Verzamelverordening Werk en Inkomen gemeente Rheden 2026

De raad van de gemeente Rheden;

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 16 september 2025;

gelet op artikel 8, 8a en 8b, artikel 10b, 35, 36 en artikel 47 van de Participatiewet, artikel 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en artikel 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, artikel 147 en 149 van de Gemeentewet en artikel 2, derde lid van de Wet sociale werkvoorziening en het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004;

overwegende dat het gewenst is om de regels over werk en inkomen, die bij deze zijn gebundeld in één verordening te wijzigen in verband met wetswijzigingen en inhoudelijke componenten,

 

b e s l u i t :

 

vast te stellen: de Verzamelverordening Werk en Inkomen gemeente Rheden 2026

In deze verzamelverordening zijn de volgende verordeningen gebundeld:

  • 1.

    Re-integratieverordening Participatiewet gemeente Rheden.

  • 2.

    Verordening loonkostensubsidie Participatiewet gemeente Rheden.

  • 3.

    Verordening tegenprestatie Participatiewet, Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, gemeente Rheden.

  • 4.

    Verordening Handhaving Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Rheden.

  • 5.

    Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Rheden.

  • 6.

    Verordening Gelrepas.

  • 7.

    Verordening Individuele Inkomenstoeslag gemeente Rheden 2015.

Deze verordeningen worden gelijktijdig met het vaststellen van deze verzamelverordening ingetrokken.

Inleiding

Deze Verzamelverordening Werk en Inkomen heeft als doel de regelgeving met betrekking tot werk en inkomen binnen onze gemeente te bundelen. In een samenleving die voortdurend in verandering is, blijft het van essentieel belang om mensen die voor korte of lange tijd niet in hun eigen onderhoud kunnen voorzien, te ondersteunen. De verordening biedt een actuele, heldere en samenhangende aanpak voor het verstrekken van uitkeringen en het ondersteunen van inwoners in hun zoektocht naar werk of een andere zinvolle bijdrage aan onze samenleving.

De gemeente speelt een cruciale rol in het bieden van een vangnet voor haar inwoners en het faciliteren van hun participatie op de arbeidsmarkt. Tegelijkertijd streven we ernaar om maatwerk te leveren, zodat iedereen de juiste ondersteuning krijgt, passend bij zijn of haar situatie. De verzamelverordening bevat de juridische basis voor deze ondersteuning.

In deze verordening zijn verschillende regelingen samengebracht: de bijstandsverlening op grond van de Participatiewet, IOAW, IOAZ en de Bbz, de re-integratieplichten en -mogelijkheden, de specifieke voorzieningen voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt en de inkomensregelingen. Door deze samen te voegen in één document, beoogt de gemeente een integrale en heldere werkwijze te hanteren.

De actuele wetswijzingen zijn zoveel mogelijk meegenomen in deze verordening. Er zijn ontwikkelingen gaande binnen de Participatiewet waarvan nog niet duidelijk is hoe deze vertaald zullen worden in de wet. Dit zit met name op het hoofdstuk afstemming van deze verordening. Dit hoofdstuk wordt aangepast zodra de Participatiewet in balans in werking treedt.

Met deze Verzamelverordening Werk en Inkomen dragen we bij aan het vergroten van kansengelijkheid en het verminderen van bestaansonzekerheid van onze inwoners. Hierdoor kunnen al onze inwoners meedoen, op de manier die binnen hun mogelijkheden ligt. We sluiten daarmee aan op de visie zoals vastgelegd in het Koersdocument Sociaal Domein (2024).

Waar in dit document gesproken wordt over ‘hij’, kan ook ‘zij’ of ‘hen’ gelezen worden.

Hoofdstuk 1 Begripsbepalingen

Artikel 1 Definities

  • 1.

    Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, IOAW, IOAZ, Bbz 2004, Awb en onderliggende ministeriële regelingen en besluiten.

  • 2.

    In deze verordening wordt verstaan onder:

    • a.

      Bbz: Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004.

    • b.

      Benadelingsbedrag: de uitkering waarop eerder, langer of tot een hoger bedrag een beroep wordt of is gedaan ten gevolge van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan.

    • c.

      Inkomen: totaal van het inkomen, bedoeld in artikel 32 en 33 van de Participatiewet, waarbij de algemene bijstand ook als inkomen wordt gerekend.

    • d.

      Intermediaire activiteit: hulp bij een beperking op bewegen, waarbij ondersteuning wordt geboden bij activiteiten die de inwoner zelf niet kan uitvoeren door deze beperking.

    • e.

      Interne werkbegeleiding: door een collega geboden dagelijkse werkbegeleiding op de werkvloer omdat de werknemer anders niet in staat is zijn werkzaamheden uit te voeren, en waarbij sprake is van meer dan de gebruikelijke begeleiding van een werknemer op een werkplek

    • f.

      Inwoner: een persoon zoals bedoeld in artikel 11 van de Participatiewet, die in de gemeente Rheden staat ingeschreven in de basisregistratie personen en woonachtig is in de gemeente Rheden.

    • g.

      IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers.

    • h.

      IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.

    • i.

      Jobcoaching: door een erkende deskundige geboden methodische ondersteuning aan personen met een arbeidsbeperking en aan werkgevers, gericht op het vinden en behouden van werk.

    • j.

      Maatschappelijke participatie: het verrichten van onbeloonde activiteiten, gericht op deelname aan het maatschappelijk leven.

    • k.

      Mantelzorg: langdurige zorg die wordt geboden aan een hulpbehoevende door personen uit diens directe omgeving, waarbij zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie, de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt, en niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden.

    • l.

      Student: de inwoner die jonger is dan 27 jaar en uit ‘s Rijks kas bekostigd onderwijs kan volgen en in verband daarmee aanspraak heeft op studiefinanciering op grond van de Wet Studiefinanciering 2000.

    • m.

      Ten laste komend kind: het kind jonger dan 18 jaar voor wie de alleenstaande ouder of de gehuwde volgens de wet financieel verantwoordelijk is en waarbij aanspraak wordt gemaakt of kan worden gemaakt op kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet.

    • n.

      Uitkering: bijstand op grond van de Participatiewet of een uitkering op grond van de IOAW of de IOAZ.

    • o.

      Uitvoeringsplan/plan v. aanpak: Een schriftelijk plan waarin de stappen staan aangegeven die door de inwoner worden ondernomen teneinde diens uitstroom naar algemeen geaccepteerde arbeid mogelijk te maken en waarin de wederzijdse rechten en plichten staan aangegeven.

    • p.

      UWV: Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

    • q.

      Voorziening: door het college noodzakelijk geachte voorziening, gericht op arbeidsinschakeling waaronder mede wordt begrepen persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van opgedragen taken.

    • r.

      Werkgever: degene die op basis van een arbeidsovereenkomst de bevoegdheid heeft om de arbeid van een werknemer gedurende een overeengekomen periode aan te wenden in zijn organisatie.

    • s.

      Werknemer: persoon die op basis van een arbeidsovereenkomst arbeid verricht bij de werkgever, daaronder begrepen een persoon als bedoeld in artikel 10d eerste of tweede lid van de wet met wie de werkgever een dienstbetrekking is aangegaan, dan wel dit van plan is.

    • t.

      Wet: Participatiewet, tenzij anders vermeld.

Hoofdstuk 2 Re-integratie

Paragraaf 2.1 Algemene bepalingen

Artikel 2.1 Doelgroep

  • 1.

    Tot de doelgroep van dit hoofdstuk behoren inwoners voor wie het college verantwoordelijk is voor de ondersteuning bij de arbeidsinschakeling op grond van artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de wet met inachtneming van artikel 7, derde lid, van de wet.

  • 2.

