Gemeenteblad van Rheden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Rheden | Gemeenteblad 2025, 475646 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Rheden | Gemeenteblad 2025, 475646 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Verzamelverordening Werk en Inkomen gemeente Rheden 2026
De raad van de gemeente Rheden;
gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 16 september 2025;
gelet op artikel 8, 8a en 8b, artikel 10b, 35, 36 en artikel 47 van de Participatiewet, artikel 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en artikel 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, artikel 147 en 149 van de Gemeentewet en artikel 2, derde lid van de Wet sociale werkvoorziening en het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004;
overwegende dat het gewenst is om de regels over werk en inkomen, die bij deze zijn gebundeld in één verordening te wijzigen in verband met wetswijzigingen en inhoudelijke componenten,
vast te stellen: de Verzamelverordening Werk en Inkomen gemeente Rheden 2026
In deze verzamelverordening zijn de volgende verordeningen gebundeld:
Deze verordeningen worden gelijktijdig met het vaststellen van deze verzamelverordening ingetrokken.
Deze Verzamelverordening Werk en Inkomen heeft als doel de regelgeving met betrekking tot werk en inkomen binnen onze gemeente te bundelen. In een samenleving die voortdurend in verandering is, blijft het van essentieel belang om mensen die voor korte of lange tijd niet in hun eigen onderhoud kunnen voorzien, te ondersteunen. De verordening biedt een actuele, heldere en samenhangende aanpak voor het verstrekken van uitkeringen en het ondersteunen van inwoners in hun zoektocht naar werk of een andere zinvolle bijdrage aan onze samenleving.
De gemeente speelt een cruciale rol in het bieden van een vangnet voor haar inwoners en het faciliteren van hun participatie op de arbeidsmarkt. Tegelijkertijd streven we ernaar om maatwerk te leveren, zodat iedereen de juiste ondersteuning krijgt, passend bij zijn of haar situatie. De verzamelverordening bevat de juridische basis voor deze ondersteuning.
In deze verordening zijn verschillende regelingen samengebracht: de bijstandsverlening op grond van de Participatiewet, IOAW, IOAZ en de Bbz, de re-integratieplichten en -mogelijkheden, de specifieke voorzieningen voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt en de inkomensregelingen. Door deze samen te voegen in één document, beoogt de gemeente een integrale en heldere werkwijze te hanteren.
De actuele wetswijzingen zijn zoveel mogelijk meegenomen in deze verordening. Er zijn ontwikkelingen gaande binnen de Participatiewet waarvan nog niet duidelijk is hoe deze vertaald zullen worden in de wet. Dit zit met name op het hoofdstuk afstemming van deze verordening. Dit hoofdstuk wordt aangepast zodra de Participatiewet in balans in werking treedt.
Met deze Verzamelverordening Werk en Inkomen dragen we bij aan het vergroten van kansengelijkheid en het verminderen van bestaansonzekerheid van onze inwoners. Hierdoor kunnen al onze inwoners meedoen, op de manier die binnen hun mogelijkheden ligt. We sluiten daarmee aan op de visie zoals vastgelegd in het Koersdocument Sociaal Domein (2024).
Waar in dit document gesproken wordt over ‘hij’, kan ook ‘zij’ of ‘hen’ gelezen worden.
In deze verordening wordt verstaan onder:
Mantelzorg: langdurige zorg die wordt geboden aan een hulpbehoevende door personen uit diens directe omgeving, waarbij zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie, de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt, en niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden.
Paragraaf 2.1 Algemene bepalingen
De omstandigheden kunnen divers van aard zijn, het college houdt in ieder geval rekening met zorgtaken van de inwoner en de mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, bedoeld in artikel 10c, eerste lid, onder a, van de wet of een advies beschut werk van het UWV heeft. Onder zorgtaken worden in ieder geval verstaan:
Artikel 2.3 Algemene bepalingen over voorzieningen
Het college biedt de goedkoopst adequate voorziening aan, houdt bij het voorzieningenaanbod rekening met andere voorzieningen die in het kader van het sociaal domein beschikbaar zijn en stemt het aanbod, als dat nodig is, intern af zodat het optimaal bijdraagt aan een integrale ondersteuning van de inwoner. Het college houdt bij de afstemming ook rekening met voorzieningen op grond van andere wettelijke regelingen en stemt dit af in het plan van aanpak, bedoeld in artikel 44a van de wet of in een uitvoeringsplan.
Artikel 2.5 Voorziening beschut werk
Ten behoeve van de in het vorige lid genoemde persoonlijke ondersteuning en aanpassing van de werkplek ontvangt de werkgever in afwijking van de artikelen 2.8 t/m 2.9d, een vaste vergoeding ten bedrage van de rijksvergoeding die de gemeente ontvangt voor beschut werk. Deze vergoeding wordt niet afgebouwd en wordt ingezet zolang het nodig is.
