Beleidsregels in aanmerking te nemen middelen Participatiewet 2026

INLEIDING

 

Op 22 april 2021 is in de gemeenteraad een motie “Vrijstellingsgrens giften voor mensen in de bijstand” aangenomen. De strekking van de motie was om ten aanzien van bijstandsgerechtigden een maximaal bedrag € 1200 per jaar aan giften vrij te laten en de cliënten tevens te ontslaan van de verplichting om van dergelijke giften melding te maken en te bewerkstelligen dat er contactmomenten met cliënten komen, waarbinnen eventueel ontvangen giften zouden kunnen worden besproken. Aanleiding voor deze motie was de landelijke commotie rondom giften in de bijstand (boodschappenaffaire gemeente Wijdemeren).

 

Vanwege de uitspraak van de CRvB in deze zaak, waarin werd uitgesproken dat giften in de vorm van boodschappen niet tot giften als bedoeld in de Participatiewet mogen worden gerekend, maar als bijdragen die leiden tot besparingen op de bijstand. Om deze reden was de motie niet uitvoerbaar en is met de raad overeengekomen dat de ontwikkelingen binnen de Participatiewet zouden worden afgewacht.

 

Nu de nieuwe Participatiewet in balans naar verwachting per 1 januari 2026 van kracht zal worden en hierin duidelijke bepalingen staan omtrent de vrijlating van giften, maar óók van bijdragen die leiden tot besparingen op de bijstand (zoals giften in natura (bijvoorbeeld boodschappen)) tot een totaalbedrag van € 1200 per kalenderjaar (peiljaar 2026) en gemeenten hierop mogen anticiperen, is er nu gelegenheid om dit door middel van beleidsregels nader in te kleden. Hiermee wordt dan na ruim drie jaar alsnog aan de eerdergenoemde motie tegemoetgekomen.

 

Aangezien giften en bijstandsbesparende bijdragen een onderdeel zijn van het veel bredere middelenbegrip zijn in deze beleidsregels ook andere elementen uit het middelenbegrip, die een nadere uitwerking kunnen gebruiken, opgenomen.

Met deze beleidsregels wordt hierin voorzien.

 

IN AANMERKING TE NEMEN MIDDELEN PARTICIPATIEWET 2026

 

ALGEMEEN

Artikel 1: begripsbepalingen

In deze beleidsregels bijzondere bijstand wordt verstaan onder:

 

  • a.

    college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Achtkarspelen;

  • b.

    wet: de Participatiewet;

  • c.

    bijstandsnorm: de norm zoals bedoeld in de artikelen 20 tot en met 30 van de wet;

  • d.

    middelen: de vermogens- en inkomensbestanddelen zoals bedoeld in artikel 31 van de wet;

  • e.

    contanten: papiergeld en munten

  • f.

    lopende rekening: de betaalrekening waarop inkomsten binnenkomen en (vaste) lasten van worden betaald;

  • g.

    spaarrekening: een aparte rekening bij een bank, niet zijnde een lopende rekening, waarop geld kan worden gespaard dat al dan niet voor langere tijd vast staat;

  • h.

    motorvoertuig: het vervoermiddel dat gemotoriseerd wordt voortbewogen, bijvoorbeeld auto’s, motoren, landbouwvoertuigen, bromfietsen, gehandicaptenvoertuigen en motorboten

  • i.

    klassieker: het motorvoertuig dat minstens 50 jaar oud is dat niet als dagelijks vervoer wordt gebruikt en in historisch verantwoorde staat wordt gehouden en onderhouden en dat deel uitmaakt van het technisch en cultureel erfgoed.

  • j.

    reservering uitvaartkosten: de middelen die zijn ondergebracht bij een verzekering die bij overlijden de kosten van begrafenis of crematie in natura of in contanten vergoedt, wat niet, of slechts tegen zeer ongunstige voorwaarden, afkoopbaar is.

  • k.

    gift: elke bevoordeling uit vrijgevigheid van personen of instellingen in contanten of een bijdrage in natura, die leidt tot een kostenbesparing waarbij geen sprake is van enige vorm van tegenprestatie.

IN AANMERKING TE NEMEN MIDDELEN

Artikel 2: toepassingsbereik

Deze beleidsregels gelden zowel voor de vaststelling van het recht op algemene bijstand als bijzondere bijstand en minimaregelingen.

