Beleidsregel Bijzondere Bijstand gemeente Bergen (L) 2025

Burgemeester en wethouders van Bergen (L);

 

Gelet op het bepaalde in titel 4:3 Algemene wet bestuursrecht;

 

Gelet op het bepaalde in artikel 35 van de Participatiewet;

 

Overwegende dat het wenselijk is beleidsregels vast te stellen voor het beoordelen van bijzondere bijstand;

 

Gelezen het voorstel van 21 oktober 2025;

 

 

BESLUITEN:

 

Vast te stellen de volgende beleidsregel:

 

 

Beleidsregel Bijzondere Bijstand gemeente Bergen (L) 2025

 

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsomschrijving

  • 1.

    Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet en de Algemene wet bestuursrecht.

  • 2.

    Voor de toepassing van deze beleidsregels wordt verstaan onder:

    • a.

      De wet: de Participatiewet;

    • b.

      Het college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen (L);

    • c.

      Bijzondere bijstand: bijstand op grond artikel 35 van de Participatiewet;

    • d.

      Norm: de bijstandsnorm als bedoeld in de Participatiewet, zonder toepassing van de kostendelersnorm artikel 19a en 22a van de wet;

    • e.

      Nibudlijst: lijst van het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting met de normeringen van kostensoorten bijzondere bijstand;

    • f.

      Experimentele behandeling: Een medische behandeling waarvan onvoldoende wetenschappelijk bewijs van goede kwaliteit voorhanden is, waaruit blijkt dat de behandeling veilig en effectief is;

    • g.

      Alfabetische lijst met afkortingen

      • i.

        ANWB: Algemene Nederlandse Wielrijdersbond

      • ii.

        Anw: Algemene Nabestaandewet

      • iii.

        AOW: Algemene Ouderdomswet

      • iv.

        Bbz: Besluit bijstandverlening zelfstandigen

      • v.

        CAV: Collectieve Aanvullende Verzekering

      • vi.

        CBS: Centraal Bureau voor de Statistiek

      • vii.

        CPI: Consumentenprijsindexcijfer

      • viii.

        GMD: Gemeenschappelijk Medische Dienst

      • ix.

        IOAW: Inkomensvoorziening voor Oudere en gedeeltelijk Arbeidsongeschikte Werknemers

      • x.

        IOAZ: Inkomensvoorziening voor Oudere en gedeeltelijk Arbeidsongeschikte gewezen Zelfstandigen

      • xi.

        IOW: Inkomensvoorziening Oudere Werklozen

      • xii.

        ISK-school: Internationale SchakelKlas

      • xiii.

        Msnp: Minnelijke schuldsaneringsregeling

      • xiv.

        PW: Participatiewet

      • xv.

        VEH: Vereniging Eigen Huis

      • xvi.

        Vtlb: Vrij te laten bedrag in het kader van een schuldregeling Msnp of Wsnp

      • xvii.

        Wajong: Wet werk en arbeidsondersteuning Jonggehandicapten

      • xviii.

        WAZ: Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen

      • xix.

        WAO: Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering

      • xx.

        Wgs: Wet gemeentelijke schuldhulpverlening

      • xxi.

        WIA: Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen

      • xxii.

        Wsnp: wettelijke schuldsaneringsregeling

Artikel 2 Normering en indexering

  • 1.

    Voor de berekening van de (meer)kosten wordt uitgegaan van de Nibudlijst, tenzij anders aangegeven.

  • 2.

    Voor de bedragen die niet automatisch geïndexeerd worden, geldt dat ze jaarlijks met ingang van 1 januari worden geïndexeerd met het gemiddelde CPI dat door het CBS jaarlijks wordt vastgesteld.

     

§ 1.2 Recht op bijzondere bijstand

Artikel 3 Moment indiening aanvraag bijzondere bijstand (B062)

  • 1.

    Bijzondere bijstand kan worden aangevraagd tot 3 maanden nadat de kosten zijn opgekomen.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid geldt dit niet voor:

    • a.

      duurzame gebruiksgoederen en overige inrichtingskosten;

    • b.

      verhuiskosten;

  • 3.

    Voor kosten als bedoeld in het tweede lid geldt artikel 44 lid 1 van de Participatiewet.

