Beleidsregels Bijzondere Bijstand Gemeente Ouder-Amstel 2026

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ouder-Amstel

 

Gelet op:

  • Titel 4.3 van de Algemene wet bestuursrecht;

  • De relevante bepalingen in de Participatiewet;

Overwegende dat:

  • Maatschappelijke veranderingen en de toenemende complexiteit van sociaal-maatschappelijke vraagstukken een actualisatie en verbreding van het beleid vragen;

  • Dit document voorziet in een samenhangend, consistent en rechtvaardig kader voor de uitvoering van de bijzondere bijstand binnen de Participatiewet

besluit vast te stellen de Beleidsregels Bijzondere Bijstand Gemeente Ouder-Amstel 2026

 

Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen

Artikel 1.1. In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

  • 1.

    Participatiewet: Dit is een wet die mensen helpt om zoveel mogelijk zelf voor hun inkomen te zorgen. Als dat niet lukt, kunnen ze hulp krijgen bij het vinden van werk of een minimuminkomen.

  • 2.

    Bijstand: Geld dat je kunt krijgen als je niet genoeg hebt om van te leven. Dit is geregeld in de Participatiewet.

  • 3.

    Bijzondere bijstand: Extra geld dat je kunt krijgen voor speciale kosten, bijvoorbeeld doorpersoonlijke omstandigheden. Deze kosten worden niet gedekt door de algemene bijstand. Dit is geregeld in artikel 35 Participatiewet.

  • 4.

    Algemene bijstand: De financiële hulp die wordt verstrekt om te voorzien in de algemene noodzakelijke kosten van het bestaan, zoals bedoeld in artikel 5 van de Participatiewet.

  • 5.

    Draagkracht: Het geld en bezit dat je zelf hebt en waarmee je (een deel van) de kosten kunt betalen waarvoor je hulp vraagt.

  • 6.

    Kostendelersnorm: Als je met anderen in één huis woont, krijg je minder bijstand. Dit komt omdat je kosten kunt delen. Dit staat in artikel 22a van de Participatiewet.

  • 7.

    Inkomen: inkomen zoals bedoeld in artikel 32 van de Participatiewet, lid 1, 3 en 4, in artikel 6 van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 indien het inkomen uit onderneming betreft, en in artikel 3.18 overzicht 1 en 2 van de Wet studiefinanciering 2000 wanneer het studenten betreft. De heffingskortingen zoals bedoeld in hoofdstuk 8 van de Wet inkomstenbelasting 2001 worden bij de draagkrachtberekening bijzondere bijstand niet als inkomen in aanmerking genomen;

  • 8.

    Vermogen: Alles wat je bezit, zoals spaargeld, spullen of geld dat je nog krijgt van iemand.

  • 9.

    Doelgroep: Mensen die hulp nodig hebben via de Participatiewet. Mensen zonder werk, mensen met een beperking of mensen die algemene bijstand krijgen.

  • 10.

    Maatwerk: Hulp die is afgestemd op jouw persoonlijke situatie. De gemeente kijkt wat jij nodig hebt en wat past binnen de regels.

  • 11.

    Kamerbewoning: Wonen in een kamer zonder eigen keuken, badkamer of toilet. Je deelt deze voorzieningen met anderen.

Artikel 1.2. Doelstelling

  • 1.

    Dit beleid wil inwoners duidelijkheid geven over bijzondere bijstand.

    Het zorgt ervoor dat de gemeente op een eerlijke, zorgvuldige en duidelijke manier werkt.

  • 2.

    Het beleid is bedoeld om:

    • a.

      Inwoners met een laag inkomen te helpen bij kosten die ze niet zelf kunnen betalen;

    • b.

      Maatwerk te bieden, dus goed te kijken naar wat iemand nodig heeft;

    • c.

      Kwetsbare mensen te beschermen en te ondersteunen, zodat ze zo zelfstandig mogelijk mee kunnen doen in de samenleving.

Artikel 1.3. Reikwijdte

Deze regels gelden voor alle inwoners van de gemeente Ouder-Amstel.

Hoofdstuk 2. De aanvraag

Artikel 2.1. Aanvraagprocedure

  • 1.

    Een aanvraag voor bijzondere bijstand wordt schriftelijk of digitaal ingediend bij het college van burgemeester en wethouders.

  • 2.

    De aanvraag bevat alle noodzakelijke informatie en bewijsstukken waarmee kan worden vastgesteld of aan de voorwaarden voor bijzondere bijstand wordt voldaan.

  • 3.

    Bij het ontbreken van noodzakelijke informatie wordt de aanvrager in de gelegenheid gesteld deze binnen een redelijke termijn aan te leveren.

Artikel 2.2. Beoordeling en beslistermijn

  • 1.

    Het college beslist op een aanvraag binnen de wettelijke beslistermijn van acht weken, zoals vastgelegd in de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

  • 2.

    Indien nader onderzoek nodig is, kan de beslistermijn eenmaal worden verlengd met maximaal acht weken. De aanvrager wordt hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld, onder vermelding van de reden voor de verlenging.

Artikel 2.3. Terugwerkende kracht

  • 1.

    Inwoners kunnen bijzondere bijstand krijgen vanaf de datum waarop zij zich voor het eerst hebben gemeld met hun hulpvraag. Dit geldt alleen als zij binnen twee weken na die melding een aanvraag indienen.

  • 2.

    Bijzondere bijstand met terugwerkende kracht is alleen mogelijk als:

    De aanvrager goed uitlegt waarom het niet mogelijk was om de aanvraag eerder in te dienen;

    • a.

