aangegeven wordenwaarom bepaalde regels zijn gesteld.
Algemene toelichting
Aan het omgevingsplan kan ook een algemene toelichting worden toegevoegd met bijvoorbeeldgegevens over de gemeente en een beschouwing over de visie van de gemeente op hetomgevingsplan (globaal, gedetailleerd, wijze waarop invulling is gegeven aan de gemeentelijkebeleidsvrijheid etc.). Wanneer dat nodig is, kan bij een wijziging van de regels van het omgevingsplanook deze algemene toelichting worden geactualiseerd.Als dat gewenst is kunnen ook aan de toelichting bijlagen worden toegevoegd.
Motivering wijzigingsbesluit omgevingsplan Gouda: bodemtechnische aspecten
Het is allereerst goed om te melden dat een aantal aspecten betreffende de motivering van het besluit reeds zijn aangegeven in de documenten betreffende:
het collegevoorstel en -besluit,
het raadsvoorstel en -besluit,
de algemene toelichting op de voorschriften en ook in
de specifieke toelichting op de voorschriften.
De essentie ervan wordt op hoofdlijnen hieronder nogmaals aangegeven. Dan staat dat mooi bij elkaar.In de specifieke toelichting op de voorschriften (artikelen) is meer in detail aangegeven hoe deze voorschriften zich verhouden tot bestaand geldend beleid van overheden of waterschap. Daarnaar wordt kortheidshalve verwezen.
Aanleiding
Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Sinds dat moment heeft de gemeente Gouda een tijdelijk omgevingsplan (van rechtswege). Voor 2032 moet het tijdelijk omgevingsplan Gouda omgezet worden naar een definitief omgevingsplan Gouda (nieuwe stijl). Binnen de transitie zullen onder andere meerdere milieuonderwerpen worden ingevoegd in het omgevingsplan Gouda (nieuwe stijl). Dit is een wettelijke verplichting op basis van artikel 2.4 (omgevingsplan), waarin is aangegeven dat de gemeenteraad voor het gehele grondgebied van de gemeente één omgevingsplan vaststelt waarin regels over de fysieke leefomgeving worden opgenomen.
Keuze onderwerp
Met dit voorgenomen wijzigingsbesluit worden enkele omissies hersteld die vanwege het overgangsrecht vervallen zijn. Het is een kleinschalig thema dat prioritair wenselijke/noodzakelijke wijzigingen betreft en beleidsneutraal is. Daarnaast is het ook als eerste onderwerp aangewezen in het Transitieplan 2024 (waarvan de raad 23 oktober 2024 kennis heeft genomen), mede om te dienen als oefening om ervaring op te doen met het volledige proces van wijziging van het omgevingsplan: zowel wat betreft het voortraject tot voorbereiding van een dergelijk voorstel en besluit alsook de digitaal-technische, procedurele en bestuurlijke aspecten ervan.Het voorstel tot wijziging betreft de volgende onderwerpen:
Behoud beleid Peilbuizen plaatsen bij olie-afscheiders,
Format aanleveren onderzoeksgegevens bodemonderzoek,
Zichtbaarheid beleid Nota Bodembeheer bij toepassen grond- of baggerspecie,
Behoud beleid terugplaatsen grond bij werk in kabel- en leidingtracés,
Bescherming gebruikers bij wijzigen gebruik waardoor bodemgevoelige locatie ontstaat
Het betreft het voortzetten van bestaand beleid via de invoering van enkele voorschriften die nuttig en wenselijk zijn voor een betere bescherming van de (gezondheid van) mensen en bodem en/of efficiënte uitvoering.
Impact onderwerp
Door omissies in het overgangsrecht van de Omgevingswet en bijbehorende wettelijke besluiten, is een deel van het eerder geldende beleid vervallen. Met dit ontwerpbesluit wordt deze omissie hersteld en kan het beleid weer worden uitgevoerd met de bijbehorende voordelen die daarmee samenhangen. Na vaststelling is het huidig geldend beleid ook juridisch weer toepasbaar.
Doelen
De omgevingsdoelen (te dienen belangen) zoals die nu in hoofdstuk 2, artikel 2.1, van de voorschriften in bijlage I van het wijzigingsbesluit staan, vloeien voort uit de Omgevingswet (Ow). Meer specifiek artikel 1.3 Ow, waarin staat aangegeven:
’Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land, en bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang:
bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur, en
doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.’
De in het omgevingsplan op te nemen doelen geven invulling aan het gemeentelijk beleid(omgevingsvisie) en aan de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet. De gemeente is niet wettelijk verplicht om doelen in het omgevingsplan op te nemen. Er kan voor worden gekozen om geen uitdrukkelijke doelen op te nemen, dan gelden nog steeds de maatschappelijke doelen van de wet.
Voordeel van het wel opnemen is echter dat deze sturing en richting geven aan de eventuele afwegingsruimte in de regels en dat deze gezien kunnen worden als de motivering c.q. reden voor hetstellen van regels in het omgevingsplan. Doelen zijn van belang voor de onderbouwing van de verschillende onderdelen het omgevingsplan en voor de reikwijdte daarvan. De geschiktheid vanregels in de hoofdstukken van het omgevingsplan is beoordeeld in het licht van deze doelen.
Het is van belang dat de doelen in samenhang worden bezien met doelen die in deomgevingsvisie zijn gesteld. In de omgevingsvisie zijn opgaven en keuzes vastgelegd. Deze wijziging is hiermee in lijn (zie Artikelsgewijze toelichting).
De doelen genoemd in hoofdstuk 2 van de voorschriften werken door in alle hoofdstukken van het omgevingsplan. Deze hebben een directe relatie met de thema’s en activiteiten die in hoofdstuk 5 van de voorschriften inhoudelijk geregeld zijn. De doelen zijn de aanleiding voor het opstellen van deplanregels in hoofdstuk 5.