De duur van de proefplaats is in beginsel maximaal twee maanden. Indien in deze periode een loonwaardemeting uitgevoerd moet worden, kan de proefplaats 3 maanden duren. In uitzonderlijke gevallen kan een proefplaats verlengd worden tot in totaal maximaal zes maanden als dat in het belang van de re-integratie van de individuele uitkeringsgerechtigde is en naar het oordeel van het college noodzakelijk is op grond van de aard van de beperkingen, de afstand tot de arbeidsmarkt en/of de mate van complexiteit van het werk. Bij verlenging in het belang van de re-integratie van de uitkeringsgerechtigde is een loonwaardemeting geen noodzakelijke voorwaarde.
Artikel 2.7 Loonkostensubsidie
Het college neemt bij het verstrekken van de loonkostensubsidie het preferente proces loonkostensubsidie in acht (voor meer informatie, zie: Toolkit preferent proces Loonkostensubsidie | Samen voor de klant).
Paragraaf 2.3 Algemene bepalingen persoonlijke ondersteuning bij werk
Artikel 2.8 Algemene bepalingen over persoonlijke ondersteuning bij werk
Het college onderzoekt, voor zover nodig en gelet op de omstandigheden van de inwoner, in daartoe voorkomende gevallen de mogelijkheden om door samenwerking met andere partijen, onder meer op het gebied van (publieke) gezondheid, jeugdhulp, maatschappelijke ondersteuning, onderwijs, schuldhulpverlening, welzijn en wonen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde integrale dienstverlening met het oog op de arbeidsinschakeling, bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder g, onderdeel 1, of de wijze van voortgezette persoonlijke ondersteuning, bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder g, onderdeel 2, van de wet.
Het college kan, indien een werkgever een dienstverband aangaat met een inwoner die behoort tot de doelgroep en waarvan is vastgesteld dat hij zonder persoonlijke ondersteuning niet in staat is de door de werkgever opgedragen taken te verrichten, ambtshalve of op aanvraag persoonlijke ondersteuning bij werk inzetten.
Paragraaf 2.4 Specifieke bepalingen persoonlijke ondersteuning bij werk
Artikel 2.9c Subsidie voor Jobcoach in dienst van werkgever
Een jobcoach in dienst van de werkgever die de persoonlijke ondersteuning verzorgt, dient een actuele registratie te hebben in het Register Loopbaancoach of het NVS-Beroepenregister voor jobcoaches, of werkzaam te zijn bij een organisatie die een Blik op werk of Oval Keurmerk heeft of een jobcoacherkenning van het UWV heeft.
Artikel 2.9d Subsidie voor interne werkbegeleiding
Het college kan op aanvraag van de werkgever een subsidie als bedoeld in art 2.8, achtste lid, onder b verlenen aan de werkgever voor het organiseren van interne werkbegeleiding, als een inwoner uit de doelgroep voor het kunnen verrichten van werk is aangewezen op begeleiding die de gebruikelijke begeleiding door de werkgever en andere werknemers aanzienlijk te boven gaat.
Paragraaf 2.6 Specifieke bepalingen overige voorzieningen
Artikel 2.11 Vervoersvoorziening
Het college kan een vervoersvoorziening toekennen aan een inwoner behorende tot de doelgroep die door zijn functionele beperking niet naar zijn werkplek, proefplaats of opleidingslocatie kan reizen zonder deze vervoersvoorziening. De vervoersvoorziening kan zowel in natura als in de vorm van een vergoeding in geld worden verstrekt.
Hoofdstuk 3 Handhaving rechtmatige verstrekking
Artikel 3.2 Kaders tegengaan oneigenlijk gebruik
Het college hanteert in het handhavingsplan de volgende kaders voor het voorkomen en opsporen van oneigenlijk gebruik:
Artikel 4.1 Het besluit tot opleggen van een verlaging
In het besluit tot het opleggen van een verlaging van de uitkering als bedoeld in artikel 9a, twaalfde lid en artikel 18 van de Participatiewet, de artikelen 20 en 38, twaalfde lid, van de IOAW en de artikelen 20 en 38, twaalfde lid, van de IOAZ en als bedoeld in deze verordening worden in ieder geval vermeld: de reden van de verlaging, de duur van de verlaging en het bedrag of percentage waarmee de uitkering wordt verlaagd, alsmede -indien van toepassing- de reden om af te wijken van de standaard verlaging.
Het college stemt de uitkering van inwoner af door een verlaging of weigering van de uitkering indien:
inwoner tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan, dan wel de uit de wet of artikel 30c, tweede en derde lid van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, waaronder het zich jegens het college zeer ernstig misdragen;
Voordat een verlaging wordt opgelegd, wordt de inwoner in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen als bedoeld in artikel 4:8 van de Awb. Dit kan zowel schriftelijk, telefonisch als in een persoonlijk gesprek.
