Gemeenschappelijke regeling Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst Zeeland 2025

INHOUDSOPGAVE

 

Preambule

Hoofdstuk 1: Algemene Bepalingen

Artikel 1: Begripsomschrijvingen

Artikel 2: Openbaar lichaam

Artikel 3: Belang

Artikel 4: Bestuursorganen

 

Hoofdstuk 2: Belang, taken en bevoegdheden

Artikel 5: Taken en bevoegdheden

Artikel 5a: Taken en bevoegdheden in het kader van de Jeugdwet

Artikel 6: Bezwaar en beroep

Artikel 7: Klachtrecht

 

Hoofdstuk 3: Het algemeen bestuur

Artikel 8: Samenstelling

Artikel 9: Bevoegdheden

Artikel 10: Werkwijze

Artikel 11: Besloten vergadering

 

Hoofdstuk 4: Het dagelijks bestuur

Artikel 12: Samenstelling

Artikel 13: Einde lidmaatschap

Artikel 14: Werkwijze

Artikel 15: Taak

 

Hoofdstuk 5: De voorzitter

Artikel 16: Benoeming en taak

 

Hoofdstuk 6: De directeuren

Artikel 17: Functie, benoeming en taak

 

Hoofdstuk 7: Inlichtingen, verantwoording en ontslag

Artikel 18: Intern

Artikel 19: Informatieverstrekking door het algemeen en dagelijks Bestuur en de voorzitter

Artikel 20: Informatieverstrekking door individuele leden van het Algemeen bestuur

 

Hoofdstuk 8: Het personeel

Artikel 21: Personeel

 

Hoofdstuk 9: Financiële bepalingen

Artikel 22: Begrotingsprocedure

Artikel 23: Bijdragen van de gemeenten

Artikel 23a: Administratie, bijdragen en informatievoorziening Jeugdhulp

Artikel 24: Reserve

Artikel 25: Jaarstukken

 

Hoofdstuk 10: Het archief en informatieveiligheid

Artikel 26: Archief

Artikel 27: Informatieveiligheid

Artikel 28: Participatie

 

Hoofdstuk 11: Toetreding, uittreding, wijziging, geschillen en ontbinding

Artikel 29: Toetreding en uittreding

Artikel 30: Procedure voor vaststelling uittredingsplan

Artikel 31: Te vergoeden kosten, de uittreedsom

Artikel 32: Verplichtingen uittreder

Artikel 33: Wijziging

Artikel 34: Geschillen

Artikel 35: Ontbinding en liquidatie

 

Hoofdstuk 12: Slotbepalingen

Artikel 36: Overgangsbepaling

Artikel 37: Inwerkingtreding

Artikel 38: Evaluatie

Artikel 39: Titel

 

GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING

 

De colleges van de gemeenten Borsele, Goes, Hulst, Kapelle, Middelburg, Noord-Beveland, Reimerswaal, Schouwen-Duiveland, Sluis, Terneuzen, Tholen, Veere en Vlissingen voor zover zij bevoegd zijn;

 

Overwegende dat de colleges op grond van artikel 14, lid 1 en 2, van de Wet Publieke Gezondheid verplicht zijn een gemeenschappelijke regeling te treffen, waarbij een openbaar lichaam wordt ingesteld met de aanduiding: gemeenschappelijke gezondheidsdienst;

 

 

Gehoord de gemeenteraad op ……..

 

Gelet op de Wet gemeenschappelijke regelingen, de Gemeentewet, de Wet publieke gezondheid, de Wet veiligheidsregio’s, de Wet op de lijkbezorging, de Wet Kinderopvang, de Jeugdwet en de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

 

Besluiten:

 

als volgt te wijzigen de volgende gemeenschappelijke regeling: Gemeenschappelijke regeling Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst Zeeland 2025.

 

HOOFDSTUK 1: ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1: Begripsomschrijvingen

  • 1.

    Deze regeling verstaat onder:

    • a)

      de Gemeenschappelijke regeling Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst: het openbaar lichaam, als bedoeld in artikel 2;

    • b)

      Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst Zeeland: het organisatieonderdeel van het openbaar lichaam als bedoeld in artikel 2, dat de taken uitvoert en bevoegdheden uitoefent als beschreven in artikel 6 van deze regeling, verder hierna te noemen GGD Zeeland;

    • c)

      Inkooporganisatie Jeugdhulp Zeeland: het organisatieonderdeel van het openbaar lichaam als bedoeld in artikel 2, dat de taken uitvoert en bevoegdheden uitoefent als beschreven in artikel 6a van deze regeling, verder hierna te noemen IJZ;

    • d)

      Jeugdhulp: jeugdhulp zoals omschreven in artikel 1.1 van de Jeugdwet;

    • e)

      Jeugdreclassering: jeugdreclassering zoals omschreven in artikel 1.1 van de Jeugdwet;

    • f)

      Veilig Thuis: het organisatieonderdeel van het openbaar lichaam als bedoeld in artikel 2,dat de taken uitvoert en bevoegdheden uitoefent als het advies- en meldpunt voor huiselijk geweld en kindermishandeling in Zeeland;

    • g)

      Kinderbeschermingsmaatregelen: kinderbeschermingsmaatregelen zoals omschreven in artikel 1.1 van de Jeugdwet.

    • h)

      gemeenten: de bij de regeling aangesloten gemeenten i.c. Borsele, Goes, Hulst, Kapelle, Middelburg, Noord-Beveland, Reimerswaal, Schouwen-Duiveland, Sluis, Terneuzen, Tholen, Veere en Vlissingen;

    • i)

      gemeentebesturen: de gemeenteraden, de colleges van burgemeester en wethouders, de burgemeesters, ieder voor zover zij bevoegd zijn;

    • j)

      Gedeputeerde Staten: Gedeputeerde Staten van de provincie Zeeland;

    • k)

      algemeen bestuur: het algemeen bestuur van GR GGD Zeeland;

    • l)

      dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van GR GGD Zeeland;

    • m)

      voorzitter: de voorzitter van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur;

    • n)

      directeur publieke gezondheid: de functionaris zoals bedoeld in Hoofdstuk 6 van deze regeling, verder hierna te noemen: directeur publieke gezondheid;

    • o)

      directeur Inkooporganisatie Jeugdhulp Zeeland: de functionaris zoals bedoeld in Hoofdstuk 6 van deze regeling, verder hierna te noemen de directeur jeugdhulp;

    • p)

      de regeling: de gemeenschappelijke regeling Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst Zeeland;

    • q)

      Wgr: de Wet gemeenschappelijke regelingen;

  • 2.