    Tot de doelgroep loonkostensubsidie van dit hoofdstuk behoren inwoners als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder e, van de van de wet.

Artikel 2.2 Maatwerk

  • 1.

    Het college kan inwoners die tot de doelgroep, zoals beschreven in artikel 2.1, lid 1 en lid 2, behoren ondersteuning bij de arbeidsinschakeling aanbieden, door de in dit hoofdstuk vermelde voorzieningen in te zetten dan wel op een andere passende wijze ondersteuning aan te bieden.

  • 2.

    Het college houdt bij het aanbieden van de in dit hoofdstuk opgenomen voorzieningen rekening met de omstandigheden en functionele beperkingen evenals de afstand tot de arbeidsmarkt van een inwoner.

  • 3.

    De omstandigheden kunnen divers van aard zijn, het college houdt in ieder geval rekening met zorgtaken van de inwoner en de mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, bedoeld in artikel 10c, eerste lid, onder a, van de wet of een advies beschut werk van het UWV heeft. Onder zorgtaken worden in ieder geval verstaan:

    • a.

      de opvang van ten laste komende kinderen tot vijfjarige leeftijd; en

    • b.

      de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg.

Artikel 2.3 Algemene bepalingen over voorzieningen

  • 1.

    Ondersteuning is gericht op arbeidsinschakeling of, als dit nog niet mogelijk is, op maatschappelijke participatie.

  • 2.

    Ondersteuning kan worden geboden in de vorm van praktische hulp, advies of doorverwijzing naar andere instanties, of het aanbieden van één of meer voorzieningen, al dan niet in de vorm van een traject.

  • 3.

    Het college biedt de goedkoopst adequate voorziening aan, houdt bij het voorzieningenaanbod rekening met andere voorzieningen die in het kader van het sociaal domein beschikbaar zijn en stemt het aanbod, als dat nodig is, intern af zodat het optimaal bijdraagt aan een integrale ondersteuning van de inwoner. Het college houdt bij de afstemming ook rekening met voorzieningen op grond van andere wettelijke regelingen en stemt dit af in het plan van aanpak, bedoeld in artikel 44a van de wet of in een uitvoeringsplan.

  • 4.

    Het college kan een voorziening weigeren als:

    • a.

      de inwoner ten behoeve van wie de voorziening zou worden verstrekt niet behoort tot de doelgroep, zoals beschreven in artikel 2.1, lid 1 en lid 2;

    • b.

      de inwoner een beroep kan doen op een voorziening op basis van een andere wettelijke regeling, waardoor er sprake is van een voorliggende voorziening;

    • c.

      de voorziening naar het oordeel van het college onvoldoende bijdraagt aan de arbeidsinschakeling of maatschappelijke participatie;

    • d.

      de inwoner onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek dat nodig is voor het beoordelen van het recht op en de passendheid van de voorziening;

    • e.

      er niet wordt voldaan aan de voorwaarden die in dit hoofdstuk worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening; of

    • f.

      het budgetplafond, dat voor de betreffende voorziening is vastgesteld, is bereikt.

  • 5.

    Het college kan een voorziening beëindigen als:

    • a.

      de inwoner die aan de voorziening deelneemt zijn verplichting als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de wet, de artikelen 13 en 37 van de IOAW of de artikelen 13 en 37 van de IOAZ niet nakomt;

    • b.

      de inwoner die aan de voorziening deelneemt niet meer behoort tot de doelgroep, zoals beschreven in artikel 2.1, lid 1 en lid 2;

    • c.

      de inwoner die aan de voorziening deelneemt algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een in deze verordening genoemde voorziening, tenzij het betreft een inwoner als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, onder 2, van de wet;

    • d.

      naar het oordeel van het college de voorziening onvoldoende bijdraagt aan een (duurzame) arbeidsinschakeling;

    • e.

      de voorziening naar het oordeel van het college niet meer geschikt is voor de inwoner die gebruikmaakt van de voorziening;

    • f.

      de inwoner die aan de voorziening deelneemt niet naar behoren gebruikmaakt van de aangeboden voorziening; of

    • g.

      de inwoner die aan de voorziening deelneemt niet meer voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening of de wet worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening.

Paragraaf 2.2 Voorzieningen

Artikel 2.4 Scholing

  • 1.

    Het college kan een inwoner die behoort tot de doelgroep een scholingstraject aanbieden.

  • 2.

    Een scholingstraject voldoet in ieder geval aan de volgende eisen:

    • a.

      de scholing moet leiden tot een betere positie op de arbeidsmarkt;

    • b.

      de scholing moet aansluiten bij de krachten of bekwaamheden van de inwoner;

    • c.

      de scholing moet leiden tot een certificaat of een arbeidsovereenkomst;

    • d.

      de scholing die ingezet wordt beslaat in de regel maximaal een periode van twee jaar.

Artikel 2.5 Voorziening beschut werk

  • 1.

    Het college biedt de voorziening beschut werk aan, aan een inwoner van wie is vastgesteld dat deze alleen in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en deze inwoner:

    • a.

      behoort tot de doelgroep; of

    • b.

      een inwoner is aan wie het UWV een uitkering verstrekt.

  • 2.

    Om de in artikel 10b, eerste lid, van de wet, bedoelde werkzaamheden mogelijk te maken, biedt het college de volgende voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling aan:

    • a.

      loonkostensubsidie op grond van artikel 10d van de wet;

    • b.

      persoonlijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.8 t/m 2.9d;

    • c.

      fysieke aanpassingen van de werkplek of de werkomgeving, niet zijnde arbo-taken waarvoor de werkgever verantwoordelijk is;

    • d.

      uitsplitsing van taken; of

    • e.

      aanpassingen in de wijze van werkbegeleiding, werktempo of arbeidsduur.

  • 3.

    Ten behoeve van de in het vorige lid genoemde persoonlijke ondersteuning en aanpassing van de werkplek ontvangt de werkgever in afwijking van de artikelen 2.8 t/m 2.9d, een vaste vergoeding ten bedrage van de rijksvergoeding die de gemeente ontvangt voor beschut werk. Deze vergoeding wordt niet afgebouwd en wordt ingezet zolang het nodig is.

  • 4.

    Het college biedt voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling aan tot het moment dat de dienstbetrekking beschut werk aanvangt, zoals bijvoorbeeld:

    • a.

      activerend werk;

    • b.

      (arbeidsmatige) dagbesteding;

    • c.

      overige Wmo-voorzieningen;

    • d.

      scholing als bedoel in artikel 2.4;

    • e.

      financiële hulpverlening als bedoeld in de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening;

    • f.

      plaatsing op een wachtlijst voor beschut werk.

Artikel 2.6 Proefplaats

  • 1.

    Het college kan, als dit door hem noodzakelijk wordt geacht, een inwoner als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, van de wet die algemene bijstand ontvangt, toestemming verlenen om op een proefplaats bij een werkgever onbeloonde werkzaamheden te verrichten met behoud van uitkering.

  • 2.

    De duur van de proefplaats is in beginsel maximaal twee maanden. Indien in deze periode een loonwaardemeting uitgevoerd moet worden, kan de proefplaats 3 maanden duren. In uitzonderlijke gevallen kan een proefplaats verlengd worden tot in totaal maximaal zes maanden als dat in het belang van de re-integratie van de individuele uitkeringsgerechtigde is en naar het oordeel van het college noodzakelijk is op grond van de aard van de beperkingen, de afstand tot de arbeidsmarkt en/of de mate van complexiteit van het werk. Bij verlenging in het belang van de re-integratie van de uitkeringsgerechtigde is een loonwaardemeting geen noodzakelijke voorwaarde.

  • 3.