Artikel 3: saldo contanten en lopende rekening

Van het saldo van de contanten en de lopende rekening wordt bij aanvraag geen bedrag vrijgelaten in verband met lopende uitgaven. Het saldo telt voor de vermogensbepaling mee. Een negatief saldo op de lopende rekening moet als schuld worden aangemerkt en telt daarom mee bij de vaststelling van het vermogen.

Artikel 4: vaststelling vermogen bij co-ouderschap

  • 1.

    De vermogensgrens van een co-ouder is het gemiddelde van de vermogensgrens voor een alleenstaande ouder en de vermogensgrens voor een alleenstaande.

  • 2.

    Eventueel inkomen en vermogen van het ten laste komende kind worden voor x/7 toegerekend aan de betreffende ouder. Hierbij staat x voor het gemiddelde aantal dagen per week dat de co-ouder het kind verzorgt.

Artikel 5: vaststelling vermogen bij verhuizing uit andere gemeente

  • 1.

    Bij verhuizing van een belanghebbende uit een andere gemeente wordt, mits de onderbreking van de bijstand korter is dan 30 dagen én de individuele omstandigheden qua woon- en samenlevingssituatie van de belanghebbende exact hetzelfde blijven, ten aanzien van de vaststelling van het vermogen de gegevens van de gemeente van vertrek overgenomen.

  • 2.

    Vermogen dat aantoonbaar tijdens een direct voorafgaande bijstandsperiode, zonder onderbreking die langer heeft geduurd dan 30 dagen, is gespaard blijft buiten beschouwing.

  • 3.

    Wanneer niet aan voornoemde voorwaarden wordt voldaan, dan wordt opnieuw beoordeeld in hoeverre het vermogen beneden het voor belanghebbende geldende grensbedrag ligt.

Artikel 6: vaststelling vermogen bij wijziging leefvorm

Bij een wijziging leefvorm wordt het vermogen voor de belanghebbende die een bijstandsuitkering blijft ontvangen per de datum van de wijziging van de leefsituatie opnieuw vastgesteld.

Artikel 7: giften

  • 1.

    Een incidentele financiële gift voor een specifieke bestemming wordt vrijgelaten als deze dient voor kosten waarvoor de belanghebbende, zonder de gift, op een vergoeding via de bijzondere bijstand om niet of een Wmo-voorziening zou zijn aangewezen, tenzij de belanghebbende de voorgaande drie jaren voor deze kosten heeft kunnen reserveren of in staat is om de komende drie jaren op een geldlening af te lossen.

  • 2.

    Van het ontvangen van een gift als bedoeld in het eerste lid moet de belanghebbende onverwijld melding maken door middel van een wijzigingsformulier.

  • 3.

    Andere giften dan genoemd in het eerste lid en/of bijdragen in natura die leiden tot een besparing worden vrijgelaten tot maximaal € 1200 per kalenderjaar.

  • 4.

    Zolang de gift en/of de bijdrage als bedoeld in het derde lid de waarde van € 1200 per kalenderjaar niet overschrijdt hoeft hier door de belanghebbende geen melding van te worden gemaakt.

  • 5.

    Zodra de gift(en) en/of de bijdrage(n) als bedoeld in het derde lid meer bedragen/bedraagt dan € 1200 per kalenderjaar, dan moet de belanghebbende onverwijld melding maken door middel van een wijzigingsformulier en wordt het meerdere aangemerkt als middel, als bedoeld in artikel 31 van de wet, tenzij het meerdere vanuit bijstandsoptiek als verantwoord kan worden beschouwd.

  • 6.

    Verstrekkingen in de vorm van een voedselpakket van de Voedselbank worden in ieder geval vrijgelaten.

  • 7.

    Het bedrag genoemd in het derde, vierde en vijfde lid van dit artikel wordt jaarlijks geïndexeerd met het cijfer van de consumentenprijsindex (CPI) over het voorgaande kalenderjaar, afgerond naar boven op een veelvoud van € 50.

Artikel 8: loterijprijzen

  • 1.

    Ontvangsten als gevolg van een prijs in een loterij worden tot een maximumbedrag van € 1200 per kalenderjaar vrijgelaten. Het meerdere wordt aangemerkt als vermogen. De kosten van verwerven van de prijs (w.o. de kosten van de loten) worden niet op het bedrag van de gewonnen prijs in mindering gebracht.

  • 2.

    Van het ontvangen van een prijs als bedoeld in het eerste lid moet de belanghebbende onverwijld melding maken door middel van een wijzigingsformulier.

  • 3.