    Daar waar in deze regeling artikelen en bepalingen uit andere regelingen zijn van overeenkomstige toepassing worden verklaard dienen in die artikelen ‘de gemeente’, ‘de raad’, ‘het college’ en ‘de burgemeester’ te worden gelezen onderscheidenlijk: ‘het openbaar lichaam’, ‘het algemeen bestuur’, ‘het dagelijks bestuur’ en ‘de voorzitter’.

Artikel 2: Openbaar lichaam

  • 1.

    Er is een rechtspersoonlijkheid bezittend openbaar lichaam, zoals bedoeld in artikel 14, lid 1 en 2, van de Wet Publieke Gezondheid met de aanduiding Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst Zeeland.

  • 2.

    Het openbaar lichaam is gevestigd in Goes.

  • 3.

    Het rechtsgebied van GR GGD Zeeland omvat het grondgebied van de deelnemende gemeenten conform artikel 8 van de Wet veiligheidsregio’s.

Artikel 3: Belang

De GR GGD Zeeland behartigt de belangen van de deelnemende gemeenten op het gebied van de Wet publieke gezondheid, de Wet veiligheidsregio’s, de Wet op de lijkbezorging, de Jeugdwet, de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de Wet Kinderopvang.

Artikel 4: Bestuursorganen

De GR GGD Zeeland kent de volgende drie bestuursorganen:

  • a.

    het algemeen bestuur;

  • b.

    het dagelijks bestuur;

  • c.

    de voorzitter.

HOOFDSTUK 2: TAKEN EN BEVOEGDHEDEN

Artikel 5: Taken en bevoegdheden

  • 1.

    De GR GGD Zeeland voert alle taken en bevoegdheden uit die bij of krachtens de Wet publieke gezondheid en de Wet veiligheidsregio’s (laatstgenoemde wet voor zover in het kader van de geneeskundige hulpverlening) aan de raad, het college of de burgemeester zijn opgedragen.

  • 2.

    De GR GGD Zeeland verleent, onverminderd het bepaalde in lid 1,alleen diensten aan gemeenten binnen het in artikel 2 genoemde rechtsgebied. Met instemming van het algemeen bestuur kunnen ook diensten worden aangeboden buiten het in dit artikelgenoemde rechtsgebied.

  • 3.

    De GR GGD Zeeland kan op verzoek, indien het algemeen bestuur hiertoe besluit, binnen de gedelegeerde bevoegdheden, nader te omschrijven taken gaan uitvoeren. Een besluit hiertoe vermeldt alsdan de wijze van kostenverrekening en overige voorwaarden waaronder deze taken worden uitgevoerd.

  • 4.

    Ten behoeve van de uitvoering van taken ingevolge de Wet op de lijkbezorging draagt het college van burgemeester en wethouders van de vestigingsplaats zorg voor de benoeming van artsen van de dienst tot gemeentelijk lijkschouwer.

  • 5.

    De GR GGD Zeeland voert de taken en bevoegdheden uit in het kader van de Jeugdwet ten behoeve van de gemeenten:

    • a.

      welke zijn overgedragen aan het bestuur van het gemeenschappelijk openbaar lichaam in artikel 5a van deze regeling, alsmede

    • b.

      welke bij afzonderlijk eensluidend besluit van het (de) bevoegde bestuursorga(a)n(en) van alle gemeenten aan het bestuur van het gemeenschappelijk openbaar lichaam worden gemandateerd dan wel waarvoor volmacht of machtiging is verleend en door het algemeen bestuur zijn aanvaard.

  • 6.

    De GR GGD Zeeland voert de taken en bevoegdheden uit die bij of krachtens hoofdstuk 4 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 aan het college zijn opgedragen met betrekking tot de zorg voor de organisatie van Veilig Thuis.

  • 7.

    De colleges wijzen de directeur publieke gezondheid aan als toezichthouder in de zin van de Wet Kinderopvang en de Wet maatschappelijke ondersteuning. De directeur publieke gezondheid mandateert zijn toezichthoudende bevoegdheden aan medewerkers die werkzaam zijn als toezichthouder met betrekking tot de Wet Kinderopvang en de Wet maatschappelijke ondersteuning.

Artikel 5a: Taken en bevoegdheden in het kader van de Jeugdwet

  • 1.

    Aan het bestuur van het openbaar lichaam zijn in het kader van de Jeugdwet als bedoeld in artikel 5, vijfde lid onder a. de volgende taken opgedragen en de volgende bevoegdheden overgedragen:

    • a.

      het uitvoeren van taken uit de Jeugdwet door middel van het contracteren en subsidiëren van aanbieders van jeugdhulp en uitvoerders jeugdreclassering en jeugdbeschermingsmaatregelen in het kader van de Jeugdwet; dit omvat ook het beëindigen van deze contracten door opzegging of ontbinding en het terugvorderen van de subsidies;

    • b.

      voeren van inkoop- en aanbestedingsprocedures voor Jeugdhulp;

    • c.

      onderhandelen met aanbieders en uitvoerders van Jeugdhulp;

    • d.

      verzamelen van de benodigde gegevens ten behoeve van de monitoring en verantwoording;

    • e.

      bewaken van de Zeeuws brede afspraken;

    • f.

      gevraagd en ongevraagd adviseren aan de gemeenten over zaken betreffende de inkoop en subsidiëren van Jeugdhulp;

    • g.

      voeren van de financiële administratie;

    • h.

      contractenbeheer;

    • i.

      aanspreekpunt voor aanbieders en uitvoerders van Jeugdhulp en gemeenten.

  • 2.

    Het algemeen bestuur is bevoegd tot het vaststellen van een subsidieverordening als bedoeld in artikel 4:23 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 6: Bezwaar en beroep

Het algemeen bestuur is bevoegd tot het vaststellen van een adviescommissie als bedoeld in artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 7: Klachtrecht

Het algemeen bestuur is bevoegd tot het vaststellen van een verordening over de behandeling van klachten als bedoeld in hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht. Voor de behandeling van deze klachten wordt aangesloten bij de Nationale Ombudsman.

