Gemeenteblad van West Maas en Waal
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| West Maas en Waal | Gemeenteblad 2025, 471273 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| West Maas en Waal | Gemeenteblad 2025, 471273 | beleidsregel |
Nadere regels Jeugdhulp West Maas en Waal 2025
Nadere regels Jeugdhulp West Maas en Waal 2025
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente West Maas en Waal;
gelet op de Jeugdwet, het Besluit Jeugdwet, de Regeling Jeugdwet, en de Verordening Jeugdhulp en Maatschappelijke ondersteuning West Maas en Waal 2025,
besluit vast te stellen de “Nadere regels Jeugdhulp gemeente West Maas en Waal 2025”.
1. In deze nadere regeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. aanbieder: de rechtspersoon die bedrijfsmatig jeugdhulp doet verlenen onder verantwoordelijkheid van het college;
b. aanvraag: een verzoek van een jeugdige en/of ouder(s) (belanghebbende) om een besluit te nemen;
c. algemeen gebruikelijke voorziening: voorziening die niet speciaal is bedoeld voor mensen met een beperking en die algemeen verkrijgbaar is en niet of niet veel duurder is dan vergelijkbare producten, diensten, activiteiten of andere maatregelen.
d. Algemene voorziening: voorziening op het gebied van jeugd, zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen, niet vallend onder de Jeugdwet. Een algemene voorziening is altijd voorliggend op een voorziening op grond van de Jeugdwet;
e. Budgetbeheerder: wettelijk vertegenwoordiger of gemachtigde van de budgethouder;
f. budgethouder: de persoon die een pgb ontvangt in het kader van de Jeugdwet;
g. dienstverlening: hulp die een persoon, instantie of onderneming biedt aan de jeugdige.
h. hulpvraag: behoefte van een jeugdige of zijn ouders aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de Jeugdwet;
i. individuele voorziening: op de jeugdige of zijn ouders toegesneden jeugdhulpvoorziening die door het college in natura of in de vorm van een persoonsgeboden budget wordt verstrekt;
j. jeugdige: kinderen en jongeren tot 18 jaar;
k. ouder: gezaghebbende ouder, adoptiefouder, stiefouder of een ander die een jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, niet zijnde een pleegouder.
l. persoonsgebonden budget (pgb): budget als bedoeld in artikel 8.1.1 van de Jeugdwet.
m. sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de jeugdige een sociale relatie onderhoudt;
n. tarief of kostprijs: het bedrag dat de gemeente aan een aanbieder moet betalen voor de verstrekking van een voorziening in natura.
o. ten behoeve van beschermd wonen en opvang;
• voor de van toepassing zijnde bepalingen betreffende beschermd wonen en maatschappelijke opvang wordt verwezen naar de bepalingen betreffende beschermd wonen en maatschappelijke opvang in de geldende “Verordening maatschappelijke opvang en jeugdhulp” van de gemeente Nijmegen. Deze bepalingen zijn van toepassing op de uitvoering van beschermd wonen en maatschappelijke opvang in de gemeente West Maas en Waal. Voor de geldende “Verordening en de beleidsregels Maatschappelijke Opvang en Jeugdhulp van de gemeente Nijmegen ” zie de link: https://zoek.officielebekendmakingen.nl
• en voor de geldende Beleidsregels “Maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp van de gemeente Nijmegen ” zie de link: https://zoek.officielebekendmakingen.nl;
p. voorliggende voorziening: algemene voorziening of andere voorziening waarmee aan de hulpvraag wordt tegemoetgekomen.
Hoofdstuk 1: Toegang jeugdhulp via de gemeente
1. Een hulpvraag kan door of namens een jeugdige en ouders bij het college worden gemeld.
2. De melding wordt door het college geregistreerd.
3. Het college bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk, waarbij ook het doel van het onderzoek wordt toegelicht en relevante informatie wordt gegeven.
4. In spoedeisende gevallen treft het college na de melding zo spoedig mogelijk een passende tijdelijke maatregel of vraagt het college een machtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Jeugdwet. Hierbij is altijd sprake van maatwerk.
5. Bij spoedeisende gevallen is altijd sprake van maatwerk.
6. Het college kan in spoedeisende gevallen beoordelen of een inwoner voorrang krijgt op een voorziening.
7. Jeugdigen en ouders kunnen rechtstreeks contact opnemen met een voorliggende voorziening.
1. Het college verzamelt alle voor het onderzoek van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de jeugdige en zijn situatie. Hierbij brengt het college de jeugdige en zijn ouders op de hoogte van de mogelijkheid om binnen een redelijke termijn van zeven dagen, een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet op te stellen. Als de jeugdige en zijn ouders daarom verzoeken, draagt het college zorg voor ondersteuning bij het opstellen van het plan.