     

§ 1.3 Hoogte en vorm van de bijstand

Artikel 4 In aanmerking te nemen middelen (B137)

  • 1.

    Het inkomen en het vermogen worden in aanmerking genomen overeenkomstig de artikelen 31 t/m 34 van de Participatiewet en de toepasselijke ‘beleidsregel middelentoets’ die zijn vastgesteld ten behoeve van de uitvoering van de Participatiewet, algemene bijstand.

  • 2.

    Buiten beschouwing voor de vermogenstoepassing blijven:

    • a.

      Het vermogen tot de bescheiden vermogensgrens conform artikel 34, lid 3 van de Participatiewet;

    • b.

      Het vermogen uit de eigen woning en overige vermogensbestanddelen anders dan banktegoeden en/of spaargelden, conform artikel 34 lid 2 van de Participatiewet;

  • 3.

    Bij onregelmatige inkomsten is het gemiddelde inkomen in de drie maanden voorafgaande aan de maand van de aanvraag bepalend.

Artikel 5 Draagkrachtpercentages (B063)

  • 1.

    Bij draagkracht uit inkomen geldt als uitgangspunt dat een inkomen tot 120% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm als draagkrachtloos inkomen wordt beschouwd.

  • 2.

    Bij de vergoeding van kosten voor bewindvoering, budgetbeheer, woonkostentoeslag is het draagkrachtloos inkomen vastgesteld op 100% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm.

  • 3.

    Bij de bepaling van de draagkracht wordt 35% van de inkomsten voor zover die meer bedragen dan 120% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm aangemerkt als draagkracht.

  • 4.

    Draagkracht uit vermogen wordt enkel in aanmerking genomen voor zover het vermogen de grens van het vrij te laten bescheiden vermogen op grond van de Participatiewet overschrijdt.

  • 5.

    Afwijkende draagkrachtberekening bij een schuldsaneringsregeling Msnp of Wsnp:

    • a.

      Bij huishoudens van alleenstaanden en eenoudergezinnen, en bij huishoudens ten aanzien van wie een schuldsaneringsregeling voor beide partners op grond van de Wsnp is uitgesproken of die tot een Msnp traject op grond van de Wgs zijn toegelaten, wordt de draagkracht op nul vastgesteld.

    • b.

      Bij huishoudens met twee partners ten aanzien van wie een schuldsaneringsregeling voor één partner op grond van de Wsnp is uitgesproken of waarbij één partner tot de een Msnp traject op grond van de Wgs is toegelaten, wordt voor de bepaling van de draagkracht van de betreffende partner uitgegaan van het Vtlb.

Artikel 6 Draagkrachtperiode (B064)

  • 1.

    Incidentele bijzondere bijstand

    • a.

      De draagkracht wordt berekend over een periode van 3 maanden vanaf de eerste dag van de maand waarin het recht op bijzondere bijstand ontstaat en wordt in één keer met de bijzondere bijstand verrekend.

    • b.

      Ten aanzien van aanvragen met terugwerkende kracht geldt dat de draagkrachtperiode start bij de eerste van de maand waarin de kosten zijn opgekomen.

  • 2.

    Periodieke bijzondere bijstand

    • a.

      De draagkracht wordt berekend over de periode vanaf de eerste dag van de maand waarin het recht op bijzondere bijstand ontstaat, tot de maand waarin de kosten zich niet meer voordoen, met een maximum van 12 maanden.

    • b.

      De draagkracht wordt berekend naar rato van het aantal maanden van de periode waarop de bijzondere bijstand betrekking heeft.

    • c.

      Ten aanzien van aanvragen met terugwerkende kracht geldt dat het draagkrachtjaar start bij de eerste van de maand waarop de kosten zijn opgekomen.

  • 3.

    Bij samenloop wordt de draagkracht het eerst in mindering gebracht op de incidentele kosten. De resterende draagkracht wordt in mindering gebracht op de periodieke kosten.

  • 4.

    Bij samenloop wordt de draagkracht uit vermogen het eerst verrekend en daarna de draagkracht uit inkomen.

  • 5.

    Heronderzoeksperiode:

    • a.