Evenwichtige toedeling van functies aan locaties i.r.t. doelen
Het voorstel en besluit voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locatiesIn de toelichting op de voorschriften in hoofdstuk 2 en 5 wordt ingegaan op het aspect ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. Essentie is dat de Omgevingswet kaders geeft die gaan over doelen (artikel 1.3 Omgevingswet), dat met het oog daarop regels kunnen worden gesteld in een omgevingsplan voor activiteiten in de fysieke leefomgeving die nodig zijn met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.1.en 4.2 van de Omgevingswet).Dit impliceert vooral een locatiegerichte benadering om de gevolgen af te wegen die activiteiten kunnen hebben op de fysieke leefomgeving. Artikel 1.2, derde en vierde lid van de Omgevingswet omschrijft welke gevolgen dat kunnen zijn.In algemene zin kan worden gesteld dat het zorgen voor een evenwichtige toedeling van functies in het omgevingsplan wordt bereikt door activiteiten onderling evenwichtig over locaties te reguleren. Evenwichtig reguleren van activiteiten impliceert een locatiegerichte benadering waarbij de schaarse ruimte binnen de fysieke leefomgeving op een zo’n goed mogelijke wijze wordt verdeeld, ingericht en benut. Een evenwichtige toedeling van functies kan als resultante worden beschouwd van alle regels in het omgevingsplan.
Dit wijzigingsbesluit bevat – zoals hiervoor aangegeven - in feite slechts voorschriften op vijf bodem-gerelateerde aspecten waarbij enkele normeringen – conform reeds bestaand beleid – nu juridisch kenbaar worden vastgelegd. In alle gevallen met het doel hiermee een betere praktische toepassing ban bestaand beleid te krijgen met inachtneming van de in het omgevingsplan geformuleerde algemene doelen inzake bescherming van gezondheid en milieu, zonder dat sprake is van specifieke claims op de fysieke ruimte en daarmee noodzakelijke afwegingen en prioriteringen dienaangaande van toedeling van functies aan locaties. Om die reden is ook van een plicht tot een Milieu Effect Rapportage of voortoets geen sprake.
De gemeente heeft de bevoegdheid om in het omgevingsplan regels te stellen waarbij hogereregelgeving in acht moet worden genomen. Bijvoorbeeld met het Besluit activiteiten leefomgeving(Bal) en het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Wat daarin is geregeld, kan niet meer in hetomgevingsplan geregeld worden, tenzij er in deze uitvoeringsregels maatwerkregels mogelijk zijngemaakt. Indien dit het geval is en van deze bevoegdheid gebruik wordt gemaakt wordt dit genoemden onderbouwd in deze Toelichting bij het omgevingsplan. Soms kan deze bevoegdheid wordengegeven in hogere regelgeving als instructieregels. De instructieregels van het Bkl zijn vooral gegeven voor regels met het oog op de evenwichtige toedeling van locaties. Ook deze achterliggendegrondslag moet in de Toelichting worden aangegeven indien van toepassing.
Randvoorwaarden/uitgangspunten
Voor dit voorstel zijn de uitgangspunten van raadsbesluit 23 oktober 2024 in acht genomen. Deze luidden meer specifiek:
per wijzigingsbesluit voor het Omgevingsplan wordt een keuze gemaakt uit het juridischeinstrumentarium van de Omgevingswet;
de invulling van het omgevingsplan volgt het beleid en is zelf beleidsneutraal;
casco staalkaarten VNG worden gebruikt als opzet voor het omgevingsplan;
het omgevingsplan wordt opgebouwd door middel van thematische en gebiedsgerichtewijzigingsbesluiten;
bestaand beleid wordt zonder inhoudelijke wijzigingen omgezet naar het omgevingsplan;
In de raadsmemo van 17 december 2024 inzake dit onderwerp, is hierop reeds een korte toelichting gegeven die hieronder is opgenomen.
Toelichting uitgangspunt 1, 2 en 5
Om de uitvoering van enkele activiteiten in overeenstemming te brengen met het beleid/werkwijzevan voor de Omgevingswet, zijn aanpassingen/aanvullingen nodig op de bruidsschat-regels in hetvan rechtswege geldende omgevingsplan Gouda.Door de Omgevingsdienst Midden Holland (ODMH) is – na samenspraak met de regio-gemeenten - een aantal onderwerpen voorgedragen waar met prioriteit kleine (technische) aanpassingen nodig zijn ten opzichte van het tijdelijke omgevingsplan van rechtswege om bestaand beleid effectief doorgang te laten vinden.Op het aspect bodem/activiteiten met grond is dit door de ODMH uitgewerkt in planregels. Dezebepalen dan ook de scope van de wijziging.Het betreft de hiervoor reeds genoemde onderwerpen.Dit is de eerste (technische en beleidsneutrale) aanpassing, voortvloeiend uit bestaand beleid,genoemd in de (voorlopige) planning zoals aangegeven in het Plan van Aanpak dat oktober 2024ter kennisneming met de voornoemde uitgangspunten aan de raad is gezonden.
Toelichting uitgangspunt 3 en 4
De Omgevingswet noemt allereerst de gemeentelijke omgevingsvisie als hoofdinstrument voor degrote lijnen en structurerende keuzes voor het fysieke leefmilieu. Daarnaast is er hetomgevingsprogramma dat concrete uitwerking kan geven aan de algemenere aspecten uit deomgevingsvisie. Het omgevingsplan dient ter juridische vaststelling/uitvoering van beleid enprogramma via de in voorschriften aangegeven rechten en plichten. In de uitgangspunten van deraad is aangegeven dat deze via gebiedsgerichte of themagerichte wijzigingsplannen kunnenworden doorgevoerd. In dit wijzigingsvoorstel is gekozen voor een thematische doorvoering (dusregels geldend voor 1 specifiek thema, die gelding zullen hebben in alle grondgebied van Gouda,tenzij anders aangegeven.De opzet en inhoud van de voorschriften worden ingepast conform de standaardisering van deVNG.