    Het bedrag genoemd in het eerste lid van dit artikel wordt jaarlijks geïndexeerd met het cijfer van de consumentenprijsindex (CPI) over het voorgaande kalenderjaar, afgerond naar boven op een veelvoud van € 50.

Artikel 9: motorvoertuigen

  • 1.

    Motorvoertuigen behoren tot het vermogen als bedoeld in artikel 34 van de wet.

  • 2.

    Vervoermiddelen met een gezamenlijke waarde tot € 5000,00 worden niet tot het vermogen gerekend.

  • 3.

    Indien de waarde meer bedraagt dan € 5000, dan wordt het meerdere aangemerkt als vermogen als bedoeld in artikel 34 van de wet.

  • 4.

    Indien een vervoermiddel meer dan 10 jaar oud is wordt deze geacht volledig afgeschreven te zijn en telt deze voor de waardebepaling niet mee.

  • 5.

    In afwijking van het gestelde in de voorgaande leden van dit artikel kan bij de vermogensvaststelling in incidentele gevallen de (meer)waarde van motorvoertuigen buiten beschouwing worden gelaten als het motorvoertuig/de motorvoertuigen onmisbaar is/zijn in verband met werk en/of invaliditeit en verkoop van het motorvoertuig in redelijkheid niet kan worden gevergd.

  • 6.

    Voor de waardevaststelling van de auto en de motor dient gebruik gemaakt te worden van de ANWB Koerslijst.

  • 7.

    Als sprake is van een motorvoertuig die in het maatschappelijk verkeer wordt gezien als klassiekers wordt de waarde van het motorvoertuig vastgesteld op basis van een door een erkend taxateur opgesteld taxatierapport.

Artikel 10: reservering uitvaartkosten

De waarde van een uitvaartverzekering (reservering uitvaartkosten) die bij overlijden in natura of in contanten uitkeert of een vermogen dat vaststaat op een termijndeposito bij een bank die alleen (tussentijds) uitkeert bij overlijden wordt niet gerekend tot het vermogen als bedoeld in artikel 34 van de wet, mits:

 

  • a.

    de waarde van de verzekering niet bovenmatig hoog is, waarbij als richtbedrag per persoon geldt het totaal aan begrafeniskosten volgens de Prijzengids NIBUD;

  • b.

    het tegoed vanaf het moment van overlijden van de belanghebbende wordt uitgekeerd en tussentijds niet opvraagbaar of afkoopbaar is, of slechts opvraagbaar of afkoopbaar is tegen zeer ongunstige voorwaarden;

  • c.

    de verzekering is afgesloten of verhoogd op een moment waarop niet redelijkerwijs te verwachten viel dat een beroep op bijstand zou moeten worden gedaan.

Artikel 11: Teruggaaf Inkomstenbelasting als gevolg van betaalde hypotheekrente

  • 1.

    Een eventuele teruggaaf van Inkomstenbelasting als gevolg van betaalde hypotheekrente wordt vrijgelaten.

  • 2.

    Een vrijlating als bedoeld in het eerste lid betekent wel dat geen aanspraak kan worden gemaakt op bijzondere bijstand in de vorm van een woonkostentoeslag eigen woning.

Artikel 12: onvoorziene situaties

In alle gevallen waarin deze beleidsregels niet voorzien beslist het college.

Artikel 13: citeertitel

Deze beleidsregels kunnen worden aangehaald als “Beleidsregels in aanmerking te nemen middelen Participatiewet 2026.

Artikel 14: inwerkingtreding

Deze beleidsregels treden in werking met ingang van 1 januari 2026.

Aldus vastgesteld door burgemeester en wethouders van de gemeente Achtkarspelen op 28 oktober 2025,

de secretaris,

(dhr. Mr. M.C. de Jong)

de burgemeester,

(dhr. J.D. de Vries)

TOELICHTING BELEIDSREGELS IN AANMERKING TE NEMEN MIDDELEN PARTICIPATIEWET 2026

Artikelsgewijze toelichting

 

ALGEMEEN

 

Artikel 1

Dit artikel geeft aan wat onder de verschillende begrippen moet worden verstaan.

 

Artikel 2

Dit artikel geeft aan dat de manier waarop met (vrijlating van) middelen wordt omgegaan voor zowel algemene bijstand als bijzondere bijstand en minimaregelingen geldt.

 

Artikel 3

Dit artikel geeft duidelijkheid over de vraag wat aan contanten en bedragen op de lopende rekening voor de vermogensbepaling meetelt. Duidelijk is dat geen rekening wordt gehouden met lopende verplichtingen.