      Voor personen met (aanvullende) bijstand voor de kosten van het levensonderhoud op grond van de Participatiewet wordt de draagkrachtperiode in beginsel vastgesteld voor bepaalde tijd met een maximum van 12 maanden;

    • b.

      Voor personen die een uitkering ontvangen op grond van de IOAW, IOAZ, IOW, Bbz, Wajong, WIA, WAZ, WAO, Anw en/of AOW, die niet over draagkracht beschikken, de draagkrachtperiode in beginsel wordt vastgesteld voor de duur van 12 maanden.

Artikel 7 Wijzigingen draagkracht tijdens draagkrachtperiode (B065)

  • 1.

    Bij incidentele bijzondere bijstand:

    • a.

      leidt wijziging in het inkomen tijdens het draagkrachtjaar niet tot een nieuwe vaststelling van de draagkracht, tenzij het om een daling gaat.

    • b.

      leidt overschrijding van het vermogen boven de vermogensgrens tijdens het draagkracht jaar niet tot een nieuwe vaststelling van de draagkracht en een nieuw draagkrachtjaar.

  • 2.

    Bij periodieke bijzondere bijstand leidt wijziging in het inkomen -anders dan gebruikelijke indexeringen- en overschrijding van het vermogen boven de bescheiden vermogensgrens tijdens het draagkrachtjaar tot een herziening van de vastgestelde draagkracht waarbij de draagkrachtperiode blijft staan.

Hoofdstuk 2 Bijzondere bijstand

§ 2.1 Personen die in een inrichting verblijven

Artikel 8 Bijzondere bijstand voor vaste lasten tijdens verblijf in inrichting (B058)

  • 1.

    Kosten om de woning aan te houden bij tijdelijk verblijf in een inrichting worden aangemerkt als bijzonder noodzakelijke kosten van het bestaan, om te voorkomen dat belanghebbende dakloos wordt bij ontslag uit de inrichting.

  • 2.

    Bijzondere bijstand wordt verleend tot einde verblijf in inrichting maar niet langer dan 6 maanden gerekend vanaf de datum zoals vastgesteld conform het derde lid.

  • 3.

    Bijzondere bijstand wordt verstrekt vanaf het moment dat de algemene bijstandsnorm wijzigt naar de norm verblijf in een inrichting.

  • 4.

    Bijzondere bijstand kan worden verstrekt voor de volgende (onvermijdelijke) kosten:

    • a.

      Huurwoning:

      • i.

        Huur, minus de huurtoeslag;

      • ii.

        Vastrecht gas, licht en water.

    • b.

      Eigen woning:

      • i.

        Rente en aflossing hypotheek, minus hypotheekaftrek;

      • ii.

        Vastrecht gas, licht en water;

      • iii.

        Rioolrechten;

      • iv.

        Eigenaarsdeel van de waterschapslasten;

      • v.

        Eigenaarsdeel van de onroerendezaakbelastingen;

      • vi.

        Brand- en opstalverzekering;

    • c.

      De vaste abonnementskosten voor internet en tv;

    • d.

      De woonkostentoeslag wordt berekend aan de hand van de kostenposten onder b. onder aftrek van de draagkracht op grond als bedoeld in het vijfde lid.

  • 5.

    De draagkracht als bedoeld in dit artikel is 100% van het inkomen boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm en wordt vastgesteld met inachtneming van de beleidsrichtlijnen op grond van artikel 5 (draagkrachtpercentages) en artikel 6 draagkrachtperiode).

     

§ 2.2 Medische kosten: algemeen

Artikel 9 Collectieve Aanvullende Zorgverzekering (B070)

  • 1.

    Via de gemeente kan worden deelgenomen aan de collectieve aanvullende zorgverzekering; deelname is niet verplicht.

  • 2.

    De gemeente verstrekt (maximaal) € 25,- per maand als (gedeeltelijke) compensatie aan premie-bijdrage voor de aanvullende zorgverzekering;

  • 3.

    Inwoners met een inkomen tot maximaal 120% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm kunnen toegelaten worden tot de collectieve aanvullende zorgverzekering. Het vermogen blijft volledig buiten beschouwing.

  • 4.

    Het inkomen wordt getoetst in het kalenderjaar waarin de verzekerde door de zorgverzekeraar in de collectieve aanvullende verzekering is toegelaten.