      Het duidelijk is dat de kosten waarvoor bijzondere bijstand nodig is al vóór de aanvraagdatum bestonden én;

    • b.

      noodzakelijk waren.

  • 3.

    De bijzondere bijstand kan maximaal drie maanden terugwerkend worden toegekend. Dit kan alleen anders als de wet dat toestaat of als er sprake is van een bijzondere situatie.

  • 4.

    Als iemand eerst een andere inkomensregeling heeft aangevraagd, en die aanvraag is afgewezen, dan kan de datum van die eerste aanvraag gelden als startdatum voor de bijzondere bijstand. Dit geldt alleen als de inwoner zich binnen twee weken na de afwijzing meldt voor bijzondere bijstand.

Artikel 2.4. Inlichtingenplicht

  • 1.

    De aanvrager moet alle informatie geven die nodig is om de aanvraag goed te kunnen beoordelen. De informatie moet volledig en juist zijn. Dit geldt ook als de bijzondere bijstand al is toegekend.

  • 2.

    Als de aanvrager deze informatieplicht niet nakomt, kan dat gevolgen hebben. De aanvraag kan worden afgewezen of de bijzondere bijstand kan worden gestopt en eventueel teruggevorderd worden, zoals geregeld in de Participatiewet.

  • 3.

    De aanvrager wordt bij de aanvraag geïnformeerd over deze verplichting en wat de mogelijke gevolgen zijn als hij of zij zich daar niet aan houdt.

Artikel 2.5. Heronderzoek en actualisatie

  • 1.

    Als de aanvraag is goedgekeurd, kan de gemeente later controleren of de situatie is veranderd. Dit heet een heronderzoek. Daarmee wordt gekeken of de bijzondere bijstand nog steeds nodig is.

  • 2.

    Tijdens dit heronderzoek moet de aanvrager opnieuw de juiste en volledige informatie geven. Veranderingen in de persoonlijke of financiële situatie moeten direct worden doorgegeven.

Artikel 2.6. Termijnen en verjaring

  • 1.

    Een aanvraag voor bijzondere bijstand voor kosten die nog niet zijn betaald, kan alleen worden toegekend als de inwoner zich op tijd meldt. Dit betekent binnen drie maanden nadat de kosten zijn ontstaan.

  • 2.

    In bijzondere individuele gevallen kan een langere termijn gelden. Dit hangt af van het soort kosten en van de persoonlijke situatie.

  • 3.

    Als de melding of aanvraag te laat is, vervalt het recht op bijzondere bijstand voor deze kosten. Alleen bij bijzondere omstandigheden kan hiervan worden afgeweken.

Artikel 2.7. Toepassing van maatwerk.

  • 1.

    In bijzondere gevallen kan de gemeente afwijken van de standaardregels. Dit gebeurt alleen als de persoonlijke situatie van de aanvrager dat nodig maakt.

  • 2.

    Als er maatwerk wordt toegepast, moet de gemeente duidelijk uitleggen waarom. Dit gebeurt altijd binnen de regels van de Participatiewet en andere wetgeving.

Hoofdstuk 3: Vermogen

Artikel 3.1. Vermogensgrens.

Een vermogen dat hoger is dan de toegestane grens (zoals genoemd in artikel 34 lid 3 van de Participatiewet) telt volledig mee als draagkracht.

Artikel 3.2. Niet als draagkracht aan te merken vermogen.

Bepaalde bezittingen tellen niet mee als draagkracht bij bijzondere bijstand. Deze uitzonderingen staan in artikel 34 lid 2 van de Participatiewet.

Artikel 3.3. Vervoersmiddelen

  • 1.

    Een auto, motor, scooter of brommer die samen niet meer waard zijn dan € 5.000 telt niet mee als vermogen, volgens artikel 34 lid 2 sub a van de Participatiewet;

  • 2.

    De waarde van een vervoersmiddel wordt vastgesteld op basis van de ANWB/BOVAG koerslijst. Indien de waarde niet met deze methode kan worden bepaald, wordt een gemiddelde genomen van de waarde van drie vergelijkbare voertuigen op verkoopsites;

  • 3.

    Het college behoudt zich de vrijheid voor om in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld bij medische noodzaak, voertuigen met een hogere waarde niet als vermogen aan te merken.

Artikel 3.4. Vermogen in de eigen woning

  • 1.

    De overwaarde van een woning die als hoofdverblijf dient, wordt niet meegenomen bij de beoordeling voor bijzondere bijstand.

  • 2.

    De hypotheekschuld op deze woning blijft buiten beschouwing.

Artikel 3.5. Spaartegoeden, cryptovaluta en beleggingen

  • 1.

    Spaargeld, cryptovaluta en beleggingen en soortgelijken boven de vermogensgrens worden volledig meegerekend als vermogen.

  • 2.

    In bijzondere situaties kan hiervan worden afgeweken, bijvoorbeeld als het vermogen nodig is voor toekomstige noodzakelijke kosten zoals zorg of woningaanpassingen.

Artikel 3.6. Schulden en verplichtingen

  • 1.

    Schulden worden in mindering gebracht op het vermogen.

  • 2.

    Schulden worden alleen in mindering gebracht indien zij aantoonbaar zijn en een verplicht karakter hebben.

  • 3.

    De hypotheekschuld op de woning zoals bedoelt in artikel 3.4 van deze beleidsregels valt niet onder schulden zoals bedoelt in lid 1.