Onderstaande tabel geeft een overzicht wat er wordt omgezet.
was | wordt | |
Peilbuis olieafscheider | Beleidsregel Bodem bij Bedrijven van 20‑09‑2010 | Maatwerkvoorschriften in omgevingsplan |
Digitale beschikbaarheid bodemonderzoeken | Niet geregeld in landelijke regels voor opstellers bodemonderzoeksrapporten | Maatwerkvoorschriften in omgevingsplan |
Nota Bodembeheer | Nota Bodembeheer | Directe verwijzing naar Nota Bodembeheer in omgevingsplan |
Terugplaatsen grond bij werk in kabel- en leidingentracé | Onderdeel van nota bodembeheer (Paragraaf 4.3.5) | Maatwerkvoorschriften in omgevingsplan |
Wijzigen van het gebruik waardoor een bodemgevoelige locatie ontstaat | Vanuit artikel 3.1.6 van Besluit ruimtelijke ordening werd een bodemtoets uitgevoerd, ook bij functiewijziging. Dit besluit is met de komst van de omgevingswet vervallen. | Maatwerkvoorschriften in omgevingsplan |
Instrumentkeuze en indeling (algemeen)
Als de activiteiten (het inhoudelijke toepassingsbereik), en het oogmerk (de met de regel te dienen belangen en doelen) voor het stellen van regels over die activiteiten, vaststaat, dan komt de keuze aan de orde hoe de activiteit te regelen.
De indeling van hoofdstuk 5 van de voorschriften in afdelingen volgt steeds het oogmerk van de te stellen regels. Die oogmerken zijn steeds rechtstreeks verbonden aan de doelen die in hoofdstuk 2 zijn gesteld, en nader aangegeven in hoofdstuk 4.
Binnen het omgevingsplan zijn verschillende soorten regels voor activiteiten denkbaar: globale regels, gedetailleerde regels, specifieke zorgplichten, maatwerkregels, meldingsplichten, maatwerkvoorschriften, omgevingsvergunningen, gelijkwaardigheidsregels, verboden, etc. De gemeente is hier bevoegd orgaan.
Bij de afwegingen om tot een keuze te komen welke regels het meest passend worden geacht, is gebruik gemaakt van de verschillende onderdelen van het evenredigheidsbeginsel. In dat verband worden in de afweging bijvoorbeeld in z’n algemeenheid de volgende vragen gesteld:
Is de regel geschikt om het doel (oogmerk) te bereiken? (Niet alleen theoretisch voor de individuele regel, maar is bij de keuze ook sprake van een logische en systematische aanpak van dat doel in dit omgevingsplan)?
Is deze regel noodzakelijk om dat doel te bereiken of is er een minder ingrijpend alternatief? (Kan bijvoorbeeld volstaan worden met een melding in plaats van een omgevingsvergunning, of met alleen een algemene regel in plaats van een meldingsplicht?)
Is de regel proportioneel in verhouding tot het dienen doel, of is het eigenlijk onredelijk?
Zijn de eventuele voor- of nadelen van een regel evenwichtig verdeeld of zijn bepaalde groepen of onderdelen van de fysieke leefomgeving onevenredig zwaar belast en zijn daarvoor compenserende mechanismen nodig?
Dat laatste punt speelt in het omgevingsplan in het bijzonder (maar niet uitsluitend) in relatie tot het soort afwegingen waarover het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) instructieregels heeft gesteld. Voorbeeld: een regel die activiteiten toestaat met gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen (bijv. een vergunningplicht), kan een legitiem doel hebben, geschikt te zijn voor dat doel, noodzakelijk en ook proportioneel gelet op de afweging vooraf die nodig is omdat het anders te laat is. Maar zou tot een onevenwichtige situatie leiden als er geen afstand in acht wordt genomen tot kwetsbare gebouwen of locaties. Het Bkl dwingt daarom tot het in acht nemen van een afstand tussen activiteiten, zodat het nodig zal zijn de locatiekeuze van initiatiefnemers van deze activiteiten te beïnvloeden.
Voor deze wijziging geldt dat de keuzes op initiatief van de regio-gemeenten zijn gemaakt – op voorstel van de ODMH - wat betreft de noodzakelijkheid, urgentie en onderwerpen die moeten worden vastgelegd, en ook de instrumentkeuze, om juridische werking van bestaand beleid en handelwijze te houden. De gemeenten proberen in deze keuze ook 1 gezamenlijke koers te varen om de uitvoeringspraktijk in de regio-gemeenten, indien mogelijk, zo veel mogelijk eenduidig te laten zijn. Het betreft dus een beleidsneutrale codificatie van reeds (eerder) geldend beleid of regelgeving.
Juridische- / financiële gevolgen
Voorschriften
De wijziging van het omgevingsplan op vorenstaande aspecten vindt plaats via het includeren van enkele voorschriften in het omgevingsplan Gouda. Het betreft dus enkele aanvullingen waardoor het aantal tekstuele wijzigingen in de bestaande tekst van het omgevingsplan gering is. In de publicatie zijn te tekstaanvullingen aangegeven in de kleur groen en de tekstwijzigingen in de kleur rood. De tekst wordt geïmplementeerd met inachtneming van het basis-casco zoals door de VNG gehanteerd. Naast de tekst wordt door de raad ook een toelichting op de tekst vastgesteld. Deze heeft geen direct juridische werking maar geeft wel kleuring aan de achtergrond en reden van includering en uitleg van de beoogde betekenis van de (voorgestelde) wettelijke tekst.