    Het doel van een proefplaats is de inschakeling van de inwoner in arbeid bij een werkgever te bevorderen, waarbij de proefplaats voor een zo beperkt mogelijke duur wordt ingezet.

  • 4.

    Voor een proefplaats wordt uitsluitend toestemming verleend als:

    • a.

      het college verwacht dat de proefplaats bijdraagt aan het vergroten van de kans op arbeidsinschakeling;

    • b.

      de werkzaamheden van de inwoner niet al eerder onbeloond door hem bij die werkgever, of diens rechtsvoorganger, zijn verricht tenzij sprake is van veranderde omstandigheden die naar het oordeel van het college een herhaalde proefplaats rechtvaardigen;

    • c.

      de werkgever bij aanvang van de proefplaats schriftelijk de intentie heeft uitgesproken dat hij de inwoner, bij gebleken geschiktheid, direct aansluitend aan zijn proefplaats, voor minimaal zes maanden, zonder proeftijd, in dienst zal nemen voor minimaal het aantal uren gedurende de proefplaats.

  • 5.

    Het college weigert de toestemming, bedoeld in het eerste lid,

    • a.

      als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de inwoner ook zonder proefplaats kan worden aangenomen voor dat werk;

    • b.

      in situaties dat het college gegronde vermoedens heeft dat de werkgever de proefplaats oneigenlijk gebruikt of misbruikt.

  • 6.

    Als de werkzaamheden op de proefplaats wegens ziekte worden onderbroken, dan wordt deze periode voor de toepassing van de maximale periode, bedoeld in het eerste lid, buiten beschouwing gelaten.

  • 7.

    Het college kan een inwoner op een proefplaats persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen toekennen overeenkomstig de bepalingen van artikel 2.8 t/m 2.14.

Artikel 2.7 Loonkostensubsidie

  • 1.

    Het college verstrekt loonkostensubsidie overeenkomstig artikel 10d, van de wet.

  • 2.

    Een aanvraag voor loonkostensubsidie wordt, als het een inwoner betreft die nog niet behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, ook beschouwd als een aanvraag om vast te stellen of de inwoner behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, bedoeld in artikel 10c, eerste lid, onder a, van de wet.

  • 3.

    Het college stelt binnen 12 weken na ontvangst van een aanvraag de loonwaarde vast, tenzij in overleg met de werkgever toepassing wordt gegeven aan artikel 10d, vijfde lid, van de wet.

  • 4.

    Het college neemt bij het verstrekken van de loonkostensubsidie het preferente proces loonkostensubsidie in acht (voor meer informatie, zie: Toolkit preferent proces Loonkostensubsidie | Samen voor de klant).

Paragraaf 2.3 Algemene bepalingen persoonlijke ondersteuning bij werk

Artikel 2.8 Algemene bepalingen over persoonlijke ondersteuning bij werk

  • 1.

    Een aanvraag om persoonlijke ondersteuning bij werk kan bij het college worden ingediend door de inwoner of zijn werkgever. Het college kan hiervoor een aanvraagformulier vaststellen.

  • 2.

    De aanvraag voor persoonlijke ondersteuning bij werk moet binnen 4 weken na de ingangsdatum van de dienstbetrekking zijn ontvangen, tenzij voorafgaand aan of op het moment van aanvang van het dienstverband de noodzaak voor die ondersteuning redelijkerwijs nog niet bekend kon zijn.

  • 3.

    Het college bepaalt na overleg met de inwoner, en indien van toepassing met de werkgever, welke vorm van persoonlijke ondersteuning bij werk het beste kan bijdragen aan de arbeidsinschakeling.

  • 4.

    Het college onderzoekt, voor zover nodig en gelet op de omstandigheden van de inwoner, in daartoe voorkomende gevallen de mogelijkheden om door samenwerking met andere partijen, onder meer op het gebied van (publieke) gezondheid, jeugdhulp, maatschappelijke ondersteuning, onderwijs, schuldhulpverlening, welzijn en wonen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde integrale dienstverlening met het oog op de arbeidsinschakeling, bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder g, onderdeel 1, of de wijze van voortgezette persoonlijke ondersteuning, bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder g, onderdeel 2, van de wet.

  • 5.

    Het college kan, indien een werkgever een dienstverband aangaat met een inwoner die behoort tot de doelgroep en waarvan is vastgesteld dat hij zonder persoonlijke ondersteuning niet in staat is de door de werkgever opgedragen taken te verrichten, ambtshalve of op aanvraag persoonlijke ondersteuning bij werk inzetten.

  • 6.

    Persoonlijke ondersteuning bij werk wordt in beginsel alleen ingezet indien er sprake is van een arbeidsovereenkomst van ten minste 6 maanden voor ten minste 12 uur per week.

  • 7.

    Persoonlijke ondersteuning bij werk kan in natura verstrekt worden door middel van:

    • a.

      de inzet van een jobcoach die werkzaam is bij een jobcoachorganisatie waarbij het college de uitvoering van de jobcoaching heeft ingekocht; of

    • b.

      de inzet van een jobcoach die werkzaam is in een dienstverband bij of in opdracht van het college.

  • 8.

    Persoonlijke ondersteuning bij werk kan verstrekt worden in de vorm van een subsidie aan de werkgever voor:

    • a.

      jobcoaching door een jobcoach in dienst van de werkgever; of

    • b.

      interne werkbegeleiding door een interne werkbegeleider in dienst van de werkgever.

  • 9.

    Persoonlijke ondersteuning bij werk wordt ingezet voor de duur van maximaal 3 jaar. In specifieke situaties kan de inzet van persoonlijke ondersteuning verlengd worden als het college van oordeel is dat persoonlijke ondersteuning nog noodzakelijk is.

  • 10.

    Persoonlijke ondersteuning bij werk kan in afwijking van het vijfde lid ook worden aangeboden bij een proefplaats als bedoeld in artikel 2.6.

Paragraaf 2.4 Specifieke bepalingen persoonlijke ondersteuning bij werk

Artikel 2.9a Inzet jobcoach in dienst van jobcoachorganisatie

  • 1.

    Het college kan ambtshalve of op aanvraag van de werkgever of werknemer persoonlijke ondersteuning door een jobcoach van een jobcoachorganisatie, als bedoeld in artikel 2.8, zevende lid, onder a inzetten.

  • 2.

    Een jobcoach die de in artikel 2.8, zevende lid, onder a bedoelde persoonlijke ondersteuning verzorgt, heeft minimaal hbo werk- en denkniveau, een jobcoachopleiding (met bijbehorende bijscholing) en ervaring op het gebied van jobcoaching.

  • 3.

    De jobcoach heeft bij voorkeur een actuele registratie in het Register Loopbaancoach of het NVS-Beroepenregister voor jobcoaches, of is werkzaam bij een organisatie die een Blik op werk of Oval Keurmerk of een jobcoacherkenning van het UWV heeft.

  • 4.

    De omvang en intensiteit van de jobcoaching wordt bepaald op basis van de begeleidingsbehoefte waarbij wordt uitgegaan van drie begeleidingsregimes: een laag, midden en hoog regime.

  • 5.

    Het maximale aantal begeleidingsuren per jaar per begeleidingsregime wordt vastgesteld in de regionale uitvoeringsafspraken. Hierin wordt ook jaarlijks een maximaal uurtarief voor de jobcoach vastgesteld.

  • 6.

    De hoogte van de vergoeding tijdens proefplaatsing is een vast bedrag. Deze wordt jaarlijks vastgesteld in de regionale uitvoeringsafspraken.

  • 7.

    Het in artikel 2.8 bepaalde is van toepassing op jobcoaching door een jobcoach in dienst van jobcoachorganisatie.