  • 4.

    Een studieschuld van DUO wordt niet meegenomen als schuld.

Artikel 3.7. Bijzondere bezittingen

  • 1.

    Persoonlijke spullen zoals sieraden of erfstukken tellen niet mee als vermogen als de gemeente vindt dat het normaal en begrijpelijk is dat iemand deze heeft terwijl die bijzondere bijstand ontvangt. Dit geldt alleen als de bezittingen niet bedoeld zijn als investering of om winst mee te maken.

  • 2.

    Of vrijstelling mogelijk is, wordt beoordeeld op basis van de persoonlijke situatie en leefomstandigheden.

Artikel 3.8. Maatwerk en beleidsvrijheid

  • 1.

    Als vermogen tijdelijk niet beschikbaar is, kan besloten worden om dit vermogen tijdelijk niet mee te tellen. Er moet dan wel een poging worden gedaan om het beschikbaar te maken.

  • 2.

    Van het beleid kan worden afgeweken als:

    • a.

      er sprake is van bijzondere persoonlijke omstandigheden, of

    • b.

      het toepassen van de regels tot een onredelijke of onbillijke uitkomst zou leiden.

  • 3.

    Besluiten hierover worden goed gemotiveerd en schriftelijk vastgelegd.

Artikel 3.9. Vaststelling van het vermogen

Het vermogen wordt vastgesteld op het moment van de aanvraag of bij herbeoordeling. Veranderingen in het vermogen en- of leefomstandigheden moeten gedurende de draagkrachtperiode direct worden gemeld. Deze worden beoordeeld vanaf de datum van wijziging.

Hoofdstuk 4: inkomen

Artikel 4.1. Wat telt als inkomen

  • 1.

    Inkomen is al het geld of de waarde in geld die iemand ontvangt, zoals staat in artikel 31 van de Participatiewet.

  • 2.

    Dit zijn bijvoorbeeld inkomsten uit werk, uitkeringen, alimentatie, pensioen, huurinkomsten en andere bronnen. Inkomen telt mee, tenzij het volgens de wet of het gemeentelijk beleid is vrijgesteld.

Artikel 4.2. Inkomsten die niet meetellen

  • 1.

    Sommige inkomsten zijn volgens artikel 31 lid 2 van de Participatiewet vrijgesteld. Deze tellen niet mee als inkomen.

  • 2.

    De hoogte van de vrijstelling hangt af van de regels in de wet en het gemeentelijk beleid.

  • 3.

    Giften en besparingen worden tot het bedrag genoemd in artikel 31 van de Participatiewet per kalenderjaar niet meegerekend.

Artikel 4.3. Berekening van het inkomen

  • 1.

    Het maandinkomen voorafgaand aan de aanvraag wordt gebruikt.

  • 2.

    Als het inkomen wisselt, wordt het gemiddelde van de drie maanden genomen voorafgaand aan de aanvraag.

  • 3.

    Inkomen in natura (zoals goederen in plaats van geld) telt mee naar de waarde in geld.

  • 4.

    Mantelzorg zonder loon valt niet onder de regels hierboven.

Artikel 4.4. Alimentatie

  • 1.

    Alimentatie telt volledig mee als inkomen, tenzij een rechter iets anders heeft bepaald.

  • 2.

    Soms kan hiervan worden afgeweken, bijvoorbeeld als de alimentatie bedoeld is voor speciale kosten zoals medische uitgaven voor een kind.

Artikel 4.5. Inkomen uit arbeid

  • 1.

    Inkomen uit werk telt volledig mee, behalve als er volgens de wet een deel mag worden vrijgelaten (artikel 31 lid 2 van de Participatiewet).

  • 2.

    Opgebouwd IKB (Individueel Keuzebudget) dat maandelijks kan worden uitbetaald, wordt opgeteld bij het maandinkomen, of het nu opgenomen wordt of niet. Het deel aan vakantiegeld in het IKB wordt niet meegenomen.

  • 3.

    Als iemand het IKB wil gebruiken voor bijvoorbeeld extra scholing (en er is een re-integratieverplichting), dan kan dat. Als het college vindt dat dit helpt bij het vinden van werk, telt dat deel van het IKB niet mee als inkomen.

Artikel 4.6. Eenmalige en incidentele inkomsten

  • 1.

    Inkomsten zoals belastingteruggaven of giften tellen mee in de maand waarin ze zijn ontvangen.

  • 2.

    Bij giften of schenkingen boven het bedrag genoemd in artikel 31 van de Participatiewet per kalenderjaar kan besloten worden dat (een deel van) het bedrag niet meetelt, als:

    • a.

      het bedrag bedoeld is voor kosten buiten de bijstandsnorm, zoals medische uitgaven of sport voor kinderen,

    • b.

      het bedrag niet te hoog is in verhouding tot de situatie.

Artikel 4.7. Inkomen vanuit medebewoners die geen kostendelers zijn.

  • 1.

    Een bijdrage van medebewoners die geen kostendeler zijn, telt niet mee als inkomen of draagkracht zolang:

    • a.

      de bijdrage niet commercieel is, én

    • b.

      deze aantoonbaar gebruikt wordt voor gezamenlijke huishoudelijke kosten.

Hoofdstuk 5: draagkracht bijzondere bijstand

Artikel 5.1 Algemeen

Draagkracht bestaat uit:

  • 1.

    het deel van het inkomen dat meetelt, en

  • 2.

    het deel van het vermogen dat meetelt.