Strafbaarstelling
In het omgevingsplan is of wordt er geen strafbaarstelling voor overtreding van de regels betreffende de aangegeven activiteiten opgenomen. De Omgevingswet laat dat niet toe. Overtredingen van de regels in het omgevingsplan zijn strafbaar gesteld in de Wet op de economische delicten.
Financiële gevolgen
De wijziging van het omgevingsplan op vorenstaande aspecten heeft geen financiële consequenties.
Processuele aspecten
Afstemming
De vertaling van het beleid in de planregels die nu voorliggen is afgestemd met de Omgevingsdienst Midden Holland (ODMH) en de regiogemeenten. Het verwerken van de regels is nodig om de huidige werkwijze van de regiogemeenten (via de ODMH) voort te zetten. Tevens zijn de concept voorschriften aan de provincie Zuid Holland voorgelegd om de relatie te bezien met provinciaal beleid.
Participatie en kennisgeving starten proces van voorbereiding van een wijzigingsbesluit
De kaders inzake externe communicatie zijn aangegeven in de Omgevingswet, de Algemene inspraak- en participatieverordening Gouda en de Participatiestrategie Fysieke Leefomgeving.De Omgevingswet geeft aan dat de gemeente bij de start in ieder geval moet overwegen enkenbaar moet maken op welk niveau men participatie wil toepassenDe insteek is om in dit geval te kiezen voor de minst uitgebreide vorm van de participatie op basis van de navolgende overwegingen.De voorgenomen wijziging vloeit voort uit beleid en voorschriften zoals die al bestonden voor 1januari 2024. Deze worden middels deze wijziging doorvertaald naar het omgevingsplan Gouda. Erworden hiermee geen normen gewijzigd. De voorbereiding vindt plaats via de reeds door degemeenteraad gestelde kaders (uitgangspunten d.d. 23 oktober 2024) die worden gehanteerd bijprocedures tot wijziging van het omgevingsplan. Gelet op de beperktheid van het aantalonderwerpen en regels (5), de impact van de regels, en gelet op het feit dat deze uitvoeringsregelsvoortvloeien uit bestaande wetgeving en beleid, is de intentie om de participatie in deze fase vankennisgeving te beperken tot het vragen van inbreng vanuit de gemeentelijke organisatie zelf enorganisaties belast met de bewaking en uitvoering van dit thema. Omdat er – vanwege de beperkte impact van dit voorstel – is gekozen voor de minst uitgebreide vorm van participatie, hebben geen aanvullende communicatieacties plaatsgevonden.Dit is, tezamen met de aankondiging dat de voorbereiding van het proces tot opstellen van een wijzigingsbesluit, februari 2025 extern gecommuniceerd door Burgemeester en Wethouders via de publicatie van een kennisgeving (digitaal DSO en Gemeenteblad, en Kontakt)
Publicatie ontwerpbesluit
Er zijn geen zienswijzen ingediend betreffende het ontwerp wijzigingsbesluit dat van 24april 2025 tot en met 6 juni 2025 ter inzage is gelegd (zowel digitaal als in fysieke vorm) in de daarvoor ingerichte landelijke voorziening, het DSO, Gemeenteblad en rubriek gemeenteberichten in het Goudse Post/ Kontakt (16:29 OW en artikel, 3:11 en 3:12 van de Awb).
G
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De begripsbepalingen waarnaar de Omgevingswet zelf verwijst hoeven in het omgevingsplan niet te worden overgeschreven. Van de begrippen uit de wet kan immers niet worden afgeweken. De begrippen die in bijlage I bij het omgevingsplan worden gedefinieerd bevatten alleen aanvullingen op de begrippen van de wet en dan slechts voor zover die nodig zijn voor een goede normstelling en uitvoering van het omgevingsplan.
In het eerste lid van dit artikel zijn de begripsbepalingen van de Omgevingswet en het Omgevingsbesluit, het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en de Omgevingsregeling van toepassing verklaard op
Hoofdstuk 22
hoofdstuk 2 tot en met 21 van dit omgevingsplan. Het gaat om een zogenaamde statische verwijzing. Dat betekent dat latere wijzigingen van de begrippen in de Omgevingswet of de AMvB’s geen invloed hebben op de betekenis van de begrippen in
Hoofdstuk 22
bijlage I van het omgevingsplan vastgestelde begrippen.
Bijlage I Begripsbepalingen bij dit omgevingsplan bevat de overige begripsbepalingen die voor Hoofdstuk 22 nog nodig zijn in aanvulling op de begrippen van de wet, de AMvB’s en de Omgevingsregeling.
Begripsbepalingen zijn ondersteunend voor de leesbaarheid of de uitvoerbaarheid van de regels. Dat betekent dat terughoudend met begripsbepalingen omgegaan wordt. Als een begrip slechts één keer in het omgevingsplan wordt gebruikt, wordt geen begripsbepaling opgenomen. De volledige omschrijving kan dan worden opgenomen in het artikel waarin het begrip voorkomt.
Bijlage I bij dit omgevingsplan bevat de overige begripsbepalingen die – in aanvulling op de begripsbepalingen die reeds eerder voor hoofdstuk 22 zijn vastgesteld – aanvullend gelden ten aanzien van de begrippen van de Omgevingswet, de AMvB’s en de Omgevingsregeling (zoals vastgesteld per 01‑01‑2024).