2. Voor het onderzoek verschaffen de jeugdige of zijn ouders aan het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover zij redelijkerwijs de beschikking kunnen krijgen.
3. De jeugdige of zijn ouders verstrekken een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage.
4. Het college kan in overleg met de jeugdige of zijn ouders afzien van vooronderzoek als bedoeld in het eerste en tweede lid.
1. Het college onderzoekt vormvrij, maar in ieder geval met behulp van een deskundige van de gemeente en de jeugdige en zijn ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger voor zover nodig:
a. Wat de hulpvraag van de jeugdige of zijn (ouder)s is en wat die hulpvraag heeft doen ontstaan;
b. De behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren, veiligheid, ontwikkeling en gezinssituatie van de jeugdige;
c. Het gewenste resultaat van het verzoek om jeugdhulp;
d. Of sprake is van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptie gerelateerde problemen, en zo ja:
I. Welke problemen of stoornissen dat zijn;
II. Welke ondersteuning, hulp en zorg(aanbieder) naar aard en omvang nodig zijn voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren;
III. Of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouders en de personen die tot hun sociale omgeving behoren toereikend zijn om zelf de nodige ondersteuning, hulp en zorg te kunnen bieden;
e. Het vermogen van de jeugdige of zijn ouders om zelf of met ondersteuning van de naaste omgeving een oplossing voor de hulpvraag te vinden;
f. De mogelijkheden om gebruik te maken van een voorliggende voorziening;
g. De mogelijkheden om een individuele voorziening te verstrekken;
h. De wijze waarop een mogelijk toe te kennen individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, of werk en inkomen;
i. Hoe rekening zal worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders, en de mogelijkheden om te kiezen voor een verstrekking van een pgb, waarbij de jeugdige of zijn ouders in begrijpelijke bewoordingen worden ingelicht over de gevolgen van die keuze.
j. De mogelijkheden om op eigen kracht of met voorliggende voorzieningen de zelfredzaamheid of participatie te verbeteren,
k. de mogelijkheid om met gebruikelijke hulp de zelfredzaamheid of participatie te verbeteren. Hiervoor worden de geldende Beleidsregels Afwegingskader gebruikelijke hulp Jeugdwet gemeente West Maas en Waal aangehouden.
l. De mogelijkheden om met mantelzorg (of met hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk) hun zelfredzaamheid of participatie te verbeteren.
2. Het college informeert de jeugdige of zijn ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger over de gang van zaken tijdens het onderzoek, hun rechten en plichten en de vervolgprocedure en vraagt hen toestemming om hun persoonsgegevens te verwerken.
3. Als de jeugdige en zijn ouders een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet hebben opgesteld, betrekt het college dat als eerste bij het onderzoek, bedoeld in het eerste lid.
4. Het college kan in overleg met de jeugdige of zijn ouders afzien van een onderzoek.
Artikel 5. Het onderzoek, het gezinsplan en de beschikking
1. Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het onderzoek in de vorm van een verslag met afspraken of een gezinsplan.
2. Opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige en zijn ouders worden aan het verslag toegevoegd en maken onderdeel uit van het onderzoek.
a. de jeugdige en zijn ouders met het verslag (en de afspraken daarin) of gezinsplan akkoord gaan, ondertekent de jeugdige en zijn ouders het verslag/gezinsplan. Zij dienen dit verslag/gezinsplan vervolgens in bij het college die het eveneens ondertekent. Daarna kunnen de afspraken worden uitgevoerd;
b. de jeugdige en zijn ouders niet met het verslag (en de afspraken daarin) of gezinsplan akkoord gaat, dan dienen zij een formele aanvraag voor een voorziening in. Op grond van de verzamelde gegevens neemt het college binnen twee weken een beslissing over de aanvraag.
4. Als de jeugdige en zijn ouders het niet met de beschikking eens is, kunnen zij bezwaar aantekenen bij het college.
Artikel 6. Vrij toegankelijke dienstverlening
1. De gemeente stelt bepaalde vormen van dienstverlening beschikbaar, die voor elke inwoner vrij toegankelijk zijn, dat wil zeggen dat hiervoor geen indicatie of verwijzing door een professional nodig is.