Artikel 2.9b Inzet jobcoach in dienst van de gemeente

  • 1.

    Het college kan ambtshalve of op aanvraag van de werkgever of werknemer persoonlijke ondersteuning door een jobcoach in dienst van of werkzaam in opdracht van het college, als bedoeld in artikel 2.8, zevende lid, onder b inzetten.

  • 2.

    Een jobcoach die de in artikel 2.8, zevende lid, onder b bedoelde persoonlijke ondersteuning verzorgt, heeft minimaal hbo werk- en denkniveau, een jobcoachopleiding (en bijscholing waar nodig) en bij voorkeur ervaring op het gebied van jobcoaching.

  • 3.

    De jobcoach heeft bij voorkeur een actuele registratie in het Register Loopbaancoach of het NVS-Beroepenregister voor jobcoaches, of is werkzaam bij een organisatie die een Blik op werk of Oval Keurmerk of een jobcoacherkenning van het UWV heeft.

  • 4.

    De omvang en intensiteit van de jobcoaching wordt bepaald op basis van de begeleidingsbehoefte.

  • 5.

    Het in artikel 2.8 bepaalde is van toepassing op jobcoaching door een jobcoach in dienst van of werkzaam in opdracht van het college.

Artikel 2.9c Subsidie voor Jobcoach in dienst van werkgever

  • 1.

    Het college kan op aanvraag van de werkgever een subsidie als bedoeld in artikel 2.8, achtste lid, onder a verlenen aan de werkgever voor het organiseren van jobcoaching door een jobcoach in dienst van de werkgever.

  • 2.

    Een jobcoach in dienst van de werkgever die de persoonlijke ondersteuning verzorgt, dient een actuele registratie te hebben in het Register Loopbaancoach of het NVS-Beroepenregister voor jobcoaches, of werkzaam te zijn bij een organisatie die een Blik op werk of Oval Keurmerk heeft of een jobcoacherkenning van het UWV heeft.

  • 3.

    De hoogte van de subsidie per jaar wordt berekend door het aantal begeleidingsuren van het regime midden zoals bedoeld in artikel 2.9a, derde lid, te vermenigvuldigen met het uurtarief zoals bedoeld in artikel 2.9a, vierde lid.

  • 4.

    De hoogte van de vergoeding tijdens proefplaatsing is een vast bedrag. Deze wordt jaarlijks vastgesteld in de regionale uitvoeringsafspraken.

  • 5.

    De subsidie kan zonder voorafgaande verlening verstrekt worden.

  • 6.

    Het in artikel 2.8 bepaalde is van toepassing op de subsidie voor jobcoaching in dienst van werkgever.

Artikel 2.9d Subsidie voor interne werkbegeleiding

  • 1.

    Het college kan op aanvraag van de werkgever een subsidie als bedoeld in art 2.8, achtste lid, onder b verlenen aan de werkgever voor het organiseren van interne werkbegeleiding, als een inwoner uit de doelgroep voor het kunnen verrichten van werk is aangewezen op begeleiding die de gebruikelijke begeleiding door de werkgever en andere werknemers aanzienlijk te boven gaat.

  • 2.

    De interne werkbegeleider die de persoonlijke ondersteuning verzorgt dient met succes een HARRIE-training of andere erkende jobcoachtraining te hebben afgerond.

  • 3.

    De hoogte van de subsidie per jaar wordt berekend door het aantal begeleidingsuren van het regime laag zoals bedoeld in artikel 2.9a, derde lid te vermenigvuldigen met het uurtarief zoals bedoeld in artikel 2.9a, vierde lid.

  • 4.

    De hoogte van de vergoeding tijdens proefplaatsing is een vast bedrag. Deze wordt jaarlijks vastgesteld conform de regionale uitvoeringsafspraken.

  • 5.

    De subsidie kan zonder voorafgaande verlening verstrekt worden.

  • 6.

    Het in artikel 2.8 bepaalde is van toepassing op de subsidie voor interne werkbegeleiding.

Paragraaf 2.5 Algemene bepalingen overige voorzieningen

Artikel 2.10 Algemene bepalingen voor vervoersvoorzieningen, intermediaire activiteit, meeneembare voorzieningen en werkplekaanpassingen

  • 1.

    Het college kan op aanvraag voorzieningen als vervoersvoorzieningen, intermediaire activiteit, meeneembare voorzieningen en werkplekaanpassingen verstrekken ten behoeve van een inwoner met een arbeidsbeperking.

  • 2.

    Bij de toekenning van de in het eerste lid bedoelde voorzieningen gelden de volgende voorwaarden:

    • a.

      de inwoner kan zonder deze vorm van ondersteuning niet aan het arbeidsproces deelnemen;

    • b.

      de werkgever biedt een dienstbetrekking aan van minimaal zes maanden, met in beginsel een minimale arbeidsduur van 12 uur per week;

    • c.

      het betreft geen Arbo-taak waarvoor de werkgever verantwoordelijk is;

    • d.

      het betreft geen meeneembare voorziening die tot de standaarduitrusting van de werkgever behoort of algemeen gebruikelijk is in een organisatie;

    • e.

      er is naar het oordeel van het college geen sprake van een werkplekaanpassing die in zijn algemeenheid van de werkgever kan worden verlangd; en

    • f.

      de kosten van de voorziening(en) zijn naar het oordeel van het college proportioneel, dat wil zeggen dat de investering in de voorziening moet opwegen tegen de [maatschappelijke] opbrengsten van uitstroom naar werk.

  • 3.

    Het college bepaalt na overleg met de inwoner, en indien van toepassing met de werkgever, welke ondersteuning of voorziening(en) het beste kunnen bijdragen aan de arbeidsinschakeling.

Paragraaf 2.6 Specifieke bepalingen overige voorzieningen

Artikel 2.11 Vervoersvoorziening

  • 1.

    Het college kan een vervoersvoorziening toekennen aan een inwoner behorende tot de doelgroep die door zijn functionele beperking niet naar zijn werkplek, proefplaats of opleidingslocatie kan reizen zonder deze vervoersvoorziening. De vervoersvoorziening kan zowel in natura als in de vorm van een vergoeding in geld worden verstrekt.

  • 2.

    Het college biedt een vervoersvoorziening aan als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

    • a.

      de inwoner kan door zijn beperking niet zelfstandig reizen of gebruik maken van het openbaar vervoer; en

    • b.

      het vervoer is beperkt tot woon-werkverkeer.

  • 3.

    De hoogte van de vergoeding in geld hangt af van het aantal dagen dat aanwezigheid vereist is en bedraagt het in de markt reguliere tarief voor een taxi of een andere vorm van vervoer.

  • 4.

    Het college brengt een eventueel bedrag voor een vervoersvoorziening van de werkgever aan de werknemer in mindering op de te verstrekken vervoersvoorziening.

  • 5.

    Het in artikel 2.10 bepaalde is van toepassing.

Artikel 2.12 Noodzakelijke intermediaire activiteit bij motorische beperking

  • 1.

    Het college kan een voorziening in de vorm van een intermediaire activiteit toekennen, als dit nodig is voor de inwoner met een motorische beperking, behorende tot de doelgroep, om te kunnen werken.

  • 2.

    Er is geen limitatieve lijst van voorzieningen. In principe kan elk product als een meeneembare voorziening worden beschouwd als de noodzaak en meerwaarde in de werksfeer aantoonbaar zijn.

  • 3.

    Het in artikel 2.10 bepaalde is van toepassing.

Artikel 2.13 Meeneembare voorzieningen

  • 1.

    Het college kan een meeneembare voorziening toekennen, als dit nodig is voor de inwoner behorende tot de doelgroep om te kunnen werken.

  • 2.