HOOFDSTUK 3: HET ALGEMEEN BESTUUR

Artikel 8: Samenstelling

  • 1.

    Het algemeen bestuur van de regeling bestaat uit evenveel leden als er gemeenten zijn aangesloten, met dien verstande dat iedere gemeente met één lid vertegenwoordigd is.

  • 2.

    Het college van iedere gemeente wijst een lid en een plaatsvervangend lid uit de leden van het college aan. Het lidmaatschap van het algemeen bestuur eindigt van rechtswege zodra het lid zijn functie bij de gemeente verliest.

  • 3.

    De colleges van de gemeenten beslissen in beginsel binnen één maand na de benoeming van de wethouders van elke zittingsperiode over de aanwijzing van de leden van het algemeen bestuur.

  • 4.

    Het algemeen bestuur wijst uit zijn midden een voorzitter en zijn plaatsvervanger aan.

  • 5.

    De leden van het algemeen bestuur die tussentijds ontslag nemen, stellen de voorzitter van het algemeen bestuur evenals het college die hen heeft aangewezen hiervan op de hoogte. Het ontslag is onherroepelijk.

  • 6.

    Leden van het algemeen bestuur die ontslag hebben genomen, behouden hun lidmaatschap totdat in hun opvolging is voorzien.

  • 7.

    De aanwijzing voor de vervulling van plaatsen die zijn opengevallen, vindt binnen twee maanden plaats door het college die het aangaat.

Artikel 9: Bevoegdheden van het algemeen bestuur

  • 1.

    Aan het algemeen bestuur komen in het kader van deze regeling alle bevoegdheden toe, die niet aan een ander orgaan zijn opgedragen. Het algemeen bestuur kan alle bevoegdheden delegeren aan het dagelijks bestuur, tenzij de aard van de bevoegdheid zich tegen delegatie verzet.

  • 2.

    Het algemeen bestuur is bevoegd tot de oprichting van en de deelneming in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen, indien dit in het bijzonder aangewezen moet worden geacht voor de behartiging van het daarmee te dienen openbaar belang.

  • 3.

    De volgende bevoegdheden van het algemeen bestuur zijn niet overdraagbaar:

    • a.

      het aanwijzen van een voorzitter en diens plaatsvervanger en de overige leden van het dagelijks bestuur;

    • b.

      het benoemen, schorsen en ontslaan van de directeur publieke gezondheid en zijn waarnemer in overeenstemming met het algemeen bestuur van de Veiligheidsregio Zeeland conform artikel 14 lid 3 WPG;

    • c.

      het vaststellen van de begroting, respectievelijk begrotingswijzigingen en de jaarstukken;

    • d.

      het vaststellen van een reglement van orde;

    • e.

      het vaststellen van de Financiële verordening en de Controle verordening;

    • f.

      het vaststellen van een verordening tot instelling van een commissie ex artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht, en de verordening voor de behandeling van klachten als bedoeld in hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht;

    • g.

      het doen van voorstellen tot wijziging, toetreding, uit¬treding en opheffing van deze gemeenschappelijke regeling voor zover artikel 14 WPG dit toelaat;

    • h.

      het vaststellen van een directiestatuut;

    • i.

      het instellen van commissies als bedoeld in artikel 24, 24a en 25 van de Wgr.

Artikel 10: Werkwijze

  • 1.

    Het algemeen bestuur stelt een reglement van orde voor zijn vergaderingen vast en brengt dit ter kennis van de deelnemende gemeenten.

  • 2.

    Het algemeen bestuur vergadert zo vaak als hij daartoe heeft besloten, maar minimaal twee keer per jaar en verder zo dikwijls als de voorzitter dit nodig acht of ten minste twee leden van het algemeen bestuur dit verzoeken (onder schriftelijke opgave van de te behandelen onderwerpen).

  • 3.

    De voorzitter roept de leden schriftelijk tot de vergadering op en tegelijkertijd met de oproep maakt de voorzitter dag, tijdstip en plaats van de vergadering openbaar. De agenda en de daarbij behorende voorstellen, met uitzondering van de in Hoofdstuk Va, Gemeentewet, genoemde stukken waarop geheimhouding is opgelegd, worden tegelijkertijd met de oproep ter inzage gelegd.

  • 4.

    Besluiten worden genomen met meerderheid van stemmen.

  • 5.

    Uit de Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing het bepaalde in artikel 20 (quorum voor opening van vergadering), artikel 22 (onschendbaarheid, verschoningsrecht), artikel 26 (handhaving orde vergadering), artikel 28 (niet-deelname aan de stemming), artikel 29 (quorum voor geldige stemming), artikel 30 (tot stand komen besluit), artikel 31 (geheime stembriefjes), artikel 32 (overige stemmingen) en artikel 33 (ambtelijke bijstand leden van het Algemeen bestuur).

  • 6.

    In de vergaderingen van het algemeen bestuur heeft elk lid zoveel stemmen als overeenkomt met het aantal inwoners van de gemeente die deze vertegenwoordigt gedeeld door 5.000, waarbij de uitkomst naar boven wordt afgerond. Telkens bij de aanvang van een zittingsperiode wordt het aantal stemmen voor de duur van die zittingsperiode vastgesteld gebaseerd op de bevolkingscijfers uit de gemeenten per januari van het voorgaande jaar. Voor de toepassing van dit artikel wordt uitgegaan van het aantal inwoners volgens de laatst beschikbare gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Indien de stemmen staken geeft de stem van de voorzitter de doorslag.

Artikel 11: Besloten vergadering

In een besloten vergadering van het algemeen bestuur worden geen besluiten genomen over het meerjarenbeleidsplan, de begroting, begrotingswijzigingen, de jaarstukken, liquidatieplan, afschaffen retributies of andere heffingen, vaststellen, wijzigen of intrekken van verordeningen, treffen van wijzigingen verlengen of opheffen van een GR tussen gemeentelijke gezondheidsdienst Zeeland en andere openbare lichamen, alsmede toetreden tot en uittreden uit dergelijke regelingen.

HOOFDSTUK 4: HET DAGELIJKS BESTUUR

Artikel 12: Samenstelling

  • 1.