  • 5.

    Wanneer uit toetsing blijkt dat het inkomen te hoog is, wordt de collectieve aanvullende verzekering met ingang van de daaropvolgende maand beëindigd.

Artikel 10 Overig beleid inzake medische kosten (B074)

  • 1.

    De zorgverzekeringswet is in beginsel een passende en toereikende voorliggende voorziening voor de medische kosten, daarom verstrekt het college in beginsel geen bijzondere bijstand voor medische kosten.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid verstrekt het college wel bijzondere bijstand voor medische kosten, indien de belanghebbende is opgenomen in een Msnp of Wsnp traject en zich niet aanvullend kan verzekeren.

  • 3.

    In aanvulling op het tweede lid onder b is de bijzondere bijstand in medische kosten nooit hoger dan de normbedragen en/of het aantal behandelingen zoals opgenomen in de CAV.

  • 4.

    De vergoeding waar belanghebbende recht op heeft op basis van zijn of haar huidige verzekering wordt in mindering gebracht op de vergoeding bijzondere bijstand.

  • 5.

    Experimentele behandelingen komen niet voor vergoeding in aanmerking.

  • 6.

    Het verplichte eigen risico komt niet voor vergoeding in aanmerking.

Artikel 11 Dieetkosten (B151)

  • 1.

    Voor dieetkosten is bijstand mogelijk als de inwoner om medische redenen is aangewezen op een bepaald dieet én als deze kosten meer bedragen dan de normale kosten voor voeding.

  • 2.

    Voor de normale kosten van voeding wordt uitgegaan van de bedragen van het Nibud.

  • 3.

    Bij de berekening van de vergoeding wordt het bedrag welke kan worden teruggevraagd bij de belastingdienst in mindering gebracht.

     

§ 2.3 Begrafenis en crematie (uitvaartkosten)

Artikel 1 Uitvaartkosten (B075)

  • 1.

    Uitvaartkosten voor een uitvaart die in Nederland plaatsvindt en die niet (volledig) uit de nalatenschap en/of een uitvaartverzekering kunnen worden voldaan, worden aangemerkt als bijzondere noodzakelijke kosten van het bestaan, wanneer de belanghebbende verantwoordelijk is voor de kosten van uitvaart of hierop wordt aangesproken in het kader van de wet op de lijkbezorging.

  • 2.

    Bij de vaststelling van de hoogte van de noodzakelijke kosten voor uitvaart wordt de norm voor reservering van de uitvaartkosten bij vermogensvaststelling op grond van de ‘beleidsregels middelentoets’ gehanteerd;

  • 3.

    Als de belanghebbende de nalatenschap heeft verworpen heeft hij geen recht op bijzondere bijstand voor uitvaartkosten.

  • 4.

    Erfgenamen kunnen alleen voor hun erfdeel in aanmerking komen voor vergoeding van de uitvaartkosten.

  • 5.

    De bijzondere bijstand voor uitvaartkosten wordt als geldlening verstrekt als uit de nalatenschap blijkt dat er sprake is van vermogen dat niet direct te gelde kan worden gemaakt.

     

§ 2.4 Bewindvoering, mentor, curatele en rechtsbijstand

Artikel 13 Mentorschap (B0165)

  • 1.

    Kosten van mentorschap worden aangemerkt als bijzonder noodzakelijke kosten van bestaan, wanneer het mentorschap is toegewezen door de rechtbank.

  • 2.

    De hoogte van de bijzondere bijstand bedraagt maximaal de door de rechtbank toegewezen beloning voor mentorschap.

  • 3.

    Voor kosten van budgetbeheer geldt dat lokaal budgetbeheer, budgetbeleiding of budgetcoaching voorliggende voorzieningen zijn, voor zover deze passend zijn.

Artikel 14 Curatele (B077)

  • 1.

    Kosten van curatele worden aangemerkt als bijzonder noodzakelijke kosten van bestaan, wanneer de onder curatele stelling is toegewezen door de rechtbank.

  • 2.

    De hoogte van de bijzondere bijstand bedraagt maximaal de door de rechtbank toegewezen beloning voor onder curatele stelling.

  • 3.