2. De volgende vrij toegankelijke voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar:
a. informatie, advies, kortdurende ondersteuning en korte trainingen;
b. de gemeente bepaalt nader de omvang van deze dienstverlening;
c. de gemeente contracteert en/of subsidieert hiervoor een aantal organisaties die deze dienstverlening leveren.
d. Het college neemt over de invulling van de vrij toegankelijke dienstverlening zoals genoemd in lid 2 een nader besluit.
Hoofdstuk 2. Procedure en hoogte van het pgb
Artikel 7. Toetsing motivatie eis, bekwaamheid en kwaliteit
1. Een pgb wordt uitsluitend toegekend op verzoek van de jeugdige en zijn ouders, na een procedure zoals beschreven in hoofdstuk 2.
2. De jeugdige aan wie een pgb wordt verstrekt, moet aan drie voorwaarden voldoen:
a. Motivatie-eis: de jeugdige of zijn ouders stellen zich gemotiveerd op het standpunt dat zij de individuele voorziening die wordt geleverd door een aanbieder, niet passend achten. Hiertoe dient men een pgb-plan in bij de gemeente. Tevens wordt gewaarborgd dat het de beslissing van de aanvrager zelf is om een pgb aan te vragen en dat de aanvrager zich voldoende heeft georiënteerd op de voorzieningen in natura.
b. Bekwaamheid: de jeugdige of zijn ouders zijn naar het oordeel van het college op eigen kracht voldoende in staat tot een redelijke waardering van de belangen ter zake dan wel met hulp uit hun sociale netwerk dan wel van een curator, bewindvoerder, mentor of gemachtigde, in staat de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren.
c. Kwaliteit: naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort en die de jeugdige of zijn ouders van het budget willen betrekken, van goede kwaliteit (veilig, doeltreffend en cliëntgericht) is.
Artikel 8. pgb-plan bij pgb aanvraag
1. De jeugdige of zijn ouders die een aanvraag doen voor een pgb hebben de verplichting een pgb-plan in te dienen bij de aanvraag. Het pgb-plan wordt in het dossier gevoegd en wordt gebruikt bij de beoordeling of de jeugdige in aanmerking komt voor een pgb.
2. De jeugdige of zijn ouders geven - al dan niet tezamen met zijn sociaal netwerk - in het pgb-plan tenminste de volgende onderdelen aan:
a. Welke redenen er zijn om te kiezen voor een pgb in plaats van zorg in natura;
b. Welke ondersteuning de inwoner wil inkopen met het budget, bij welke uitvoerder en hoe deze wordt geëvalueerd;
c. De voorgenomen uitvoerder van de individuele voorziening en de wijze waarop de jeugdhulp georganiseerd wordt;
d. Wat de motivatie is om een aanvraag voor een pgb in te dienen;
e. Hoe de kwaliteit van de ondersteuning is gewaarborgd en duidelijk is dat deze geschikt is voor het doel waarvoor het pgb wordt verstrekt;
f. De kosten van de voorziening, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief;
g. Hoe eventuele meerkosten van de ondersteuning worden bekostigd;
h. Hoe men de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit gaat voeren;
i. Het gewenste resultaat van het verzoek om het pgb;
j. De motivatie aan de hand van de tien punten benoemd in artikel 14 van de verordening jeugdhulp 2025 waaruit blijkt dat de budgethouder of budgetbeheerder in staat is de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren.
Artikel 9. Verantwoording pgb voor diensten
1. Het pgb wordt beheerd door de SVB. De budgethouder dient zich te houden aan de regels die de SVB stelt.
2. Uit het pgb voor diensten mag betaald worden:
a. uurloon van de hulpverlener;
b. reiskosten van de hulpverlener op basis van woon-werkverkeer (max. de hoogte van de bijdrage en de daarbij behorende voorwaarden die zijn vastgesteld door de SVB);
c. vervanging hulpverlener bij ziekte/vakantie van hulpverlener;
d. een feestdagenuitkering van maximaal de geldende hoogte op jaarbasis volgens het SVB.
3. Uit het pgb voor diensten mag, behoudens het bepaalde in het tweede lid onder d, niet betaald worden:
c. kosten voor belangbehartigers of tussenpersonen;
d. administratiekosten zoals kosten voor acceptgiro’s;
e. kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb;
f. kosten die worden gemaakt voor zover het pgb is bestemd voor besteding in het buitenland, tenzij hiervoor expliciet toestemming is gegeven door het college.