    Het dagelijks bestuur bestaat uit de voorzitter en twee andere leden. Het dagelijks bestuur kent één lid uit de regio Oosterscheldebekken, één lid uit de regio Zeeuws-Vlaanderen en één lid uit de regio Walcheren.

  • 2.

    De twee andere leden van het dagelijks bestuur worden aangewezen door en uit het algemeen bestuur. Zij worden aangewezen in de eerste vergadering van het algemeen bestuur nadat in overeenstemming met artikel 8 de leden van het algemeen bestuur zijn aangewezen.

  • 3.

    De directeur publieke gezondheid neemt deel aan de vergaderingen van het dagelijks bestuur, in de rol van ambtelijk secretaris.

  • 4.

    De aanwijzing van leden van het dagelijks bestuur (niet zijnde de voorzitter) ter vervulling van plaatsen die openvallen, vindt plaats binnen twee maanden na de melding van de opengevallen plaats.

Artikel 13: Einde lidmaatschap

  • 1.

    Het lidmaatschap van het dagelijks bestuur eindigt indien het lid ophoudt lid te zijn van het algemeen bestuur.

  • 2.

    De leden van het dagelijks bestuur treden af op de dag waarop de zittingsperiode van de gemeenteraad afloopt. Zij blijven hun functie waarnemen tot het moment dat het algemeen bestuur in de nieuwe samenstelling nieuwe leden voor het dagelijks bestuur heeft aangewezen.

  • 3.

    Een lid van het dagelijks bestuur kan door het algemeen bestuur worden ontslagen, als dit lid niet meer het vertrouwen van het algemeen bestuur geniet. In dit geval is het bepaalde in artikelen 49 en 50 van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing. Op het ontslagbesluit is artikel 4:8 en 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.

Artikel 14: Werkwijze

  • 1.

    Het dagelijks bestuur vergadert zo dikwijls als de voorzitter of een ander lid van het dagelijks bestuur dit nodig acht met opgave van de te behandelen onderwerpen. De vergadering vindt plaats binnen twee weken nadat het verzoek is ingekomen.

  • 2.

    Voor zover deze regeling niet anders bepaalt, kan het dagelijks bestuur zijn werkzaamheden verdelen over zijn leden. Het dagelijks bestuur deelt zijn besluiten daarover mee aan het algemeen bestuur.

  • 3.

    Besluiten worden genomen met gewone meerderheid van stemmen. Als de stemmen staken, wordt het voorstel geacht te zijn verworpen.

  • 4.

    Het dagelijks bestuur kan een reglement van orde voor zijn vergaderingen vaststellen, dat aan het algemeen bestuur ter kennisneming wordt overgelegd.

  • 5.

    Voor de besluitvorming in het dagelijks bestuur en de verplichting tot geheimhouding zijn de overeenkomstige bepa¬lingen zoals die zijn opgenomen in de Gemeentewet voor het college van toepassing.

Artikel 15: Taak

  • 1.

    Het uitvoeren van alle taken en bevoegdheden die op grond van de in artikel 5 genoemde wetten en algemeen verbindend voorschriften aan de colleges van burgemeester en wethouders toekomen.

  • 2.

    De taak van het dagelijks bestuur is:

    • a.

      het voorbereiden van al wat aan het algemeen bestuur ter overweging en beslissing zal worden voorgelegd, voor zover die voorbereiding niet aan anderen is opgedragen;

    • b.

      het uitvoeren van besluiten van het algemeen bestuur;

    • c.

      het beheer van de eigendommen en geldmiddelen van de G GGD Zeeland;

    • d.

      het nemen van alle conservatoire maatregelen, zowel in als buiten rechte en het doen van alles wat nodig is ter voorko¬ming van verjaring en het verlies van recht of bezit;

    • e.

      het houden van een voortdurend toezicht op het beheer en de exploitatie van GR GGD Zeeland, evenals op al wat GR GGD Zeeland aangaat, waaronder de zorg voor de archiefbescheiden;

    • f.

      het benoemen, schorsen en ontslaan van het personeel, met uitzondering van de directeur publieke gezondheid en zijn waarnemer. De directeur Jeugdhulp wordt benoemd, geschorst en ontslagen in overeenstemming met het algemeen bestuur;

    • g.

      het behartigen van de belangen van GR GGD Zeeland bij andere overheidslichamen en instellingen, diensten of personen, waarmee contact voor GR GGD Zeeland van belang is.

    • h.

      tot privaatrechtelijke rechtshandelingen van GR GGD Zeeland te besluiten, met uitzondering van privaatrechtelijke rechtshandelingen als bedoeld in art. 31a van de Wet gemeenschappelijke regelingen;

    • i.

      met besluiten inzake inkoop- en verkoopbeleid

    • j.

      Het dagelijks bestuur stelt de rechtspositieregelingen vast voor het personeel van GR GGD Zeeland

    • k.

      te besluiten namens GR GGD Zeeland, het dagelijks bestuur of het algemeen bestuur rechtsgedingen, bezwaarprocedures of administratief beroepsprocedures te voeren of handelingen ter voorbereiding daarop te verrichten, tenzij het algemeen bestuur, voor zover dit het algemeen bestuur aangaat, in voorkomende gevallen anders beslist;

  • 3.

    Het algemeen bestuur is bevoegd kaders te stellen ten aanzien van het bepaalde onder sub f. en i t/m k.

  • 4.

    Het dagelijks bestuur heeft de verplichting om het algemeen bestuur actief inlichtingen te verstrekken.

HOOFDSTUK 5: DE VOORZITTER

Artikel 16: Benoeming en Taak

  • 1.

    De voorzitter wordt door en uit het algemeen bestuur aangewezen.

  • 2.

    Het algemeen bestuur kan de voorzitter ontslag verlenen, indien deze het vertrouwen van het algemeen bestuur niet meer bezit.

  • 3.

    De voorzitter is belast met de leiding van de vergaderingen van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur.

  • 4.

    Bij verhindering of ontstentenis van de voorzitter wordt deze vervangen door een lid van het dagelijks bestuur, aan te wijzen door het dagelijks bestuur.

  • 5.

    De voorzitter tekent de stukken die van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur uitgaan. Deze stukken worden door de ambtelijk secretaris van het algemeen en dagelijks bestuur mede ondertekend.