H
Na sectie 1.1 worden elf secties ingevoegd, luidende:
In artikel 1.2 is bepaald wat de verhouding is tussen de regels in het nieuwe deel en in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Het artikel bepaalt dat de regels van Hoofdstuk 2 tot en met 21 buiten toepassing blijven indien de nieuwe regels in strijd zijn met de regels uit het tijdelijke deel van het Omgevingsplan. Dit artikel beoogt verder te regelen dat de regels uit het tijdelijke deel niet vervallen. Het tweede lid regelt dat de regels van het nieuwe deel in aanvulling gelezen moeten worden op de Bruidsschat. Dat betekent bijvoorbeeld dat indien een regel in het nieuwe deel bepaalt dat een bodemonderzoek in XML aangeleverd moet worden, deze nieuwe regel dus in aanvulling is op de al bestaande indieningsvereisten in de Bruidsschat. Met andere woorden: als de Bruidsschat een bodemonderzoek verplicht stelt, dan moet deze op basis van een artikel in het nieuwe deel in XML aangeleverd worden. De regel in het nieuwe deel fungeert dan ook als aanvulling.
De omgevingsdoelen (te dienen belangen) van artikel 2.1 vloeien voort uit de Omgevingswet (Ow). Meer specifiek artikel 1.3 Ow, waarin staat aangegeven:
Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land, en bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang:
bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur, en
doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.
De in het omgevingsplan op te nemen doelen geven invulling aan het gemeentelijk beleid (omgevingsvisie) en aan de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet. Gemeenten zijn niet wettelijk verplicht om doelen in het omgevingsplan op te nemen. Als de gemeente ervoor kiest geen uitdrukkelijke doelen op te nemen, dan gelden nog steeds de maatschappelijke doelen van de wet.
Voordeel van het wel opnemen is dat deze sturing en richting geven aan de eventuele afwegingsruimte in de regels en dat deze gezien kunnen worden als de motivering c.q. reden voor het stellen van regels in het omgevingsplan. Doelen zijn van belang voor de onderbouwing van de verschillende onderdelen het omgevingsplan en voor de reikwijdte daarvan. De geschiktheid van regels in de overige hoofdstukken van het omgevingsplan zal moeten worden beoordeeld in het licht van deze doelen.
Het is van belang dat de doelen in samenhang worden bezien met doelen die in de omgevingsvisie zijn gesteld. In de omgevingsvisie zijn opgaven en keuzes vastgelegd. Deze wijziging is hiermee in lijn (zie bijlage 1 bij deze toelichting).
De doelen van hoofdstuk 2 werken door in alle hoofdstukken van het omgevingsplan. De doelen in hoofdstuk 2 hebben een directe relatie met de thema’s en activiteiten die in hoofdstuk 5 inhoudelijk geregeld zijn. De doelen zijn de aanleiding voor het opstellen van de planregels in hoofdstuk 5.
Dit hoofdstuk is gereserveerd voor regels die strekken tot het aanwijzen van onderdelen van de fysieke leefomgeving, voor zover deze van belang zijn voor het bepalen van het toepassingsbereik van andere onderdelen van dit omgevingsplan (vaak regels over activiteiten), of andere rechtsgevolgen in dit omgevingsplan.
Hoofdstuk 4 heeft een vaste opbouw. Dit hoofdstuk geeft aan welke artikelen van hoofdstuk 5 van toepassing zijn.
Er is besloten om in Hoofdstuk 4 nogmaals aan te geven welke doelen gelden voor de regels. Hiervoor zijn twee redenen. Ten eerste, doordat niet telkens hoeft te worden verwezen naar hoofdstuk 2, wordt de leesbaarheid verbeterd. Ten tweede, vanwege de werking van plansoftware is het lastig om te verwijzen met een annotatie.
In het eerste artikel van de desbetreffende paragraaf worden de doelen benoemd die van toepassing zijn specifiek op het betreffende thema of activiteit. In de daaropvolgende artikelen wordt opgesomd welke paragrafen van toepassing zijn op de desbetreffende activiteit. Het artikel fungeert dan ook als spil en richtingaanwijzer tussen de bibliotheek met activiteiten die in hoofdstuk 5 is opgenomen.
Algemeen: kader en context
Artikel 4.1, eerste lid, van de Omgevingswet bepaalt dat in het omgevingsplan met het oog op de doelen van de wet regels kunnen worden gesteld over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. Het omgevingsplan bevat conform artikel 4.2 van de wet in ieder geval regels voor het gehele grondgebied van de gemeente die nodig zijn met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Het zorgen voor een evenwichtige toedeling van functies wordt in het omgevingsplan bereikt door activiteiten onderling evenwichtig over locaties te reguleren. Evenwichtig reguleren van activiteiten impliceert een locatiegerichte benadering waarbij de schaarse ruimte binnen de fysieke leefomgeving op een zo’n goed mogelijke wijze wordt verdeeld, ingericht en benut. Een evenwichtige toedeling van functies kan als resultante worden beschouwd van alle regels in het omgevingsplan.
Het gaat in dit hoofdstuk steeds om activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving.
Artikel 1.2, derde lid, van de Omgevingswet schrijft voor dat als gevolgen voor de fysieke leefomgeving in ieder geval aangemerkt worden, de gevolgen die kunnen voortvloeien uit:
a. het wijzigen van onderdelen van de fysieke leefomgeving of het gebruik daarvan,
b. het gebruik van natuurlijke hulpbronnen,
c. activiteiten waardoor emissies, hinder of risico’s worden veroorzaakt,
d. het nalaten van activiteiten.
Het vierde lid voegt daaraan toe dat als gevolgen voor de fysieke leefomgeving ook worden aangemerkt, de gevolgen voor de mens, voor zover deze wordt of kan worden beïnvloed door of via onderdelen van de fysieke leefomgeving.