    Voor kosten van budgetbeheer geldt dat lokaal budgetbeheer, budgetbeleiding of budgetcoaching voorliggende voorzieningen zijn, voor zover deze passend zijn.

Artikel 15 Bewind (B076)

  • 1.

    Kosten van onder bewind stelling worden aangemerkt als bijzonder noodzakelijke kosten van bestaan, wanneer de onder bewind stelling is toegewezen door de rechtbank.

  • 2.

    Bij de vergoeding van kosten voor bewindvoering, is het draagkrachtloos inkomen vastgesteld op 100% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm.

  • 3.

    De hoogte van de bijzondere bijstand bedraagt maximaal de door de rechtbank toegewezen beloning voor onder bewind stelling.

  • 4.

    Voor kosten van budgetbeheer geldt dat lokaal budgetbeheer, budgetbeleiding of budgetcoaching voorliggende voorzieningen zijn, voor zover deze passend zijn.

  • 5.

    De kosten voor het beheer van een PGB worden beoordeeld als noodzakelijke kosten, als belanghebbende aannemelijk maakt dat hij is aangewezen op zorg in de vorm van een PGB.

Artikel 16 Rechtsbijstand (B078)

  • 1.

    Kosten van eigen bijdrage rechtsbijstand en griffierecht worden aangemerkt als bijzonder noodzakelijke kosten van bestaan, indien rechtsbijstand is of wordt verleend op grond van een toevoeging krachtens de Wet op de rechtsbijstand.

  • 2.

    Wanneer de belanghebbende in aanmerking kan komen voor de wettelijke korting op de eigen bijdrage rechtsbijstand, wordt met deze korting rekening gehouden.

     

§ 2.5 Jongeren van 18 tot en met 20 jaar

Artikel 17 Jongeren in een inrichting (B080)

  • 1.

    De kosten van levensonderhoud van 18- tot en met 20-jarigen die in een inrichting verblijven en die geen of onvoldoende beroep kunnen doen op hun ouders voor de noodzakelijke kosten van het bestaan, op basis van artikel 12 van de Participatiewet, worden aangemerkt als bijzonder noodzakelijke kosten van levensonderhoud.

  • 2.

    Een 18- tot en met 20-jarige kan in ieder geval geen of onvoldoende beroep op de zorgplicht van de ouders doen als een van de volgende situaties zich voordoet:

    • a.

      De onderhoudsplichtige ouder of ouders zijn overleden;

    • b.

      De jongere in het kader van de Jeugdwet buiten het gezinsverband van de ouder of ouders is geplaatst;

    • c.

      De ouders onvindbaar of niet bereikbaar zijn;

    • d.

      Er sprake is van een ernstig verstoorde relatie met de ouder(s).

  • 3.

    De hoogte van de bijzondere bijstand wordt als volgt vastgesteld: de hoogte van de bijzondere bijstand (artikel 12 PW) wordt afgeleid van de normen algemene bijstand die gelden voor personen van 21 jaar of ouder die in een inrichting verblijven, te weten: 75% van de norm van artikel 23 lid 1 onderdeel a van de participatiewet, vermeerderd met het bedrag genoemd in artikel 23 lid 2 onderdeel a van de wet. Er wordt geen vakantietoeslag uitgekeerd.

Artikel 18 Jongeren niet in een inrichting (B079)

  • 1.

    De meerkosten van levensonderhoud van 18- tot en met 20-jarigen die niet in een inrichting verblijven en die geen of onvoldoende beroep kunnen doen op hun ouders voor de noodzakelijke kosten van het bestaan, worden aangemerkt als bijzonder noodzakelijke kosten van levensonderhoud.

  • 2.

    Een 18- tot en met 20-jarige kan in ieder geval geen of onvoldoende beroep op de zorgplicht van de ouders doen als een van de volgende situaties zich voordoet:

    • a.

      De onderhoudsplichtige ouder of ouders zijn overleden;

    • b.

      De jongere in het kader van de Jeugdwet buiten het gezinsverband van de ouder of ouders is geplaatst;

    • c.

      De ouders onvindbaar of niet bereikbaar zijn;

    • d.

      Er sprake is van een ernstig verstoorde relatie met de ouder(s).

  • 3.