    Er is geen limitatieve lijst van voorzieningen. In principe kan elk product als een meeneembare voorziening worden beschouwd als de noodzaak en meerwaarde in de werksfeer aantoonbaar zijn.

  • 3.

    De meeneembare voorziening wordt in principe in bruikleen beschikbaar gesteld. In bijzondere gevallen kan het college besluiten de voorziening in eigendom te verstrekken.

  • 4.

    Het in artikel 2.10 bepaalde is van toepassing.

Artikel 2.14 Werkplekaanpassingen

  • 1.

    Het college kan een aanpassing van de werkplek toekennen aan een inwoner behorende tot de doelgroep, als dit noodzakelijk is om zijn werk uit te voeren. In beginsel kan daarbij elk product als een werkplekaanpassing worden beschouwd als de noodzaak en meerwaarde in de werksfeer aantoonbaar zijn.

  • 2.

    Het in artikel 2.10 bepaalde is van toepassing.

Paragraaf 2.7 Tegenprestatie

Artikel 2.15 Inhoud van een tegenprestatie

  • 1.

    Het college kan onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, die additioneel van aard zijn, inzetten als tegenprestatie voor zover die werkzaamheden:

    • a.

      naar zijn aard niet zijn gericht op toeleiding tot de arbeidsmarkt;

    • b.

      niet zijn bedoeld als re-integratieinstrument;

    • c.

      worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid in de organisatie waarin ze worden verricht; en

    • d.

      niet mag leiden tot verdringing van de arbeidsmarkt, maar ook niet tot verdringing van de groep kwetsbare mensen die gezien hun beperking juist zijn aangewezen op additioneel werk of maatschappelijke activiteiten in het kader van dagbesteding.

  • 2.

    Het college kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de nadere invulling van de tegenprestatie.

Artikel 2.16 Het opdragen van een tegenprestatie

  • 1.

    Het college kan een inwoner een tegenprestatie opdragen.

  • 2.

    Bij het opdragen van een tegenprestatie wordt maatwerk geleverd. Het college houdt rekening met de volgende factoren:

    • a.

      de tegenprestatie moet naar vermogen kunnen worden verricht door een inwoner;

    • b.

      de persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van een inwoner;

    • c.

      de persoonlijke wensen en kwaliteiten van een inwoner;

    • d.

      het al verrichten door de inwoner van maatschappelijke activiteiten of vrijwilligerswerk.

Artikel 2.17 Duur en omvang van een tegenprestatie

  • 1.

    De tegenprestatie wordt opgedragen voor minimaal 52 uur en maximaal 208 uur per 12 maanden, met een minimum van gemiddeld 4 uur per week.

  • 2.

    Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in het eerste lid, als toepassing ervan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

  • 3.

    De tegenprestatie heeft een maximale duur van 6 aaneengesloten maanden.

  • 4.

    Het college kan jaarlijks meerdere keren de tegenprestatie opdragen met inachtneming van de kaders gesteld in het eerste lid en derde lid.

Artikel 2.18 Vrijstellingen

  • 1.

    Vrijgesteld van de plicht tot het verrichten van een tegenprestatie is:

    • a.

      de inwoner die voor ten minste vier uur per week vrijwilligerswerk verricht, indien voor dat vrijwilligerswerk toestemming is verkregen van het college;

    • b.

      de inwoner die deelneemt aan activiteiten in het kader van een re-integratietraject;

    • c.

      de inwoner die zorgtaken verricht als mantelzorger voor ten minste vier uur per week;

    • d.

      de inwoner die een parttimebaan heeft voor ten minste 20 uur per week;

    • e.

      alleenstaande ouders die vrijstelling van de arbeidsplicht hebben in verband met de zorg voor (een) kind(eren) in de leeftijd tot 5 jaar;

    • f.

      de inwoner die duurzaam en volledig arbeidsongeschikt is.

  • 2.

    Het college kan afwijken van de minimale uren gesteld in het eerste lid als toepassing ervan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

  • 3.

    Het college bepaalt op welke wijze dient te worden aangetoond dat sprake is van een vrijstellingsgrond als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 2.19 Geen werkzaamheden voorhanden

  • 1.

    Het college draagt geen tegenprestatie op indien geen werkzaamheden voorhanden zijn die kunnen worden ingezet als tegenprestatie.

  • 2.

    Indien het college geen tegenprestatie opdraagt omdat geen werkzaamheden voorhanden zijn, beoordeelt het college om de 3 maanden of op dat moment wel werkzaamheden voor handen zijn die kunnen worden ingezet als tegenprestatie.

Hoofdstuk 3 Handhaving rechtmatige verstrekking

Artikel 3.1 Opdracht aan het bestuur

  • 1.

    Het college stelt periodiek een handhavingsplan vast waarin staat beschreven hoe zorg wordt gedragen voor een rechtmatige uitvoering van de Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2004, waaronder de bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik van deze wetten.

  • 2.

    Het college beschrijft in het handhavingsplan tenminste:

    • a.

      de manier van communicatie over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een uitkering of voorziening zijn verbonden en de gevolgen bij misbruik of oneigenlijk gebruik;

    • b.

      de manier van verificatie van gegevens en van informatie-uitwisseling met derden;

    • c.

      de wijze waarop controles worden uitgevoerd;

    • d.

      de wijze waarop oneigenlijk gebruik en misbruik wordt opgespoord en afgehandeld.

Artikel 3.2 Kaders tegengaan oneigenlijk gebruik

Het college hanteert in het handhavingsplan de volgende kaders voor het voorkomen en opsporen van oneigenlijk gebruik:

  • a.

    het vroegtijdig en herhaaldelijk informeren van inwoners over rechten, plichten en handhaving;

  • b.

    het optimaliseren van de dienstverlening;

  • c.

    vroegtijdige ontdekking en afhandeling van signalen (preventie);

  • d.

    terugvordering op maat van ten onrechte verstrekte uitkering;

  • e.

    effectieve samenwerking met het Openbaar Ministerie.

Artikel 3.3 Bevorderen rechtmatigheid

  • 1.

    Het college beoordeelt de rechtmatigheid van de uitkeringen op basis van de informatie uit landelijke en eigen systemen en de overlegde gegevens;

  • 2.

    Bij twijfel doet het college nader onderzoek en kan daarbij gebruik maken van diverse onderzoeksmiddelen. Bij het gebruik van deze middelen hanteert het college de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.

Artikel 3.4 Terugvorderen vastgestelde benadelingsbedragen

Het college stelt beleidsregels vast met betrekking tot herziening, terug- en invordering waarbij tenminste wordt geregeld:

  • a.

    wanneer en op welke wijze gebruik wordt gemaakt van de wettelijke bevoegdheid tot herziening, terugvordering en invordering van een verstrekte uitkering;

  • b.

    op welke wijze er geheel of gedeeltelijk van terugvordering, dan wel van invordering kan worden afgezien.

Artikel 3.5 Aangifte bij het Openbaar Ministerie

Als een gedraging van een uitkeringsgerechtigde leidt tot financiële benadeling van de gemeente, doet het college aangifte bij het Openbaar Ministerie, als dit aansluit bij de uitgangspunten die het Openbaar Ministerie heeft vastgesteld.

Hoofdstuk 4 Afstemming

Artikel 4.1 Het besluit tot opleggen van een verlaging

  • 1.

    In het besluit tot het opleggen van een verlaging van de uitkering als bedoeld in artikel 9a, twaalfde lid en artikel 18 van de Participatiewet, de artikelen 20 en 38, twaalfde lid, van de IOAW en de artikelen 20 en 38, twaalfde lid, van de IOAZ en als bedoeld in deze verordening worden in ieder geval vermeld: de reden van de verlaging, de duur van de verlaging en het bedrag of percentage waarmee de uitkering wordt verlaagd, alsmede -indien van toepassing- de reden om af te wijken van de standaard verlaging.