  • 6.

    De voorzitter vertegenwoordigt GR GGD Zeeland in en buiten rechte. De voorzitter kan de vertegenwoordiging opdragen aan een door deze aan te wijzen gemachtigde.

  • 7.

    Indien de voorzitter behoort tot het bestuur van een gemeente, die partij is in een geding waarbij GR GGD Zeeland is betrokken, wordt GR GGD Zeeland door een ander, door het dagelijks bestuur aan te wijzen, lid van het dagelijks bestuur vertegenwoordigd.

HOOFDSTUK 6: DE DIRECTEUREN

Artikel 17: Functie, Benoeming en Taak

  • 1.

    De bestuursorganen van het openbaar lichaam worden bijgestaan door twee directeuren, een directeur publieke gezondheid en een directeur jeugdhulp, die in de vergaderingen van het algemeen bestuur een adviserende stem hebben ten aanzien van aangelegenheden waarover zij de dagelijkse leiding hebben. De directeur publieke gezondheid vervult ten behoeve van het algemeen bestuur en ten behoeve van het dagelijks bestuur de functie van ambtelijk secretaris en hij heeft een adviserende stem in het dagelijks bestuur.

  • 2.

    Het algemeen bestuur benoemt, schorst en ontslaat de directeur publieke gezondheid in overeenstemming met het algemeen bestuur van de Veiligheidsregio Zeeland en met inachtneming van het bepaalde in artikel 9 lid 3 sub b. van deze regeling. Het dagelijks bestuur benoemt, schorst en ontslaat de directeur jeugdhulp in overeenstemming met het algemeen bestuur.

  • 3.

    De directeur publieke gezondheid is belast met de dagelijkse leiding van het organisatieonderdeel GGD Zeeland. De directeur jeugdhulp is belast met de dagelijkse leiding van de Inkooporganisatie Jeugdhulp Zeeland.

  • 4.

    De directeur publieke gezondheid ondertekent mede alle stukken die van het algemeen en dagelijks bestuur uitgaan.

  • 5.

    De verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de directeuren worden vastgelegd in een directiestatuut. Het statuut wordt vastgesteld door het algemeen bestuur.

  • 6.

    De directeur publieke gezondheid is zowel inhoudelijk als financieel verantwoording schuldig aan het dagelijks bestuur. De directeur jeugdhulp is financieel verantwoording verschuldigd aan het dagelijks bestuur. Inhoudelijke verantwoording is hij verschuldigd aan de door het AB ingestelde bestuurscommissie. Dat laatste indien het algemeen bestuur een bestuurscommissie heeft ingesteld.

  • 7.

    De directeur publieke gezondheid is bestuurder in de zin van de Wet op ondernemingsraden.

  • 8.

    Het dagelijks bestuur wijst de functionaris aan die als plaatsvervanger optreedt voor de voor de directeur publieke gezondheid in geval van diens afwezigheid voor langere duur. Het algemeen bestuur wijst de functionaris aan die als plaatsvervanger optreedt voor de directeur jeugdhulp in geval van diens afwezigheid voor langere duur, tenzij het algemeen bestuur heeft bepaald dat een ingestelde bestuurscommissie deze functionaris aanwijst.

HOOFDSTUK 7: INLICHTINGEN, VERANTWOORDING EN ONTSLAG

Artikel 18: Intern

  • 1.

    De leden van het dagelijks bestuur zijn, samen en ieder afzonderlijk, aan het algemeen bestuur verantwoording verschuldigd voor het door hen gevoerde bestuur.

  • 2.

    Zij geven ongevraagd aan het algemeen bestuur alle informatie die voor een juiste beoordeling van het door het dagelijks bestuur te voeren en gevoerde bestuur nodig is.

  • 3.

    Zij geven samen, dan wel afzonderlijk, aan het algemeen bestuur, wanneer dit bestuur of een of meer leden daarvan hierom verzoeken, alle gevraagde inlichtingen.

  • 4.

    Een lid van het dagelijks bestuur kan door het algemeen bestuur worden ontslagen, als dit lid niet meer het vertrouwen van het algemeen bestuur bezit. In dit geval is het bepaalde in artikel 49 en verder van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing.

  • 5.

    De leden 1 tot en met 3 zijn van overeenkomstige toepassing op de voorzitter voor het door hem gevoerde bestuur.

Artikel 19: Informatieverstrekking door het algemeen en dagelijks bestuur en de voorzitter

  • 1.

    Het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter geven aan de raden van de deelnemende gemeenten ongevraagd alle informatie die voor een juiste beoordeling van het door het bestuur gevoerde en te voeren beleid nodig is.

  • 2.

    Het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter verstrekken aan de raden van de deelnemende gemeenten alle inlichtingen die door een of meer raden worden verlangd. Die informatie wordt in dat geval ook verstrekt aan de overige raden.

  • 3.

    Belangrijke financiële, beleidsmatige en/ of organisatorische ontwikkelingen of belangrijke ontwikkelingen van de samenwerkingsafspraken zendt het algemeen en dagelijks bestuur middels een tussentijdse rapportage tijdig naar de raden van de deelnemende gemeenten ter informatie.

Artikel 20: Informatieverstrekking door individuele leden van het algemeen bestuur

  • 1.

    Een lid of een plaatsvervangend lid van het algemeen bestuur is aan het college door wie hij is benoemd, met inachtneming van het bepaalde in artikel 16 Wgr, verantwoording verschuldigd voor het door hem in dat bestuur gevoerde beleid en verstrekt indien gewenst door een of meer leden van zijn raad gevraagde inlichtingen.

  • 2.

    Een lid of een plaatsvervangend lid van het algemeen bestuur kan door het college waarbinnen dit lid functioneert, worden ontslagen, indien dit lid niet meer het vertrouwen van het college bezit. Op het ontslagbesluit is artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

HOOFDSTUK 8: HET PERSONEEL

Artikel 21: Personeel

  • 1.

    Bij GR GGD Zeeland is personeel werkzaam.

  • 2.

    Het dagelijks bestuur beslist over de toepassing van overige arbeidsvoorwaarden.

HOOFDSTUK 9: FINANCIËLE BEPALINGEN

Artikel 22: Begrotingsprocedure

  • 1.