Onder activiteiten worden dus veel verschillende zaken verstaan. Het heeft een ruime reikwijdte. Voorbeelden van activiteiten zijn: bouwen van een woning, slopen van een bouwwerk, kappen van een boom, exploiteren van een bedrijf, houden van een evenement, het aanleggen van een terras en het realiseren van een in/uitrit etc.
De gemeente heeft de bevoegdheid om in het omgevingsplan regels te stellen waarbij hogere regelgeving in acht moet worden genomen. Bijvoorbeeld met het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Wat daarin is geregeld, kan niet meer in het omgevingsplan geregeld worden, tenzij er in deze uitvoeringsregels maatwerkregels mogelijk zijn gemaakt. Indien dit het geval is en van deze bevoegdheid gebruik wordt gemaakt wordt dit genoemd en onderbouwd in deze Toelichting bij het omgevingsplan. Soms kan deze bevoegdheid worden gegeven in hogere regelgeving als instructieregels. De instructieregels van het Bkl zijn vooral gegeven voor regels met het oog op de evenwichtige toedeling van locaties. Ook deze achterliggende grondslag moet in de Toelichting worden aangegeven indien van toepassing.
Daarnaast is er ook een aantal gevallen waarin simpelweg wordt voorgeschreven dat bepaalde activiteiten niet mogen plaatsvinden. Zo normeert hoofdstuk 5 van het Bkl de afwegingen die met het omgevingsplan gemaakt mogen worden voor relevante activiteiten. In dit kader tot wijziging van het omgevingsplan op het thema bodem/milieu speelt dit niet.
Er is steeds een activiteit, die bezien wordt vanuit een bepaald te dienen algemeen belang, wat vervolgens het oogmerk vormt voor de regels over die activiteit.
Instrumentkeuze en indeling
Als de activiteiten (het inhoudelijke toepassingsbereik) en het oogmerk (de met de regel te dienen belangen en doelen) voor het stellen van regels over die activiteiten vaststaat, dan komt de keuze aan de orde hoe de activiteit te regelen.
De indeling van dit hoofdstuk in afdelingen volgt steeds het oogmerk van de te stellen regels. Die oogmerken zullen steeds rechtstreeks verbonden zijn aan de doelen die in hoofdstuk 2 zijn gesteld, en nader aangegeven in hoofdstuk 4, met dien verstande dat het mogelijk is desgewenst in hoofdstuk 5 concretere grenzen of uitbreidingen aan te geven.
Binnen het omgevingsplan zijn verschillende soorten regels voor activiteiten denkbaar: globale regels, gedetailleerde regels, specifieke zorgplichten, maatwerkregels, meldingsplichten, maatwerkvoorschriften, omgevingsvergunningen, gelijkwaardigheidsregels, verboden, etc. De gemeente is hier bevoegd orgaan.
Bij de afwegingen om tot een keuze te komen welke regels het meest passend worden geacht, wordt gebruik gemaakt van de verschillende onderdelen van het evenredigheidsbeginsel. In dit kader kunnen bijvoorbeeld de volgende vragen worden gesteld:
- Is de regel geschikt om het doel (oogmerk) te bereiken? (Niet alleen theoretisch voor de individuele regel, maar is bij de keuze ook sprake van een logische en systematische aanpak van dat doel in dit omgevingsplan)?
- Is deze regel noodzakelijk om dat doel te bereiken of is er een minder ingrijpend alternatief? (Kan bijvoorbeeld volstaan worden met een melding in plaats van een omgevingsvergunning, of met alleen een algemene regel in plaats van een meldingsplicht?)
- Is de regel proportioneel in verhouding tot het dienen doel, of is het eigenlijk onredelijk?
- Zijn de eventuele voor- of nadelen van een regel evenwichtig verdeeld of zijn bepaalde groepen of onderdelen van de fysieke leefomgeving onevenredig zwaar belast en zijn daarvoor compenserende mechanismen nodig?
Dat laatste punt speelt in het omgevingsplan in het bijzonder (maar niet uitsluitend) in relatie tot het soort afwegingen waarover het Bkl instructieregels heeft gesteld. Een regel die activiteiten toestaat met gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen (bijv. een vergunningplicht), kan een legitiem doel hebben, geschikt te zijn voor dat doel, noodzakelijk en ook proportioneel gelet op de afweging vooraf die nodig is omdat het anders te laat is. Maar zou tot een onevenwichtige situatie leiden als er geen afstand in acht wordt genomen tot kwetsbare gebouwen of locaties. Het Bkl dwingt daarom tot het in acht nemen van een afstand tussen activiteiten, zodat het nodig zal zijn de locatiekeuze van initiatiefnemers van deze activiteiten te beïnvloeden.
Voor deze wijziging geldt dat de keuzes op initiatief van de regio-gemeenten zijn gemaakt wat betreft de noodzakelijkheid, urgentie en onderwerpen die moeten worden vastgelegd om juridische werking te houden. Het betreft dus een beleidsneutrale codificatie van reeds (eerder) geldend beleid of regelgeving.
Dit aspect is van belang in verband met het doel van de Omgevingswet: beschermen van de gezondheid en van het milieu. Het gaat om het efficiënt kunnen uitwisselen van bodemdata. Het betreft met name de digitale beschikbaarheid van bodemonderzoeken.
Dit is niet geregeld in de landelijke regels voor opstellers van onderzoeksrapporten bodem terwijl de landelijke regels gemeenten wel verplichten de onderzoeksgegevens in het voorgeschreven format aan te leveren aan de landelijke database.
In de Nota bodemkwaliteit bij bouwen 2013 was opgenomen dat onderzoeksgegevens ook in XML-formaat moeten worden aangeleverd. Bij inwerkingtreding van de Omgevingswet is deze nota vervallen. Via een maatwerkvoorschrift wordt nu geregeld dat de benodigde informatie in het bedoelde format wordt aangeleverd.