Artikel 5.2. Draagkrachtperiode

  • 1.

    De draagkracht geldt voor 12 maanden.

  • 2.

    Bij periodieke bijzondere bijstand kan hiervan worden afgeweken. De periode kan gelijk gesteld worden aan de periode van de bijstandsverlening.

  • 3.

    De draagkrachtperiode start op de eerste dag van de maand waarin de aanvraag is gedaan.

  • 4.

    Als bijzondere bijstand met terugwerkende kracht wordt toegekend, kan de startdatum van de draagkrachtperiode worden aangepast naar de maand waarin de kosten zijn gemaakt.

Artikel 5.3. Berekening draagkrachtruimte

  • 1.

    Uitgegaan wordt van het netto maandinkomen zonder vakantiegeld, vermenigvuldigd met twaalf.

  • 2.

    Bij een vast inkomen telt het meest recente inkomen. Bij een gezamenlijke huishouding wordt gekeken naar het gezamenlijke inkomen.

  • 3.

    Bij wisselend inkomen telt het gemiddelde van de laatste drie maanden.

  • 4.

    Sommige inkomens tellen niet mee, zoals:

    • a.

      ouderdomsvoorziening (artikel 33 lid 5),

    • b.

      individuele inkomenstoeslag (artikel 36),

    • c.

      vrijstellingen volgens artikel 31 lid 2 Participatiewet.

  • 5.

    Van het inkomen worden afgetrokken:

    • a.

      130% van de toepasselijke bijstandsnorm zoals genoemd in artikel 5 sub c van de Participatiewet (zonder vakantiegeld),

    • b.

      noodzakelijke kosten die niet via andere regelingen of algemene bijstand worden vergoed.

  • 6.

    Onder deze noodzakelijke kosten vallen bijvoorbeeld:

    • a.

      gemiste toeslagen,

    • b.

      verhoging van de zorgpremie,

    • c.

      beslag op inkomen,

    • d.

      verplichte CAK-bijdragen bij verblijf in een instelling.

Artikel 5.4. Vaststelling draagkracht

  • 1.

    35% van de draagkrachtruimte telt mee.

  • 2.

    Voor algemene kosten (zoals wonen, inrichting of uitvaart) geldt 100% draagkracht.

    Deze kosten worden gezien als normaal en horen bij de gewone bestaanskosten.

  • 3.

    Bij periodieke bijzondere bijstand wordt de draagkracht elke maand verrekend.

  • 4.

    Eerst wordt verrekend met periodieke kosten. Als er daarna nog draagkracht is, wordt dit gebruikt voor incidentele kosten.

  • 5.

    De draagkracht kan worden aangepast bij:

    • a.

      inkomensverandering van een nettobedrag van 10% of meer,

    • b.

      verandering in vermogen, woon- of gezinssituatie.

Artikel 5.5. Berekening draagkracht naar vermogen

  • 1.

    Vermogen boven de grens uit artikel 34 lid 3 telt volledig mee.

  • 2.

    Vermogen dat is vrijgesteld in artikel 34 lid 2 telt niet mee.

  • 3.

    De regels uit artikelen 3.1 t/m 3.9 gelden ook hier.

Artikel 5.6. Draagkracht bij beslaglegging en schuldhulpverlening

  • 1.

    Indien een belanghebbende alleenstaand is en te maken heeft met derdenbeslag of een schulphulpverleningstraject (WSNP of gemeentelijk SHV traject), wordt het inkomen gelijkgesteld met de toepasselijke bijstandsnorm en wordt geen draagkracht aangenomen.

  • 2.

    Indien een belanghebbende een partner heeft gelden de volgende regels voor de draagkracht:

    • a.

      Indien beide partners gelijkgesteld worden aan gehuwden binnen de Participatiewet en beiden onder beslag of schuldhulpverlening vallen, wordt het huishoudinkomen gelijkgesteld aan de bijstandsnorm en is er geen draagkracht;

    • b.

      Indien één van de partners onder beslag valt of in een schuldhulpverleningstraject zit en de partners gelijkgesteld worden aan gehuwden binnen de Participatiewet, wordt het inkomen van deze partner gelijkgesteld aan het VTLB bij een schuldhulpverleningstraject en gelijkgesteld aan de beslagvrije voet wanneer er sprake is van beslag door derden. Het inkomen van de partner zonder beslag of schuldhulptraject wordt samengevoegd met dit inkomen om tot een draagkrachtinkomen te komen.

Hoofdstuk 6. Draagkracht bij zelfstandigen

Artikel 6.1. Voor wie van toepassing

  • 1.

    De regels in hoofdstuk 6 gelden voor zelfstandigen in de gemeente Ouder-Amstel die bijzondere bijstand aanvragen op basis van de Participatiewet.

Artikel 6.2. Draagkracht

  • 1.

    Bij het bepalen van hoeveel iemand zelf kan bijdragen, kijkt de gemeente naar het inkomen in een bepaalde periode:

    • a.

      Voor zelfstandigen kijkt de gemeente naar het inkomen van het kalenderjaar vóór de aanvraag.

    • b.

      Wanneer onder a niet mogelijk is, kijkt de gemeente naar het inkomen in de drie maanden vóór de aanvraag.

    • c.

      Op het inkomen wordt een inkomensvrijlating toegepast ter hoogte van het forfaitaire bedrag zoals genoemd in artikel 6, lid 2 Bbz 2004.