Artikel 4.3 Afzien van verlaging
Het college kan besluiten af te zien van het opleggen van een verlaging als er sprake is van dringende redenen als bedoeld in artikel 18, tiende lid, van de Participatiewet. Indien het college afziet van het opleggen van een verlaging op grond van dringende redenen, wordt de inwoner daarvan schriftelijk mededeling gedaan. De gedraging telt wel mee voor de recidive.
Artikel 4.4 Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging
Een verlaging wordt toegepast op de uitkering of bijzondere bijstand die is verleend met toepassing van artikel 12 van de Participatiewet over de kalendermaand volgend op de maand waarin het besluit tot het opleggen van de verlaging aan een inwoner is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de op dat moment voor die inwoner geldende bijstandsnorm.
Als een verlaging niet of niet geheel ten uitvoer kan worden gelegd als gevolg van de beëindiging of intrekking van de uitkering, wordt de verlaging of dat deel van de verlaging dat nog niet is uitgevoerd, alsnog ten uitvoer gelegd als inwoner binnen een jaar nadat de uitkering is ingetrokken of beëindigd een nieuwe aanvraag om uitkering heeft ingediend.
Het college kan bij gedragingen van de eerste en tweede categorie als bedoeld in de artikelen 4.7 en 4.8 van deze verordening volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van een jaar, te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de inwoner een schriftelijke waarschuwing is gegeven.
Paragraaf 4.1 Niet nakomen van de niet-geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling
Artikel 4.7 Gedragingen Participatiewet
Gedragingen van een inwoner waardoor een verplichting op grond van de artikelen 9, of 9a en 17, tweede lid, van de Participatiewet niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën:
het onvoldoende nakomen van de verplichtingen zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Participatiewet, voor zover het gaat om een inwoner jonger dan 27 jaar, gedurende vier weken na de melding zoals bedoeld in artikel 43, vierde en vijfde lid, van de Participatiewet, voor zover deze verplichtingen niet worden genoemd in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet;
het door houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken de verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid onderdeel b, van de Participatiewet niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder, zoals bedoeld in artikel 9a, eerste lid van de Participatiewet;
Artikel 4.8 Gedragingen IOAW en IOAZ
Gedragingen van een inwoner waardoor een verplichting op grond van de artikelen 37 en 38 van de IOAW of de artikelen 20, 37 en 38 van de IOAZ niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën:
het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken de verplichtingen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel e van de van de IOAW of artikel 37, eerste lid, onderdeel e van de IOAZ niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de IOAW of artikel 38, eerste lid, van de IOAZ;
het niet of onvoldoende gebruikmaken van een door het college aangeboden voorziening als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAW of de artikelen 36, eerste lid, en artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAZ, voor zover dit heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening.
Paragraaf 4.2 Niet nakomen van de uniforme verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling
Paragraaf 4.3 Overige gedragingen die leiden tot verlaging
Artikel 4.12 Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
In afwijking van het gestelde van het eerste lid wordt bij een inwoner indien deze geen beroep meer kan doen op een passende en toereikende voorliggende voorziening, omdat deze volledig wordt verrekend met een bestuurlijke boete in het kader van het bij herhaling schenden van de inlichtingenverplichting een verlaging opgelegd van 100% gedurende de eerste drie maanden gerekend vanaf de ingangsdatum van de uitkering op grond van de Participatiewet. Indien inwoner heeft aangetoond dat het saldo van alle bankrekeningen op de ingangsdatum van zijn uitkering minder bedraagt dan driemaal de voor hem geldende bijstandsnorm per maand wordt de verlaging als bedoeld in het eerste lid gesteld op 100% gedurende de eerste maand vanaf de ingangsdatum van de uitkering op grond van de Participatiewet en 40% gedurende de tweede maand en derde maand.
Artikel 4.13 Zeer ernstige misdragingen
Indien een inwoner zich zeer ernstig misdraagt tegenover personen en instanties die belast zijn met de uitvoering van de Participatiewet als bedoeld in artikel 9, zesde lid, van die wet, tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de IOAW als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onder g, van die wet of tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de IOAZ als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onder g, van die wet, wordt een verlaging toegepast. De verlaging wordt vastgesteld op:
Paragraaf 4.4 Samenloop en recidive
Artikel 4.15 Samenloop van gedragingen
Als sprake is van één gedraging die een schending oplevert van meerdere in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet of artikel 18b van de Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt één verlaging opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en duur van de verlaging wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging is gesteld.
Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van één of meerdere in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet of artikel 18b van de Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd. Deze verlagingen worden gelijktijdig opgelegd, onverminderd artikel 4.1 derde lid.