  • 2.

    Het college stemt de uitkering van inwoner af door een verlaging of weigering van de uitkering indien:

    • a.

      inwoner niet of in onvoldoende mate de verplichtingen nakomt die voortvloeien uit de wet, met inbegrip van de verplichtingen die in de beschikking tot toekenning of voortzetting van de uitkering zijn opgenomen;

    • b.

      inwoner tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan, dan wel de uit de wet of artikel 30c, tweede en derde lid van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, waaronder het zich jegens het college zeer ernstig misdragen;

    • c.

      onder de uit de wet voortvloeiende verplichtingen wordt niet verstaan de inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 17, eerste lid van de Participatiewet, artikel 13, eerste lid, van de IOAW en IOAZ en artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.

  • 3.

    Een verlaging wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de vaststelling van de verwijtbaarheid en de omstandigheden, als bedoeld in artikel 18, tiende lid, van de Participatiewet, waarin hij verkeert.

Artikel 4.2 Horen van inwoner

Voordat een verlaging wordt opgelegd, wordt de inwoner in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen als bedoeld in artikel 4:8 van de Awb. Dit kan zowel schriftelijk, telefonisch als in een persoonlijk gesprek.

Artikel 4.3 Afzien van verlaging

  • 1.

    Van het verlagen van de uitkering wordt afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

  • 2.

    Het college kan besluiten af te zien van het opleggen van een verlaging als er sprake is van dringende redenen als bedoeld in artikel 18, tiende lid, van de Participatiewet. Indien het college afziet van het opleggen van een verlaging op grond van dringende redenen, wordt de inwoner daarvan schriftelijk mededeling gedaan. De gedraging telt wel mee voor de recidive.

Artikel 4.4 Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging

  • 1.

    Een verlaging wordt toegepast op de uitkering of bijzondere bijstand die is verleend met toepassing van artikel 12 van de Participatiewet over de kalendermaand volgend op de maand waarin het besluit tot het opleggen van de verlaging aan een inwoner is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de op dat moment voor die inwoner geldende bijstandsnorm.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid wordt de verlaging opgelegd met ingang van de ingangsdatum van de uitkering indien het besluit tot de verlaging samenvalt met het besluit tot toekenning van uitkering.

  • 3.

    Indien de verlaging niet kan worden opgelegd omdat de uitkering inmiddels is beëindigd, dan wordt de verlaging alsnog gerealiseerd door middel van herziening van de eerder verstrekte uitkering.

  • 4.

    Als een verlaging niet of niet geheel ten uitvoer kan worden gelegd als gevolg van de beëindiging of intrekking van de uitkering, wordt de verlaging of dat deel van de verlaging dat nog niet is uitgevoerd, alsnog ten uitvoer gelegd als inwoner binnen een jaar nadat de uitkering is ingetrokken of beëindigd een nieuwe aanvraag om uitkering heeft ingediend.

Artikel 4.5 Berekeningsgrondslag

  • 1.

    Een verlaging wordt berekend over de bijstandsnorm.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid kan een verlaging worden toegepast op de bijzondere bijstand als aan inwoner bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 van de Participatiewet.

  • 3.

    Bij toepassing van het tweede lid moet in de hoofdstukken 2, 3 en 4 ‘bijstandsnorm’ worden gelezen als ‘bijstandsnorm inclusief de op grond van artikel 12 van de Participatiewet verleende bijzondere bijstand’.

Artikel 4.6 Waarschuwing

Het college kan bij gedragingen van de eerste en tweede categorie als bedoeld in de artikelen 4.7 en 4.8 van deze verordening volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van een jaar, te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de inwoner een schriftelijke waarschuwing is gegeven.

Paragraaf 4.1 Niet nakomen van de niet-geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling

Artikel 4.7 Gedragingen Participatiewet

Gedragingen van een inwoner waardoor een verplichting op grond van de artikelen 9, of 9a en 17, tweede lid, van de Participatiewet niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën:

  • 1.

    Eerste categorie:

    het zich niet tijdig laten registeren als werkzoekende bij het UWV of het niet tijdig laten verlengen van de registratie.

  • 2.

    Tweede categorie:

    • a.

      het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een Plan van Aanpak als bedoeld in artikel 44a van de Participatiewet door inwoners tot 27 jaar;

    • b.

      het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een Uitvoeringsplan op grond van de verplichtingen in artikel 9 van de Participatiewet;

    • c.

      het onvoldoende nakomen van de verplichtingen zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Participatiewet, voor zover het gaat om een inwoner jonger dan 27 jaar, gedurende vier weken na de melding zoals bedoeld in artikel 43, vierde en vijfde lid, van de Participatiewet, voor zover deze verplichtingen niet worden genoemd in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet;

    • d.

      het niet dan wel niet tijdig voldoen aan een oproep om op een aangegeven plaats en tijd te verschijnen in verband met een taaltoets zoals bedoeld in artikel 18b van de Participatiewet;

    • e.

      het door houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken de verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid onderdeel b, van de Participatiewet niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder, zoals bedoeld in artikel 9a, eerste lid van de Participatiewet;

    • f.

      het niet of onvoldoende verrichten van een door het college opgedragen tegenprestatie naar vermogen zoals bedoeld in artikel 9 eerste lid onderdeel c van de Participatiewet;

    • g.

      het niet of onvoldoende nakomen van de medewerkingsplicht als bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de Participatiewet.

  • 3.

    Derde categorie:

    het door eigen toedoen niet verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid voor zover dit niet voortvloeit uit een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet.

Artikel 4.8 Gedragingen IOAW en IOAZ

Gedragingen van een inwoner waardoor een verplichting op grond van de artikelen 37 en 38 van de IOAW of de artikelen 20, 37 en 38 van de IOAZ niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën:

  • 1.

    Eerste categorie:

    het zich niet tijdig laten registeren als werkzoekende bij het UWV of het niet tijdig laten verlengen van de registratie.

  • 2.

    Tweede categorie:

    • a.

      het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken de verplichtingen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel e van de van de IOAW of artikel 37, eerste lid, onderdeel e van de IOAZ niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de IOAW of artikel 38, eerste lid, van de IOAZ;

    • b.

      het niet of onvoldoende verrichten van een door het college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel f, van de IOAW of artikel 37, eerste lid, onderdeel f, van de IOAZ;

    • c.

      het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een Uitvoeringsplan op grond van de verplichtingen in artikel 37 van de IOAW en artikel 37 van de IOAZ.

  • 3.

    Derde categorie:

    • a.

      het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling;

    • b.

      het niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid indien:

      • -

        aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de inwoner ter zake een verwijt kan worden gemaakt;

      • -

        de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de inwoner zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd;

    • c.

      het nalaten algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden;

    • d.

      het door eigen toedoen niet verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid als bedoeld in artikel 20, eerste lid, onder a en b, van de IOAW of artikel 20, tweede lid, onder a en b, van de IOAZ;

    • e.

      het niet of onvoldoende gebruikmaken van een door het college aangeboden voorziening als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAW of de artikelen 36, eerste lid, en artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAZ, voor zover dit heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening.

Artikel 4.9 Hoogte en duur van de verlaging

  • 1.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 4.1 derde lid wordt de verlaging op de uitkering, als bedoeld in artikel 4.7 en 4.8 gedurende een maand vastgesteld op:

    • a.

      € 60,00 bij een gedraging uit categorie 1;

    • b.

      € 240,00 bij een gedraging uit categorie 2;

    • c.

      de gehele bijstandsnorm bij een gedraging uit categorie 3.