Artikel 6.3. Vermogen

De gemeente kan bij het bepalen van het vermogen ervoor kiezen om fiscale reserveringen (bijvoorbeeld voor belastingen) niet mee te tellen.

Artikel 6.4. Hardheidsclausule

  • 1.

    De gemeente mag afwijken van de regels in hoofdstuk 6 als het strikt volgen van de regels leidt tot een oneerlijke of onredelijke situatie.

  • 2.

    Voorbeelden hiervan zijn:

    • a.

      Tijdelijk minder inkomen door ziekte of een onverwachte gebeurtenis.

    • b.

      Onverwacht hoge schulden doordat klanten niet betalen, zonder dat dit de schuld is van de ondernemer.

Hoofdstuk 7. Bijzondere bijstand zorgkosten

Artikel 7.1. Bijzondere bijstand zorgkosten

  • 1.

    Iemand kan bijzondere bijstand krijgen voor zorgkosten, als:

    • a.

      iemand ergens anders verzekerd is dan via de collectieve zorgverzekering van de gemeente; of

    • b.

      niet kan deelnemen aan de collectieve zorgverzekering vanwege schulden, maar wel een schuldhulptraject volgt.

  • 2.

    Het gaat dan om kosten voor bijvoorbeeld tandarts, bril/lenzen en fysiotherapie die anders vergoed zouden worden via de collectieve verzekering.

  • 3.

    De gemeente kijkt voor de hoogte van de vergoeding naar de aanvullende verzekering Standaard van Zorg en Zekerheid.

  • 4.

    De bijzondere bijstand stopt:

    • a.

      voor iemand met een andere verzekering: aan het einde van dat kalenderjaar;

    • b.

      voor iemand met schulden: zodra die weer mee kan doen aan de collectieve verzekering.

Hoofdstuk 8. Bijzondere bijstand inrichtingskosten

Artikel 8.1. Algemeen.

Normaal moet iemand zelf sparen voor meubels en huishoudelijke apparaten in huis. Ook kan soms gespreid betalen achteraf.

Artikel 8.2. Bijzondere omstandigheden.

In sommige gevallen kan iemand bijzondere bijstand krijgen van de gemeente. Dit wanneer:

  • 1.

    Iemand een woning krijgt na minstens zes maanden dakloos zijn, en:

    • a.

      niet heeft kunnen sparen;

    • b.

      geen schuld heeft aan verlies van spullen.

  • 2.

    Uit een noodopvang komt na een onveilige thuissituatie, en:

    • a.

      niet heeft kunnen sparen;

    • b.

      geen spullen meer heeft.

  • 3.

    Een verblijfsstatus heeft en vanuit een asielzoekerscentrum (AZC) een woning krijgt.

  • 4.

    Naar oordeel van het college in een situatie verkeert waarin de inwoner een woning gaat bewonen en door een bijzondere situatie geen inboedel heeft en dit niet uit eigen inkomen of vermogen kan betalen.

Artikel 8.3. Hoogte tegemoetkoming inrichtingskosten.

  • 1.

    Het maximale grondslagbedrag dat voor bijzondere bijstand in aanmerking komt, wordt vastgesteld aan de hand van de NIBUD prijzengids. De totale maximale vergoeding is gelijk aan de maximale bijdrage zoals deze geïndexeerd is in de maand januari van het aanvraagjaar. Waarbij:

    • a.

      Tabel 2.1A minus de stofferingskosten als grondslag wordt gehanteerd bij een alleenstaande;

    • b.

      Tabel 2.1B minus de stofferingskosten als grondslag wordt gehanteerd bij gehuwden.

  • 2.

    Bijzondere bijstand voor inrichtingskosten wordt in de vorm van een lening verstrekt.

  • 3.

    De volgende percentages van de NIBUD-bedragen worden toegepast in verband met actieprijzen en de mogelijkheid tot aanschaf van tweedehands goederen:

    • a.

      Op het inventarispakket 2.1A is het percentage van 60% van toepassing indien er sprake is van zelfstandige bewoning van een woning of een hoofdbewoner;

    • b.

      Op het inventarispakket 2.1B is het percentage van 60% van toepassing.

  • 4.

    Voor elk ten laste komend kind wordt een percentage van 60% gerekend over de stijging van de waarde van het van toepassing zijnde inboedelpakket. Dit bedrag wordt, in afwijking van lid 2 van dit artikel, als gift verstrekt.

  • 5.

    Op de kosten van de woninginrichting in tabel 2.1A kan het college een lager percentage toekennen indien er sprake is van kamerbewoning of een studiobewoning.

  • 6.

    Als Nibud een nieuwe tabel hanteert dan geldt de nieuwe vergelijkbare tabel.

Artikel 8.4 Hoogte tegemoetkoming stofferingskosten

  • 1.

    Bijzondere bijstand voor stofferingskosten wordt, in afwijking van artikel 8.3, in de vorm van een gift verstrekt.

  • 2.

    Het maximale grondslagbedrag dat voor bijzondere bijstand in aanmerking komt, wordt vastgesteld aan de hand van de NIBUD prijzengids. De totale maximale vergoeding is gelijk aan de maximale bijdrage zoals deze geïndexeerd is in de maand januari van het aanvraagjaar. Waarbij:

    • a.

      De stofferingskosten in tabel 2.1A als grondslag wordt gehanteerd bij een alleenstaande;

    • b.

      De stofferingskosten in tabel 2.1B als grondslag wordt gehanteerd bij gehuwden.

  • 3.