Als sprake is van één gedraging die een schending oplevert van zowel een in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet of artikel 18b van de Participatiewet genoemde verplichting als een in artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet genoemde verplichting, wordt geen verlaging opgelegd, voor zover voor die schending een bestuurlijke boete wordt opgelegd.
Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van zowel een in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet of artikel 18b van de Participatiewet genoemde verplichting als een in artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet genoemde verplichting, waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd, onverminderd de werking van artikel 4.1, derde lid van deze verordening.
Als een inwoner zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als bedoeld in de artikelen 4.7, 4.8, 4.12, 4.13 of 4.14 opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde verwijtbare gedraging, wordt telkens de duur van de oorspronkelijke verlaging verdubbeld, rekening houdend met de ernst van de gedraging, de aanwezigheid van verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden van de inwoner.
Bij eenzelfde derde en volgende verwijtbare gedraging binnen twaalf maanden na bekendmaking van het besluit (na de laatste als verwijtbaar aangemerkte gedraging) wordt de duur van de laatste verlaging verdubbeld, rekening houdend met de ernst van de gedraging, de aanwezigheid van verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden van de inwoner.
Als een inwoner zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet, bedraagt de verlaging honderd procent van de bijstandsnorm gedurende twee maanden.
Paragraaf 4.5 Samenloop bij weigeren IOAW/IOAZ
Artikel 4.17 Samenloop bij weigeren uitkering IOAW/IOAZ
Als het college de uitkering op grond van artikel 20, eerste lid, van de IOAW of artikel 20, tweede lid, van de IOAZ blijvend of tijdelijk weigert en de gedraging die tot deze weigering heeft geleid tevens op grond van deze verordening tot een verlaging zou kunnen leiden, blijft een verlaging ter zake van die gedraging achterwege.
Hoofdstuk 5 Inkomensvoorzieningen
Paragraaf 5.2 Individuele inkomenstoeslag
Artikel 5.3 Langdurig laag inkomen
Een inwoner heeft een langdurig laag inkomen als gedurende een periode van 5 jaar voorafgaand aan de aanvraag het in aanmerking te nemen inkomen niet hoger is dan 100% van de voor de aanvrager van toepassing zijnde bijstandsnorm.
Artikel 5.4 Hoogte individuele inkomenstoeslag
Als één van de gehuwden of samenwonenden is uitgesloten van het recht op individuele inkomenstoeslag op grond van artikel 11 of 13, eerste lid van de Participatiewet, komt de rechthebbende echtgenoot in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden.
Het college stelt een Gelrepas ter beschikking voor inwoners die tot de doelgroep behoren. De Gelrepas bevat een of meer tegoeden die besteed kunnen worden aan sport, cultuur, recreatie en educatie. De pas is persoonlijk en niet overdraagbaar.
Onder omstandigheden kan een minderjarige een zelfstandig recht op de GelrePas hebben. Er moet dan sprake zijn van een minderjarige in een opvangsituatie binnen de gemeente, die niet terug kan vallen op het inkomen van een voogd of gezaghouder, bijvoorbeeld omdat de financiële band tussen de minderjarige en de ouders doorbroken is.
Onder een laag inkomen voor volwassenen (inwoners ouder dan 18 jaar) wordt verstaan: Een inkomen dat op datum van de aanvraag niet hoger is dan 120% van de voor hem/haar van toepassing zijnde bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5, onderdeel c van de wet, waarbij de artikel 19a en 22a van de wet buiten toepassing blijven. Voor ondernemers wordt het inkomen bepaald volgens het besluit bijstandsverlening zelfstandigen.
Onder laag inkomen wordt voor het recht voor kinderen van 4 tot 18 jaar verstaan: een inkomen van de ouders dat op de datum van aanvraag niet hoger is dan 150% van de op hen van toepassing zijnde bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5, onderdeel c van de wet, waarbij de artikel 19a en 22a van de wet buiten toepassing blijven;
Niet tot de doelgroep behoort de inwoner die:
Een vermogen heeft dat op peildatum hoger is dan de toepasselijke vermogensgrens, als bedoeld in artikel 34 derde lid, met uitzondering van artikel 34 tweede lid onder d van de wet. Of, waar het een zelfstandig ondernemer betreft: een vermogen anders dan genoemd in artikel 7 van de Bbz dat hoger is dan de toepasselijke vermogensgrens.
Hoofdstuk 6 Slotbepalingen en inwerkingtreding
Artikel 6.1 Inwerkingtreding en intrekking oude verordeningen
Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2026 onder gelijktijdige intrekking van de volgende verordeningen:
Een maandelijkse voorziening of uitkering die op grond van een ingetrokken verordening wordt verstrekt, loopt na de ingangsdatum van deze verordening door. Deze voorziening of uitkering loopt door totdat het college een nieuw besluit over die voorziening of uitkering heeft genomen waarbij het toekenningsbesluit is afgelopen.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-475646.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.