    Het dagelijks bestuur stuurt jaarlijks vóór 30 april de ontwerpbegroting van de GR Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst Zeeland voor het komende kalenderjaar, evenals de financiële beleidsuitgangspunten voor de komende jaren (meerjarenraming), aan de raden van de gemeenten. Het bepaalde in art. 190 lid 1 van de Gemeentewet is van toepassing evenals het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV).

  • 2.

    De raden van de deelnemende gemeenten kunnen binnen twaalf weken, na ontvangst van de ontwerpbegroting het dagelijks bestuur hun zienswijze aangeven.

  • 3.

    Het dagelijks bestuur stuurt de begroting binnen twee weken na vaststelling, maar in ieder geval vóór 15 september van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan Gedeputeerde Staten.

  • 4.

    Op wijzigingen van de begroting zijn voorgaande bepalingen van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat een begrotingswijziging uiterlijk 30 september het betreffende begrotingsjaar door het algemeen bestuur wordt vastgesteld.

  • 5.

    Een begrotingswijziging wordt ingediend, indien de gemeentelijke bijdragen van de deelnemers worden verhoogd.

Artikel 23: Bijdragen van de gemeenten

  • 1.

    In de begroting staat welke bijdrage elke gemeente verschuldigd is voor de uitvoering van de taken van de GR Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst Zeeland. De deelnemende gemeenten betalen bij wijze van voorschot op de vijftiende dag van maand een/twaalfde deel van de bedoelde bijdrage.

  • 2.

    De deelnemers zullen er steeds zorg voor dragen dat de gemeenschappelijke regeling over voldoende middelen beschikt om aan al zijn verplichtingen te kunnen voldoen.

  • 3.

    Indien aan het algemeen bestuur van de gemeenschappelijke regeling blijkt dat een deelnemer weigert deze uitgaven op de begroting te zetten, doet het algemeen bestuur onverwijld aan Gedeputeerde Staten het verzoek over te gaan tot toepassing van de artikelen 194 en 195 Gemeentewet.

Artikel 23a: Administratie, bijdragen en informatievoorziening Jeugdhulp

  • 1.

    De Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst Zeeland houdt de administratie voor de jeugdhulp gescheiden van de administratie van de andere taken.

  • 2.

    De voor jeugdhulp verkregen bijdragen van de gemeenten worden beheerd op een uitsluitend daartoe bestemde rekening.

  • 3.

    Het algemeen bestuur zendt periodiek aan de colleges van burgemeesters en wethouders van de gemeenten een overzicht van de verplichtingen, inkomsten en uitgaven voor jeugdhulp. Daarbij wordt in ieder geval aangesloten bij de Planning en Control cyclus van de gemeenten.

Artikel 24: Reserve

  • 1.

    De GR GGD Zeeland vormt een reserve ten laste van de gemeentelijke bijdragen aan de uitvoeringskosten conform de richtlijn die jaarlijks door het bestuur van de Vereniging van Zeeuwse Gemeenten wordt vastgesteld.

  • 2.

    Kennelijke onbillijkheden die uit de toepassing van dit artikel voortvloeien, worden ter beslissing voorgelegd aan het algemeen bestuur. Bij beslissingen op gemeentelijke verzoeken hierover past het algemeen bestuur de afspraken tussen de gemeenten over het te vormen reserve toe.

Artikel 25: Jaarstukken

  • 1.

    Het dagelijks bestuur legt vóór 30 april aan het algemeen bestuur verantwoording af over het afgelopen kalenderjaar, onder overlegging van de opgestelde jaarstukken en een berekening van de door de deelnemende gemeenten te betalen bijdragen, .naast de controleverklaring en het verslag van bevindingen van de met de controles belaste accountant

  • 2.

    De jaarstukken met het voorgenomen besluit van de resultaatbestemming worden gelijktijdig ter informatie aan de raden van de deelnemende gemeenten toegezonden.

  • 3.

    Indien het dagelijks bestuur met een positief resultaat in de jaarrekening een andere bestemming wenst dan de algemene reserve, dan wel indien met de toevoeging van het resultaat aan de algemene reserve de reservevorming boven de afgesproken richtlijn reservevorming komt, worden de raden van de deelnemende gemeenten in de gelegenheid gesteld binnen twaalf weken na ontvangst, een zienswijze te geven op het voorgenomen besluit van de resultaatbestemming.

  • 4.

    Het algemeen bestuur onderzoekt de jaarstukken en stelt de jaarstukken en de resultaatbestemming vast.

  • 5.

    De jaarstukken worden binnen twee weken na de vaststelling aan Gedeputeerde Staten gezonden, maar vóór 15 juli.

  • 6.

    Het besluit tot vaststelling van de jaarstukken strekt - voor zover het de daarin opgenomen ontvangsten en uitgaven betreft - het dagelijks bestuur tot decharge, behoudens later in rechte gebleken valsheid in bewijsstukken en/of andere onregelmatigheden.

HOOFDSTUK 10: HET ARCHIEF EN INFORMATIEVEILIGHEID

Artikel 26: Archief

  • 1.

    Het algemeen bestuur stelt, met inachtneming van artikel 40 van de Archiefwet, regels vast over de bewaring en het beheer van de archiefbescheiden van het openbaar lichaam. Deze regeling wordt toegestuurd aan gedeputeerde staten.

  • 2.

    Het dagelijks bestuur is belast met de zorg en het toezicht op de bewaring en het beheer van de archiefbescheiden, overeenkomstig de in het eerste lid bedoelde regeling.

  • 3.

    Voor de bewaring van de op grond van artikel 12 van de Archiefwet over te brengen archiefbescheiden wijst het dagelijks bestuur een archiefbewaarplaats aan.

Artikel 27: Informatieveiligheid

  • 1.

    Het dagelijks bestuur is verantwoordelijk voor de informatiebeveiliging en gegevensbescherming van de informatie die zij onder zich heeft.

  • 2.

    Bij de informatieveiligheid en gegevensbescherming gelden dezelfde eisen als waaraan de deelnemende gemeenten moeten voldoen.

Artikel 28: Participatie,

  • 1.

    Het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur kan ingezetenen en belanghebbenden betrekken bij de voorbereiding, uitvoering en/of evaluatie van haar beleid.