Het gaat om een maatwerkvoorschrift voor:
Bij diverse activiteiten in het Bal wordt in §5.21 Bal verder verwezen naar de module eindonderzoek bodem.
In het Bal wordt in de volgende paragrafen verwezen naar de module voorafgaand bodemonderzoek § 5.2.2 Bal:
Door de aanvrager te verplichten de informatie naast in PDF (ook) in XML-formaat aan te leveren wordt extra werk (tijdrovend handmatig overzetten van data met risico op fouten) voorkomen.
Dit voorstel is niet strijdig met rijks- of provinciaal beleid/wetgeving.
Het regelen van het toepassen van grond en baggerspecie vloeit voort uit de doelen uit de Omgevingswet: Beschermen van de gezondheid en van het milieu.
Er is reeds regionaal afgestemd beleid over dit onderwerp, namelijk: regionaal gebied-specifiek beleid voor grondverzet, Nota Bodembeheer 2023. Kortheidshalve wordt daarnaar verwezen.
Het gebied-specifiek beleid uit de Nota Bodembeheer 2023, de bijbehorende bodemkwaliteitskaart (BKK) en de bodemfunctieklassenkaart (BFK) vallen onder het overgangsrecht dat de overgang borgt van de oude en nieuwe regelgeving van voor en na 1 januari 2024 (Omgevingswet). Daarmee is de juridische doorwerking geborgd. Voor de zichtbaarheid in het omgevingsplan is het echter wenselijk om met een regelvoorschrift een ‘haakje’ (verwijzing) aan te brengen. Dit is een tijdelijke oplossing. In 2028 vervalt de Nota Bodembeheer 2023. De opvolgende nota moet voor wat betreft het beleid met een fysieke component worden omgezet naar regels voor het omgevingsplan.
Door het opnemen van deze regel gelden in afwijking van de kwaliteitseisen in het Bal de kwaliteitseisen zoals vastgesteld in de Nota Bodembeheer 2023.
Het gaat hier vooral om de zichtbaarheid/kenbaarheid van deze (beleids)regels uit de Nota Bodembeheer. De Nota Bodembeheer 2023, en in het bijzonder de onderdelen die direct (juridisch) via het overgangsrecht zijn ondergebracht in het tijdelijk deel van het omgevingsplan, zijn niet zichtbaar in het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO: ‘regels op de kaart’). Met dit wijzigingsvoorstel wordt duidelijk gemaakt dat dit aspect uit de Nota Bodembeheer 2023 onderdeel is van het omgevingsplan van de gemeente. Hierdoor is het voor initiatiefnemers duidelijk(er) welk regels er voor grondverzet gelden.
Kaders van wetgeving
Paragraaf 4.124 Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) gaat over het toepassen van grond en baggerspecie. De artikelen 4.1273, 4.1275, 4.1277 en 4.1279 maken maatwerk (gebied-specifiek beleid) mogelijk in een aangewezen bodembeheergebied.
De Zuid-Hollandse Omgevingsverordening bevat provinciale regels voor het toepassen van grond en baggerspecie. Het betreft rechtstreeks werkende regels met de provincie als bevoegd gezag.
Dit voorstel is niet in strijd met rijks- of provinciaal beleid/regelgeving.
Het terugplaatsen van grond bij tijdelijk uitnemen van grond bij werkzaamheden aan kabels en leidingen (incl. riolering) moet worden geregeld om uitvoering te geven aan het doel uit de Omgevingswet: Beschermen van de gezondheid en van het milieu.
Dit ligt ook in lijn met de in de Omgevingsvisie Gouda vastgestelde opgaven en keuzes (zie bijlage).
Het regionaal gebied-specifiek beleid voor grondverzet staat beschreven in de vastgestelde Nota bodembeheer 2023. In deze Nota is opgenomen dat, in afwijking van de artikelen 4.1222a en 4.1230a van het Bal, bij werkzaamheden aan kabels en leidingen (incl. riolering) grond na het tijdelijk uitnemen ervan in het traject 0-2,0 m-mv geroerd mag worden teruggeplaatst (zie § 4.3.5 Nota Bodembeheer 2023).
Het gebied-specifiek beleid voor grondverzet valt onder overgangsrecht en komt in het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Het ‘niet gescheiden hoeven terugplaatsen van grond’ valt echter niet onder overgangsrecht (artikel XVI Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet); bij inwerkingtreding van de Ow vervalt daardoor deze mogelijkheid. In de Bruidsschat zelf staat er niets over dit onderwerp.
Het is voor de uitvoering praktisch en wenselijk om dit onderwerp in de hele regio op dezelfde manier te regelen.
Wettelijke kaders
De afwijking van het Bal artikel 4.1222a en 4.1230a Besluit activiteiten leefomgeving, is toegestaan op basis van 4.1273 Besluit activiteiten leefomgeving.
Onder de Omgevingswet verplicht het Rijk de gemeenten niet tot het stellen van regels over de bodemkwaliteit in relatie tot een functiewijziging naar een gevoeliger gebruik waarbij geen bouwactiviteit plaatsvindt. De Rijksregulering richt zich uitsluitend op bouwactiviteiten.