    De hoogte van de bijzondere bijstand wordt als volgt vastgesteld: De algemene bijstand voor jongeren van 18 tot en met 20 jaar wordt aangevuld met bijzondere bijstand voor levensonderhoud, zodat de hoogte van de totale bijstandsuitkering (norm algemene bijstand + bijzondere bijstand) niet méér bedraagt dan de bijstandsuitkering die in een vergelijkbare situatie geldt voor personen van 21 jaar of ouder.

  • 4.

    In afwijking van lid 3 wordt de bijzondere bijstand lager vastgesteld indien er sprake is van:

    • a.

      kostendeling;

    • b.

      ontbrekende woonlasten;

    • c.

      recente beëindiging van een opleiding, op basis van artikel 28.

    Het bedrag van de verlaging wordt op de bijzondere bijstand in mindering gebracht.

     

§ 2.6 Reiskosten

Artikel 19 Detentie – reiskosten i.v.m. bezoek aan gedetineerde (B014)

  • 1.

    Reiskosten worden aangemerkt als bijzonder noodzakelijke kosten van het bestaan indien een belanghebbende:

    • a.

      Reiskosten maakt in verband met een bezoek aan een partner, minderjarige kinderen en/of familieleden tot en met de 1e graad die in detentie verblijft; én;

    • b.

      De reisafstand van het traject van thuis naar het verblijfadres van partner, minderjarige kinderen en/of familieleden tot en met de de 1e graad meer bedraagt dan 10 kilometer enkele reis.

  • 2.

    De hoogte van de bijzondere bijstand is gebaseerd op basis van kosten openbaar vervoer tweede klas, indien men reist met het openbaar vervoer.

  • 3.

    In afwijking van het tweede lid bedraagt, indien reizen met openbaar vervoer niet mogelijk of wenselijk is en met eigen vervoer wordt gereisd, de tegemoetkoming € 0,23 per kilometer per dag en wordt de reisafstand gemeten van postcode woonadres en huisnummer tot postcodelocatie en huisnummer aan de hand van de ANWB-routeplanner, snelste route.

  • 4.

    De vaststelling van de frequentie van het aantal bezoeken is een maatwerkbeoordeling.

  • 5.

    De Dalvrij Reizen Pas via Arriva, welke door de provincie beschikbaar gesteld wordt aan minima met een inkomen tot en met bijstandsniveau, wordt gezien als voorliggende voorziening.

Artikel 20 Reiskosten woon-werkverkeer (verwervingskosten) (B089)

  • 1.

    Reiskosten ten behoeve van het inburgeringstraject worden aangemerkt als bijzondere noodzakelijke kosten, onder de voorwaarden dat:

    • a.

      Er geen vergelijkbare passende voorziening dichterbij is.

    • b.

      De reisafstand verder is dan 10 km vanaf het woonadres van de belanghebbende. Hiervan kan worden afgeweken wanneer het op grond van bijzondere omstandigheden onmogelijk is om te fietsen.

    • c.

      Vervoerkosten voor inburgeringstrajecten: de vervoersbewijzen worden overgelegd of een bewijs van de onderwijsinstelling, dat de belanghebbende de lessen inderdaad heeft bezocht (bijv. een presentielijst).

  • 2.

    De reiskosten van kinderen van en naar de ISK-school worden aangemerkt als bijzondere noodzakelijke kosten, onder de voorwaarden:

    • a.

      Dat de fietsafstand verder is dan 15 km vanaf het woonadres van de belanghebbende, en/of aan onderstaande voorwaarden wordt voldaan;

      • i.

        het kind geen beschikking heeft over een fiets;

      • ii.

        het kind (fysiek) niet in staat is om te fietsen;

      • iii.

        iii het kind zich onvoldoende kan oriënteren in de ruimte om de weg naar en van school zelfstandig te fietsen; en

      • iv.

        iv het kind de verkeersregels onvoldoende kent;

  • 3.

    De hoogte van de bijzondere bijstand is gebaseerd op basis van kosten openbaar vervoer tweede klas, indien men reist met het openbaar vervoer.

  • 4.

    In afwijking van het tweede lid bedraagt, indien reizen met openbaar vervoer niet mogelijk of wenselijk is en met eigen vervoer wordt gereisd, de tegemoetkoming € 0,23 per kilometer per dag en wordt de reisafstand gemeten van postcode woonadres en huisnummer tot postcodelocatie en huisnummer aan de hand van de ANWB-routeplanner, snelste route.