    De volgende percentages van de NIBUD-bedragen worden toegepast in verband met actieprijzen en de mogelijkheid tot aanschaf van tweedehands goederen:

    • a.

      Op de stofferingskosten in tabel 2.1A is het percentage van 60% van toepassing indien er sprake is van zelfstandige bewoning van een woning of een hoofdbewoner;

    • b.

      Op de stofferingskosten in tabel 2.1B is het percentage van 60% van toepassing.

  • 4.

    Voor elk ten laste komend kind wordt 60% van het ophogingsverschil binnen de betreffende NIBUD tabel gerekend.

  • 5.

    Op de stofferingskosten in tabel 2.1A kan het college een lager percentage toekennen indien er sprake is van kamerbewoning of een studiobewoning.

  • 6.

    Als Nibud een nieuwe tabel hanteert dan geldt de nieuwe vergelijkbare tabel.

Hoofdstuk 9. Bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering.

Artikel 9.1. Doel en reikwijdte

  • 1.

    Deze beleidsregels hebben betrekking op de toekenning van periodieke bijzondere bijstand voor de kosten van beschermingsbewind en schuldenbewind aan personen die door de rechtbank onder bewind zijn gesteld.

  • 2.

    Het doel van deze regeling is dat mensen die onder bewind staan, de kosten van de bewindvoerder goed en blijvend vergoed krijgen. Daarbij wordt gekeken naar hun persoonlijke situatie en moeten zij alle belangrijke informatie aan de gemeente doorgeven.

Artikel 9.2. Toekenningsperiode

  • 1.

    Normaal geldt periodieke bijzondere bijstand voor maximaal 12 maanden. Voor de kosten van bewindvoering en bancaire kosten voor de beheerrekening kan het ook voor de duur van een bewindvoeringstraject worden toegekend. Deze toekenning vindt plaats onder de voorwaarde dat:

    • a.

      De bewindvoering door de rechtbank is vastgesteld;

    • b.

      Er geen draagkracht in mindering is gebracht op het toekenningsbedrag;

    • c.

      Er ten tijde van de aanvraag voor bewindvoeringskosten geen draagkracht in mindering is gebracht op andere kosten op basis van een al lopende draagkrachtperiode.

    • d.

      De bewindvoerder voldoet aan de afspraken die de gemeente met de bewindvoerder heeft gemaakt in het kader van Schuldhulpverlening.

Artikel 9.3. Toetsing en controle

  • 1.

    De gemeente mag regelmatig controleren of de situatie nog klopt, ook als de bijzondere bijstand voor onbepaalde tijd is toegekend.

  • 2.

    Als blijkt dat er iets is veranderd in de situatie, kan de gemeente de bijzondere bijstand aanpassen of stopzetten.

Hoofdstuk 10. Woonkostentoeslag

Artikel 10.1 Doel en reikwijdte

  • 1.

    Dit artikel regelt welke woonkosten in aanmerking worden genomen bij het beoordelen van het recht op woonkostentoeslag. Het geeft een nadere invulling van de kosten die worden betrokken bij de berekening van woonkostentoeslag voor zowel huur- als koopwoningen, en is van toepassing op alle aanvragen binnen de gemeente op grond van deze beleidsregels.

Artikel 10.2. Woonkosten

  • 1.

    Onder woonkosten wordt in dit artikel verstaan:

    • a.

      Bij een door de aanvrager zelf bewoonde huurwoning bedoelen we hiermee het bedrag van de rekenhuur per maand, zoals dat staat in de Wet op de huurtoeslag.

    • b.

      indien een eigen woning wordt bewoond: de tot een bedrag per maand omgerekende som van de hypotheekrente, de in verband met het in eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten en een naar omstandigheden vast te stellen bedrag voor onderhoud.

    • c.

      Tot de zakelijke lasten in verband met eigendom behoren in ieder geval:

      • Rioolrecht;

      • eigenaarsdeel waterschapslasten;

      • erfpachtcanon;

      • premies van verzekeringen tegen brand- en stormschade (alleen voor de opstallen);

      • eigenaarsdeel onroerende zaakbelasting (dus niet het gebruikersdeel).

      • Vereniging van eigenaren (maximaal € 45 per maand)

    • d.

      Het normbedrag aan onderhoudskosten bij woningeigendom is voor 2026 vastgesteld op € 120 per maand.

Artikel 10.3. Hoogte woonkostentoeslag koopwoning

  • 1.

    De hoogte van de woonkostentoeslag bij een eigen woning wordt per maand vastgesteld volgens de berekening van de Wet op huurtoeslag.

  • 2.

    Voor het vaststellen van de rekenhuur bij een eigen woning worden de volgende kosten van de door belanghebbende daadwerkelijk bewoonde woning in ogenschouw genomen:

    • a.

      de hypotheekrente voor de woning;

    • b.

      de zakelijke lasten zoals genoemd in artikel 10.1 sub c van deze beleidsregels.

    • c.

      de onderhoudskosten zoals genoemd in artikel 10.1 sub d van deze beleidsregels.

  • 3.

    Indien de kosten genoemd in lid 2 meer bedragen dan de maximale huurgrens, wordt de hoogte van de woonkostentoeslag tot het bedrag van de maximale huurgrens vastgesteld volgens de berekening van de Wet op de huurtoeslag en vervolgens verhoogd met het verschil tussen de maximale huurgrens en de kosten voor de eigen woning.

Artikel 10.4. Hoogte woonkostentoeslag huurwoning

  • 1.