  • 2.

    Ingezetenen en belanghebbenden worden niet betrokken:

    • a.

      ondergeschikte herzieningen van een eerder vastgesteld beleidsvoornemen;

    • b.

      indien inspraak bij of krachtens wettelijk voorschrift is uitgesloten;

    • c.

      indien sprake is van uitvoering van hogere regelgeving waarbij het bestuursorgaan geen of nauwelijks beleidsvrijheid heeft;

    • d.

      inzake de tarieven voor gemeentelijke dienstverlening en belastingen bedoeld in hoofdstuk XV van de Gemeentewet;

    • e.

      indien de uitvoering van een beleidsvoornemen dermate spoedeisend is dat inspraak niet kan worden afgewacht;

    • f.

      indien het belang van inspraak niet opweegt tegen het belang van de verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan voor kwetsbare groepen in de samenleving.

  • 3.

    Op inspraak is de procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, tenzij het bestuursorgaan een andere inspraakprocedure vaststelt.

HOOFDSTUK 11: TOETREDING, UITTREDING, WIJZIGING, GESCHILLEN EN OPHEFFING

Artikel 29: Toetreding en uittreding

  • 1.

    Toe- en uittreding van gemeenten tot deze gemeenschappelijke regeling is slechts mogelijk na wijziging van de indeling van de gemeenten in regio’s als bedoeld in artikel 8 van de Wet veiligheidsregio’s, zoals opgenomen in artikel 14 lid 1 WPG.

  • 2.

    Het algemeen bestuur regelt de gevolgen van de toetreding of de uittreding en kan hieraan voorwaarden verbinden.

Artikel 30: Procedure voor vaststelling uittredingsplan

  • 1.

    Het uittredingsplan bepaalt de berekening van de financiële gevolgen van de uittreding.

  • 2.

    Het uittredingsplan bevat een voorlopige berekening van de financiële gevolgen van de uittreding te betalen door de uittredende deelnemer, hierna te noemen de voorlopige uittreedsom.

  • 3.

    Met het oog op het bepalen van de inhoud van het uittredingsplan kan het Algemeen Bestuur een onafhankelijke externe deskundige aanwijzen die in opdracht van het Algemeen Bestuur het concept-uittredingsplan voorbereidt. De kosten voor het inschakelen van een onafhankelijke externe deskundige komen voor rekening van de uittredende deelnemer.

  • 4.

    Het Algemeen Bestuur wijst de onafhankelijke externe deskundige aan op basis van een gezamenlijke voordracht van de uittredende deelnemer en het Dagelijks Bestuur. Indien geen overeenstemming kan worden bereikt over een gezamenlijke voordracht, wijst het Algemeen Bestuur de onafhankelijke externe deskundige aan op basis van een bindende voordracht van een selectiecommissie bestaande uit drie leden van het bestuur, waaronder in ieder geval een vertegenwoordiger van het bestuur van de uittredende deelnemer.

  • 5.

    Ten minste twaalf maanden voorafgaand aan het moment van uittreding stelt het bestuur het uittredingsplan en de voorlopige uittreedsom vast. Het bestuur baseert de berekening van de voorlopige uittreedsom op de systematiek als bedoeld in artikel 31 gelet op de vastgestelde jaarrekening van het meest recent verstreken begrotingsjaar.

  • 6.

    Uiterlijk zes maanden na het moment van uittreding stelt het bestuur de definitieve uittreedsom vast. Het bestuur baseert de berekening van de definitieve uittreedsom op de systematiek als bedoeld in artikel 31 en vastgestelde jaarrekening van het meest recent verstreken begrotingsjaar.

  • 7.

    Bij de berekening van de kosten voor uittreding zoals bedoeld in het zesde lid wordt een risico-opslag van 10% op de uittreedsom toegepast om eventueel onvoorziene toekomstige kosten gerelateerd aan de uittreding te ondervangen. Deze opslag vrijwaart de uittreden de deelnemer van alle toekomstige onvoorzienbare kosten.

  • 8.

    Bij de voorbereiding van het concept uittredingsplan biedt het bestuur de uittredende deelnemer de keuze tussen een betaling van de uittreedsom in een aantal termijnen of voor betaling van de uittreedsom in een keer. In het uittredingsplan bepaalt het bestuur conform de voorkeur van de uittredende deelnemer of de uittredende deelnemer de uit-treedsom in een daarbij te bepalen aantal termijnen (maximaal 5 jaartermijnen) of in één keer dient te betalen.

Artikel 31: Te vergoeden kosten, de uittreedsom

  • 1.

    De voorlopige respectievelijk de definitieve uittreedsom bestaat uitsluitend uit een vergoeding ter compensatie van frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten, waaronder ook een reëel aandeel in het vermogen van de vennootschappen, bedoeld in artikel 5, tweede lid.

  • 2.

    Onder frictiekosten worden verstaan alle incidentele kosten te maken door het openbaar lichaam die het directe gevolg van de beslissing tot uittreding van een deelnemer zijn.

  • 3.

    Onder desintegratiekosten worden verstaan alle kosten direct dan wel toekomstig te maken dan wel te dragen door de Gemeentelijke Gezondheidsdienst Zeeland, die samenhangen met de afbouw van structurele en incidentele overcapaciteit in personele en materiële sfeer en andere structurele en incidentele verplichtingen, de afbouw van risico’s daarbij inbegrepen, ontstaan als direct gevolg van de uittreding.

  • 4.

    Het Algemeen Bestuur brengt alle frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten, in rekening bij de uittredende deelnemer. De uittredende deelnemer is verplicht tot betaling van de definitieve uittreedsom, binnen drie maanden nadat het bestuur de definitieve uittreedsom, als bedoeld in artikel 30, zesde lid, heeft vastgesteld, tenzij in het uittredingsplan overeenkomstig artikel 30, achtste lid, anders is vastgelegd.

  • 5.

    Kosten die de uittredende deelnemer maakt ter voorbereiding op of als gevolg van de beslissing tot uittreding komen voor rekening van de deelnemer.

  • 6.

    De raming en berekening van de kosten voor uittreding worden gebaseerd op de feiten en omstandigheden die bekend waren op het moment van de daadwerkelijke uittreding, bedoeld in artikel 30, vijfde lid.