  • 2.

    In afwijking van het gestelde in het eerste lid bedraagt de verlaging niet meer dan het maandbedrag dat voor uitkering in aanmerking komt.

Paragraaf 4.2 Niet nakomen van de uniforme verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling

Artikel 4.10 Duur verlaging bij schending uniforme arbeidsverplichting

Als een inwoner een verplichting als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, bedraagt de verlaging 100 procent van de bijstandsnorm gedurende een maand.

Artikel 4.11 Verrekenen verlaging bij bijzondere omstandigheden

Als bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen wordt het bedrag van de verlaging, bedoeld in artikel 4.10, toegepast over drie maanden, met dien verstande dat deze verlaging in drie gelijke delen wordt toegepast.

Paragraaf 4.3 Overige gedragingen die leiden tot verlaging

Artikel 4.12 Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid

  • 1.

    Een verlaging wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de Participatiewet wordt afgestemd op het benadelingsbedrag.

  • 2.

    De verlaging wordt vastgesteld op:

    • a.

      € 60,00 bij een benadelingsbedrag tot € 1.000,00;

    • b.

      € 240,00 bij een benadelingsbedrag van € 1.000,00 tot € 2.000,00;

    • c.

      € 480,00 bij een benadelingsbedrag van € 2.000,00 tot € 4.000,00;

    • d.

      de gehele bijstandsnorm bij een benadelingsbedrag boven de € 4.000,00.

  • 3.

    De duur van de verlaging wordt, onverminderd het bepaalde in artikel 4.1, derde lid afgestemd op de periode dat de inwoner als gevolg van zijn gedraging eerder of langer recht heeft op bijstand.

  • 4.

    In afwijking van het gestelde van het eerste lid wordt bij een inwoner indien deze geen beroep meer kan doen op een passende en toereikende voorliggende voorziening, omdat deze volledig wordt verrekend met een bestuurlijke boete in het kader van het bij herhaling schenden van de inlichtingenverplichting een verlaging opgelegd van 100% gedurende de eerste drie maanden gerekend vanaf de ingangsdatum van de uitkering op grond van de Participatiewet. Indien inwoner heeft aangetoond dat het saldo van alle bankrekeningen op de ingangsdatum van zijn uitkering minder bedraagt dan driemaal de voor hem geldende bijstandsnorm per maand wordt de verlaging als bedoeld in het eerste lid gesteld op 100% gedurende de eerste maand vanaf de ingangsdatum van de uitkering op grond van de Participatiewet en 40% gedurende de tweede maand en derde maand.

  • 5.

    In afwijking van het tweede lid wordt de bijzondere bijstand geheel verlaagd indien het beroep op bijzondere bijstand het gevolg is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid.

Artikel 4.13 Zeer ernstige misdragingen

Indien een inwoner zich zeer ernstig misdraagt tegenover personen en instanties die belast zijn met de uitvoering van de Participatiewet als bedoeld in artikel 9, zesde lid, van die wet, tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de IOAW als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onder g, van die wet of tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de IOAZ als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onder g, van die wet, wordt een verlaging toegepast. De verlaging wordt vastgesteld op:

  • a.

    100% van de uitkering gedurende een maand, bij (non) verbale agressie;

  • b.

    100% van de uitkering gedurende twee maanden, bij persoonsgerichte bedreiging;

  • c.

    100% van de uitkering gedurende drie maanden, bij fysieke agressie.

Artikel 4.14 Niet nakomen van overige verplichtingen

Als een inwoner een door het college opgelegde verplichting als bedoeld in artikel 55 van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, wordt een verlaging toegepast. De verlaging wordt vastgesteld op:

  • a.

    € 240,00 gedurende een maand, bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling;

  • b.

    € 240,00 gedurende een maand, bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die verband houden met de aard en het doel van bepaalde vorm van bijstand;

  • c.

    € 240,00 gedurende een maand, bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot vermindering van de bijstand;

  • d.

    de gehele bijstandsnorm gedurende een maand bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot beëindiging van de bijstand.

Paragraaf 4.4 Samenloop en recidive

Artikel 4.15 Samenloop van gedragingen

  • 1.

    Als sprake is van één gedraging die een schending oplevert van meerdere in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet of artikel 18b van de Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt één verlaging opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en duur van de verlaging wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging is gesteld.

  • 2.

    Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van één of meerdere in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet of artikel 18b van de Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd. Deze verlagingen worden gelijktijdig opgelegd, onverminderd artikel 4.1 derde lid.

  • 3.

    Als sprake is van één gedraging die een schending oplevert van zowel een in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet of artikel 18b van de Participatiewet genoemde verplichting als een in artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet genoemde verplichting, wordt geen verlaging opgelegd, voor zover voor die schending een bestuurlijke boete wordt opgelegd.

  • 4.

    Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van zowel een in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet of artikel 18b van de Participatiewet genoemde verplichting als een in artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet genoemde verplichting, waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd, onverminderd de werking van artikel 4.1, derde lid van deze verordening.

Artikel 4.16 Recidive

  • 1.

    Als een inwoner zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als bedoeld in de artikelen 4.7, 4.8, 4.12, 4.13 of 4.14 opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde verwijtbare gedraging, wordt telkens de duur van de oorspronkelijke verlaging verdubbeld, rekening houdend met de ernst van de gedraging, de aanwezigheid van verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden van de inwoner.

  • 2.

    Bij eenzelfde derde en volgende verwijtbare gedraging binnen twaalf maanden na bekendmaking van het besluit (na de laatste als verwijtbaar aangemerkte gedraging) wordt de duur van de laatste verlaging verdubbeld, rekening houdend met de ernst van de gedraging, de aanwezigheid van verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden van de inwoner.

  • 3.

    Als een inwoner zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet, bedraagt de verlaging honderd procent van de bijstandsnorm gedurende twee maanden.

Paragraaf 4.5 Samenloop bij weigeren IOAW/IOAZ

Artikel 4.17 Samenloop bij weigeren uitkering IOAW/IOAZ

Als het college de uitkering op grond van artikel 20, eerste lid, van de IOAW of artikel 20, tweede lid, van de IOAZ blijvend of tijdelijk weigert en de gedraging die tot deze weigering heeft geleid tevens op grond van deze verordening tot een verlaging zou kunnen leiden, blijft een verlaging ter zake van die gedraging achterwege.

Hoofdstuk 5 Inkomensvoorzieningen

Paragraaf 5.1 Algemene bepalingen

Artikel 5.1 Aanvraag

  • 1.

    Een aanvraag voor een inkomensvoorziening als bedoeld in dit hoofdstuk, wordt ingediend door middel van een door het college beschikbaar gesteld aanvraagformulier. Of door middel van een door het college aangewezen digitale aanvraagprocedure.

  • 2.

    In geval van de Gelrepas geldt dat een inwoner een aanvraag in kan dienen voor:

    • o

      zichzelf;

    • o

      zijn partner;

    • o

      zijn ten laste komende kind of kinderen;

    • o

      indien er sprake is van lichamelijke of psychische handicap, waarbij de inwoner niet zelfstandig activiteiten kan bezoeken: de begeleider.

  • 3.

    Wanneer de voor de aanvraag benodigde gegevens met betrekking tot onder andere inkomen en vermogen bij het college zijn, kan een inkomensvoorziening ambtshalve verstrekt worden. Het college kan dit in nadere regels uitwerken.

Artikel 5.2 Aanvullende definitie Inkomen

In afwijking van de definitie zoals bepaald in hoofdstuk 1 van deze verordening, wordt het deel van het inkomen waar beslag op ligt voor de toepasselijkheid van dit hoofdstuk niet tot het inkomen gerekend.