    De hoogte van de woonkostentoeslag bij een huurwoning wordt per maand vastgesteld volgens de berekening van de Wet op huurtoeslag.

  • 2.

    Indien de rekenhuur meer bedraagt dan de maximale huurgrens, wordt de hoogte van de woonkostentoeslag vastgesteld op basis van het verschil tussen de maximale huurgrens en de rekenhuur.

Artikel 10.5. Verhuisverplichting

  • 1.

    Bij een toekenning van woonkostentoeslag kan het college een verhuisverplichting opleggen. Dit betekent dat de belanghebbende wordt verplicht om actief te zoeken naar woningen, actief te reageren op woningen en te verhuizen naar een woning die binnen de financiële mogelijkheden van belanghebbende past en waar de woonlasten niet onterecht zwaar drukken op het inkomen. De nieuwe woning moet passend zijn bij de draagkracht van het huishouden.

  • 2.

    Wanneer een aanvrager naar het oordeel van het college geen of onvoldoende sociaaleconomische binding heeft met de gemeente Ouder-Amstel, kan het college de verplichting opleggen aan belanghebbende om te reageren op woningen buiten de regio.

Artikel 10.6. Duur van de toekenning.

  • 1.

    Indien de verhuisverplichting wordt opgelegd, wordt de woonkostentoeslag voor een maximale periode van een jaar toegekend. Deze periode kan met maximaal zes maanden worden verlengd.

  • 2.

    Verdere verlenging van de periode in lid 1 wordt individueel beoordeeld, en is telkens voor een maximale periode van zes maanden.

Artikel 10.7 Verlaging toekenningsbedrag.

  • 1.

    Bij een eerste schending van de verplichtingen: verlaging van de woonkostentoeslag met 25 procent gedurende drie maanden bij een eventuele vervolgaanvraag;

  • 2.

    Bij een tweede schending van de verplichtingen: verlaging van de woonkostentoeslag met 50 procent gedurende drie maanden bij een eventuele vervolgaanvraag;

  • 3.

    Bij een derde schending van de verplichtingen: verlaging van de woonkostentoeslag met 100 procent gedurende drie maanden bij een eventuele vervolgaanvraag.

Hoofdstuk 11. Bijzondere bijstand maatwerk

Artikel 11.1. Bijzondere bijstand gedetineerden

  • 1.

    Iemand die in de gevangenis zit, kan bijzondere bijstand krijgen voor kosten van huur, gas, elektriciteit, water en inboedelverzekering, voor maximaal 6 maanden vanaf het begin van de detentie.

  • 2.

    Deze regeling geldt niet als bij het begin van de detentie of gedurende de detentie duidelijk is dat deze langer dan 6 maanden gaat duren.

  • 3.

    De gemeente betaalt de bijzondere bijstand direct aan de verhuurder, verzekeraar of energieleverancier.

  • 4.

    De bijzondere bijstand wordt gegeven als een lening. Als dat kan, wordt het geld later verrekend met een uitkering of teruggevraagd zodra de persoon weer vrij is.

Artikel 11.2. Maatwerk bij verlening van bijzondere bijstand

  • 1.

    De gemeente kan in bijzondere en dringende situaties toch bijzondere bijstand geven, ook als de kosten eigenlijk niet onder de normale regels vallen.

  • 2.

    Dit kan als door het geven van deze bijzondere bijstand:

    • a.

      Hogere maatschappelijke kosten in de toekomst worden voorkomen (zoals dakloosheid of schulden);

    • b.

      De situatie van de persoon of het gezin duidelijk verbetert en de zelfredzaamheid toeneemt;

    • c.

      Een probleem wordt opgelost of erger wordt voorkomen.

  • 3.

    De gemeente vindt dat minstens twee van deze drie redenen van toepassing zijn.

  • 4.

    De gemeente kijkt eerst of iemand zelf de kosten kan betalen. De bijzondere bijstand vult alleen aan en richt zich op de goedkoopste oplossing die voldoende is.

  • 5.

    Deze bijzondere bijstand mag ook gaan over kosten die normaal niet worden vergoed, zoals gewone kosten van het dagelijks leven.

  • 6.

    Als het kan, geeft de gemeente deze bijzondere bijstand in natura (bijvoorbeeld in de vorm van goederen of diensten, in plaats van geld).

Artikel 11.3. Draagkrachtbepalingen voor de verlening van maatwerk

  • 1.

    Als maatwerkbijstand nodig is, hoeft de gemeente niet te kijken naar de gewone regels over inkomen en vermogen in de hoofdstukken 3, 4 en 5 van deze beleidsregels.

  • 2.

    Toch gelden er een paar uitzonderingen:

    • a.

      De gemeente laat een bedrag vrij dat gelijk is aan de bijstandsnorm + vakantiegeld, zodat iemand zijn normale kosten kan blijven betalen.

    • b.

      Inkomsten en middelen (zoals genoemd in artikel 31 lid 2 van de Participatiewet) kunnen meetellen.

    • c.

      De vermogensgrens (hoeveel vermogen iemand mag hebben) is gelijk aan de bijstands- inkomensnorm.

Artikel 11.4. Verplichtingen verbonden aan de bijzondere bijstand die als maatwerk wordt versterkt

  • 1.

    De gemeente kan bij het geven van maatwerkbijstand bepaalde verplichtingen opleggen, zoals:

    • a.

      Voorkomen van herhaling: bijvoorbeeld verplicht meewerken aan hulp bij geldzaken.