 

Artikel 4

Met dit artikel wordt bepaald hoe het vermogen in een uitzonderlijke situatie als co-ouderschap, wordt vastgesteld en hoe in die situaties wordt omgegaan met inkomen en vermogen van minderjarige kinderen.

 

Artikel 5

Dit artikel is feitelijk een bevestiging van de uitgangspunten van de wet, waar het gaat om de vaststelling van vermogen bij verhuizing vanuit een andere gemeente.

 

Artikel 6

Hier geldt hetzelfde maar dan met het oog op een veranderde persoonlijke situatie.

 

Artikel 7

In dit artikel zijn de wettelijke bepalingen van de nieuwe Participatiewet in balans omtrent giften c.a. verwerkt. Zoals blijkt worden ook bijdragen die leiden tot een besparing op de bijstand (dit onderscheid wordt tot op heden door de CRvB gemaakt) vrijgelaten. Het maximale vrijlatingsbedrag voor het totaal aan giften en bijdragen is € 1200 per kalenderjaar. Zolang de giften en bijdragen dit bedrag niet overstijgen geldt voor de belanghebbende geen verplichting om hier in het kader van de inlichtingenplicht melding van te maken.

 

Het is de bedoeling dat dit door de belanghebbende wordt bijgehouden.

 

Zodra het bedrag van € 1200 wordt overschreden moet de belanghebbende hier wel melding van maken. Vervolgens gaat het college beoordelen in hoeverre het meerdere vanuit bijstandsoptiek als verantwoord kan worden beschouwd en vervolgens vrij kan worden gelaten, danwel tot de middelen moet worden gerekend. Dit is de handelwijze zoals die in de oude Participatiewet staat.

 

Aanvullend op deze landelijk geformaliseerde vrijlating worden ook incidentele financiële giften voor een specifieke bestemming vrijgelaten als deze dient voor kosten waarvoor de belanghebbende, zonder de gift, op een vergoeding via de bijzondere bijstand (om niet) of een Wmo-voorziening zou zijn aangewezen. Dat geldt ook voor goederen in natura, die in het kader van bijstandsverlening noodzakelijk zijn. Te denken valt hierbij aan een huishouden met een bijstandsuitkering als inkomen, die een wasmachine of een koelkast van de ouders krijgt. Uiteraard geldt het vorenstaande niet als de belanghebbende de voorgaande drie jaren voor deze kosten heeft kunnen reserveren of in staat is om de komende drie jaren op een geldlening af te lossen. Overigens zou dat ook ten aanzien van de toekenning van bijzondere bijstand om niet een belemmering zijn geweest. Jaarlijks wordt het bedrag van de vrijlating geïndexeerd.

 

Artikel 8

Naast giften en bijstandsbesparende bijdragen wordt een gewonnen prijs in een loterij tot een bedrag van € 1200 vrijgelaten. Hiervoor geldt wel dat een belanghebbende hier melding van moet maken. Tevens is bepaald dat de kosten van loten niet op de opbrengst in mindering mogen worden gebracht. Jaarlijks wordt het bedrag van de vrijlating geïndexeerd.

 

Artikel 9

Ten aanzien van motorvoertuigen in relatie tot het middelenbegrip zijn in dit artikel de reeds geldende afspraken geformaliseerd.

 

Artikel 10

Datzelfde geldt voor reserveringen voor uitvaartkosten.

 

Artikel 11

In incidentele gevallen komt het voor dat bijstandsgerechtigden Inkomstenbelasting terugkrijgen als gevolg van betaalde hypotheekrente. In principe zijn dit middelen die in aanmerking genomen moeten worden, maar aangezien het administratief zeer ingewikkeld is om precies te bepalen welk deel van de teruggaaf betrekking heeft gehad op de betaalde hypotheekrente is hier vastgelegd dat dit vrijgelaten kan worden. De consequentie voor de betrokkenen is wel dat vervolgens geen bijzondere bijstand in de vorm van een woonkostentoeslag eigen woning kan worden toegekend. Een dergelijke toeslag is bedoeld als tegemoetkoming in de kosten van een eigen woning, waaronder onderhoudskosten. Er wordt vanuit gegaan dat een belanghebbende deze onderhoudskosten kan voldoen uit de teruggaaf.

 

Artikel 12

Dit artikel geeft aan dat het college te allen tijde bevoegd is om afwijkend van, of aanvullend op deze beleidsregels kan handelen.

 

Artikel 13 en 14

Deze artikelen behoeven geen nadere toelichting.

Naar boven