  • 5.

    De Dalvrij Reizen Pas via Arriva, welke door de provincie beschikbaar gesteld wordt aan minima met een inkomen tot en met bijstandsniveau wordt gezien als voorliggende voorziening.

     

§ 2.7 Woonkosten: incidenteel

Artikel 21 Eerste maand huur en administratiekosten (B103)

De kosten voor de eerste maand huur van een nieuwe woning ten gevolge van een noodzakelijke verhuizing worden aangemerkt als bijzonder noodzakelijke kosten van het bestaan en worden om niet verstrekt.

Artikel 22 Inrichtingskosten (duurzame gebruiksgoederen) (B101)

  • 1.

    Kosten van woninginrichting worden aangemerkt als incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan.

  • 2.

    De noodzakelijke kosten van woninginrichting komen alleen voor vergoeding vanuit de bijzondere bijstand in aanmerking wanneer de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.

  • 3.

    De kosten bij een volledige inrichting van een woning worden bepaald op maximaal 50% van de (geïndexeerde) Nibud normen.

  • 4.

    De bijzondere bijstand in inrichtingskosten wordt in beginsel verstrekt in de vorm van een lening.

  • 5.

    Indien na 36 periodes van de aflossing de lening nog niet volledig is afgelost en men heeft zich aan de gemaakte afspraken gehouden, wordt het resterende deel van de lening kwijtgescholden.

     

§ 2.8 Woonkosten: periodiek

Artikel 23 Berekening woonkostentoeslag huurders (B145)

  • 1.

    Huurwoningen

    • a.

      Woonkosten tot de grens van de huurtoeslag

      • i.

        Woonkosten voor huurders worden aangemerkt als bijzondere kosten wanneer belanghebbende onvoldoende draagkracht heeft om de volledige woonkosten zelf te dragen én een woning bewoont, waarvan de hoogte van de woonkosten geen belemmering vormt voor de toekenning van huurtoeslag op grond van de Wet op de huurtoeslag, maar hij door omstandigheden buiten zijn schuld geen aanspraak kan maken op deze toeslag.

      • ii.

        De woonkostentoeslag is gelijk aan de aanspraak op grond van de Wet op de huurtoeslag onder aftrek van de draagkracht als bedoeld in artikel 5.

    • b.

      Woonkosten boven de grens van de huurtoeslag

      • i.

        Meerkosten van huur die boven de huurgrens uitstijgen, worden aangemerkt als bijzondere kosten wanneer belanghebbende door omstandigheden buiten zijn schuld in redelijkheid niet kan beschikken over een huurwoning met een huur onder de huurgrens.

      • ii.

        Indien een beroep op de hardheidsclausule in de Wet op de huurtoeslag gedaan wordt, kan als uitgangspunt geen woonkostentoeslag verleend worden, omdat daarmee de grondslag voor de hardheidsclausule vervalt. Wel kan in een dergelijke situatie een geldlening verstrekt worden omdat de verwachting is dat belanghebbende op korte termijn over de huurtoeslag op grond van de hardheidsclausule kan beschikken.

  • 2.

    De draagkracht als bedoeld in dit artikel is 100% van het inkomen boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm en wordt vastgesteld met inachtneming van Artikel 6 (Draagkrachtperiode) en Artikel 7 (Wijziging Draagkracht tijdens de draagkrachtperiode).

  • 3.

    Er wordt gedurende maximaal 12 maanden een woonkostentoeslag verstrekt. Gedurende dit jaar geldt er een verhuisplicht.

  • 4.

    De periode en verhuisplicht in het derde lid kunnen worden verlengd, wanneer het belanghebbende niet te verwijten valt dat er in die periode geen geschikte woning is gevonden.

Artikel 24 Berekening woonkostentoeslag eigenaren (B146)

  • 1.

    Woningen in eigendom

    • a.

      Woonkosten van eigendomswoningen worden aangemerkt als bijzondere kosten wanneer de belanghebbende een eigen woning bewoont, waarvan de woonkosten zijn draagkracht overschrijden én hij buiten zijn schuld om niet kan beschikken over een (financieel) passende woning.