Paragraaf 5.2 Individuele inkomenstoeslag

Artikel 5.3 Langdurig laag inkomen

Een inwoner heeft een langdurig laag inkomen als gedurende een periode van 5 jaar voorafgaand aan de aanvraag het in aanmerking te nemen inkomen niet hoger is dan 100% van de voor de aanvrager van toepassing zijnde bijstandsnorm.

Artikel 5.4 Hoogte individuele inkomenstoeslag

  • 1.

    De inkomenstoeslag is per jaar (peildatum 2025, indexatie volgt in 2026 cf. lid 5):

    • a.

      € 299,00 voor een alleenstaanden;

    • b.

      € 248,00 voor een alleenstaande ouder;

    • c.

      € 555,00 voor gehuwden of samenwonenden met een of meer ten laste komende kinderen tot 18 jaar;

    • d.

      € 493,00 gehuwden of samenwonenden zonder kinderen.

  • 2.

    Inwoners die in een instelling verblijven, waarin voorzien wordt in de vaste lasten en dagelijkse levensbehoeften, hebben recht op 50% van individuele inkomenstoeslag.

  • 3.

    Als één van de gehuwden of samenwonenden is uitgesloten van het recht op individuele inkomenstoeslag op grond van artikel 11 of 13, eerste lid van de Participatiewet, komt de rechthebbende echtgenoot in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden.

  • 4.

    Voor de toepassing van dit artikel is de situatie op de datum van aanvraag bepalend.

  • 5.

    De bedragen genoemd in het eerste lid worden jaarlijks geïndexeerd overeenkomstig de ontwikkelingen van de consumentenprijsindex volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek. De bedragen worden naar boven afgerond op hele euro’s.

Artikel 5.5. Uitvoering

Het college kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de uitvoering van de individuele inkomenstoeslag.

Paragraaf 5.3: Gelrepas

Artikel 5.6 Tegoeden

Het college stelt een Gelrepas ter beschikking voor inwoners die tot de doelgroep behoren. De Gelrepas bevat een of meer tegoeden die besteed kunnen worden aan sport, cultuur, recreatie en educatie. De pas is persoonlijk en niet overdraagbaar.

Artikel 5.7 Doelgroep

  • 1.

    Tot de doelgroep van de Gelrepas behoren inwoners met een laag inkomen zoals bedoeld in het derde en vierde lid, en hun ten laste komende kinderen. Zelfstandigen of parttime ondernemers behoren ook tot de doelgroep.

  • 2.

    Onder omstandigheden kan een minderjarige een zelfstandig recht op de GelrePas hebben. Er moet dan sprake zijn van een minderjarige in een opvangsituatie binnen de gemeente, die niet terug kan vallen op het inkomen van een voogd of gezaghouder, bijvoorbeeld omdat de financiële band tussen de minderjarige en de ouders doorbroken is.

  • 3.

    Onder een laag inkomen voor volwassenen (inwoners ouder dan 18 jaar) wordt verstaan: Een inkomen dat op datum van de aanvraag niet hoger is dan 120% van de voor hem/haar van toepassing zijnde bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5, onderdeel c van de wet, waarbij de artikel 19a en 22a van de wet buiten toepassing blijven. Voor ondernemers wordt het inkomen bepaald volgens het besluit bijstandsverlening zelfstandigen.

  • 4.

    Onder laag inkomen wordt voor het recht voor kinderen van 4 tot 18 jaar verstaan: een inkomen van de ouders dat op de datum van aanvraag niet hoger is dan 150% van de op hen van toepassing zijnde bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5, onderdeel c van de wet, waarbij de artikel 19a en 22a van de wet buiten toepassing blijven;

  • 5.

    In geval van maandelijks wisselende inkomsten wordt uitgegaan van het gemiddelde inkomen over een periode van drie maanden voorafgaand aan het moment van aanvraag. In geval van een zelfstandig ondernemer wordt het totaal aan inkomen bepaald over een boekjaar voorafgaand aan de aanvraag.

  • 6.

    Inwoners en hun ten laste komende kinderen, die op het moment van aanvraag deelnemen aan een minnelijk of wettelijk schuldentraject, behoren ongeacht de hoogte van hun inkomen tot de doelgroep van de Gelrepas.

  • 7.

    Niet tot de doelgroep behoort de inwoner die: 

    • a.

      Deelneemt aan onderwijs of een beroepsopleiding waarvoor aanspraak kan worden gemaakt op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000.

    • b.

      Een vermogen heeft dat op peildatum hoger is dan de toepasselijke vermogensgrens, als bedoeld in artikel 34 derde lid, met uitzondering van artikel 34 tweede lid onder d van de wet. Of, waar het een zelfstandig ondernemer betreft: een vermogen anders dan genoemd in artikel 7 van de Bbz dat hoger is dan de toepasselijke vermogensgrens.

    • c.

      Een verblijfsstatus heeft en in een asielopvang in de gemeente verblijft, maar niet onder te taakstelling huisvesting van de gemeente Rheden valt en derhalve ook niet in de gemeente gehuisvest gaat worden. Deze bepaling is ook van toepassing op alleenstaande minderjarige vreemdelingen.

    • d.

      Enkel een briefadres in de gemeente heeft en niet feitelijk in de gemeente verblijft.

Artikel 5.8 Hoogte tegoed

  • 1.

    De hoogte van het tegoed is afhankelijk van de leeftijd van de pashouder. De volgende indeling wordt gehanteerd:

    • a.

      4 tot en met 11 jaar;

    • b.

      12 tot en met 17 jaar;

    • c.

      18 jaar tot en met de pensioengerechtigde leeftijd;

    • d.

      ouder dan de pensioengerechtigde leeftijd.

  • 2.

    De hoogte van het Gelrepas tegoed wordt vastgelegd in het financieel besluit welke jaarlijks door het college wordt vastgesteld.

Artikel 5.9 Uitvoering

Het college kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de uitvoering van de Gelrepas.

Hoofdstuk 6 Slotbepalingen en inwerkingtreding

Artikel 6.1 Inwerkingtreding en intrekking oude verordeningen

Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2026 onder gelijktijdige intrekking van de volgende verordeningen:

  • Re-integratieverordening Participatiewet gemeente Rheden.

  • Verordening loonkostensubsidie Participatiewet gemeente Rheden.

  • Verordening tegenprestatie Participatiewet, Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, gemeente Rheden.

  • Verordening Handhaving Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Rheden.

  • Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Rheden.

  • Verordening Gelrepas.

  • Verordening Individuele Inkomenstoeslag gemeente Rheden 2015.

Artikel 6.2 Overgangsrecht

  • 1.

    Een maandelijkse voorziening of uitkering die op grond van een ingetrokken verordening wordt verstrekt, loopt na de ingangsdatum van deze verordening door. Deze voorziening of uitkering loopt door totdat het college een nieuw besluit over die voorziening of uitkering heeft genomen waarbij het toekenningsbesluit is afgelopen.

  • 2.

    Een aanvraag die de inwoner heeft ingediend vóór de ingangsdatum van deze verordening en waarover het college na 1 januari 2026 een besluit neemt, handelt het college af volgens de ingetrokken verordening.

  • 3.

    Op het moment dat een besluit volgens deze nieuwe verordening gunstiger uitpakt voor de inwoner, past de gemeente deze verordening toe.

  • 4.

    Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van één van de bij 6.1 genoemde ingetrokken verordeningen, past de gemeente die ingetrokken verordening toe.

Artikel 6.3 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als ‘Verzamelverordening Werk en Inkomen gemeente Rheden 2026’.

Vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 28 oktober 2025.

De Steeg, 28 oktober 2025

De raad voornoemd,

voorzitter.

griffier.

Naar boven