    • b.

      Verbeteren van de Nederlandse taal of digitale vaardigheden die nodig zijn om financiën goed te regelen.

    • c.

      Meedoen aan begeleiding die nodig is voor een stabiele leefsituatie.

Hoofdstuk 12. Bijzondere bijstand overige kosten

Artikel 12.1. Bijzondere bijstand voor rechtsbijstand en griffierecht

  • 1.

    Er kan bijzondere bijstand worden gegeven voor:

    • a.

      de eigen bijdrage voor noodzakelijke rechtshulp;

    • b.

      het griffierecht (kosten voor de rechtbank);

    • c.

      andere noodzakelijke kosten die met de rechtszaak te maken hebben.

      Dit geldt alleen als de Raad voor Rechtsbijstand een toevoeging heeft afgegeven (een toestemming voor rechtsbijstand), volgens de Wet op de rechtsbijstand.

  • 2.

    Vertalingskosten komen alleen in aanmerking voor bijzondere bijstand als de advocaat geen of te weinig vergoeding krijgt via de Uitvoeringsregeling subsidie vertaaldiensten.

Artikel 12.2. Verhuiskosten en de kosten van dubbele huur

Als iemand onverwacht moet verhuizen door bijzondere omstandigheden, kan de gemeente bijzondere bijstand geven voor de volgende kosten:

  • 1.

    De eerste maand huur of dubbele woonlasten van de nieuwe woning, als deze woning in de gemeente ligt. Als iemand een overbruggingsuitkering krijgt, dan moet de eerste maand huur daarvan worden betaald.

  • 2.

    Verhuiskosten, als de persoon de verhuizing niet zelf kan doen.

    • a.

      In dat geval kan bijzondere bijstand worden gegeven voor een verhuisbedrijf.

    • b.

      De goedkoopste passende oplossing moet gekozen worden.

Artikel 12.3. Uitvaartkosten

  • 1.

    Het college kan de aanvrager van bijzondere bijstand voor uitvaartkosten vragen om een verklaring van erfrecht. Voor de kosten van een verklaring in deze situatie kan bijzondere bijstand worden verstrekt;

  • 2.

    Bij de verlening van bijzondere bijstand voor uitvaartkosten wordt uitgegaan van een begrafenis of crematie die zo goedkoop mogelijk is, maar wel aanvaardbaar;

  • 3.

    Als noodzakelijke kosten kunnen in het algemeen aangemerkt worden: de kosten van de begrafenis of crematie, personeelskosten van de uitvaartondernemer, het kisten van de overledene, de laatste verzorging, de uitvaartdienst, de grafrechten (voor zover het een algemeen graf betreft), de rouwauto en één volgauto, maximaal 50 rouwkaarten, de akte van overlijden, koffie en cake voor 50 personen.

  • 4.

    Bij de bepaling van de hoogte van de bijzondere bijstand voor de kosten genoemd in het derde lid gelden de bedragen van het NIBUD als richtprijzen. De maximale vergoeding die toegekend kan worden is afgestemd op het erfdeelpercentage van belanghebbende.

Artikel 12.4. Babyuitzet

  • 1.

    De kosten van een babyuitzet behoren tot de incidentele algemene kosten van het bestaan. Als er op grond van artikel 35 Participatiewet bijzondere bijstand kan worden verstrekt, dan wordt daarbij in elk geval het volgende in aanmerking genomen:

    • a.

      Je moet zelf gaan sparen vanaf de vierde maand van de zwangerschap.

    • b.

      De bijzondere bijstand is bedoeld voor de goedkoopste passende spullen. Omdat je de spullen maar kort gebruikt, wordt gekeken of je ze ook tweedehands kunt kopen.

    • c.

      De hoogte van de bijstand is maximaal 60% van de bedragen die in de Prijzengids van het NIBUD staan.

  • 2.

    Je krijgt de bijzondere bijstand meestal als lening. Alleen als je hoge schulden hebt en een lening geen zin heeft, krijg je de bijzondere bijstand als gift.

Hoofdstuk 13. Slotbepalingen

Artikel 13.1 Hardheidsclausule

  • 1.

    In afwijking van deze beleidsregels kan het college bijzondere bijstand verlenen aan een persoon die geen recht heeft op bijzondere bijstand als er sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor de gevolgen van een afwijzing onevenredig zijn.

Artikel 13.2 Overige en slotbepalingen

  • 1.

    Als het nodig is de noodzaak van kosten te bepalen, kan advies van derden worden gevraagd, waaronder medisch advies.

  • 2.

    De burgemeester en wethouders kunnen verdere invulling geven aan in deze beleidsregels gegeven regels.

  • 3.

    Deze regels worden aangehaald als Beleidsregels Bijzondere Bijstand Gemeente Ouder-Amstel 2026.

  • 4.

    De regels treden in werking op 1 januari 2026 waarbij deze beleidsregels eventuele eerdere beleidsregels voor de bijzondere bijstand vervangt.

  • 5.

    Besluiten die genomen zijn voor de inwerkingtreding van de beleidsregels Bijzondere Bijstand Gemeente Ouder-Amstel 2026 blijven van kracht totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken.

  • 6.

    Aanvragen voor bijzondere bijstand die vóór de inwerkingtreding van deze beleidsregels zijn ingediend maar waarop na de inwerkingtreding wordt beslist, worden volgens deze beleidsregels beoordeeld, tenzij de oude beleidsregels gunstiger zijn voor de aanvrager.

Naar boven