4. Het college stelt vast of de budgethouder het pgb voor diensten aan de onder het tweede lid genoemde heeft besteed en vordert het niet daaraan besteedde budget geheel of gedeeltelijk terug.
5. Verantwoording van besteding van het pgb loopt via de SVB. Verantwoording over de kwaliteit, rechtmatigheid en doelmatigheid van de ingekochte diensten en voorzieningen vindt plaats in gesprek met het college. Dit kan plaats vinden tijdens een herindicatie, volgens vooraf gemaakte afspraken of steekproefsgewijs.
6. Bij overlijden van de budgethouder wordt de uitbetaling van het pgb voor diensten per direct beëindigd. Bij afwezigheid van inwonende erfgenamen wordt het reeds uitbetaalde pgb voor de maand van overlijden niet teruggevorderd en wordt geen verantwoordingsformulier opgevraagd.
Artikel 10. Verantwoording PGB voor voorzieningen
1. Het pgb wordt beheerd door de SVB. De budgethouder dient zich te houden aan de regels die de SVB stelt.
2. Een pgb voor voorzieningen mag besteed worden aan:
a. een voorziening waarmee de in de beschikking gestelde doelen worden behaald;
b. wettelijk verplichte verzekeringen.
3. Uit een pgb voor voorzieningen mag niet worden betaald:
c. kosten voor belangbehartigers of tussenpersonen;
d. administratiekosten zoals kosten voor acceptgiro’s;
e. andere zaken die niet bijdragen aan het behalen van de gestelde doelen;
f. kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb;
g. kosten die worden gemaakt voor zover het pgb is bestemd voor besteding in het buitenland, tenzij hiervoor expliciet toestemming is gegeven door het college.
4. Het college stelt vast of de budgethouder het pgb voor een voorziening aan de onder het tweede lid genoemde heeft besteed en vordert het niet daaraan besteedde budget geheel of gedeeltelijk terug.
Artikel 11. Overige voorwaarden betreffende betaalde inzet sociaal netwerk
1. De persoon aan wie een pgb wordt verstrekt kan de jeugdhulp onder de volgende voorwaarden laten uitvoeren door een persoon die behoort tot het sociaal netwerk:
a. deze persoon hanteert hiervoor een tarief dat 50% bedraagt van het laagste toepasselijke tarief per uur of resultaat dat hiervoor zou worden gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde aanbieder, rekening houdend met de Wet minimumloon en minimum vakantiebijdrage en;
b. tussenpersonen of belangenbehartigers worden niet uit het pgb betaald;
2. deze persoon is niet overbelast of dreigt niet overbelast te worden en is voldoende gekwalificeerd om de taken uit te voeren. De inzet van deze persoon levert geen bedreiging van veiligheid op.
Artikel 12. Contra-indicatie pgb
1. Geen persoonsgebonden budget wordt toegekend als de jeugdige niet aan motivatie-eisen, bekwaamheidseisen en kwaliteitseisen voldoet.
2. De opsomming onder lid 1 is niet limitatief. Om een pgb af te wijzen op overwegende bezwaren, moet er enige feitelijke onderbouwing zijn op grond waarvan afgewezen kan worden. De onderbouwing wordt in de beschikking vermeld.
3. Een pgb zal ambtshalve – via een beschikking – worden omgezet worden in natura als:
a. uit twee achtereenvolgende controles is gebleken dat (een deel van) het pgb niet is besteed aan een voorziening die voldoet aan het programma van eisen;
b. na een controle blijkt dat een persoon bij terugvordering van het niet of onjuist bestede deel van het pgb dit deel niet terugbetaalt.
c. Na een controle blijkt dat het pgb niet wordt besteed en ingezet voor de gestelde doelen uit het pgb-plan.
4. Bij beschikking maakt het college bekend wat de omvang van het persoonsgebonden budget is, voor hoeveel jaar het pgb is bedoeld, welke doelen bereikt dienen te worden met besteding van het budget en welke overige afspraken er gemaakt zijn.