  • 7.

    Indien de kosten van de inzet van een externe deskundige als bedoeld in artikel 29B en relatie tot de verwachtte uittredesom daartoe aanleiding geeft, kan het Algemeen Bestuur in overleg met deelnemer besluiten om in afwijking van het bepaalde in de voorgaande leden de uittreedsom te bepalen op de eigen bijdrage, zoals deze is vastgesteld in de jaarrekening van het jaar van uittreding, waarbij die bijdrage ieder jaar met 20% afneemt als volgt 1e jaar 100%, 2e jaar 80%, 3e jaar 60%, 4e jaar 40% en 5e jaar 20%.

  • 8.

    Het openbaar lichaam is gehouden redelijkerwijs al het mogelijke te doen om de uittredingskosten zo laag mogelijk te houden. Het voorgaande hoeft niet te leiden tot wijziging van overeenkomsten met en verplichtingen jegens derden die zijn aangegaan respectievelijk bepaald voorafgaand aan het tijdstip van ontvangst door het bestuur van het besluit tot uittreding van de deelnemer.

Artikel 32: Verplichtingen uittreder

  • 1.

    De uittredende partij is gehouden zich in te spannen om de formatie van de Gemeentelijke Gezondheidsdienst Zeeland, die als gevolg van de uittreding boventallig is geworden met behoud van arbeidsvoorwaarden in dienst te nemen of anderszins in stand te doen houden. De waarde van de formatie die de uittredende partij overneemt van het openbaar lichaam wordt gekapitaliseerd en in mindering gebracht op de uittreedsom.

  • 2.

    Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op alle andere verplichtingen van het openbaar lichaam die als gevolg van de uittreding overtollig zijn geworden dan wel verminderd of beëindigd dienen te worden.

Artikel 33: Wijziging

  • 1.

    De regeling wordt gewijzigd, indien de colleges van twee derde van de deelnemende gemeenten daartoe eensluidend besluiten.

  • 2.

    Voorstellen tot wijziging van de regeling kunnen worden gedaan door het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur of één of meer van de deelnemers.

  • 3.

    Voorstellen uitgaande van één of meer deelnemende gemeenten worden toegezonden aan het algemeen bestuur, dat het voorstel met zijn beschouwingen ter zake binnen acht weken aan de raden van de deelnemende gemeenten doet toekomen, waarna deze deelnemende gemeenten en het algemeen bestuur verder handelen conform het bepaalde in het vorige lid van dit artikel.

Artikel 34: Geschillen

  • 1.

    Voordat over een geschil als bedoeld in artikel 28 Wgr de beslissing van Gedeputeerde Staten wordt ingeroepen, legt het algemeen bestuur het geschil voor aan een geschillencommissie.

  • 2.

    De geschillencommissie bestaat uit drie leden. Een lid wordt aangewezen door het algemeen bestuur en een lid wordt aangewezen door de betrokken gemeente(n). Deze twee leden wijzen gezamenlijk een derde lid aan dat tevens als voorzitter van de commissie optreedt.

  • 3.

    De geschillencommissie hoort de bij het geschil betrokken besturen.

  • 4.

    De geschillencommissie brengt advies uit over de mogelijkheden partijen tot overeenstemming te brengen.

  • 5.

    Indien het advies van de commissie niet leidt tot oplossing van het gerezen geschil wordt bij het verzoek om een beslissing van Gedeputeerde Staten een afschrift van het advies van de commissie gevoegd.

Artikel 35: Ontbinding en liquidatie

  • 1.

    De gemeenschappelijke regeling kan slechts worden opgeheven voor zover dit op grond van artikel 14 van de WPG mogelijk is. Opheffing geschiedt in dat geval bij daartoe strekkende besluiten van tenminste twee derde van de colleges van de deelnemende gemeenten

  • 2.

    Ingeval van een besluit tot ontbinding van de gemeenschappelijke regeling, als bedoeld in het vorige lid, stelt het algemeen bestuur daarvoor een liquidatieplan op ter vereffening van het vermogen van de regeling. Een zodanig besluit wordt met een twee derde meerderheid genomen, gehoord de raden van de deelnemende gemeenten.

  • 3.

    Het liquidatieplan voorziet in de verplichtingen van de gemeenten en de financiële gevolgen van de ontbinding de regeling.

  • 4.

    Het liquidatieplan voorziet in de gevolgen die de ontbinding heeft voor het personeel.

  • 5.

    Het dagelijks bestuur is belast met de uitvoering van de liquidatie.

  • 6.

    Het besluit tot ontbinding of tot wijziging van deze regeling wordt direct gezonden aan de gemeenten

  • 7.

    De organen van de gemeenschappelijke regeling blijven ook na het tijdstip van ontbinding in functie, totdat de vereffening is voltooid.

  • 8.

    Gedurende de vereffening wordt de aanduiding van de regeling aangevuld met de afkorting van ‘in liquidatie’, zodat het opschrift komt te luiden: “(Gemeentelijke Gezondheidsdienst Zeeland i.l.)”

HOOFDSTUK 12: SLOTBEPALINGEN

Artikel 36: Overgangsbepaling

Het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter van het openbaar lichaam blijven hun functies vervullen tot de zittingsperiode van de gemeenteraden is beëindigd en in hun opvolging is voorzien.

Artikel 37: Inwerkingtreding

  • 1.

    Het college van de gemeente van vestiging zorgt namens alle deelnemende gemeenten voor bekendmaking in haar gemeenteblad.

  • 2.

    Deze regeling is getroffen voor onbepaalde tijd.

Artikel 38: Evaluatie

De regeling wordt elke 4 jaar geëvalueerd. De evaluatie heeft vooral betrekking op de vraag of de samenwerking de doelen die zij zich heeft gesteld ook heeft bereikt tegen de kosten die hiervoor waren uitgetrokken. Daarnaast dient ook gekeken te worden naar de uitvoering van de specifieke taken. De manier waarop de samenwerking heeft gefunctioneerd, is eveneens onderdeel van de evaluatie.

Artikel 39: Titel

De regeling kan worden aangehaald als “De gemeenschappelijke regeling Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst Zeeland 2025”.

Aldus besloten in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders van de

gemeente d.d.

Naar boven