In artikel 3.1.6 van het tot 1 januari 2024 geldende Besluit ruimtelijke ordening (hierna Bro) is aangegeven met welke onderwerpen rekening moet worden gehouden bij het opstellen en vaststellen van een bestemmingsplan. Hierin is geen rechtstreekse verplichting opgenomen voor het uitvoeren van bodemonderzoek of sanering van de bodem indien geen bouwactiviteiten plaatsvinden. Wel diende rekening gehouden te worden met de norm ‘goede ruimtelijke ordening’ waarbij het uitgangspunt was dat de bodemkwaliteit geschikt moet zijn voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Tevens diende inzicht te worden gegeven in de uitvoerbaarheid van het plan. Vanuit dat gegeven werd een bodemtoets verlangd en uitgevoerd ook bij functiewijziging /niet bouwactiviteiten.
Onder de Omgevingswet is het Bro vervallen. In de Omgevingswet zijn geen regels opgenomen over het uiteenzetten van de inzichten over de uitvoerbaarheid. Er is dan geen grondslag meer om, enkel bij functiewijziging, een bodemtoets uit te voeren.
In de Omgevingswet zijn geen regels opgenomen over het uiteenzetten van de inzichten over de uitvoerbaarheid, maar wel doelen en zorgplichten, onder andere op het gebied van leefbaarheid en gezondheid van het leefmilieu.
Tevens is de toets-norm ‘goede ruimtelijke ordening’ vervangen in de Omgevingswet door ‘evenwichtige toedeling van functies en locaties’.
Dat vormt nog steeds voldoende grondslag om, met verwijzing daarnaar, ook bij alleen een functiewijziging (dus niet gepaard gaande met een bouwactiviteit), een (indicatieve) bodemtoets te verlangen en uit te laten voeren. Het betreft met name wijzigingen naar gevoelig gebruik zoals een kinderspeelplaats, wonen met tuin of een moestuinencomplex.
Vanuit het oogpunt van transparantie, voorkomen willekeur en rechtszekerheid is een vorm van regelen wenselijk. De regels zijn dan ook vooral bedoeld om gebruikers te beschermen tegen de risico’s die gepaard gaan met bodemverontreiniging.
Met het regelen van een bodemtoets bij functiewijziging wordt uitvoering gegeven aan het volgende doel uit de Omgevingswet: Beschermen van de gezondheid en van het milieu.
Er is reeds regionaal afgestemd beleid over dit onderwerp op het gebied van bouwactiviteiten (Nota Bodembeheer 2023.)
Het blijft wenselijk om dit regionaal op eenzelfde manier te regelen.
Wettelijke kaders
Paragraaf 5.1.4.5.1 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat alleen instructieregels m.b.t. het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie.
Het voorstel is in lijn met de opgaven en keuzes zoals vermeld in de Omgevingsvisie Gouda en niet strijdig met ander beleid of wetgeving van rijk of provincie.
Een olie/benzine afscheider is bedoeld voor de verwijdering van minerale oliën en vetten en bezinkbare delen (slib) uit afvalwater. Deze afvalstoffen mogen niet op de riolering of oppervlaktewater geloosd worden en dienen uit het afvalwater afgescheiden te worden.
Bij de zettingsgevoeligheid van de bodem is er risico op lekkage door kapotte aansluitingen waardoor olie/benzine in de bodem terecht kan komen. Hierdoor is het van belang dat dehet grondwater nabij de olie/benzine afscheider regelmatig wordt gecontroleerd op het voorkomen van olie/benzine.
Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) wijst bepaalde activiteiten aan als Milieubelastende activiteit (Mba) en bevat landelijke regels daarvoor. Het gaat om regels voor de emissie vanuit de activiteit naar de omgeving. Het Bal regelt alleen lozingen met oliehoudend afvalwater op het vuilwaterriool. Andere lozingsroutes zijn verboden.
De gemeente kan in aanvulling hierop eigen regels vaststellen in het omgevingsplan (maatwerkregel). Het gaat over regels voor de activiteit zelf.
Daarnaast kan de gemeente in het omgevingsplan regels stellen voor de bescherming van de omgeving van de activiteit.
De ODMH adviseert maatwerkregels voor het onderwerp Olieafscheider (OBAS) - peilbuis voor monitoring grondwater. Meer specifiek: Verplichte grondwatermonitoring bij olieafscheiders in zettingsgevoelig gebied.
Dit om uitvoering te geven aan het doelen uit de Omgevingswet: Beschermen van de gezondheid en van het milieu.
Wettelijke kaders
Het Bal bevat inhoudelijke regels voor milieubelastende activiteiten en lozingsactiviteiten. Bij de volgende paragrafen zijn regels opgenomen over een ‘olieafscheider’: 4.18, 4.20, 4.21, 4.22, 4.39, 4.40, 4.43, 4.44, 4.47, 4.58, 4.94, 4.95, 4.97, 4.104 en 4.109.
Bij diverse activiteiten binnen het Besluit activiteiten leefomgeving wordt voorgeschreven dat afvalwater waarin zich minerale olie kan bevinden, moet worden geleid door een zuiveringsvoorziening. De voorziening betreft een slibvangput en olieafscheider (obas), die voldoen aan de NEN-EN 858-1 en NEN-EN 858-2.
Het doel van de maatregel ligt in lijn met de opgaven en keuzes uit de Omgevingsvisie Gouda
Met dit voorgestelde artikel wordt het huidige beleid hierover voortgezet om - in aanvulling op de hiervoor genoemde paragrafen uit het Bal - bij een olieafscheider de monitoring van het grondwater via een peilbuis verplicht te stellen voor zettingsgevoelige gebieden.
De wens om te komen tot een maatwerkregel in zettingsgevoelig gebied is voorgelegd aan het ‘Programma Bodembeheer van de Toekomst’, een initiatief van het gemeentelijk netwerk ‘bodem en ondergrond’. Vanuit dit programma zijn staalkaarten ontwikkeld en voorbeeldregels opgesteld. Men sluit aan op het project gemeentelijke staalkaarten voor het omgevingsplan van de VNG.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-476355.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.