Hoofdstuk 3: Calamiteiten en geweld
Artikel 13. Inhoud melding calamiteiten en geweld
1. Een melding door een professional/zorgaanbieder bevat:
a. De dagtekening van de melding;
b. Gegevens over de aanbieder en de betrokken zorgverleners, zoals de naam van de aanbieder, de locatie of de afdeling, de naam en hoedanigheid van de melder, de naam van de betrokken zorgverlener(s);
c. Gegevens over de betrokken jeugdige zoals de naam en de geboortedatum van de jeugdige, geslacht, verblijfplaats;
d. Gegevens over betrokken gemeenten bij de calamiteit (plaats gebeurtenis, vestigingsplaats aanbieder, woonplaats betrokkene)
e. Gegevens over de inhoud van de calamiteit;
f. Informatie over de actuele veiligheid van de jeugdige en eventuele anderen;
g. Informatie over het afhandelen van de calamiteit; hieronder valt ook de informatie of, en zo ja, welke belanghebbenden zijn geïnformeerd over de melding aan de toezichthoudend ambtenaar.
h. Inschatting van de mogelijkheid dat de calamiteit leidt tot maatschappelijke onrust of de mate waarin deze publiciteitsgevoelig is.
2. Een melding door een inwoner geschiedt via het Meldformulier Regionaal Meldpunt Zorg van de Regio Rivierenland. Dit formulier is terug te vinden op: https://www.sociaaldomeinrivierenland.nl/contact/meldformulier-regionaal-meldpunt-zorg/.
3. In geval dat het Meldformulier Regionaal Meldpunt Zorg van de Regio Rivierenland niet digitaal te bereiken is, kan er contact worden opgenomen met de gemeente.
Op verzoek van de toezichthoudende ambtenaar stuurt de aanbieder binnen twee weken na de melding een feitenrelaas over de calamiteit toe aan de toezichthoudend ambtenaar. De toezichthoudend ambtenaar geeft aan uit welke elementen het feitenrelaas moet bestaan.
Artikel 15. Verzoek tot het doen van onderzoek
Op verzoek van de toezichthoudende ambtenaar voert de aanbieder een onafhankelijk onderzoek uit naar de calamiteit. De aanbieder legt binnen drie weken na het verzoek de opzet van het onderzoek aan de toezichthoudende ambtenaar voor en wacht op goedkeuring van de toezichthoudende ambtenaar. Na deze goedkeuring voert de aanbieder het onderzoek uit en stuurt de rapportage binnen uiterlijk zes weken na goedkeuring naar de toezichthoudende ambtenaar. De aanbieder draagt er zorg voor dat de opzet en uitvoering van dit onderzoek van verantwoord niveau zijn.
Hoofdstuk 6 Overige bepalingen
Artikel 16. Kwaliteitseisen Jeugdhulp
Op grond van artikel 16, van de Verordening Maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp West Maas en Waal 2025 stellen we nadere eisen aan de kwaliteit van individuele voorzieningen, zowel van individuele voorzieningen die in natura worden verstrekt als van individuele voorzieningen die als pgb worden verstrekt. Dat doen we in regionaal verband. Binnen de jeugdhulpregio Rivierenland zijn er nieuwe werkafspraken gemaakt over de uitvoering van dienstverlening en over de administratie in relatie tot de dienstverlening.
Artikel 17. Waardering mantelzorgers
Het college laat haar waardering blijken voor mantelzorgers, woonachtig in onze gemeente, door aan hen waardebonnen beschikbaar te stellen. Daarnaast worden mantelzorgers als specifieke groep ondersteund vanuit een mantelzorgsteunpunt, zowel individueel als in groepsverband.
Artikel 18. Inspraak en Medezeggenschap
De Adviesraad Sociaal Domein West Maas en Waal is aangewezen als adviesorgaan van het college. Alvorens zaken op grond van de Jeugdwet, de Verordening Maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp West Maas en Waal of de Nadere regels Jeugdhulp West Maas en Waal worden vastgesteld, zal altijd en tijdig advies worden gevraagd aan de Adviesraad Sociaal Domein West Maas en Waal.
Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de jeugdige afwijken van hetgeen in deze Nadere regels zijn bepaald, indien toepassing daarvan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.
Artikel 21. Inwerkingtreding en citeertitel
1. Deze nadere regels treden in werking op de eerste dag na bekendmaking.
2. De Nadere regels Jeugdhulp West Maas en Waal 2022 worden ingetrokken per datum inwerkingtreding onderhavige nadere regels.
3. Deze nadere regels worden aangehaald als: “Nadere regels Jeugdhulp West Maas en Waal 2025”.
Aldus vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van West Maas en Waal in hun vergadering van 04 maart 2025,
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-471273.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.