    • b.

      Als woonkosten eigen woning worden aangemerkt:

      • i.

        De ten behoeve van de financiering van de woning verschuldigde hypotheek-rente minus de hypotheekrenteaftrek;

      • ii.

        Rioolrechten;

      • iii.

        Eigenaarsdeel van de onroerendezaakbelastingen;

      • iv.

        Brand- en opstalverzekering;

      • v.

        Eigenaarsdeel van de waterschapslasten;

      • vi.

        Onderhoud eigen woning conform (maximaal) de norm voor gemiddelde onderhoudskosten van de VEH.

    • c.

      De woonkostentoeslag wordt berekend aan de hand van de kostenposten onder b. onder aftrek van de draagkracht op grond als bedoeld in het tweede lid 2.

  • 3.

    De draagkracht als bedoeld in dit artikel is 100% van het inkomen boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm en wordt vastgesteld met inachtneming van Artikel 6 (Draagkrachtperiode) en Artikel 7 (Wijziging Draagkracht tijdens de draagkrachtperiode).

  • 4.

    Er wordt gedurende maximaal 12 maanden een woonkostentoeslag verstrekt. Gedurende dit jaar geldt er een verhuisplicht.

  • 5.

    De periode en verhuisplicht in het vierde lid kunnen worden verlengd, wanneer het belanghebbende niet te verwijten valt dat er in die periode geen geschikte woning is gevonden.

Artikel 25 Kosten kinderopvang (verwervingskosten) (B100)

De kosten van de eigen bijdrage kinderopvang van uitkeringsgerechtigden die uitstromen naar betaald werk worden aangemerkt als bijzondere kosten.

Hoofdstuk 3 Vormen van bijstand

Artikel 26 Looptijd leenbijstand (B109)

Bij 36 maanden aflossing op de geldlening wordt de restantlening kwijtgescholden.

Artikel 27 Hoogte aflossing leenbijstand (B110)

De hoogte van het maandelijkse aflossingsbedrag bedraagt nooit meer dan 5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm.

Artikel 28 Aanpassing aflossing leenbijstand (B112)

Bij een samenloop van meerdere leningen, worden de beide leningen én de periode van aflossing teruggebracht naar één lening met één aflossingsverplichting van 36 maanden.

Artikel 29 Rente over leenbijstand (B113)

Wanneer bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening wordt verstrekt is geen rente verschuldigd.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 30 Algemeen overgangsrecht

  • 1.

    Besluiten, genomen krachtens de eerdere richtlijnen bijzondere bijstand en die gelden op het moment van inwerkingtreding van deze beleidsregels blijven van kracht tot aan het moment dat zij van rechtswege vervallen, worden ingetrokken of beëindigd. Er wordt geen bijzondere bijstand teruggevorderd of nabetaald.

  • 2.

    Deze beleidsregels zijn van toepassing op nieuwe aanvragen bijzondere bijstand waarbij de ingangsdatum van het draagkrachtjaar op of na de datum van inwerkingtreding van deze beleidsregels start.

  • 3.

    Deze beleidsregels zijn (met uitzondering van de artikelen die samenhangen met de draagkrachtberekening) voorts van toepassing op nieuwe aanvragen bijzondere bijstand waarbij het draagkrachtjaar is aangevangen voor de inwerkingtreding van deze beleidsregels.

  • 4.

    Dit geldt niet op het moment dat wordt vastgesteld dat er sprake is van een wijziging in de draagkracht na de inwerkingtreding van deze beleidsregels. In dat geval leidt deze wijziging tot een nieuw draagkracht besluit. Hierbij zijn ook de artikelen van toepassing die samenhangen met de draagkrachtberekening in deze beleidsregels.

Artikel 31 Inwerkingtreding

Deze beleidsregels treden in werking met ingang van 1 november 2025.

Artikel 32 Citeertitel

Deze beleidsregels worden aangehaald als de “Beleidsregels Bijzonder Bijstand gemeente Bergen (L) 2025”

Bergen (L), 21 oktober 2025

Burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen (L),

H.H.M. Timmermans

Secretaris

M.H.D. Rauner

Burgemeester

Naar boven